Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61987CJ0321

Arrest van het Hof van 27 april 1989.
Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België.
Vrij verkeer van personen - Grenscontrole - Verblijfs- of vestigingsvergunning.
Zaak 321/87.

Jurisprudentie 1989 -00997

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1989:176

61987J0321

ARREST VAN HET HOF VAN 27 APRIL 1989. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - GRENSKONTROLES - VERBLIJFS- 0F VESTIGINGSVERGUNNING. - ZAAK 321/87.

Jurisprudentie 1989 bladzijde 00997


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

Vrij verkeer van personen - Recht van toegang en verblijf van onderdanen van Lid-Staten - Verplichting om steeds in bezit van verblijfs - of vestigingsvergunning te zijn - Controle bij binnenkomen van grondgebied van Lid-Staat - Toelaatbaarheid - Voorwaarden

( Richtlijnen van de Raad 68/360, artikel 3, en 73/148, artikel 3 )

Samenvatting


Het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat een Lid-Staat personen die een communautair verblijfsrecht genieten, op zijn grondgebied doet controleren op de nakoming van de verplichting om steeds hun verblijfs - of vestigingsvergunning bij zich te hebben, wanneer voor de eigen onderdanen een identieke verplichting geldt met betrekking tot de identiteitskaart .

De richtlijnen 68/360 en 73/148, volgens welke de overlegging van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart de enige voorafgaande voorwaarde is waaraan de Lid-Staten het recht op toegang tot hun grondgebied van de in die richtlijnen genoemde personen kunnen onderwerpen, staan niet eraan in de weg, dat controles als bovengenoemde bij het binnenkomen van het grondgebied van een lid-Staat worden verricht, wanneer deze controles geen voorwaarde zijn om tot het grondgebied van de betrokken Lid-Staat te worden toegelaten . Dergelijke controles kunnen evenwel onder omstandigheden een belemmering van het vrije verkeer van personen binnen de Gemeenschap opleveren . Dit is met name het geval, wanneer blijkt dat controles stelselmatig, willekeurig of op onnodig strenge wijze worden verricht .

Partijen


In zaak 321/87,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs A . Caeiro en E . Lasnet als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Betrekkingen, met als gemachtigde R . Hoebaer, bestuursdirecteur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te zijner ambassade,

verweerder,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door rechtmatig in België wonende onderdanen van andere Lid-Staten bij het betreden van zijn grondgebied op het bezit van hun verblijfs - of vestigingsvergunning te doen controleren, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : O . Due, president, T . Koopmans, R . Joliet en F . Grévisse, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C . N . Kakouris, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Díez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal : G . Tesauro

griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 2 februari 1989,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 maart 1989,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 16 oktober 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door rechtmatig in België wonende onderdanen van andere Lid-Staten bij het betreden van zijn grondgebied op het bezit van hun verblijfs - of vestigingsvergunning te doen controleren, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .

2 Volgens artikel 38 van het Belgische Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, "moet elke vreemdeling, ouder dan vijftien jaar, zijn verblijfs - of vestigingsvergunning of enig ander verblijfsdocument altijd bij zich hebben en op vordering van enige overheidspersoon overleggen ."

3 Die verplichting komt overeen met die welke aan de Belgen is opgelegd bij artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten . De niet-nakoming van deze verplichting levert in beide gevallen een overtreding op, die kan worden bestraft met een geldboete van maximaal 1 500 BFR .

4 Sporadisch en naargelang van de omstandigheden verzoeken de met de grenscontrole belaste autoriteiten in België wonende niet-Belgische gemeenschapsonderdanen die België willen binnenkomen, om naast hun paspoort of hun identiteitskaart ook nog hun verblijfs - of vestigingsvergunning over te leggen . Degene die laatstgenoemd document niet overlegt, mag zijn reis weliswaar voortzetten, maar kan een geldboete oplopen .

5 Volgens de Commissie is deze praktijk in strijd met richtlijn 68/360 van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 13 ) en met richtlijn 73/148 van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten ( PB 1973, L 172, blz . 14 ).

