EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61999CJ0203

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 10 mei 2001.
Henning Veedfald tegen Århus Amtskommune.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Højesteret - Denemarken.
Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Uitsluiting van aansprakelijkheid - Voorwaarden.
Zaak C-203/99.

European Court Reports 2001 I-03569

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2001:258

61999J0203

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 10 mei 2001. - Henning Veedfald tegen Århus Amtskommune. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Højesteret - Denemarken. - Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Uitsluiting van aansprakelijkheid - Voorwaarden. - Zaak C-203/99.

Jurisprudentie 2001 bladzijde I-03569


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1. Harmonisatie van wetgevingen Aansprakelijkheid voor producten met gebreken Richtlijn 85/374 Uitsluiting van aansprakelijkheid Voorwaarde Niet in verkeer brengen Gebruik van product bij medische dienstverrichting

(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 7, sub a)

2. Harmonisatie van wetgevingen Aansprakelijkheid voor producten met gebreken Richtlijn 85/374 Uitsluiting van aansprakelijkheid Voorwaarde Activiteit zonder economisch doel of niet verricht in kader van beroepsuitoefening Product vervaardigd en gebruikt in kader van medische dienstverrichting gefinancierd met openbare middelen

(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 7, sub c)

3. Harmonisatie van wetgevingen Aansprakelijkheid voor producten met gebreken Richtlijn 85/374 In aanmerking te nemen schade Materiële schade

(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 9)

4. Harmonisatie van wetgevingen Aansprakelijkheid voor producten met gebreken Richtlijn 85/374 In aanmerking te nemen schade Verplichting voor nationale rechter om categorie van geleden schade te bepalen

(Richtlijn 85/374 van de Raad, art. 9)

Samenvatting


1. Artikel 7, sub a, van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, volgens hetwelk de producent aansprakelijk is, tenzij hij bewijst dat hij het product niet in het verkeer heeft gebracht, moet aldus worden uitgelegd, dat een gebrekkig product in het verkeer is gebracht wanneer het wordt gebruikt bij een bepaalde medische dienstverrichting om een menselijk orgaan voor te bereiden voor transplantatie, en het orgaan bij die voorbereiding wordt beschadigd.

( cf. punt 18, dictum 1 )

2. Artikel 7, sub c, van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, moet aldus worden uitgelegd dat de uitsluiting van aansprakelijkheid op grond dat de betrokken activiteit geen economisch doel heeft of niet is verricht in het kader van de beroepsuitoefening, niet geldt voor een gebrekkig product dat is vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting die volledig met openbare middelen wordt gefinancierd, zonder financiële bijdrage van de patiënt.

( cf. punt 22, dictum 2 )

3. Artikel 9 van richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, moet aldus worden uitgelegd dat, met uitzondering van onstoffelijke schade waarvan de vergoeding uitsluitend afhangt van de bepalingen van het nationale recht, en van de uitsluitingen die in geval van beschadiging van een zaak voortvloeien uit de preciseringen in die bepaling, een lidstaat geen beperkingen kan stellen aan de te vergoeden categorieën van stoffelijke schade ten gevolge van dood of lichamelijk letsel dan wel beschadiging of vernietiging van een zaak.

( cf. punt 29, dictum 3 )

4. Ingevolge richtlijn 85/374 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, moet de nationale rechter nagaan in welke categorie de omstandigheden van de zaak moeten worden ondergebracht, namelijk of het gaat om schade als bedoeld in artikel 9, eerste alinea, sub a, of in artikel 9, eerste alinea, sub b, van richtlijn 85/374, dan wel of het om onstoffelijke schade gaat waarvoor eventueel het nationale recht geldt. Hij kan krachtens de richtlijn echter niet elke vergoeding weigeren op grond dat, hoewel aan de andere aansprakelijkheidsvoorwaarden is voldaan, de geleden schade niet in een der hierboven bedoelde categorieën zou kunnen worden ondergebracht.

