This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62006CJ0045
Judgment of the Court (Fifth Chamber) of 8 March 2007.#Campina GmbH & Co. v Hauptzollamt Frankfurt (Oder).#Reference for a preliminary ruling: Finanzgericht des Landes Brandenburg - Germany.#Milk and milk products - Additional levy - Slight delay in observing the time-limit for communication of the summary of statements - Financial penalty - Regulation (EEC) No 536/93 as amended by Regulation (EC) No 1001/98 - Article 3(2), second subparagraph - Regulation (EC) No 1392/2001 - Article 5(3) - Regulation (EC, Euratom) No 2988/95 - Article 2(2), second sentence - Principle of retroactive application of the less severe penalty.#Case C-45/06.
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 maart 2007.
Campina GmbH & Co. tegen Hauptzollamt Frankfurt (Oder).
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht des Landes Brandenburg - Duitsland.
Melk en zuivelproducten - Extra heffing - Geringe overschrijding van termijn voor mededeling van overzicht van afrekeningen - Geldelijke sanctie - Verordening (EEG) nr. 536/93 zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 - Artikel 3, lid 2, tweede alinea - Verordening (EG) nr. 1392/2001 - Artikel 5, lid 3 - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikel 2, lid 2, tweede zin - Beginsel van retroactieve toepassing van lichtste straf.
Zaak C-45/06.
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 maart 2007.
Campina GmbH & Co. tegen Hauptzollamt Frankfurt (Oder).
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Finanzgericht des Landes Brandenburg - Duitsland.
Melk en zuivelproducten - Extra heffing - Geringe overschrijding van termijn voor mededeling van overzicht van afrekeningen - Geldelijke sanctie - Verordening (EEG) nr. 536/93 zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 - Artikel 3, lid 2, tweede alinea - Verordening (EG) nr. 1392/2001 - Artikel 5, lid 3 - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikel 2, lid 2, tweede zin - Beginsel van retroactieve toepassing van lichtste straf.
Zaak C-45/06.
Jurisprudentie 2007 I-02089
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2007:154
Zaak C‑45/06
Campina GmbH & Co., voorheen TUFFI Campina emzett GmbH,
tegen
Hauptzollamt Frankfurt (Oder)
(verzoek van het Finanzgericht des Landes Brandenburg om een prejudiciële beslissing)
„Melk en zuivelproducten – Extra heffing – Geringe overschrijding van termijn voor mededeling van overzicht van afrekeningen – Geldelijke sanctie – Verordening (EEG) nr. 536/93, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 – Artikel 3, lid 2, tweede alinea – Verordening (EG) nr. 1392/2001 – Artikel 5, lid 3 – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Artikel 2, lid 2, tweede zin – Beginsel van retroactieve toepassing van lichtste straf”
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 maart 2007
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Beginsel van retroactieve toepassing van lichtste straf
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Melk en zuivelproducten – Extra heffing op melk
(Verordeningen van de Commissie nr. 536/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1001/98, art. 3, lid 2, tweede alinea, en nr. 1392/2001, art. 5, lid 3),
1. De nationale rechter dient het beginsel van de retroactieve toepassing van de lichtste straf na te leven wanneer hij een sanctie dient te verbinden aan een handelwijze die niet in overeenstemming is met de voorschriften van de gemeenschapsregeling.
(cf. punt 40 en dictum)
2. Bij een geringe overschrijding van de aan de koper opgelegde termijn voor de mededeling van het overzicht van de afrekeningen, zoals één werkdag, is de regeling van financiële sancties die is neergelegd in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1392/2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de extra heffing op melk minder streng dan die van artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van verordening nr. 536/93 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de genoemde heffing, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1001/98.
