EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0453

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 november 2016.
Procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen Halil Ibrahim Özçelik.
Verzoek van de rechtbank Amsterdam om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 8, lid 1, onder c) – Begrip ,aanhoudingsbevel’ – Autonoom begrip van het Unierecht – Nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een politiedienst en bekrachtigd door een officier van justitie met het oog op strafvervolging.
Zaak C-453/16 PPU.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:860

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

10 november 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikel 8, lid 1, onder c) — Begrip ‚aanhoudingsbevel’ — Autonoom begrip van Unierecht — Nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een politiedienst en bekrachtigd door een officier van justitie met het oog op strafvervolging”

In zaak C‑453/16 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij uitspraak van 16 augustus 2016, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen

Halil Ibrahim Özçelik,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 oktober 2016,

gelet op de opmerkingen van:

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, H. Stergiou en B. Koopman als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze, M. Hellmann, J. Möller en R. Riegel als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. M. Tátrai, G. Koós en M. Z. Fehér als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 oktober 2016,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat door de Veszprémi Járásbíróság (lokale rechtbank Veszprém, Hongarije) is uitgevaardigd tegen Halil Ibrahim Özçelik.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 5, 6, 8 en 10 van het kaderbesluit luiden als volgt:

„(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks‑ als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(6)

Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

[...]

(8)

Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.

[...]

(10)

De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.”

4

Artikel 1 van het kaderbesluit, „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

[...]”

5

In de artikelen 3, 4 en 4 bis van het kaderbesluit worden de gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vermeld. Artikel 5 van het kaderbesluit bepaalt welke garanties de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen dient te verstrekken.

6

In artikel 6 van het kaderbesluit, „Bevoegde rechterlijke autoriteiten”, wordt bepaald:

„1.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

2.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.

3.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.”

7

Artikel 8 van het kaderbesluit betreft de inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel. Lid 1, onder c), ervan luidt:

„1.   In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

[...]

c)

de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2”.

Nederlands recht

8

De Overleveringswet behelst de implementatie van het kaderbesluit naar Nederlands recht. Artikel 1 ervan bepaalt:

„In deze wet wordt verstaan onder:

[...]

b.

Europees aanhoudingsbevel: de schriftelijk vastgelegde beslissing van een justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie strekkende tot de aanhouding en de overlevering van een persoon door de justitiële autoriteit van een andere lidstaat;

[...]

i.

uitvaardigende justitiële autoriteit: de justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, krachtens het nationale recht bevoegd tot het afgeven van een Europees aanhoudingsbevel;

[...]”

9

Artikel 5 van de Overleveringswet luidt als volgt:

„Overlevering geschiedt uitsluitend aan uitvaardigende justitiële autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Unie en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10

Op 21 juni 2016 heeft de Veszprémi Járásbíróság (lokale rechtbank Veszprém, Hongarije) een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen Özçelik, een Turks staatsburger, in het kader van de strafvervolging die tegen hem is ingesteld op grond dat hij zich in Hongarije schuldig zou hebben gemaakt aan twee naar het recht van die lidstaat strafbare feiten.

11

Bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) is een vordering tot tenuitvoerlegging van dat Europees aanhoudingsbevel ingediend. Zij wijst erop dat daarin, overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bijlage bij het kaderbesluit, onder b), waar melding moet worden gemaakt van het arrestatiebevel of de gelijkwaardige rechterlijke beslissing die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, „aanhoudingsbevel nr. 19060/93/2014.bü.” staat vermeld, „dat is uitgevaardigd door de politie van Ajka en bij beslissing van 14 juni 2016 is bekrachtigd door de officier van justitie van Ajka”.

12

Bij een verzoek om inlichtingen van 8 juli 2016 heeft de verwijzende rechter de Hongaarse autoriteiten vragen gesteld over de rol van het Hongaarse openbaar ministerie en in het bijzonder over de onafhankelijkheid ervan ten opzichte van de uitvoerende macht, alsook over de gevolgen van bekrachtiging van een door een politiedienst uitgevaardigd aanhoudingsbevel door het openbaar ministerie.

