EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62013CJ0143

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 26 februari 2015.
Bogdan Matei en Ioana Ofelia Matei tegen SC Volksbank România SA.
Verzoek van het Tribunal Specializat Cluj om een prejudiciële beslissing.
Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument – Artikel 4, lid 2 – Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen – Uitsluiting van bedingen inzake het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of de gelijkwaardigheid van de prijs of vergoeding, voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd – Bedingen die voorzien in een ‚risicoprovisie’ voor de kredietgever en bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen.
Zaak C-143/13.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2015:127

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

26 februari 2015 ( *1 )

„Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument — Artikel 4, lid 2 — Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen — Uitsluiting van bedingen inzake het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of de gelijkwaardigheid van de prijs of vergoeding, voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd — Bedingen die voorzien in een ‚risicoprovisie’ voor de kredietgever en bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen”

In zaak C‑143/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunalul Specializat Cluj (Roemenië) bij beslissing van 26 november 2012, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2013, in de procedure

Bogdan Matei,

Ioana Ofelia Matei

tegen

SC Volksbank România SA,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan en A. Prechal (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 november 2014,

gelet op de opmerkingen van:

SC Volksbank România SA, vertegenwoordigd door D. Ciubotariu, G. Murgulescu, G. Vintilă, M. Clough, QC, en B. Papandopol, avocat,

de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R.‑H. Radu en I.‑R. Haţieganu als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Gheorghiu, M. Owsiany-Hornung en M. van Beek als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen B. en I. O. Matei (hierna samen: „kredietnemers”), enerzijds, en SC Volksbank România SA (hierna: „Volksbank”), anderzijds, over het vermeende oneerlijke karakter van bedingen in consumentenkredietovereenkomsten die voorzien in een „risicoprovisie” voor Volksbank en van bedingen die Volksbank onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3

De twaalfde, negentiende en twintigste overweging van richtlijn 93/13 bepalen:

„Overwegende [...] dat bij de huidige stand van de nationale wetgevingen slechts een gedeeltelijke harmonisatie in aanmerking komt; dat met name alleen de bedingen in overeenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld onder deze richtlijn vallen; dat het van belang is de lidstaten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het [EEG-]Verdrag in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn;

[...]

Overwegende dat in het kader van deze richtlijn de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding geen betrekking mag hebben op de bedingen waarin het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of de verhouding kwaliteit/prijs van de levering of dienst wordt omschreven; dat het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en de verhouding kwaliteit/prijs niettemin in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van andere bedingen; [...]

Overwegende dat de overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld; dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen [...]”.

4

Artikel 1, lid 1, van die richtlijn luidt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

5

Artikel 3 van die richtlijn bepaalt:

„1.   Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

[...]

3.   De bijlage bevat een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt.”

6

Artikel 4 van richtlijn 93/13 luidt:

„1.   Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.   De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

7

Artikel 5 van die richtlijn bepaalt:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. [...]”

8

Artikel 8 van die richtlijn bepaalt:

„Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder [de] richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag.”

9

De bijlage bij die richtlijn, betreffende de in artikel 3, lid 3, van die richtlijn bedoelde bedingen, bevat in punt 1 een niet-limitatieve lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In dat punt 1, onder j), worden de bedingen vermeld die tot doel of gevolg hebben „de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen”. In punt 1, onder l), worden de bedingen vermeld die tot doel of gevolg hebben „de dienstverrichter het recht te verlenen zijn prijs te verhogen, zonder dat de consument [...] het overeenkomstige recht heeft om de overeenkomst op te zeggen, indien de eindprijs te hoog is ten opzichte van de bij het sluiten van de overeenkomst bedongen prijs”.

10

Punt 2 van die bijlage ziet op de draagwijdte van punt 1, onder g), j), en l), van die bijlage. Dat punt 2, onder b), bepaalt met name dat punt 1, onder j), van die bijlage „niet in de weg staat aan bedingen waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle andere op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij(en) en deze vrij is (zijn) onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen”. Volgens punt 2, onder d), van die bijlage staat punt 1, onder l), van die bijlage „niet in de weg aan bedingen van prijsindexering, voor zover deze wettig zijn en de wijze waarop de prijs wordt aangepast hierin expliciet beschreven is”.

Richtlijn 2008/48

11

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46), legt de kredietgever een algemene verplichting op om de consument zowel in de precontractuele fase als in de kredietovereenkomst een aantal gegevens te verstrekken, waaronder het jaarlijkse kostenpercentage (hierna: „JKP”). Bijlage I bij deze richtlijn voorziet in een geharmoniseerde methode voor de berekening van het JKP.