( cf. punt 33, dictum 4 )

Partijen


In zaak C-203/99,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Højesteret (Denemarken), in het aldaar aanhangige geding tussen

Henning Veedfald

en

Århus Amtskommune,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 7, sub a en c, en 9, sub a en b, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, M. Wathelet, D. A. O. Edward, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

H. Veedfald, vertegenwoordigd door T. Rørdam, advokat,

Århus Amtskommune, vertegenwoordigd door J. Andersen-Møller, advokat,

de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Molde als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en R. Loosli-Surrans als gemachtigden,

de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. A. Buckley als gemachtigde, bijgestaan door D. Barniville, BL,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Magrill als gemachtigde, bijgestaan door M. Hoskins, barrister,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia en H. Støvlbæk als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van H. Veedfald, vertegenwoordigd door K. Andreasen, advokat; de Århus Amtskommune; de Franse regering; de Ierse regering en de Commissie ter terechtzitting van 16 november 2000,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2000,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 21 mei 1999, ingekomen bij het Hof op 26 mei daaraanvolgend, heeft het Højesteret krachtens artikel 234 EG vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7, sub a en c, en 9, sub a en b, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29; hierna: richtlijn").

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen H. Veedfald en de Århus Amtskommune (district Århus; hierna: Amtskommune") met betrekking tot de afwijzing door de Amtskommune van Veedfalds schadevordering, die is ingesteld na een mislukte poging tot niertransplantatie in een ziekenhuis van de Amtskommune.

Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht

3 Volgens artikel 1 van de richtlijn is de producent aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door een gebrek in zijn product. In artikel 7 van de richtlijn zijn een aantal gevallen opgenomen waarin deze aansprakelijkheid niet geldt:

De producent is uit hoofde van deze richtlijn aansprakelijk, tenzij hij bewijst:

a) dat hij het product niet in het verkeer heeft gebracht;

[...]

c) dat het product noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met een economisch doel van de producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in het kader van de uitoefening van zijn beroep;

[...]"

4 Artikel 9 van de richtlijn bepaalt:

Onder ,schade in de zin van artikel 1 wordt verstaan:

a) de schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel;

b) beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise ten belope van 500 [euro], indien deze zaak:

i) gewoonlijk [bestemd] is voor ge- of verbruik in de privésfeer,

en

ii) door de gelaedeerde hoofdzakelijk is gebruikt voor ge- of verbruik in de privésfeer.

Dit artikel laat de nationale bepalingen inzake onstoffelijke schade onverlet."

Toepasselijke nationale voorschriften

5 De richtlijn is in Deens recht omgezet bij wet nr. 371 om produktansvar (productaansprakelijkheidswet) van 7 juni 1989. § 2 daarvan luidt:

1. Deze wet regelt de vergoeding van schade veroorzaakt door lichamelijk letsel of door verlies van kostwinnerschap. Voorts regelt deze wet de vergoeding voor beschadiging van een zaak in de in lid 2 genoemde gevallen.

2. Beschadiging van een zaak valt binnen de werkingssfeer van de wet, wanneer het betrokken voorwerp naar zijn aard gewoonlijk bestemd is voor niet-beroepsmatig gebruik en door de gelaedeerde hoofdzakelijk dienovereenkomstig is gebruikt. De wet geldt niet voor de schade aan het gebrekkige product zelf."

6 § 7 van wet nr. 371 luidt:

De producent is aansprakelijk, tenzij hij bewijst:

1) dat hij het product niet in het verkeer heeft gebracht;

2) dat het product niet door hem is vervaardigd, bereid, ingezameld of verspreid in het kader van de uitoefening van zijn beroep;

[...]"

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

7 Blijkens de verwijzingsbeschikking diende Veedfald op 21 november 1990 in het ziekenhuis van Skejby een niertransplantatie te ondergaan. Nadat de nier bij de donor, in casu Veedfalds broer, was verwijderd, werd zij met het oog op de transplantatie gespoeld met een daarvoor bestemde infusievloeistof.

