EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61995CJ0171

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 januari 1997.
Recep Tetik tegen Land Berlin.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesverwaltungsgericht - Duitsland.
Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluit van Associatieraad - Vrij verkeer van werknemers - Verlenging van verblijfsvergunning - Vrijwillige opzegging van arbeidsovereenkomst.
Zaak C-171/95.

European Court Reports 1997 I-00329

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1997:31

61995J0171

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 januari 1997. - Recep Tetik tegen Land Berlin. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Bundesverwaltungsgericht - Duitsland. - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluit van Associatieraad - Vrij verkeer van werknemers - Verlenging van verblijfsvergunning - Vrijwillige opzegging van arbeidsovereenkomst. - Zaak C-171/95.

Jurisprudentie 1997 bladzijde I-00329


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van personen - Werknemers - Turks onderdaan die na gedurende meer dan vier jaar arbeid in Lid-Staat te hebben verricht, deze arbeid vrijwillig heeft opgegeven - Recht van verblijf om arbeid te zoeken - Voorwaarde - Verblijfsduur - Bepaling van redelijke termijn in regeling of, bij gebreke daarvan, door nationale rechter

(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 6, lid 1, derde streepje)

Samenvatting


Artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, moet aldus worden uitgelegd, dat een Turks werknemer die gedurende meer dan vier jaar legaal op het grondgebied van een Lid-Staat heeft gewerkt, vrijwillig besluit zijn arbeid op te geven om in dezelfde Lid-Staat nieuw werk te zoeken en er niet in slaagt onmiddellijk een andere arbeidsverhouding aan te gaan, recht heeft gedurende een redelijke termijn in die Lid-Staat te verblijven om nieuwe arbeid in loondienst te zoeken, voor zover hij tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat blijft behoren en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in die staat vigerende regeling naleeft, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en zich ter beschikking van het arbeidsbureau te stellen. Het staat aan de betrokken Lid-Staat en, bij gebreke van een regeling dienaangaande, aan de aangezochte nationale rechter om een dergelijke redelijke termijn te bepalen, die evenwel toereikend moet zijn om de reële kansen van de belanghebbende om nieuwe arbeid te vinden niet in gevaar te brengen.

Partijen


In zaak C-171/95,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen

R. Tetik

en

Land Berlin,

in aanwezigheid van de Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident (rapporteur), J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn en H. Ragnemalm, rechters,

advocaat-generaal: M. B. Elmer

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- Tetik, vertegenwoordigd door C. Rosenkranz, advocaat te Berlijn,

- Land Berlin, vertegenwoordigd door M. Arndt, advocaat te Berlijn,

- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder en B. Kloke, Ministerialrat respectievelijk Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden,

- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins en C. Chavance, onderdirecteur respectievelijk secretaris buitenlandse zaken bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door E. Sharpston, Barrister,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance, en de Commissie, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 3 oktober 1996,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 1996,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 11 april 1995, bij het Hof ingekomen op 7 juni daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: "besluit nr. 1/80"). De Associatieraad is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de Lid-Staten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, blz. 3685, hierna: "overeenkomst").

2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Tetik, Turks onderdaan, en Land Berlin inzake de afwijzing van een verzoek om toekenning van een vergunning tot verblijf in Duitsland voor onbepaalde tijd.

3 Blijkens het dossier van het hoofdgeding heeft Tetik van september 1980 tot 20 juli 1988 op verschillende Duitse zeeschepen als zeeman legale arbeid verricht.

4 Met het oog op de uitoefening van deze werkzaamheid kreeg hij van de Duitse autoriteiten opeenvolgende verblijfstitels, steeds voor bepaalde tijd en beperkt tot het verrichten van arbeid in de zeevaart. Tetik's laatste verblijfstitel was geldig tot 4 augustus 1988 en vermeldde, dat deze aan het einde van zijn werkzaamheden bij de Duitse zeevaart zou vervallen.

5 Op 20 juli 1988 gaf Tetik vrijwillig zijn arbeid als zeeman op.

6 Op 1 augustus 1988 begaf hij zich naar Berlijn, waar hij dezelfde dag een verblijfstitel voor onbepaalde tijd aanvroeg met het oog op de uitoefening van bezoldigde arbeid aan land, waarbij hij aangaf voornemens te zijn tot ongeveer 2020 in Duitsland te blijven.