12

Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2008/48 bepaalt:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:

a)

kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed, of gewaarborgd worden door een recht op een onroerend goed;

[...]”

13

Artikel 3 van die richtlijn bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

g)

‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;

[...]

i)

‚[JKP]’: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag [...]

[...]”

Roemeens recht

Legea nr. 193/2000

14

Legea nr. 193/2000 privind clauzele abuzive din contractele încheiate între comercianți și consumatori (wet nr. 193/2000 betreffende oneerlijke bedingen in tussen handelaars en consumenten gesloten overeenkomsten), zoals opnieuw bekendgemaakt (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 305, van 18 april 2008; hierna: „Legea nr. 193/2000”), heeft tot doel richtlijn 93/13 in nationaal recht om te zetten.

15

Artikel 1, lid 3, van Legea nr. 193/2000 luidt:

„Het is de handelaars verboden oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten op te nemen.”

16

Artikel 4 van deze wet luidt:

„1.   Een beding in een overeenkomst waarover niet rechtstreeks met de consument is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het op zich of in samenhang met andere bepalingen van de overeenkomst, in strijd met het vereiste van goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

2.   Over een beding in een overeenkomst wordt geacht niet rechtstreeks met de consument te zijn onderhandeld indien het is vastgesteld zonder de consument de mogelijkheid te bieden de aard ervan te beïnvloeden, zoals het geval is bij standaardovereenkomsten of algemene verkoopvoorwaarden die de handelaars op de markt van het betrokken product of de betrokken dienst toepassen.

3.   Het feit dat over sommige onderdelen van bedingen in een overeenkomst of over één enkel beding rechtstreeks met de consument is onderhandeld, sluit de toepassing van de bepalingen van de onderhavige wet op de rest van de overeenkomst niet uit, indien de globale beoordeling van de overeenkomst leidt tot de conclusie dat het gaat om een overeenkomst die eenzijdig door de handelaar is opgesteld. Wanneer een handelaar stelt dat een standaardbeding rechtstreeks met de consument is onderhandeld, dient hij dit te bewijzen.

4.   De lijst in de bijlage die integraal deel uitmaakt van de onderhavige wet, illustreert bij wijze van voorbeeld welke bedingen als oneerlijk worden aangemerkt.

5.   Onverminderd de bepalingen van de onderhavige wet, wordt het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst beoordeeld op basis van:

a)

de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft op het moment waarop de overeenkomst is gesloten;

b)

alle factoren die de sluiting van de overeenkomst hebben bepaald;

c)

andere bedingen van de overeenkomst of van andere overeenkomsten waarvan deze afhankelijk is.

6.   De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen begrijpelijk zijn geformuleerd.”

17

Punt 1, onder a), van de bijlage als bedoeld in artikel 4, lid 4, van Legea nr. 193/2000 neemt de punten 1, onder j), en 2, onder b), van de bijlage bij richtlijn 93/13 letterlijk over.

OUG nr. 50/2010

18

Ordonanța de Urgență a Guvernului nr. 50/2010 privind contractele de credit pentru consumatori (noodverordening van de regering nr. 50/2010 inzake consumentenkredietovereenkomsten, Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 389, van 11 juni 2010; hierna: „OUG nr. 50/2010”) heeft tot doel richtlijn 2008/48 in nationaal recht om te zetten.

19

Artikel 2, lid 1, van OUG nr. 50/2010 luidt:

„De onderhavige noodverordening is van toepassing op kredietovereenkomsten, met inbegrip van kredietovereenkomsten die door een hypotheek of een recht op een onroerend goed worden gewaarborgd, en op kredietovereenkomsten met als voorwerp de verkrijging of het behoud van eigendomsrechten op een bestaand of gepland onroerend goed, dan wel de renovatie, aanpassing, versterking, sanering, uitbreiding of opwaardering van een onroerend goed, ongeacht het totale bedrag van het krediet.”

20

Artikel 36 van OUG nr. 50/2010 luidt:

„Voor het verstrekte krediet kan de schuldeiser enkel in rekening brengen: de provisie voor onderzoek van het dossier, de provisie voor beheer van het krediet of de rekening-courant, de vergoeding in geval van vervroegde terugbetaling, de kosten betreffende verzekeringen, in voorkomend geval de boetes, alsook één enkele provisie voor de op verzoek van de consument verrichte diensten.”

