EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52021PC0558

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende energie-efficiëntie (herschikking)

COM/2021/558 final

Brussel, 14.7.2021

COM(2021) 558 final

2021/0203(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende energie-efficiëntie (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

{SEC(2021) 558 final} - {SWD(2021) 623 final} - {SWD(2021) 624 final} - {SWD(2021) 625 final} - {SWD(2021) 626 final} - {SWD(2021) 627 final}


TOELICHTING

1.    ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

De Europese Green Deal 1 , die in december 2019 door de Commissie is aangenomen, is “een nieuwe groeistrategie die de EU moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Ook moet de Green Deal het natuurlijk kapitaal van de EU beschermen, behouden en verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van de burgers beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten.”Energie-efficiëntie moet prioriteit krijgen” om deze doelstellingen te bereiken.

Bij die gelegenheid kondigde de Commissie ook aan dat zij een effectbeoordelingsplan zou presenteren om het broeikasgasemissiereductiestreefcijfer van de Unie voor 2030 op verantwoorde wijze te verhogen, en heeft zij zich ertoe verbonden de relevante energiewetgeving uiterlijk in juni 2021 “te evalueren en waar nodig herzieningen voor te stellen” 2 .

In maart 2020 heeft de Commissie een voorstel voor een Europese klimaatwet ingediend om Europa tegen 2050 koolstofvrij te maken. In haar klimaatdoelstellingsplan 3 heeft de Commissie voorgesteld om de ambitie van de Unie op te schroeven door de broeikasgasemissies tegen 2030 te verminderen tot ten minste 55 % onder het niveau van 1990, wat een aanzienlijk grotere inspanning is dan het bestaande streefcijfer van 40 %. In het klimaatdoelstellingsplan worden ook de maatregelen geschetst die nodig zijn in alle sectoren van de economie, waaronder de herzieningen van de belangrijkste wetgevingsinstrumenten om deze verhoogde ambitie te verwezenlijken en om de in de mededeling over de Europese Green Deal 4 gedane toezegging gestand te doen om een alomvattend plan voor te stellen teneinde het streefcijfer van de Europese Unie voor 2030 op verantwoorde wijze te verhogen tot 55 %. Het klimaatdoelstellingsplan is ook in overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 C te houden en ernaar te blijven streven deze op 1,5 C te houden. In december 2020 heeft de Europese Raad zich achter een bindend EU-streefcijfer van een nettoreductie in de EU van uitgestoten broeikasgassen van ten minste 55% in 2030 ten opzichte van 1990 geschaard 5 . De Europese Raad concludeerde dat de klimaatambitie moet worden versterkt op een manier die duurzame economische groei stimuleert, kwaliteitsvolle banen schept, gezondheids- en milieuvoordelen oplevert voor de burgers van de Unie en bijdraagt tot het mondiale concurrentievermogen van de EU-economie op lange termijn door innovatie op het gebied van groene technologieën te bevorderen. Op 22 april 2021 bereikten het Europees Parlement en de Raad een voorlopig politiek akkoord om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen. Dit vormt het kader voor maatregelen om de broeikasgasemissies de komende decennia terug te dringen, maar er is specifieke wetgeving nodig om te waarborgen dat deze reducties plaatsvinden. Uit de prognoses blijkt dat, als het huidige beleid volledig wordt uitgevoerd, de broeikasgasemissies tegen 2030 met ongeveer 45 % zouden zijn verminderd ten opzichte van het niveau van 1990, de emissies en absorpties door landgebruik buiten beschouwing gelaten, en met ongeveer 47 % wanneer rekening wordt gehouden met landgebruik. In het klimaatdoelstellingsplan voor 2030 wordt daarom vooruitgeblikt op een reeks maatregelen die in alle economische sectoren moeten worden genomen en op de aanvang van de herzieningen van de belangrijkste wetgevingsinstrumenten om deze verhoogde ambitie te verwezenlijken.

Om dit te verwezenlijken, heeft de Europese Commissie in haar werkprogramma voor 2021 6 een "Klaar voor 55"-pakket aangekondigd om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen en tegen 2050 een klimaatneutraal Europa tot stand te brengen. Dit pakket zal betrekking hebben op een reeks beleidsterreinen, waaronder energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, landgebruik, energiebelasting, verdeling van de inspanningen en handel in emissierechten.

Energie-efficiëntie is een belangrijk actieterrein dat onontbeerlijk is om de economie van de Unie volledig koolstofvrij te maken 7 . De energie-efficiëntierichtlijn heeft geleid tot het huidige energie-efficiëntiebeleid van de Unie waarbij kosteneffectieve energiebesparingsmogelijkheden worden benut. In december 2018 is de energie-efficiëntierichtlijn gewijzigd als onderdeel van het pakket “Schone energie voor alle Europeanen”, met name om voor 2030 een nieuw EU-kernstreefcijfer inzake energie-efficiëntie van ten minste 32,5 % (ten opzichte van het verwachte energieverbruik in 2030) toe te voegen en om de energiebesparingsverplichting te verlengen na 2020 en te versterken.

Hoewel het energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 wellicht is bereikt als gevolg van de uitzonderlijke omstandigheden als gevolg van de COVID-19-pandemie, ligt de som van de nationale bijdragen die de lidstaten in het kader van de nationale energie- en klimaatplannen (NECP) hebben meegedeeld, nog steeds onder het ambitieniveau van de Unie van 32,5 % in 2030. Alles bij elkaar zouden de bijdragen leiden tot een vermindering van het eindenergieverbruik met 29,4 % en van het primaire energieverbruik met 29,7 % ten opzichte van de prognoses van het referentiescenario uit 2007 voor 2030. Dit zou voor de EU-27 in het totaal leiden tot een tekort van 2,8 procentpunten voor primair energieverbruik en 3,1 procentpunten voor eindenergieverbruik ten opzichte van het ambitieniveau. Dit tekort heeft ook gevolgen voor de inspanningen die nodig zijn om de aangescherpte energie-efficiëntiestreefcijfers te halen. In de effectbeoordeling van het klimaatdoelstellingsplan wordt geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat de vereiste hogere energie-efficiëntieniveaus uitsluitend door de marktwerking, de huidige marktordening en de technologische ontwikkeling zouden worden bereikt, wat betekent dat verdere inspanningen nodig zijn. Volgens de effectbeoordeling 8 bij deze richtlijn moet de energie-efficiëntie aanzienlijk worden verbeterd ten opzichte van het huidige ambitieniveau van 32,5 %.

Het hogere ambitieniveau vereist een sterkere bevordering van de energie-efficiëntie, indien kosteneffectief, op alle gebieden van het energiesysteem en in alle relevante sectoren waar activiteiten van invloed zijn op de vraag naar energie, zoals vervoer, water en landbouw. Het is met name belangrijk om het verband tussen water en energie aan te pakken vanwege de toenemende water- en energiebehoeften en de toenemende druk op watervoorraden als gevolg van de klimaatverandering.

De energie-efficiëntierichtlijn is een belangrijke stap op weg naar klimaatneutraliteit in 2050, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande energiebron. De sleutelrol van energie-efficiëntie wordt ondersteund door het beginsel “energie-efficiëntie eerst”. Het wordt beschouwd als een leidend beginsel van het energiebeleid van de Unie en moet in alle sectoren – niet alleen in het energiesysteem – op alle niveaus, ook in de financiële sector, in aanmerking worden genomen. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moeten energie-efficiënte oplossingen als eerste optie worden beschouwd wanneer beslissingen worden genomen op het vlak van planning en investeringen. Het beginsel is erkend als een essentieel onderdeel van de strategie voor een geïntegreerd energiesysteem 9 .

Hoewel er in alle sectoren nog veel energie kan worden bespaard, vormen het vervoer en het gebouwenbestand een bijzondere uitdaging. De vervoerssector is namelijk goed voor 30 % van het eindenergieverbruik, en 75 % van het gebouwenbestand in de Unie presteert slecht op energiegebied. Een andere belangrijke sector waar steeds meer aandacht aan wordt besteed, is die van de informatie- en communicatietechnologie (ICT), die verantwoordelijk is voor 5 tot 9 % van het totale elektriciteitsverbruik wereldwijd en voor meer dan 2 % van alle emissies. In 2018 bedroeg het energieverbruik van datacentra in de Unie 76,8 TWh. Dit zal naar verwachting stijgen tot 98,5 TWh in 2030, een stijging met 28 %. Deze stijging in absolute termen kan ook in relatieve termen worden gezien: in de EU waren de datacentra in 2018 goed voor 2,7 % van de vraag naar elektriciteit, terwijl dat met huidige stijging in 2030 zal uitkomen op 3,21 % 10 . In de Europese digitale strategie 11 is reeds de nadruk gelegd op de noodzaak van zeer energie-efficiënte en duurzame datacentra en wordt er opgeroepen tot transparantiemaatregelen voor telecomexploitanten met betrekking tot hun ecologische voetafdruk.

De overheidssector is zelf ook een belangrijke economische speler en is verantwoordelijk voor ongeveer 5 tot 10 % van het totale eindenergieverbruik in de Unie 12 . In totaal wordt het aandeel van de Unie in overheidsopdrachten die aan centrale overheidsinstanties worden toegekend, geraamd op ongeveer 16 %. Op het niveau van de lidstaten varieert dit tussen 5 % en 86 % 13 . Openbare gebouwen verbruiken naar schatting ongeveer 2 % van het eindenergieverbruik van de Unie. In de hele overheidssector is er nog steeds ruimte voor kosteneffectieve besparingen, zowel bij de renovatie en het energiebeheer van bestaande gebouwen als bij de toekomstige aankoop van energie-efficiënte gebouwen, producten en diensten.

De industrie is een van de sectoren waar de energie-efficiëntie de afgelopen tien jaar aanzienlijk is verbeterd. Niettemin is er nog steeds ruimte voor kosteneffectieve besparingen 14 . Verwarming en koeling zijn goed voor de helft van het eindenergieverbruik in de Unie, waardoor het de sector met het grootste eindenergieverbruik is. Er is nog veel ruimte om het energieverbruik in deze sector terug te dringen en tegelijkertijd nog steeds de vereiste temperaturen te halen 15 . Verwarming en koeling spelen daarom een cruciale rol in de ambitie van de Unie om tegen 2050 over te schakelen op een schone en koolstofneutrale economie. Er zijn veel inspanningen nodig om gebouwen beter te isoleren, maar er is ook ruimte om de benodigde warmte of koude efficiënter te leveren 16 . Er kunnen aanzienlijke energieverliezen optreden bij de omzetting, transmissie en distributie van energie 17 . Het ontbreken van gemeenschappelijke methodologieën en verslaglegging maakt het moeilijk om netwerken, exploitanten en benchmarkprestaties te vergelijken. In feite bestaat er binnen de Unie geen uniforme definitie van energieverliezen, wat leidt tot een suboptimale gegevenskwaliteit die moet worden aangepakt.

De sector huishoudens vertegenwoordigt ongeveer een kwart van het totale eindenergieverbruik in de Unie. Het gedrag van consumenten en burgers heeft een belangrijke invloed op dit energieverbruik en de energie-efficiëntierichtlijn bevat verschillende bepalingen die helpen om burgers en consumenten slagvaardiger te maken. Het gebrek aan sterke elementen die gericht zijn op het gedrag en de positie van de consument bij de bevordering van energie-efficiëntie, met name op meer lokale niveaus, leidt tot onvoldoende stimulansen voor consumenten om verbeteringen van de energie-efficiëntie te realiseren en om de hoge aanloopkosten en het probleem van gescheiden prikkels aan te pakken 18 .

Hoewel de richtlijn energie-efficiëntie de lidstaten al stimulansen biedt om energiearmoede aan te pakken, heeft de COVID-19-crisis duidelijk gemaakt dat energiearmoede dringend moet worden aangepakt, wil de Unie een sociaal Europa tot stand brengen, zoals overeengekomen in de gezamenlijke verklaring van Porto over sociaal engagement 19 ; een Europa dat tegemoetkomt aan de behoeften van al haar burgers door hen in staat te stellen een actieve rol te spelen in de groene transitie, terwijl de negatieve effecten worden beperkt en niemand aan zijn lot wordt overgelaten. De mate van energiearmoede in alle lidstaten zal meer aandacht trekken, aangezien meer Europeanen moeite kunnen krijgen om toegang te hebben tot essentiële energie, met name door de stijgende energiekosten en werkloosheid. Ook huishoudens met een gemiddeld inkomen lopen in de nabije toekomst een groter risico op energiearmoede, aangezien het merendeel van de huishoudens die met energiearmoede kampen nu al (lagere) middeninkomenshuishoudens zijn. Energie-efficiëntie is aangemerkt als de meest doeltreffende oplossing om energiearmoede te verminderen en een aantal van de mogelijke negatieve verdelingseffecten van prijsmaatregelen te ondervangen 20 . Zoals vereist op grond van de Europese Green Deal, zal de energie-efficiëntierichtlijn samen met de andere initiatieven in het kader van het “Klaar voor 55”-pakket, met name het Sociaal Klimaatfonds, deze tweeledige uitdaging aanpakken en zowel de klimaat- als de sociale behoeften in kansen omzetten.

In dit verband zullen de wijzigingen de energie-efficiëntierichtlijn helpen versterken om de resterende marktbelemmeringen en -tekortkomingen beter aan te pakken door rekening te houden met de bredere doelstellingen van de Europese Green Deal, die erop gericht is niemand aan zijn lot over te laten en een duurzame economie tot stand te brengen. Het voorstel zal aldus de verschillende bepalingen van de energie-efficiëntierichtlijn versterken om ervoor te zorgen dat zij optimaal bijdraagt tot het hogere klimaatstreefcijfer van ten minste 55 % broeikasgasemissiereductie tegen 2030, zoals uiteengezet in het klimaatdoelstellingsplan.

   Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel maakt deel uit van een breder beleidskader voor energie-efficiëntiebeleid waarmee het potentieel voor energie-efficiëntie op specifieke beleidsterreinen wordt aangepakt, onder meer op het gebied van gebouwen (Richtlijn 2010/31/EG 21 , de richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)), producten (Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 en Verordening (EU) 2020/740 22 ) en het governancemechanisme (Verordening (EU) 2018/1999). Die beleidslijnen spelen een belangrijke rol bij het besparen van energie op het moment dat producten worden vervangen of gebouwen worden gebouwd of gerenoveerd 23 . Het voorstel is in overeenstemming met het voorstel tot herziening van de richtlijn hernieuwbare energie 24 25 .

Dit voorstel voor de herschikking van de energie-efficiëntierichtlijn voorziet in een kader voor ander energie-efficiëntiebeleid door de vaststelling van energie-efficiëntiestreefcijfers en de vaststelling van de belangrijkste sectoroverschrijdende en meer specifieke maatregelen. De richtlijn is gericht op energiebesparingen in de overheidssector, onder meer door de verplichting om jaarlijks openbare gebouwen te renoveren en rekening te houden met energie-efficiëntie bij de aankoop van goederen, diensten, werken en gebouwen. De specifieke doelstelling voor openbare gebouwen vormt een aanvulling op de EPBD, waarin de normen en specifieke technische verplichtingen met betrekking tot gebouwen zijn vastgesteld. De overheidssector staat ten dienste van de bevolking in het algemeen, met inbegrip van de kwetsbare afnemers en degenen die risico op energiearmoede lopen, en zorgt er dus voor dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten overeenkomstig de doelstellingen van de Europese Green Deal. De speciale aandacht die in de energie-efficiëntierichtlijn uitgaat naar de overheidssector, is van vitaal belang om deze sector zijn voorbeeldfunctie te laten vervullen bij het bevorderen van energie-efficiëntie. De Commissie is begonnen met de evaluatie van de EPBD en wil tegen het einde van 2021 met een voorstel komen. Hoewel het op dit moment niet mogelijk is vooruit te lopen op de uitkomst van die evaluatie, erkent dit voorstel de specifieke rol van de EPBD bij het vaststellen van kostenoptimale energieprestatie-eisen, en versterkt het de bepalingen van de richtlijn energie-efficiëntie met betrekking tot de voorbeeldfunctie van overheidsinstanties, met name met betrekking tot gebouwen (artikelen 5 en 6), en overheidsopdrachten (artikel 7), waardoor wordt voorzien in het noodzakelijke horizontale actiekader.

De energie-efficiëntierichtlijn biedt de lidstaten een kader om in hun verwarmings- en koelingsplannen het potentieel op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in kaart te brengen. De richtlijn voorziet ook in toezicht op beleidslijnen en maatregelen om dit potentieel te benutten. Deze beleidslijnen en maatregelen ondersteunen rechtstreeks de verwezenlijking van het in artikel 24 van de richtlijn hernieuwbare energie vastgestelde streefcijfer voor de sector verwarming en koeling. Zo zou een herziene definitie van efficiënte stadsverwarming en -koeling (artikel 2, punt 43, van de energie-efficiëntierichtlijn) het gebruik van hernieuwbare energie in stadsverwarming en -koeling rechtstreeks bevorderen. Omgekeerd zouden deze substreefcijfers bijdragen tot de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen van de richtlijn energie-efficiëntie.

Voorts zullen de planningsmaatregelen voor de verwarmings- en koelingssector in het kader van de energie-efficiëntierichtlijn worden afgestemd op het tijdschema van de NECP’s. Dit bevordert een grotere samenhang tussen de NECP’s, de uitgebreide beoordelingen en de beoordelingen van het potentieel van energie uit hernieuwbare bronnen en van het gebruik van afvalwarmte en -koude in de verwarmings- en koelingssector overeenkomstig artikel 15, lid 7, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Details inzake de verslaglegging over diverse bepalingen van de energie-efficiëntierichtlijn zijn vastgesteld in de governanceverordening (Verordening (EU) 2018/1999 26 ). Op grond van deze verordening moet elke lidstaat een tienjarig geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan (NECP) voor 2021-2030 opstellen, waarin wordt uiteengezet hoe de lidstaat voornemens is bij te dragen aan onder meer het energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030. De governanceverordening bevat ook specifieke vereisten voor het vaststellen van energie-efficiëntiestreefcijfers, rapportageverplichtingen, monitoring van de vooruitgang en corrigerende maatregelen die moeten worden genomen in geval van onvoldoende ambitie en vooruitgang. De impact van de wijzigingen in deze richtlijn zullen moeten worden geanalyseerd, hetgeen een latere wijziging van de governanceverordening kan vereisen om de samenhang tussen de twee rechtshandelingen te waarborgen. Nieuwe bepalingen, die met name betrekking hebben op de vaststelling van nationale indicatieve bijdragen, mechanismen voor het opvullen van lacunes en rapportageverplichtingen, moeten worden overgenomen en gestroomlijnd met de governanceverordening, zodra die is gewijzigd, teneinde overlappende eisen te voorkomen. Sommige bepalingen van de governanceverordening moeten wellicht ook opnieuw worden beoordeeld in het licht van de in deze richtlijn voorgestelde wijzigingen.

