EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CJ0237

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 juli 2015.
Minister for Justice and Equality tegen Francis Lanigan.
Verzoek van de High Court (Ierland) om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 6 – Recht op vrijheid en veiligheid – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel – Verplichting om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen – Artikel 12 – Voortgezette hechtenis van de gezochte persoon – Artikel 15 – Beslissing over de overlevering – Artikel 17 – Termijnen en modaliteiten van de beslissing over de tenuitvoerlegging – Gevolgen van overschrijding van de termijnen.
Zaak C-237/15 PPU.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:474

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

16 juli 2015 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 6 — Recht op vrijheid en veiligheid — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel — Verplichting om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen — Artikel 12 — Voortgezette hechtenis van de gezochte persoon — Artikel 15 — Beslissing over de overlevering — Artikel 17 — Termijnen en modaliteiten van de beslissing over de tenuitvoerlegging — Gevolgen van overschrijding van de termijnen”

In zaak C‑237/15 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (Ierland) bij beslissing van 19 mei 2015, ingekomen bij het Hof op 22 mei 2015, in de procedure

Minister for Justice and Equality

tegen

Francis Lanigan,

wijst HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, L. Bay Larsen (rapporteur), A. Ó Caoimh, J.‑C. Bonichot, C. Vajda, S. Rodin en K. Jürimäe, kamerpresidenten, J. Malenovský, E. Levits, M. Safjan, A. Prechal en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juli 2015,

gelet op de opmerkingen van:

F. Lanigan, vertegenwoordigd door K. Kelly, BL, M. Forde, SC, en P. O’Donovan, solicitor,

Ierland, vertegenwoordigd door E. Creedon als gemachtigde, bijgestaan door R. Barron, SC, T. McGillicuddy, BL, en H. Dockry, solicitor,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door F.‑X. Bréchot als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. Langer als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Kaye als gemachtigde, bijgestaan door J. Holmes, barrister,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en W. Bogensberger als gemachtigden,

de advocaat-generaal gehoord,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 15 en 17 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Ierland van een Europees aanhoudingsbevel dat op 17 december 2012 tegen F. Lanigan werd uitgevaardigd door de Magistrates’ Courts te Dungannon (Verenigd Koninkrijk).

Toepasselijke bepalingen

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3

Onder het opschrift „Recht op vrijheid en veiligheid” bepaalt artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”):

„1.   Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

[...]

f)

in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

[...]

4.   Eenieder wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling gelast indien de detentie onrechtmatig is.

[...]”

Unierecht

4

De overwegingen 5 en 7 van het kaderbesluit luiden:

„(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en [recht].

[...]

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 [EU] en in artikel 5 [EG] neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.”

5

Artikel 1 van het kaderbesluit, met als opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”

6

In de artikelen 3, 4 en 4 bis van het kaderbesluit worden de gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vermeld.

7

Artikel 12 van het kaderbesluit, met als opschrift „Voortgezette hechtenis van de persoon”, bepaalt:

„Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.”

8

Volgens artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit „[beslist] [d]e uitvoerende rechterlijke autoriteit [...], binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene”.

9

Artikel 17 van het kaderbesluit bepaalt:

„1.   Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.

2.   Indien de gezochte persoon met zijn overlevering instemt, zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen tien dagen na deze instemming moeten worden genomen.

3.   In de andere gevallen zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen 60 dagen na de aanhouding van de gezochte persoon moeten worden genomen.

4.   Indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen de in de leden 2 en 3 bepaalde termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en met opgave van redenen. In dat geval kunnen de termijnen met 30 dagen worden verlengd.

5.   Zolang de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft genomen, verzekert zij zich ervan dat de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven.

[...]

7.   Wanneer een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de in dit artikel gestelde termijnen niet kan naleven, stelt hij Eurojust daarvan in kennis, samen met de redenen voor de vertraging. Daarenboven stelt een lidstaat waarvan de Europese aanhoudingsbevelen bij herhaling door een andere lidstaat te laat ten uitvoer zijn gelegd, de Raad daarvan in kennis met het oog op een beoordeling van de uitvoering door de lidstaten van dit kaderbesluit.”

10

Artikel 23 van het kaderbesluit luidt:

„1.   De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen.

2.   De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

3.   Indien de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn kan overleveren, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.

4.   De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.

5.   Indien de persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij in vrijheid gesteld.”

11

Artikel 26, lid 1, van het kaderbesluit luidt:

„De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.”