21

Artikel 95 van OUG nr. 50/2010 bepaalt:

„1.   Voor lopende overeenkomsten zijn de schuldeisers verplicht, binnen een termijn van 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige noodverordening de overeenkomst in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de onderhavige noodverordening.

2.   Lopende overeenkomsten worden gewijzigd door middel van aanhangsels, binnen een termijn van 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige noodverordening.

[...]”

Legea nr. 288/2010

22

Artikel I, eerste alinea, punt 39, van Legea nr. 288/2010 pentru aprobarea OUG nr. 50/2010 privind contractele de credit pentru consumatori (wet nr. 288/2010 tot goedkeuring van OUG nr. 50/2010 inzake consumentenkredietovereenkomsten, Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 888, van 30 december 2010) bepaalt:

„Artikel 95 [van OUG nr. 50/2010] wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 95 – De onderhavige noodverordening is niet van toepassing op bij haar inwerkingtreding lopende overeenkomsten, met uitzondering van de artikelen 37 bis, 66 tot en met 69 [...], 50 tot en met 55, 56, lid 2, 57, leden 1 en 2, en 66 tot en met 71.”

23

Artikel II van Legea nr. 288/2010 bepaalt:

„1.   Aanhangsels die tot de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet zijn opgesteld en ondertekend om de overeenkomsten in overeenstemming te brengen met [OUG nr. 50/2010], sorteren gevolgen overeenkomstig de door de partijen vastgestelde contractuele bepalingen.

2.   Aanhangsels die niet zijn ondertekend door consumenten, waarvan tot de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet wordt aangenomen dat zij stilzwijgend zijn aanvaard, sorteren gevolgen overeenkomstig de bewoordingen waarin zij zijn gesteld, tenzij de consument of de kredietgever binnen 60 dagen na de inwerkingtreding van de onderhavige wet de andere partij kennisgeving van het tegendeel doet.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

24

De kredietnemers hebben met Volksbank twee kredietovereenkomsten gesloten. De eerste overeenkomst, die op 4 maart 2008 is gesloten en dient om lopende persoonlijke uitgaven te dekken, heeft betrekking op een krediet ten belope van 8000 EUR. Dat krediet, dat moet worden terugbetaald over een periode van vijf jaar, is verleend tegen een vaste jaarlijkse rente van 9 % en met een JKP van 20,49 %.

25

De tweede overeenkomst, die op 7 maart 2008 is gesloten, heeft betrekking op een krediet ten belope van 103709,18 Zwitserse frank (CHF) ter financiering van de aankoop van een onroerend goed met een hypothecaire waarborg. Dat krediet moet worden terugbetaald over een periode van 25 jaar tegen een jaarlijkse rente van 3,99 % en met een JKP van 19,55 %.

26

Artikel 3, onder d), van de bijzondere voorwaarden van die twee overeenkomsten, betreffende de variabiliteit van de rentevoet, bepaalt dat „de bank zich het recht voorbehoudt de toepasselijke rentevoet te wijzigen in geval van grote schommelingen op de geldmarkt en alsdan de nieuwe rentevoet aan de kredietnemers meedeelt. De aldus gewijzigde rentevoet is van toepassing vanaf de datum van kennisgeving ervan”.

27

Artikel 3.5 van de algemene voorwaarden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten, met als titel „risicoprovisie”, bepaalt dat de kredietnemer voor de kredietverlening de bank een over het saldo van het krediet berekende risicoprovisie verschuldigd kan zijn die hij gedurende de volledige looptijd van het krediet maandelijks betaalt.

28

Artikel 5 van de bijzondere voorwaarden van die overeenkomsten, dat eveneens „risicoprovisie” als titel heeft, bepaalt dat die provisie wordt berekend door het saldo van het krediet te vermenigvuldigen met 0,74 % voor het krediet in euro en met 0,22 % voor het krediet in Zwitserse frank. Het totale uit hoofde van die provisie verschuldigde bedrag is 1397,17 EUR voor het krediet in euro en 39 955,98 CHF voor het krediet in Zwitserse frank.

29

Na 22 juni 2010, de datum van de inwerkingtreding van OUG nr. 50/2010, heeft Volksbank stappen ondernomen om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten in overeenstemming te brengen met die noodverordening. Zo heeft die bank voorgesteld om in ontwerpaanhangsels van die kredietovereenkomsten de benaming van de bedingen inzake de „risicoprovisie” te vervangen door „provisie voor beheer van het krediet”, aangezien het krachtens artikel 36 van die noodverordening uitdrukkelijk is toegestaan om die provisie te ontvangen, zonder echter de inhoud van die bedingen te wijzigen. De kredietnemers hebben zich tegen dat voorstel verzet en dus geweigerd om die aanhangsels te ondertekenen.

