EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0567

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 februari 2015.
Nóra Baczó en János István Vizsnyiczai tegen Raiffeisen Bank Zrt.
Verzoek van de Fővárosi Törvényszék om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 7 – Kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning – Arbitragebeding – Oneerlijkheid – Vordering van de consument – Nationale procesrechtelijke regel – Onbevoegdheid van de rechter die de vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst behandelt, om de oneerlijkheid van in die overeenkomst opgenomen bepalingen vast te stellen.
Zaak C-567/13.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:88

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

12 februari 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 7 — Kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning — Arbitragebeding — Oneerlijkheid — Vordering van de consument — Nationale procesrechtelijke regel — Onbevoegdheid van de rechter die de vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst behandelt, om de oneerlijkheid van in die overeenkomst opgenomen bepalingen vast te stellen”

In zaak C‑567/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (Hongarije) bij beslissing van 2 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op 5 november 2013, in de procedure

Nóra Baczó,

János István Vizsnyiczai

tegen

Raiffeisen Bank Zrt,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur), E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 november 2014,

gelet op de opmerkingen van:

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. M. Tátrai en M. Z. Fehér als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Talabér‑Ritz en M. van Beek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen N. Baczó en J. I. Vizsnyiczai enerzijds en Raiffeisen Bank Zrt anderzijds over een vordering tot nietigverklaring van een kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning en van het daarin opgenomen arbitragebeding.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

3

Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

4

Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

5

Artikel 6, lid 1, van de richtlijn luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

6

Artikel 7, lid 1, van de richtlijn bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Hongaars recht

Materieel recht

7

§ 200 van wet nr. IV van 1959 betreffende het burgerlijk wetboek (a Polgári Törvénykönyvről szóló 1959. évi IV. Törvény; hierna: „burgerlijk wetboek”), in de versie die gold ten tijde van het sluiten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, luidt:

„(1)   Partijen kunnen de inhoud van de overeenkomst vrij bepalen. Zij kunnen eveneens in onderling overleg afwijken van de regeling inzake overeenkomsten, tenzij de wet anders bepaalt.

(2)   Een overeenkomst die in strijd is met of gesloten is ter ontduiking van een wettelijke bepaling, is nietig, tenzij die wettelijke bepaling hier een ander rechtsgevolg aan verbindt. Eveneens nietig is een overeenkomst die kennelijk in strijd is met de goede zeden.”

8

Volgens § 209, lid 1, van het burgerlijk wetboek „[zijn] [a]lgemene voorwaarden en bepalingen van een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, [...] oneerlijk wanneer daarbij in strijd met de goede trouw en de redelijkheid en billijkheid de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen eenzijdig en ongemotiveerd worden vastgelegd ten nadele van de partij die de bepalingen niet heeft opgesteld”.

9

Volgens § 209/A, lid 1, van het burgerlijk wetboek kunnen oneerlijke bepalingen door de benadeelde partij worden betwist. Volgens § 209/A, lid 2, zijn dergelijke bepalingen nietig.

10

§ 227, lid 2, van het burgerlijk wetboek bepaalt dat „[o]vereenkomsten tot het verrichten van een onmogelijke prestatie [...] nietig [zijn]”.

11

Overeenkomstig § 239/A, lid 1, van het burgerlijk wetboek kan een partij de rechter verzoeken om nietigverklaring van de overeenkomst of van een bepaling daarvan (gedeeltelijke nietigverklaring) zonder ook om toepassing van de gevolgen van de nietigheid te verzoeken.

12

Volgens § 213, lid 1, van wet nr. CXII van 1996 inzake kredietinstellingen en financiële ondernemingen (hitelintézetekről és a pénzügyi vállalkozásokról szóló 1996. évi CXII. törvény), in de versie die gold ten tijde van het sluiten van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, zijn nietig consumentenkredietovereenkomsten en kredietovereenkomsten voor de aankoop van een woning waarin de in dat artikel genoemde gegevens, waaronder met name het doel van de overeenkomst, het jaarlijkse kostenpercentage en alle aan de overeenkomst verbonden kosten, niet zijn opgenomen.