Iers recht

12

Section 13, subsection 5, van de European Arrest Warrant Act 2003 (wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel van 2003), zoals gewijzigd, bepaalt:

„Eenieder die op grond van een Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden, wordt zo spoedig mogelijk na zijn aanhouding voor de High Court gebracht, die zich ervan vergewist dat de betrokkene de persoon is tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, en vervolgens:

(a)

de voorlopige hechtenis of de vrijlating op borgtocht gelast (in dat verband beschikt de High Court over dezelfde bevoegdheden om de voorlopige hechtenis te gelasten als wanneer de voor haar gebrachte persoon wordt vervolgd voor een ernstig delict),

(b)

een datum vaststelt overeenkomstig section 16 (die valt binnen een termijn van 21 dagen vanaf de aanhouding van de betrokkene) [...]”

13

Section 16, subsections 9 en 10, van die wet luidt:

„(9)

Indien de High Court na het verstrijken van een termijn van 60 dagen vanaf de aanhouding van de betrokkene in de zin van section 13 of 14 geen beschikking heeft gegeven overeenkomstig subsection 1 of 2 dan wel subsection 1 of 2 van section 15, of heeft besloten om geen beschikking te geven op grond van subsection 1 of 2, verzoekt zij de centrale autoriteit van de staat om de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en, in voorkomend geval, Eurojust daarvan in kennis te stellen met opgave van de in het verzoek genoemde redenen. De centrale autoriteit van de staat voldoet aan dit verzoek.

(10)

Indien de High Court na het verstrijken van een termijn van 90 dagen vanaf de aanhouding van de betrokkene in de zin van section 13 of 14 geen beschikking heeft gegeven overeenkomstig subsection 1 of 2 dan wel subsection 1 of 2 van section 15, of heeft besloten om geen beschikking te geven op grond van subsection 1 of 2, verzoekt zij de centrale autoriteit van de staat om de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en, in voorkomend geval, Eurojust daarvan in kennis te stellen met opgave van de in het verzoek genoemde redenen. De centrale autoriteit van de staat voldoet aan dit verzoek.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14

Op 17 december 2012 heeft de Magistrates’ Courts te Dungannon een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen verweerder in het hoofdgeding in het kader van de strafrechtelijke vervolging die tegen hem was ingesteld wegens op 31 mei 1998 in het Verenigd Koninkrijk gepleegde feiten die konden worden gekwalificeerd als moord en vuurwapenbezit met het oogmerk een aanslag te plegen op andermans leven.

15

De High Court heeft dat Europees aanhoudingsbevel op 7 januari 2013 bekrachtigd om Lanigans aanhouding door de An Garda Síochána (nationale politie) mogelijk te maken.

16

Op 16 januari 2013 is Lanigan op basis van dat Europees aanhoudingsbevel aangehouden en voor de High Court geleid. Hij heeft bij die gelegenheid aan die rechterlijke instantie meegedeeld dat hij niet instemde met overlevering aan de rechterlijke autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en is opgesloten in afwachting van een beslissing over die overlevering.

17

De High Court heeft het onderzoek van Lanigans situatie aangevat op 30 juni 2014, na een reeks verdagingen die met name waren toe te schrijven aan in de verwijzingsbeslissing beschreven procesincidenten. Verweerder in het hoofdgeding heeft toen nieuwe argumenten aangevoerd die zich volgens hem verzetten tegen zijn overlevering aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk. De beoordeling van de gegrondheid van die argumenten was de voornaamste reden om die autoriteiten te verzoeken om aanvullende informatie te sturen, teneinde te beoordelen of geloof diende te worden gehecht aan Lanigans beweringen dat zijn overlevering aan die autoriteiten zijn leven in gevaar kon brengen.

18

Na ontvangst van de gevraagde informatie op 8 december 2014 heeft Lanigan op 15 december 2014 een verzoek ingediend om op borgtocht te worden vrijgelaten. De High Court heeft dat verzoek toegewezen en dus Lanigans vrijlating op borgtocht toegestaan, waarbij aan die vrijlating bepaalde voorwaarden werden verbonden. Aangezien aan die voorwaarden niet is voldaan, blijft Lanigan evenwel opgesloten.

19

Voorts heeft Lanigan ter terechtzitting van 15 december 2014 voor de High Court betoogd dat het verzoek tot overlevering moest worden afgewezen wegens overschrijding van de in het kaderbesluit gestelde termijnen.

