EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014CJ0494

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 15 oktober 2015.
Europese Unie tegen Axa Belgium SA.
Verzoek van de Tribunal de première instance de Bruxelles om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ambtenaren – Ambtenarenstatuut – Artikelen 73, 78 en 85 bis – Verkeersongeval – Nationaal recht waarbij een regeling van objectieve aansprakelijkheid is ingevoerd – Subrogatie van de Europese Unie – Begrip ‚aansprakelijke derde’ – Autonoom begrip van Unierecht – Begrip dat betrekking heeft op elke persoon die krachtens nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden – Uitkeringen die niet definitief voor rekening van de Unie komen.
Zaak C-494/14.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:692

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

15 oktober 2015 ( * )

„Prejudiciële verwijzing — Ambtenaren — Ambtenarenstatuut — Artikelen 73, 78 en 85 bis — Verkeersongeval — Nationaal recht waarbij een regeling van objectieve aansprakelijkheid is ingevoerd — Subrogatie van de Europese Unie — Begrip ‚aansprakelijke derde’ — Autonoom begrip van Unierecht — Begrip dat betrekking heeft op elke persoon die krachtens nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden — Uitkeringen die niet definitief voor rekening van de Unie komen”

In zaak C‑494/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het tribunal de première instance francophone te Brussel (België) bij beslissing van 13 oktober 2014, ingekomen bij het Hof op 6 november 2014, in de procedure

Europese Unie

tegen

Axa Belgium SA,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Šváby, A. Rosas, E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Axa Belgium SA, vertegenwoordigd door J. Oosterbosch, avocate,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Vanrie, J.‑C. Halleux en C. Pochet als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. S. Bohr als gemachtigde, bijgestaan door J.‑L. Fagnart, avocat,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 73, 78 en 85 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 781/98 van de Raad van 7 april 1998 (PB L 113, blz. 4; hierna: „Statuut”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Europese Unie en AXA Belgium SA (hierna: „Axa Belgium”) over de terugbetaling van bedragen die door de Europese Commissie aan een van haar ambtenaren zijn betaald voor medische kosten, voor doorbetaling van de bezoldiging en voor het invaliditeitspensioen, na een verkeersongeval waarbij die ambtenaar en een bij Axa Belgium verzekerde persoon betrokken waren.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 1 bis, lid 1, van het Statuut bepaalt:

„De ambtenaren hebben recht op gelijke behandeling bij de toepassing van het statuut, zonder direct of indirect onderscheid ten aanzien van ras, politieke, filosofische of godsdienstige overtuiging, geslacht of seksuele geaardheid, onverminderd de specifieke statutaire bepalingen op grond waarvan een bepaalde burgerlijke staat is vereist.”

4

In artikel 73 van dat Statuut wordt bepaald:

„1.   Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het comité voor het Statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico’s. Voor de dekking van het risico van ongevallen buiten de dienst is hij verplicht ten hoogste 0,1 % van zijn basissalaris bij te dragen.

In deze regeling wordt bepaald welke risico’s niet zijn gedekt.

2.   De gewaarborgde uitkeringen zijn de navolgende:

[...]

b)

bij blijvende algehele invaliditeit:

uitkering aan de betrokkene van een kapitaal gelijk aan acht maal zijn jaarlijkse basissalaris, berekend op de grondslag van zijn maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval;

[...]”

5

Artikel 78 van voornoemd Statuut bepaalt:

„Overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op een invaliditeitsuitkering wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen.

Indien de invaliditeit het gevolg is van een ongeval tijdens of in verband met de dienst, van een beroepsziekte of van een daad van zelfopoffering in het algemeen belang of ten gevolge van het feit dat hij zijn leven heeft gewaagd om een mensenleven te redden, bedraagt het invaliditeitspensioen 70 % van het basissalaris van de ambtenaar.

[...]

Bij de berekening van het invaliditeitspensioen wordt uitgegaan van het basissalaris dat de ambtenaar in zijn rang zou hebben genoten indien hij nog in dienst zou zijn geweest op het ogenblik waarop het pensioen wordt betaald.

