Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61998CJ0448

Arrest van het Hof van 5 december 2000.
Strafzaak tegen Jean-Pierre Guimont.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal de police de Belley - Frankrijk.
Maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking - Zuiver interne situatie - Productie en verkoop van kaas zonder korst onder de benaming "emmentaler".
Zaak C-448/98.

European Court Reports 2000 I-10663

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2000:663

61998J0448

Arrest van het Hof van 5 december 2000. - Strafzaak tegen Jean-Pierre Guimont. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Tribunal de police de Belley - Frankrijk. - Maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking - Zuiver interne situatie - Productie en verkoop van kaas zonder korst onder de benaming "emmentaler". - Zaak C-448/98.

Jurisprudentie 2000 bladzijde I-10663


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationale regeling die verhandeling van kaas zonder korst onder benaming emmentaler" verbiedt - Toepassing op uit andere lidstaat ingevoerde producten - Ontoelaatbaarheid - Rechtvaardiging - Geen

[EG-Verdrag, art. 30 (thans, na wijziging, art. 28 EG)]

Samenvatting


$$Artikel 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verzet zich ertegen dat een lidstaat op producten die worden ingevoerd uit een andere lidstaat waar zij rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, een nationale regeling toepast die de verhandeling van een kaas zonder korst onder de benaming emmentaler" in die lidstaat verbiedt.

Een dergelijke regeling kan immers, voor zover zij wordt toegepast op ingevoerde producten, de verkoop van die producten bemoeilijken en bijgevolg de handel tussen de lidstaten belemmeren. De lidstaten kunnen weliswaar, teneinde de eerlijkheid van de handelstransacties te waarborgen en de behartiging van de belangen van de consument te verzekeren, van de belanghebbenden verlangen dat zij de benaming van een levensmiddel wijzigen, wanneer een onder een bepaalde benaming aangeboden product qua samenstelling of vervaardiging zozeer verschilt van de in de Gemeenschap onder die benaming algemeen bekend staande goederen, dat het niet kan worden geacht tot dezelfde categorie te behoren, doch wanneer het verschil minder groot is, moet een adequate etikettering voldoende worden geacht om de koper of de verbruiker de nodige inlichtingen te verschaffen. Ook al zou het verschil in rijpingsmethode tussen emmentaler met korst en emmentaler zonder korst een element van misleiding van de consument kunnen vormen, dan nog zou vermelding van een adequate informatie omtrent dit verschil naast de benaming emmentaler" voldoende zijn. In die omstandigheden kan het ontbreken van een korst niet worden beschouwd als een eigenschap die het verbod op het gebruik van de benaming emmentaler" rechtvaardigt.

( cf. punten 25-26, 30-31, 33-35 en dictum )

Partijen


In zaak C-448/98,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Tribunal de police de Belley (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen

Jean-Pierre Guimont,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, sub a, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub a, EG) en de artikelen 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en volgende,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann (rapporteur), M. Wathelet, en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón en R. Schintgen, rechters,

advocaat-generaal: A. Saggio

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- J.-P. Guimont, vertegenwoordigd door A. Lestourneaud, advocaat te Thonon-les-Bains en Pays de Léman,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Vasak, adjunct-secretaris buitenlandse zaken bij die directie, als gemachtigden,

- de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde, afdelingshoofd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Financiën, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,

- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, hoofd van de afdeling Europees recht bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Gesandte bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, en O. Couvert-Castéra, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van J.-P. Guimont, de Franse regering, de Deense regering en de Commissie ter terechtzitting van 11 januari 2000,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 maart 2000,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij vonnis van 24 november 1998, ingekomen bij het Hof op 9 december daaraanvolgend, heeft het Tribunal de police de Belley het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, sub a, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub a, EG) en de artikelen 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) en volgende.

2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen J.-P. Guimont wegens het met het oog op de verkoop aanwezig hebben, het verkopen of het te koop aanbieden van levensmiddelen, in casu emmentaler, voorzien van een misleidende etikettering.