Er is een wisselwerking tussen de energie-efficiëntierichtlijn en andere wetgeving inzake energie-efficiëntie, namelijk de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen, de richtlijn inzake ecologisch ontwerp en de verordeningen inzake de etikettering van het energieverbruik en van banden 27 . Met deze instrumenten worden minimumprestatienormen vastgesteld, maar wordt niet vereist dat het vervangingstempo wordt versneld of dat voor efficiëntere resultaten dan het minimum wordt gekozen. De belangrijkste mechanismen waarover de lidstaten beschikken om hun energiebesparingen boven de natuurlijke niveaus te tillen teneinde aan de vereisten van de energie-efficiëntierichtlijn te voldoen, zijn het stimuleren van de vervanging van energie-inefficiënte apparaten en het stimuleren van efficiëntere opties. Elk instrument is gericht op verschillende elementen van energie-efficiëntie en leidt uiteindelijk tot hetzelfde doel, namelijk het verbeteren van de energie-efficiëntie en het bereiken van het algemene energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie. Op andere gebieden vormt de energie-efficiëntierichtlijn een aanvulling op andere wetgeving zodat er meer aandacht gaat naar energie-efficiëntie en op die manier de totale energiebesparingen worden opgedreven, bijvoorbeeld door middel van maatregelen inzake overheidsopdrachten, energienetwerken en verwarming en koeling.

   Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Wijzigingen in de beleidsarchitectuur van de energie-efficiëntierichtlijn staan in wisselwerking met bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen, waaronder prijsstellings- en non-tariferingsmechanismen en -maatregelen. De energie-efficiëntierichtlijn, die de bestaande marktbelemmeringen voor energie-efficiëntie aanpakt, gaat hand in hand met de invoering van emissiehandel voor in gebouwen gebruikte brandstoffen, waardoor de terugverdientijd van investeringen in energie-efficiëntie wordt verkort en de businesscase voor energie-efficiëntiemaatregelen in de hele Unie wordt versterkt. Het klimaatdoelstellingsplan heeft aangetoond dat een mix van regelgevende maatregelen en koolstofbeprijzing nodig is om het meest kosteneffectieve traject naar het behalen van het streefcijfer van 55 % broeikasgasemissiereductie te verwezenlijken. Het is van cruciaal belang om een evenwicht te vinden tussen koolstofbeprijzing en regelgevingsbeleid zodat het verhoogde klimaatstreefcijfer op een kostenefficiënte manier wordt verwezenlijkt en tegelijkertijd wordt vermeden dat koolstofkosten worden doorberekend aan met name kwetsbare afnemers en eindgebruikers. Tegelijkertijd zal de handel in emissierechten extra inkomsten genereren uit de veilingen van emissierechten die onder en binnen de lidstaten kunnen worden herverdeeld om kwetsbare en energiearme eindgebruikers te helpen hun rekeningen te betalen en gebouwen te renoveren.

In het “Klaar voor 55”-pakket worden de relevante beleidsinstrumenten gebundeld die kunnen bijdragen tot het streefcijfer om de broeikasgasemissies met 55 % te verminderen, en de bedoeling is dit op een coherente en evenredige wijze te doen met betrekking tot andere relevante verordeningen en richtlijnen. Dit is met name het geval voor de richtlijn energie-efficiëntie, de richtlijn hernieuwbare energie (REDII), de EU-regeling voor de handel in emissierechten (ETS), de verordening inzake de verdeling van de inspanningen (ESR), landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF), energiebelasting en CO2-emissienormen voor voertuigen. De samenhang tussen de verschillende initiatieven in het kader van het “Klaar voor 55”-pakket werd als essentieel beschouwd om ervoor te zorgen dat de verschillende beleidsinstrumenten van het pakket, waaronder de richtlijn energie-efficiëntie, op een zo doeltreffend mogelijke manier bijdragen tot de verwezenlijking van het hogere klimaatstreefcijfer van 55 %. Die EU-beleidslijnen dragen bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-efficiëntierichtlijn, met name wat betreft het energie-efficiëntiestreefcijfer. De streefcijfers en maatregelen waarin de energie-efficiëntierichtlijn voorziet, zullen zorgen voor effectievere verbanden en synergieën met ander beleid van de Unie 28 .

Er zijn belangrijke verbanden tussen de energie-efficiëntierichtlijn en de richtlijn hernieuwbare energie, met name wat betreft verwarming en koeling, aangezien beide richtlijnen ook bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van de strategie voor een geïntegreerd energiesysteem. De energie-efficiëntierichtlijn biedt een versterkt planningskader voor het in kaart brengen van potentiële winst inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor verwarming en koeling, en vereist dat de lidstaten beleidslijnen en maatregelen uitvoeren om dit potentieel te benutten. Deze beleidslijnen en maatregelen ondersteunen rechtstreeks de verwezenlijking van het in artikel 23 van de richtlijn hernieuwbare energie vastgestelde streefcijfer inzake hernieuwbare energie in verwarming en koeling. Omgekeerd dragen deze streefcijfers bij tot de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen van artikel 23 van de energie-efficiëntierichtlijn en van die richtlijn in haar geheel.

In het EU-ETS wordt een plafond voor broeikasgasemissies vastgesteld, dat mettertijd daalt. In de ESR zijn voor de lidstaten bindende jaarlijkse broeikasgasemissiestreefcijfers vastgesteld die gericht zijn op broeikasgasemissies van sectoren die niet onder het EU-ETS vallen, waaronder gebouwen, vervoer en landbouw. De ESR is bepalend voor de naleving van de energie-efficiëntierichtlijn, met name de energiebesparingsverplichting. De additionaliteitsvereiste in het kader van de energiebesparingsverplichting stimuleert de lidstaten om nationale beleidslijnen en maatregelen ten uitvoer te leggen die de op Unieniveau vastgestelde minimumeisen inzake energieprestaties overtreffen (bv. strengere nationale bouwvoorschriften en programma’s ter bevordering van hogere klassen van apparaten). Prijsstellingsmaatregelen zoals het EU-ETS 29 en de energiebelastingrichtlijn 30 maken investeringen in energie-efficiëntie financieel aantrekkelijker, maar bieden geen oplossing voor de marktbelemmeringen die tot een suboptimaal investeringsniveau leiden. Deze vullen de wetgeving inzake energie-efficiëntie aan, maar vervangen deze niet.

Voordat alle maatregelen en streefcijfers die in het kader van het “Klaar voor 55”-pakket worden voorgesteld, volledig van kracht worden en de Europese burgers niet langer afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en stijgende energiekosten, kunnen sommige maatregelen tijdens de overgangsperiode aanzienlijke verdelingseffecten hebben. De uitbreiding van het EU-ETS tot de sectoren gebouwen en vervoer zal naar verwachting leiden tot een stijging van de energieprijzen, aangezien brandstofleveranciers de koolstofkosten waarschijnlijk zullen doorberekenen aan de consumenten, wat nadelige gevolgen kan hebben voor kwetsbare afnemers en eindgebruikers die afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, of voor mensen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen. Gerichte maatregelen om de overgang zowel op Europees als op nationaal niveau te vergemakkelijken. In het “Klaar voor 55”-pakket worden specifieke maatregelen voorgesteld in het kader van de energie-efficiëntierichtlijn, alsook een nieuw financieringsinstrument op basis van de inkomsten uit het nieuwe ETS om de gevolgen van hogere kosten voor consumenten door de invoering van een koolstofprijs in de sectoren wegvervoer en gebouwen te beperken. Het is belangrijk dat er in energie-efficiëntie wordt geïnvesteerd ten gunste van de meest kwetsbaren in de samenleving. Maatregelen om de energiebesparingsverplichting te versterken en om kwetsbare afnemers, mensen die kampen met of risico lopen op energiearmoede, en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen, slagvaardiger te maken en te beschermen, kunnen deze effecten helpen te verzachten. Samen zullen de voorgestelde maatregelen in het kader van de energie-efficiëntierichtlijn en het nieuwe financieringsinstrument op basis van de inkomsten uit de handel in emissierechten in de nieuwe sectoren helpen om de mogelijke negatieve sociale effecten op doeltreffende wijze en in een geest van solidariteit aan te pakken. De inkomsten uit het EU-ETS, met inbegrip van de handel in emissierechten in de nieuwe sectoren, zullen ook ter beschikking van de lidstaten blijven voor de financiering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, stadsverwarmingssystemen en isolatie, of voor het verlenen van financiële steun aan huishoudens met een laag en modaal inkomen.

Om de sociale gevolgen van de emissiehandel voor de twee nieuwe sectoren gebouwen en wegvervoer aan te pakken, wordt een sociaal klimaatfonds opgericht (hierna “het fonds” genoemd). Om ervoor te zorgen dat de begroting van de Unie de extra uitgaven voor het fonds kan bekostigen, dient de Commissie parallel met deze fondsverordening voorstellen in tot wijziging van zowel de verordening betreffende het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 als Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad (het “eigenmiddelenbesluit”). Met name zal een deel van de inkomsten uit de handel in emissierechten voor het wegvervoer en gebouwen naar de begroting van de Unie vloeien. Het fonds moet de lidstaten financiering verstrekken ter ondersteuning van hun maatregelen en investeringen ter verhoging van de energie-efficiëntie van gebouwen, voor verbeteringen van de energie-efficiëntie, renovatie van gebouwen en voor het koolstofvrij maken van verwarming en koeling van gebouwen, met inbegrip van de integratie van energieproductie uit hernieuwbare energiebronnen, en voor de financiering van emissiearme en emissievrije mobiliteit. De lidstaten zouden ook tijdelijke rechtstreekse steun aan kwetsbare huishoudens kunnen overwegen, naast investeringen die verdere structurele veranderingen versnellen.

Bovendien wordt, in overeenstemming met de renovatiestrategie, in een aantal nieuwe en bestaande programma’s van het MFK en de NextGenerationEU voorzien in financieringssteun van de Unie voor investeringen in energie-efficiëntie en de renovatie van gebouwen die energiearmoede helpen aanpakken of voorkomen.

Een andere belangrijke financieringsbron voor investeringen in energie-efficiëntie is de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarmee in totaal 672,5 miljard EUR aan subsidies en leningen ter beschikking van de lidstaten zal worden gesteld. Binnen het algemene streefcijfer om 37 % van de middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit te besteden aan klimaatmaatregelen, zijn de lidstaten van plan aanzienlijke bedragen te besteden aan investeringen in de renovatie van gebouwen, in overeenstemming met de richtsnoeren van de Europese Commissie, met specifieke aandacht voor de slechtst presterende gebouwen en energiearme huishoudens.

De fondsen van het cohesiebeleid zullen, binnen het algemene klimaatstreefcijfer van 30 % en via de thematische concentratie op beleidsdoelstelling 2, een aanzienlijk deel van de begroting van de Unie blijven toewijzen aan investeringen in energie-efficiëntie en de renovatie van gebouwen, terwijl InvestEU via specifieke financieringsinstrumenten en technische bijstand, met name de ELENA-faciliteit, op grote schaal particuliere en publieke investeringen in de lidstaten zal mobiliseren.

Het Fonds voor een rechtvaardige transitie, met een totale begroting van 17,5 miljard EUR, zal gericht zijn op het verlichten van de sociale en economische kosten die voortvloeien uit de transitie naar een klimaatneutrale economie, onder meer door investeringen in energie-efficiëntie en renovatie van gebouwen die het tweeledige voordeel hebben dat lokale banen worden gecreëerd en energiearmoede op duurzame wijze wordt aangepakt.

Tot slot zullen de centraal beheerde programma’s, zoals LIFE of Horizon Europa, financieringsprioriteiten hebben ter ondersteuning van een rechtvaardige en groene transitie, in overeenstemming met de doelstellingen en de aard van de specifieke programma’s, d.w.z. gericht op technologische en marktinnovatie en de ontwikkeling van beste praktijken bij de uitvoering van energie-efficiëntiebeleid. De EU-wetgeving inzake de CO2-uitstoot van wegvoertuigen vereist dat producenten de gemiddelde CO2-uitlaatemissies verlagen van het nieuwe wagenpark dat een gevolg is van de voertuigenmix die ze verkopen. Er zijn regels ingevoerd voor zware bedrijfsvoertuigen, personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen 31 . Deze regels houden in dat fabrikanten ofwel technologie moeten inzetten om de energie-efficiëntie van de voertuigen te verbeteren (bijvoorbeeld door hun aerodynamische of rolweerstand te verkleinen of de efficiëntie van de aandrijflijn te vergroten), ofwel een energiebron moeten gebruiken die tijdens het verbruik minder CO2 uitstoot. De overschakeling op volledig elektrische aandrijflijnen voorkomt energieverlies door verbrandingsmotoren en leidt tot een fractie van het eindenergieverbruik per kilometer. De vermindering van het energieverbruik in de vervoerssector als gevolg van de CO2-wetgeving voor voertuigen komt tot uiting in de kwantificering van het algemene energie-efficiëntiestreefcijfer van de EU. De energie-efficiëntierichtlijn zal synergieën creëren met de maatregelen van de strategie voor duurzame en slimme mobiliteit. De richtlijn geeft de lidstaten volledige flexibiliteit en manoeuvreerruimte met betrekking tot de keuze van maatregelen om het energieverbruik in het vervoer te verminderen, maar stimuleert het gebruik van energie-efficiëntiemaatregelen in de vervoerssector. Het actieplan voor de circulaire economie sluit ook aan bij de energie-efficiëntierichtlijn. Producten en infrastructuur zo ontwerpen dat ze langer meegaan of grondstoffen hergebruiken en recyclen leidt tot een lager energieverbruik en een lagere uitstoot van broeikasgassen gedurende de levenscyclus van producten en infrastructuur. In de renovatiestrategie wordt er nadrukkelijk naar gestreefd dat Europese gebouwen gedurende hun volledige levenscyclus energie-efficiënter, minder koolstofintensief en duurzamer zijn. De beginselen van de circulaire economie kunnen bijdragen tot een vermindering van de vervuiling en materiaalgerelateerde broeikasgasemissies bij de renovatie van gebouwen.

2.    RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

   Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat de rechtsgrondslag voor maatregelen op energiegebied is. De voorgestelde maatregelen hebben tot doel de energie-efficiëntie in alle sectoren en in de gehele energieketen te verbeteren, en streven dus een van de in artikel 194 genoemde doelstellingen na, namelijk het bevorderen van energie-efficiëntie en het besparen van energie overeenkomstig artikel 194, lid 1, punt c). Aangezien het Verdrag een specifieke rechtsgrondslag voor maatregelen op energiegebied bevat, is het passend om deze te gebruiken.

   Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het subsidiariteitsbeginsel is in dit voorstel van toepassing, aangezien de Unie geen exclusieve bevoegdheden op het gebied van energiebeleid heeft. Het voorstel bouwt voort op het toenemende belang van energie-efficiëntie als politieke en economische uitdaging en de nauwe onderlinge verbondenheid van energie met de beleidsterreinen energievoorziening, klimaatverandering, interne markt en economische en sociale ontwikkeling.

Behoefte aan actie van de EU

Actie van de EU is gerechtvaardigd op grond van subsidiariteit in overeenstemming met artikel 191 VWEU, aangezien coördinatie op Europees niveau de energiezekerheid en de milieu- en klimaatvoordelen vergroot. De onderliggende problemen die leiden tot onvoldoende energiebesparingen (vergeleken met het optimale niveau vanuit het oogpunt van de samenleving) zijn in de hele EU gelijk en zijn overal aanwezig 32 .

Er moet op EU-niveau actie worden ondernomen om ervoor te zorgen dat de lidstaten bijdragen tot het op EU-niveau bindende energie-efficiëntiestreefcijfer en dat dit gezamenlijk en op kosteneffectieve wijze wordt verwezenlijkt. De lidstaten wordt verzocht hun eigen ambitieniveaus vast te leggen, inclusief trajecten die overeenkomen met hun nationale omstandigheden en context. De aard van het instrument en het feit dat het energie-efficiëntiestreefcijfer op nationaal niveau niet bindend is, zijn in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Door rekening te houden met de nationale context en specifieke omstandigheden zullen de lidstaten hetzelfde niveau van flexibiliteit behouden bij het kiezen van hun beleidsmix, sectoren en aanpak om de vereiste energiebesparingen tegen 2030 te realiseren.

Gezien het hogere klimaatstreefcijfer zal het optreden van de Unie de nationale en lokale maatregelen aanvullen en versterken zodat de inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie worden opgevoerd. Op grond van de governanceverordening is de Commissie reeds verplicht om op te treden wanneer de lidstaten onvoldoende ambitieus zijn om de streefcijfers van de Unie te halen, waardoor de facto formeel wordt erkend dat het optreden van de Unie in dit verband essentieel is en derhalve gerechtvaardigd is op grond van subsidiariteit in overeenstemming met artikel 191 VWEU.

De onderliggende problemen die leiden tot onvoldoende energiebesparingen (vergeleken met het optimale niveau vanuit het oogpunt van de samenleving) zijn in de hele Unie gelijk en zijn overal aanwezig. Gezien de externe kosten van het energieverbruik (bv. broeikasgasemissies, emissies van luchtverontreinigende stoffen, energiezekerheid) zullen maatregelen om de energie-efficiëntie te verhogen en het energieverbruik te verlagen waarschijnlijk voordelen opleveren over de nationale grenzen heen. Voor grensoverschrijdende problemen is het onwaarschijnlijk dat maatregelen van de lidstaten tot optimale resultaten leiden. Om een hoger klimaatstreefcijfer, en dus een hoger energie-efficiëntiestreefcijfer, te behalen, moet het optreden van de Unie de nationale en lokale maatregelen aanvullen en versterken.

Daarnaast zijn de aard van het instrument en het feit dat het energie-efficiëntiestreefcijfer op nationaal niveau niet bindend is, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. De lidstaten behouden hetzelfde niveau van flexibiliteit bij het kiezen van hun beleidsmix, sectoren en aanpak om de vereiste energiebesparingen tegen 2030 te realiseren door rekening te houden met de nationale context en specifieke omstandigheden. Energie is echter een beleidsterrein met grote investeringsbehoeften.

Een gecoördineerde aanpak op het niveau van de Unie kan zorgen voor vertrouwen, betrouwbaarheid en continuïteit, waardoor de kans toeneemt dat verschillende spelers investeren en deelnemen. Beleidsmaatregelen op het niveau van de Unie kunnen ook zorgen voor een rechtvaardige en eerlijke transitie voor landen en regio’s met economieën die aanzienlijke gevolgen kunnen ondervinden van veranderingen in de industriële structuur of de werkgelegenheid als gevolg van de transitie naar een koolstofarme economie.