(cf. punt 40 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
8 maart 2007 (*)
„Melk en zuivelproducten – Extra heffing – Geringe overschrijding van termijn voor mededeling van overzicht van afrekeningen – Geldelijke sanctie – Verordening (EEG) nr. 536/93 zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 – Artikel 3, lid 2, tweede alinea – Verordening (EG) nr. 1392/2001 – Artikel 5, lid 3 – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Artikel 2, lid 2, tweede zin – Beginsel van retroactieve toepassing van lichtste straf”
In zaak C‑45/06,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht des Landes Brandenburg (Duitsland) bij beslissing van 9 november 2005, ingekomen bij het Hof op 30 januari 2006, in de procedure
Campina GmbH & Co., voorheen TUFFI Campina emzett GmbH,
tegen
Hauptzollamt Frankfurt (Oder),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur) en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Kanellopoulos en S. Papaioannou als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Schieferer en C. Cattabriga als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag of artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van 9 maart 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 57, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 van de Commissie van 13 mei 1998 (PB L 142, blz. 22; hierna: „verordening nr. 536/93”), voldoet aan het evenredigheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Campina GmbH & Co., voorheen TUFFI Campina emzett GmbH (hierna: „Campina”), als rechtsopvolgster onder algemene titel van de onderneming voor de verwerking en aankoop van melk Meierei-Zentrale GmbH (hierna: „MZ”), en het Hauptzollamt Frankfurt (Oder), over een geringe overschrijding van de termijn voor de mededeling van het overzicht van de afrekeningen (hierna: „mededeling”).
Gemeenschapsbepalingen
3 Artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 536/93 luidt als volgt:
„De koper bezorgt jaarlijks vóór 15 mei aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat het overzicht van de voor de afzonderlijke producenten opgestelde afrekeningen of stelt, in voorkomend geval, deze autoriteit overeenkomstig het besluit van de lidstaat in kennis van de totale hoeveelheid, de overeenkomstig artikel 2, lid 2, gecorrigeerde hoeveelheid en het gemiddelde vetgehalte van de door producenten aan hem geleverde melk en/of melkequivalent, alsmede van de som van de individuele referentiehoeveelheden waarover deze producenten beschikken, en van het gemiddelde representatieve vetgehalte dat voor hen geldt.”
4 Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93, in de oorspronkelijke versie, bepaalde:
„Bij niet-inachtneming van de termijn is de koper een boete verschuldigd, die gelijk is aan de heffing over een overschrijding van 0,1 % van de door producenten aan hem geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent. Deze boete mag niet meer dan 20 000 ecu bedragen.”
5 Laatstgenoemde bepaling werd in strijd met het evenredigheidsbeginsel verklaard bij het arrest van het Hof van 6 juli 2000, Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen (C‑356/97, Jurispr. blz. I‑5461).
6 Ondertussen heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen verordening nr. 1001/98 vastgesteld. Artikel 1 hiervan bepaalt:
„Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 536/93 wordt vervangen door:
‚Bij niet-inachtneming van de termijn is de koper een boete verschuldigd die als volgt wordt berekend:
– Indien de in de eerste alinea bedoelde mededeling vóór 1 juni wordt gedaan, is de boete gelijk aan de heffing over een overschrijding van 0,1 % van de door producenten aan hem geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent. Deze boete mag niet minder dan 500 ECU en niet meer dan 20 000 ECU bedragen;
[...]’”
7 Artikel 5 van verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 187, blz. 19), bepaalt:
„[...]
3. [...] de koper [is] in geval van niet-inachtneming van de in lid 2 bedoelde termijn een bedrag per kalenderdag overschrijding verschuldigd dat gelijk is aan de heffing over een overschrijding met 0,01 % van de hem door de producenten geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent. [...] Het bedoelde bedrag mag niet minder dan 100 EUR en niet meer dan 100 000 EUR bedragen.
[...]”
8 Artikel 2, lid 2, tweede zin, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1), bepaalt:
„In geval van latere wijziging van de bepalingen van een gemeenschapsbesluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 MZ heeft de mededeling inzake de melkhoeveelheden die haar in het boekjaar 1998-1999 door de producenten werden geleverd, verricht door middel van een op 17 mei 1999 ondertekend formulier, dat op dezelfde dag bij het Hauptzollamt Cottbus (hierna: „HZA”) is binnengekomen.
10 Op de achterkant van het formulier staat de aanwijzing dat deze mededeling uiterlijk op 14 mei bij het HZA dient binnen te komen. Aangezien het HZA de mededeling met een vertraging van drie dagen had ontvangen, heeft het met een beroep op artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 beslist dat wegens de overschrijding van de aldus gestelde termijn een geldboete moest worden opgelegd die gelijk is aan de heffing over een overschrijding van 0,1 % van de door de producenten geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent. Op basis van de door MZ verstrekte gegevens over de geleverde hoeveelheid melk en gelet op het maximum van 20 000 ECU bedroeg de opgelegde boete dus 39 116,60 DEM.