Het invaliditeitspensioen kan niet minder bedragen dan 120 % van het minimum voor levensonderhoud.

[...]”

6

In artikel 85 bis van datzelfde Statuut wordt bepaald:

„1.   Wanneer het overlijden, een ongeval of een ziekte van een in dit Statuut bedoelde persoon aan een derde is te wijten, treden de Gemeenschappen, voor zover er voor hen uit de schadebrengende gebeurtenis op grond van dit statuut verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van die persoon of zijn rechtverkrijgenden ten aanzien van de aansprakelijke derde.

2.   De in lid 1 bedoelde subrogatie is met name van toepassing in de volgende gevallen:

de bezoldiging die overeenkomstig artikel 59 aan de ambtenaar gedurende zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid is doorbetaald,

[...]

de uitkeringen en vergoedingen uit hoofde van de artikelen 72 en 73 en van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, betreffende de ziektekosten en ongevallenverzekering,

[...]

de uitkering van invaliditeitspensioenen op grond van een ongeval of ziekte waardoor het de ambtenaar blijvend niet mogelijk is zijn werkzaamheden te verrichten,

[...]

3.   De subrogatie van de Gemeenschappen strekt zich evenwel niet uit tot de rechten op schadeloosstelling uit hoofde van strikt persoonlijke schade zoals met name schadeloosstelling wegens immateriële schade en smartengeld, alsmede dat deel van de schade wegens esthetisch verlies en gederfde levensvreugde dat het bedrag van de eventuele vergoeding uit hoofde van artikel 73 te boven gaat.

4.   Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 kan geen beletsel vormen voor het instellen van een rechtstreekse vordering van de kant van de Gemeenschappen.”

Belgisch recht

7

Artikel 29 bis, lid 1, van de Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, van 21 november 1989 (Belgisch staatsblad van 8 december 1989, blz. 20122; hierna: „wet van 21 november 1989”) bepaalt:

„Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8

Op 28 mei 2002 raakte mevrouw Corrazzini, ambtenaar bij de Commissie, als voetganger bij een verkeersongeval waarbij de heer Kohaila, verzekerd bij Axa Belgium, betrokken was, zwaargewond. Uit het naar aanleiding van dat ongeval uitgevoerde strafonderzoek is gebleken dat Koihala niet schuldig was aan het ongeval. Deze conclusie is in het kader van de civiele procedure voor de verwijzende rechter bevestigd.

9

Op 6 november 2003, heeft de invaliditeitscommissie van de Commissie verklaard dat Corrazzini blijvend volledig invalide was en daardoor haar werkzaamheden niet langer kon verrichten, zodat zij op 3 december 2003 op pensioen werd gesteld en aan haar met ingang van 1 januari 2004 een invaliditeitspensioen werd toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut.

10

De Commissie heeft de medische kosten van Corrazzini betaald en haar bezoldiging doorbetaald vanaf 28 mei 2002 tot 1 januari 2004. Met ingang van 1 januari 2004 heeft zij aan Corrazzini een invaliditeitspensioen betaald.

11

Op 27 juni 2002 heeft de Commissie zich per brief tot Axa Belgium gewend, teneinde deze ervan in kennis te stellen dat zij was gesubrogeerd in de rechten van Corrazzini. Op 20 september 2004 heeft deze instelling aan Axa Belgium verzocht om aan haar de bedragen terug te betalen die zij ten gunste van Corrazzini had betaald.

12

Aangezien Axa Belgium die terugbetaling weigerde, op de grond dat de Commissie niet had aangetoond dat de verzekerde van Axa Belgium aansprakelijk was, heeft de Commissie een procedure ingeleid tegen Axa Belgium voor de Belgische rechterlijke instanties, waarbij zij haar verzoek met name baseerde op artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989. Bij vonnis van 6 januari 2012 heeft het tribunal de police te Brussel dat verzoek van de Commissie afgewezen. De Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, heeft van dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het tribunal de première instance francophone te Brussel (de verwijzende rechter), waarbij zij verzocht om veroordeling van Axa Belgium tot betaling van het bedrag van 392650,14 EUR, voor de medische kosten die waren betaald ten gunste van Corrazzini, voor de doorbetaling van haar bezoldiging over de periode vanaf 25 mei 2002 tot en met 31 december 2003, voor het invaliditeitspensioen over de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met augustus 2012, alsmede tot betaling van een kapitaal van 167970,03 EUR voor de betaling van invaliditeitsuitkeringen vanaf 1 september 2012.