13

Op 14 juli 2016 hebben de Hongaarse autoriteiten gevolg gegeven aan dat verzoek. Uit hun antwoord blijkt met name dat het openbaar ministerie onafhankelijk is van de uitvoerende macht en tot taak heeft gedurende het volledige opsporingsonderzoek erop toe te zien dat de politiediensten de wet naleven, en te verzekeren dat de verdachte zijn rechten kan uitoefenen. Voorts hebben zij gepreciseerd dat het openbaar ministerie in het kader van die taak een beslissing van een politiedienst kan wijzigen of intrekken wanneer deze laatste optreedt als de met het onderzoek belaste autoriteit, en het openbaar ministerie die beslissing in strijd acht met de wet of met het doel van het onderzoek. Ook hebben de Hongaarse autoriteiten te kennen gegeven dat het niet uitgesloten is dat de officier van justitie die een door een politiedienst uitgevaardigd nationaal aanhoudingsbevel heeft bekrachtigd, nadien in dezelfde strafprocedure optreedt als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie.

14

Gelet op die informatie betwijfelt de verwijzende rechter of een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een politiedienst en nadien is bekrachtigd bij een beslissing van het openbaar ministerie, kan worden aangemerkt als een „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit.

15

De rechtbank Amsterdam heeft de behandeling van de zaak dan ook geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Is de uitdrukking ‚rechterlijke beslissing’ zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit [...] een autonoom en uniform uit te leggen begrip van Unierecht?

2)

Zo ja, welke betekenis heeft dit begrip?

3)

Levert de bekrachtiging door een lid van het Openbaar Ministerie van een voordien door de politie uitgevaardigd nationaal aanhoudingsbevel zoals aan de orde in het onderhavige geval een dergelijke ‚rechterlijke beslissing’ op?”

Spoedprocedure

16

De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

17

Ter ondersteuning van dat verzoek voert hij met name aan dat Özçelik thans zijn vrijheid is ontnomen in afwachting van zijn feitelijke overlevering aan de Hongaarse autoriteiten.

18

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van het kaderbesluit, dat behoort tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Behandeling volgens de prejudiciële spoedprocedure is voor deze verwijzing derhalve mogelijk.

19

In de tweede plaats moet volgens de rechtspraak van het Hof rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de betrokkene in het hoofdgeding thans zijn vrijheid is ontnomen en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet (arrest van 16 juli 2015, Lanigan,C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 24). De maatregel tot bewaring van Özçelik is blijkens de door de verwijzende rechter verstrekte verduidelijkingen immers gelast in het kader van de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.

20

In die omstandigheden heeft de Vierde kamer van het Hof op 31 augustus 2016, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

21

Met zijn vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een „rechterlijke beslissing” in de zin van die bepaling is.

22

Volgens artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit dient het Europees aanhoudingsbevel te vermelden dat er een „voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2” van het kaderbesluit. Die gegevens moeten worden vermeld overeenkomstig het in de bijlage bij het kaderbesluit opgenomen model, onder b) („Besluit dat aan dit aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”), punt 1 („Arrestatiebevel of een gelijkwaardige rechterlijke beslissing”).

23

In herinnering moet worden gebracht dat het bij het kaderbesluit ingevoerde stelsel van het Europees aanhoudingsbevel berust op het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf gebaseerd is op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de grondrechten die zijn erkend op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 7577).

24

In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat het beginsel van onderling vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning in het Unierecht van wezenlijk belang zijn, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen (zie in die zin advies 2/13 van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 191).

25

Op het door het kaderbesluit geregelde gebied vindt het beginsel van wederzijdse erkenning – dat, zoals met name volgt uit overweging 6 van het kaderbesluit, de hoeksteen vormt van de justitiële samenwerking in strafzaken – toepassing in artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit, volgens hetwelk de lidstaten in beginsel gehouden zijn om gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 79en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel alleen mag weigeren in de uitputtend opgesomde gevallen van verplichte niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 3 van het kaderbesluit, of van facultatieve niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in de artikelen 4 en 4 bis ervan. Bovendien mag aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel enkel een van de in artikel 5 van het kaderbesluit limitatief omschreven voorwaarden worden verbonden (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 80en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

Het begrip „aanhoudingsbevel” in artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit ziet evenwel alleen op het nationaal aanhoudingsbevel, dat moet worden opgevat als een van het Europees aanhoudingsbevel onderscheiden rechterlijke beslissing (zie in die zin arrest van 1 juni 2016, Bob-Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punten 46 en 58).