Een gecoördineerd optreden op het niveau van de Unie maakt het bovendien mogelijk beter rekening te houden met de verschillende vermogens van de lidstaten om actie te ondernemen. Er is sprake van externe kosten wanneer het produceren of verbruiken van een goed of dienst kosten (een negatief effect) voor een derde partij met zich meebrengt.

EU-meerwaarde

Energie-efficiëntiebeleid is een cruciaal instrument om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen en draagt bij tot milieugerelateerde, economische en sociale voordelen, zoals een betere luchtkwaliteit, lagere energiefacturen en een betere gezondheid. De energie- en klimaatstreefcijfers van de Unie voor 2030 zijn collectieve streefcijfers. Met gecoördineerde beleidsmaatregelen van de Unie is de kans groter dat de Unie tegen 2050 een klimaatneutraal continent wordt. Een gemeenschappelijke aanpak is de meest doeltreffende manier om ervoor te zorgen dat internationale verbintenissen worden nagekomen.

Op het niveau van de lidstaten moeten concrete maatregelen worden genomen om het energieverbruik te verminderen. Niettemin is er voor deze maatregelen behoefte aan een doeltreffend kader op Unieniveau. Een gecoördineerde en geharmoniseerde aanpak op Unieniveau zal het optreden van de lidstaten mogelijk maken en bevorderen, alsook de vier vrijheden waarborgen. Een gemeenschappelijke EU-aanpak zal bijvoorbeeld helpen grotere markten voor Europese leveranciers, werknemers en goederen tot stand te brengen en ervoor zorgen dat dezelfde verplichtingen en regels van toepassing zijn. Dit zal de concurrentie beschermen en stimuleren. Dankzij een gemeenschappelijke aanpak op het niveau van de Unie zullen consumenten dezelfde basisrechten genieten en in de hele Unie vergelijkbare en herkenbare informatie ontvangen. Een gemeenschappelijke EU-aanpak inzake energie-efficiëntie zal het mogelijk maken specifieke gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken, zoals de noodzaak om energiearmoede te verminderen.

De ervaring met de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn leert dat een gemeenschappelijk EU-kader sociaal rechtvaardig is, de kosten vermindert, de voordelen van de interne markt verhoogt en nationale beleidsmakers toelaat van elkaar te leren. De energie-efficiëntierichtlijn vormt een doeltreffende aanvulling op andere maatregelen op nationaal en EU-niveau, en fungeert als katalysator. Het op het niveau van de Unie vastgestelde beleid weerspiegelt de nauwe verwevenheid van de beleidsterreinen klimaatverandering, voorzieningszekerheid, duurzaamheid, milieu, interne markt, sociale en economische ontwikkeling. De effecten op de interne markt op het gebied van groei, investeringen en verbetering van de werkgelegenheid kunnen dus in aanmerking worden genomen bij het vaststellen en uitvoeren van beleid en maatregelen. Dit werd ondersteund door de taskforce die werd opgericht om ervoor te zorgen dat de energie-efficiëntiestreefcijfers van de EU voor 2020 werden gehaald, die aandrong op een sterk, doelgericht en gemeenschappelijk beleidskader inzake energie-efficiëntie om de nodige investeringen aan te trekken en ervoor te zorgen dat energiebesparingen op een rechtvaardige en eerlijke manier worden gerealiseerd.

Bovendien is de eengemaakte markt een sterke aanjager van kostenefficiëntie bij het realiseren van broeikasgasemissiereducties.

Een gemeenschappelijk optreden van de Unie zal ervoor zorgen dat de doelstellingen van het beleid collectief en tegen de laagst mogelijke kosten worden verwezenlijkt. Om de algemene streefcijfers collectief te verwezenlijken, kan het gecoördineerde optreden op het niveau van de Unie de inspanningen op nationaal niveau mogelijk maken en versterken door te zorgen voor een meer geharmoniseerde aanpak, door te helpen bij het creëren van omvangrijke markten voor Europese leveranciers en door ervoor te zorgen dat zij aan dezelfde verplichtingen en regels onderworpen zijn.

Een kader op Unieniveau zal investeerders ook meer zekerheid bieden. Het zal de hele eengemaakte markt een algemene impuls geven om te investeren in allerlei soorten energie-efficiënte producten. De bepaling van nationale en Uniedoelstellingen geeft een duidelijke indicatie van de verwachte inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie en helpt om na te gaan hoe groot de markt voor energie-efficiënte producten en diensten is. Dit zal leveranciers en fabrikanten een signaal geven om meer inspanningen te leveren op het gebied van productontwikkeling.

Om van energie-efficiëntie een realiteit maken en tegelijk consumenten slagvaardiger te maken, is nuttige, nauwkeurige en begrijpelijke informatie nodig over het energieverbruik en de daaraan verbonden kosten, alsook gemakkelijke toegang tot een concurrerende markt voor bouwmaterialen (ramen, isolatie enz.), verwarmings- en koelingsoplossingen en andere producten die de energie-efficiëntie helpen verbeteren.

Sectorspecifieke maatregelen, bijvoorbeeld gericht op de verwarmings- en koelingssector, moeten ervoor zorgen dat sectoren waar de grootste vermindering van broeikasgasemissies nodig is, passende aandacht krijgen. Een geharmoniseerde planning zorgt ervoor dat de nationale beleidslijnen en maatregelen van een vergelijkbare kwaliteit zijn en dat gestructureerde informatie over de sectorale doelstellingen en plannen in de lidstaten beschikbaar is, zodat lidstaten en marktdeelnemers hun activiteiten kunnen plannen. In het geval van verwarming en koeling draagt dit bij tot een voldoende grote markt met gemeenschappelijke normen zodat de kosten van leveranciers van hoogrenderende apparatuur voor stadsverwarming en warmtekrachtkoppeling dalen en zij gemotiveerd worden om hun aanbod te innoveren en te verbeteren.

Door op het niveau van de Unie op te treden, kunnen verschillende belemmeringen voor publieke en private investeringen worden aangepakt, waarbij het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende vergunningverlenende instanties op nationaal niveau wordt aangepakt en er meer administratieve capaciteit vrijkomt voor de uitvoering van grensoverschrijdende projecten en steunregelingen.

In de energie-efficiëntierichtlijn wordt weliswaar de algemene energie-efficiëntiedoelstelling vastgesteld, maar de meeste maatregelen die moeten worden genomen om deze doelstelling te verwezenlijken, worden overgelaten aan de lidstaten. De lidstaten behouden speelruimte bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”. In de energie-efficiëntierichtlijn worden bindende energie-efficiëntiestreefcijfers op het niveau van de Unie vastgesteld, maar deze zullen voor 2020 en 2030 niet worden vertaald in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De lidstaten moeten hun bijdrage aan de collectieve verwezenlijking van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie vaststellen aan de hand van de formule in de energie-efficiëntierichtlijn. Door de verplichting om jaarlijks minder energie te verbruiken, zal de overheidssector een voorbeeldfunctie vervullen, terwijl de lidstaten volledige flexibiliteit behouden met betrekking tot de keuze van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie om de vereiste vermindering van het eindenergieverbruik te bereiken. Daarnaast bevat de energie-efficiëntierichtlijn nog steeds een vereist jaarlijks renovatiepercentage op basis van de vloeroppervlakte van gebouwen. Het toepassingsgebied van deze verplichting wordt uitgebreid tot alle gebouwen op het grondgebied van een lidstaat die eigendom zijn van eender welke overheidsinstantie. Deze maatregel moet ervoor zorgen dat de lidstaten het goede voorbeeld blijven geven door de energieprestaties van gebouwen op hun grondgebied te verbeteren, terwijl ze nog steeds zelf de maatregelen kunnen kiezen. Voorts zal de energie-efficiëntierichtlijn het noodzakelijke kader bieden om ervoor te zorgen dat producten, diensten, werken en gebouwen die door overheidsinstanties worden aangekocht, hoog renderend zijn, en dat, waar passend, bredere aspecten van duurzaamheid, maatschappelijk welzijn, milieuvriendelijkheid en circulaire economie in overweging worden genomen. Een geharmoniseerde aanpak, waarbij ook rekening wordt gehouden met aspecten van energie-efficiëntie in aanbestedingsprocedures, zal de mededinging in stand houden, zorgen voor kostenefficiënte energiebesparingen op de lange termijn en ruimte blijven bieden voor omvangrijke markten. De energie-efficiëntierichtlijn zal tot meer energiebesparingen leiden door het besparingspercentage te verhogen. De lidstaten moeten jaarlijks nieuwe energiebesparingen realiseren aan de hand van beleidsmaatregelen in alle sectoren. Aangezien de energiebesparingsverplichting een doeltreffende maatregel is om de energie-efficiëntie in verschillende sectoren te verbeteren, is het ook een doeltreffend instrument om de lidstaten te ondersteunen bij het terugdringen van energiearmoede. Op grond van de energiebesparingsverplichting zullen de lidstaten daarom een individueel berekend aandeel van de totale hoeveelheid energiebesparingen moeten behalen ten gunste van kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen. Een geharmoniseerde aanpak kan bijdragen tot een rechtvaardige energietransitie voor alle Europeanen. De energiebesparingsverplichting biedt de lidstaten volledige flexibiliteit wat betreft de soorten beleidsmaatregelen, de omvang, reikwijdte en inhoud ervan. De energie-efficiëntierichtlijn zal waarborgen dat alle Europese burgers hetzelfde niveau van contractuele basisrechten hebben met betrekking tot verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden. Hoewel de energie-efficiëntierichtlijn de tenuitvoerlegging van bepaalde contractuele basisrechten van afnemers vereist, zullen de nationale bevoegdheden niet worden beperkt. Er is ook behoefte aan een gelijk speelveld in de hele EU met betrekking tot voorlichtings- en bewustmakingsactiviteiten voor consumenten. De lidstaten moeten passende maatregelen nemen, maar de concrete opzet van dergelijke acties vullen ze nog steeds naar eigen goeddunken in. De gevolgen van de economische en gezondheidscrisis in de hele Unie tonen aan dat een geharmoniseerde aanpak ook nodig is om kwetsbare afnemers en eindgebruikers en mensen die met energiearmoede kampen, slagvaardiger te maken en te beschermen.

Om hetzelfde niveau van bescherming en slagvaardigheid te waarborgen, vereist de energie-efficiëntierichtlijn dat maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie prioritair worden uitgevoerd en gefinancierd ten gunste van deze mensen. Dit zal de lidstaten ook helpen negatieve verdelingseffecten te vermijden. Er moet in alle lidstaten een netwerk van deskundigen worden opgezet dat het optreden van de lidstaten op dit gebied zal vergemakkelijken. Hoewel verplichte energie-audits voor grote ondernemingen verplicht moeten worden gesteld – de energiebesparingen kunnen tenslotte aanzienlijk zijn – zullen de lidstaten de flexibiliteit behouden om programma’s te ontwikkelen teneinde kleine en middelgrote ondernemingen aan te moedigen energie-audits te ondergaan. Wat de verwarmings- en koelingssector betreft, behouden de lidstaten hun bevoegdheden om een alomvattende beoordeling van het potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling uit te voeren, en kunnen zij vrijstellingen verlenen op het gebied van de terugwinning van afvalwarmte door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of door het leveren van een netwerk voor stadsverwarming of -koeling. De energie-efficiëntierichtlijn zal de lidstaten toelaten maatregelen en procedures in te voeren ter bevordering van warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om bij te dragen aan de totstandbrenging van een eengemaakte markt moeten alle lidstaten, nationale reguleringsinstanties, transmissie- en distributiesysteembeheerders het beginsel “energie-efficiëntie eerst” toepassen en alle regelgevende, technische en niet-regelgevende maatregelen voor energie-efficiëntieverbeteringen bij het beheer van energienetwerken afschaffen. De ontwikkeling van een markt voor energiediensten om zowel de vraag naar als de levering van energiediensten te waarborgen, zou nog steeds onder de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten vallen. De energie-efficiëntierichtlijn zou de lidstaten de flexibiliteit bieden om regelgevende en niet-regelgevende obstakels voor energie-efficiëntieverbeteringen in kaart te brengen en aan te pakken. De lidstaten en regio’s zouden worden aangemoedigd om ten volle gebruik te maken van de structuur- en investeringsfondsen en andere financieringsfaciliteiten teneinde investeringen in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te stimuleren, energiearmoede te verminderen en de eventuele negatieve verdelingseffecten te beperken voor kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die met energiearmoede kampen en mensen die in sociale woningen wonen.

Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

   Evenredigheid

Op basis van de bijbehorende effectbeoordeling 33 en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel gaan de voorgestelde wijzigingen over het geheel genomen niet verder dan wat nodig is voor de verwezenlijking van een hogere energie-efficiëntieambitie met het oog op het aangescherpte klimaatstreefcijfer voor 2030. Wat de energie-efficiëntiestreefcijfers betreft, staan de wijzigingen in verhouding tot de vereiste ambitie van de Unie in overeenstemming met het verhoogde klimaatstreefcijfer van ten minste 55 % broeikasgasemissiereductie in het klimaatdoelstellingsplan. Verschillende wijzigingen bevatten specifieke streefcijfers en verplichtingen voor overheidsdiensten om op bepaalde gebieden – de overheidssector en energiearmoede – energiebesparingen te realiseren die alles bij elkaar evenredig zullen zijn. Wat de energiebesparingsverplichting voor de overheidssector betreft, zijn overheidsinstanties gedefinieerd in Richtlijn 2014/24/EU inzake overheidsopdrachten (aanbestedende diensten). De lidstaten zouden een databank met overheidsinstanties moeten opzetten, met daarin hun jaarlijks energieverbruik. De voorgestelde verplichting tot vermindering van het energieverbruik biedt de lidstaten aanzienlijke flexibiliteit wat betreft de vraag waar en hoe energiebesparingen kunnen worden gerealiseerd. Gezien de kostenvoordelen die de uitvoering van besparingsmaatregelen zouden opleveren, wordt deze inspanning als doeltreffend en niet buitensporig beschouwd. Het voorstel is ook bedoeld om de verdelingseffecten van de uitbreiding van de emissiehandel tot gebouwen en vervoer aan te pakken. Het vaststellen van definities en verplichtingen, met name met betrekking tot verwarming en koeling, zou in verhouding staan tot de extra energiebesparingen en synergieën met de andere instrumenten die in deze sector kunnen worden gerealiseerd. De evenredigheid van aanvullende monitoring- en rapportagevereisten hangt af van het evenwicht tussen hogere kosten enerzijds en besparingen als gevolg van een beter inzicht in de effecten van de betrokken maatregelen anderzijds.

De verplichtingen die worden opgelegd zijn dus evenredig met het doel.

   Keuze van het instrument

Het gekozen instrument is een richtlijn, die door de lidstaten ten uitvoer moet worden gelegd. Een richtlijn is het meest geschikte instrument, omdat hierin de te bereiken doelstellingen van de Unie duidelijk worden gedefinieerd en de lidstaten toch voldoende manoeuvreerruimte behouden om de richtlijn ten uitvoer te leggen op een manier die aansluit bij hun omstandigheden.

Het voorstel combineert een codificatie en een wijziging van de richtlijn energie-efficiëntie. In de context van een Europa van de burgers hecht de Commissie groot belang aan het vereenvoudigen en verduidelijken van het recht van de Unie om het duidelijker en toegankelijker te maken voor de burger, zodat deze nieuwe mogelijkheden krijgt en in staat wordt gesteld gebruik te maken van de specifieke rechten die hij aan het recht van de Unie kan ontlenen. Het voorstel behelst een inhoudelijke wijziging van de energie-efficiëntierichtlijn, die herhaaldelijk is gewijzigd.

Om de twee processen, de herziening en de codificatie, op elkaar af te stemmen, stelt de Commissie een herschikking van de energie-efficiëntierichtlijn voor. De herschikking draagt bij tot de vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie omdat met deze methode één enkele wettekst kan worden vastgesteld, waardoor tegelijkertijd de gewenste wijziging wordt aangebracht, die wijziging en eerdere wijzigingen worden gecodificeerd ten aanzien van de ongewijzigde bepalingen van de voorafgaande handeling, en die handeling en eerdere wijzigingshandelingen worden ingetrokken. Een herschikte richtlijn is daarom het passende instrument dat aansluit bij de verbintenis van de Commissie op grond van paragraaf 46 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven 34 . De nieuwe rechtshandeling komt in de plaats van Richtlijn 2012/27/EU en trekt deze in.

Voor zover de artikelen zijn vernummerd, is het verband tussen de oude en de nieuwe nummering weergegeven in een concordantietabel die is opgenomen in bijlage XVI bij de herschikte richtlijn.

3.    EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

   Ex-postevaluatie van bestaande wetgeving 35

De energie-efficiëntierichtlijn blijft relevant om de energie-efficiëntie in de Unie te verhogen en bij te dragen tot een hoger klimaatstreefcijfer van 55 %. Andere voordelen ervan zijn onder meer het verminderen van de afhankelijkheid van ingevoerde energie en het stimuleren van innovatie en concurrentievermogen. Uit de evaluatie is gebleken dat de energie-efficiëntierichtlijn ervoor moet zorgen dat de lidstaten adequaat maatregelen nemen op specifieke gebieden van het energieverbruik. Uit diverse studies van de Commissie en uit gegevens van belanghebbenden 36 blijkt dat er, zelfs met bestaande technologieën, nog veel ruimte is voor investeringen in energie-efficiëntie en kosteneffectieve besparingen in de economische sectoren van de lidstaten en in de samenleving als geheel.

Bij ongewijzigd beleid, en nog meer als gevolg van de negatieve sociaaleconomische gevolgen en inkomensverliezen door de COVID-19-crisis, zou een groot deel van dit energie-efficiëntie- en energiebesparingspotentieel echter onbenut blijven, mede door tekortkomingen van de markt en van de regelgeving, waardoor kosteneffectieve investeringen en maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie niet kunnen plaatsvinden. Gezien het aanzienlijke energiebesparingspotentieel zijn het verder bevorderen van energie-efficiëntiemaatregelen en het wegnemen van belemmeringen voor energie-efficiënt gedrag, onder meer voor investeringen, noodzakelijk.