20

Daarom heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Wat zijn de gevolgen van de niet-inachtneming van de termijnen van artikel 17 van het kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 15 van dit kaderbesluit?

2)

Doet de niet-inachtneming van de termijnen van artikel 17 van het kaderbesluit rechten ontstaan voor wie in afwachting van een besluit over zijn overlevering in hechtenis wordt gehouden gedurende een periode die deze termijnen overschrijdt?”

Spoedprocedure

21

De High Court heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bedoelde spoedprocedure.

22

De verwijzende rechter heeft ter motivering van dat verzoek beklemtoond dat verweerder in het hoofdgeding sinds 16 januari 2013 in hechtenis wordt gehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.

23

Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van het kaderbesluit, dat valt onder het derde deel, titel V, van het VWEU, dat betrekking heeft op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De verwijzing kan dus volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.

24

In de tweede plaats dient te worden vastgesteld dat Lanigan thans van zijn vrijheid is beroofd en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet.

25

Daarom heeft de Vierde kamer van het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, op 28 mei 2015 besloten om gevolg te geven aan het verzoek van de verwijzende rechter de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure en de zaak naar het Hof te verwijzen voor toewijzing aan de Grote kamer.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

26

Met zijn prejudiciële vragen, die gezamenlijk dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 12, 15, lid 1, en 17 van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in dat artikel 17 gestelde termijnen, ten eerste, beslist over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en, ten tweede, de hechtenis van de gezochte persoon handhaaft terwijl de totale duur van de periode waarin die persoon in hechtenis wordt gehouden, die termijnen overschrijdt.

27

Vooraf zij eraan herinnerd dat het kaderbesluit, zoals met name blijkt uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan, beoogt het multilaterale uitleveringsstelsel tussen lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling waarbij veroordeelde of verdachte personen met het oog op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of met het oog op vervolging worden overgeleverd tussen rechterlijke autoriteiten (arresten Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 36, en F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 34).

28

Aldus beoogt het kaderbesluit met de invoering van een nieuwe, vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daarmee bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arresten Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 37, en F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 35).

29

Dit streven om de justitiële samenwerking te bespoedigen ligt ten grondslag aan verschillende aspecten van het kaderbesluit, waaronder met name de behandeling van de termijnen voor het nemen van beslissingen over het Europees aanhoudingsbevel (arrest F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 58).

30

In dat verband zij opgemerkt dat artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit algemeen bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de overlevering van de gezochte persoon beslist „binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld”.

31

Wat met name de vaststelling van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, bepaalt artikel 17, lid 1, van het kaderbesluit dat dit aanhoudingsbevel „met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd” wordt. De leden 2 en 3 van dat artikel stellen vervolgens precieze termijnen waarbinnen de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet worden genomen, terwijl lid 4 van hetzelfde artikel het mogelijk maakt die beslissingstermijnen te verlengen.

32

Volgens de rechtspraak van het Hof moeten de artikelen 15 en 17 van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in beginsel wordt genomen binnen die termijnen, waarvan het belang overigens in meerdere bepalingen van het kaderbesluit tot uitdrukking wordt gebracht (zie in die zin arrest F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punten 62 en 64).

33

Uit het voorgaande volgt dat de uitvoerende lidstaat de in artikel 17 gestelde termijnen in acht dient te nemen. Voor de beantwoording van de prejudiciële vragen moet dus worden beoordeeld of het mogelijk blijft om, ten eerste, over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te beslissen en, ten tweede, de hechtenis van de gezochte persoon te handhaven wanneer die staat niet de verplichting is nagekomen om binnen de gestelde termijnen een definitieve beslissing te nemen over de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel.

Vaststelling van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

34

Hoewel artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit duidelijk bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit binnen de in het kaderbesluit gestelde termijnen over de overlevering van de betrokkene beslist, kan louter op basis van de bewoordingen van die bepaling niet worden vastgesteld of de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel na het verstrijken van die termijnen moet worden voortgezet en met name of de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dient te beslissen.