30

Omdat de kredietnemers van mening waren dat bepaalde bedingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten, waaronder de bedingen inzake de variabiliteit van de rentevoet en de bedingen inzake de „risicoprovisie”, oneerlijk waren in de zin van artikel 4 van Legea nr. 193/2000, hebben zij, na zich tot de Nationale autoriteit voor consumentenbescherming te hebben gewend, die geen gevolg heeft gegeven aan hun verzoek, de Judecătoria Cluj-Napoca (districtsrechtbank te Cluj-Napoca) verzocht vast te stellen dat de betrokken bedingen oneerlijk en derhalve nietig waren.

31

Bij vonnis van 12 december 2011 heeft die rechter het beroep van de kredietnemers gedeeltelijk toegewezen.

32

Die rechter heeft geoordeeld dat bepaalde bedingen oneerlijk zijn en derhalve als nietig moeten worden beschouwd. Dat is volgens die rechter het geval voor het beding inzake de variabiliteit van de rentevoet, aangezien het begrip „grote schommelingen op de geldmarkt”, doordat het te vaag is, de bank de mogelijkheid biedt om de rentevoet op discretionaire wijze te wijzigen.

33

Die rechter heeft daarentegen geoordeeld dat de bedingen inzake de „risicoprovisie” en het voorstel voor een beding inzake de „provisie voor beheer van het krediet” niet als oneerlijk konden worden aangemerkt, met name omdat het niet aan hem stond om het concrete door de bank gedragen risico of de doeltreffendheid van de contractuele garanties te beoordelen.

34

Het Tribunalul Specializat Cluj, waarbij zowel de kredietnemers als Volksbank hogere voorziening hebben ingesteld tegen dat vonnis, wijst erop dat het Hof zich weliswaar nog niet heeft uitgesproken over de vraag of contractuele bedingen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bedingen inzake de „risicoprovisie” deel uitmaken van het „eigenlijke voorwerp” en/of de „prijs” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, maar dat bepaalde Roemeense rechterlijke instanties reeds hebben geoordeeld dat dergelijke bedingen niet onder die begrippen vallen in de zin van artikel 4, lid 6, van Legea nr. 193/2000. Dit laatste artikel is identiek aan artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, zodat die bedingen niet vallen onder de uitsluiting van de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen.

35

Die rechterlijke instanties hebben geoordeeld dat die uitsluiting niet voor dergelijke bedingen geldt, met name omdat de kredietgever geen dienst verricht als tegenprestatie op grond waarvan de ontvangst van die provisie gerechtvaardigd is en voorts omdat die bedingen onvoldoende duidelijk zijn.

36

Daarom heeft het Tribunalul Specializat Cluj de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Kunnen de begrippen ‚eigenlijk voorwerp’ en/of ‚prijs’ in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, gelet op het feit dat volgens deze bepaling de beoordeling of bedingen oneerlijk zijn betrekking mag hebben noch op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, en aangezien overeenkomstig artikel 2, lid [2], onder a), van richtlijn 2008/48, de in artikel 3, onder g), van deze richtlijn vervatte definitie van de totale kosten van het krediet voor de consument, die alle commissielonen en provisies omvatten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen, niet van toepassing is om het voorwerp van een door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst te bepalen, aldus worden uitgelegd dat, van de elementen die de aan de kredietinstelling verschuldigde tegenprestatie vormen, ook het [JKP] van die door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst, dat met name bestaat uit de vaste of variabele rentevoet, de bankprovisies en de andere in de kredietovereenkomst opgenomen en bepaalde kosten, onder deze begrippen (eigenlijk voorwerp en prijs van een door een hypotheek gewaarborgde kredietovereenkomst) valt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

Ontvankelijkheid

37

Volksbank voert aan dat het geschil tussen partijen in het hoofdgeding is beslecht omdat een dading met de kredietnemers is gesloten. Aangezien bij de verwijzende rechter geen geding meer aanhangig is, hoeft de prejudiciële vraag niet meer te worden beantwoord en moet het Hof volgens artikel 100, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering vaststellen dat de voorwaarden voor zijn bevoegdheid niet langer vervuld zijn.

