Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62005CJ0283

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 14 december 2006.
ASML Netherlands BV tegen Semiconductor Industry Services GmbH (SEMIS).
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberster Gerichtshof - Oostenrijk.
Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Erkenning en tenuitvoerlegging - Artikel 34, sub 2 - Bij verstek gegeven beslissing - Weigeringsgrond - Begrip verweerder tegen wie verstek werd verleend en die "in staat' was daartegen rechtsmiddel aan te wenden - Beslissing niet betekend of meegedeeld.
Zaak C-283/05.

European Court Reports 2006 I-12041

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2006:787

Zaak C‑283/05

ASML Netherlands BV

tegen

Semiconductor Industry Services GmbH (SEMIS)

(verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging – Artikel 34, punt 2 – Beslissing gegeven bij verstek – Weigeringsgrond – Begrip verweerder tegen wie verstek werd verleend en die ‚in staat’ was daartegen rechtsmiddel aan te wenden – Beslissing niet betekend of meegedeeld”

Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 28 september 2006 

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 14 december 2006 

Samenvatting van het arrest

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 34, punt 2)

Artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een verweerder alleen „in staat” is om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, indien hij daadwerkelijk kennis heeft gehad van de inhoud van die beslissing door zo tijdige betekening of mededeling dat hij zich heeft kunnen verdedigen bij het gerecht van de staat van herkomst.

Wil de verweerder immers een steekhoudend beroep kunnen instellen, dan moet hij kennis kunnen nemen van de gronden van de bij verstek gegeven beslissing, om deze op zinvolle wijze te kunnen aanvechten. Niet voldoende is dat hij weet dat de beslissing bestaat.

Wel is de regelmatige betekening of mededeling van de bij verstek gegeven beslissing, dat wil zeggen de inachtneming van alle toepasselijke regels voor deze formaliteiten, geen noodzakelijke voorwaarde voor de conclusie dat de verweerder in staat is geweest om een rechtsmiddel aan te wenden. De systematiek van verordening nr. 44/2001 vereist niet dat aan de betekening of mededeling van een verstekvonnis strengere voorwaarden worden gesteld dan die voor de betekening of mededeling van een stuk dat het geding inleidt. De betekening of mededeling van het stuk dat het geding inleidt, en de betekening of mededeling van het verstekvonnis, zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op verweerders verdediging nodig was, geven deze laatste immers in gelijke mate de mogelijkheid, toe te zien op de eerbiediging van zijn rechten bij het gerecht van de staat van herkomst. Aangaande het stuk dat het geding inleidt, is bij artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 de in artikel 27, punt 2, van het Executieverdrag gestelde voorwaarde van formele regelmatigheid van dit stuk geschrapt. Een zuiver formele onregelmatigheid, die de rechten van de verdediging niet aantast, is dus niet voldoende om de toepassing van de uitzondering op erkenning en tenuitvoerlegging uit te sluiten.

(cf. punten 34‑35, 41, 43‑47, 49 en dictum)




ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 december 2006 (*)

„Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging – Artikel 34, sub 2 – Bij verstek gegeven beslissing – Weigeringsgrond – Begrip verweerder tegen wie verstek werd verleend en die ‚in staat’ was daartegen rechtsmiddel aan te wenden – Beslissing niet betekend of meegedeeld”

In zaak C‑283/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68 EG en 234 EG, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 30 juni 2005, ingekomen bij het Hof op 14 juli 2005, in de procedure

ASML Netherlands BV

tegen

Semiconductor Industry Services GmbH (SEMIS),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts (rapporteur), J. N. Cunha Rodrigues, M. Ilešič en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juli 2006,

gelet op de opmerkingen van:

–       ASML Netherlands BV, vertegenwoordigd door J. Leon, Rechtsanwalt,

–       de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–       de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde,

–       de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. G. Sevenster, C. ten Dam en M. de Grave als gemachtigden,

–       de Poolse regering, vertegenwoordigd door T. Nowakowski als gemachtigde,

–       de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door T. Harris als gemachtigde, bijgestaan door K. Bacon, barrister,

–       de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.‑M. Rouchaud-Joët, W. Bogensberger en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 september 2006,

het navolgende

Arrest

1       Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 34, sub 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2       Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap ASML Netherlands BV (hierna: „ASML”), gevestigd te Veldhoven (Nederland), en de vennootschap Semiconductor Industry Services GmbH (hierna: „SEMIS”), gevestigd te Feistritz-Drau (Oostenrijk), over de tenuitvoerlegging in Oostenrijk van een verstekvonnis van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch (Nederland) waarbij SEMIS is veroordeeld tot betaling aan ASML van 219 918,60 EUR alsmede rente en kosten.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 44/2001

3       Artikel 26, leden 1 en 2, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.      Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.