35

In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten Maatschap L.A. en D.A.B. Langestraat en P. Langestraat-Troost, C‑11/12, EU:C:2012:808, punt 27, en Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Wat de context van artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit betreft, is het vaste rechtspraak van het Hof dat het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de „hoeksteen” van de justitiële samenwerking vormt, krachtens artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit behelst dat de lidstaten in beginsel gehouden zijn om aan een Europees aanhoudingsbevel gevolg te geven. Zij mogen de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel immers alleen weigeren in de gevallen van niet-tenuitvoerlegging als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 4 bis van het kaderbesluit en mogen aan de tenuitvoerlegging ervan enkel de in artikel 5 van dat kaderbesluit omschreven voorwaarden verbinden (zie in die zin arresten West, C‑192/12 PPU, EU:C:2012:404, punt 55; Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 38, en F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 36).

37

Gelet op de cruciale plaats die de verplichting om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen in de bij het kaderbesluit ingevoerde regeling inneemt, en voorts op het feit dat in dat kaderbesluit nergens uitdrukkelijk wordt vermeld dat de geldigheid van die verplichting in de tijd beperkt is, kan de in artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit neergelegde regel bijgevolg niet aldus worden uitgelegd dat hij inhoudt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen niet langer over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan beslissen of dat de lidstaat niet langer verplicht is de procedure voor de tenuitvoerlegging ervan voort te zetten.

38

Die uitlegging vindt steun in de omstandigheid dat de Uniewetgever in artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de situatie waarin een lidstaat de in artikel 17 gestelde termijnen niet kan naleven, zonder dat wordt bepaald dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit dan niet langer kan beslissen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of dat de verplichting om de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voort te zetten alsdan vervalt. Artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit vermeldt overigens het geval waarin Europese aanhoudingsbevelen een of meerdere keren „te laat ten uitvoer zijn gelegd” en wijst er aldus op dat de Uniewetgever van mening was dat bij niet-inachtneming van die termijnen de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is uitgesteld en niet afgelast.

39

Afgezien daarvan zou een andere uitlegging van artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit niet in overeenstemming zijn met artikel 17, lid 5, ervan. Volgens laatstgenoemde bepaling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich er immers van vergewissen dat de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering van de gezochte persoon gehandhaafd blijven totdat een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt genomen, zonder dat de geldigheid van die verplichting in de tijd wordt beperkt en met name zonder dat wordt bepaald dat die verplichting na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen niet langer bestaat. Het voortbestaan van een dergelijke verplichting in dat geval is enkel zinvol als de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van die termijnen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dient te beslissen.

40

Bovendien zou de uitlegging van artikel 15, lid 1, van het kaderbesluit waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van die termijnen niet langer over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel hoeft te beslissen, afbreuk kunnen doen aan de met het kaderbesluit nagestreefde doelstelling de justitiële samenwerking te bespoedigen en te vereenvoudigen, aangezien die uitlegging de uitvaardigende lidstaat met name zou kunnen nopen een tweede Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen opdat een nieuwe overleveringsprocedure zou kunnen worden gevoerd met inachtneming van de in het kaderbesluit gestelde termijnen.

41

De uitlegging van de artikelen 15 en 17 van het kaderbesluit waarbij na het verstrijken van de in laatstgenoemd artikel gestelde termijnen nog over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden beslist, voorkomt dat het effect van Europese aanhoudingsbevelen wordt beperkt en dat vertragingen bij de tenuitvoerlegging de procedures compliceren, en vergemakkelijkt aldus alleen maar de overlevering van gezochte personen overeenkomstig het in artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit neergelegde beginsel van wederzijdse erkenning, dat de wezenlijke regel is die bij dit besluit is ingevoerd (zie naar analogie arresten Wolzenburg, C‑123/08, EU:C:2009:616, punt 59, en West, C‑192/12 PPU, EU:C:2012:404, punt 62). Daarenboven zou een andere uitlegging van de artikelen 15 en 17 van het kaderbesluit vertragingsmanoeuvres in de hand kunnen werken die tot doel hebben de tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen te belemmeren.

42

Gelet op een en ander kan de uitvoerende lidstaat niet louter wegens het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen worden ontslagen van zijn verplichting de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voort te zetten en over die tenuitvoerlegging te beslissen.

Voortgezette hechtenis van de gezochte persoon

43

Krachtens artikel 12 van het kaderbesluit beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of een op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Dat artikel verduidelijkt eveneens dat die persoon op elk tijdstip overeenkomstig het recht van die staat in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die staat noodzakelijk acht om de vlucht van die persoon te voorkomen.

44

Vastgesteld dient te worden dat dit artikel niet in algemene zin bepaalt dat de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon aan specifieke tijdsgrenzen is gebonden, noch met name dat dergelijke voortzetting na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen uitgesloten is.

