Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62007CC0394

Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 18 december 2008.
Marco Gambazzi tegen DaimlerChrysler Canada Inc. en CIBC Mellon Trust Company.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Corte d'appello di Milano - Italië.
Executieverdrag - Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen - Gronden voor weigering - Schending van openbare orde van aangezochte staat - Uitsluiting van verweerder van procedure voor gerecht van staat van herkomst wegens niet-uitvoering van rechterlijk bevel.
Zaak C-394/07.

European Court Reports 2009 I-02563

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2008:748

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 18 december 2008 (1)

Zaak C‑394/07

Marco Gambazzi

tegen

Daimler Chrysler Canada Inc.

en CIBC Mellon Trust Company

[verzoek van de Corte d’Appello di Milano (Italië) om een prejudiciële beslissing]

„EEG-Executieverdrag – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Weigeringsgronden – Schending van openbare orde van aangezochte staat – Uitsluiting van verweerder van procedure wegens niet-uitvoering van rechterlijk bevel”





I –    Inleiding

1.        Deze procedure gaat over de uitlegging van artikel 27, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”).(2) Voorwerp van het hoofdgeding is de erkenning van een Engelse beslissing die is gegeven nadat de verweerder van de procedure was uitgesloten omdat hij geen gevolg had gegeven aan een rechterlijk bevel. Deze zaak biedt het Hof de mogelijkheid zijn met name in het arrest Krombach(3) ontwikkelde rechtspraak op het gebied van de procedurele openbare orde verder uit te werken.

II – Rechtskader

2.        Artikel 25 Executieverdrag luidt:

„Onder beslissing in de zin van dit verdrag wordt verstaan, elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag der proceskosten.”

3.        Volgens artikel 27, punt 1, van het Executieverdrag wordt een beslissing niet erkend „indien de erkenning strijdig is met de openbare orde van de aangezochte staat”.

III – Feiten, prejudicieel verzoek en procesverloop voor het Hof

4.        In het hoofdgeding gaat het om de erkenning en tenuitvoerlegging in Italië van een Engelse beslissing die Daimler Chrysler Canada Inc. (hierna: „Daimler Chrysler”) en CIBC Mellon Trust Company (hierna: „CIBC”) tegen Gambazzi hebben verkregen.

5.        De Engelse procedure in de hoofdzaak betrof een schadevordering die Daimler Chrysler en CIBC hadden ingesteld tegen de in Lugano woonachtige Zwitserse staatsburger Gambazzi.

6.        Op basis van de door de verwijzende rechter in zijn prejudicieel verzoek verstrekte gegevens en het betoog van partijen laat het verloop van de Engelse procedure zich als volgt samenvatten.

7.        Vóór de aanvang van de procedure in de hoofdzaak had de Engelse rechter Gambazzi in juli 1996 op verzoek van Daimler Chrysler en CIBC bij wijze van voorlopige voorziening een beschikkingsverbod (freezing order, ook wel Mareva injunction genoemd(4)) opgelegd, inhoudende dat Gambazzi ter verzekering van de tenuitvoerlegging van een toekomstige rechterlijke beslissing niet over zijn vermogen mocht beschikken.

8.        Op 26 februari 1997 werd de freezing order op verzoek van Daimler Chrysler en CIBC door de Engelse rechter gewijzigd in die zin, dat Gambazzi in aanvulling daarop werd verplicht inzicht te geven in zijn vermogenssituatie alsmede bepaalde documenten over te leggen die ook betrekking hadden op de procedure in de hoofdzaak (disclosure orders).

9.        Gambazzi kwam de uit de disclosure orders voortvloeiende verplichtingen niet, althans niet volledig na, waarop hem op verzoek van Daimler Chrysler en CIBC door de rechter opnieuw een bevel werd opgelegd (unless order): wanneer hij de verlangde informatie niet binnen de daartoe gestelde termijn zou hebben verstrekt, zouden de door hem te zijner verdediging aangevoerde argumenten in de procedure in de hoofdzaak buiten beschouwing worden gelaten en zou hem worden verboden verder aan de procedure deel te nemen.

10.      De freezing order, de disclosure order en de unless order werden door Gambazzi zonder succes aangevochten.

11.      Ook nadat tegen hem opnieuw een unless order was uitgevaardigd, kwam Gambazzi de hem opgelegde verplichtingen binnen de daartoe gestelde termijn niet volledig na. Dit werd door de Engelse rechter opgevat als „contempt of Court”, waarop Gambazzi – zoals in de unless orders was aangekondigd – van de procedure werd uitgesloten (debarment).

12.      In de hoofdzaak werd Gambazzi vervolgens behandeld alsof hij verstek had laten gaan. De High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division, veroordeelde hem bij verstekarrest (default judgment) van 10 december 1998, aangevuld door een beschikking van 17 maart 1999, tot betaling van 169 752 058 CAD, 71 595 530 CAD en 129 974 770 USD aan Daimler Chrysler en CIBC.

13.      Daimler Chrysler en CIBC willen deze uitspraak in Italië ten uitvoer laten leggen. Bij beslissing van 17 december 2004 heeft de Corte d’Appello di Milano het Engelse arrest en de beschikking waarbij Gambazzi tot betaling was veroordeeld, van een exequatur voorzien. Tegen deze beslissing heeft Gambazzi verzet aangetekend.

14.      De Corte d’Appello di Milano, die op dit verzet uitspraak dient te doen, heeft bij beschikking van 27 juni 2007 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Kan de rechter van de staat waar om verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing wordt verzocht, op basis van de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag rekening houden met het feit dat de rechter van de staat waar de beslissing is gegeven, de partij die in het ongelijk is gesteld en die in rechte is verschenen, in de hierboven genoemde omstandigheden de mogelijkheid heeft ontzegd om na de vaststelling van een beschikking waarbij zij van de procedure is uitgesloten (debarment), enig verweer te voeren; of dient deze bepaling, gelezen in samenhang met de in de artikelen 26 en volgende Executieverdrag neergelegde beginselen betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen binnen de Gemeenschap, aldus te worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de nationale rechter de openbare orde in de zin van artikel 27, punt 1, geschonden acht wanneer in een civiele procedure een van de partijen wegens niet-uitvoering van een bevel van de rechter door een beschikking van deze laatste van de procedure wordt uitgesloten en hierdoor haar rechten van verdediging niet kan uitoefenen?”

