EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0603

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 april 2019.
Peter Bosworth en Colin Hurley tegen Arcadia Petroleum Limited e.a.
Verzoek van de Supreme Court of the United Kingdom om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Lugano II-Verdrag – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21) – Bevoegdheid ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst.
Zaak C-603/17.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:310

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

11 april 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Lugano II-Verdrag – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21) – Bevoegdheid ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”

In zaak C‑603/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 20 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2017, in de procedure

Peter Bosworth,

Colin Hurley

tegen

Arcadia Petroleum Limited e.a.,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, A. Arabadjiev, E. Regan, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 september 2018,

gelet op de opmerkingen van:

Peter Bosworth en Colin Hurley, vertegenwoordigd door A. Briggs en D. Foxton, QC, R. Eschwege, barrister, en T. Greeno en A. Forster, solicitors,

Arcadia Petroleum Limited e.a., vertegenwoordigd door M. Howard, QC, F. Pilbrow en N. Venkatesan, barristers, en S. Trevan, J. Kelly en T. Snelling, solicitors,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Schöll als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 januari 2019,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1; hierna: „Lugano II-Verdrag”).

2

Dit verzoek is ingediend in een geding tussen Peter Bosworth en Colin Hurley, enerzijds, en Arcadia Petroleum Limited en andere vennootschappen, anderzijds, betreffende een verzoek tot vergoeding van de schade die deze vennootschappen naar eigen zeggen hebben geleden door frauduleuze handelingen van Bosworth en Hurley.

Toepasselijke bepalingen

3

Artikel 5 van het Lugano II-Verdrag bepaalt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de zaken volgens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten worden geleverd;

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt;

c)

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[...]

3.

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[...]”

4

Artikel 18, lid 1, van dat verdrag luidt:

„Voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5.”

5

Artikel 20, lid 1, van het verdrag luidt:

„De vordering van de werkgever kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de door dit verdrag gebonden staat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

6

Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Switzerland zijn ondernemingen die handeldrijven in ruwe aardolie en aardolieproducten. Zij maken deel uit van de Arcadiagroep, die volledig in handen is van Farahead Holdings Ltd.

7

Bosworth en Hurley zijn in Zwitserland woonachtige Britten die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding respectievelijk chief executive officer en chief financial officer van de Arcadiagroep waren. Daarnaast waren zij bestuurder van Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Zwitserland en waren zij elk met een van deze ondernemingen verbonden door een arbeidsovereenkomst die door henzelf of volgens hun instructies was opgesteld.

8

Bij een op 12 februari 2015 ingediend verzoekschrift hebben Arcadia London, Arcadia Singapore, Arcadia Switzerland en Farahead Holdings (hierna samen: „Arcadia”) bij de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Commercial Court) (rechter in eerste aanleg in handelszaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) een procedure aangespannen tegen verschillende personen, waaronder Bosworth en Hurley. Deze vorderingen strekten tot vergoeding van de schade die de Arcadiagroep stelde te hebben geleden door frauduleuze transacties waarbij de ondernemingen van die groep betrokken waren.

9

Ter ondersteuning van haar vordering voerde Arcadia aan dat de betrokkenen op onrechtmatige wijze hadden samengespannen (unlawful means conspiracy), hun fiduciaire verplichtingen hadden geschonden (breach of fiduciary duty) en niet hadden voldaan aan de expliciete en/of impliciete contractuele verplichtingen (breach of express and/or implied contractual duties) die voortvloeiden uit hun arbeidsovereenkomsten.

10

Bij akte van 9 maart 2015 hebben Bosworth en Hurley betwist dat de gerechten van het Verenigd Koninkrijk bevoegd zijn om kennis te nemen van de schadevorderingen van Arcadia voor zover deze tegen hen gericht zijn, op grond dat deze vorderingen vallen onder de bepalingen van titel II, afdeling 5, van het Lugano II-Verdrag die betrekking hebben op de bevoegdheidsregels inzake individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, en dat deze vorderingen krachtens deze bepalingen moeten worden gebracht voor de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan zij woonplaats hebben, namelijk voor de Zwitserse gerechten.

11

Naar aanleiding van deze betwisting heeft Arcadia haar verzoekschrift gewijzigd. Zij heeft haar grieven inzake schending van contractuele verplichtingen en van schending van deze verplichtingen als een onrechtmatig middel om samen te spannen, ingetrokken.