8 De vloeistof vertoonde gebreken, zodat een van de bloedvaten van de nier bij de spoeling verstopt raakte en de nier ongeschikt werd voor transplantatie. De spoelvloeistof is bereid in de laboratoria van de apotheek van een ander ziekenhuis, het Århus Kommunehospital (gemeentelijk ziekenhuis van Århus), om in het ziekenhuis van Skejby te worden gebruikt. Eigenaar en beheerder van beide ziekenhuizen is de Amtskommune.

9 Met een beroep op wet nr. 371 vordert Veedfald schadevergoeding van de Amtskommune. Deze wijst elke aansprakelijkheid af en voert aan, dat zij het product niet in het verkeer heeft gebracht en dat het product evenmin met een economisch doel is vervaardigd, aangezien beide ziekenhuizen volledig met openbare middelen worden bekostigd. Het beroep van Veedfald bij het Vestre Landsret (Denemarken) tegen deze beslissing tot weigering van schadevergoeding is bij vonnis van 29 september 1997 verworpen. Veedfald heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Højesteret.

10 Het Højesteret twijfelt over de uitlegging van het nationale recht tegen de achtergrond van de bepalingen van de richtlijn, en heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

1) Moet artikel 7, sub a, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 aldus worden uitgelegd, dat een gebrekkig product niet in het verkeer is gebracht, wanneer de producent het product in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting vervaardigt en gebruikt om een menselijk orgaan dat op het tijdstip van het intreden van de schade bij de donor is weggenomen, voor te bereiden voor transplantatie in het lichaam van de ontvanger, en het orgaan bij die voorbereiding wordt beschadigd?

2) Moet artikel 7, sub c, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 aldus worden uitgelegd, dat een openbaar ziekenhuis krachtens de richtlijn niet aansprakelijk is voor producten die door dat ziekenhuis worden vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde, met openbare middelen gefinancierde dienstverrichting van de producent ten behoeve van de gelaedeerde, zonder financiële bijdrage van deze laatste?

3) Stelt het gemeenschapsrecht eisen aan de afbakening door de lidstaten van de uitdrukkingen ,schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel en ,beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product in artikel 9 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985, of kan elke lidstaat vrij bepalen wat onder die twee uitdrukkingen moet worden verstaan?

4) Moet artikel 9, sub a, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 aldus worden uitgelegd, dat beschadiging van een menselijk orgaan dat op het tijdstip van het intreden van de schade bij de donor is weggenomen om onmiddellijk daarna bij een bepaalde andere persoon te worden getransplanteerd, ten aanzien van de ontvanger van het orgaan onder het begrip ,schade veroorzaakt door lichamelijk letsel valt?

5) Moet artikel 9, sub b, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 aldus worden uitgelegd, dat beschadiging van een menselijk orgaan dat op het tijdstip van het intreden van de schade bij de donor is weggenomen om onmiddellijk daarna bij de ontvanger te worden getransplanteerd, ten aanzien van de ontvanger van het orgaan onder het begrip ,beschadiging of vernietiging van een ander zaak dan het gebrekkige product valt?"

De eerste vraag

11 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een gebrekkig product niet in het verkeer is gebracht wanneer de producent ervan het product vervaardigt en gebruikt in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting om een menselijk orgaan voor te bereiden voor transplantatie, en het orgaan bij die voorbereiding wordt beschadigd.

12 Wat vooreerst het door de Amtskommune en de Deense regering aangevoerde argument betreft, dat het gebruik van een product in het kader van een dienstverrichting in beginsel niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, zolang de gemeenschapswetgever geen regels heeft vastgesteld voor dienstverrichtingen, kan worden volstaan met vast te stellen, dat in het hoofdgeding het gebrek van een bij een dienstverrichting gebruikt product aan de orde is, en niet het gebrek van een dienstverrichting als zodanig.

13 Volgens de Amtskommune is het product in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet in het verkeer gebracht in de zin van artikel 7, sub a, van de richtlijn. Er is immers geen uitdrukkelijke aankoop van het product door de patiënt, en het product dat voor louter intern gebruik door de producent zelf was bestemd, heeft de uit de eenheid van ziekenhuis, apotheek en behandelende artsen bestaande controlesfeer" niet verlaten.