15.      In casu zijn schriftelijke en mondelinge opmerkingen bij het Hof ingediend door partijen in het hoofdgeding, de Griekse en de Italiaanse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

IV – Beoordeling

16.      De twee onderdelen van de prejudiciële vraag kunnen gezamenlijk worden onderzocht. Zij stellen verschillende aspecten aan de orde van de vraag of het gerecht van de aangezochte staat met een beroep op de openbare orde de erkenning kan onthouden aan een civiele beslissing, gegeven nadat de verweerder wegens het niet opvolgen van een rechterlijk bevel van de procedure was uitgesloten. Nagegaan moet dus worden, onder welke voorwaarden een beroep kan worden gedaan op de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag.

17.      De in casu toepasselijke bepalingen van het Executieverdrag zijn inmiddels vervangen door die van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(5). Mijn betoog blijft echter ook voor de thans geldende rechtssituatie van betekenis, aangezien artikel 27, punt 1, Executieverdrag is opgevolgd door het inhoudelijk gelijke artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

18.      Eerst moet echter worden uitgemaakt of de aan de orde zijnde uitspraak van de Engelse rechter wel een beslissing is waarop de bepalingen van het Executieverdrag van toepassing zijn. Zouden wij hier namelijk niet te maken hebben met een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag, die overeenkomstig artikel 26 van dit verdrag in beginsel moet worden erkend, dan hoeft helemaal niet te worden uitgemaakt of die erkenning in casu bij wijze van uitzondering met een beroep op artikel 27 kan worden geweigerd.

19.      Ofschoon de verwijzende rechter niet expliciet naar de uitlegging van artikel 25 Executieverdrag heeft gevraagd, is het Hof in het kader van de in artikel 234 EG geregelde prejudiciële procedure gehouden de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.(6) Dit betekent dat in casu ook deze prealabele vraag moet worden beantwoord.

A –    Beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag

20.      Volgens artikel 25 Executieverdrag wordt onder beslissing verstaan elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag der proceskosten.

21.      Gambazzi stelt zich op het standpunt dat het arrest van de Engelse rechter alleen al niet aan deze definitie voldoet omdat het wegens zijn gedwongen verstek niet na een procedure op tegenspraak is gewezen.

22.      Dit argument snijdt echter geen hout. Weliswaar heeft het Hof in verband met voorlopige maatregelen vastgesteld dat artikel 25 Executieverdrag een contradictoire behandeling verlangt, maar het volstaat in dit verband dat de procedure die aan de beslissing is voorafgegaan, naar haar aard een procedure op tegenspraak is en in beginsel wordt afgesloten met een contradictoire uitspraak.(7) Een aan het einde van een dergelijke procedure gegeven beslissing moet dus ook als een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag worden beschouwd wanneer de procedure in het concrete geval, bijvoorbeeld omdat een partij verstek heeft laten gaan, eenzijdig is gebleven. Het concrete procesverloop verandert namelijk niets aan het contradictoire karakter van de procedure.

23.      Verstekbeslissingen zijn dan ook zonder twijfel beslissingen in de zin van artikel 25 Executieverdrag, aangezien zij worden gegeven in het kader van procedures die in beginsel een contradictoir karakter hebben. Dat het Executieverdrag verstekbeslissingen als beslissingen in de zin van artikel 25 beschouwt, blijkt overigens ook uit artikel 27, punt 2, waarin een specifieke weigeringsgrond voor bij verstek gegeven beslissingen is opgenomen.

24.      De aan de orde zijnde beslissing van de Engelse rechter is een in het kader van een in beginsel contradictoire civiele procedure gegeven verstekbeslissing. In zoverre voldoet zij aan de voorwaarden van artikel 25 Executieverdrag. Dat wij hier te maken hebben met het atypische geval waarin de verweerder door de rechter is gedwongen verstek te laten gaan, doet aan die kwalificatie niet af: dit verandert immers niets aan het in beginsel contradictoire karakter van de procedure. Het feit dat het verstek in casu onvrijwillig was, kan integendeel pas in het kader van artikel 27, punt 1, een rol gaan spelen.

25.      Er is echter nog een andere reden waarom wij ons zouden kunnen afvragen of de Engelse beslissing wel een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag is. Sommige schrijvers menen namelijk dat deze vraag voor een Engelse verstekbeslissing (default judgment) in het algemeen ontkennend moet worden beantwoord.(8) Zij wijzen erop dat in het geval van een default judgment uitspraak wordt gedaan zonder dat de rechter ook maar enigszins heeft getoetst of de conclusies van de eisende partij gegrond voorkwamen. Een dergelijke toetsing is volgens hen echter wel vereist om van een beslissing in de zin van artikel 25 te kunnen spreken. Voor dit standpunt zoeken de betrokken schrijvers steun in ’s Hofs arrest in de zaak Solo Kleinmotoren.(9)

26.      Ik geloof echter niet dat het arrest Solo Kleinmotoren tot deze conclusie noopt. Volgens dit arrest kan een handeling als een beslissing in de zin van het Executieverdrag worden aangemerkt wanneer zij uitgaat van een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat „die op eigen gezag de geschilpunten tussen partijen beslecht”.(10) Een gerechtelijke schikking voldoet niet aan deze voorwaarde, aangezien zij in wezen een contractueel karakter heeft en de inhoud ervan dus door de wil van partijen en niet door die van het gerecht wordt bepaald.