12

Bij arrest van 1 april 2015 heeft de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Commercial Court) zich bevoegd verklaard om de grieven inzake onrechtmatige samenspanning (unlawful means conspiracy) en schending van de fiduciaire plicht (breach of fiduciary duty) die ter ondersteuning van bovengenoemde vordering tot schadevergoeding waren aangevoerd, te onderzoeken, met uitzondering – wat laatstgenoemde grief betreft – van de feiten die zich hebben voorgedaan in de periode dat Bosworth en Hurley elk door een arbeidsovereenkomst aan een van de vennootschappen van de Arcadiagroep waren verbonden, aangezien deze feiten volgens deze rechterlijke instantie betrekking hebben op individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst en krachtens artikel 20, lid 1, van het Lugano II-Verdrag onder de bevoegdheid van de Zwitserse gerechten vallen.

13

Bosworth en Hurley hebben tegen dit arrest hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg in burgerlijke zaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk).

14

Bij arrest van 19 augustus 2016 heeft deze rechterlijke instantie dit beroep verworpen. Bosworth en Hurley hebben tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter.

15

In deze omstandigheden heeft de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Wat zijn de juiste criteria om vast te stellen of een door een werkgever tegen een werknemer of een voormalige werknemer (hierna: ‚werknemer’) ingestelde vordering een individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst betreft als bedoeld in titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het [Lugano II-Verdrag]?

a)

Volstaat het om te kunnen vaststellen dat een door een werkgever tegen een werknemer ingestelde vordering onder de artikelen 18 tot en met 21 [van het Lugano II-Verdrag] valt, dat de werkgever ook had kunnen aanvoeren dat de verweten handelwijze een schending vormt van de individuele arbeidsovereenkomst door de werknemer – zelfs indien de feitelijk door de werkgever ingestelde vordering niet berust op of klaagt over schending van deze overeenkomst en deze schending niet aanvoert, maar (bijvoorbeeld) is ingesteld op een of meerdere van de verschillende gronden die zijn genoemd in de punten 26 en 27 van de uiteenzetting van de feiten en de punten van geschil?

b)

Of is het juiste criterium dat een door een werkgever tegen een werknemer ingestelde vordering alleen onder de artikelen 18 tot en met 21 valt, indien de verplichting waarop de vordering feitelijk is gebaseerd, uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit? Zo ja, volgt daaruit dan dat een vordering die alleen is gebaseerd op schending van een verplichting die onafhankelijk van de overeenkomst is ontstaan (en die in voorkomend geval geen verplichting is waarmee de werknemer ,vrijwillig heeft ingestemd’), niet onder afdeling 5 valt?

c)

Indien geen van de bovenstaande criteria juist is, wat is dan het juiste criterium?

2)

Wanneer een vennootschap en een natuurlijke persoon een ‚overeenkomst’ (als bedoeld in artikel 5, punt 1, van het [Lugano II-Verdrag]) aangaan, in hoeverre moet er dan sprake zijn van een band van ondergeschiktheid tussen de vennootschap en de natuurlijke persoon, opdat deze overeenkomst een ‚individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst’ betreft voor de toepassing van afdeling 5 [van dat Verdrag]? Kan er sprake zijn van een dergelijke band van ondergeschiktheid wanneer de natuurlijke persoon de voorwaarden van zijn overeenkomst met de vennootschap kan vaststellen (en daadwerkelijk vaststelt) en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, maar de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid hebben om de verhouding te beëindigen?

3)

Indien afdeling 5 van titel II van het [Lugano II-Verdrag] alleen toepasselijk is op vorderingen die, zonder afdeling 5, onder artikel 5, punt 1, van dat Verdrag zouden vallen, wat is dan het juiste criterium om vast te stellen of een vordering onder artikel 5, punt 1, valt?

a)

Is het juiste criterium dat een vordering onder artikel 5, punt 1, valt, indien de werkgever zou kunnen aanvoeren dat de verweten handelwijze een schending vormt van de overeenkomst, zelfs wanneer de door de werkgever feitelijk ingestelde vordering niet berust op of klaagt over schending van de overeenkomst en deze schending niet aanvoert?

b)

Of is het juiste criterium dat een vordering alleen onder artikel 5, punt 1, [van het Lugano II-Verdrag] valt indien de verplichting waarop deze feitelijk is gebaseerd, een contractuele verplichting is? Zo ja, volgt daaruit dan dat een vordering die alleen is gebaseerd op schending van een verplichting die onafhankelijk van de overeenkomst is ontstaan (en die in voorkomend geval geen verplichting is waarmee verweerder ,vrijwillig heeft ingestemd’), niet onder artikel 5, punt 1, valt?

c)

Indien geen van de bovenstaande criteria juist is, wat is dan het juiste criterium?