De relevante nationale regelgeving

3 Artikel 3, eerste alinea, van het Franse decreet nr. 84-1147 van 7 december 1984 tot uitvoering van de wet van 1 augustus 1905 betreffende fraude en vervalsing inzake waren en diensten (hierna: decreet van 1984"), bepaalt:

De etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd, mag niet van dien aard zijn, dat de koper of de consument in verwarring wordt gebracht, onder meer met betrekking tot de eigenschappen van het levensmiddel en in het bijzonder met betrekking tot de aard, identiteit, kwaliteit, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, bewaring, oorsprong of herkomst, wijze van vervaardiging of bereiding ervan."

4 De eigenschappen van het levensmiddel" met de naam emmentaler" in de zin van de Franse regeling worden omschreven in artikel 6 en in de bijlage bij decreet nr. 88-1206 van 30 december 1988 tot uitvoering van de wet van 1 augustus 1905 betreffende fraude en vervalsing inzake waren en diensten en van de wet van 2 juli 1935 tot organisatie en sanering van de zuivelmarkt voor zover het kaas betreft (JORF van 31 december 1988, blz. 16753; hierna: decreet van 1988"). Artikel 6 van het decreet van 1988 bepaalt, dat de in de bijlage opgesomde benamingen zijn voorbehouden aan de kazen die voldoen aan de in deze bijlage opgenomen voorschriften betreffende de productie en de samenstelling". Emmentaler wordt in deze bijlage beschreven als een product met de volgende eigenschappen: Harde kaas, gekookt, geperst en gezouten aan de oppervlakte of in een zoutoplossing; ivoorkleurig of lichtgeel, met gaten waarvan de afmetingen variëren van de grootte van een kers tot de grootte van een noot; goudkleurige tot lichtbruine harde en droge korst."

De feiten en de procedure voor de nationale rechter

5 Bij beschikking van 6 januari 1998 is Guimont veroordeeld tot betaling van 260 boetes van telkens 20 FRF ter zake van het met het oog op de verkoop aanwezig hebben, het verkopen of het te koop aanbieden van een levensmiddel met een misleidende etikettering, in casu emmentaler, hetgeen overtreding van artikel 3, eerste alinea, van het decreet van 1984 oplevert.

6 Tijdens de terechtzitting waarop het Tribunal de police de Belley het door Guimont tegen voornoemde beschikking aangetekende verzet onderzocht, bleek, dat de departementale directie voor mededinging, consumptie en fraudebestrijding van het departement Vaucluse op 5 maart 1996 een controle had uitgevoerd bij een onderneming gespecialiseerd in het snijden en verpakken van in plastic folie voorverpakte kazen die voornamelijk bestemd zijn voor de groothandel. Bij deze controle werden 260 emmentalerkazen ontdekt, afkomstig van de vennootschap laiterie d'Argis", waarvan Guimont technisch directeur is.

7 De departementale directie stelde vast, dat de onderzochte kazen geen korst hadden, hetgeen in strijd was met de bepalingen van artikel 6 en van de bijlage bij het decreet van 1988.

8 Guimont verweerde zich voor de verwijzende rechter onder meer met het betoog, dat artikel 6 van het decreet van 1988 onverenigbaar is met de bepalingen van de artikelen 3, sub a, en 30 en volgende van het Verdrag.

9 Hij wees erop, dat de benaming emmentaler" een soortnaam is die in verschillende landen van de Europese Unie op grote schaal wordt gebruikt, zonder dat enigerlei voorwaarde met betrekking tot de aanwezigheid van een korst wordt gesteld. Doordat het decreet van 1988 de benaming emmentaler" uitsluitend voorbehoudt aan kazen met een goudkleurige tot lichtbruine harde en droge korst", is volgens Guimont sprake van een kwantitatieve beperking van het intracommunautair handelsverkeer of een maatregel van gelijke werking.

10 In zijn verwijzingsvonnis overweegt het Tribunal de police de Belley onder meer het volgende:

- de verdachte kan slechts worden veroordeeld voor zover het decreet van 1988 niet indruist tegen supranationaal recht;

- Guimont heeft aan de hand van de overgelegde stukken aangetoond, dat in andere landen van de Europese Gemeenschap emmentaler zonder korst wordt geproduceerd of verkocht;

- de Codex alimentarius van de Food and Agriculture Organization (Voedsel- en Landbouworganisatie) van de Verenigde Naties en van de Wereldgezondheidsorganisatie bevat een bepaling die de consumptie van emmentaler zonder korst betreft;

- als gevolg van de verschillen tussen de nationale regelingen en, in het bijzonder, het in verhouding tot andere Europese regelingen restrictieve uitgangspunt dat in de Franse regeling wordt ingenomen, kan de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel worden belemmerd, terwijl de communautaire regeling geen enkel recht op bescherming toekent aan de soortnaam emmentaler";

- een dergelijke discriminatie lijkt niet te kunnen worden gerechtvaardigd door een van de gronden die volgens artikel 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 30 EG) kunnen worden ingeroepen.