13

Voor de verwijzende rechter betoogt Axa Belgium dat de Unie niet kan stellen rechtsgeldig te zijn gesubrogeerd in de rechten van Corrazzini, aangezien artikel 85 bis van het Statuut enkel voorziet in een subrogatoire vordering ten aanzien van de aansprakelijke derde. Volgens Axa Belgium is niet aangetoond dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af wat de exacte draagwijdte is van het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85 bis van het Statuut.

14

Bovendien is de verwijzende rechter van mening dat de terugbetaling van het door de Unie aan Corrazzini betaalde invaliditeitspensioen hoe dan ook niet kan worden geëist op basis van een subrogatoire vordering overeenkomstig artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, aangezien de Unie, wanneer zij wordt gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer, geen aanspraak kan maken op meer rechten dan die waarover het slachtoffer jegens de „aansprakelijke derde” krachtens het toepasselijke nationale recht beschikte. Het door de Unie aan Corrazzini toegekende invaliditeitspensioen is evenwel uitgesloten van de werkingssfeer van de ingevolge artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 op Axa Belgium rustende verplichting tot schadevergoeding ten gunste van Corrazzini, aangezien dat invaliditeitspensioen op grond van de nationale rechtspraak verschilt en losstaat van de door Corrazzini geleden schade.

15

De verwijzende rechter is evenwel van mening dat de terugbetaling van het door de Unie aan Corrazzini betaalde invaliditeitspensioen in beginsel kan worden gevorderd op grond van een rechtstreekse vordering krachtens artikel 85 bis, lid 4, van het Statuut. In dit verband meent de verwijzende rechter dat niets eraan in de weg staat dat de Unie, als werkgever van het slachtoffer, als „rechthebbende” in de zin van artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 wordt gekwalificeerd. Desalniettemin vraagt hij zich af of de in dat artikel gestelde voorwaarde dat de Unie persoonlijk schade moet hebben geleden, is vervuld. Dienaangaande merkt hij op dat hoewel volgens de nationale rechtspraak diegene die ingevolge een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting gehouden is een betaling te verrichten, verhaal kan uitoefenen tegen de aansprakelijke derde, deze mogelijkheid is uitgesloten met betrekking tot uitgaven of prestaties die, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, definitief voor rekening moeten blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.

16

Daarop heeft het tribunal de première instance francophone te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Dient aan de in artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut van de Europese ambtenaren opgenomen bewoordingen ‚aansprakelijke derde’ een autonome Unierechtelijke uitlegging te worden gegeven of verwijzen deze bewoordingen naar de betekenis die zij in het nationale recht hebben?

2)

Indien aan deze bewoordingen een autonome draagwijdte dient te worden gegeven, moeten zij dan aldus worden uitgelegd dat zij elke persoon omvatten aan wie het overlijden, het ongeval of de ziekte kan worden toegerekend, of moeten zij worden uitgelegd in die zin dat zij enkel betrekking hebben op de persoon die schuldaansprakelijk is?

3)

Indien het begrip ‚aansprakelijke derde’ verwijst naar het nationale recht, legt het Unierecht de nationale rechter dan de verplichting op om de door de Europese Unie ingestelde subrogatoire vordering toe te wijzen wanneer een van haar personeelsleden het slachtoffer is geworden van een verkeersongeval waarbij een voertuig is betrokken waarvan de aansprakelijkheid niet is vastgesteld, aangezien artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen voorziet in automatische schadeloosstelling van de zwakke weggebruikers door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de bij het ongeval betrokken motorrijtuigen verzekeren, zonder dat hun aansprakelijkheid dient te worden vastgesteld?