4)

Wat is, in omstandigheden waarin

de vennootschappen A en B beide deel uitmaken van een groep van vennootschappen;

verweerder X feitelijk de functie van CEO van deze groep vennootschappen vervult (zoals Bosworth deed voor de Arcadiagroep; feiten en punten van geschil, punt 14); X werkzaam is bij een vennootschap van de groep, vennootschap A (en aldus een werknemer van vennootschap A is) (zoals Bosworth in de uiteengezette omstandigheden van tijd tot tijd was; feiten en punten van geschil, punt 15); en niet overeenkomstig nationaal recht werkzaam is bij vennootschap B;

vennootschap A vorderingen instelt tegen X en deze vorderingen onder de artikelen 18 tot en met 21 [van het Lugano II-Verdrag] vallen, en

de andere vennootschap van de groep, vennootschap B, eveneens vorderingen instelt tegen X, met betrekking tot een soortgelijke handelwijze als die welke de grond vormt waarop de vordering van vennootschap A tegen X is gebaseerd,

het juiste criterium om vast te stellen of de vordering van vennootschap B onder afdeling 5 [van het Lugano II-Verdrag] valt? Meer in het bijzonder:

a)

Is het antwoord afhankelijk van de vraag of er tussen X en vennootschap B sprake was een ‚individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst’ als bedoeld in afdeling 5 [van het Lugano II-Verdrag] en, zo ja, wat is dan het juiste criterium om vast te stellen of er sprake was van een dergelijke overeenkomst?

b)

Moet vennootschap B worden beschouwd als de ‚werkgever’ van X voor de toepassing van afdeling 5 van titel II van het [Lugano II-Verdrag], en/of vallen de vorderingen van vennootschap B tegen X (zie punt 4, vierde streepje, hierboven) onder de artikelen 18 tot en met 21 [van het Lugano II-Verdrag], op dezelfde wijze als de vorderingen van vennootschap A onder deze bepalingen vallen? Meer in het bijzonder:

i)

Valt de vordering van vennootschap B alleen onder artikel 18 [van het Lugano II-Verdrag] indien de verplichting waarop deze feitelijk is gebaseerd, voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap B en X?

ii)

Of valt deze vordering onder artikel 18 [van het Lugano II-Verdrag] indien de in de vordering verweten handelwijze een schending zou hebben gevormd van een verplichting die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap A en X?

c)

Indien geen van de bovenstaande criteria juist is, wat is dan het juiste criterium?”

Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling

16

Na de lezing van de conclusie van de advocaat-generaal hebben Bosworth en Hurley, bij akte neergelegd ter griffie van het Hof, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van hun verzoek betogen zij in wezen dat de advocaat-generaal zijn beoordeling in punt 45 van zijn conclusie heeft gebaseerd op onjuiste feiten, die niet overeenstemmen met de feiten die de verwijzende rechter heeft vastgesteld.

17

Volgens bovengenoemd artikel 83 kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

18

Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het Hof is namelijk, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn om uitspraak te doen en dat de zaak niet hoeft te worden onderzocht in het licht van een nieuw feit dat van beslissende invloed kan zijn voor zijn uitspraak of van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

19

Het Hof is dan ook van oordeel dat geen heropening van de mondelinge behandeling hoeft te worden gelast.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

20

Aangezien de eerste, de derde en de vierde vraag uitgaan van de veronderstelling dat de overeenkomsten tussen Bosworth en Hurley, enerzijds, en bepaalde vennootschappen van de Arcadiagroep, anderzijds, „individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst” betroffen in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag, is het Hof van oordeel dat eerst de tweede vraag moet worden onderzocht.

Tweede vraag

21

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen kan inhouden wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, maar de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid hebben om die overeenkomst te beëindigen.

22

Aangezien de bewoordingen van deze bepalingen identiek zijn aan die van hoofdstuk II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), kan de uitlegging die het Hof aan laatstgenoemde bepalingen heeft gegeven ook worden toegepast op de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag (zie in die zin arrest van 4 december 2014, H, C‑295/13, EU:C:2014:2410, punten 31 en 32).