2.      Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.”

4       Krachtens artikel 26, lid 3, van deze verordening is artikel 19 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB L 160, blz. 37) van toepassing, in plaats van artikel 26, lid 2, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig deze verordening moest plaatsvinden.

5       Volgens artikel 33, lid 1, van verordening nr. 44/2001 worden de „in een lidstaat gegeven beslissingen [...] in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces”.

6       Artikel 34, sub 2, van deze verordening bepaalt evenwel dat een beslissing niet wordt erkend indien „het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”.

 Verordening nr. 1348/2000

7       Artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 luidt als volgt:

„Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:

a)      hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de in de wetgeving van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen bestemd zijn;

b)      hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in deze verordening geregelde wijze,

en dat de betekening of kennisgeving, respectievelijk de afgifte, zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8       Bij vonnis van 16 juni 2004 heeft de Rechtbank ’s-Hertogenbosch SEMIS bij verstek veroordeeld tot betaling aan ASML van 219 918,60 EUR met rente en kosten (hierna: „verstekvonnis”).

9       Blijkens de verwijzingsbeslissing is de oproep om te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch, door deze rechtbank bepaald op 19 mei 2004, pas aan SEMIS betekend op 25 mei 2004 en is het verstekvonnis niet aan SEMIS betekend of meegedeeld.

10     Op verzoek van ASML is de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis erkend bij beschikking van 20 december 2004 van het Bezirksgericht Villach (Oostenrijk), de in eerste aanleg aangezochte rechtbank, op basis van een certificaat van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2004 waarin dit vonnis „uitvoerbaar bij voorraad” werd verklaard. Het Bezirksgericht heeft tevens beschikt tot tenuitvoerlegging van dit vonnis.

11     Een afschrift van deze beschikking is aan SEMIS ter kennis gebracht. Het verstekvonnis was niet bij deze kennisgeving gevoegd.

12     In het door SEMIS tegen de beschikking ingestelde beroep heeft het Landesgericht Klagenfurt (Oostenrijk) het verzoek tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis afgewezen omdat „in staat [zijn] een rechtsmiddel aan te wenden” tegen een bij verstek gegeven beslissing in de zin van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001, betekening of mededeling van deze beslissing aan de niet-verschenen verweerder veronderstelt. Het Landesgericht verwierp het betoog van ASML dat de in artikel 34, sub 2, neergelegde uitzondering op de niet-erkenningsgrond toepassing moest vinden, omdat SEMIS zowel kennis had gekregen van de in Nederland tegen haar ingeleide procedure, door de betekening dan wel kennisgeving van de dagvaarding op 25 mei 2004, als van het bestaan van genoemd verstekvonnis, na de kennisgeving van de beschikking van het Bezirksgericht Villach van 20 december 2004 waarbij dit vonnis uitvoerbaar werd verklaard.

13     In de door ASML ingestelde Revision merkt het Oberste Gerichtshof op dat SEMIS in casu geen betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk heeft ontvangen binnen een termijn die haar in staat stelde zich te verdedigen, daar zij van de oproep om ter terechtzitting van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch te verschijnen pas na de datum van die zitting in kennis is gesteld. Volgens de verwijzende rechter is derhalve in casu de grond voor weigering van erkenning en tenuitvoerlegging, genoemd in artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 toepasselijk, tenzij de voorwaarden voor de uitzondering op deze grond zijn vervuld, dat wil zeggen indien wordt vastgesteld, in de woorden van artikel 34, sub 2, in fine, dat SEMIS „tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl [z]ij daartoe in staat was”.