4)

Volgt uit de inhoud of de opzet van de bepalingen van het Statuut van de Europese ambtenaren dat de door de Europese Unie krachtens de artikelen 73 en 78 van dat Statuut gedane uitgaven definitief voor haar rekening moeten blijven?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

17

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85 bis van het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat het verwijst naar het nationale recht dat van toepassing is op de oorzaak van het overlijden, het ongeval of de ziekte, in de zin van die bepaling, of dat dat begrip binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd.

18

Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 85 bis van het Statuut geen wijziging brengt in de nationale regels volgens welke moet worden vastgesteld, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van deze derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de nationale rechter bij wie het slachtoffer de vordering instelt, normaliter moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan (arrest Clinique La Ramée en Winterthur, C‑397/02, EU:C:2004:502, punt 17en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19

Derhalve moet de eerste vraag niet aldus worden begrepen dat deze betrekking heeft op materiële regels volgens welke moet worden vastgesteld of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, aansprakelijk is, aangezien dergelijke regels onder het toepasselijke nationale recht vallen. Veeleer strekt deze vraag ertoe vast te stellen of het begrip „aansprakelijke derde” een element bevat dat de in artikel 85 bis van het Statuut bedoelde subrogatie beperkt aan de hand van het in het nationale recht gemaakte onderscheid tussen twee mechanismen van schadeloosstelling van slachtoffers van ongevallen – namelijk, enerzijds, het mechanisme van de aansprakelijkheid, en, anderzijds, dat van de objectieve schadevergoeding – of dat dit begrip binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd.

20

Krachtens artikel 85 bis van het Statuut wordt de Unie immers enkel gesubrogeerd in de rechten en vorderingen van het slachtoffer of diens rechtsopvolgers tegenover de „aansprakelijke derde”. Derhalve is de uitlegging van dat begrip bepalend voor de vraag of de in artikel 85 bis van het Statuut voorziene subrogatie binnen de gehele Unie een uniforme strekking heeft, dan wel of de strekking van deze bepaling afhankelijk is van de afbakening in het nationale recht van de aansprakelijkheid aan de hand van categorieën.

21

Opgemerkt zij dat volgens vaste rechtspraak van het Hof zowel de uniforme toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (arresten Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 14en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Modelo Continente Hipermercados, C‑343/13, EU:C:2015:146, punt 27en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22

In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut niet een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing naar het begrip „aansprakelijke derde” bevat.

23

Om te bepalen of dit begrip binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd, dient, gelet op de in punt 21 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, rekening te worden gehouden met de normatieve context van artikel 85 bis van het Statuut. Het Statuut strekt ertoe de rechtsverhouding tussen de Europese instellingen en hun ambtenaren te regelen, en schept een aantal wederkerige rechten en verplichtingen (zie in die zin arrest Johannes, C‑430/97, EU:C:1999:293, punt 19).

24

Overeenkomstig artikel 1 bis van het Statuut hebben ambtenaren recht op gelijke behandeling bij de toepassing van dat Statuut, hetgeen vereist dat dat Statuut binnen de gehele Unie in de regel autonoom en uniform wordt uitgelegd.

25

In deze omstandigheden moet het begrip „aansprakelijke derde”, dat de omvang bepaalt van de in artikel 85 bis van het Statuut voorziene subrogatie, worden uitgelegd op een wijze die een uniforme toepassing ervan mogelijk maakt binnen de gehele Unie.

26

Indien de subrogatie, aan de hand van de uitlegging van het begrip „aansprakelijke derde”, zou moeten afhangen van de vraag of vergelijkbare schadeloosstellingsregelingen door de verschillende nationale rechtsstelsels al dan niet worden gekwalificeerd als regelingen die verband houden met de aansprakelijkheid, zou immers een situatie van ongelijkheid kunnen ontstaan ten gunste van bepaalde ambtenaren. Terwijl de Unie wél wordt gesubrogeerd in de rechten van een ambtenaar wanneer door een nationaal rechtstelsel de verplichting van een derde ten opzichte van een ambtenaar wordt gekwalificeerd als een verplichting die verband houdt met de aansprakelijkheid van die derde, zou een dergelijke subrogatie zijn uitgesloten wanneer eenzelfde verplichting tot schadeloosstelling van een slachtoffer door een nationaal rechtsstelsel wordt gekwalificeerd als een aparte vorm van schadeloosstelling. Aldus zou er een risico bestaan dat ambtenaren in wier geval geen sprake is van subrogatie door de Unie, tweemaal schadeloos worden gesteld voor dezelfde schade, terwijl dit niet het geval zou zijn bij ambtenaren in wier rechten de Unie wél is gesubrogeerd.