11 In die omstandigheden heeft de nationale rechter besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

Moeten de artikelen 3, sub a, en 30 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd, aldus worden uitgelegd, dat de Franse regeling voortvloeiend uit decreet nr. 88-1206 van 30 december 1988, waarbij de productie en verkoop in Frankrijk van korstloze kaas onder de naam ,emmentaler wordt verboden, als een kwantitatieve beperking van de handel tussen de lidstaten of een maatregel van gelijke werking is te beschouwen?"

Inleidende opmerkingen

12 Artikel 3 van het Verdrag bepaalt de gebieden en de doelstellingen voor het optreden van de Gemeenschap. Het omschrijft de algemene beginselen van de gemeenschappelijke markt, die worden toegepast in samenhang met de respectieve hoofdstukken van het Verdrag, waarin die beginselen worden uitgewerkt (zie arrest van 14 juli 1998, Bettati, C-341/95, Jurispr. blz. I-4355, punt 75). De algemene doelstelling genoemd in artikel 3, sub a, van het Verdrag is nader uitgewerkt in de artikelen 30 en volgende. Derhalve hoeft naast de te geven uitlegging van de artikelen 30 en volgende van het Verdrag niet afzonderlijk te worden ingegaan op het in de prejudiciële vraag genoemde artikel 3, sub a, van het Verdrag.

13 Vervolgens dient het betoog van de Franse regering te worden onderzocht, dat artikel 30 van het Verdrag geen toepassing vindt in een geval als in het hoofdgeding aan de orde is.

14 Enerzijds stelt zij, dat dit reeds volgt uit de omstandigheid dat de regel die Guimont zou hebben overtreden, in de praktijk niet wordt toegepast op ingevoerde producten. Deze regel beoogt uitsluitend verplichtingen in het leven te roepen voor nationale producenten en heeft dus geen betrekking op het intracommunautaire handelsverkeer. Uit de rechtspraak van het Hof en inzonderheid het arrest van 18 februari 1987, Mathot (98/86, Jurispr. blz. 809, punten 8 en 9) vloeit voort, dat artikel 30 van het Verdrag enkel strekt tot bescherming van het intracommunautaire handelsverkeer.

15 In dit verband zij eraan herinnerd, dat artikel 30 van het Verdrag betrekking heeft op elke maatregel van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (zie arrest van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837, punt 5). Dit artikel heeft echter niet tot doel, te waarborgen dat nationale goederen in alle gevallen dezelfde behandeling krijgen als ingevoerde goederen; een ongelijke behandeling van goederen valt niet onder het verbod van dit artikel, wanneer daardoor noch de invoer wordt belemmerd, noch de verkoop van de ingevoerde goederen wordt bemoeilijkt (zie arrest Mathot, reeds aangehaald, punten 7 en 8).

16 De Franse regering bestrijdt niet, dat de in het hoofdgeding omstreden nationale regel blijkens haar formulering zonder onderscheid van toepassing is op Franse en op ingevoerde producten.

17 Bijgevolg kan dit betoog van de Franse regering niet worden aanvaard. Immers, het enkele feit dat een regel in de praktijk niet wordt toegepast op ingevoerde goederen, sluit niet uit dat zij gevolgen kan hebben die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel belemmeren (zie arrest van 22 oktober 1998, Commissie/Frankrijk, C-184/96, Jurispr. blz. I-6197, punt 17).

18 Anderzijds betoogt de Franse regering, daarin gesteund door de Deense regering, dat de betrokken regel in het concrete geval van het hoofdgeding geen belemmering, zelfs niet indirect of potentieel, van de intracommunautaire handel in de zin van de rechtspraak van het Hof oplevert. Volgens deze regeringen hebben de aan de prejudiciële verwijzing ten grondslag liggende feiten namelijk betrekking op een zuiver interne situatie, aangezien de verdachte van Franse nationaliteit is en het betrokken product geheel en al op Frans grondgebied wordt geproduceerd.