14     Daar het Oberste Gerichtshof voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding uitlegging van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 noodzakelijk achtte, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moeten de woorden ‚[...] tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was’ in artikel 34, sub 2, van verordening [...] nr. 44/2001 [...], aldus worden uitgelegd dat dit ‚in staat zijn’ in ieder geval vereist dat aan de verweerder overeenkomstig het toepasselijke recht een afschrift is betekend of meegedeeld van een in een lidstaat gewezen verstekvonnis waarbij de vordering is toegewezen?

2)      In geval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag:

Had reeds de betekening of mededeling van een afschrift van de beslissing op het verzoek, het verstekvonnis van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juni 2004 voor Oostenrijk uitvoerbaar te verklaren en toestemming te geven voor tenuitvoerlegging krachtens de uitvoerbaar verklaarde buitenlandse executoriale titel, voor verweerster en schuldenares [...] aanleiding moeten zijn om een onderzoek in te stellen, ten eerste naar het bestaan van dit vonnis, en ten tweede naar het bestaan van een krachtens de rechtsorde van de staat van herkomst van dit vonnis (eventueel) hiertegen inzetbaar rechtsmiddel, teneinde vast te stellen of zij in staat was een rechtsmiddel aan te wenden, als eerste voorwaarde voor toepasselijkheid van de uitzondering op de in artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 neergelegde weigeringsgrond voor erkenning?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

15     Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat de voorwaarde dat de verweerder in de zin van deze bepaling „in staat” is geweest om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de bij verstek gewezen beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt verzocht, vereist dat deze beslissing regelmatig aan de niet-verschenen verweerder is betekend of meegedeeld, dan wel voldoende is dat de verweerder van het bestaan ervan kennis heeft gekregen in het stadium van de tenuitvoerleggingsprocedure in de aangezochte staat.

16     Allereerst moet worden vastgesteld dat de gestelde vragen niet kunnen worden beantwoord op basis van de formulering van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 alleen.

17     Deze bepaling stelt immers slechts de uitdrukkelijke voorwaarde van betekening of mededeling aan de niet-verschenen verweerder met betrekking tot het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, en niet met betrekking tot het verstekvonnis.

18     Voorts verschilt de formulering van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 aanmerkelijk van de vergelijkbare bepalingen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en – gewijzigde tekst – blz. 77), het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1), het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1), en het Verdrag van 29 november 1996 inzake de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (PB 1997, C 15, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).

19     Artikel 27, sub 2, van het Executieverdrag bepaalt namelijk dat beslissingen niet worden erkend „indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was aan de verweerder, tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld”.

20     Artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 daarentegen eist niet dat de betekening of mededeling per se regelmatig is geweest, maar dat de rechten van de verdediging daadwerkelijk zijn geëerbiedigd.

21     Ten slotte voorziet artikel 34, sub 2, in een uitzondering op de weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing, namelijk het geval dat de niet-verschenen verweerder daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, terwijl hij daartoe wel in staat was.

22     Bijgevolg dient artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 te worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen en het systeem van die verordening.

23     Wat in de eerste plaats de doelstellingen van de verordening betreft, blijkt uit de tweede, de zesde, de zestiende en de zeventiende overweging van de considerans dat de verordening tot doel heeft, het vrije verkeer van beslissingen uitgaande van de lidstaten in burgerlijke en handelszaken te verzekeren door de formaliteiten voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging daarvan te vereenvoudigen.

24     Dit doel mag echter niet worden bereikt door op welke wijze dan ook afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, zoals het Hof ten aanzien van artikel 27, sub 2, van het Executieverdrag heeft verklaard (zie met name arresten van 11 juni 1985, Debaecker en Plouvier, 49/84, Jurispr. blz. 1779, punt 10; 13 oktober 2005, Scania Finance France, C‑522/03, Jurispr. blz. I‑8639, punt 15, en 16 februari 2006, Verdoliva, C‑3/05, Jurispr. blz. I‑1579, punt 26).

25     Hetzelfde vereiste volgt uit de achttiende overweging van de considerans van verordening nr. 44/2001, volgens welke de eerbiediging van de rechten van de verdediging inhoudt dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is.