27.      Een verstekbeslissing waarbij de rechter uitspraak doet zonder de stellingen van de eisende partij ten gronde te hebben onderzocht, is daarentegen wel degelijk een beslissing. Het feit dat de verstekverlening rechtens tot gevolg heeft dat de inhoud van de beslissing overeenkomt met wat de eisende partij heeft gevorderd, betekent nog niet dat de verstekuitspraak als de loutere optekening van de wil van een partij kan worden aangemerkt. De inhoud van de beslissing wordt integendeel wel degelijk bepaald door de wil van het gerecht: wanneer aan de voorwaarden voor een verstekbeslissing is voldaan, onderzoekt de rechter weliswaar niet of de conclusies van de eisende partij gegrond voorkomen, maar met zijn onderzoek van die voorwaarden neemt enkel hij een beslissing over het al dan niet bij verstek toewijzen van de vordering.

28.      Ook de tekst van artikel 25 Executieverdrag pleit voor een ruime uitlegging van het begrip beslissing. Deze bepaling verstaat onder beslissing immers „elke door een gerecht van een verdragsluitende staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming”. Hieruit blijkt dat het volgens artikel 25 niet zozeer aankomt op het formele aspect van de beslissing, zoals haar benaming of de wijze waarop zij tot stand is gekomen, maar dat veeleer moet worden gezien naar de gevolgen van de beslissing op materieel vlak. Ook uit een oogpunt van systematiek ligt het meer voor de hand om pas bij het onderzoek of is voldaan aan een van de in artikel 27 Executieverdrag geformuleerde gronden waarop erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig dit verdrag bij wijze van uitzondering kan worden geweigerd, betekenis toe te kennen aan het feit dat de rechter van wie de beslissing afkomstig is, niet heeft onderzocht of de conclusies van de eisende partij gegrond voorkwamen.

29.      Een en ander betekent dat ook een verstekarrest dat is gewezen zonder dat door de rechter is onderzocht of de conclusies van de eisende partij gegrond voorkwamen, een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag is. De gevolgen op materieel vlak van een dergelijk arrest zijn immers dezelfde als die van een arrest in het algemeen: het levert een executoriale titel met bindende kracht op.

30.      De conclusie moet dan ook zijn dat de betrokken Engelse uitspraak als een beslissing in de zin van artikel 25 Executieverdrag moet worden beschouwd.

B –    Openbare orde, artikel 27, punt 1, Executieverdrag

1.      Uitlegging van artikel 27, punt 1, Executieverdrag

31.      Volgens artikel 27, punt 1, Executieverdrag wordt een beslissing niet erkend indien de erkenning strijdig is met de openbare orde van de aangezochte staat.

32.      Het Hof heeft in verscheidene arresten de hoofdlijnen van de aan de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag te geven uitlegging uiteengezet.

33.      Bij die uitlegging gaat het Hof allereerst uit van het doel van het Executieverdrag, namelijk zoveel als mogelijk het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken door de invoering van een eenvoudige en snelle exequaturprocedure.(11) Artikel 27 Executieverdrag moet dan ook strikt worden uitgelegd, omdat het de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van het Executieverdrag belemmert.(12) Met name de openbare-ordeclausule van artikel 27, punt 1, Executieverdrag mag alleen in uitzonderlijke gevallen in het geweer worden gebracht.(13)

34.      Het Hof heeft in dit verband verduidelijkt dat de verdragsluitende staten krachtens het in artikel 27, punt 1, Executieverdrag gemaakte voorbehoud in beginsel weliswaar vrij blijven, de eisen van hun openbare orde vast te leggen overeenkomstig hun nationale opvattingen, maar dat de afbakening van dit begrip een kwestie van uitlegging van het Executieverdrag is.(14) Hoewel het derhalve niet aan het Hof is om de inhoud van de openbare orde van een verdragsluitende staat te bepalen, dient het niettemin toezicht te houden op de grenzen waarbinnen de rechter van een verdragsluitende staat met een beroep op dit begrip aan een beslissing van een gerecht van een andere verdragsluitende staat de erkenning kan onthouden.(15)

35.      Een eerste grens wordt getrokken door de artikelen 29 en 34, derde alinea, Executieverdrag, op grond waarvan de erkenning of tenuitvoerlegging van een buitenlandse beslissing niet mag worden geweigerd enkel op grond dat de door de rechter van de staat van herkomst toegepaste rechtsregel afwijkt van die welke de rechter van de aangezochte staat zou hebben toegepast indien het geschil bij hem aanhangig was gemaakt. Evenmin mag de rechter van de aangezochte staat de juistheid nagaan van de beoordeling rechtens en feitelijk door de rechter van de staat van herkomst.

36.      Volgens het Hof kan dan ook enkel een beroep op de openbare-ordeclausule worden gedaan indien de erkenning of tenuitvoerlegging op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat, doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt.(16)

37.      Opdat het verbod van onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing in acht wordt genomen, moet deze inbreuk bestaan in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht.(17)

38.      Uit ’s Hofs arrest in de zaak Krombach volgt tot slot dat de grenzen waarbinnen de rechter van de staat van tenuitvoerlegging een beroep kan doen op de openbare orde, in elk geval niet worden overschreden indien er sprake is van een kennelijke schending van een communautair grondrecht.(18)

39.      Volgens vaste rechtspraak vormen de grondrechten een integrerend deel van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Het Hof laat zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. In dit opzicht komt bijzondere betekenis toe aan het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).(19)

40.      Aangezien de grondrechten dus tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoren, mag een gerecht aan een beslissing die met kennelijke schending van de grondrechten tot stand is gekomen, de erkenning onthouden.