27

Derhalve zou, indien de uitlegging van het begrip „aansprakelijke derde” afhankelijk zou zijn van in het nationale recht voorziene categorieën, er een risico bestaan dat de Unie in het ene nationale rechtsstelsel wél, en in het andere niet wordt gesubrogeerd in de rechten van een ambtenaar in een situatie die betrekking heeft op aansprakelijkheid, hetgeen, afhankelijk van het toepasselijke nationale recht, verschillen in het leven zou roepen bij de toepassing van het Statuut ten gunste van bepaalde ambtenaren.

28

Hieruit volgt dat het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, met het oog op het bepalen van de omvang van de hierin voorziene subrogatie, binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd.

Tweede vraag

29

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „aansprakelijke derde” in de zin van artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, enkel betrekking heeft op de derde die verplicht is tot vergoeding van de schade die door zijn schuld aan de betrokken ambtenaar is toegebracht, dan wel op elke persoon – met inbegrip van de verzekeraar – die op grond van het nationale recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden.

30

Wat om te beginnen de bewoordingen betreft van artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, dient, ter informatie, te worden opgemerkt dat hoewel de Duitse versie uitdrukkelijk verwijst naar het begrip „schuld”, door het gebruik van de bewoordingen „auf das Verschulden eines Dritten”, de Engelse versie de neutralere bewoordingen „veroorzaakt door een derde” („caused by a third party”) gebruikt. Andere taalversies, zoals de Spaanse („imputable a un tercero”), Franse („imputable à un tiers”), Italiaanse („imputabile a un terzo”), Nederlandse („aan een derde is te wijten”) en Portugese („imputável a um terceiro”), verwijzen op hun beurt naar het begrip „toerekenbaarheid”, en niet naar het begrip „schuld”.

31

Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen, noch voorrang hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in alle talen van de Europese Unie. Wanneer er tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht verschillen bestaan, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest Léger, C‑528/13, EU:C:2015:288, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Hieruit volgt dat, gelet op de in punt 29 van het onderhavige arrest geconstateerde verschillen tussen de verschillende taalversies van het Statuut, die bepaling met name moet worden uitgelegd aan de hand van de doelstelling ervan.

33

Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de in artikel 85 bis van het Statuut voorziene subrogatie tot doel heeft te voorkomen dat een ambtenaar tweemaal vergoeding ontvangt voor dezelfde schade. Indien de door de ambtenaar geleden schade voor de Unie de verplichting meebrengt hem statutaire uitkeringen te betalen, kan het risico van een dergelijke cumulatie enkel worden voorkomen wanneer de ambtenaar vanaf het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis al zijn vorderingsrechten tegenover de aansprakelijke derde verliest ten gunste van de Unie (zie in die zin arresten Royale belge, C‑333/90, EU:C:1992:94, punt 9en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, EU:C:1999:402, punt 20).

34

Dat doel kan enkel volledig worden bereikt indien de in voornoemd artikel voorziene subrogatie elke regeling van schadeloosstelling van slachtoffers van ongevallen dekt, ongeacht of deze in het betrokken nationale recht worden aangemerkt als een schuldaansprakelijkheidsregeling, dan wel als een andere vorm van verplichting tot schadeloosstelling, en dit zelfs wanneer die regeling, zoals die in het hoofdgeding, bepaalt dat een derde verplicht is om een schade – onafhankelijk van de schuldvraag – te vergoeden.

35

Derhalve moet, gelet op het doel van de in artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut voorziene subrogatie, het begrip „aansprakelijke derde” ruim worden uitgelegd en kan het niet enkel tot schuldaansprakelijkheid worden beperkt.

36

Mitsdien dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het begrip „aansprakelijke derde” in de zin van artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, ziet op elke persoon, met inbegrip van de verzekeraar, die naar nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden.