26     Volgens vaste rechtspraak maken de grondrechten immers integrerend deel uit van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (zie met name advies 2/94 van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I‑1759, punt 33). Het Hof laat zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) komt in dit verband bijzondere betekenis toe (zie met name arresten van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en 28 maart 2000, Krombach, C‑7/98, Jurispr. blz. I‑1935, punt 25).

27     Uit het EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechten van de verdediging, die zijn afgeleid van het in artikel 6 van dit verdrag neergelegde recht op een eerlijk proces, een concrete en effectieve bescherming eisen waardoor de doeltreffende uitoefening van de rechten van de verweerder wordt gegarandeerd (zie EHRM, arresten Artico tegen Italië van 13 mei 1980, serie A nr. 37, § 33, en T. tegen Italië van 12 oktober 1992, serie A nr. 245 C, § 28).

28     Zoals de advocaat-generaal in punt 105 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens tevens geoordeeld, zij het in een strafzaak, dat indien de verdachte niet op de hoogte is van de gronden van het arrest van een hogerberoepsinstantie binnen de termijn voor het instellen van cassatie tegen dat arrest, dit een schending is van artikel 6, lid 1 juncto lid 3, EVRM, omdat de belanghebbende dan niet in staat is geweest zijn rechtsmiddel zinvol en effectief aan te wenden (zie EHRM, arrest Hadjianastassiou tegen Griekenland van 16 december 1992, serie A nr. 252, §§ 29-37).

29     Wat in de tweede plaats het systeem van verordening nr. 44/2001 inzake erkenning en tenuitvoerlegging betreft, moet met de advocaat-generaal in punt 112 van zijn conclusie worden opgemerkt dat de eerbiediging van de rechten van de niet-verschenen verweerder wordt verzekerd door een dubbele toetsing.

30     Tijdens de oorspronkelijke procedure in de lidstaat van herkomst volgt namelijk uit de gecombineerde toepassing van artikel 26, lid 2, van verordening nr. 44/2001 en artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 dat het aangezochte gerecht verplicht is, zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat hetzij de niet-verschenen verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk zo tijdig te ontvangen als met het oog op zijn verdediging nodig was, hetzij daartoe al het nodige is gedaan.

31     Tijdens de procedure van erkenning en tenuitvoerlegging in de aangezochte lidstaat kan, ingeval de verweerder tegen de uitvoerbaarverklaring van de in de lidstaat van herkomst gegeven beslissing een rechtsmiddel aanwendt, het gerecht dat over dit rechtsmiddel uitspraak heeft te doen aanleiding zien om te onderzoeken of er gronden zijn voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging, zoals die welke is bedoeld in artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001.

32     Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet worden uitgemaakt of, ingeval het bij verstek gewezen vonnis niet is betekend of meegedeeld, het feit dat degene tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd wel op de hoogte was van het bestaan van deze beslissing volstaat om te concluderen dat hij in de zin van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 in staat was om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden.

33     In de onderhavige zaak staat vast dat het verstekvonnis niet aan de niet-verschenen verweerster is betekend of meegedeeld, zodat zij geen kennis heeft gehad van de inhoud van dit vonnis.

34     Zoals terecht is opgemerkt door de Oostenrijkse, de Duitse, de Nederlandse en de Poolse regering, alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen in hun opmerkingen voor het Hof, is het instellen van beroep tegen een beslissing alleen mogelijk indien degene die het beroep instelt, in staat is gesteld kennis te nemen van de inhoud van de beslissing, en is het niet voldoende dat hij weet dat de beslissing bestaat.

35     Wil de verweerder immers een steekhoudend beroep kunnen instellen dat hem in staat stelt zijn rechten te doen gelden in de zin van de in de punten 27 en 28 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, dan moet hij kennis kunnen nemen van de gronden van de bij verstek gegeven beslissing, om deze op zinvolle wijze te kunnen aanvechten.

36     Hieruit volgt dat alleen wanneer de niet-verschenen verweerder kennis draagt van de inhoud van de bij verstek gegeven beslissing, overeenkomstig de eisen van eerbiediging van de rechten van de verdediging en een effectieve uitoefening daarvan gegarandeerd is dat die verweerder in de zin van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 in staat is geweest tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden bij het gerecht van de staat van herkomst.

37     Deze conclusie doet niet af aan de effectiviteit van de wijzigingen die bij artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 zijn aangebracht in de vergelijkbare bepalingen van artikel 27, sub 2, van het Executieverdrag.