11 MZ heeft tegen deze beschikking bezwaar ingediend en tevens verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging ervan. Zij heeft aangevoerd dat de medewerker aan wie zij de voorbereiding en de verzending van de mededelingen had toevertrouwd, op 14 mei 1999 te veel werk had omdat hij ook nog andere belangrijke termijnen in acht moest nemen. Aangezien 14 mei 1999 een vrijdag was, werd de mededeling op de volgende werkdag, dat wil zeggen op maandag 17 mei 1999, bij het HZA ingediend.
12 Ofschoon het HZA de mededeling niet op de voorgeschreven datum heeft ontvangen, is de overschrijding volgens MZ gering, aangezien het HZA deze ten vroegste op 17 mei 1999 kon verwerken en de overschrijding bijgevolg geen enkel gevolg heeft gehad. MZ heeft hieruit afgeleid dat de haar opgelegde geldboete onevenredig was aan de vastgestelde overschrijding.
13 Nadat het HZA de opschorting van de tenuitvoerlegging van zijn beschikking had geweigerd, schorste het de bezwaarprocedure tot de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen heeft geleid.
14 Bij beslissing van 4 juli 2001 heeft het HZA het bezwaar van MZ ongegrond verklaard. Met een beroep op artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 heeft het HZA benadrukt, enerzijds, dat volgens deze bepaling de geldboete voor mededelingen die na 14 mei 1999, maar vóór 1 juni van hetzelfde jaar werden gedaan, gelijk is aan 0,1 % van de door de producenten geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent, met een minimum van 500 ECU en een maximum van 20 000 ECU, en anderzijds, dat de eventuele schuld van MZ volgens de bewoordingen van de verordening niet relevant was.
15 Campina heeft een beroep tot nietigverklaring van deze beslissing ingesteld.
16 Aangaande het op artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 gebaseerde betoog van het HZA heeft Campina gesteld dat deze verordening ongeldig is en derhalve geen effect sorteert aangezien zij niet voorziet in een mechanisme dat rekening houdt met de duur van de overschrijding en met de schuld van de betrokken onderneming wanneer een geldboete in de zin van de genoemde verordening wordt opgelegd. Het Hof heeft in zijn reeds aangehaalde arrest Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen juist kritiek uitgeoefend op de oorspronkelijke versie van deze bepaling.
17 Het Hauptzollamt Frankfurt (Oder) heeft geconcludeerd tot de verwerping van dit beroep. Het betoogt hiertoe dat artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 reeds voldoende rekening houdt met de duur van de overschrijding door te voorzien in hogere geldboeten naar gelang van de duur van deze overschrijding. Het heeft gepreciseerd dat volgens de bewoordingen van de verordening schuld of objectieve schade geen rol spelen.
18 De verwijzende rechter is van oordeel dat de regeling van financiële sancties van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, voor zover zij de kopers van melk in gevallen waarin er sprake is van een geringe vertraging niet beter behandelt dan het geval zou zijn geweest bij toepassing van het door het Hof in het reeds aangehaalde arrest Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen ongeldig verklaarde artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93, in de oorspronkelijke versie.
19 Hij preciseert dat althans het tijdvak van 15 mei tot 1 juni te ruim is en onevenredige gevolgen heeft, aangezien de volledige geldboete ook wordt opgelegd in gevallen, zoals in casu, waarin de termijn maar met één werkdag is overschreden, en de overschrijding geen merkbaar gevolg heeft gehad voor de betaling van de extra heffing, die de koper krachtens artikel 3, lid 4, van verordening nr. 536/93 vóór 1 september moet verrichten. Hij voegt hieraan toe dat het betrokken zuivelbedrijf geen enkele extra heffing hoeft te betalen.
20 De verwijzende rechter stelt ten slotte vast dat de financiële sanctie voorbijgaat aan het antwoord op de vraag of de te laat ingediende mededeling gevolgen heeft gehad voor de administratieve procedure, met name voor de betaling op 1 september. Dienaangaande preciseert hij dat het Hof reeds heeft benadrukt dat een geringe overschrijding van de termijn van 15 mei de betaling van de extra heffing vóór 1 september niet in gevaar brengt (zie arrest Molkereigenossenschaft Wiedergeltingen, reeds aangehaald, punt 41).