45

Hoewel artikel 12 van het kaderbesluit aanvaardt dat de op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon onder bepaalde voorwaarden in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, bepaalt het evenmin dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen verplicht is die persoon in voorlopige vrijheid te stellen of hem zelfs zonder meer in vrijheid te stellen.

46

Dienaangaande zij beklemtoond dat geen enkele andere bepaling van het kaderbesluit dergelijke verplichtingen oplegt.

47

Meer bepaald legt artikel 17 van het kaderbesluit – anders dan artikel 23, lid 5, ervan, dat bepaalt dat de gezochte persoon in vrijheid wordt gesteld wanneer hij na het verstrijken van de termijnen voor zijn overlevering na de vaststelling van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel nog steeds in hechtenis verkeert – geen verband tussen de invrijheidstelling van die persoon en het verstrijken van de termijnen waarbinnen die beslissing moet worden genomen.

48

In dat verband zij opgemerkt dat volgens artikel 17, leden 2 en 3, van het kaderbesluit de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen de genoemde termijnen „zou [...] moeten worden genomen” en dat volgens artikel 17, lid 4, van hetzelfde kaderbesluit die termijnen „kunnen [...] worden verlengd”, terwijl artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit met meer stelligheid bepaalt dat de gezochte persoon „in vrijheid [wordt] gesteld” indien hij na het verstrijken van de in dat artikel gestelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert.

49

Aangaande dit onderscheid tussen de gevolgen die de Uniewetgever verbindt aan het verstrijken van de respectievelijk in de artikelen 17 en 23 van het kaderbesluit gestelde termijnen, kan overigens worden opgemerkt dat het voorstel van de Commissie dat heeft geleid tot de vaststelling van het kaderbesluit [COM(2001) 522 definitief] daarentegen bepaalde dat de gezochte persoon zowel na het verstrijken van de termijnen voor de vaststelling van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel als na het verstrijken van de termijnen voor de overlevering hoe dan ook in vrijheid moest worden gesteld.

50

Voorts zou een algemene en onvoorwaardelijke verplichting om de gezochte persoon in voorlopige vrijheid te stellen of hem zelfs zonder meer in vrijheid te stellen wanneer de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen zijn verstreken of wanneer de totale duur van de hechtenis die termijnen overschrijdt, de doeltreffendheid van de bij het kaderbesluit ingevoerde regeling van overlevering kunnen beperken en bijgevolg de verwezenlijking van de met dat kaderbesluit nagestreefde doelstellingen kunnen belemmeren, aangezien uit de overwegingen in de punten 34 tot en met 42 van dit arrest volgt dat de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel ook na het verstrijken van die termijnen moet worden voortgezet.

51

Ten slotte moet de uitvaardigende lidstaat ingevolge artikel 26, lid 1, van het kaderbesluit elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in die lidstaat moet worden ondergaan, zodat wordt verzekerd dat bij de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de uitvaardigende lidstaat terdege rekening wordt gehouden met elke periode van vrijheidsbeneming, zelfs wanneer die het gevolg is van een eventuele voortzetting van de hechtenis na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen.

52

Bijgevolg moet artikel 12 van het kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 17 ervan, aldus worden uitgelegd dat het er in beginsel niet aan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen de hechtenis van de gezochte persoon overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat handhaaft, zelfs wanneer de totale duur van zijn hechtenis die termijnen overschrijdt.

53

Artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat dit kaderbesluit geen afbreuk kan doen aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU en tot uitdrukking komen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Bovendien geldt die verplichting voor alle lidstaten, met name voor zowel de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat (zie in die zin arrest F., C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punten 40 en 41).

54

Artikel 12 van het kaderbesluit moet dus worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 6 van het Handvest, dat bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

55

In dat verband zij eraan herinnerd dat in artikel 52, lid 1, van het Handvest wordt erkend dat de uitoefening van rechten zoals die welke in artikel 6 van het Handvest zijn neergelegd, aan beperkingen kunnen worden onderworpen, voor zover die beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, het evenredigheidsbeginsel in acht nemen, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (zie in die zin arrest Volker und Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 50).

56

Bovendien volgt uit artikel 52, lid 3, van het Handvest dat, voor zover daarin rechten zijn opgenomen die overeenstemmen met rechten die worden gewaarborgd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door dat Verdrag aan worden toegekend. Met het oog daarop voegt artikel 53 van het Handvest hieraan toe dat geen van de bepalingen ervan mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten die met name door het EVRM worden erkend (arrest Volker und Markus Schecke en Eifert, C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 51).