Procesrecht

13

Volgens § 3, lid 2, van wet nr. III van 1952 betreffende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (a polgári perrendtartásról szóló 1952. évi III. törveny; hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”) is de rechter, behoudens andersluidende wettelijke bepaling, gebonden aan de conclusies en argumenten van partijen. Voorts houdt de rechter bij de behandeling van de conclusies en argumenten van partijen geen rekening met de gebruikte formele benaming, maar wel met de inhoud.

14

§ 22, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de lokale rechter, namelijk de rechter van de járásbíróság (lokale rechtbank) of van de kerületi bíróság (kantonrechtbank), de reguliere rechter is. Onder diens bevoegdheid vallen dus alle zaken die krachtens de wet niet zijn voorbehouden aan de törvényszék (regionale rechtbank).

15

Overeenkomstig § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is de törvényszék bevoegd kennis te nemen van met name op grond van § 209/A van het burgerlijk wetboek ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van oneerlijke bepalingen.

16

Volgens advies 2/2010/VI.28 van de voltallige civiele kamer van de Kúria (hooggerechtshof) over bepaalde procedurele problemen in nietigheidsprocedures moet de rechter ambtshalve oordelen dat sprake is van kennelijke nietigheid indien de nietigheid duidelijk kan worden vastgesteld aan de hand van het beschikbare bewijs.

17

Blijkens advies 2/2011/XII.12 van de voltallige civiele kamer van de Kúria over bepaalde vragen omtrent de rechtsgeldigheid van consumentenovereenkomsten moet de lokale rechter bij de behandeling van een vordering, op basis van een door de verwerende partij opgeworpen exceptie of ambtshalve, de oneerlijkheid van een bepaling onderzoeken.

18

§ 24, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat het in geding zijnde bedrag wordt vastgesteld aan de hand van het bedrag van de vordering of van ieder ander recht waarop in het verzoekschrift aanspraak wordt gemaakt.

19

Met betrekking tot de berekening van de verschuldigde leges voor het starten van een civiele zaak bepaalt § 39, lid 1, van wet nr. XCIII van 1990 op de legesheffing (1990. évi XCIII. tv. az illetékekről; hierna: „wet op de legesheffing”) dat, behoudens andersluidende bepaling van die wet, als maatstaf van heffing geldt het bij het instellen van de vordering in geding zijnde bedrag.

20

§ 39, lid 3, van de wet op de legesheffing luidt evenwel als volgt:

„Indien het in geding zijnde bedrag niet overeenkomstig lid 1 kan worden bepaald, is de maatstaf van heffing [...] de volgende:

a)

voor de lokale rechter 350000 Hongaarse forint (HUF) in procedures op tegenspraak [...]

b)

voor de törvényszék:

in eerste aanleg 600000 HUF in procedures op tegenspraak [...]”.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21

Op 13 september 2007 hebben verzoekers in het hoofdgeding, Baczó en Vizsnyiczai, een door een hypotheek gedekte kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning gesloten met Raiffeisen Bank Zrt, een bank naar Hongaars recht. In die overeenkomst stond een arbitragebeding volgens hetwelk een scheidsgerecht bevoegd is te oordelen over uit de kredietovereenkomst voortvloeiende geschillen, met uitzondering van geschillen over geldvorderingen.

22

Op 26 februari 2013 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de Pesti Központi Kerületi Bíróság (centrale kantonrechtbank Pest) een vordering tot nietigverklaring van de genoemde overeenkomst ingesteld.