14 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de richtlijn geen omschrijving geeft van het begrip in het verkeer brengen". Dat begrip moet dus worden uitgelegd overeenkomstig de doelstelling en het oogmerk van de richtlijn.

15 Te dien einde zij erop gewezen, dat in artikel 1 van de richtlijn, in samenhang met de tweede overweging van de considerans van de richtlijn, het beginsel is neergelegd van de risicoaansprakelijkheid van de producent voor de schade, veroorzaakt door een gebrek van zijn product. Volgens artikel 7 van de richtlijn is de producent echter niet aansprakelijk wanneer hij bewijst, dat zijn situatie onder één van de limitatief door die bepaling opgesomde gevallen valt. Volgens vaste rechtspraak dienen die gevallen eng te worden uitgelegd.

16 Zoals Veedfald, de Oostenrijkse, de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk evenals de Commissie terecht hebben opgemerkt, betreft de uitsluiting van de aansprakelijkheid krachtens artikel 7, sub a, van de richtlijn wegens het niet in het verkeer brengen van het product in de eerste plaats het geval waarin een ander dan de producent het product uit het productieproces wegneemt. Bovendien, zoals de twee eerstgenoemde regeringen en de Commissie hebben gesteld, valt het gebruik van het product tegen de wil van de producent, bijvoorbeeld wanneer het productieproces nog niet is beëindigd, evenals het gebruik voor particuliere doeleinden of in soortgelijke omstandigheden, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn. Uit de stukken blijkt evenwel niet, dat de zaak in het hoofdgeding onder een van deze situaties valt.

17 Aangaande het argument van de Amtskommune, dat het product niet in het verkeer is gebracht aangezien het de medische controlesfeer, die wordt gevormd door de apotheek waar het is bereid en het ziekenhuis waar het is gebruikt, niet heeft verlaten, moet worden vastgesteld dat dergelijke omstandigheden niet beslissend zijn, wanneer, zoals in het hoofdgeding, voor het gebruik van het product kenmerkend is, dat de persoon voor wie het product bestemd is zich zelf naar die controlesfeer moet begeven. Begeeft een patiënt zich naar een ziekenhuis, dan is niet beslissend, dat een in het kader van een medische behandeling gebruikt product aldaar is bereid dan wel bij een derde is verkregen, wat, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft benadrukt, in casu mogelijk was geweest. Dat een bij een dienstverrichting gebruikt product is bereid door een derde, door de dienstverrichter zelf of door een met de dienstverrichter verbonden organisatie, doet op zich niet af aan het feit dat het in het verkeer is gebracht.

18 Het antwoord op de eerste vraag dient derhalve te luiden, dat artikel 7, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een gebrekkig product in het verkeer is gebracht wanneer het wordt gebruikt bij een bepaalde medische dienstverrichting om een menselijk orgaan voor te bereiden voor transplantatie, en het orgaan bij die voorbereiding wordt beschadigd.

De tweede vraag

19 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 7, sub c, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de uitsluiting van aansprakelijkheid voor het geval dat een product door de producent niet is vervaardigd met een economisch doel of in het kader van de uitoefening van zijn beroep, ook geldt voor een gebrekkig product dat is vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde, met openbare middelen gefinancierde medische dienstverrichting, zonder financiële bijdrage van de patiënt.

20 Volgens de Amtskommune heeft het voor de Deense ziekenzorg kenmerkende feit, dat medische zorgen met openbare middelen worden bekostigd, waardoor een rechtstreekse, economische band tussen ziekenhuis en patiënt ontbreekt, tot gevolg dat een ziekenhuis bij de bereiding van een gebrekkig product niet handelt met een economisch doel of in het kader van de beroepsuitoefening in de zin van artikel 7, sub c, van de richtlijn. De Deense en de Ierse regering voegen daaraan toe, dat de toepassing van de aansprakelijkheidsregels van de richtlijn op openbare ziekenhuizen nefaste gevolgen zou hebben voor de gehele structuur van de gezondheidsstelsels, die dan immers zouden worden gediscrimineerd ten opzichte van de particuliere stelsels.