41.      Het recht op een eerlijk proces, dat onder meer is neergelegd in artikel 6, lid 1, eerste alinea, EVRM en opnieuw is bevestigd in artikel 47 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(20), is een grondrecht dat tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoort.(21)

42.      Specifiek met betrekking tot de procedurele openbare orde heeft het Hof in het arrest Krombach geoordeeld dat een beroep op de openbare-ordeclausule toelaatbaar moet worden geacht in de uitzonderlijke gevallen waarin de in de wettelijke regeling van de staat van herkomst en in het Executieverdrag zelf neergelegde waarborgen niet hebben volstaan om de verweerder te beschermen tegen een kennelijke schending van zijn recht om zich voor de rechter van de staat van herkomst te verdedigen, zoals dat door het EVRM is erkend.(22)

43.      Het Hof heeft nog niet uitgemaakt of de rechterlijke instanties niet slechts gerechtigd, maar zelfs verplicht zijn te weigeren een buitenlandse beslissing die met kennelijke schending van de grondrechten tot stand is gekomen, van een exequatur te voorzien.(23) Vóór een verplichting pleit dat de nationale rechterlijke instanties volgens vaste rechtspraak aan de communautaire grondrechten gebonden zijn wanneer de aan hen voorgelegde zaak binnen het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht valt.(24)

44.      Anders dan in het kader van verordening nr. 44/2001 zouden wij ons bij het Executieverdrag echter ook nog kunnen afvragen, of dit wel gemeenschapsrecht in de zin van die rechtspraak is. Voor een bevestigend antwoord op deze vraag pleit niet in de laatste plaats het feit dat het Executieverdrag artikel 220 EG-Verdrag (thans artikel 293 EG) als rechtsgrondslag heeft.

2.      Voorlopige conclusie

45.      De voorlopige conclusie luidt dan ook: de verwijzende rechter mag met een beroep op de openbare-ordeclausule de erkenning en tenuitvoerlegging weigeren wanneer in de procedure voor het gerecht van de staat van herkomst het fundamentele recht op een eerlijk proces kennelijk is geschonden.

3.      Toepassing op het onderhavige geval

46.      In de zaak Krombach heeft het Hof zelf kunnen vaststellen dat in de procedure voor het gerecht van de staat van herkomst het fundamentele recht op een eerlijk proces kennelijk was geschonden.(25) Het ging in die zaak om een civielepartijstelling in het kader van een strafproces. Het gerecht van de staat van herkomst ontzegde de verwerende partij het recht zich door een advocaat te doen vertegenwoordigen, omdat die partij geen gevolg had gegeven aan het bevel van het gerecht om persoonlijk te verschijnen. Indien de verweerder dat bevel wel had opgevolgd, had hij echter het risico gelopen op verdenking van een misdrijf te worden gearresteerd. De casus in de zaak Krombach was zowel feitelijk als juridisch volkomen duidelijk. De verweerder werd op geen enkel moment gehoord, had überhaupt geen mogelijkheid om zich te verdedigen en beschikte ook niet over enig rechtsmiddel.

47.      Anders dan in de zaak Krombach, was in het onderhavige geval de procedure voor het gerecht van de staat van herkomst buitengewoon complex. Gambazzi werd in de verschillende fasen van de procedure herhaaldelijk gehoord en het lijkt erop dat hem ook diverse rechtsmiddelen ter beschikking stonden. Bovendien lijken de verschillende voorlopige voorzieningen (freezing order, disclosure orders, unless orders) nauw met de procedure in de hoofdzaak en dus met de gegeven verstekbeslissing (default judgment) te zijn verweven: zij waren vooral bedoeld om te verzekeren dat een eventueel veroordelend vonnis ook daadwerkelijk ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Het zou dan ook onjuist zijn om bij de openbare-ordetoets enkel naar de verstekbeslissing te kijken en de daaraan voorafgaande procedurefasen buiten beschouwing te laten. Bij die toets moet integendeel worden gezien naar de hele procedure(26) en dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen.(27)

48.      De verwijzende rechter is in zijn prejudicieel verzoek echter niet gedetailleerd genoeg waar het de beschrijving van de voor de openbare-ordetoets relevante aspecten van de procedure in de staat van herkomst betreft. Zo verschaft hij onvoldoende duidelijkheid over de punten waarover en de mate waarin Gambazzi is gehoord. Met name is niet duidelijk of Gambazzi ook over de vordering ten principale is gehoord. Evenmin valt uit de verwijzingsbeslissing op te maken of vóór het uitvaardigen van de freezing order door de Engelse rechter was onderzocht of de vordering ten principale gerechtvaardigd voorkwam en of dit in de daaropvolgende procedurefasen, met name voordat het arrest in de hoofdzaak werd gewezen, nogmaals is gedaan. Het is dan ook aan de verwijzende rechter om de feiten vast te stellen en op basis daarvan definitief uit te maken of het fundamentele recht op een eerlijk proces kennelijk is geschonden.

49.      Het Hof kan de verwijzende rechter echter wel enkele bij zijn beoordeling in aanmerking te nemen beginselen en criteria aan de hand doen. Alvorens daarop in te gaan, moet ik echter eerst nog een ander door partijen in het hoofdgeding aangevoerd punt onderzoeken.

a)      Relevantie van de rechtspraak inzake het Verdrag van Lugano

50.      Partijen in het hoofdgeding hebben in de procedure voor het Hof gerefereerd aan een uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht(28), die betrekking heeft op de erkenning en tenuitvoerlegging van dezelfde Engelse beslissing in Zwitserland.

51.      Gambazzi heeft tijdens de schriftelijke behandeling verklaard dat het Hof rekening moet houden met het feit dat de Zwitserse rechter de Engelse beslissing in strijd met de openbare orde heeft geacht in de zin van artikel 27, punt 1, van het op 16 september 1988 te Lugano ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(29).