23

Om uit te maken of de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag toepasselijk zijn in een situatie zoals die van het hoofdgeding, moet worden onderzocht of Bosworth en Hurley kunnen worden geacht door een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van artikel 18, lid 1, van dat verdrag verbonden te zijn geweest aan een van de vennootschappen van de Arcadiagroep en dus als „werknemers” in de zin van artikel 18, lid 2, van dat verdrag kunnen worden beschouwd (zie in die zin arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 34).

24

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een dergelijke kwalificatie niet op basis van het nationale recht kan worden verricht (arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 36) en dat, om de volle werking van het Lugano II-Verdrag en met name van artikel 18 ervan te verzekeren, een autonome en dus voor alle verdragspartijen gemeenschappelijke uitlegging van de erin vervatte rechtsbegrippen geboden is (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Mahamdia, C‑154/11, EU:C:2012:491, punt 42, en 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 37).

25

Voorts zij eraan herinnerd dat het begrip „werknemer” volgens vaste rechtspraak van het Hof moet worden omschreven aan de hand van objectieve criteria die kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding vanuit het oogpunt van de rechten en plichten van de betrokkenen. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie met name arrest van 20 september 2007, Kiiski, C‑116/06, EU:C:2007:536, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Hieruit volgt dat van een arbeidsverhouding slechts sprake is indien er een band van ondergeschiktheid tussen de werknemer en zijn werkgever bestaat, en dat van geval tot geval aan de hand van alle gegevens en alle omstandigheden die de verhoudingen tussen partijen kenmerken, moet worden nagegaan of van een dergelijke band sprake is (arresten van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 46, en 20 november 2018, Sindicatul Familia Constanţa e.a., C‑147/17, EU:C:2018:926, punt 42).

27

Voorts zij opgemerkt dat volgens de bewoordingen van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-verdrag geen overeenkomst hoeft te worden gesloten om de in die bepalingen neergelegde bijzondere bevoegdheidsregels te kunnen toepassen. Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 34 tot en met 36 van zijn conclusie, sluit het ontbreken van een formele arbeidsovereenkomst dus niet uit dat er een arbeidsverhouding bestaat die valt onder het begrip „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen.

28

Een dergelijke verhouding betreft echter slechts een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag indien er een band van ondergeschiktheid tussen de betrokken vennootschap en haar bestuurder bestaat.

29

In casu zij opgemerkt dat Bosworth en Hurley volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens respectievelijk chief executive officer en chief financial officer van de Arcadiagroep waren, dat zij bestuurder van Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Switzerland waren, dat zij elk aan een van deze ondernemingen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst die door henzelf of volgens hun instructies was opgesteld en dat zij steeds in naam en voor rekening van alle ondernemingen van de Arcadiagroep hebben gehandeld.

30

Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Bosworth en Hurley zeggenschap hadden over de rechtspersoon waarvoor, de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij werkten.

31

Bosworth en Hurley konden dus een aanzienlijke invloed uitoefenen op Arcadia, zodat moet worden geconcludeerd dat een band van ondergeschiktheid ontbrak (zie in die zin arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 47), ongeacht of zij al dan niet een deel van het aandelenkapitaal van Arcadia bezaten.

32

Het feit dat Bosworth en Hurley rekening dienden af te leggen aan de aandeelhouders van de Arcadiagroep, die via Farahead Holdings de bevoegdheid hadden om hen te benoemen en te ontslaan, is in dit verband niet relevant.

33

Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, houden immers noch de algemene richtsnoeren die een bestuurder van de aandeelhouders van de door hem geleide vennootschap krijgt met betrekking tot de door die vennootschap te volgen koers, noch de wettelijke controlemechanismen ten behoeve van de aandeelhouders op zich een band van ondergeschiktheid in, zodat het enkele feit dat aandeelhouders bevoegd zijn om een bestuurder van zijn functie te ontheffen niet voldoende kan zijn om te concluderen dat een dergelijke band bestaat.

34

Hieruit volgt dat een overeenkomst tussen een onderneming en haar bestuurder in omstandigheden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” betreft in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag.

35

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II‑Verdrag aldus moeten worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon die de functie van bestuurder van deze vennootschap uitoefent, geen band van ondergeschiktheid tussen hen creëert en dus geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen betreft wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, ook al hebben de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid om die overeenkomst te beëindigen.

Eerste, derde en vierde vraag

36

Gelet op het antwoord op de tweede vraag, hoeven de eerste, de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

37

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

De bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, moeten aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon die de functie van bestuurder van deze vennootschap uitoefent, geen band van ondergeschiktheid tussen hen creëert en dus geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen betreft wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, ook al hebben de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid om die overeenkomst te beëindigen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top