23

Ter ondersteuning van hun vordering hebben verzoekers in het hoofdgeding onder verwijzing naar § 239/A, § 200, lid 2, en § 227, lid 2, van het burgerlijk wetboek aangevoerd dat de door hen aangegane kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning kennelijk onrechtmatig is, in strijd is met de goede zeden en betrekking had op een onmogelijke prestatie. Zij hebben er tevens op gewezen dat bij de overeenkomst sprake was van nietigheidsgronden van § 213, lid 1, van wet nr. CXII van 1996 inzake kredietinstellingen en financiële ondernemingen.

24

In reactie op een verzoek om aanvullende inlichtingen van de Pesti Központi Kerületi Bíróság hebben verzoekers in het hoofdgeding ook gevorderd dat het in de overeenkomst opgenomen arbitragebeding op grond van richtlijn 93/13, § 209, lid 2, van het burgerlijk wetboek en advies 2/2011/XII.12 van de Kúria nietig wordt verklaard.

25

Naar aanleiding van deze laatste vordering en na de kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning als een „standaardovereenkomst” te hebben aangemerkt, heeft de Pesti Központi Kerületi Bíróság bij beschikking van 6 mei 2013 de zaak naar de Fővárosi Törvényszék (hoofdstedelijke rechtbank) verwezen op grond van § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, waarin bepaald is dat de regionale rechter bevoegd is te oordelen over vorderingen tot nietigverklaring van oneerlijke bepalingen.

26

In hun hoger beroep tegen de beschikking hebben verzoekers in het hoofdgeding gevorderd dat de beschikking wordt gewijzigd en dat de lokale rechter bevoegd wordt verklaard. Blijkens de verwijzingsbeslissing voeren verzoekers in het hoofdgeding ter ondersteuning van hun hoger beroep aan dat zij niet hebben verzocht vast te stellen dat een bepaling van hun kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning oneerlijk is en dat zij voorts niet hebben gevraagd om de zaak naar de regionale rechter te verwijzen.

27

De verwijzende rechter wijst erop dat consumenten volgens § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering slechts bij de regionale rechter kunnen verzoeken om vaststelling van de oneerlijkheid van een in een standaardovereenkomst opgenomen bepaling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, maar dat zij wel als verwerende partij in een door de verkoper bij de lokale rechter aanhangig gemaakte procedure een exceptie strekkende tot vaststelling van de oneerlijkheid van een dergelijke bepaling kunnen opwerpen.

28

Afhankelijk van de drempelbedragen die op basis van het in geding zijnde bedrag gelden, kan een door de consument op andere gronden ingestelde vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst echter wel bij de lokale rechter aanhangig worden gemaakt. Volgens de verwijzende rechter zou het wenselijk zijn dat de lokale rechter ook kennis kan nemen van vorderingen tot nietigverklaring van in die standaardovereenkomst opgenomen oneerlijke bepalingen.

29

Ten slotte is de verwijzende rechter van oordeel dat de verwijzing van de zaak naar de regionale rechter in het nadeel van de consument kan zijn, met name omdat de regel van § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering tot hogere proceskosten leidt. Dat zou de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 93/13 in gevaar kunnen brengen.

30

Daarop heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Berokkent de gerechtelijke procedure de consument nadeel wanneer een andere rechtbank, de regionale rechtbank (törvényszék), tot kennisneming bevoegd wordt, indien hij in een geding tot nietigverklaring van een overeenkomst (algemene voorwaarden) voor de lokale rechtbank ook verzoekt om vast te stellen dat een beding van de in geding zijnde overeenkomst oneerlijk is[?] De consument kan zich in het door zijn medecontractant ingestelde geding voor de lokale rechtbank immers beroepen op oneerlijkheid van een contractueel beding, maar moet door de verwijzing naar de regionale rechtbank hogere kosten dragen.

2)

Wordt het evenwicht hersteld wanneer de consument zich in de door hem bij de lokale rechtbank ingestelde procedure tot nietigverklaring van de overeenkomst ook op oneerlijkheid van bepaalde bedingen van deze overeenkomst kan beroepen, zonder dat deze lokale rechtbank hierdoor onbevoegd wordt[?]”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

31

Uit de prejudiciële vragen en de door de verwijzende rechter gegeven motivering volgt dat de verwijzende rechter van het Hof wenst te vernemen of een nationale procesrechtelijke regeling verenigbaar is met het recht van de Unie, en in het bijzonder met richtlijn 93/13.