7 Deze aanvraag is door de bevoegde autoriteiten van het Land Berlin op 19 januari 1989 afgewezen en de wettigheid van de desbetreffende beschikking is op 10 december 1991 door het Verwaltungsgericht en op 24 maart 1992 door het Oberverwaltungsgericht Berlin bevestigd.

8 Volgens het registratiebewijs dat de Duitse autoriteiten Tetik na zijn aanvraag van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd hebben afgegeven, "is de uitoefening van bezoldigde arbeid niet toegestaan".

9 Tetik die geen werk heeft sinds hij zijn arbeid bij de Duitse zeevaart heeft opgegeven, maakte het geschil bij het Bundesverwaltungsgericht aanhangig.

10 Deze rechterlijke instantie stelde vast, dat de weigering de verblijfsvergunning te verlengen in overeenstemming was met het Duitse recht, doch vroeg zich tegelijk af, of voor Tetik een gunstiger beslissing mogelijk was op grond van artikel 6 van besluit nr. 1/80.

11 Dit artikel luidt:

"1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

- na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

3. De wijze van toepassing van de leden 1 en 2 wordt geregeld in de nationale voorschriften."

12 Van oordeel dat de beslechting van het geschil een uitlegging van deze bepaling vereiste, heeft het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 11 april 1995 het Hof de volgende twee prejudiciële vragen gesteld:

"1) Behoort een Turkse zeeman die van 1980 tot 1988 werkzaam was op zeeschepen van een Lid-Staat tot de legale arbeidsmarkt van deze Lid-Staat in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije betreffende de ontwikkeling van de associatie, en verricht hij aldaar legale arbeid, wanneer op zijn arbeidsverhouding nationaal recht van toepassing was, hij in de Lid-Staat loonbelasting betaalde en was aangesloten bij de sociale zekerheid, maar de hem verleende verblijfsvergunning beperkt was tot de uitoefening van een beroep in de zeevaart en hem niet toestond zijn woonplaats aan land te hebben?

Is het dienaangaande van belang, dat voor deze werkzaamheden volgens Duits recht geen arbeidsvergunning vereist is en dat, wat het arbeids- en sociale-zekerheidsrecht betreft, voor zeelieden ten dele bijzondere wettelijke regelingen gelden?

2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

Verliest een Turkse zeeman zijn recht op een verblijfsvergunning, wanneer hij vrijwillig - en niet bijvoorbeeld om gezondheidsredenen - zijn arbeidsverhouding beëindigt, elf dagen later na afloop van zijn verblijfsvergunning een verblijfsvergunning voor arbeid aan land aanvraagt, en na de afwijzing van deze aanvraag werkloos is?"

13 Blijkens een beschikking van het Bundesverwaltungsgericht van 30 augustus 1995, bij het Hof ingekomen op 25 september daaraanvolgend, is volgens deze rechterlijke instantie in het arrest van 6 juni 1995 (zaak C-434/93, Bozkurt, Jurispr. 1995, blz. I-1475) een bevredigend antwoord op de eerste prejudiciële vraag te vinden. Het Bundesverwaltungsgericht blijft daarentegen nog twijfelen, of Tetik recht had op een verblijfsvergunning krachtens artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80, nu hij zijn arbeid als zeeman vrijwillig had beeindigd.

14 Onder deze omstandigheden was het Bundesverwaltungsgericht in zijn beschikking van 30 augustus 1995 van oordeel, dat de eerste vraag niet meer behoefde te worden beantwoord, en verzocht het het Hof, alleen de tweede vraag van de beschikking van 11 april 1995 te beantwoorden.

15 Voor de beantwoording van deze vraag zij om te beginnen eraan herinnerd, dat volgens artikel 12 van de overeenkomst "De Overeenkomstsluitende Partijen (...) overeen(komen) zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap, ten einde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen".

16 Voorts bepaalt artikel 6 van de overeenkomst, dat "ten einde de toepassing en de geleidelijke ontwikkeling van de associatieregeling te verzekeren, (...) de overeenkomstsluitende partijen zich in een Associatieraad (verenigen), die handelt binnen de grenzen van de hem door de overeenkomst verleende bevoegdheden" en is volgens artikel 22, lid 1, "voor de verwezenlijking van de in de overeenkomst vermelde doelstellingen en in de in de overeenkomst bedoelde gevallen (...) de Associatieraad bevoegd tot het nemen van besluiten (...)".