52.      Daimler Chrysler en CIBS hebben met een beroep op dezelfde uitspraak aangevoerd, dat het Hof en de verwijzende rechter gebonden zijn aan het feit dat het Zwitserse Bundesgericht de Engelse beslissing niet op grond van de uitsluiting van de procedure als strijdig met de openbare orde heeft beschouwd.

53.      De bij het Verdrag van Lugano ingevoerde regeling is op enkele uitzonderingen na dezelfde als die van het Executieverdrag.(30) Artikel 27, punt 1, van het Verdrag van Lugano bevat een openbare-ordeclausule die letterlijk overeenkomt met de weigeringsgrond van artikel 27, punt 1, Executieverdrag.

54.      Het Zwitserse Bundesgericht heeft in de betrokken uitspraak inderdaad geconcludeerd dat de erkenning en tenuitvoerlegging van de Engelse beslissing in strijd met de openbare orde moet worden geacht. Het heeft daartoe echter een andere reden aangevoerd dan die waarop de vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft. Het feit dat Gambazzi van de Engelse procedure is uitgesloten (debarment), is naar het oordeel van de Zwitserse rechter namelijk niet met de Zwitserse openbare orde in strijd. Een ander aspect van de procedure, dat aan de uitsluiting van Gambazzi van de procedure voorafging, wordt door de Zwitserse rechter echter uiteindelijk wel in strijd met de openbare orde geacht: nadat Gambazzi’s advocaten na een advocatenwissel zouden hebben geweigerd de dossierstukken aan hem af te geven zolang hun honoraria niet waren voldaan, zou ook de Engelse rechter hem inzage in het gerechtsdossier hebben geweigerd teneinde het retentierecht van de advocaten niet te frustreren.

55.      Het is de vraag in hoeverre de uitspraak van het Zwitserse Bundesgericht betekenis zou kunnen hebben voor de onderhavige prejudiciële verwijzing. Het Hof is niet bevoegd tot uitlegging van het Verdrag van Lugano.(31) Er is echter een systeem voor de uitwisseling van informatie over de rechtspraak inzake dit verdrag ingevoerd bij protocol nr. 2 betreffende de eenheid in de uitlegging van het verdrag, en er zijn verklaringen ondertekend door de lidstaten van de Europese Unie en de staten die geen lid daarvan zijn, om zo veel mogelijk eenheid te verzekeren in de uitlegging van dat verdrag en van de met de bepalingen van dat verdrag vergelijkbare bepalingen in het Executieverdrag.(32)

56.      In een van deze verklaringen hebben de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen te kennen gegeven, dat zij „het juist achten dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij de uitlegging van het [Executieverdrag] naar behoren rekening houdt met de jurisprudentie over het Verdrag van Lugano”.(33)

57.      Uit deze verklaring kan echter geenszins worden afgeleid dat het Hof formeel aan individuele uitspraken inzake het Verdrag van Lugano is gebonden. De tekst van de verklaring verlangt tenslotte slechts dat het Hof „naar behoren rekening houdt” met deze rechtspraak. In het kader van de openbare-ordeclausule betekent dit dus dat het Hof kennis neemt van de beginselen aan de hand waarvan de inhoud en de grenzen van de openbare orde worden bepaald, en daarmee naar behoren rekening houdt. In de beslissing van het Zwitserse Bundesgericht worden ook veel van de hierboven genoemde criteria genoemd die een rol spelen bij de beoordeling of de erkenning van een buitenlandse beslissing met de openbare orde in strijd is.

58.      Het Hof en de verwijzende rechter kunnen echter niet gebonden zijn aan de uitkomst van de openbare-ordetoets die een gerecht van een bij het Verdrag van Lugano aangesloten staat in een concreet geval heeft uitgevoerd. Dit volgt niet in de laatste plaats uit het feit dat het bij de openbare orde van artikel 27, punt 1, Executieverdrag, zoals het Hof heeft beklemtoond, om de nationale openbare orde gaat. Zoals de Italiaanse regering terecht heeft opgemerkt, dient elk nationaal gerecht zelfstandig te beoordelen wat onder die nationale openbare orde moet worden verstaan. Dit betekent dat enkel rekening moet worden gehouden met de algemene beginselen die de gerechten van de bij het Verdrag van Lugano aangesloten staten bij de uitlegging van de openbare orde in de zin van dit verdrag ontwikkelen, en dus niet met individuele rechterlijke uitspraken waarin bepalingen van openbare orde al dan niet geschonden worden geacht.

b)      Het fundamentele recht op een eerlijk proces

59.      Het fundamentele recht op een eerlijk proces verlangt, dat de betrokkene zijn rechtspositie effectief kan verdedigen.(34) Het recht om te worden gehoord neemt in de organisatie en het verloop van een eerlijk proces een vooraanstaande plaats in.(35) Het houdt onder meer in dat de betrokkene voldoende gelegenheid moet krijgen om zich over alle relevante feiten en rechtsvragen uit te laten alsook bewijsmateriaal moet kunnen aandragen.

60.      Niet elke beperking van het recht om te worden gehoord is echter per definitie als schending van het fundamentele recht op een eerlijk proces te beschouwen. Zoals het Hof in een ander verband heeft vastgesteld, kunnen aan de procedurele rechten beperkingen worden gesteld, mits deze werkelijk beantwoorden aan de ermee nagestreefde doeleinden van algemeen belang, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.(36)

61.      In zijn arrest in de zaak Eurofood heeft het Hof in verband met spoedeisende maatregelen erkend, dat de wijze waarop het recht om te worden gehoord kan worden uitgeoefend, bijvoorbeeld naargelang van de voor een uitspraak vereiste spoed kan verschillen. Het heeft echter ook erop gewezen dat elke beperking van de uitoefening van dat recht genoegzaam moet worden gerechtvaardigd en gepaard dient te gaan met procedurele waarborgen die de bij een dergelijke procedure betrokken personen een daadwerkelijke mogelijkheid bieden om de spoedeisende maatregelen te betwisten.(37)

62.      Met name het zwaarwegende belang van een goed functionerend stelsel van overheidsrechtspraak en van een doeltreffende rechtsbedeling zou het fundamentele recht op een eerlijk proces kunnen inperken.