32

Het Hof is in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing niet bevoegd om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht of een nationale praktijk met het recht van de Unie, maar heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het wel bevoegd is om de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot dit recht te verschaffen die deze in staat stellen die verenigbaarheid te beoordelen bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (zie arrest Pannon Gép Centrum, C‑368/09, EU:C:2010:441, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

In die omstandigheden, en voor zover de twijfels van de verwijzende rechter zijn ingegeven door een mogelijk nadeel dat uit de toepassing van § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voortvloeit voor de consument die zich beroept op aan richtlijn 93/13 ontleende rechten, is ervan uit te gaan dat de prejudiciële vragen de uitlegging van die richtlijn, en met name van artikel 7, lid 1, betreffen.

Ten gronde

34

Met zijn vragen, die tezamen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale procesrechtelijke regel op grond waarvan een lokale rechter die bevoegd is te oordelen over de door een consument ingestelde vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst, niet bevoegd is kennis te nemen van de door de consument ingestelde vordering tot vaststelling van de oneerlijkheid van in die overeenkomst opgenomen bepalingen.

35

Om te beginnen moet erop worden gewezen dat § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering aanleiding was voor het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak die heeft geleid tot het arrest Jőrös (C‑397/11, EU:C:2013:340).

36

In die zaak wenste de verwijzende rechter van het Hof onder meer te vernemen of richtlijn 93/13 aldus moest worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over de rechtsgeldigheid van bedingen in een consumentenovereenkomst, ambtshalve mocht toetsen of de betrokken bedingen oneerlijk zijn en de overeenkomst eventueel nietig mocht verklaren, ook al was de bevoegdheid tot nietigverklaring van oneerlijke contractuele bedingen volgens de nationale regeling toebedeeld aan een andere rechter.

37

In punt 53 van het arrest Jőrös (EU:C:2013:340) heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter die ambtshalve heeft vastgesteld dat een contractueel beding oneerlijk is, de nationale regels van procesrecht zo veel mogelijk aldus moet toepassen dat alle consequenties worden getrokken die volgens het nationale recht voortvloeien uit de vaststelling van de oneerlijkheid van het betrokken beding, teneinde zich ervan te vergewissen dat de consument niet is gebonden aan dat beding.

38

Vastgesteld moet echter worden dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot het arrest Jőrös (EU:C:2013:340) aangezien de vraag aan de orde is of een consument als verzoekende partij de mogelijkheid moet hebben om niet alleen te vorderen dat een onder richtlijn 93/13 vallende overeenkomst nietig wordt verklaard, maar ook dat de oneerlijkheid van daarin opgenomen bepalingen wordt vastgesteld, ook al is er een bevoegdheidsregel die de consument ertoe verplicht om de tweede vordering bij een andere nationale rechter in te stellen.

39

Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dienen de lidstaten erop toe te zien dat er in hun nationale rechtsstelsel doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

40

Richtlijn 93/13 bepaalt echter niet expliciet welke rechter bevoegd is kennis te nemen van door consumenten ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van dergelijke oneerlijke bedingen.

41

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het bij gebreke van een desbetreffende Unieregeling een aangelegenheid van het nationale recht van elke lidstaat om krachtens het beginsel van procesrechtelijke autonomie de bevoegde rechter aan te wijzen en te voorzien in een procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen (arrest Agrokonsulting-04, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42

Het is tevens vaste rechtspraak van het Hof dat de procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen, niet ongunstiger mag zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk mag maken (effectiviteitsbeginsel) (zie in die zin arresten Impact, C‑268/06, EU:C:2008:223, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, C‑413/12, EU:C:2013:800, punt 30).