21 Dat producten worden vervaardigd voor een bepaalde medische dienstverrichting, die niet rechtstreeks door de patiënt wordt betaald maar uit openbare middelen afkomstig van de belastingbetaler wordt bekostigd, doet niet af aan de economische en beroepsmatige aard van de vervaardiging van die producten. Het betreft immers geen gratis verrichte activiteit, die als dusdanig onder de uitsluiting van artikel 7, sub c, van de richtlijn valt. De Amtskommune heeft ter terechtzitting overigens zelf erkend, dat een particulier ziekenhuis in dezelfde omstandigheden krachtens de bepalingen van de richtlijn ongetwijfeld aansprakelijk zou zijn voor het gebrek van het product.

22 Het antwoord op de tweede vraag dient derhalve te luiden, dat artikel 7, sub c, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de uitsluiting van aansprakelijkheid op grond dat de betrokken activiteit geen economisch doel heeft of niet is verricht in het kader van de beroepsuitoefening, niet geldt voor een gebrekkig product dat is vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting die volledig met openbare middelen wordt gefinancierd, zonder financiële bijdrage van de patiënt.

De derde vraag

23 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het gemeenschapsrecht eisen stelt inzake de afbakening door de lidstaten van de begrippen schade veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel" en beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product", in artikel 9 van de richtlijn.

24 Volgens Veedfald, de Ierse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie moeten die begrippen door het gemeenschapsrecht worden omschreven met het oog op een eenvormige toepassing ervan in de gehele Gemeenschap. De Amtskommune stelt daarentegen, dat het aan de lidstaten toekomt de strekking van die begrippen te bepalen.

25 Dienaangaande moet vooraf worden vastgesteld, dat anders dan de begrippen "product", "producent" en "gebrekkig product", die in respectievelijk de artikelen 2, 3 en 6 uitdrukkelijk zijn omschreven, het begrip schade" in de richtlijn niet is omschreven. Noch artikel 9, noch artikel 1, waar in artikel 9 naar wordt verwezen, geeft namelijk een uitdrukkelijke omschrijving van het begrip schade.

26 Artikel 9 van de richtlijn preciseert wel, dat het begrip schade de schade omvat die is veroorzaakt door dood of door lichamelijk letsel alsmede de beschadiging of vernietiging van een zaak, in welk geval het bedrag van de schade hoger dan of gelijk aan 500 euro moet zijn, en voorts dat de beschadigde zaak gewoonlijk bestemd moet zijn voor ge- of verbruik in de privésfeer en door de gelaedeerde als zodanig moet zijn gebruikt.

27 Dat de vaststelling van de precieze inhoud van beide categorieën van schade voor het overige aan de nationale wetgever is overgelaten, neemt niet weg dat, met uitzondering van onstoffelijke schade waarvan de vergoeding uitsluitend door het nationale recht wordt geregeld, er voor beide categorieën van schade een billijke en volledige vergoeding van de door een gebrekkig product veroorzaakte schade moet worden gewaarborgd. De toepassing van nationale regels mag namelijk geen afbreuk doen aan het nuttig effect van de richtlijn (zie, in die zin, arrest van 15 mei 1990, Hagen, C-365/88, Jurispr. blz. I-1845, punt 20). Bovendien moet de nationale rechter het nationale recht uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn (zie, met name, arrest van 10 april 1984, Von Colson en Kamann, 14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26).

28 Een lidstaat kan dus geen beperkingen stellen aan de te vergoeden categorieën van stoffelijke schade, ten gevolge van dood of lichamelijk letsel dan wel beschadiging of vernietiging van een zaak.

29 Het antwoord op de derde vraag dient derhalve te luiden, dat artikel 9 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat met uitzondering van onstoffelijke schade waarvan de vergoeding uitsluitend afhangt van de bepalingen van het nationale recht, en van de uitsluitingen die in geval van beschadiging van een zaak voortvloeien uit de preciseringen in die bepaling, een lidstaat geen beperkingen kan stellen aan de te vergoeden categorieën van stoffelijke schade ten gevolge van dood of lichamelijk letsel dan wel beschadiging of vernietiging van een zaak.