63.      Zo zijn in alle lidstaten sancties gesteld op de niet-uitvoering van in het kader van een civiele procedure opgelegde rechterlijke bevelen. Hierop is terecht gewezen door alle lidstaten die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend. Hierbij kan worden gedacht aan het feit dat de niet-inachtneming van door de rechter bepaalde termijnen ertoe kan leiden dat de tardief ingebrachte argumenten buiten beschouwing worden gelaten, het feit dat het niet-reageren op een dagvaarding dan wel het niet ter zitting verschijnen tot een verstekbeslissing kan leiden, en, ten slotte, het feit dat het achterhouden van door de rechter gevorderde stukken bij de bewijswaardering nadelig kan worden beoordeeld.

64.      Bovendien hebben wij reeds gezien dat het feit alleen dat het nationale procesrecht de door het gerecht van de staat van herkomst toegepaste sanctie in deze vorm niet kent, op zichzelf onvoldoende grond is om de openbare orde geschonden te achten.(38)

65.      Waar het met name om gaat, is of de door de Engelse rechter opgelegde sanctie van een gedwongen verstek alles bij elkaar genomen proportioneel is, dan wel of de zwaarte van deze sanctie, ook wanneer alle bijzonderheden van de hele procedure in aanmerking worden genomen, kennelijk niet in verhouding lijkt te staan tot de bestrafte niet-uitvoering van de rechterlijke bevelen.(39)

66.      Bij de beoordeling of de toegepaste sanctiemiddelen in verhouding staan tot het ermee beoogde doel, namelijk een doeltreffend verloop van de procedure te verzekeren, zullen met name de volgende elementen een rol spelen: de inhoud van het bevel en de procedure die aan het opleggen van het bevel is voorafgegaan, de zwaarte van de sanctie in verhouding tot de betekenis van de niet-uitvoering van het bevel, en de voorhanden zijnde beroepsmogelijkheden.

67.      Het is duidelijk dat volledige uitsluiting van de procedure de zwaarst mogelijk sanctie op de niet-uitvoering van een rechterlijk bevel is en daarmee ook de meest ernstige beperking vormt van de uitoefening van het recht van de verweerder om zich te verdedigen. Aan de rechtvaardiging van deze beperking zullen derhalve zeer hoge eisen moeten worden gesteld.

68.      Allereerst moet worden gekeken naar de inhoud en het karakter van de rechterlijke bevelen waarvan de niet-uitvoering in casu is bestraft met uitsluiting van de procedure. Wat werd met de rechterlijke bevelen van Gambazzi verlangd? Waren er mogelijkheden om rekening te houden met eventuele feitelijke of juridische obstakels die aan het uitvoeren van de bevelen in de weg stonden? Gambazzi voert in dit verband aan dat hij aan de disclosure orders met name geen gevolg heeft gegeven omdat hij anders zijn beroepsgeheim zou hebben geschonden en daarmee strafbaar zou hebben gehandeld. Deze rechtvaardiging voor het achterhouden van de stukken zou door de Engelse rechter niet in aanmerking zijn genomen. De regering van het Verenigd Koninkrijk merkt daarentegen op dat de Engelse rechter de door Gambazzi aangevoerde rechtvaardigingsgronden uitvoerig heeft onderzocht en dat de verplichting tot overlegging van stukken niet geldt voor documenten waarvan de overlegging een strafbaar handelen zou kunnen opleveren.

69.      Voorts is van belang of Gambazzi was gehoord alvorens de rechterlijke bevelen werden gegeven, alsmede welke mogelijkheden hij had om zich tegen de bevelen te verweren of om daartegen in beroep te gaan.

70.      Daarnaast moeten met name de inhoud en het karakter van zowel de uitsluiting van de procedure (debarment) als de verstekbeslissing in ogenschouw worden genomen. Werd bij die uitsluiting in aanmerking genomen of Gambazzi de rechterlijke bevelen opzettelijk naast zich had neergelegd? Worden alle tegen de vordering ten principale aangevoerde verweermiddelen buiten beschouwing gelaten of heeft Gambazzi in een eerder stadium van de procedure argumenten kunnen aanvoeren die door de rechter wel worden meegewogen? Had Gambazzi op zijn minst de mogelijkheid iets over de hoogte van de vordering te zeggen? Werd onderzocht of die vordering gegrond voorkwam alvorens de verstekbeslissing werd gegeven, of in elk geval in een eerder stadium van de procedure (voordat de freezing order werd uitgevaardigd)? Was met de sanctie gedreigd?

71.      Zoals de Commissie terecht aanvoert, zal daarnaast met name relevant zijn in hoeverre voor Gambazzi rechtsmiddelen openstonden waarmee hij in de staat van herkomst de schending van zijn recht om te worden gehoord kon aanvechten. Het Hof heeft in zijn arrest Eurofood reeds beklemtoond dat het met het oog op de rechtvaardiging van beperkingen van het recht om te worden gehoord van belang is, of de betrokkene de mogelijkheid heeft een rechtsmiddel in te stellen.(40) De verwijzende rechter zal dan ook moeten nagaan of tegen de uitsluiting van de procedure en tegen de daarna door de Engelse rechter gegeven beslissing rechtsmiddelen konden worden aangewend.

72.      In het midden kan blijven of van strijd met de openbare orde enkel sprake zou kunnen zijn wanneer de betrokkene in de staat van herkomst zonder succes gebruik heeft gemaakt van alle hem ter beschikking rechtsmiddelen waarmee de schending van zijn recht om te worden gehoord had kunnen worden rechtgezet. Het feit dat geen rechtsmiddelen zijn ingesteld, sluit namelijk hoe dan ook een beroep op de openbare-ordeclausule niet uit wanneer een rechtsmiddel geen soelaas had kunnen bieden. Dit laatste moet met name worden geacht het geval te zijn wanneer de gelaakte schending van de openbare orde wortelt in de in de staat van herkomst geldende procesregels, die ook door de hogere instanties hadden moeten worden toegepast.