43

Wat in de eerste plaats het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, dient erop te worden gewezen dat de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting betwijfelde of een nationale procesrechtelijke regel als § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de regionale rechter bij uitsluiting bevoegd is kennis te nemen van door consumenten ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van oneerlijke bepalingen, verenigbaar is met dat beginsel. De Commissie ging daarbij uit van een vergelijking tussen dergelijke vorderingen en door consumenten op andere gronden ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van in een overeenkomst opgenomen bepalingen, daar voor de behandeling van de tweede categorie vorderingen de lokale rechter bevoegd kan zijn, afhankelijk van de drempelbedragen die op basis van het in geding zijnde bedrag gelden.

44

Het staat echter uitsluitend aan de nationale rechter, die direct bekend is met de toepasselijke procesrechtelijke regeling, om na te gaan of de betrokken vorderingen vergelijkbaar zijn qua voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken (zie arresten Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 50, en Agrokonsulting-04, EU:C:2013:432, punt 39).

45

Wordt aangenomen dat vorderingen tot nietigverklaring van contractsbepalingen die door consumenten worden ingesteld op gronden die met name of uitsluitend op richtlijn 93/13 zijn gebaseerd, vergelijkbaar zijn met vorderingen tot nietigverklaring van contractsbepalingen die door consumenten worden ingesteld op gronden die uitsluitend op het nationale recht zijn gebaseerd, dan moet worden nagegaan of de procesrechtelijke regeling met betrekking tot op het recht van de Unie gebaseerde vorderingen ongunstiger is dan de procesrechtelijke regeling met betrekking tot uitsluitend op het nationale recht gebaseerde vorderingen.

46

Vastgesteld moet worden dat bij de bevoegdheid van de regionale rechter om kennis te nemen van op Unierechtelijke gronden ingestelde vorderingen niet noodzakelijkerwijs sprake is van een procesrechtelijke regeling die als „ongunstig” kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat de regionale rechters, die geringer in aantal en hoger in rang zijn dan de lokale rechters, zijn aangewezen, kan immers bijdragen aan een meer homogene en gespecialiseerde rechtspraak in zaken die betrekking hebben op de in richtlijn 93/13 opgenomen regels.

47

Wat de hogere kosten betreft waarmee de verzoekende partij voor de regionale rechter mogelijkerwijs wordt geconfronteerd, moet worden vastgesteld dat niet alleen op grond daarvan kan worden aangenomen dat de behandeling van een zaak als die in het hoofdgeding door de regionale rechter zich niet verdraagt met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Bij een dergelijke uitlegging zou de vraag of de bescherming van de rechten die justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen gelijkwaardig is met de bescherming van de rechten die justitiabelen aan het nationale recht ontlenen, immers uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de kosten en zou ten onrechte worden voorbijgegaan aan de voordelen die mogelijk verbonden zijn aan de procedure voor op het recht van de Unie gebaseerde vorderingen, zoals de voordelen die in het voorgaande punt zijn genoemd.

48

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel.

49

Wat in de tweede plaats het effectiviteitsbeginsel betreft, dient erop te worden gewezen dat blijkens vaste rechtspraak van het Hof elke situatie waarin de vraag rijst of een nationale regel van procesrecht de toepassing van het recht van de Unie onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure (arrest Pohotovosť, C‑470/12, EU:C:2014:101, punt 51).

50

Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de onbevoegdverklaring van de lokale rechter ten faveure van de regionale rechter voor de consument als verzoekende partij extra kosten kan meebrengen.

51

Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat de procesrechtelijke regels met betrekking tot het stelsel van nationale rechtsmiddelen, waarmee het algemeen belang van een goede rechtsbedeling en voorspelbaarheid wordt nagestreefd, moeten prevaleren boven particuliere belangen, zodat deze regels niet kunnen worden aangepast aan de specifieke economische situatie van een partij (arrest Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, EU:C:2013:800, punt 38).