38     Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het doel van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 met name, de niet-verschenen verweerder te beletten de erkennings‑ en tenuitvoerleggingsprocedure in de aangezochte staat af te wachten om zich te beroepen op schending van de rechten van de verdediging, wanneer die verweerder de mogelijkheid heeft gehad om zijn rechten geldend te maken door beroep in te stellen tegen de beslissing in de staat van herkomst.

39     Artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 houdt evenwel niet in dat de verweerder verplicht is, nieuwe stappen te ondernemen, die verder gaan dan de normale voortvarendheid bij de verdediging van zijn rechten vereist, zoals zich op de hoogte te stellen van de inhoud van een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven.

40     Om te concluderen dat de niet-verschenen verweerder in de zin van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 in staat is geweest een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, moet hij derhalve kennis hebben gehad van de inhoud van die beslissing, hetgeen veronderstelt dat die hem is betekend of meegedeeld.

41     Wel moet daarbij worden opgemerkt, zoals de Oostenrijkse en de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk in hun opmerkingen bij het Hof naar voren hebben gebracht, dat de regelmatige betekening of mededeling van de bij verstek gegeven beslissing, dat wil zeggen de inachtneming van alle toepasselijke regels voor deze formaliteiten, geen noodzakelijke voorwaarde is voor de conclusie dat de verweerder in staat is geweest om een rechtsmiddel aan te wenden.

42     Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geeft artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 aanleiding, in dit verband een parallel te trekken tussen het stuk dat het geding inleidt en de bij verstek gegeven beslissing.

43     De betekening of mededeling van het stuk dat het geding inleidt, en de betekening of mededeling van het verstekvonnis, zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op verweerders verdediging nodig was, geven hem immers in gelijke mate de mogelijkheid, toe te zien op de eerbiediging van zijn rechten bij het gerecht van de staat van herkomst.

44     De systematiek van verordening nr. 44/2001 vereist dus niet dat aan de betekening of mededeling van een verstekvonnis strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke zijn neergelegd in artikel 34, sub 2, van die verordening met betrekking tot de betekening of mededeling van een stuk dat het geding inleidt.

45     Wat het stuk dat het geding inleidt of een vergelijkbaar stuk betreft, zoals reeds gezegd in punt 20 van dit arrest, is bij artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 de in artikel 27, sub 2, van het Executieverdrag gestelde voorwaarde van formele regelmatigheid van dit stuk geschrapt.

46     De in die bepaling neergelegde voorwaarde voor uitsluiting van niet-erkenning en ‑tenuitvoerlegging, dient dus niet te zijn dat een in alle opzichten regelmatige betekening of mededeling heeft plaatsgevonden, maar dat de verweerder ten minste zo tijdig kennis heeft genomen van de inhoud van de beslissing dat hij zich heeft kunnen verdedigen.

47     Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten de formele eisen waaraan die betekening of mededeling moet voldoen dus vergelijkbaar zijn met die welke door de communautaire wetgever in artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 zijn gesteld met betrekking tot de stukken die het geding inleiden, zodat een zuiver formele onregelmatigheid, die de rechten van de verdediging niet aantast, niet voldoende is om de toepassing van de uitzondering op erkenning en tenuitvoerlegging uit te sluiten.

48     Voor de conclusie dat de verweerder in de zin van artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 „in staat” is geweest om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, moet hij derhalve kennis hebben gehad van de inhoud van die beslissing en wel zo dat hij tijdig en effectief zijn rechten geldend heeft kunnen maken bij het gerecht van de staat van herkomst.

49     Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 34, sub 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een verweerder alleen „in staat” is om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, indien hij daadwerkelijk kennis heeft gehad van de inhoud van die beslissing, door zo tijdige betekening of mededeling dat hij zich heeft kunnen verdedigen bij het gerecht van de staat van herkomst.

 Kosten

50     Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 34, sub 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een verweerder alleen „in staat” is om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, indien hij daadwerkelijk kennis heeft gehad van de inhoud van die beslissing, door zo tijdige betekening of mededeling dat hij zich heeft kunnen verdedigen bij het gerecht van de staat van herkomst.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.

Top