21 In deze omstandigheden heeft het Finanzgericht des Landes Brandenburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is de boeteregeling van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening [nr. 536/93] [...] in gevallen waarin er slechts sprake is van een geringe overschrijding van de termijn en waarin deze overschrijding bovendien geen merkbare gevolgen heeft gehad, in strijd met het evenredigheidsbeginsel?”
Prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
22 De Griekse regering betoogt dat de inachtneming van de termijn van 15 mei in het hoofdgeding noodzakelijk is voor de goede werking van het stelsel van de extra heffing en van de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten, omdat de berekening van deze heffing in gevaar wordt gebracht door de vertraging bij de mededeling van de gegevens bedoeld in artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 536/93.
23 De Griekse regering preciseert dat de hoogte van de financiële sancties van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 afhankelijk is van de duur van de vertraging en van de zwaarte van de inbreuk, hetgeen de mogelijkheid biedt om, enerzijds, de kopers van melk aan te sporen om de termijn van 15 mei in acht te nemen en, anderzijds, te vermijden dat de zuivelbedrijven die niet aan de extra heffing zijn onderworpen, deze termijn niet in acht nemen. Ten slotte vindt genoemde regering dat de tijdspanne van ongeveer 15 dagen waarin artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 voorziet, geen maatregel is die kennelijk ongeschikt is om het nagestreefde doel te bereiken.
24 Volgens de Commissie moet verordening nr. 1392/2001 worden toegepast overeenkomstig het beginsel van de retroactieve toepassing van de lichtste financiële sanctie voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde inbreuk.
25 Zij benadrukt dat deze verordening, enerzijds, het percentage heeft vastgesteld op 0,01 % per kalenderdag vertraging, tegenover 0,1 % in verordening nr. 536/93, en, anderzijds, de minimale boete heeft verminderd tot 100 EUR. Volgens haar kan aan de toepasselijkheid van verordening nr. 1392/2001 niet worden afgedaan door de omstandigheid dat de op verordening nr. 536/93 gebaseerde financiële sanctie reeds aan verzoekster in het hoofdgeding is opgelegd, aangezien de beslissing in het hoofdgeding die deze sanctie oplegt, wordt bestreden. Derhalve vormt de aldus opgelegde sanctie geen vaststaande juridische situatie.
26 Met betrekking tot de vraag of de bepalingen van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 voldoen aan het evenredigheidsbeginsel, herinnert de Commissie aan de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij inzake landbouwpolitiek beschikt.
27 Zij was op grond daarvan niet verplicht om het bedrag van de financiële sanctie aldus vast te stellen dat het groter wordt naarmate het aantal verstreken dagen. Zij kon derhalve de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling vaststellen, die de kopers die de termijn van 15 mei niet in acht hebben genomen, ertoe aanspoort de mededeling te verrichten vóór de aanvang van het volgende tijdvak, om zo een hogere sanctie te vermijden. De Commissie is van mening dat zij de grenzen van haar beoordelingsvrijheid niet kennelijk heeft overschreden door te kiezen voor een tijdspanne van ongeveer 15 dagen voor iedere fase van overschrijding van de termijn voor deze mededeling.
28 Bovendien gaat de oplegging van een financiële sanctie op basis van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 niet verder dan nodig en passend is om het beoogde doel te bereiken, namelijk de kopers aan te sporen om de mededeling tijdig te verrichten.
29 De Commissie betoogt ten slotte dat elke overschrijding van de termijn door de kopers leidt tot een verkorting van de termijn waarover de bevoegde nationale autoriteiten beschikken om het bedrag van de extra heffing te berekenen, en derhalve de goede werking van deze regeling in gevaar brengt. Bijgevolg zou een verplichting om te bewijzen dat de overschrijding van de termijn gevolgen heeft gehad voor de administratieve procedure, de afschrikkende werking en de doeltreffendheid van de financiële sancties in gevaar hebben gebracht.
Antwoord van het Hof
30 In het kader van de bij artikel 234 EG ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof is het de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Met het oog hierop dient het Hof in voorkomend geval de hem voorgelegde vraag te herformuleren (arrest van 4 mei 2006, Haug, C‑286/05, Jurispr. blz. I‑4121, punt 17 en aangehaalde rechtspraak).