6 De Belgische regering betoogt evenwel, dat de controle van de verblijfs - of vestigingsvergunning geen grenscontrole is, maar deel uitmaakt van de algemene politiecontrole die in de regel over het hele Belgische grondgebied ten aanzien van alle inwoners wordt verricht en bij gelegenheid tegelijk met de grenscontrole kan plaatsvinden .

7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

8 De in identieke bewoordingen geformuleerde artikelen 3, lid 1, van de twee betrokken richtlijnen bepalen, dat de Lid-Staten de onderdanen van een andere Lid-Staat op wie de bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen van toepassing zijn, "op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer op hun grondgebied toelaten ". Volgens lid 2 van dat zelfde artikel van de twee richtlijnen kan geen inreisvisum worden voorgeschreven of gelijkwaardige verplichting worden opgelegd .

9 Gelijk het Hof in zijn arrest van 3 juli 1980 ( zaak 157/79, Pieck, Jurispr . 1980, blz . 2171 ) overwoog, heeft de uitdrukking "inreisvisum of gelijkwaardige verplichting" betrekking op iedere formaliteit waarbij toestemming wordt gegeven het grondgebied van een Lid-Staat te betreden en die komt naast de controle aan de grens van het paspoort of de identiteitskaart, ongeacht de plaats, het tijdstip waarop of de vorm waarin die toestemming wordt gegeven .

10 Uit hetzelfde arrest blijkt ook, dat het door het EEG-Verdrag ten aanzien van het vrije verkeer van personen gemaakte voorbehoud uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid niet moet worden gezien als een voorafgaande voorwaarde voor de verkrijging van het recht op toelating en verblijf, maar als een mogelijkheid om in individuele gevallen, waarin de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de uitoefening van een rechtstreeks aan het Verdrag ontleend recht te beperken . Het vormt dus geen rechtvaardiging voor administratieve maatregelen die in algemene zin andere formaliteiten aan de grens verlangen dan het eenvoudige vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort .

11 Bijgevolg is de overlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort de enige voorafgaande voorwaarde waaraan de Lid-Staten het recht op toegang tot hun grondgebied van de in genoemde richtlijnen bedoelde personen kunnen onderwerpen .

12 Opgemerkt zij, dat de omstreden controles geen voorwaarde voor de uitoefening van het recht op toegang tot het zijn en dat niet wordt betwist, dat het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg staat dat België personen die een communautair verblijfsrecht genieten, op zijn grondgebied doet controleren op de nakoming van de verplichting om steeds hun verblijfs - of vestigingsvergunning bij zich te hebben, wanneer voor Belgen een identieke verplichting geldt met betrekking tot hun identiteitskaart .

13 Volgens de Commissie zijn de omstreden controles slechts onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, voor zover zij bij het binnenkomen van het wordt verricht en aldus naast het vereiste van de overlegging van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart komen .

14 Allereerst moet worden vastgesteld, dat het verbod van de door de Commissie in het geding gebrachte controles niet voortvloeit uit de bewoordingen van de door haar ingeroepen richtlijnen, daar die controles geen voorwaarde voor de toegang tot het zijn .

15 Vervolgens dient erop te worden gewezen, dat het verrichten van dergelijke controles bij het binnenkomen van het grondgebied van een Lid-Staat niettemin onder omstandigheden kan neerkomen op een belemmering van het vrije verkeer van personen binnen de Gemeenschap, een grondbeginsel van het EEG-Verdrag waaraan genoemde richtlijnen volle werking beogen te geven . Dit is met name het geval, wanneer blijkt dat de controles stelselmatig, willekeurig of op onnodig strenge wijze worden verricht .

16 In het onderhavige geval wordt niet betwist, dat de omstreden controles sporadisch en niet stelselmatig worden verricht . De Commissie heeft overigens enkel gesteld, dat de controles op zichzelf in strijd met het gemeenschapsrecht waren, zonder nadere gegevens te verstrekken over de wijze waarop zij werden verricht . In die omstandigheden kan niet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België op enigerlei wijze zijn verplichtingen niet is nagekomen .

17 Mitsdien moet het beroep worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

18 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd . De Belgische regering heeft het Hof evenwel niet verzocht de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure . Bijgevolg moet worden verstaan dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen, ofschoon de Commissie in het ongelijk is gesteld .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .

Top