Uit de evaluatie blijkt dat er in de overheidssector terughoudendheid lijkt te bestaan om bij aanbestedingen systematisch energie-efficiëntievereisten te stellen, voornamelijk vanwege de aankoopprijs. De energie-efficiëntierichtlijn kan dus nog versterkt en gestroomlijnd worden, zodat deze bijdraagt tot de verwezenlijking van het aangescherpte klimaatstreefcijfer en de doelstellingen van de Europese Green Deal. Bovendien kunnen met de energie-efficiëntierichtlijn sociaal-economische uitdagingen nog beter worden aangepakt, bijvoorbeeld door kwetsbare afnemers en eindgebruikers beter te beschermen en slagvaardiger te maken, en de energiearmoede terug te dringen. Met betrekking tot de industrie blijkt uit de evaluatie dat wat de meeste bedrijven tegenhoudt, waarschijnlijk is dat zij niet over de knowhow beschikken om te weten welke technische energiebesparingen mogelijk zijn of wat de economische voordelen deze het bedrijf kunnen opleveren.

Wat doeltreffendheid betreft, heeft de energie-efficiëntierichtlijn in de hele Unie geleid tot verbeteringen van de energie-efficiëntie dankzij haar streefcijfers (met name artikel 3 en artikel 5) en bindende maatregelen (met name artikel 7 inzake energiebesparingsverplichtingen), al werd er onvoldoende vooruitgang geboekt in de richting van de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie voor 2020. Of de noodzakelijke verbeteringen van de energie-efficiëntie worden verwezenlijkt, hangt grotendeels af van de ambitie van de lidstaten bij het vaststellen van doelstellingen, en van hun inspanningen bij het ontwikkelen en uitvoeren van energie-efficiëntiemaatregelen op nationaal niveau. Hoewel in de energie-efficiëntierichtlijn grenswaarden voor het eindverbruik en het primaire energieverbruik voor de Unie als geheel zijn vastgesteld en de governanceverordening voorziet in verdere Uniemaatregelen indien de streefcijfers niet worden gehaald, draagt de indicatieve aard van het streefcijfer niet bij tot de verwezenlijking ervan. Artikel 7 blijft een doeltreffende maatregel die voor voornamelijk in de bouwsector voor energiebesparingen zorgt. Verplichtingen voor de overheidssector (artikelen 5 en 6) zijn van essentieel belang gebleken om centrale overheden het goede voorbeeld te laten geven door de bevordering van energie-efficiëntie via renovaties en overheidsopdrachten. De maatregelen werden echter slechts op beperkte schaal uitgevoerd en een aantal beperkingen verhinderen dat het energiebesparingspotentieel in de publieke sector wordt benut. De energie-efficiëntierichtlijn was ook essentieel voor de bevordering van energie-audits in de hele Unie (artikel 8). Er zijn echter nog steeds belangrijke belemmeringen, zoals de follow-up van audits en uitdagingen in verband met de toepassing van de definitie van kmo’s, en het ontbreken van vereisten en stimulansen voor de tenuitvoerlegging van energiebeheersystemen. Door de vereisten van artikel 14 inzake verwarming en koeling, met name de eis om uitgebreide beoordelingen uit te voeren, wordt in alle lidstaten meer belang gehecht aan verwarming en koeling. Uit de analyse bleek echter dat de algemene impact vrij gering was, met name omdat er te weinig follow-up wordt gegeven aan de bevindingen van de uitgebreide beoordelingen die overeenkomstig artikel 14 zijn uitgevoerd, en omdat de toegestane vrijstellingen te ruim worden gebruikt. De energie-efficiëntierichtlijn heeft in grote mate bijgedragen tot de ontwikkeling van markten voor energiediensten en energieprestatiecontracten (artikel 18). Er moet echter nog steeds belangrijke belemmeringen worden aangepakt.

Wat efficiëntie betreft, heeft de energie-efficiëntierichtlijn in het algemeen bijgedragen tot kosteneffectieve energiebesparingen in de Unie. Verschillende bepalingen die aan “voorwaarden” onderworpen waren (bv. in de artikelen 5, 6, 9 tot en met 11 en 14), vereisten optreden indien dit kosteneffectief, of economisch of technisch haalbaar is. Dit bood de lidstaten aanzienlijke speelruimte om maatregelen te kiezen. De lidstaten hebben echter niet altijd aangetoond hoe de haalbaarheid werd bepaald. Niets wijst op significante verschillen tussen de lidstaten wat betreft de kosten voor de meeste bepalingen van de energie-efficiëntierichtlijn, behalve voor artikel 7 (de kosten hangen af van het ontwerp en de reikwijdte van de maatregel).

Wat de samenhang betreft, is de energie-efficiëntierichtlijn over het algemeen coherent met het bredere energie- en klimaatbeleid, maar de toenemende onderlinge verbanden met hernieuwbare energie en het EU-ETS vereisen een behoorlijke stroomlijning en nader onderzoek naar vermindering van de administratieve lasten. Daarnaast moeten de bepalingen van de energie-efficiëntierichtlijn worden aangepast om de doelstellingen inzake decarbonisatie en nulverontreiniging in het kader van de initiatieven van de Europese Green Deal te ondersteunen.

Wat de toegevoegde waarde van de Unie betreft, was het optreden van de Unie van cruciaal belang om de energie-efficiëntie in de hele Unie te verbeteren. Het is duidelijk dat die verbeteringen niet in dezelfde mate zouden zijn verwezenlijkt zonder het streefcijfer op EU-niveau en zonder bindende maatregelen. Sommige bepalingen kunnen evenwel nog worden versterkt en gestroomlijnd zodat de energie-efficiëntierichtlijn de inspanningen oplevert die nodig zijn om het hogere EU-klimaatstreefcijfer van ten minste 55 % voor 2030 te halen.

   Raadpleging van belanghebbenden

Het stappenplan voor de evaluatie/de aanvangseffectbeoordeling werd op 3 augustus 2020 gepubliceerd en was beschikbaar tot 21 september 2020.

De Commissie ontving 189 antwoorden en 99 belanghebbenden voegden aanvullende verklaringen en informatie bij hun antwoorden. Het grootste aantal antwoorden werd ontvangen van bedrijfsorganisaties (80 antwoorden), gevolgd door bedrijven (36 antwoorden) en ngo’s (26 antwoorden). Daarnaast zijn in de periode van september tot en met oktober 2020 negen vergaderingen georganiseerd met specifieke groepen belanghebbenden over specifieke onderwerpen, en vond op 10 november 2020 een speciale vergadering van de deskundigengroep over de energie-efficiëntierichtlijn plaats. De Commissie heeft van 17 november 2020 tot en met 9 februari 2021 ook een online openbare raadpleging gehouden in overeenstemming met de regels voor betere regelgeving van de Commissie. De enquête bevatte meerkeuzevragen en open vragen over uiteenlopende aspecten van de ex-postevaluatie en opties voor de herziening van de energie-efficiëntierichtlijn. Er werden in totaal 344 antwoorden ontvangen. De grootste groep respondenten waren de bedrijfsverenigingen (132 antwoorden), individuele bedrijven en bedrijven (92 antwoorden) en ngo’s (34 reacties). In 21 gevallen namen de respondenten deel als burger. 24 overheidsinstanties hebben geantwoord, waaronder nationale autoriteiten uit negen lidstaten (Cyprus, Estland, Finland, Frankrijk, Litouwen, Nederland, Spanje, Tsjechië en Zweden). 

Een duidelijke meerderheid van de belanghebbenden (86 % van de respondenten) was van mening dat energie-efficiëntie een sleutelrol moet spelen om de ambitieuzere klimaatstreefcijfers voor 2030 te behalen en de Unie koolstofneutraal te maken tegen 2050. De belanghebbenden waren in dit verband grotendeels voorstander van de versterking van de energie-efficiëntierichtlijn. Een meerderheid van de belanghebbenden (53 %) was voorstander van bindende energie-efficiëntiestreefcijfers, ook op nationaal niveau (47 %). De belanghebbenden waren van mening dat er extra inspanningen op het gebied van energie-efficiëntie nodig zijn in gebouwen (76 %) en vervoer (62 %), gevolgd door de industrie (52 %) en ICT (40 %).

Bij de uitwerking van de verschillende beleidsopties op de respectieve beleidsterreinen in de effectbeoordeling is rekening gehouden met de standpunten van de belanghebbenden zoals die in de openbare raadpleging en tijdens de workshops naar voren zijn gebracht.

In juni organiseerde de Europese Commissie met de Europese sociale partners een hoorzitting over het “Klaar voor 55”-pakket. De Europese sociale partners werd verzocht hun eerste reacties op dit pakket te delen en kenbaar te maken welke begeleidende maatregelen en mechanismen zouden kunnen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. Er werd gewezen op de behoefte aan sterkere interactie tussen de Europese pijler van sociale rechten en de Europese Green Deal en er werd uitgelegd dat de doelstellingen van beide dimensies twee zijden van dezelfde medaille moeten zijn.

   Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De COWI-studie was het enige contract dat expliciet bedoeld was om de voorbereiding van de effectbeoordeling rechtstreeks te ondersteunen. Veel andere verslagen hebben relevante input gegeven. Met betrekking tot de energie-auditvoorschriften werd een specifieke beoordeling gemaakt van de problemen bij de toepassing van de definitie in artikel 8, lid 4, van de energie-efficiëntierichtlijn.

   Effectbeoordelingen

De algemene ambitie op het gebied van energiebesparing en het niveau van de energiebesparingsverplichtingen zijn gevolgen van een kosteneffectieve aanpak om de totale broeikasgasemissiereductiedoelstelling van 55 % te halen. De in de effectbeoordeling 37 onderzochte maatregelen zijn aanvullende elementen om energiebesparingsmaatregelen te ondersteunen en mogelijk te maken die investeringen in energie-efficiëntie vergemakkelijken en zo de totale kosten van de energiebesparings- en broeikasgasreductiestreefcijfers verlagen.

Er zijn op tien verschillende gebieden maatregelen overwogen die elkaar niet uitsluiten. Het gaat om zowel niet-regelgevende als regelgevende maatregelen. Strenge en minder strenge regelgevende maatregelen werden onderzocht. Om te bepalen wat de voorkeursoptie is, moet worden beoordeeld wat de optimale impact voor elk gebied is, rekening houdend met de regelgevingsinspanning en de administratieve lasten.

Het belangrijkste effect van de maatregel is dat de Unie minder energie zal verbruiken zonder dat dit gevolgen heeft voor de gewenste dienstverlening. Deze vermindering van het energieverbruik zal bijkomende voordelen opleveren, zoals een grotere energiezekerheid en verminderde milieueffecten. De lagere milieueffecten zijn voornamelijk toe te schrijven aan het feit dat er ongeveer 8 % minder luchtverontreinigende stoffen worden uitgestoten, maar er zullen naar verwachting ook milieuvoordelen voortvloeien uit de verminderde behoefte aan brandstof, verminderde infrastructuurbehoeften en lagere emissies in water, bijvoorbeeld door rookgasreinigingsapparatuur. Doelgerichte overheidssteun voor de renovatie van gebouwen kan ook aanzienlijke sociale voordelen met zich meebrengen dankzij de vermindering van energiearmoede en overeenkomstige verbeteringen op het gebied van de volksgezondheid.

Op alle gebieden zullen de energiebesparingen naar verwachting voornamelijk worden gerealiseerd door middel van energiebesparende investeringen die op enkele jaren tijd worden terugverdiend. Informatie over de verwachte terugverdientijd wordt verstrekt per sector en soort investering.

   Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

De herziening is een herschikking van de richtlijn. Uit de effectbeoordeling 38 is gebleken dat er mogelijkheden zijn om de bestaande wetgeving te vereenvoudigen en de regelgevingskosten te verminderen, terwijl de voorgestelde wijzigingen doeltreffend blijven. Door de alternatieve aanpak voor de renovatie van overheidsgebouwen af te schaffen, zullen de bepalingen eenvoudiger zijn omdat deze uitsluitend op renovaties zijn gericht. Specifieke technische aspecten met betrekking tot openbare gebouwen en bepaalde uitzonderingen worden geschrapt, aangezien deze onder de richtlijn energieprestatie van gebouwen vallen. Door de voorwaarden inzake kosteneffectiviteit, technische of economische haalbaarheid met betrekking tot energie-efficiëntievereisten bij overheidsopdrachten te schrappen, zullen de energie-efficiëntievereisten eenvoudiger kunnen worden toegepast, aangezien deze op gelijke wijze van toepassing zullen zijn op alle overheidsinstanties. Voor keuzes inzake IT-ontwikkeling en overheidsopdrachten zal de voorafgaande goedkeuring vereist zijn van de raad voor informatietechnologie en cyberbeveiliging van de Europese Commissie.

Als de inspanningen op het gebied van energie-audits op grotere energiegebruikers worden gericht, zullen de energiebesparingen proportioneel hoger uitvallen, wat kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van de lasten voor bedrijven met een lager energieverbruik en tot een vereenvoudiging van de lasten voor overheidsdiensten, aangezien zij een eenvoudiger criterium zouden hebben om de behoefte aan audits te beoordelen en een kleiner aantal bedrijven zouden moeten controleren. De hogere nalevingskosten voor bedrijven die binnen het toepassingsgebied van de bepaling blijven vallen, zouden naar verwachting worden terugverdiend door een grotere toepassing van kosteneffectieve verbeteringsmaatregelen.

De wijzigingen zullen de bestaande monitoring- en rapportagevereisten aanscherpen, met name met betrekking tot maatregelen gericht op energiearmoede in het kader van de energiebesparingsverplichting (artikel 8) en renovaties van gebouwen voor de overheidssector, hetgeen doeltreffender resultaten zal opleveren, maar ook zal leiden tot hogere administratieve lasten voor overheidsinstanties. Het opleggen van aanvullende monitoring- en rapportageverplichtingen met betrekking tot overheidsopdrachten en energieprestatiecontracten zou de doeltreffendheid van deze bepalingen verder verbeteren, maar kan tot op zekere hoogte de administratieve lasten voor bedrijven en overheidsinstanties doen toenemen.

Het verstrekken van verdere richtsnoeren en ondersteuning met het oog op de acties van de lidstaten, bijvoorbeeld op het gebied van bewustmaking, zal leiden tot een toename van de administratieve lasten op korte termijn, aangezien de verschillende voorlichtingscampagnes, kennisuitwisselingen of steunregelingen door de lidstaten zouden moeten worden opgezet, maar dit zal naar verwachting op middellange termijn kosteneffectief zijn dankzij de grotere energiebesparingen.

De aanvullende rapportage- en monitoringvereisten zullen geen nieuwe rapportagesystemen creëren, maar zouden vallen binnen het bestaande monitoring- en rapportagekader uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999.

   Grondrechten

Het voorstel is in overeenstemming met artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat vereist dat een hoog niveau van milieubescherming en een verbetering van de kwaliteit van het milieu worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

4.    GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. De wijzigingen zouden bescheiden administratieve kosten met zich meebrengen voor overheidsinstanties.

5.    OVERIGE ELEMENTEN

   Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Na de vaststelling van deze herschikte richtlijn door de medewetgevers zal de Commissie tijdens de omzettingsperiode de volgende maatregelen nemen om de omzetting ervan te vergemakkelijken:

Zij zal een concordantietabel opstellen die voor zowel de lidstaten als de Commissie dient als checklist bij de omzetting.

Zij zal vergaderingen organiseren met deskundigen van de lidstaten die belast zijn met de omzetting van de verschillende onderdelen van de richtlijn, om te bespreken hoe deze moeten worden omgezet en om twijfels weg te nemen, hetzij in het kader van coördinatiewerkzaamheden voor de energie-efficiëntierichtlijn, hetzij in de vorm van een comité.

Zij zal beschikbaar zijn voor bilaterale vergaderingen en gesprekken met de lidstaten in geval van specifieke vragen over de omzetting van de richtlijn.

Na de omzettingstermijn zal de Commissie grondig beoordelen of de lidstaten de richtlijn volledig en correct hebben omgezet.

Bij Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie is een geïntegreerd kader voor planning, monitoring en rapportage op het gebied van energie en klimaat vastgesteld om de vooruitgang in de richting van de klimaat- en energiestreefcijfers te monitoren in overeenstemming met de transparantievereisten van de Overeenkomst van Parijs. De lidstaten moesten uiterlijk eind 2019 hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bij de Commissie indienen, waarin de vijf dimensies van de energie-unie voor de periode 2021-2030 aan bod kwamen. De lidstaten moeten om de twee jaar verslag uitbrengen over de voortgang die zij hebben geboekt bij de uitvoering van de plannen en bovendien moeten zij de Commissie uiterlijk op 30 juni 2023 in kennis stellen van hun ontwerpen van actualiseringen van de plannen, waarvan de definitieve actualiseringen uiterlijk op 30 juni 2024 klaar moeten zijn. In deze actualisering zouden alle nieuwe streefcijfers aan bod komen die in het kader van de herziening van de energie-efficiëntierichtlijn zijn overeengekomen. Dit rapporteringssysteem in het kader van de governanceverordening wordt geacht doeltreffend te zijn geweest om toezicht te houden op de vooruitgang van de lidstaten in de richting van de energie-efficiëntiebijdragen op nationaal en Unieniveau.

Dit voorstel bevat nieuwe bepalingen, voornamelijk met betrekking tot de vaststelling van nationale bijdragen, mechanismen voor het opvullen van lacunes en rapportageverplichtingen. Deze voorstellen moeten worden overgenomen en gestroomlijnd met Verordening (EU) 2018/1999, zodra die is gewijzigd, teneinde overlappende eisen te voorkomen. Sommige bepalingen van de governanceverordening moeten wellicht ook opnieuw worden beoordeeld in het licht van de in deze richtlijn voorgestelde wijzigingen.

In artikel 33 van deze herschikte richtlijn wordt een evaluatie van het ambitieniveau van de artikelen 4, 5, 6 en 8 voorgesteld.

   Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

In de energie-efficiëntierichtlijn wordt een nieuw artikel geïntroduceerd (artikel 3) over het beginsel “energie-efficiëntie eerst” om ervoor te zorgen dat het beginsel waar passend wordt toegepast en over de hele lijn naar behoren wordt gemonitord. Gezien het brede toepassingsgebied van het beginsel wordt in de richtlijn niet gespecificeerd hoe dit moet gebeuren. Om de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de energie-efficiëntierichtlijn te vergemakkelijken, zal de Europese Commissie een aanbeveling doen aan de lidstaten, met inbegrip van richtsnoeren voor de wijze waarop het beginsel in verschillende contexten moet worden geïnterpreteerd en toegepast. Deze richtsnoeren moeten helpen om het beginsel operationeler te maken.

Naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak Commissie/België (zaak C-543/17) moeten de lidstaten hun kennisgevingen van nationale omzettingsmaatregelen vergezeld doen gaan van voldoende duidelijke en nauwkeurige informatie, waarbij wordt aangegeven welke bepalingen van nationaal recht welke bepalingen van een richtlijn omzetten. Dit moet voor elke verplichting worden vastgesteld, niet alleen op “artikelniveau”.