38

Volgens de rechtspraak van het Hof oordeelt het Hof, zo het vaststelt dat bij de verwijzende rechter niet langer daadwerkelijk een geding aanhangig is, zodat een antwoord op de prejudiciële vraag voor die rechter helemaal geen nut heeft voor de beslechting van een geding, dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op het verzoek om een prejudiciële beslissing (zie in die zin met name arresten Djabali, C‑314/96, EU:C:1998:104, punten 16, 21 en 22, en García Blanco, C‑225/02, EU:C:2005:34, punten 23 en 29‑31, en beschikking Mohammad Imran, C‑155/11 PPU, EU:C:2011:387, punten 14 en 19‑21).

39

In casu zij opgemerkt dat de verwijzende rechter bij brief van 14 februari 2014 het Hof heeft meegedeeld dat een dading was gesloten tussen Volksbank en de kredietnemers.

40

In diezelfde brief heeft die rechter echter erop gewezen dat hij die overeenkomst buiten beschouwing heeft gelaten in zijn verzoek om een antwoord op de vraag of de contractuele bedingen inzake de door Volksbank ontvangen „risicoprovisie” mogelijk oneerlijk zijn, aangezien de partijen over deze vraag, die de openbare orde aanbelangt, niet tot een vergelijk mogen komen en een antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag bijgevolg voor die rechter van doorslaggevend belang bleef voor de beslechting van het hoofdgeding.

41

Bijgevolg kan overeenkomstig het beginsel dat is neergelegd in de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet worden vastgesteld dat bij de verwijzende rechter niet langer daadwerkelijk een geding aanhangig is. Uit de aanwijzingen van die rechter blijkt daarentegen uitdrukkelijk dat een antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag niet alleen nuttig, maar ook doorslaggevend blijft voor de beslechting van het hoofdgeding.

42

Derhalve moet de door Volksbank opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen en moet op het verzoek om een prejudiciële beslissing uitspraak worden gedaan.

Ten gronde

43

Vooraf moet de strekking van de prejudiciële vraag worden vastgesteld.

44

Volgens de bewoordingen van die vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de begrippen „eigenlijk voorwerp” en/of „prijs” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus kunnen worden uitgelegd dat, van de elementen die de aan de kredietinstelling verschuldigde tegenprestatie vormen, het JKP van de kredietovereenkomst, dat met name bestaat uit de vaste of variabele rentevoet, de bankprovisies en de andere in die overeenkomst opgenomen en bepaalde kosten, onder deze begrippen valt.

45

Uit de formulering van die vraag blijkt bovendien dat de verwijzende rechter vraagt of de begrippen „eigenlijk voorwerp” en/of „prijs” mede zien op alle bedingen van een door een hypotheek gedekte consumentenkredietovereenkomst die een door de consument aan de kredietgever verschuldigde tegenprestatie inhouden en die onder het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” als omschreven in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 en derhalve onder het JKP vallen.

46

Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing volgt dat het hoofdgeding, zoals dat thans in hogere voorziening bij de verwijzende rechter aanhangig is, betrekking heeft op hoogstens twee soorten bedingen inzake de door de consument aan de kredietgever verschuldigde tegenprestatie die zijn opgenomen in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten, te weten bedingen die voorzien in een „risicoprovisie” voor de kredietgever en bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet te wijzigen. In dat geding rijst de vraag of die bedingen binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 6, van Legea nr. 193/2000 vallen, dat tot doel heeft artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 in Roemeens recht om te zetten.

47

Voorts kan de precieze draagwijdte van de begrippen „eigenlijk voorwerp” en „prijs” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 niet aan de hand van het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 worden vastgesteld.

48

Dat laatste begrip is immers bijzonder ruim gedefinieerd, zodat het totaal van alle kosten ten laste van de consument betreffende betalingen door die consument aan zowel de kredietgever als derden duidelijk wordt vermeld in de consumentenkredietovereenkomsten, aangezien een dergelijke procedurele verplichting bijdraagt tot de verwezenlijking van de door die richtlijn nagestreefde hoofddoelstelling van transparantie.

49

Aangezien artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 een uitzondering vormt op de inhoudelijke toetsing van oneerlijke bedingen waarin de door die richtlijn ingevoerde consumentenbeschermingsregeling voorziet, moet die bepaling daarentegen strikt worden uitgelegd (arrest Kásler en Káslerné Rábai, C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 42).

50

Voorts moeten de begrippen „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 normaliter in de gehele Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van deze bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punten 37 en 38).