Derde vraag

37

Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag, behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

Vierde vraag

38

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat, in het kader van een rechtstreekse vordering krachtens artikel 85 bis, lid 4, van dat Statuut, de uitkeringen die de Unie verplicht is te betalen uit hoofde van, enerzijds, artikel 73 van dat Statuut, dat beoogt de risico’s van ziekte en ongevallen te dekken, en, anderzijds, artikel 78 van datzelfde Statuut, dat betrekking heeft op de betaling van een invaliditeitspensioen, definitief voor haar rekening moeten blijven.

39

Allereerst moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, aangezien het invaliditeitspensioen volgens de nationale rechtspraak geen schade vormt voor het slachtoffer van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde ongeval, dit pensioen verschilt en losstaat van de door dat slachtoffer geleden schade. De verplichting van de Unie om uit hoofde van de artikelen 73 en 78 van het Statuut uitkeringen te betalen ten gunste van het slachtoffer, zou evenwel een schade voor de Unie zelf kunnen vormen.

40

Volgens de verwijzende rechter is, overeenkomstig de nationale rechtspraak waarnaar in punt 14 van het onderhavige arrest is verwezen, een dergelijke mogelijkheid namelijk uitgesloten wanneer de betrokken uitkering krachtens de toepasselijke nationale regeling definitief voor rekening van de Unie moet blijven.

41

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de door de Unie geleden eigen schade is ontleend aan de op haar rustende verplichting om aan het slachtoffer uitkeringen te betalen uit hoofde van de artikelen 73 en 78 van het Statuut en dus, wat de Unie betreft, berust op een statutaire verplichting.

42

Aangaande de vraag of de in de artikelen 73 en 78 van het Statuut voorziene uitkeringen definitief voor rekening van de Unie moeten blijven, zij opgemerkt dat, enerzijds, artikel 85 bis, lid 4, van het Statuut uitdrukkelijk bepaalt dat de Unie niet beperkt is tot het vorderen door middel van subrogatie, overeenkomstig artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut, van de door haar ambtenaren geleden schade, doch ook een rechtstreekse vordering in kan stellen om vergoeding te verkrijgen van een eigen schade, met name in verband met uitkeringen die zij op grond van dat Statuut dient te betalen.

43

Anderzijds wil, hoewel de aard van het betrokken invaliditeitspensioen een specifiek element is dat samenhangt met de statutaire relatie tussen de Europese Unie en haar ambtenaren, de inachtneming van dat specifieke element nog niet zeggen dat de als invaliditeitspensioen betaalde uitkeringen definitief voor rekening van de Unie moeten blijven.

44

Gelet op al het voorgaande dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat het Statuut niet aldus kan worden uitgelegd dat, in het kader van een rechtstreekse vordering krachtens artikel 85 bis, lid 4, van dat Statuut, de uitkeringen die de Unie verplicht is te betalen uit hoofde van, enerzijds, artikel 73 van dat Statuut, dat beoogt de risico’s van ziekte en ongevallen te dekken, en, anderzijds, artikel 78, van datzelfde Statuut, dat betrekking heeft op de betaling van een invaliditeitspensioen, definitief voor haar rekening moeten blijven.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, zoals gewijzigd bij verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 781/98 van de Raad van 7 april 1998, moet binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform worden uitgelegd.

 

2)

Het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85 bis, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 781/98, ziet op elke persoon, met inbegrip van de verzekeraar, die naar nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden.

 

3)

Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 781/98, kan niet aldus worden uitgelegd dat, in het kader van een rechtstreekse vordering krachtens artikel 85 bis, lid 4, van dat Statuut, de uitkeringen die de Unie verplicht is te betalen uit hoofde van, enerzijds, artikel 73 van dat Statuut, dat beoogt de risico’s van ziekte en ongevallen te dekken, en, anderzijds, artikel 78, van datzelfde Statuut, dat betrekking heeft op de betaling van een invaliditeitspensioen, definitief voor haar rekening moeten blijven.

 

ondertekeningen


( * )   Procestaal: Frans.

Top