   Artikelsgewijze toelichting

Met de onderstaande, belangrijkste bepalingen wordt Richtlijn 2012/27/EU gewijzigd of worden er nieuwe elementen toegevoegd:

In de artikelen 1 en 4 wordt een hoger bindend EU-streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld voor eindverbruik en primair verbruik, alsook indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen, en wordt de lidstaten een formule geboden om hun bijdragen te berekenen. De streefcijfers van de Unie worden vastgesteld op basis van het niveau van het eindverbruik en het primaire energieverbruik dat in 2030 moet worden bereikt en het ambitieniveau wordt uitgedrukt door deze niveaus te vergelijken met de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030. Het aldus uitgedrukte ambitieniveau geeft de extra inspanningen weer in vergelijking met de huidige of in de nationale energie- en klimaatplannen aangegeven inspanningen. Vergelijkingen met het vorige basisscenario, namelijk de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030 en historische waarden vanaf 2005, worden in de overwegingen behouden.

De nationale bijdragen blijven indicatief, aangezien uit de openbare raadpleging en in andere fora is gebleken dat de meeste lidstaten sterk gekant zijn tegen bindende nationale streefcijfers. Er worden echter benchmarks en nieuwe mechanismen voor prestatieachterstanden voorgesteld ter aanvulling van de in de governanceverordening voorgestelde instrumenten.

In artikel 3 wordt een nieuwe bepaling over het beginsel “energie-efficiëntie eerst” ingevoerd om de toepassing van het beginsel rechtsgrondslag te geven en tegelijkertijd de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Het omvat de verplichting om energie-efficiëntieoplossingen in overweging te nemen bij beleids- en investeringsbeslissingen in energiesystemen en niet-energiesectoren, waaronder sociale huisvesting.

Artikel 5 voorziet in een verplichting voor de overheidssector om het energieverbruik door openbare diensten en installaties van overheidsinstanties te verminderen. Die vermindering kan worden verwezenlijkt in alle subsectoren van de overheidssector, waaronder vervoer, openbare gebouwen, ruimtelijke ordening en water- en afvalbeheer.

In artikel 6 wordt het toepassingsgebied van de renovatieverplichting verruimd. De verplichting zal nu gelden voor alle overheidsinstanties op alle overheidsniveaus en in alle sectoren waarin de overheid actief is, met inbegrip van gezondheidszorg, onderwijs en openbare huisvesting, indien de gebouwen eigendom zijn van overheidsinstanties. Dit zal in alle lidstaten de voordelen van de renovatie van openbare gebouwen zichtbaarder maken voor de mensen en zal voor meer renovaties in de overheidssector zorgen. Artikel 6 is gericht op renovaties die voldoen aan de BENG-norm (“bijna-energieneutrale gebouwen”), een verbeterde kosteneffectieve norm voor renovaties. Het renovatiepercentage blijft ten minste 3 %, de kleinste gemene deler voor een minimumrenovatiepercentage, en tegelijk wordt erkend dat sommige lidstaten, regio’s en steden al hogere renovatievereisten en -normen in de publieke sector hebben vastgesteld. Ten slotte worden de alternatieven geschrapt waarmee de lidstaten door middel van andere maatregelen dan renovaties vergelijkbare energiebesparingen konden realiseren. Dergelijke maatregelen kunnen wel blijven meetellen voor de energiebesparingsverplichtingen uit hoofde van artikel 8 en bijdragen tot de verwezenlijking van de verplichting uit hoofde van artikel 8. Artikel 6 is gericht op renovaties in overeenstemming met de renovatiegolfstrategie.

Artikel 7 versterkt de bepalingen inzake overheidsopdrachten door de verplichting om rekening te houden met de energie-efficiëntievereisten voor alle overheidsniveaus uit te breiden en door de voorwaarden met betrekking tot kosteneffectiviteit alsmede technische en economische haalbaarheid af te schaffen. De wijzigingen zullen een bepaling bevatten op basis waarvan de lidstaten overheidsinstanties kunnen verplichten om in voorkomend geval rekening te houden met aspecten van de circulaire economie en groene aanbestedingscriteria bij praktijken voor het plaatsen van overheidsopdrachten. De lidstaten zullen overheidsinstanties moeten ondersteunen door richtsnoeren en methodologieën te verstrekken voor de beoordeling van levenscycluskosten en door kennisondersteuningscentra op te zetten en het gebruik van samengestelde aanbestedingen en digitale aanbestedingen aan te moedigen. De lidstaten zouden verplicht zijn informatie over gekozen inschrijvingen te publiceren (in overeenstemming met de drempels die in de richtlijnen inzake overheidsopdrachten zijn vastgesteld).

Artikel 7 bevat ook een bepaling op grond waarvan aanbestedende diensten, gezien de voorbeeldfunctie van de overheid, kunnen eisen dat in inschrijvingen het aardopwarmingsvermogen van nieuwe gebouwen wordt bekendgemaakt (numerieke indicator voor elke levenscyclusfase, uitgedrukt in kgCO2e/m² (van de bruikbare binnenvloeroppervlakte) gemiddeld voor één jaar van een referentiestudieperiode van 50 jaar), met name voor nieuwe gebouwen van meer dan 2000 vierkante meter. Die bepaling houdt verband met een bepaling die gericht is op het vergroten van het bewustzijn omtrent de circulaire economie en de hele levenscyclus van koolstofemissies bij openbare-aanbestedingspraktijken.

Wijzigingen van artikel 8 zorgen voor een verhoging van de jaarlijkse energiebesparingsverplichting tot 1,5 % voor alle lidstaten (met inbegrip van Cyprus en Malta) en voor specifieke eisen ter vermindering van energiearmoede. Op grond van het artikel moeten beleidsmaatregelen prioritair worden genomen ten gunste van kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die met energiearmoede kampen en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. Ook moet optimaal gebruik worden gemaakt van overheidsmiddelen en moet, indien van toepassing, het gebruik van inkomsten uit ETS-emissierechten worden overwogen. Op grond van artikel 8 mag de nationale beleidsmix van de lidstaten geen negatieve gevolgen hebben voor kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die kampen met energiearmoede en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, en moet het beleid energiearmoede effectief verminderen. Op grond van artikel 8 moeten de lidstaten een deel van de totale hoeveelheid vereiste energiebesparingen behalen ten gunste van kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen. Artikel 8 voorziet in een mechanisme voor prestatieachterstanden met betrekking tot de vereiste hoeveelheid energiebesparingen die in een bepaalde verplichtingsperiode moet worden gerealiseerd. De energiebesparingsverplichting voorziet met ingang van 1 januari 2024 niet in flexibiliteit voor de alternatieve berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen (artikel 8, leden 6 tot en met 9). Op grond van artikel 9 zijn transmissiesysteembeheerders potentiële aan verplichtingen gebonden partijen en kunnen de lidstaten van aan verplichtingen gebonden partijen verlangen dat zij een bepaalde hoeveelheid energie besparen ten gunste van kwetsbare afnemers en eindgebruikers, mensen die met energiearmoede kampen en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. In bijlage V wordt uitgesloten dat energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen inzake het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen in aanmerking kunnen worden genomen, wordt verduidelijkt dat een vermindering van het energieverbruik door middel van maatregelen in het kader van de ETS-richtlijn niet kan meetellen voor de energiebesparingsverplichting, en wordt de additionaliteitsvereiste met betrekking tot belastingmaatregelen versterkt.

Bij artikel 11 wordt het criterium voor energie-audits en energiebeheersystemen veranderd van het type onderneming naar het niveau van het energieverbruik en wordt vereist dat de auditaanbevelingen door het management van de onderneming worden afgetekend. De bedrijven met het grootste energieverbruik moeten krachtens dat artikel energiebeheersystemen gebruiken die er waarschijnlijk op een doeltreffendere manier voor zullen zorgen dat er meer in energiekostenbesparing wordt geïnvesteerd, terwijl de totale kosten voor het bedrijf waarschijnlijk lager zullen uitvallen. Tot slot wordt met het artikel het monitoren van de energieprestatie van datacentra verplicht gesteld, met als doel later een reeks “duurzaamheidsindicatoren voor datacentra” vast te stellen.

Artikel 20 versterkt de bescherming van consumenten door contractuele basisrechten voor stadsverwarming, -koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in te voeren, in lijn met de rechten die bij Richtlijn (EU) 2019/944 voor elektriciteit zijn ingevoerd.

Artikel 21 versterkt de verplichtingen jegens consumenten, met name wat betreft de beschikbaarheid en verstrekking van informatie, de bewustmakingsmaatregelen en het technisch en financieel advies of de geboden bijstand. De creatie van éénloketsystemen, centrale aanspreekpunten en buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen zal de slagvaardigheid van afnemers en eindgebruikers aanzienlijk ten goede komen. Tot slot bevat het artikel verplichtingen om belemmeringen die relevant zijn voor de scheiding van prikkels tussen huurders en eigenaars of tussen eigenaars onderling, in kaart te brengen en weg te nemen.

Artikel 22 heeft betrekking op het begrip kwetsbare afnemers, dat de lidstaten moeten vaststellen overeenkomstig de artikelen 28 en 29 van Richtlijn (EU) 2019/944 en artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2009/73/EG. Artikel 22 verplicht de lidstaten om, wanneer ze dit begrip vaststellen, ook rekening te houden met eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met energieleveranciers hebben.

Artikel 22 verplicht de lidstaten om maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie prioritair uit te voeren ten gunste van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, teneinde de energiearmoede te verminderen. De lidstaten zijn ook verplicht maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te nemen om de verdelingseffecten te verzachten van andere beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals belastingmaatregelen die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn, of de toepassing van de handel in emissierechten overeenkomstig de ETS-richtlijn, alsook het gebruik van financieringsmogelijkheden en financiële instrumenten te bevorderen. Artikel 22 versterkt de rol van de netwerken van deskundigen.

De artikelen 23 en 24 voorzien in een striktere planning en follow-up van uitgebreide beoordelingen inzake verwarming en koeling, met inbegrip van de bevordering op lokale en regionale niveaus. In de artikelen worden minimumeisen inzake efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling, ruimere kosten-batenvereisten en verplichtingen inzake hergebruik van afvalwarmte ingevoerd. De minimumeisen voor efficiënte stadsverwarming zullen geleidelijk worden verhoogd met het oog op een volledig koolstofvrije voorziening van warmte of koeling in efficiënte systemen voor stadsverwarming of -koeling tegen 2050. De eisen voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling zullen worden aangevuld met een criterium inzake de directe CO2-emissies van warmtekrachtkoppeling, wanneer deze niet wordt aangedreven door hernieuwbare energiebronnen of afval.

Artikel 25 verduidelijkt en versterkt de rol van de nationale reguleringsinstanties bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” bij de planning en het beheer van energienetten. Ook wordt de kennis van de ENTSB-E, de ENTSB-G en de EU-DSB-entiteit benut voor het monitoren van de vooruitgang. Gezien het bijzonder grote aantal systeembeheerders verdient een indirecte benadering de voorkeur.

Artikel 26 verduidelijkt en versterkt de bepalingen inzake de beschikbaarheid van kwalificatie-, accreditatie- en certificeringsregelingen voor verschillende leveranciers van energiediensten, energie-auditors, energiebeheerders en installateurs. Nieuwe bepalingen verplichten de lidstaten om de regelingen vanaf december 2024 om de vier jaar te beoordelen.

Bij artikel 27 worden aanvullende eisen ingevoerd om het gebruik van energieprestatiecontracten te vergroten.

Artikel 28 voorziet in een verplichting voor de lidstaten om verslag uit te brengen over investeringen in energie-efficiëntie, waaronder gegunde energieprestatiecontracten (als onderdeel van de governanceverordening). De lidstaten zullen op nationaal, regionaal en lokaal niveau mechanismen voor projectontwikkelingsbijstand moeten opzetten om investeringen in energie-efficiëntie te bevorderen en zo bij te dragen tot de verwezenlijking van de hogere energie-efficiëntiestreefcijfers.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

2021/0203 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 39 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 40 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

 nieuw

(1)Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 41 is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd 42 . Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.

🡻 2012/27/EU overweging 1 (aangepast)

De Unie wordt geconfronteerd met ongekende uitdagingen die voortvloeien uit de verhoogde afhankelijkheid van energie-invoer en schaarse energiebronnen, en de noodzaak om de klimaatverandering te beperken en de economische crisis te overwinnen. Energie-efficiëntie is een nuttige manier om het hoofd te bieden aan deze uitdagingen. Het verbetert de energievoorzieningszekerheid van de Unie doordat het primaire energieverbruik en de energie-invoer dalen. Het helpt de broeikasgasemissies op een kostenefficiënte manier te verminderen en zo de klimaatverandering te temperen. De verschuiving naar een energie-efficiënte economie moet ook de verspreiding van innovatieve technologische oplossingen versnellen en het concurrentievermogen van de industrie in de Unie verbeteren; dit zal de economische groei stimuleren en banen van hoge kwaliteit scheppen in verschillende sectoren die met energie-efficiëntie verband houden.

🡻 2012/27/EU overweging 2 (aangepast)

De conclusies van de Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 beklemtoonden de noodzaak om de energie-efficiëntie in de Unie te verhogen, teneinde in 2020 de doelstelling van 20 % besparing op het primaire energieverbruik van de Unie in vergelijking met de prognoses te realiseren. In de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 werd benadrukt dat het door de Europese Raad van juni 2010 gestelde doel van 20 % meer energie-efficiëntie in 2020, waarvoor de Unie momenteel niet op koers ligt, moet worden bereikt. In 2007 opgestelde prognoses gaven voor 2020 een primair energieverbruik aan van 1842 Mtoe. Een vermindering van 20 % leidt tot 1474 Mtoe in 2020, met andere woorden een vermindering van 368 Mtoe in vergelijking met de prognoses.

🡻 2012/27/EU overweging 3 (aangepast)

De conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010 bevestigden het energie-efficiëntiestreefcijfer als een van de centrale streefcijfers van de nieuwe strategie van de Unie voor banen en voor een slimme, duurzame en inclusieve groei (Europa 2020-strategie). Om deze doelstelling op nationaal niveau te verwezenlijken, moeten de lidstaten gedurende dit proces in nauwe dialoog met de Commissie nationale streefcijfers vastleggen en in hun nationale hervormingsprogramma's aangeven hoe zij deze willen bereiken.

🡻 2012/27/EU overweging 4 (aangepast)

De Commissiemededeling van 10 november 2010„Energie 2020” geeft energie-efficiëntie een centrale plaats in de uniale energiestrategie voor 2020 en geeft aan dat er behoefte is aan een nieuwe energie-efficiëntiestrategie die alle lidstaten in staat zal stellen energieverbruik los te koppelen van economische groei.

🡻 2012/27/EU overweging 5 (aangepast)

In zijn resolutie van 15 december 2010 over de herziening van het energie-efficiëntieactieplan heeft het Europees Parlement er bij de Commissie op aangedrongen om in haar herziene energie-efficiëntieactieplan maatregelen op te nemen om de kloof te dichten en zo de globale energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie in 2020 te bereiken.

🡻 2012/27/EU overweging 6 (aangepast)

Een van de initiatieven van de Europa 2020-strategie is het kerninitiatief „Een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt”, dat door de Commissie op 26 januari 2011 is vastgesteld. Hierin wordt energie-efficiëntie als een belangrijk element gezien om het duurzame gebruik van energiehulpbronnen te waarborgen.

🡻 2012/27/EU overweging 7 (aangepast)

In de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 wordt erkend dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie niet op koers ligt en dat er krachtige maatregelen nodig zijn om de ruime marges voor hogere energiebesparingen op gebouwen, vervoer, producten en processen te benutten. In die conclusies zegt de Europese Raad tevens dat hij de voortgang naar het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2013 zal evalueren en indien nodig extra maatregelen zal overwegen.

🡻 2012/27/EU overweging 8 (aangepast)

Op 8 maart 2011 heeft de Commissie haar mededeling over een energie-efficiëntieplan 2011 vastgesteld. Deze mededeling bevestigde dat de Unie niet op koers ligt om haar energie-efficiëntiestreefcijfer te verwezenlijken, ondanks de vorderingen in het nationale energiebeleid dat is uitgetekend in de eerste nationale actieplannen voor energie-efficiëntie die de lidstaten hebben ingediend ter uitvoering van de vereisten van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten 43 . Een eerste analyse van de tweede serie actieplannen bevestigt dat de Unie niet op koers ligt. Om dat te verhelpen worden in het energie-efficiëntieplan 2011 een reeks energie-efficiëntiebeleidslijnen en -maatregelen opgesomd die betrekking hebben op de volledige energieketen, inclusief opwekking, transport en distributie van energie; de belangrijke rol die de overheidssector speelt in energie-efficiëntie; gebouwen en toestellen; de industrie; en de noodzaak om de eindafnemers in staat te stellen hun energieverbruik te beheren. Parallel hiermee kwam energie-efficiëntie in de vervoersector aan bod in het Witboek over vervoer, vastgesteld op 28 maart 2011. Vooral initiatief 26 van het Witboek dringt aan op aangepaste normen voor de CO2-uitstoot van voertuigen voor alle vervoerswijzen, waar nodig aangevuld met energie-efficiëntievoorschriften voor alle soorten aandrijfsystemen.

🡻 2012/27/EU overweging 9 (aangepast)

Op 8 maart 2011 heeft de Commissie ook een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 aangenomen, waarin zij de noodzaak vaststelde om vanuit dit gezichtspunt meer aandacht te besteden aan energie-efficiëntie.

🡻 2012/27/EU overweging 10 (aangepast)

In deze context moet het wettelijk kader van de Unie voor energie-efficiëntie worden bijgewerkt met een richtlijn die gericht is op het globale energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % besparing op het primaire energieverbruik in de Unie in 2020 en die ook na 2020 verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie nastreeft. Met het oog daarop moet deze richtlijn een gemeenschappelijk kader creëren om de energie-efficiëntie binnen de Unie te bevorderen en specifieke acties vastleggen om een aantal voorstellen van het energie-efficiëntieplan 2011 uit te voeren en de resterende aanzienlijke marges voor energiebesparing te benutten.

🡻 2012/27/EU overweging 11 (aangepast)

Krachtens Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen 44 , moet de Commissie in 2012 beoordelen in welke mate de Unie en de lidstaten vorderingen hebben gemaakt met het oog op de vermindering van het energieverbruik met 20 % in 2020 in vergelijking met de prognoses en hierover verslag uitbrengen. Deze beschikking vermeldt ook dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2012 aangescherpte of nieuwe maatregelen moet voorstellen om de energie-efficiëntie sneller te verbeteren teneinde de lidstaten te helpen aan de verplichtingen van de Unie op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen te voldoen. Deze richtlijn komt tegemoet aan deze vereiste. Zij draagt ook bij aan het nakomen van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050, in het bijzonder door de broeikasgasemissies terug te dringen in de energiesector, en aan het verwezenlijken van elektriciteitsproductie met nulemissie in 2050. 