51

Overigens heeft het Hof in zijn rechtspraak voor de uitlegging van die begrippen criteria vastgesteld die precies rekening houden met het eigen doel van richtlijn 93/13, te weten de lidstaten verplichten te voorzien in een mechanisme dat verzekert dat het eventueel oneerlijke karakter van contractuele bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kan worden getoetst met het oog op de bescherming die aan de consument moet worden verleend omdat hij zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan laatstgenoemde beschikt (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punten 39 en 40).

52

Derhalve dient ervan te worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat onder de begrippen „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” mede ziet op soorten bedingen in kredietovereenkomsten tussen verkopers en consumenten als in het hoofdgeding, zijnde bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen en bedingen die voorzien in een „risicoprovisie” voor die kredietgever.

53

In dat verband staat het weliswaar uitsluitend aan de verwijzende rechter om zich gelet op de omstandigheden van het betrokken geval uit te spreken over de kwalificatie van die bedingen, maar het Hof is bevoegd om op basis van de bepalingen van richtlijn 93/13, in casu artikel 4, lid 2, de criteria aan te duiden die de nationale rechter kan of moet toepassen wanneer hij de contractuele bedingen aan deze bepalingen toetst (arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 45).

54

Het Hof heeft geoordeeld dat contractuele bedingen die onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen, die bedingen zijn welke de kern van de prestaties van die overeenkomst bepalen en als dusdanig die overeenkomst kenmerken. Bedingen die een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen, kunnen daarentegen niet onder het begrip „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” vallen. Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken leningsovereenkomst, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan, te beoordelen of het betrokken beding een wezenlijk onderdeel is van de prestatie van de kredietnemer, te weten de terugbetaling van het door de kredietgever geleende bedrag (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punten 49‑51).

55

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 volgt dat de tweede categorie bedingen waarvan het eventueel oneerlijke karakter niet mag worden beoordeeld, een beperkte toepassing heeft, aangezien zij enkel de gelijkwaardigheid betreft van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten. Die uitsluiting valt te verklaren door het feit dat er geen tabellen of juridische criteria bestaan die de toetsing van die gelijkwaardigheid kunnen omlijnen en sturen (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punten 54 en 55).

56

Bedingen inzake de door de consument aan de kredietgever verschuldigde tegenprestatie of bedingen die een invloed hebben op de werkelijke prijs die door de consument aan de kredietgever moet worden betaald, behoren dus in beginsel niet tot die tweede categorie bedingen, behalve met betrekking tot de vraag naar de gelijkwaardigheid van enerzijds het in de overeenkomst vastgelegde bedrag van de tegenprestatie of de prijs en anderzijds de door de kredietgever als tegenprestatie verrichte dienst.

57

Aangaande in het bijzonder de kwalificatie, aan de hand van de in de punten 54 tot en met 56 van het onderhavige arrest aangehaalde criteria, van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele bedingen voor de toepassing van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 en in de eerste plaats van de bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen, lijken verschillende gegevens erop te wijzen dat die bedingen niet onder de in die bepaling vervatte uitsluiting vallen.

58

Allereerst zij immers eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een soortgelijk beding inzake een aanpassingsmechanisme van de kosten van de aan de consument te verstrekken diensten niet onder artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 valt (arrest Invitel, C‑472/10, EU:C:2012:242, punt 23).

59

Vervolgens moet worden vastgesteld dat bedingen die de kredietgever machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen, uitdrukkelijk worden vermeld in punt 1, onder j), van de bijlage bij richtlijn 93/13, dat overeenkomstig artikel 3, lid 3, van die richtlijn een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen bevat die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Punt 2, onder b), van die bijlage stelt de voorwaarden vast waaronder dat punt 1, onder j), niet in de weg staat aan dergelijke bedingen.

60

Gelet op het met de bijlage bij richtlijn 93/13 nagestreefde doel, namelijk een „grijze lijst” opstellen van bedingen die als oneerlijk kunnen worden beschouwd, zou het grotendeels zinloos zijn om in die bijlage bedingen op te nemen als die welke de kredietgever machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen indien de beoordeling van het eventueel oneerlijke karakter van die bedingen a priori was uitgesloten op grond van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

61

Hetzelfde geldt voor de toepasselijke Roemeense wettelijke regeling, met name artikel 4, lid 4, van Legea nr. 193/2000, dat tot doel heeft artikel 3, lid 3, van richtlijn 93/13 en de in die bepaling bedoelde bijlage in nationaal recht om te zetten door middel van een mechanisme dat erin bestaat een „zwarte lijst” van bedingen op te stellen die als oneerlijk moeten worden aangemerkt. Overigens valt een dergelijk mechanisme onder de strengere bepalingen die de lidstaten op grond van artikel 8 van richtlijn 93/13 ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument op het onder die richtlijn vallende gebied met eerbiediging van het Unierecht kunnen aannemen of handhaven.