73.      Komt de verwijzende rechter op basis van zijn onderzoek van met name ook de bovenstaande vragen tot de conclusie dat de toegepaste sanctie volstrekt disproportioneel is, dan mag hij wegens kennelijke schending van het fundamentele recht op een eerlijk proces weigeren de Engelse beslissing van een exequatur te voorzien.

74.      Gambazzi heeft in het kader van de onderhavige procedure nog opgemerkt dat er zijns inziens nog een andere reden is waarom de openbare-ordeclausule in casu door de Italiaanse rechter zou moeten worden toegepast. In het kader van de procedure voor de Engelse rechter zou hem namelijk inzage in bepaalde stukken zijn geweigerd. Na een advocatenwissel hangende de procedure zou zijn voormalige advocaat met een beroep op diens retentierecht wegens achterstallige honoraria hebben geweigerd het advocatendossier af te geven. Ook de rechter zou hem vervolgens inzage in het gerechtsdossier hebben geweigerd met het argument dat anders het retentierecht van de advocaat zou worden gefrustreerd. Ook dit is volgens Gambazzi een reden om de erkenning en tenuitvoerlegging van de later in de hoofdzaak gegeven Engelse beslissing in strijd met de openbare orde te achten.

75.      In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat de verwijzende rechter het Hof hierover geen vraag heeft gesteld. Gambazzi is de mening toegedaan dat het Hof zich desondanks ook over dit punt zou moeten uitspreken. Het Hof is echter in beginsel gebonden aan het voorwerp van het prejudicieel verzoek zoals dit door de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing is omschreven. De partijen in het hoofdgeding zijn normaal gesproken niet bevoegd het Hof daarnaast nog andere vragen voor te leggen.(41)

76.      Mocht het Hof toch op deze vraag willen ingaan, dan zal het daarbij kunnen refereren aan hetgeen over de prejudiciële vraag is gezegd: de verwijzende rechter mag aan de vreemde beslissing de erkenning onthouden wanneer daarin een kennelijke schending besloten ligt van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht. De erkenning van een vreemde beslissing mag bijgevolg hoe dan ook overeenkomstig artikel 27, punt 1, Executieverdrag worden geweigerd wanneer door de weigering inzage te geven in dossierstukken het recht op een eerlijk proces kennelijk is geschonden.

V –    Conclusie

77.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Italiaanse Corte d’Appello di Milano te beantwoorden als volgt:

„Artikel 27, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek, bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en bij het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, moet aldus worden uitgelegd, dat het gerecht van de aangezochte staat kan weigeren een in een andere lidstaat gegeven beslissing te erkennen indien in de procedure die tot deze beslissing heeft geleid, het fundamentele recht op een eerlijk proces kennelijk is geschonden.”


1 – Oorspronkelijke taal: Duits.


2 – Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1 en ? gewijzigde versie ? blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1) en bij het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1). Zie ook de geconsolideerde versie van 26 januari 1998 (PB C 27, blz. 1).


3 – Arrest van 28 maart 2000 (C‑7/98, Jurispr. blz. I‑1935).


4 – In de rechtspraak ontwikkeld procesrechtelijk instrument, inmiddels gecodificeerd in Rule 25.1(1), sub f, van de Civil Procedure Rules 1998: „The court may grant the following interim remedies ... (f) an order (referred to as a ‚freezing injunction’) – (i) restraining a party from removing from the jurisdiction assets located there; or (ii) restraining a party from dealing with any assets whether located within the jurisdiction or not.”


5 – PB 2001, L 12, blz. 1.


6 – Zie onder meer arresten van 28 november 2000, Roquette Frères (C‑88/99, Jurispr. blz. I‑10465, punt 18); 20 mei 2003, Ravil (C‑469/00, Jurispr. blz. I‑5053, punt 27); 4 mei 2006, Haug (C‑286/05, Jurispr. blz. I‑4121, punt 17); 4 oktober 2007, Rampion en Godard (C‑429/05, Jurispr. blz. I‑8017, punt 27), en 13 maart 2008, Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (C‑383/06?C‑385/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42).


7 – Arrest van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, Jurispr. blz. 1553, punt 13).


8 – Zie P. Wautelet, in: U. Magnus/P. Mankowski, Brussels I Regulation, München 2007, art. 32, punt 8, onder verwijzing naar G. Cuniberti, Commentaire sur la décision de la Cour de Cassation du 17 novembre 1999, Rev. crit. dr. internat. privé. 1989 (2000), blz. 786, 788 e.v.; voor de tegengestelde opvatting zie A. Layton/H. Mercer (General Editors), European Civil Practice, 2e druk, Londen 2004, deel 1, punt 25.005.


9 – Arrest van 2 juni 1994 (C‑414/92, Jurispr. blz. I‑2237).


10 – Arrest Solo Kleinmotoren (aangehaald in voetnoot 9, punt 17).


11 – Zie onder meer arrest Solo Kleinmotoren (aangehaald in voetnoot 9, punt 20); arrest van 29 april 1999, Coursier (C‑267/97, Jurispr. blz. I‑2543, punt 25), en arrest Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 19).


12 – Arresten Solo Kleinmotoren (aangehaald in voetnoot 9, punt 20) en Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 21), en arrest van 11 mei 2000, Renault (C‑38/98, Jurispr. blz. I‑2973, punt 26).


13 – Zie arresten van 4 februari 1988, Hoffmann (145/86, Jurispr. blz. 645, punt 21), en 10 oktober 1996, Hendrikman en Feyen (C‑78/95, Jurispr. blz. 4943, punt 23), en arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 21) en Renault (aangehaald in voetnoot 12, punt 26).