🡻 2012/27/EU overweging 12 (aangepast)

Er moet een geïntegreerde benadering gevolgd worden om het bestaande potentieel aan energiebesparingen volledig te benutten, inclusief besparingen in de energievoorziening en bij de eindverbruiker. Tegelijkertijd moeten de bepalingen van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt 45 en Richtlijn 2006/32/EG worden versterkt.

 nieuw

(2)In het klimaatdoelstellingsplan 46 heeft de Commissie voorgesteld om de ambitie van de Unie te verhogen door het broeikasgasemissiestreefcijfer voor 2030 op te trekken tot ten minste 55 % onder het niveau van 1990. Dat is een aanzienlijke verhoging ten opzichte van het bestaande streefcijfer van 40 %. Het voorstel kwam tegemoet aan de toezegging in de mededeling over de Europese Green Deal 47 om een alomvattend plan voor te stellen om het streefcijfer van de Unie voor 2030 op verantwoorde wijze te verhogen tot 55 %. Het is ook in overeenstemming met de doelstellingen van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”) om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 C te houden en ernaar te blijven streven deze tot 1,5 C te beperken.

(3)In december 2020 heeft de Europese Raad zich achter een bindend EU-streefcijfer van een nettoreductie in de EU van uitgestoten broeikasgassen van ten minste 55 % in 2030 ten opzichte van 1990 geschaard 48 . De Europese Raad concludeerde dat de klimaatambitie moet worden versterkt op een manier die duurzame economische groei stimuleert, banen schept, gezondheids- en milieuvoordelen oplevert voor de burgers van de Unie en bijdraagt tot het mondiale concurrentievermogen van de EU-economie op lange termijn door innovatie op het gebied van groene technologieën te bevorderen.

(4)Om deze doelstellingen te verwezenlijken, heeft de Europese Commissie in haar werkprogramma voor 2021 49 een “Klaar voor 55”-pakket aangekondigd om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen en tegen 2050 een klimaatneutrale Europese Unie tot stand te brengen. Dit pakket heeft betrekking op een reeks beleidsterreinen, waaronder energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw, energiebelasting, verdeling van de inspanningen en handel in emissierechten.

(5)Uit prognoses blijkt dat, als het huidige beleid volledig wordt uitgevoerd, de broeikasgasemissies tegen 2030 met ongeveer 45 % zouden zijn verminderd ten opzichte van het niveau van 1990, de emissies en absorpties door landgebruik buiten beschouwing gelaten, en met ongeveer 47 % wanneer daar wel rekening mee wordt gehouden. Het klimaatdoelstellingsplan voor 2030 voorziet daarom in een reeks maatregelen die in alle sectoren van de economie moeten worden genomen, en in herzieningen van de belangrijkste wetgevingsinstrumenten om die aangescherpte ambitie te bereiken.

(6)Energie-efficiëntie is een belangrijk actieterrein dat onontbeerlijk is om de economie van de Unie volledig koolstofvrij te maken 50 . Het huidige energie-efficiëntiebeleid van de Unie is een gevolg van de noodzaak om kosteneffectieve energiebesparingsmogelijkheden te benutten. In december 2018 werd als onderdeel van het pakket “Schone energie voor alle Europeanen” een nieuw kerndoel inzake het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2030 van ten minste 32,5 % vastgesteld (in vergelijking met het verwachte energieverbruik in 2030).

(7)Uit de effectbeoordeling bij het klimaatdoelstellingsplan is gebleken dat, om de aangescherpte klimaatambitie te verwezenlijken, de energie-efficiëntie aanzienlijk moet worden verbeterd ten opzichte van het huidige ambitieniveau van 32,5 %.

(8)De som van de nationale bijdragen die de lidstaten in hun nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s) hebben meegedeeld, blijft achter bij het ambitieniveau van de Unie van 32,5 %. Alles bij elkaar zouden de bijdragen leiden tot een vermindering van het eindenergieverbruik met 29,4 % en van het primaire energieverbruik met 29,7 % ten opzichte van de prognoses van het referentiescenario uit 2007 voor 2030. Dit zou voor de EU-27 in het totaal leiden tot een tekort van 2,8 procentpunten voor primair energieverbruik en 3,1 procentpunten voor eindenergieverbruik.

(9)Hoewel er in alle sectoren potentieel nog veel energie kan worden bespaard, vormen het vervoer en het gebouwenbestand een bijzondere uitdaging. De vervoerssector is namelijk goed voor meer dan 30 % van het eindenergieverbruik, en 75 % van het gebouwenbestand in de Unie presteert slecht op energiegebied. Een andere sector die steeds belangrijker wordt, is die van de informatie- en communicatietechnologie (ICT), die verantwoordelijk is voor 5 tot 9 % van het totale elektriciteitsverbruik wereldwijd en voor meer dan 2 % van alle emissies. In 2018 waren datacentra goed voor 2,7 % van de vraag naar elektriciteit in de EU-28. Technologieën en beleid voor energie-efficiënte cloudcomputing met het oog op een milieuvriendelijke cloudmarkt. In dat verband wordt in de digitale strategie van de Unie 51 de nadruk gelegd op de noodzaak van zeer energie-efficiënte en duurzame datacentra en transparantiemaatregelen voor telecomexploitanten met betrekking tot hun ecologische voetafdruk. Voorts moet rekening worden gehouden met de mogelijke toename van de energievraag van de industrie als gevolg van de decarbonisatie, met name voor energie-intensieve processen.

(10)Het hogere ambitieniveau vereist een sterkere bevordering van kosteneffectieve energie-efficiëntiemaatregelen op alle gebieden van het energiesysteem en in alle relevante sectoren waar activiteiten van invloed zijn op de vraag naar energie, zoals vervoer, water en landbouw. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, meer werkgelegenheid en een grotere economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in lijn met de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld bij de Overeenkomst van Parijs van 2015.

🡻 2018/2002 overweging 1

Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die is vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 met als titel „Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering”. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, meer werkgelegenheid en een grotere economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in de lijn van de toezeggingen die de Unie heeft gedaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 2015 ingevolge de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering 52 („de Overeenkomst van Parijs”), waarbij de ondertekenaars zich ertoe verbinden om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau te houden en om de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, voort te zetten.

🡻 2018/2002 overweging 2 (aangepast)

 nieuw

(11) Met deze richtlijn  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad 53  is wordt een stap gezet  een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie  klimaatneutraliteit in 2050 , waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande energiebron. In alle sectoren, ook buiten het energiesysteem, Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet op alle niveaus, ook in de financiële sector, als overkoepelend beginsel rekening worden gehouden met het beginsel “voorrang voor energie-efficiëntie eerst”. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moeten energie-efficiënte oplossingen als eerste optie worden beschouwd wanneer beslissingen worden genomen op het vlak van beleid, planning en investeringen.  Hoewel het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet worden toegepast onverminderd andere wettelijke verplichtingen, doelstellingen en beginselen, mogen deze de toepassing ervan niet in de weg staan of voorzien in de vrijstelling ervan. De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagsturing onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer er besluiten met betrekking tot de planning van het energiesysteem of tot de financiering ervan worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. Energie-efficiëntieverbeteringen moeten worden gerealiseerd wanneer deze kosteneffectiever zijn dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet  zou moeten helpen om de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de samenleving van de Unie te benutten, met name voor de burgers en de bedrijven. Het toepassen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie moet ook een prioriteit zijn bij het terugdringen van energiearmoede.

🡻 2018/2002 overweging 3

 nieuw

(12)Energie-efficiëntie moet worden erkend als centraal element en prioritaire factor in toekomstige besluitvorming over investeringen in de Europese energie-infrastructuur. Bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de systeemefficiëntiebenadering en met het maatschappelijke perspectief. Op die manier moet het beginsel bijdragen tot een grotere efficiëntie van afzonderlijke eindgebruikerssectoren en van het gehele energiesysteem. De toepassing van het beginsel moet ook investeringen in energie-efficiënte oplossingen ondersteunen die bijdragen tot de milieudoelstellingen van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad 54 .

 nieuw

(13)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” is gedefinieerd in Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad 55 en vormt de kern van de strategie voor een geïntegreerd energiesysteem 56 . Hoewel het beginsel gebaseerd is op kosteneffectiviteit, heeft de toepassing ervan bredere implicaties, die afhankelijk van de omstandigheden kunnen variëren. De Commissie heeft specifieke richtsnoeren voor de toepassing van het beginsel opgesteld waarin specifieke instrumenten en voorbeelden worden aangedragen voor de toepassing ervan in verschillende sectoren. De Commissie heeft ook een aanbeveling tot de lidstaten gericht waarin zij voortbouwt op de vereisten van deze richtlijn en vraagt om specifieke maatregelen met betrekking tot de toepassing van het beginsel.

(14)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” zal pas impact hebben wanneer het consequent door de besluitvormers wordt toegepast in alle relevante beleids-, plannings- en grote investeringsbesluiten — dat wil zeggen grootschalige investeringen met een waarde van meer dan 50 miljoen EUR per jaar of 75 miljoen EUR voor vervoersinfrastructuurprojecten — die gevolgen hebben voor het energieverbruik of de energievoorziening. Voor een correcte toepassing van het beginsel moet de juiste methode voor een kosten-batenanalyse worden gebruikt, moeten de randvoorwaarden voor energie-efficiënte oplossingen worden geschapen en moet er naar behoren toezicht worden gehouden. Flexibiliteit aan de vraagzijde kan consumenten en de samenleving in het algemeen aanzienlijke voordelen opleveren, en kan de efficiëntie van het energiesysteem verhogen en de energiekosten verlagen, bijvoorbeeld door de exploitatiekosten van het systeem te verlagen, wat leidt tot lagere consumententarieven. De lidstaten moeten bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” rekening houden met de potentiële voordelen van flexibiliteit aan de vraagzijde, en in voorkomend geval vraagrespons, energieopslag en slimme oplossingen in overweging nemen in het kader van hun inspanningen om de efficiëntie van het geïntegreerde energiesysteem te verhogen.

(15)Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet altijd evenredig worden toegepast en de voorschriften van deze richtlijn mogen geen overlappende of tegenstrijdige verplichtingen voor de lidstaten inhouden, wanneer de toepassing van het beginsel rechtstreeks door andere wetgeving wordt gewaarborgd. Dit kan het geval zijn voor de projecten van gemeenschappelijk belang die zijn opgenomen in de Unielijst overeenkomstig [artikel 3 van de herziene TEN-E-verordening], waarin is bepaald dat het beginsel “energie-efficiëntie eerst” in aanmerking moet worden genomen bij de ontwikkeling en beoordeling van die projecten.

(16)Een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale Unie tegen 2050 staat centraal in de Europese Green Deal. Energiearmoede is een belangrijk concept dat is vastgelegd in het wetgevingspakket “Schone energie voor alle Europeanen” en dat bedoeld is om een rechtvaardige energietransitie te versnellen. Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad 57 heeft de Commissie indicatieve richtsnoeren verstrekt met passende indicatoren voor het meten van energiearmoede en de definitie van een “aanzienlijk aantal huishoudens dat kampt met energiearmoede” 58 .Krachtens Richtlijn (EU) 2019/944 en Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad 59 moeten de lidstaten passende maatregelen nemen om energiearmoede aan te pakken waar deze wordt vastgesteld, met inbegrip van maatregelen om de bredere context van armoede aan te pakken.

(17)Huishoudens met een laag of gemiddeld inkomen, kwetsbare afnemers, met inbegrip van eindgebruikers, mensen die geconfronteerd worden met energiearmoede of risico daarop lopen, en mensen die in sociale woningen wonen, moeten profiteren van de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”. Energie-efficiëntiemaatregelen moeten prioritair ten uitvoer worden gelegd om de situatie van die mensen en huishoudens te verbeteren of om energiearmoede terug te dringen. Voor een alomvattende aanpak van de beleidsvorming en de uitvoering van beleidsinitiatieven en maatregelen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat andere beleidsinitiatieven en maatregelen geen negatieve gevolgen hebben voor die mensen en huishoudens.

(18)Deze richtlijn maakt deel uit van een breder beleidskader voor energie-efficiëntiebeleid waarmee het potentieel voor energie-efficiëntie op specifieke beleidsterreinen wordt aangepakt, onder meer op het gebied van gebouwen (Richtlijn 2010/31/EG 60 ), producten (Richtlijn 2009/125/EG, Verordening (EU) 2017/1369 en Verordening (EU) 2020/740 61 ) en het governancemechanisme (Verordening (EU) 2018/1999). Deze beleidslijnen spelen een belangrijke rol bij het besparen van energie op het moment dat producten worden vervangen of gebouwen worden gebouwd of gerenoveerd 62 .

🡻 2018/2002 overweging 4 (aangepast)

 nieuw

(19)Om een ambitieuzes energie-efficiëntiedoelstellingstreefcijfer te verwezenlijken, moeten obstakels uit de weg worden geruimd, teneinde investeringen in energie-efficiëntiemaatregelen te stimuleren.  In het kader van het LIFE-subprogramma voor de transitie naar schone energie zullen middelen worden vrijgemaakt voor de ontwikkeling van Europese beste praktijken inzake de implementatie van energie-efficiëntiebeleid waarbij wettelijke, markt- en gedragsbelemmeringen voor energie-efficiëntie worden weggenomen.  Een eerste stap in deze richting is de verduidelijking door Eurostat, op 19 september 2017, over de boeking van energieprestatiecontracten in de nationale rekeningen, die onzekerheden wegneemt en het gebruik van dergelijke contracten vergemakkelijkt.

🡻 2018/2002 overweging 5 (aangepast)

(20)De Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 heeft zich achter een streefcijfer voor energie-efficiëntie voor 2030 van 27 % op Unieniveau geschaard, dat voor 2020 wordt geëvalueerd, “waarbij een streefcijfer voor de Unie van 30 % voor ogen wordt gehouden”. In zijn resolutie van 15 december 2015 met als titel “Op weg naar een Europese energie-unie” heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht tevens te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU, om deze aan te passen met het oog op 2030.

 nieuw

(21)Verwacht wordt dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 32,5 % voor 2030 en de andere beleidsinstrumenten van het bestaande kader leiden tot een vermindering van de broeikasgasemissies met ongeveer 45 % tegen 2030 63 . In de effectbeoordeling van het klimaatdoelplan 2030 is beoordeeld welk niveau van inspanningen op de verschillende beleidsterreinen nodig is om de aangescherpte klimaatambitie waar te maken en tegen 2030 de broeikasgasemissies met 55 % te verminderen. De conclusie luidde dat, ten opzichte van het basisscenario, het bereiken van het broeikasgasemissiestreefcijfer op een kostenoptimale manier betekende dat het eindenergieverbruik en het primaire energieverbruik respectievelijk met ten minste 36-37 % en 39-41 % moeten afnemen.

(22)Het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie werd aanvankelijk vastgesteld en berekend met de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses van het voor 2030 als uitgangswaarde. De wijziging van de Eurostat-methodologie voor de berekening van de energiebalans en de verbeteringen in latere modelprognoses vragen om een wijziging van de uitgangswaarde. Op basis van dezelfde benadering voor het bepalen van het streefcijfer, dat wil zeggen door te vergelijken met de basisscenarioprognoses, wordt het niveau van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2030 afgezet tegen de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030 die de nationale bijdragen van de NECP’s weerspiegelen. Op basis van dat herziene referentiescenario zal de Unie haar ambitieniveau inzake energie-efficiëntie moeten opkrikken met minstens 9 % in 2030 vergeleken met het niveau van de inspanningen in het in 2020 vastgestelde referentiescenario. De nieuwe manier om het ambitieniveau van de streefcijfers van de Unie uit te drukken, heeft geen gevolgen voor het daadwerkelijke niveau van de inspanningen die nodig zijn, en komt overeen met een vermindering van 36 % voor eindenergieverbruik en 39 % voor primair energieverbruik in vergelijking met de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030.

(23)De methodologie voor de berekening van eindenergieverbruik en primair energieverbruik ligt in lijn met de nieuwe Eurostat-methodologie, maar de indicatoren die voor deze richtlijn worden gebruikt hebben een andere draagwijdte: voor het streefcijfer inzake eindenergieverbruik wordt geen rekening gehouden met omgevingswarmte, maar wel met het energieverbruik in de internationale luchtvaart. Het gebruik van nieuwe indicatoren heeft ook tot gevolg dat eventuele veranderingen van het energieverbruik van hoogovens nu alleen zichtbaar zijn in het primaire energieverbruik.

🡻 2018/2002 overweging 6 (aangepast)

 nieuw

(24)Dat de Unie haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op niveau van de Unie  moet verbeteren , moet tot uiting komen in het niveau van het  uitgedrukt in primair energieverbruik en/of eindenergieverbruik, moet halen, moet duidelijk blijken uit een streefcijfer van ten minste 32,5 % voor 2030. In 2007 opgestelde prognoses gaven voor 2030 een primair energieverbruik aan van 1887 Mtoe en een eindverbruik van 1416 Mtoe. Een reductie van 32,5 % levert voor 2020 respectievelijk 1273 Mtoe en 956 Mtoe op. Dit streefcijfer, dat van dezelfde aard is als het streefcijfer van de Unie voor 2020, moet door de Commissie worden beoordeeld zodat het uiterlijk in 2023 naar boven kan worden bijgesteld in geval van substantiële kostenverlagingen, of indien nodig om te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie op het gebied van de overstap naar een koolstofarme economie.  dat in 2030 moeten worden bereikt, waarbij wordt aangegeven welke mate van aanvullende inspanningen nodig is in vergelijking met de reeds bestaande of geplande maatregelen in de nationale energie- en klimaatplannen. In het in 2020 vastgestelde referentiescenario wordt voor 2030 een eindenergieverbruik van 864 Mtoe en een primair energieverbruik van 1124 Mtoe voorspeld (rekening houdend met internationale luchtvaart, maar niet met omgevingswarmte). Een extra vermindering van 9 % levert voor 2030 respectievelijk 787 Mtoe en 1023 Mtoe op. Dit betekent dat het eindenergieverbruik in de Unie met ongeveer 23 % en het primaire energieverbruik met ongeveer 32 % moeten worden verminderd ten opzichte van het niveau van 2005.  Het perspectief voor 2020 en 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op het niveau van de lidstaten, en de lidstaten moeten rekening houden met de formule in deze richtlijn wanneer zij hun bijdragen aan de verwezenlijking van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie vaststellen.  de vrijheid van Dde lidstaten  moeten vrij zijn  om hun nationale bijdragen  doelstellingen vast te stellen op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit moet onverkort gehandhaafd blijven. Met deze richtlijn wordt de manier gewijzigd waarop de lidstaten hun nationale bijdragen aan het streefcijfer van de Unie moeten uitdrukken. Met het oog op consistentie en de monitoring van de voortgang moeten de bijdragen van de lidstaten aan het streefcijfer van de Unie worden uitgedrukt in primair of eindenergieverbruik.  Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 maximaal 1273 Mtoe primaire energie en/of maximaal 956 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie met 26 % en het eindenergieverbruik met 20 % moeten worden verminderd ten opzichte van het niveau van 2005. De voortgang bij het realiseren van de Uniestreefcijfers voor 2030 moet overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 regelmatig worden beoordeeld; Verordening (EU) 2018/1999 voorziet in een dergelijke beoordeling.