62

Bovendien kan een andere aanwijzing voor het aanvullende karakter van die bedingen de omstandigheid zijn dat die bedingen blijkbaar niet kunnen worden losgemaakt van het rentebeding, dat deel kan uitmaken van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, aangezien zij in hoofdzaak een aanpassingsmechanisme bevatten op grond waarvan de kredietgever dat rentebeding mag wijzigen.

63

Ten slotte lijken die bedingen ook buiten de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 te vallen, aangezien, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, uit het dossier waarover het Hof beschikt, lijkt te kunnen worden opgemaakt dat het oneerlijke karakter van die bedingen niet wegens een vermeende ongelijkwaardigheid tussen het percentage van de gewijzigde rentevoet en een of andere tegenprestatie voor die wijziging is aangevoerd, maar wel wegens de voorwaarden en criteria voor die wijziging door de kredietgever, in het bijzonder de reden dat er „grote schommelingen op de geldmarkt” zijn.

64

Aangaande in de tweede plaats bedingen als in het hoofdgeding, die voorzien in een „risicoprovisie” voor de kredietgever, kunnen dergelijke bedingen op grond van verschillende gegevens worden geacht niet tot een van de twee categorieën uitsluitingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 te behoren.

65

Allereerst rijst de vraag of dergelijke bedingen onder de in dat artikel 4, lid 2, bedoelde uitsluiting kunnen vallen, aangezien ervan wordt uitgegaan – hetgeen de verwijzende rechter, zoals reeds gezegd in punt 54 van het onderhavige arrest, dient na te gaan – dat zij deel uitmaken van de contractuele bedingen waarin het „eigenlijke voorwerp” van de overeenkomst wordt omschreven.

66

Derhalve staat het aan die rechter om na te gaan of die bedingen, gelet op de overwegingen in dat punt 54, een van de belangrijkste prestaties bepalen waarin wordt voorzien door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten, dan wel eerder een aanvulling zijn op de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen.

67

Bij die beoordeling moet die rechter met name rekening houden met het voornaamste doel van de „risicoprovisie”, te weten de terugbetaling van de lening waarborgen. Die terugbetaling vormt kennelijk een fundamentele verplichting die op de consument rust als tegenprestatie voor de hem verstrekte lening.

68

Gelet op de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstelling van consumentenbescherming, die als leidraad moet dienen bij de uitlegging van richtlijn 93/13, is het enkele feit dat de „risicoprovisie” kan worden geacht een relatief groot deel van het JKP en dus van de inkomsten van de kredietgever uit de betrokken kredietovereenkomsten te vormen, in beginsel irrelevant voor de beoordeling of in de contractuele bedingen die in die provisie voorzien, het „eigenlijke voorwerp” van de overeenkomst wordt omschreven.

69

Voorts staat het ook aan de verwijzende rechter om na te gaan of bedingen als in het hoofdgeding, die voorzien in een „risicoprovisie” voor de kredietgever, onder de tweede categorie uitsluitingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 kunnen vallen. Bepaalde gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, lijken er eerder op te wijzen dat dit niet het geval is.

70

Nog steeds onder voorbehoud van verificatie door die rechter, lijken bepaalde van die gegevens immers erop te wijzen dat het hoofdgeding niet over de gelijkwaardigheid tussen het bedrag van die provisie en een of andere door de kredietgever verrichte prestatie gaat, aangezien wordt betoogd dat de kredietgever niet werkelijk een dienst verricht die de tegenprestatie voor die provisie kan vormen, zodat de vraag naar de gelijkwaardigheid van die provisie niet kan rijzen (zie naar analogie arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 58).

71

De gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, lijken er daarentegen op te wijzen dat in het hoofgeding de vraag centraal staat op welke gronden de betrokken bedingen gerechtvaardigd zijn, en in het bijzonder of die bedingen als oneerlijk in de zin van artikel 3 van richtlijn 93/13 moeten worden aangemerkt doordat de consument volgens die bedingen een aanzienlijke provisie moet betalen om de terugbetaling van de lening te waarborgen, terwijl wordt gesteld dat dit risico reeds is gedekt door een hypotheek en de bank in ruil voor die provisie niet daadwerkelijk een dienst ten behoeve, en uitsluitend in het belang, van de consument verricht.