17 In het aanvullend protocol, dat op 23 november 1970 is ondertekend, een integrerend deel uitmaakt van de overeenkomst en is gesloten bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 293, blz. 1, hierna: "aanvullend protocol"), wordt in artikel 36 bepaald, binnen welke termijn het vrije verkeer van werknemers tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk tot stand wordt gebracht, en wordt verder verklaard: "De hiertoe nodige regels worden door de Associatieraad bepaald."

18 Op basis van artikel 12 van de overeenkomst en artikel 36 van het aanvullend protocol heeft de Associatieraad op 20 december 1976 om te beginnen besluit nr. 2/76 vastgesteld, dat volgens artikel 1 daarvan een eerste etappe is op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers tussen de Gemeenschap en Turkije.

19 Besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de associatie, dat de Associatieraad vervolgens op 19 september 1980 heeft vastgesteld, strekt blijkens de derde overweging van de considerans tot verbetering op sociaal gebied van de regeling die de werknemers en hun gezinsleden vergeleken bij de regeling van besluit nr. 2/76 genieten.

20 De bepalingen van hoofdstuk II (Sociale bepalingen), deel 1 (Vragen betreffende werkgelegenheid en vrij verkeer van werknemers), van besluit nr. 1/80, waartoe artikel 6 behoort, vormen dus een etappe verder op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, geïnspireerd door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag (arrest Bozkurt, reeds aangehaald, r.o. 14 en 19). Derhalve was het volgens het Hof volstrekt noodzakelijk, dat de in het kader van deze verdragsbepalingen erkende beginselen zoveel mogelijk worden toegepast op Turkse werknemers die de bij besluit nr. 1/80 toegekende rechten genieten (arrest Bozkurt, reeds aangehaald, r.o. 20).

21 In de eerste plaats, is het vaste rechtspraak (zie met name arrest van 16 december 1992, zaak C-237/91, Kus, Jurispr. 1992, blz. I-6781, r.o. 25), dat besluit nr. 1/80 de bevoegdheid van de Lid-Staten intact laat om zowel de toegang van Turkse onderdanen tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren; het regelt uitsluitend - in het bijzonder in artikel 6 - de situatie van Turkse werknemers die reeds legaal in de arbeidsmarkt van de Lid-Staten zijn opgenomen.

22 In de tweede plaats heeft het Hof sinds het arrest van 20 september 1990 (zaak C-192/89, Sevince, Jurispr. 1990, blz. I-3461) steeds verklaard, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 rechtstreekse werking heeft in de Lid-Staten, zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden van dat artikel voldoen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de hun bij de diverse onderdelen van die bepaling verleende rechten (arrest van 5 oktober 1994, zaak C-355/93, Eroglu, Jurispr. 1994, blz. I-5113, r.o. 11).

23 Zoals blijkt uit de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, variëren deze rechten zelf en zijn zij onderworpen aan voorwaarden die verschillen naar gelang van de periode tijdens welke de belanghebbende in de betrokken Lid-Staat legale arbeid heeft verricht (zie arrest Eroglu, reeds aangehaald, r.o. 12).

24 In de derde plaats houden de rechten die de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, op het vlak van werkgelegenheid aan de Turkse werknemers verlenen, volgens vaste rechtspraak noodzakelijkerwijs in, dat de belanghebbende een recht van verblijf heeft, omdat anders het recht van toegang tot de arbeidsmarkt en het verrichten van arbeid elke inhoud zou verliezen (arresten Sevince, r.o. 29; Kus, r.o. 29 en 30, en Bozkurt, r.o. 28, reeds aangehaald).

25 Wat meer in het bijzonder de prejudiciële vraag betreft, moet worden vastgesteld, dat zij betrekking heeft op de situatie van een Turks werknemer die door gedurende nagenoeg acht jaar legale arbeid te verrichten in een Lid-Staat, overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 recht had op "vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze" in die Lid-Staat.

26 Uit de tekst zelf van artikel 6, lid 1, blijkt namelijk dat het derde onderdeel - anders dan de eerste twee onderdelen, waarin enkel de modaliteiten worden vastgesteld, volgens welke een Turks onderdaan die wettig het grondgebied van een Lid-Staat is binnengekomen en aldaar arbeid heeft mogen verrichten, zijn werkzaamheden in de Lid-Staat van ontvangst mag uitoefenen door na het eerste jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever te blijven werken (eerste onderdeel), of door na drie jaar legale arbeid en, onder voorbehoud van de voorrang van de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap, in hetzelfde beroep bij een andere werkgever op een arbeidsaanbod te reageren (tweede onderdeel) - een Turks werknemer niet alleen het recht verleent om op een reeds bestaand arbeidsaanbod te reageren, maar ook het onvoorwaardelijke recht om elke willekeurige arbeid in loondienst naar zijn keuze te zoeken en te aanvaarden zonder dat hem enige voorrang van de werknemers van de Lid-Staten kan worden tegengeworpen.