🡻 2012/27/EU overweging 13

 nieuw

(25)Het verdient de voorkeur dat het energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % bereikt wordt als resultaat van de cumulatieve verwezenlijking van specifieke nationale en Europese maatregelen ter bevordering van de energie-efficiëntie in verschillende domeinen. Lidstaten moeten verplicht worden indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers, -regelingen en -programma's op te stellen  beleidsinitiatieven en maatregelen inzake energie-efficiëntie vast te stellen . Deze beleidsinitiatieven en maatregelen  streefcijfers en de individuele inspanningen van elke lidstaat dienen te worden geëvalueerd door de Commissie, samen met gegevens over de gemaakte vorderingen, om na te gaan hoe waarschijnlijk het is dat het globale streefcijfer van de Unie gehaald wordt en in hoeverre de individuele inspanningen volstaan om het gemeenschappelijke doel te bereiken. Daarom moet de Commissie de uitvoering van nationale energie-efficiëntieprogramma's van nabij volgen via het herziene wetgevingskader en binnen het Europa 2020-proces. Bij het vaststellen van de nationale energie-efficiëntiestreefcijfers moeten de lidstaten rekening kunnen houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel, de wijzigingen in energie-invoer en -uitvoer, de ontwikkeling van alle soorten hernieuwbare energie, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide en vroegtijdige maatregelen. Bij het opstellen van modelberekeningen dient de Commissie tijdig en op transparante wijze de lidstaten te raadplegen over de in de modellen te gebruiken aannamen en ontwerpmodelresultaten. Een betere modellering van de impact van energie-efficiëntiemaatregelen en van de inventaris en prestatie van technologieën is noodzakelijk.

🡻 2012/27/EU overweging 14 (aangepast)

Volgens Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen 64 zijn Cyprus en Malta vanwege hun insulaire en perifere karakter afhankelijk van de luchtvaart als transportmodus, die essentieel is voor hun burgers en economie. Derhalve is het bruto eindverbruik van energie van Cyprus en Malta in het nationale luchtvervoer onevenredig hoog, zijnde meer dan drie maal het communautaire gemiddelde in 2005, en worden zij dus onevenredig getroffen door de huidige beperkingen op het gebied van technologie en regelgeving.

🡻 2012/27/EU overweging 15

 nieuw

(26)Het totale volume van de overheidsuitgaven is gelijk aan 19 % van het bruto binnenlands product van de Unie.  De openbare sector is goed voor ongeveer 5 tot 10 % van het totale eindenergieverbruik van de Unie. Overheidsinstanties geven jaarlijks ongeveer 1,8 biljoen EUR uit. Dat is zowat 14 % van het bbp van de Unie. Daarom is de overheidssector een belangrijke motor om de markt om te buigen naar efficiëntere producten, gebouwen en diensten, en om een gedragsverandering op het vlak van energieverbruik teweeg te brengen bij burgers en bedrijven. Als het energieverbruik daalt dankzij maatregelen die de energie-efficiëntie verbeteren, kunnen er bovendien overheidsmiddelen vrijkomen voor andere doeleinden. Overheidsinstanties op nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten een voorbeeldfunctie vervullen met betrekking tot energie-efficiëntie.

🡻 2012/27/EU overweging 16 (aangepast)

Aangezien in de conclusies van de Europese Raad van 10 juni 2011 over het energie-efficiëntieplan 2011 wordt benadrukt dat gebouwen goed zijn voor 40 % van het eindenergieverbruik van de Unie, moeten de lidstaten, om de groei- en werkgelegenheidskansen te benutten die worden geboden in de ambachtsnijverheid en de bouwsector, alsook bij de productie van bouwproducten en in het architectuur-, consultancy- en engineeringbedrijf, een langetermijnstrategie uitstippelen die verder reikt dan 2020, en die erop gericht is te investeren in de renovatie van woningen en bedrijfsgebouwen, ter verbetering van de energieprestaties van het gebouwenbestand. Volgens die strategie moeten kosteneffectieve, ingrijpende renovaties worden uitgevoerd, bestaande in een opknapbeurt waarbij zowel de geleverde energie als het eindenergieverbruik van een gebouw met een aanzienlijk percentage wordt verminderd ten opzichte van de niveaus van voor de renovatie, en aldus een zeer hoge energieprestatie wordt bereikt. Dergelijke ingrijpende renovaties kunnen ook in fases worden uitgevoerd.

 nieuw

(27)Om het goede voorbeeld te geven, moet de openbare sector eigen decarbonisatie- en energie-efficiëntiedoelen stellen. De verbeteringen van de energie-efficiëntie in de openbare sector moeten in lijn liggen met de inspanningen die nodig zijn op Unieniveau. Om het streefcijfer voor eindenergieverbruik te halen, moet de Unie haar eindenergieverbruik tegen 2030 met 19 % verminderen ten opzichte van het gemiddelde eindenergieverbruik in de jaren 2017, 2018 en 2019. Een verplichte jaarlijkse vermindering van het energieverbruik in de openbare sector met minstens 1,7 % moet garanderen dat de openbare sector het goede voorbeeld geeft. De lidstaten behouden volledige flexibiliteit wat betreft de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie om het eindenergieverbruik te verminderen. Een jaarlijkse vermindering van het eindenergieverbruik eisen, brengt minder administratieve lasten met zich mee dan meetmethoden voor energiebesparingen vaststellen.

(28)Om aan hun verplichting te voldoen, moeten de lidstaten zich richten op het eindenergieverbruik van alle openbare diensten en installaties van overheidsinstanties. Om te bepalen welke adressaten binnen het toepassingsgebied vallen, moeten de lidstaten de definitie van aanbestedende diensten in Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad 65 gebruiken. Aan deze verplichting kan worden voldaan door het eindenergieverbruik in alle mogelijke overheidssectoren terug te dringen, met inbegrip van vervoer, openbare gebouwen, gezondheidszorg, ruimtelijke ordening, waterbeheer en afvalwaterzuivering, riolering en waterzuivering, afvalbeheer, stadsverwarming en -koeling, energiedistributie, -levering en -opslag, openbare verlichting en infrastructuurplanning. Om de administratieve lasten voor overheidsinstanties te verminderen, moeten de lidstaten digitale platforms of instrumenten opzetten om de geaggregeerde verbruiksgegevens van overheidsinstanties te verzamelen, openbaar te maken en aan de Commissie te rapporteren.

(29)De lidstaten moeten een voorbeeldfunctie vervullen door ervoor te zorgen dat alle energieprestatiecontracten en energiebeheersystemen in de overheidssector worden uitgevoerd in overeenstemming met Europese of internationale normen, of dat energie-audits grotendeels worden uitgevoerd in de intensieve energieverbruikende delen van de overheidssector.

(30)Overheden worden aangemoedigd om steun te verkrijgen van entiteiten zoals agentschappen voor duurzame energie die, waar van toepassing, op regionaal of lokaal niveau zijn opgericht. De organisatie van deze agentschappen weerspiegelt gewoonlijk de individuele behoeften van overheidsinstanties in een bepaalde regio of van overheidsinstanties die actief zijn in een bepaald gebied van de openbare sector. Gecentraliseerde agentschappen kunnen beter in de behoeften voorzien en doeltreffender werken in andere opzichten, bijvoorbeeld in kleinere of gecentraliseerde lidstaten of met betrekking tot complexe of regio-overschrijdende aspecten zoals stadsverwarming en -koeling. Agentschappen voor duurzame energie kunnen fungeren als centrale aanspreekpunten in de zin van artikel 21. Deze agentschappen zijn vaak verantwoordelijk voor de ontwikkeling van lokale of regionale decarbonisatieplannen, die ook andere decarbonisatiemaatregelen kunnen omvatten, zoals de vervanging van verwarmingsketels op fossiele brandstoffen, en voor het ondersteunen van overheidsinstanties bij de uitvoering van energiegerelateerde beleidsmaatregelen. Agentschappen voor duurzame energie of andere entiteiten die regionale en lokale overheden bijstaan, kunnen duidelijke bevoegdheden, doelstellingen en middelen op het gebied van duurzame energie hebben. Agentschappen voor duurzame energie zouden kunnen worden aangemoedigd om initiatieven die zijn genomen in het kader van het Burgemeestersconvenant, dat lokale overheden samenbrengt die zich vrijwillig inzetten voor de tenuitvoerlegging van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, alsook andere bestaande initiatieven voor dit doel te overwegen. De decarbonisatieplannen moeten worden gekoppeld aan territoriale ontwikkelingsplannen en rekening houden met de uitgebreide beoordeling die de lidstaten moeten uitvoeren.

(31)De lidstaten moeten overheidsinstanties ondersteunen bij het plannen en uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, ook op regionaal en lokaal niveau, door richtsnoeren te verstrekken ter bevordering van competentieontwikkelings- en opleidingsmogelijkheden en door samenwerking tussen overheidsinstanties, ook tussen agentschappen, aan te moedigen. Daartoe kunnen de lidstaten nationale kenniscentra oprichten voor complexe kwesties, zoals het adviseren van lokale of regionale energieagentschappen over stadsverwarming of -koeling.

🡻 2012/27/EU overweging 17 (aangepast)

 nieuw

(32)Het renovatietempo in de bouw moet worden verhoogd, aangezien het bestaande gebouwenbestand de grootste potentiële sector voor energiebesparingen vormt.  Gebouwen en vervoer zijn, naast de industrie, de grootste energieverbruikers en de belangrijkste emissiebronnen 66 . Gebouwen zijn goed voor ongeveer 40 % van het totale energieverbruik van de Unie en voor 36 % van haar broeikasgasemissies uit energie 67 . In de mededeling van de Commissie “Renovatiegolf” 68 wordt ingegaan op de tweeledige uitdaging van energie- en hulpbronnenefficiëntie en betaalbaarheid ervan in de bouwsector en wordt ernaar gestreefd het renovatietempo te verdubbelen. De mededeling focust op de slechtst presterende gebouwen, energiearmoede en openbare gebouwen. Bovendien zijn gebouwen van cruciaal belang om de Uniedoelstelling te halen die erin bestaat de broeikasgasemissies in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken  met 80-95 % te verminderen ten opzichte van 1990. Gebouwen die eigendom zijn van de overheid vormen een aanzienlijk aandeel van het gebouwenbestand en zijn erg zichtbaar in het openbare leven. Het is dan ook passend om een jaarlijks renovatietempo te bepalen voor gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid  overheidsinstanties op het grondgebied van een lidstaat, teneinde hun energieprestaties te verbeteren. De lidstaten wordt verzocht een hoger renovatietempo vast te stellen wanneer dit kosteneffectief is voor de renovatie van hun gebouwenbestand in het kader van hun langetermijnrenovatiestrategieën of nationale renovatieprogramma’s. Dit renovatietempo mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen met betrekking tot bijna-energieneutrale gebouwen  (“BENG”) , vastgelegd in Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestaties van gebouwen 69 . Bij de volgende herziening van Richtlijn 2010/31/EU moet de Commissie beoordelen welke vooruitgang de lidstaten hebben geboekt met de renovatie van gebouwen van overheidsinstanties. De Commissie moet overwegen om een wetgevingsvoorstel in te dienen ter herziening van het renovatietempo, rekening houdend met de door de lidstaten geboekte vooruitgang, substantiële economische of technische ontwikkelingen, of waar nodig met de toezeggingen van de Unie inzake decarbonisatie en nulverontreiniging. De uit deze richtlijn voortvloeiende verplichting om gebouwen van de centrale overheid  overheidsinstanties te renoveren, is een aanvulling op die richtlijn, die de lidstaten ertoe verplicht ervoor te zorgen dat, wanneer bestaande gebouwen een ingrijpende renovatie ondergaan, de energieprestaties ervan worden verbeterd, zodat zij voldoen aan de minimumeisen inzake energieprestaties  BENG-vereisten . De lidstaten dienen de mogelijkheid te hebben om alternatieve kostenefficiënte maatregelen te nemen teneinde een gelijkwaardige verbetering te bereiken van de energieprestaties van de gebouwen die tot het gebouwenbestand van de centrale overheid behoren. De verplichting om vloeroppervlakte van de gebouwen van de centrale overheid te renoveren geldt voor de bestuursinstellingen waarvan de bevoegdheid zich over het gehele grondgebied van een lidstaat uitstrekt. Als er in een lidstaat voor een bepaalde bevoegdheid geen bestuursdepartement bestaat dat bevoegd is voor het gehele grondgebied, geldt die verplichting voor de departementen waarvan de bevoegdheden gezamenlijk zich over het gehele grondgebied uitstrekken.

 nieuw

(33)Om het renovatietempo vast te stellen, moeten de lidstaten een overzicht hebben van de gebouwen die het BENG-niveau niet halen. Daarom moeten de lidstaten een inventaris van openbare gebouwen publiceren en actueel houden als onderdeel van een algemene databank van energieprestatiecertificaten. Deze inventaris moet ook particuliere actoren, waaronder energiedienstenbedrijven, in staat stellen renovatieoplossingen voor te stellen en de inventarissen van de lidstaten kunnen worden geaggregeerd door de waarnemingspost voor het gebouwenbestand van de Unie.

🡻 2012/27/EU overweging 18

 nieuw

(34) In 2020 woonde meer dan de helft van de wereldbevolking in stedelijke gebieden. Verwacht wordt dat dit cijfer tegen 2050 zal stijgen tot 68 % 70 . Bovendien moet de helft van de stedelijke infrastructuur van 2050 nog worden gebouwd 71 . Steden en grootstedelijke gebieden zijn centra van economische activiteit, kennisvergaring, innovatie en nieuwe technologieën. Steden beïnvloeden de levenskwaliteit van de burgers die er wonen of werken. De lidstaten moeten gemeenten technisch en financieel ondersteunen. Een aantal gemeenten en andere overheidsinstanties in de lidstaten hebben al geïntegreerde benaderingen voor energiebesparing en -voorziening doorgevoerd, bijvoorbeeld middels actieplannen voor duurzame energie, zoals degene die ontwikkeld werden onder het initiatief “Burgemeestersconvenant”, evenals geïntegreerde stedelijke benaderingen die verder gaan dan individuele interventies in gebouwen of vervoerwijzen.

🡻 2012/27/EU overweging 19

 nieuw

(35)Wat de aankoop van bepaalde producten en diensten en de aankoop en verhuur van gebouwen betreft, moeten centrale overheden  aanbestedende diensten en aanbestedende instanties die openbare contracten voor leveringen, werken of diensten sluiten, het goede voorbeeld geven en energie-efficiënte aankoopbeslissingen nemen en het beginsel “energie-efficiëntie eerst” toepassen, ook voor overheidsopdrachten en concessies met betrekking waartoe bijlage IV niet in specifieke vereisten voorziet . Dit moet gelden voor de bestuursdepartementen die voor het gehele grondgebied van een lidstaat bevoegd zijn. Als er in een lidstaat voor een bepaalde bevoegdheid geen bestuursdepartement bestaat dat bevoegd is voor het gehele grondgebied, geldt die verplichting voor de departementen waarvan de bevoegdheden gezamenlijk zich over het gehele grondgebied uitstrekken. De bepalingen van de uniale richtlijnen inzake overheidsopdrachten mogen evenwel niet in het gedrang komen. De lidstaten moeten belemmeringen voor gezamenlijke aanbestedingen binnen een lidstaat of over de grenzen heen wegnemen indien hierdoor de kosten kunnen worden gedrukt en de voordelen van de interne markt kunnen worden vergroot door zakelijke kansen voor leveranciers en aanbieders van energiediensten te creëren.

 nieuw

(36)Alle overheidsinstanties die via aanbestedingen openbare middelen investeren, moeten bij de gunning van opdrachten en concessies het goede voorbeeld geven door producten, diensten en gebouwen met de hoogste energie-efficiëntieprestaties te kiezen, ook met betrekking tot aanbestedingen waarvoor geen specifieke eisen uit hoofde van Richtlijn 2009/30/EG gelden. In dat verband moet bij alle procedures voor de gunning van overheidsopdrachten en concessies met een waarde boven de drempelwaarden die zijn vastgesteld in de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad 72 , artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad 73 en de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad, rekening worden gehouden met de energie-efficiëntieprestaties van de producten, gebouwen en diensten die zijn vastgesteld in het Unierecht of het nationale recht, door in de aanbestedingsprocedures het beginsel “energie-efficiëntie eerst” als prioriteit te beschouwen.

(37)Het is ook belangrijk dat de lidstaten toezicht houden op de wijze waarop aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij de aankoop van producten, gebouwen, werken en diensten rekening houden met de energie-efficiëntievereisten, door ervoor te zorgen dat met betrekking tot de gekozen inschrijvingen die de in de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vermelde drempels overschrijden, informatie over de gevolgen voor de energie-efficiëntie openbaar wordt gemaakt. Zo kunnen belanghebbenden en burgers op transparante wijze beoordelen welke rol de openbare sector speelt bij het waarborgen van energie-efficiëntie bij overheidsopdrachten.

(38)De Europese Green Deal erkent dat de circulaire economie bijdraagt aan de algemene decarbonisatiedoelstellingen van de Unie. De overheidssector kan aan deze doelstellingen bijdragen door, waar passend, milieuvriendelijke producten, gebouwen, diensten en werken aan te schaffen via beschikbare instrumenten voor groene overheidsopdrachten, en op die manier een belangrijke bijdrage leveren aan de vermindering van het energieverbruik en de gevolgen voor het milieu.

(39)Het is belangrijk dat de lidstaten overheidsinstanties de nodige ondersteuning bieden bij het toepassen van energie-efficiëntievereisten bij overheidsopdrachten en, in voorkomend geval, het gebruik van groene overheidsopdrachten, door de nodige richtsnoeren en methodologieën te verstrekken voor de beoordeling van levenscycluskosten en milieueffecten en -kosten. Goed ontworpen instrumenten, met name digitale instrumenten, zullen naar verwachting de aanbestedingsprocedures vergemakkelijken en de administratieve lasten verminderen, met name in kleinere lidstaten die wellicht niet over voldoende capaciteit beschikken om aanbestedingen voor te bereiden. In dit verband moeten de lidstaten het gebruik van digitale instrumenten en de samenwerking tussen aanbestedende diensten, ook over de grenzen heen, actief bevorderen om ervoor te zorgen dat beste praktijken worden uitgewisseld.