52

Om te voldoen aan het effectiviteitsbeginsel, mag de wijze waarop de nationale rechtsmiddelen zijn georganiseerd, echter niet tot gevolg hebben dat de uitoefening van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het recht van de Unie, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt (arrest Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, EU:C:2013:800, punt 39).

53

In het onderhavige geval moet ten eerste worden opgemerkt dat blijkens de aan het Hof overgelegde stukken de in § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bij uitsluiting aan de regionale rechter toebedeelde bevoegdheid slechts in een specifieke, weinig voorkomende situatie kan leiden tot een hogere legesheffing voor de consument als verzoekende partij. Onder voorbehoud van nader onderzoek door de verwijzende rechter is dat immers slechts het geval wanneer het in geding zijnde bedrag niet kan worden bepaald, met als gevolg dat in dat geval de leges die verschuldigd is voor het instellen van een vordering bij de regionale rechter, overeenkomstig § 39, lid 3, onder b), van de wet op de legesheffing een forfaitair bedrag is.

54

Ten tweede blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken ook dat voor bij een regionale rechter ingestelde vorderingen, waaronder ook vorderingen tot vaststelling van de oneerlijkheid van contractsbepalingen, de bijstand van een advocaat verplicht is.

55

Rekening moet echter worden gehouden met de instrumenten waarin het nationale procesrecht voorziet om de mogelijke financiële problemen van de consument weg te nemen, zoals de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand, welke instrumenten zouden kunnen dienen ter compensatie van de extra proceskosten die het gevolg zijn van de onbevoegdverklaring van de lokale rechter ten faveure van de regionale rechter en die zowel de hogere legesheffing als de verplichte bijstand van een advocaat betreffen (zie arrest Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, EU:C:2013:800, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56

Ten derde kan de omstandigheid dat de regionale rechtbank zich mogelijk op ruime afstand van de woonplaats van de consument bevindt, volgens de Commissie een beletsel zijn voor de uitoefening van diens recht om een vordering in te stellen.

57

Onder voorbehoud van nader onderzoek door de verwijzende rechter kan uit de aan het Hof overgelegde stukken evenwel niet worden afgeleid dat het voor het goede verloop van de procedure is vereist dat de consument als verzoekende partij in alle stadia van de procedure verschijnt (zie in die zin arrest Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, EU:C:2013:800, punt 41).

58

Ten vierde moet ten slotte worden vastgesteld dat, zoals de Hongaarse regering in haar opmerkingen heeft aangegeven, het doel van § 23, lid 1, onder k), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is dat geschillen met betrekking tot oneerlijke contractsbepalingen worden behandeld door de meer ervaren regionale rechter en dat op die manier wordt gezorgd voor een uniforme handhaving en betere bescherming van de rechten van de consument.

59

Op de gestelde vragen moet dus worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale procesrechtelijke regel op grond waarvan een lokale rechter die bevoegd is te oordelen over de door een consument ingestelde vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst, niet bevoegd is kennis te nemen van de door de consument ingestelde vordering tot vaststelling van de oneerlijkheid van in die overeenkomst opgenomen bepalingen, tenzij de onbevoegdverklaring van de lokale rechter leidt tot procedurele nadelen die de uitoefening van de door het recht van de Unie aan de consument verleende rechten uiterst moeilijk maken. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dat het geval is.

Kosten

60

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale procesrechtelijke regel op grond waarvan een lokale rechter die bevoegd is te oordelen over de door een consument ingestelde vordering tot nietigverklaring van een standaardovereenkomst, niet bevoegd is kennis te nemen van de door de consument ingestelde vordering tot vaststelling van de oneerlijkheid van in die overeenkomst opgenomen bepalingen, tenzij de onbevoegdverklaring van de lokale rechter leidt tot procedurele nadelen die de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie aan de consument verleende rechten uiterst moeilijk maken. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of dat het geval is.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Top