EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 61991CJ0137

Arrest van het Hof van 24 juni 1992.
Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek.
Artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag - Informatieplicht.
Zaak C-137/91.

European Court Reports 1992 I-04023

ECLI identifier: ECLI:EU:C:1992:272

61991J0137

ARREST VAN HET HOF VAN 24 JUNI 1992. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN HELLEENSE REPUBLIEK. - ARTIKELEN 5 EN 30 EEG-VERDRAG - INFORMATIEPLICHT. - ZAAK C-137/91.

Jurisprudentie 1992 bladzijde I-04023


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Samenwerking bij onderzoeken inzake niet-nakoming

(EEG-Verdrag, art. 5)

2. Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Nationale regeling die ondernemingen verplicht, uitsluitend kasregisters te kopen waaraan bij fabricage ten minste vooraf bepaalde binnenlandse waarde is toegevoegd

(EEG-Verdrag, art. 30)

Samenvatting


1. Wanneer een Lid-Staat niet binnen een redelijke termijn antwoordt op vragen van de Commissie in het kader van een onderzoek teneinde een eventuele niet-nakoming van die staat vast te stellen, maakt dit het de Commissie moeilijker haar taak te vervullen. Dit verzuim moet derhalve worden aangemerkt als een schending van de door artikel 5 EEG-Verdrag opgelegde verplichting tot samenwerking.

2. Artikel 30 EEG-Verdrag staat in de weg aan een nationale regeling die de ondernemingen verplicht, uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij de fabricage in het binnenland ten minste een bij die regeling vastgestelde waarde is toegevoegd.

Partijen


In zaak C-137/91,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, D. Gouloussis en L. Tan, ambtenaar van het Nederlandse Ministerie van Justitie, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Helleense Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Dafniou, wetenschappelijk juridisch medewerkster bij de bijzondere dienst Communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en vervolgens door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Staat, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,

verweerster,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de door de Commissie gevraagde inlichtingen te verstrekken en door de ondernemingen te verplichten uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij de fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd, de krachtens de artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, waarnemend voor de president, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Diez de Velasco, M. Zuleeg en D. A. O. Edward, rechters,

advocaat-generaal: M. Darmon

griffier: D. Triantafyllou, administrateur

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 11 maart 1992, waar de Helleense Republiek was vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 maart 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 mei 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek, door haar niet de gevraagde inlichtingen te verstrekken en door de ondernemingen te verplichten uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij de fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd, de krachtens de artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

3 De Commissie stelt, dat zij na een klacht van de autoriteiten van een Lid-Staat over de in de Helleense Republiek geldende wettelijke regeling betreffende de aanschaf door handelsondernemingen van elektronische kasregisters, op 7 december 1988 respectievelijk 23 februari 1989 twee telexberichten heeft gezonden aan de permanente vertegenwoordiging van verweerster bij de Europese Gemeenschappen, waarin zij om inlichtingen en toelichtingen over deze regeling verzocht. Daar de Helleense Republiek nooit op deze telexberichten heeft geantwoord, heeft zij naar het oordeel van de Commissie artikel 5 EEG-Verdrag geschonden.

4 De Helleense Republiek betwist deze grief. Zij merkt op, dat de Griekse regering in september 1990 tijdens een vergadering te Athene de Commissie alle dienstige inlichtingen over de betrokken wettelijke regeling heeft verschaft. Voorts heeft zij in januari 1991 de Commissie de tekst gezonden van wet nr. 1914/90, waarmee een einde was gemaakt aan de schending van artikel 30 EEG-Verdrag door verweerster. Daar de Commissie dus vóór de instelling van het beroep volledig was ingelicht, zou zij geen belang meer hebben bij haar verzoek aan het Hof, een schending van artikel 5 vast te stellen.

5 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat verweerster de betrokken inlichtingen pas heeft verstrekt bijna twee jaren nadat erom was gevraagd, en in ieder geval na het verstrijken van de in het met reden omkleed advies gestelde termijn.

6 Het uitblijven van een antwoord binnen redelijke termijn op de gestelde vragen heeft het de Commissie moeilijker gemaakt haar taak te vervullen, en moet derhalve worden aangemerkt als een schending van de door artikel 5 EEG-Verdrag opgelegde verplichting tot samenwerking.

7 Verweerster betwist niet de grief van de Commissie, dat wet nr. 1809/88, door als voorwaarde voor goedkeuring van elektronische kasregisters door de Griekse autoriteiten de eis te stellen, dat ten minste 35 % van de waarde van het betrokken apparaat in het binnenland is toegevoegd, in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag. Pas na afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is een wet aangenomen die een einde aan de niet-nakoming heeft gemaakt.

8 Mitsdien is de Helleense Republiek, door niet de door de Commissie gevraagde inlichtingen te verstrekken en door de ondernemingen te verplichten uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij de fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd, de krachtens de artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende, verstaat:

1) Door niet de door de Commissie gevraagde inlichtingen te verstrekken en door de ondernemingen te verplichten uitsluitend elektronische kasregisters te kopen waaraan bij de fabricage in Griekenland een waarde van ten minste 35 % is toegevoegd, is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 5 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Top