27 Verder heeft het Hof met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers die onderdaan van de Lid-Staten zijn, reeds verklaard, dat artikel 48 van het Verdrag impliceert, dat laatstgenoemden het recht hebben om in de andere Lid-Staten te verblijven teneinde er werk te zoeken, en dat, ofschoon de verblijfsduur van de werkzoekende in de betrokken Lid-Staat krachtens de toepasselijke nationale regeling kan worden beperkt, het nuttig effect van artikel 48 evenwel vereist, dat de belanghebbende een redelijke termijn wordt verleend om zich op het grondgebied van die Lid-Staat op de hoogte te stellen van de werkaanbiedingen die bij zijn beroepskwalificatie passen, en om in voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangeworven (zie in die zin, arrest van 26 februari 1991, zaak C-292/89, Antonissen, Jurispr. 1991, blz. I-745, r.o. 13, 15 en 16).

28 Zoals hiervoor reeds is opgemerkt in rechtsoverweging 20 van dit arrest, moeten de in de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag neergelegde beginselen evenwel zoveel mogelijk tot leidraad worden genomen bij de behandeling van de Turkse werknemers die de bij besluit nr. 1/80 erkende rechten genieten.

29 Anders dan de onderdanen van de Lid-Staten hebben de Turkse werknemers weliswaar niet het recht zich vrij binnen de Gemeenschap te verplaatsen, doch zij genieten slechts bepaalde rechten in de Lid-Staat van ontvangst op het grondgebied waarvan zij wettig zijn binnengekomen en gedurende een bepaalde tijd legale arbeid hebben verricht.

30 Niettemin moet een Turks werknemer, zoals verzoeker in het hoofdgeding, gedurende een redelijke termijn daadwerkelijk nieuwe arbeid in de Lid-Staat van ontvangst kunnen zoeken en in verband daarmee gedurende die tijd over een verblijfsrecht beschikken, ook al heeft hij zelf een einde gemaakt aan zijn vorige arbeidsovereenkomst zonder onmiddellijk een nieuwe arbeidsverhouding aan te gaan.

31 Zoals de Commissie overtuigend heeft betoogd, impliceert de nuttige werking van artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 namelijk, dat een Turks werknemer het recht moet hebben om na ten minste vier jaar legale arbeid in een Lid-Staat om persoonlijke redenen zijn arbeid van het ogenblik op te geven en gedurende een redelijke termijn in dezelfde Lid-Staat nieuwe arbeid te zoeken, omdat zijn recht op vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze in de zin van deze bepaling anders wordt uitgehold.

32 Aangaande de redelijke termijn die de Lid-Staat van ontvangst de belanghebbende dus moet gunnen om hem in staat te stellen een andere arbeid te zoeken, zij gepreciseerd, dat het overeenkomstig artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80 aan de betrokken nationale autoriteiten staat, de duur van deze termijn te bepalen. Zij moet evenwel toereikend zijn om het bij artikel 6, lid 1, derde streepje, verleende recht niet uit te hollen door de kansen van de Turkse werknemer op toegang tot nieuwe arbeid in feite in gevaar te brengen.

33 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, in de betrokken nationale regeling een dergelijke termijn niet is vastgesteld, moet de nationale rechter deze bepalen met inachtneming van de omstandigheden die te zijner kennis zijn gebracht.

34 Een termijn van enkele dagen, zoals die waarover een Turks werknemer, zoals Tetik, tussen het einde van zijn arbeidsovereenkomst en het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel in feite heeft beschikt, is evenwel hoe dan ook ontoereikend om hem in staat te stellen daadwerkelijk nieuw werk te zoeken.