19 Guimont, de Duitse, de Nederlandse en de Oostenrijkse regering alsmede de Commissie merken op, dat volgens de rechtspraak van het Hof de toepasselijkheid van artikel 30 van het Verdrag niet kan worden uitgesloten om de enkele reden, dat in het aan de nationale rechter voorgelegde concrete geval alle elementen binnen één enkele lidstaat gesitueerd zijn (zie arrest van 7 mei 1997, Pistre e.a., C-321/94-C-324/94, Jurispr. blz. I-2343, punt 44).

20 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het voormelde arrest Pistre e.a. betrekking had op een situatie waarin de in geding zijnde nationale regel niet zonder onderscheid van toepassing was, doch een rechtstreekse discriminatie in het leven riep van goederen die uit andere lidstaten waren ingevoerd.

21 Een bepaling als in het hoofdgeding aan de orde is, die gezien haar formulering zonder onderscheid van toepassing is op nationale en op ingevoerde producten en die de producenten bepaalde productievoorwaarden oplegt, wanneer zij hun producten onder een bepaalde benaming op de markt brengen, valt volgens de rechtspraak van het Hof slechts onder artikel 30 van het Verdrag, indien zij toepassing vindt op situaties die verband houden met de invoer van goederen in het intracommunautair handelsverkeer (zie arresten van 15 december 1982, Oosthoek's Uitgeversmaatschappij, 286/81, Jurispr. blz. 4575, punt 9, en Mathot, reeds aangehaald, punten 3 en 7-9).

22 Dit betekent echter niet, dat de in casu aan het Hof gestelde prejudiciële vraag geen beantwoording behoeft. In beginsel staat het uitsluitend aan de nationale rechter om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan door het Hof slechts worden afgewezen, wanneer de gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie arrest van 6 juni 2000, Angonese, C-281/98, Jurispr. blz. I-4139, punt 18).

23 In casu staat niet onmiskenbaar vast, dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht niet noodzakelijk is voor de nationale rechter. Een antwoord op de gestelde vraag zou namelijk nuttig voor hem kunnen zijn, indien zijn nationaal recht in een procedure als de onderhavige voorschrijft, dat een nationale producent dezelfde rechten toekomen als een producent uit een andere lidstaat in dezelfde situatie krachtens het gemeenschapsrecht bezit.

24 Derhalve moet worden onderzocht, of een nationale regeling als de onderhavige een met artikel 30 van het Verdrag strijdige maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, indien zij op ingevoerde producten wordt toegepast.

De uitlegging van artikel 30 van het Verdrag

25 Om te beginnen zij opgemerkt, hetgeen in casu niet wordt bestreden, dat een nationale regeling als die in het hoofdgeding een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag vormt, voor zover zij wordt toegepast op ingevoerde producten.

26 Immers, een nationale regeling die het gebruik van de algemeen gangbare soortnaam van een product voor de desbetreffende producten uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, afhankelijk stelt van bepaalde voorwaarden en daarmee de producenten in voorkomend geval dwingt om benamingen te gebruiken die bij de consument onbekend zijn of een minder goede klank hebben, sluit weliswaar de invoer van uit andere lidstaten afkomstige producten in de betrokken lidstaat niet volledig uit, maar kan niettemin de verkoop van die producten bemoeilijken en bijgevolg de handel tussen de lidstaten belemmeren (zie in die zin het arrest van 14 juli 1988, Smanor, 298/87, Jurispr. blz. 4489, punt 12).

27 Een dergelijke regeling kan niettemin in overeenstemming zijn met het gemeenschapsrecht. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een bij gebreke van een gemeenschappelijke of geharmoniseerde regeling vastgestelde nationale regeling die gelijkelijk van toepassing is op nationale en op uit andere lidstaten ingevoerde producten, verenigbaar zijn met het Verdrag, voor zover zij noodzakelijk is om te voldoen aan dwingende vereisten, onder meer verband houdend met de eerlijkheid van de handelstransacties en met de bescherming van de consumenten (zie arrest van 20 juni 1991, Denkavit, C-39/90, Jurispr. blz. I-3069, punt 18), voor zover zij evenredig is aan het daarmee beoogde doel en dit doel niet kan worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren (zie, met name, arrest van 26 juni 1997, Familiapress, C-368/95, Jurispr. blz. I-3689, punt 19).