31 Bovendien zij eraan herinnerd dat het Hof tot taak heeft, alle gemeenschapsrechtelijke bepalingen uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechterlijke instanties gestelde vragen (arrest van 11 december 1997, Immobiliare SIF, C‑42/96, Jurispr. blz. I‑7089, punt 28 en aangehaalde rechtspraak).
32 Er zij op gewezen dat het beginsel van de retroactieve toepassing van de lichtste straf behoort tot de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, zodat het moet worden beschouwd als een van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert en die de nationale rechter in acht moet nemen (zie in die zin arrest van 3 mei 2005, Berlusconi e.a., C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, Jurispr. blz. I‑3565, punten 67‑69).
33 Dit beginsel komt met name tot uitdrukking in artikel 2, lid 2, tweede zin, van verordening nr. 2988/95. Overeenkomstig deze bepaling moeten de bevoegde autoriteiten met terugwerkende kracht voor een bepaalde handelwijze de door een sectorale regeling voorziene sancties opleggen op grond dat die minder streng zijn (zie in die zin arrest van 1 juli 2004, Gerken, C‑295/02, Jurispr. blz. I‑6369, punt 61).
34 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het hoofdgeding een geringe overschrijding van de termijn van 15 mei aan de orde is, aangezien de mededeling op de eerstvolgende werkdag bij de bevoegde nationale autoriteit is aangekomen.
35 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet derhalve worden uitgemaakt of in een bijzondere situatie, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de termijn van 15 mei slechts gering is overschreden, moet worden geoordeeld dat de regeling van financiële sancties van verordening nr. 1392/2001 minder streng is dan die van verordening nr. 536/93.
36 Volgens de bewoordingen van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1392/2001 is de financiële sanctie voor de niet-inachtneming van de termijn van 15 mei, zoals in het hoofdgeding aan de orde, enerzijds, een bedrag per kalenderdag vertraging dat gelijk is aan de heffing over een overschrijding met 0,01 % van de referentiehoeveelheid „rechtstreekse verkoop” waarover de koper beschikt, en mag dit bedrag, anderzijds, niet minder dan 100 EUR en niet meer dan 100 000 EUR bedragen.
37 Daarentegen is de financiële sanctie voor de niet-inachtneming van de termijn van 15 mei, de termijn die in het hoofdgeding aan de orde is, volgens artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van verordening nr. 536/93, enerzijds, een bedrag dat gelijk is aan de heffing over een overschrijding van 0,1 % van de door producenten aan de koper geleverde hoeveelheden melk en melkequivalent, en mag deze sanctie, anderzijds, niet minder dan 500 ECU en niet meer dan 20 000 ECU bedragen.
38 Derhalve moet worden vastgesteld, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt in haar bij het Hof ingediende opmerkingen, dat bij een geringe overschrijding van de termijn van 15 mei, zoals in casu, de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1392/2001 neergelegde regeling van financiële sancties minder streng is dan die van artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van verordening nr. 536/93.
39 Gelet op deze uitlegging, dient geen uitspraak te worden gedaan over de vraag of de regeling van financiële sancties van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 536/93 voldoet aan het evenredigheidsbeginsel.
40 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat:
– de nationale rechter het beginsel van de retroactieve toepassing van de lichtste straf dient na te leven wanneer hij een sanctie dient te verbinden aan een handelwijze die niet in overeenstemming is met de voorschriften van de gemeenschapsregeling;
– bij een geringe overschrijding van de vastgestelde termijn, zoals in het hoofdgeding het geval is, de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1392/2001 neergelegde regeling van financiële sancties minder streng is dan die van artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van verordening nr. 536/93.
Kosten
41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
De nationale rechter dient het beginsel van de retroactieve toepassing van de lichtste straf na te leven wanneer hij een sanctie dient te verbinden aan een handelwijze die niet in overeenstemming is met de voorschriften van de gemeenschapsregeling.
Bij een geringe overschrijding van de vastgestelde termijn, zoals in het hoofdgeding aan de orde, is de regeling van financiële sancties die is neergelegd in artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, minder streng dan die van artikel 3, lid 2, tweede alinea, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 536/93 van de Commissie van 9 maart 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1001/98 van de Commissie van 13 mei 1998.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.