35 Aan voorgaande uitlegging wordt niet afgedaan door het betoog van de Duitse en de Britse regering, dat artikel 6, lid 2, tweede zin, van besluit nr. 1/80, waarbij het behoud van de op grond van het vorige tijdvak van arbeid verkregen rechten alleen bij onvrijwillige werkloosheid van de Turkse werknemer wordt gegarandeerd, a contrario impliceert dat geen beroep op een verkregen recht mogelijk is wanneer de werknemer, zoals in het hoofdgeding, zijn arbeid vrijwillig heeft opgegeven en de arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat definitief heeft verlaten, doordat hij niet onmiddellijk een nieuwe arbeidsverhouding kon aangaan.

36 Om te beginnen wordt in artikel 6, lid 2, voor de berekening van de in de drie onderdelen van lid 1 van dit artikel vermelde tijdvakken van legale arbeid voorzien in een gunstige regeling voor een Turks werknemer die zijn activiteiten tijdelijk staakt, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar het soort en de duur van deze tijdvakken van inactiviteit.

37 Zo heeft de eerste zin van deze bepaling in beginsel betrekking op korte perioden, tijdens welke de Turkse werknemer feitelijk geen werkzaamheid in loondienst uitoefent (jaarlijkse vakantie, afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of ziekte waardoor het werk slechts kort wordt onderbroken). Deze afwezigheden van de werknemer van de arbeidsplaats worden bijgevolg als tijdvakken van legale arbeid in de zin van artikel 6, lid 1, behandeld.

38 De tweede zin van lid 2 heeft betrekking op perioden van inactiviteit wegens langdurige ziekte of onvrijwillige werkloosheid, dat wil zeggen wanneer de werknemer geen schuld heeft aan de inactiviteit (zoals ook blijkt uit het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord "unverschuldet" in de Duitse versie). Volgens deze bepaling kan dit soort tijdvakken van inactiviteit niet worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch de werknemer verliest daarom nog niet de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van legale arbeid.

39 Deze laatste bepaling dient dus enkel te voorkomen, dat een Turks werknemer, die nadat hij zijn beroepswerkzaamheden wegens langdurige ziekte of niet aan zijn schuld te wijten werkloosheid heeft moeten staken, weer begint te werken, wordt verplicht de tijdvakken van legale arbeid, bedoeld in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, opnieuw te beginnen, op dezelfde wijze als een Turks onderdaan die nog nooit arbeid in loondienst in de betrokken Lid-Staat heeft verricht.

40 Wanneer, zoals in het hoofdgeding, een Turks werknemer die meer dan vier jaar in de Lid-Staat van ontvangst legale arbeid heeft verricht, vrijwillig zijn arbeid opgeeft om in dezelfde Lid-Staat ander werk te zoeken, kan hij dus niet automatisch worden geacht de arbeidsmarkt van deze staat definitief te hebben verlaten, op voorwaarde evenwel dat hij blijft behoren tot de legale arbeidsmarkt in de zin van artikel 6, lid 1, aanhef.

41 In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin een Turks werknemer er niet in slaagt onmiddellijk een nieuwe arbeidsverhouding aan te gaan na zijn vorige arbeid te hebben opgegeven, wordt aan deze voorwaarde in beginsel nog slechts voldaan, voor zover de belanghebbende die geen werk meer heeft, alle eventueel door de betrokken Lid-Staat vereiste formaliteiten vervult, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en door gedurende de aldaar voorgeschreven termijn ter beschikking van het arbeidsbureau van deze Lid-Staat te blijven.

42 Overigens biedt dit vereiste de garantie, dat de Turkse werknemer tijdens de redelijke termijn die hem moet worden gegund om een nieuwe arbeidsverhouding te kunnen aangaan, geen misbruik maakt van zijn verblijfsrecht in de betrokken Lid-Staat, doch daadwerkelijk nieuw werk zoekt.

43 Met betrekking tot een geval, zoals dat van verzoeker in het hoofdgeding, staat het evenwel aan de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het voor hem aanhangige geschil vast te stellen en te beoordelen, te beslissen of de betrokken Turkse onderdaan verplicht was de eventueel in de betrokken Lid-Staat vereiste stappen te ondernemen om zich ter beschikking van het arbeidsbureau te stellen, gelet op het feit dat naar aanleiding van zijn aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning hem de uitoefening van iedere bezoldigde arbeid was verboden (zie r.o. 8 van het onderhavige arrest).