72

Ten slotte moet ervan worden uitgegaan dat indien de verwijzende rechter op grond van de door het Hof in antwoord op de prejudiciële vraag verstrekte gegevens tot de conclusie zou komen dat de betrokken bedingen niettemin tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst behoren of in feite worden bestreden om redenen die verband houden met de gelijkwaardigheid van de prijs of de vergoeding, dit niet wegneemt dat in ieder geval moet worden beoordeeld of die bedingen eventueel oneerlijk zijn indien zou worden vastgesteld dat zij niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, hetgeen de verwijzende rechter ook dient na te gaan (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 61).

73

In dat verband zij eraan herinnerd dat het feit dat contractuele bedingen formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, niet volstaat om te voldoen aan het vereiste van transparantie van die bedingen dat is neergelegd in de artikelen 4, lid 2, en 5 van richtlijn 93/13, die overigens formeel en grammaticaal dezelfde draagwijdte hebben (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punten 69 en 71).

74

Met name uit de artikelen 3 en 5 van richtlijn 93/13 en de punten 1, onder j) en l), en 2, onder b) en d), van de bijlage bij die richtlijn volgt dat het met het oog op de naleving van het vereiste van transparantie van wezenlijk belang is te weten of in de leningsovereenkomst de reden voor en de bijzonderheden van het aanpassingsmechanisme van de rente en de verhouding tussen dat beding en andere bedingen inzake de vergoeding van de kredietgever, transparant zijn gespecificeerd, zodat een geïnformeerde consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan voorzien (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 73).

75

Die vraag moet door de verwijzende rechter worden onderzocht op basis van alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de reclame en informatie die door de kredietgever in het kader van de onderhandeling van een leningsovereenkomst worden verstrekt, en rekening houdend met het aandachtsniveau dat mag worden verwacht van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (zie in die zin arrest Kásler en Káslerné Rábai, EU:C:2014:282, punt 74).

76

Aangaande de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele bedingen en in de eerste plaats de bedingen die de kredietgever machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen, moet worden onderzocht of de verhogingen van die rentevoet die de kredietgever kan doorvoeren op grond van het, op het eerste gezicht weinig transparante, criterium van „grote schommelingen op de geldmarkt” voor de consument voorspelbaar zijn, ook al is deze laatste uitdrukking op zich grammaticaal duidelijk en begrijpelijk.

77

Aangaande in de tweede plaats de bedingen die voorzien in de „risicoprovisie”, rijst de vraag of in de betrokken leningsovereenkomst op transparante wijze is uiteengezet wat de reden is voor de vergoeding die met die provisie overeenstemt, aangezien wordt betwist dat de kredietgever verplicht is om werkelijk een tegenprestatie te verrichten om die provisie te verkrijgen, afgezien van het feit dat hij het risico van niet-terugbetaling draagt, waarvan wordt beweerd dat het reeds wordt gedekt door een hypotheek. Het gebrek aan transparantie bij de vermelding in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten van de redenen voor die bedingen lijkt overigens te worden bevestigd door het in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte feit dat de kredietgever in casu de kredietnemers heeft voorgesteld om de benaming van die bedingen te vervangen door „provisie voor beheer van het krediet”, zonder echter de inhoud van die bedingen te wijzigen.

78

Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding de begrippen „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” in beginsel niet zien op soorten bedingen in kredietovereenkomsten tussen verkopers en consumenten als in het hoofgeding, zijnde bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen en bedingen die voorzien in een „risicoprovisie” voor die kredietgever. Het staat echter aan de verwijzende rechter om de juistheid van die kwalificatie van die contractuele bedingen te onderzoeken rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten, alsmede met de juridische en feitelijke context van die bedingen.

Kosten

79

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding de begrippen „eigenlijk voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” in beginsel niet zien op soorten bedingen in kredietovereenkomsten tussen verkopers en consumenten als in het hoofdgeding, namelijk bedingen die de kredietgever onder bepaalde voorwaarden machtigen de rentevoet eenzijdig te wijzigen en bedingen die voorzien in een „risicoprovisie” voor die kredietgever. Het staat echter aan de verwijzende rechter om de juistheid van die kwalificatie van die contractuele bedingen te onderzoeken rekening houdend met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de betrokken overeenkomsten, alsmede met de juridische en feitelijke context van die bedingen.

 

ondertekeningen


( *1 ) * Procestaal: Roemeens.

Top