De vierde en de vijfde vraag

30 Met zijn vierde en vijfde vraag verlangt de verwijzende rechter verduidelijkingen over de toepassing van het begrip schade op de omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding.

31 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het Hof in het kader van artikel 234 EG niet bevoegd is om de bepalingen van gemeenschapsrecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag en de handelingen van de gemeenschapsinstellingen (zie, met name, arrest van 22 oktober 1998, Jokela en Pitkäranta, C-9/97 en C-118/97, Jurispr. blz. I-6267, punt 30).

32 Wat de elementen van de richtlijn betreft die een uitlegging door het Hof behoeven, moet worden vastgesteld, dat volgens artikel 1 van de richtlijn de producent aansprakelijk is voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product. Artikel 9 bepaalt welke categorieën van schade onder de richtlijn vallen, namelijk de schade veroorzaakt door dood of lichamelijk letsel en beschadiging of vernietiging van een andere zaak dan het gebrekkige product; daarbij wordt het aan de lidstaten overgelaten overeenkomstig hun nationaal recht de vergoeding van onstoffelijke schade te regelen. De categorieën van in aanmerking komende schade zijn in de artikelen 1 en 9 exhaustief opgesomd.

33 Ingevolge de richtlijn moet de nationale rechter dus nagaan in welke categorie de omstandigheden van de zaak moeten worden ondergebracht, namelijk of het gaat om schade als bedoeld in artikel 9, eerste alinea, sub a, of in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn, dan wel of het om onstoffelijke schade gaat waarvoor eventueel het nationale recht geldt. Hij kan krachtens de richtlijn echter niet elke vergoeding weigeren op grond dat, hoewel aan de andere aansprakelijkheidsvoorwaarden is voldaan, de geleden schade niet in een der hierboven bedoelde categorieën zou kunnen worden ondergebracht.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

34 De kosten door de Deense, de Franse, de Ierse en de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede de Commissie, wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Højesteret bij beschikking van 21 mei 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 7, sub a, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, moet aldus worden uitgelegd, dat een gebrekkig product in het verkeer is gebracht wanneer het wordt gebruikt bij een bepaalde medische dienstverrichting om een menselijk orgaan voor te bereiden voor transplantatie, en het orgaan bij die voorbereiding wordt beschadigd.

2) Artikel 7, sub c, van richtlijn 85/374 moet aldus worden uitgelegd, dat de uitsluiting van aansprakelijkheid op grond dat de betrokken activiteit geen economisch doel heeft of niet is verricht in het kader van de beroepsuitoefening, niet geldt voor een gebrekkig product dat is vervaardigd en gebruikt in het kader van een bepaalde medische dienstverrichting die volledig met openbare middelen wordt gefinancierd, zonder financiële bijdrage van de patiënt.

3) Artikel 9 van richtlijn 85/374 moet aldus worden uitgelegd, dat, met uitzondering van onstoffelijke schade waarvan de vergoeding uitsluitend afhangt van de bepalingen van het nationale recht, en van de uitsluitingen die in geval van beschadiging van een zaak voortvloeien uit de preciseringen in die bepaling, een lidstaat geen beperkingen kan stellen aan de te vergoeden categorieën van stoffelijke schade ten gevolge van dood of lichamelijk letsel dan wel beschadiging of vernietiging van een zaak.

4) Ingevolge richtlijn 85/374 moet de nationale rechter nagaan in welke categorie de omstandigheden van de zaak moeten worden ondergebracht, namelijk of het gaat om schade als bedoeld in artikel 9, eerste alinea, sub a, of in artikel 9, eerste alinea, sub b, van de richtlijn, dan wel of het om onstoffelijke schade gaat waarvoor eventueel het nationale recht geldt. Hij kan krachtens de richtlijn echter niet elke vergoeding weigeren op grond dat, hoewel aan de andere aansprakelijkheidsvoorwaarden is voldaan, de geleden schade niet in een der hierboven bedoelde categorieën zou kunnen worden ondergebracht.

Top