28

In casu is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Veszprémi Járásbíróság, die daarin melding maakt van een nationaal aanhoudingsbevel dat is afgegeven door een Hongaarse politiedienst en bekrachtigd door het openbaar ministerie.

29

In die omstandigheden dient de beslissing waarbij het openbaar ministerie het door de betrokken politiedienst uitgevaardigde nationaal aanhoudingsbevel heeft bekrachtigd, te worden beschouwd als de grondslag voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel.

30

Dienaangaande blijkt uit de informatie die de Hongaarse regering aan het Hof heeft verstrekt dat de bekrachtiging door het openbaar ministerie van het door die politiedienst uitgevaardigde aanhoudingsbevel een rechtshandeling is waarbij het openbaar ministerie dat aanhoudingsbevel toetst en bevestigt. Ten gevolge van die bekrachtiging, die in het Europees aanhoudingsbevel wordt vermeld, wordt het openbaar ministerie beschouwd als de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel. Derhalve is het feit dat het nationaal aanhoudingsbevel is afgegeven door een politiedienst irrelevant uit het oogpunt van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit, aangezien de bekrachtiging van dat aanhoudingsbevel door het openbaar ministerie ertoe leidt dat dit laatste kan worden gelijkgesteld met de uitvaardigende instantie ervan, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft uiteengezet.

31

Dan rijst vervolgens de vraag of de beslissing van een openbaar ministerie onder het begrip „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit valt.

32

In dat verband heeft het Hof in de punten 33 en 38 van het arrest van heden, Poltorak (C‑452/16 PPU), geoordeeld dat het begrip „rechterlijke autoriteit” in de context van het kaderbesluit en met name in het kader van artikel 6, lid 1, ervan aldus moet worden opgevat dat het doelt op de autoriteiten die in de lidstaten deelnemen aan de strafrechtsbedeling, met uitsluiting van de politiediensten.

33

Gelet op het vereiste dat de verschillende bepalingen van het kaderbesluit onderling coherent worden uitgelegd, is de voornoemde uitlegging in beginsel transponeerbaar naar artikel 8, lid 1, onder c), ervan. Deze bepaling moet bijgevolg aldus worden uitgelegd dat het begrip „rechterlijke beslissing” doelt op beslissingen van de autoriteiten die in de lidstaten deelnemen aan de strafrechtsbedeling, met uitsluiting van de politiediensten.

34

In het licht van die vaststelling en van het feit dat het openbaar ministerie een autoriteit is die tot taak heeft in een lidstaat deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken (zie in die zin arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C‑486/14, EU:2016:483, punt 39), moet de beslissing van een dergelijke autoriteit worden beschouwd als een „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit.

35

Die uitlegging, ten slotte, is ook geboden uit het oogpunt van de doelstellingen van het kaderbesluit. Het kaderbesluit beoogt met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen aan de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 76en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Dienaangaande blijkt uit de informatie die de Hongaarse regering het Hof heeft verschaft dat bekrachtiging van het nationaal aanhoudingsbevel door het openbaar ministerie de uitvoerende rechterlijke autoriteit de garantie biedt dat het Europees aanhoudingsbevel gebaseerd is op een beslissing die rechterlijk is getoetst. Een dergelijke bekrachtiging rechtvaardigt bijgevolg de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten.

37

Daaruit volgt dat een beslissing van een openbaar ministerie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder het begrip „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit valt.

38

Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een „rechterlijke beslissing” in de zin van die bepaling is.

Kosten

39

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een „rechterlijke beslissing” in de zin van die bepaling is.

 

von Danwitz

Juhász

Vajda

Jürimäe

Lycourgos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 november 2016.

De griffier

A. Calot Escobar

De president van de Vierde kamer

T. von Danwitz


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top