44 Verder hebben de Duitse en de Franse regering betoogd, dat het verblijfsrecht van een Turks onderdaan in een Lid-Staat slechts een uitvloeisel van het recht op arbeid is en dat indien, zoals blijkt uit het arrest Bozkurt (reeds aangehaald), een Turks onderdaan geen recht heeft om op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst te verblijven nadat hij als gevolg van een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden, dit zeker moet gelden, wanneer de werknemer de arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat vrijwillig heeft verlaten door zijn arbeid op te geven.

45 Ter zake zij eraan herinnerd dat het Hof in het arrest Bozkurt (reeds aangehaald, r.o. 38 en 39), omdat er geen enkele uitdrukkelijke bepaling dienaangaande bestond, Turkse onderdanen het recht heeft ontzegd om op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst te verblijven, wanneer zij ten gevolge van een arbeidsongeval verder geen werkzaamheden in loondienst kunnen uitoefenen. Om die reden wordt de betrokkene geacht, de arbeidsmarkt van die Lid-Staat definitief te hebben verlaten, zodat het door hem aangevraagde verblijfsrecht geen enkele band met, al was het maar toekomstige, arbeid in loondienst vertoont.

46 In een situatie zoals die in het hoofdgeding blijkt uit de rechtsoverwegingen 40 tot en met 42 van het onderhavige arrest daarentegen, dat een Turks onderdaan, voor zover hij een echte werkzoekende is die daadwerkelijk nieuwe arbeid in loondienst probeert te vinden en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in de Lid-Staat van ontvangst vigerende regeling naleeft, gedurende de termijn die hij redelijkerwijs nodig heeft om nieuw werk te vinden, moet worden geacht tot de legale arbeidsmarkt van deze staat te blijven behoren. Het betoog van de Duitse en de Franse regering kan dus niet slagen.

47 Wat ten slotte het argument van de Duitse regering betreft, dat een werknemer zoals Tetik tijdens de vakantieperiode waarop hij recht had, de nodige stappen had kunnen ondernemen om nieuw werk te zoeken, zij opgemerkt dat de jaarlijkse vakantie een ander doel heeft dan de periode die de Lid-Staat van ontvangst een Turks onderdaan moet gunnen om hem in staat te stellen nieuw werk te zoeken. Bovendien kan de betrokkene op het tijdstip waarop hij beslist zijn arbeidsovereenkomst om persoonlijke redenen op te zeggen, zijn vakantie voor het betrokken jaar al volledig hebben opgenomen.

48 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat een Turks werknemer die gedurende meer dan vier jaar legaal op het grondgebied van een Lid-Staat heeft gewerkt, vrijwillig besluit zijn arbeid op te geven om in dezelfde Lid-Staat nieuw werk te zoeken en er niet in slaagt onmiddellijk een andere arbeidsverhouding aan te gaan, recht heeft gedurende een redelijke termijn in die Lid-Staat te verblijven om nieuwe arbeid in loondienst te zoeken, voor zover hij tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat blijft behoren en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in die staat vigerende regeling naleeft, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en zich ter beschikking van het arbeidsbureau te stellen. Het staat aan de betrokken Lid-Staat en, bij gebreke van een regeling dienaangaande, aan de aangezochte nationale rechter om een dergelijke redelijke termijn te bepalen, die evenwel toereikend moet zijn om de reële kansen van de belanghebbende om nieuwe arbeid te vinden niet in gevaar te brengen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

49 De kosten door de Duitse en de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de vraag die door het Bundesverwaltungsgericht is gesteld bij beschikking van 11 april 1995, zoals gewijzigd bij beschikking van 30 augustus daaraanvolgend, verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd, dat een Turks werknemer die gedurende meer dan vier jaar legaal op het grondgebied van een Lid-Staat heeft gewerkt, vrijwillig besluit zijn arbeid op te geven om in dezelfde Lid-Staat nieuw werk te zoeken en er niet in slaagt onmiddellijk een andere arbeidsverhouding aan te gaan, recht heeft gedurende een redelijke termijn in die Lid-Staat te verblijven om nieuwe arbeid in loondienst te zoeken, voor zover hij tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat blijft behoren en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in die staat vigerende regeling naleeft, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en zich ter beschikking van het arbeidsbureau te stellen. Het staat aan de betrokken Lid-Staat en, bij gebreke van een regeling dienaangaande, aan de aangezochte nationale rechter om een dergelijke redelijke termijn te bepalen, die evenwel toereikend moet zijn om de reële kansen van de belanghebbende om nieuwe arbeid te vinden niet in gevaar te brengen.

Top