14 – Arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 22) en Renault (aangehaald in voetnoot 12, punt 27).


15 – Arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 23) en Renault (aangehaald in voetnoot 12, punt 28).


16 – Arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 37) en Renault (aangehaald in voetnoot 12, punt 30).


17 – Arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 37) en Renault (aangehaald in voetnoot 12, punt 30). Het vereiste van de kennelijke schending is terug te vinden in verordening nr. 44/2001 (aangehaald in voetnoot 5), die in artikel 34, lid 1, bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien de „erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat”. Zie ook aangaande de uitlegging van artikel 26 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1), arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813, punt 63).


18 – Arrest Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 40); zie ook arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17, punten 65 e.v.).


19 – Zie arresten van 12 november 1969, Stauder (29/69, Jurispr. blz. 419, punt 7); 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 37); 14 december 2006, ASML (C‑283/05, Jurispr. blz. I‑12041, punt 26); 26 juni 2007, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (C‑305/05, Jurispr. blz. I‑5305, punt 29), en 3 september 2008, Kadi/Raad en Commissie (C‑402/05 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 283).


20 – PB C 364, blz. 1. Met aanpassingen overgenomen door de afkondiging van 12 december 2007, PB C 303, blz. 1. Hoewel dit Handvest nog geen met het primaire recht vergelijkbare dwingende werking heeft, verschaft het als juridisch referentiepunt informatie met betrekking tot de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde grondrechten; zie ook arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad („gezinshereniging”, C‑540/03, Jurispr. blz. I‑5769, punt 38), en punt 108 van mij conclusie van 8 september 2005 in die zaak, alsmede arrest van 13 maart 2007, Unibet (C‑432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 37), en arrest Kadi/Raad en Commissie (aangehaald in voetnoot 19, punt 335).


21 – Arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punten 20 e.v.), en 11 januari 2000, Nederland en Van der Wal/Commissie (C‑174/98 P en C‑189/98 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 17); arresten Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 26) en Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (aangehaald in voetnoot 19, punt 29), en arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste (C‑341/06 P en C‑342/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44).


22 – Arrest Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 44); zie ook arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17) in verband met de insolventieverordening.


23 ? Zie in dit verband ook mijn conclusie van heden in de zaak Apostolidis (C‑420/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 108).


24 – Zie arresten van 25 november 1986, Klensch e.a. (201/85 en 202/85, Jurispr. blz. 3477, punten 8‑10); 13 juli 1989, Wachauf (5/88, Jurispr. blz. 2609, punt 19); 18 juni 1991, ERT (C‑260/89, Jurispr. blz. I‑2925, punten 42 e.v.); 12 juni 2003, Schmidberger (C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 75), en 11 juli 2006, Chacón Navas (C‑13/05, Jurispr. blz. I‑6467, punt 56). Zie in die zin onder meer E. Jayme/C. Kohler, „Europäisches Kollisionsrecht 2000: Interlokales Privatrecht oder universelles Gemeinschaftsrecht”, Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrechts – IPRax, 2000, 454, 460.


25 – Arrest Krombach (aangehaald in voetnoot 3, punt 40).


26 – Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kijkt bij de toetsing aan artikel 6, lid 1, EVRM naar de hele procedure: zie arrest van 18 maart 1997 in de zaak Mantovanelli v. Frankrijk, Recueil des arrêts et décisions 1997‑II, § 34.


27 – Zie arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17, punt 68).


28 – Arrest van het Zwitserse Bundesgericht van 9 november 2004 in zaak 4P.82/2004, X. en Y. tegen A., in het Italiaans gepubliceerd op de homepage van het Zwitserse Bundesgericht onder http://www.bger.ch/index/juridiction/jurisdiction-inherit-template/jurisdiction-recht/jurisdiction-recht-urteile2000.htm, laatstelijk bezocht op 5 november 2008.


29 – PB L 319, blz. 9 (hierna: „Verdrag van Lugano”).


30 – Advies 1/03 van 7 februari 2006 (Jurispr. blz. I‑1145, punt 18).


31 – Advies 1/03 (aangehaald in voetnoot 30, punt 19).


32 – Advies 1/03 (aangehaald in voetnoot 30, punt 19).


33 – Aan het Verdrag van Lugano is ook een verklaring gehecht die in een spiegelbeeldige verplichting voor de gerechten van de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie voorziet.


34 – Zie arrest ASML (aangehaald in voetnoot 19, punt 26) en arrest van 8 mei 2008, Weiss und Partner (C‑14/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47).


35 – Arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17, punt 66).


36 – Arrest van 15 juni 2006, Dokter e.a. (C‑28/05, Jurispr. blz. I‑5431, punt 75).


37 – Arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17, punt 66).


38 – Zie punt 35 van deze conclusie.


39 – Ook het EHRM past bij zijn beoordeling van beperkingen van het recht om te worden gehoord een proportionaliteitstoets toe. Het gaat daarbij na of het recht in de kern is geschonden, of met de beperking van het recht een legitiem doel wordt nagestreefd en of de beperking proportioneel is: zie arrest van 28 oktober 1998 in de zaak Pérez de Rada Cavanilles v. Spanje, Recueil des arrêts et décisions 1998-VIII, § 44.


40 – Arrest Eurofood (aangehaald in voetnoot 17, punt 66).


41 – Arresten van 9 december 1965, Singer (44/65, Jurispr. blz. 1147, 1155); 17 september 1998, Kainuun Liikenne en Pohjolan Liikenne (C‑412/96, Jurispr. blz. I‑5141, punt 23); 12 augustus 2008, Santesteban Goicoechea (C‑296/08 PPU, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46), en 9 oktober 2008, Katz (C‑404/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 37).

Top