28 In dit verband moet met de Commissie worden gewezen op richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 89/395/EEG van de Raad van 14 juni 1989 (PB L 186, blz. 17), waarvan artikel 5, lid 1, ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bepaalde:

1. De verkoopbenaming van een levensmiddel is de benaming vermeld in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die daarop van toepassing zijn; bij het ontbreken van dergelijke bepalingen, is de verkoopbenaming de benaming die in de lidstaat waarin het levensmiddel aan de eindverbruiker en instellingen wordt verkocht, gebruikelijk is, dan wel een omschrijving van het levensmiddel en zo nodig van de wijze waarop dit kan worden gebruikt, die zo duidelijk is gesteld dat de koper de ware aard van het product kan begrijpen en het kan onderscheiden van soortgelijke producten waarmede het zou kunnen worden verward."

29 Uit deze bepaling blijkt weliswaar, dat een correct gebruik van de benamingen van levensmiddelen van groot belang is voor de bescherming van de consument, maar zij verleent de lidstaten niet de bevoegdheid om op het gebied van de benamingen regels te stellen die de invoer van in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerde en in het verkeer gebrachte producten beperken, wanneer die regels niet evenredig zijn aan het beoogde doel of wanneer dezelfde mate van bescherming ook had kunnen worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken.

30 Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen de lidstaten - teneinde de eerlijkheid van de handelstransacties te waarborgen en de behartiging van de belangen van de consument te verzekeren - van de belanghebbenden verlangen, dat zij de benaming van een levensmiddel wijzigen, wanneer een onder een bepaalde benaming aangeboden product qua samenstelling of vervaardiging zozeer verschilt van de in de Gemeenschap onder die benaming algemeen bekendstaande goederen, dat het niet kan worden geacht tot dezelfde categorie te behoren (zie arrest van 12 september 2000, Geffroy, C-366/98, Jurispr. blz. I-6579, punt 22).

31 Is het verschil echter minder groot, moet een adequate etikettering voldoende worden geacht om de koper of de verbruiker de nodige inlichtingen te kunnen verschaffen (arrest Geffroy, reeds aangehaald, punt 23).

32 In casu kan volgens de in punt 10 van dit arrest vermelde Codex alimentarius, die aanwijzingen bevat aan de hand waarvan de eigenschappen van het betrokken product kunnen worden omschreven, een kaas zonder korst met de benaming emmentaler" worden aangeduid, omdat hij uit dezelfde grondstoffen en op dezelfde wijze als emmentaler met korst wordt bereid, behoudens een verschil in behandeling bij de rijping. Voorts staat vast, dat een dergelijke variant van emmentalerkaas in andere lidstaten dan Frankrijk rechtmatig wordt geproduceerd en in het verkeer gebracht.

33 Ook al zou het verschil in rijpingsmethode tussen emmentaler met korst en emmentaler zonder korst een element van misleiding van de consument kunnen vormen, dan nog zou derhalve vermelding van een adequate informatie omtrent dit verschil naast de benaming emmentaler" voldoende zijn.

34 In die omstandigheden kan het ontbreken van een korst niet worden beschouwd als een eigenschap die het verbod op het gebruik van de benaming emmentaler" rechtvaardigt voor goederen afkomstig uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig onder deze benaming worden geproduceerd en in het verkeer gebracht.

35 De prejudiciële vraag dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat artikel 30 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat een lidstaat op producten die worden ingevoerd uit een andere lidstaat waar zij rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, een nationale regeling toepast die de verhandeling van een kaas zonder korst onder de benaming emmentaler" in die lidstaat verbiedt.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

36 De kosten door de Franse, de Deense, de Duitse, de Nederlandse en de Oostenrijkse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Tribunal de police de Belley bij vonnis van 24 november 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) verzet zich ertegen, dat een lidstaat op producten die worden ingevoerd uit een andere lidstaat waar zij rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, een nationale regeling toepast die de verhandeling van een kaas zonder korst onder de benaming emmentaler" in die lidstaat verbiedt.

Top