57

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 5, lid 1, onder f), EVRM, dat betrekking heeft op uitleveringsprocedures, blijkt dat vrijheidsbeneming op grond van dat artikel enkel gerechtvaardigd kan zijn door het feit dat een dergelijke procedure loopt en bijgevolg niet langer gerechtvaardigd is wanneer de procedure niet met de nodige voortvarendheid wordt gevoerd (zie met name EHRM, Quinn/Frankrijk, 22 maart 1995, serie A, nr. 311, punt 48, en Gallardo Sanchez/Italië, nr. 11620/07, punt 40, EHRM-2015).

58

Aangezien de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel als zodanig niet rechtvaardigt dat de gezochte persoon in hechtenis wordt gehouden gedurende een periode waarvan de totale duur langer is dan nodig om dat bevel ten uitvoer te leggen, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus overeenkomstig artikel 6 van het Handvest alleen besluiten de hechtenis van die persoon te handhaven als de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt.

59

Teneinde zich ervan te vergewissen dat dit het geval is, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de betreffende situatie concreet toetsen, waarbij zij rekening dient te houden met alle factoren die relevant zijn om te beoordelen of de duur van de procedure gerechtvaardigd is, met name het eventuele stilzitten van de autoriteiten van de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de mate waarin de gezochte persoon aan die duur heeft bijgedragen. Ook de straf die tegen diezelfde persoon is uitgesproken of die hij kan oplopen wegens de feiten die ten grondslag lagen aan de uitvaardiging van het tegen hem gerichte Europees aanhoudingsbevel, alsook het bestaan van vluchtgevaar moeten in aanmerking worden genomen.

60

In dat verband is het eveneens relevant dat de gezochte persoon in hechtenis is gehouden gedurende een periode waarvan de totale duur de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen ruim overschrijdt, aangezien die termijnen – in het licht van met name het cruciale belang van het beginsel van wederzijdse erkenning in de bij het kaderbesluit ingevoerde regeling – in principe voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit volstaan om de controles te verrichten die aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voorafgaan en om over de tenuitvoerlegging van dat bevel te beslissen.

61

Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit na de in de punten 58 tot en met 60 vermelde controle tot de slotsom komt dat zij verplicht is een einde te maken aan de hechtenis van de gezochte persoon, dient zij hoe dan ook krachtens de artikelen 12 en 17, lid 5, van het kaderbesluit de voorlopige invrijheidstelling van die persoon vergezeld te doen gaan van de maatregelen die zij nodig acht om zijn vlucht te voorkomen, en zich ervan te vergewissen dat de materiële voorwaarden voor zijn daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven zolang geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen.

62

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen in de eerste plaats te worden geantwoord dat de artikelen 15, lid 1, en 17 van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in dat artikel 17 gestelde termijnen nog steeds over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dient te beslissen.

63

In de tweede plaats moet artikel 12 van het kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 17 ervan en in het licht van artikel 6 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het in een dergelijke situatie niet in de weg staat aan de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat, zelfs wanneer de totale duur van de hechtenis die termijnen overschrijdt, voor zover die duur niet buitensporig is in het licht van de kenmerken van de in het hoofdgeding gevolgde procedure. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit besluit een einde te maken aan de hechtenis van die persoon, dient zij zijn voorlopige invrijheidstelling vergezeld te doen gaan van de maatregelen die zij nodig acht om zijn vlucht te voorkomen, en zich ervan te vergewissen dat de materiële voorwaarden voor zijn daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven zolang geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen.

Kosten

64

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

De artikelen 15, lid 1, en 17 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in dat artikel 17 gestelde termijnen nog steeds over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dient te beslissen.

 

Artikel 12 van dat kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 17 ervan en in het licht van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het in een dergelijke situatie niet in de weg staat aan de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat, zelfs wanneer de totale duur van de hechtenis die termijnen overschrijdt, voor zover die duur niet buitensporig is in het licht van de kenmerken van de in het hoofdgeding gevolgde procedure. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit besluit een einde te maken aan de hechtenis van die persoon, dient zij zijn voorlopige invrijheidstelling vergezeld te doen gaan van de maatregelen die zij nodig acht om zijn vlucht te voorkomen, en zich ervan te vergewissen dat de materiële voorwaarden voor zijn daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven zolang geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.

Top