(40)Aangezien gebouwen zowel voor als na hun operationele levensduur broeikasgassen uitstoten, moeten de lidstaten ook rekening houden met de hele levenscyclus van koolstofemissies van gebouwen. Dit maakt deel uit van de inspanningen om meer aandacht te besteden aan de prestaties gedurende de gehele levenscyclus, aspecten van de circulaire economie en milieueffecten, waarbij de openbare sector een voorbeeldfunctie vervult. Overheidsopdrachten kunnen dus een kans bieden om de in gebouwen opgenomen koolstof gedurende hun levenscyclus aan te pakken. In dit verband zijn aanbestedende diensten belangrijke spelers die in het kader van aanbestedingsprocedures een verschil kunnen maken door nieuwe gebouwen aan te kopen waarmee het aardopwarmingsvermogen gedurende de hele levenscyclus wordt aangepakt.

(41)Met het aardopwarmingsvermogen gedurende de volledige levenscyclus worden de broeikasgasemissies gemeten die verband houden met het gebouw in verschillende stadia van de levenscyclus ervan. De totale bijdrage van het gebouw aan emissies die tot klimaatverandering leiden, wordt gemeten. Dit wordt soms de beoordeling van de koolstofvoetafdruk (“carbon footprint assessment”) of de meting van de koolstof tijdens de volledige levensduur (“whole life carbon measurement”) genoemd. Er wordt gekeken naar zowel koolstofemissies die verband houden met de bouwmaterialen als directe en indirecte koolstofemissies uit de gebruiksfase. Gebouwen zijn belangrijke materiaalbanken, opslagplaatsen waar koolstofintensieve hulpbronnen decennialang worden bewaard, en daarom is het belangrijk om aandacht te besteden aan ontwerpen die toekomstig hergebruik en recycling aan het eind van de operationele levensduur vergemakkelijken.

(42)Het aardopwarmingsvermogen wordt uitgedrukt als numerieke indicator voor elke levenscyclusfase, uitgedrukt in kgCO2e/m² (van de bruikbare binnenvloeroppervlakte), gemiddeld voor één jaar van een referentiestudieperiode van 50 jaar. De gegevensselectie, scenariobepaling en berekeningen worden verricht overeenkomstig norm EN 15978. De te beoordelen onderdelen van het gebouw en technische uitrusting zijn gedefinieerd in het gemeenschappelijke EU-kader Level(s) voor indicator 1.2. Wanneer er een nationaal berekeningsinstrument bestaat of voorgeschreven is voor het verschaffen van informatie of voor het verkrijgen van bouwvergunningen, moet het dat nationale instrument kunnen worden gebruikt voor de vereiste informatieverstrekking. Andere berekeningsinstrumenten moeten kunnen worden gebruikt als deze voldoen aan de minimumcriteria die zijn vastgesteld in het gemeenschappelijke EU-kader Level(s).

🡻 2012/27/EU overweging 20 (aangepast)

Uit een beoordeling van de mogelijkheid om een systeem van witcertificaten in te stellen op het niveau van de Unie is gebleken dat een dergelijk systeem in de huidige omstandigheden tot te hoge administratieve kosten zou leiden en dat het risico bestaat dat de energiebesparingen in een aantal lidstaten zouden zijn geconcentreerd en geen ingang zouden vinden in de gehele Unie. De doelstelling van een dergelijk systeem op uniaal niveau zou, in dit stadium althans, beter kunnen worden bereikt aan de hand van nationale regelingen inzake energie-efficiëntieverplichtingen voor nutsbedrijven of andere alternatieve beleidsmaatregelen waarmee dezelfde hoeveelheid energiebesparingen worden bereikt. Gezien de ambities van dergelijke regelingen, dienen zij te worden opgesteld binnen een gemeenschappelijk kader op Unieniveau, maar dienen zij de lidstaten voldoende flexibiliteit te bieden om ten volle rekening te houden met de nationale organisatie van de marktdeelnemers, de specifieke context van de energiesector en de gewoonten van de eindafnemers. Het gemeenschappelijke kader moet energienutsbedrijven de mogelijkheid bieden energiediensten aan te bieden aan alle eindafnemers, niet alleen aan de afnemers aan wie zij energie verkopen. Dit verhoogt de concurrentie op de energiemarkt omdat energienutsbedrijven hun product kunnen differentiëren door aanvullende energiediensten aan te bieden. Het gemeenschappelijke kader moet de lidstaten in staat stellen in hun nationale regeling vereisten met een sociaal oogmerk op te nemen, met name om ervoor te zorgen dat kwetsbare klanten toegang hebben tot de voordelen van hogere energie-efficiëntie. De lidstaten dienen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria te bepalen welke energiedistributeurs of detailhandelaars in energie moeten worden verplicht om het in deze richtlijn vastgelegde streefcijfer voor energiebesparingen op het niveau van de eindafnemer te behalen.

De lidstaten moeten met name de keuze krijgen deze verplichting niet op te leggen aan kleine energiedistributeurs, kleine detailhandelaars in energie en kleine energieverbruikers, teneinde al te grote administratieve lasten te vermijden. De mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 legt de beginselen vast die in acht moeten worden genomen door lidstaten die beslissen deze mogelijkheid niet toe te passen. Teneinde nationale initiatieven voor energie-efficiëntie te steunen, kunnen aan verplichtingen gebonden partijen in het kader van de nationale regelingen voor energie-efficiëntieverplichtingen aan hun verplichtingen voldoen door jaarlijks in een nationaal fonds voor energie-efficiëntie een bedrag te storten dat gelijk is aan de investeringen die bij de regeling zijn vereist.

🡻 2012/27/EU overweging 21 (aangepast)

Omwille van de overkoepelende verplichting om de overheidsfinanciën weer houdbaar te maken en de begrotingen te consolideren, moet bij de uitvoering van bijzondere maatregelen in het kader van deze richtlijn terdege aandacht worden geschonken aan de kosteneffectiviteit op lidstaatniveau van het uitvoeren van energie-efficiëntiemaatregelen, op basis van voldoende analyse en evaluatie.

🡻 2012/27/EU overweging 22 (aangepast)

De vereiste om besparingen van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers te bereiken in vergelijking met wat de energieverkoop zou hebben opgebracht, vormt geen bovengrens voor de verkoop of het energieverbruik. De lidstaten dienen de mogelijkheid hebben om de verkoop van de energie of van een deel ervan, per volume, die gebruikt wordt voor de industriële activiteiten die vermeld zijn in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap 74 , buiten de berekening te houden van de energieverkoop aan eindafnemers, omdat erkend wordt dat bepaalde bedrijfstakken of deeltakken binnen deze activiteiten blootgesteld kunnen zijn aan een aanzienlijk CO2-weglekrisico. De lidstaten dienen zich bewust te zijn van de kosten van de regelingen om de kosten van de maatregelen nauwkeurig te kunnen berekenen.

🡻 2012/27/EU overweging 23 (aangepast)

Onverminderd het bepaalde in artikel 7, mag elke lidstaat, ten einde de administratie te beperken, de verschillende beleidsmaatregelen voor de toepassing van dat artikel combineren tot één globaal nationaal energie-efficiëntieprogramma.

🡻 2018/2002 overweging 7

 nieuw

(43) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad 75 is van toepassing op installaties die bijdragen aan de energieproductie of het energieverbruik voor productiedoeleinden, en informatie over de energie die in de installatie wordt gebruikt of door de installatie wordt gegenereerd moet worden opgenomen in aanvragen voor geïntegreerde vergunningen (artikel 12, lid 1, punt b)). Bovendien wordt in artikel 11 van die richtlijn gespecificeerd dat het doelmatige gebruik van energie een algemeen beginsel van de fundamentele verplichtingen van de exploitant is en is in bijlage III bij die richtlijn bepaald dat het een van de criteria is voor de bepaling van de beste beschikbare technieken. De operationele efficiëntie van energiesystemen op enig tijdstip wordt beïnvloed door het vermogen om stroom die afkomstig is van verschillende bronnen, met een verschillende mate van inertie- en opstarttijd, vlot en flexibel aan het net te leveren; het verbeteren van deze efficiëntie zal een beter gebruik van hernieuwbare energie mogelijk maken.

🡻 2018/2002 overweging 8

(44)Een verbeterde energie-efficiëntie kan bijdragen tot een hogere economische output. De lidstaten en de Unie moeten ernaar streven het energieverbruik te doen dalen ongeacht het niveau van economische groei.

🡻 2018/2002 overweging 10 (aangepast)

 nieuw

(45)In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet Dde verplichting inzake energiebesparing waarin  deze  rRichtlijn 2012/27/EU voorziet,  moet worden aangescherpt en  worden verlengd tot na  ook gelden na  2020  2030 . Deze verlenging zal zorgen voor meer  Dit zorgt voor  stabiliteit voor investeerders en zou derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de grondige renovatie van gebouwen, met als doel op de lange termijn de kostenefficiënte transformatie van bestaande gebouwen tot BEN-gebouwen te faciliteren. De verplichting tot energiebesparing heeft een belangrijke rol gespeeld bij het creëren van plaatselijke groei, en banen  en concurrentievermogen, alsook bij het terugdringen van energiearmoede.   Deze verplichting  en moet worden gehandhaafd, zodat ervoor zorgen dat de Unie haar energie- en klimaatdoelstellingen kan halen door nog meer mogelijkheden te creëren en het verband tussen energieverbruik en groei te verbreken. Samenwerking met de particuliere sector is belangrijk om te beoordelen onder welke voorwaarden toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten en om nieuwe inkomstenmodellen te ontwikkelen voor innovatie op het gebied van energie-efficiëntie.

🡻 2018/2002 overweging 11

(46)Maatregelen voor de verbetering van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit aangezien energie-efficiëntere gebouwen helpen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, ookwaaronder vaste verwarmingsbrandstoffen, te doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld in Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad 76 , op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken.

🡻 2018/2002 overweging 12 (aangepast)

 nieuw

(47)De lidstaten moeten voor de volledige verplichtingsperiode 2021 tot en met 2030 een cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie verwezenlijken die gelijk staat aan een nieuwe jaarlijkse besparing ten belope van minstens 0,8 % van het eindenergieverbruik tot en met 31 december 2023 en van minstens [xx] % vanaf 1 januari 2024 . Aan deze verplichting kan worden voldaan door middel van nieuwe beleidsmaatregelen die tijdens de nieuwe verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 worden vastgesteld, of door middel van nieuwe individuele energiebesparende afzonderlijke acties die gebaseerd zijn op vóór of tijdens de vorige periode vastgestelde beleidsmaatregelen, mits de individuele afzonderlijke acties die aanzetten tot energiebesparingen tijdens de volgende nieuwe periode worden zijn ingevoerd. Hiertoe moeten de lidstaten gebruik kunnen maken van een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie, van alternatieve beleidsmaatregelen, of van een combinatie van beide. Om de lidstaten flexibiliteit te bieden bij het berekenen van hun hoeveelheid energiebesparingen, moeten zij bovendien meerdere opties krijgen, onder meer of de in het vervoerswezen verbruikte energie, geheel of gedeeltelijk, in de berekeningsgrondslag moet worden meegenomen, zolang zij de vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie die gelijk staat aan nieuwe jaarlijkse besparingen van ten minste 0,8 % maar verwezenlijken.

🡻 2018/2002 overweging 13 (aangepast)

 nieuw

(48)Het zou evenwel onevenredig zijn een dergelijke verplichting op te leggen aan Cyprus en Malta. De energiemarkten van die kleine eilandstaten vertonen immers specifieke kenmerken die het scala van beschikbare maatregelen om aan de energiebesparingsverplichting te voldoen, aanzienlijk beperken, zoals de aanwezigheid van slechts één elektriciteitsdistributeur, de afwezigheid van aardgasnetwerken en van stadsverwarmings- en koelingssystemen, alsook de kleine omvang van aardoliedistributiebedrijven. Die specifieke kenmerken komen nog duidelijker tot uitdrukking door de kleine omvang van de energiemarkten van die lidstaten. Daarom mag  Voor de periode 2021 tot 31 december 2023 dient van Cyprus en Malta slechts  te worden geëist worden dat zij alleen in de periode van 2021 tot en met 2030 een cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie verwezenlijken die gelijk staat aan nieuwe besparingen van 0,24 % van het eindenergieverbruik. Dit afzonderlijke besparingspercentage dient vanaf 1 januari 2024 niet langer van kracht te zijn.

🡻 2018/2002 overweging 14

 nieuw

(49)Als de lidstaten gebruikmaken van een verplichtingsregeling moeten zij, aan de hand van objectieve en niet-discriminerende criteria, onder de  transmissiesysteembeheerders,  energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof de aan verplichtingen gebonden partijen aanwijzen. Het non-discriminatiebeginsel mag er niet aan in de weg staanWanneer dat bepaalde van die categorieën distributeurs of detailhandelaars worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen, of ter zake een vrijstelling genieten, mag dat niet onverenigbaar met het non-discriminatiebeginsel worden geacht. Daarom mogen de lidstaten bepalen of al deze  transmissiesysteembeheerders,  distributeurs of detailhandelaren worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen, of dat uitsluitend bepaalde categorieën van hen als zodanig worden aangewezen.  Teneinde de positie van kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen, te versterken en te beschermen, en teneinde beleidsmaatregelen prioritair uit te voeren ten gunste van deze mensen, kunnen de lidstaten eisen dat aan verplichtingen gebonden partijen energiebesparingen realiseren bij kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen. Daartoe kunnen de lidstaten ook streefcijfers voor de verlaging van de energiekosten vaststellen. Aan verplichtingen gebonden partijen zouden deze streefcijfers kunnen halen door maatregelen te bevorderen die leiden tot energiebesparingen en lagere energiefacturen, zoals isolatie- en verwarmingsmaatregelen. 

 nieuw

(50)Wanneer de lidstaten beleidsmaatregelen ontwerpen om aan de energiebesparingsverplichting te voldoen, moeten zij de klimaat- en milieunormen en -prioriteiten van de Unie in acht nemen en voldoen aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in de zin van Verordening (EU) 2020/852 77 . De lidstaten mogen geen activiteiten bevorderen die vanuit milieuoogpunt niet duurzaam zijn, zoals het gebruik van vaste fossiele brandstoffen. De energiebesparingsverplichting is erop gericht de respons op de klimaatverandering te versterken door de lidstaten stimulansen te bieden om een duurzame en schone beleidsmix ten uitvoer te leggen, die veerkrachtig is en de klimaatverandering beperkt. Bijgevolg zullen energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen vanaf de omzetting van deze richtlijn niet in aanmerking komen als energiebesparingen in het kader van de energiebesparingsverplichting. Zo zal de energiebesparingsverplichting kunnen worden afgestemd op de doelstellingen van de Europese Green Deal, het klimaatdoelstellingsplan en de renovatiegolfstrategie, en op de behoefte aan maatregelen die het IEA in zijn verslag over netto nuluitstoot heeft vastgesteld 78 . Met deze beperking worden de lidstaten aangemoedigd overheidsgeld uitsluitend te besteden aan toekomstbestendige, duurzame technologieën. Het is belangrijk dat de lidstaten marktdeelnemers een duidelijk beleidskader en investeringszekerheid bieden. De toepassing van de berekeningsmethode in het kader van de energiebesparingsverplichting moet alle marktdeelnemers in staat stellen hun technologieën binnen een redelijke termijn aan te passen. Wanneer de lidstaten de invoering van efficiënte fossielebrandstoftechnologieën of de vroegtijdige vervanging van dergelijke technologie ondersteunen, bijvoorbeeld via subsidieregelingen of verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie, komen energiebesparingen mogelijk niet langer in aanmerking voor de energiebesparingsverplichting. Hoewel energiebesparingen die bijvoorbeeld voortvloeien uit de bevordering van op aardgas gebaseerde warmtekrachtkoppeling niet in aanmerking zouden komen, zou de beperking niet gelden voor het indirecte gebruik van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld wanneer voor de elektriciteitsproductie onder meer fossiele brandstoffen worden gebruikt. Beleidsmaatregelen die gericht zijn op gedragsveranderingen om het verbruik van fossiele brandstoffen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van voorlichtingscampagnes over milieubewust rijden, moeten in aanmerking blijven komen. Energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen die gericht zijn op de renovatie van gebouwen, kunnen maatregelen omvatten zoals de vervanging van verwarmingssystemen op fossiele brandstoffen in combinatie met verbeteringen van de bouwschil, die beperkt moeten blijven tot technologieën die het mogelijk maken de vereiste energiebesparingen te realiseren overeenkomstig de in een lidstaat vastgestelde nationale bouwvoorschriften. Niettemin moeten de lidstaten de verbetering van verwarmingssystemen in het kader van grondige renovaties bevorderen in overeenstemming met de langetermijndoelstelling van koolstofneutraliteit, namelijk het verminderen van de vraag naar verwarming en het dekken van de resterende vraag naar verwarming met een koolstofvrije energiebron.

🡻 2018/2002 overweging 15 (aangepast)

 nieuw

(51)Maatregelen van lidstaten ter verbetering van de energie-efficiëntie in de vervoerssector kunnen in voorkomend geval worden meegerekend voor het vervullen van hun verplichting inzake besparingen op het eindverbruik van energie. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van specifiek beleid onder andere ter bevordering van efficiëntere voertuigen, van de omschakeling naar vervoer per fiets, te voet en met het openbaar vervoer, of van mobiliteit en ruimtelijke ordening die de vraag naar vervoer verminderen. Ook in aanmerking kunnen komen regelingen die de ingebruikname van nieuwe, efficiëntere voertuigen versnellen, alsmede beleid ter bevordering van de overgang naar beter presterende brandstoffen met verminderde emissieniveaus, met uitzondering van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen, die het energieverbruik per kilometer verminderen, mits voldaan is aan de regels inzake materieel belang en additionaliteit die zijn vastgelegd in bijlage V van bij deze rRichtlijn 2012/27/EU.  Beleidsmaatregelen ter bevordering van het gebruik van nieuwe voertuigen op fossiele brandstof dienen niet in aanmerking te komen als energiebesparingen in het kader van de energiebesparingsverplichting.  Dergelijke regelingen moeten voor zover nodig in samenhang zijn met de nationale beleidskaders van de lidstaten die worden opgesteld op basis van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad 79 .

🡻 2018/2002 overweging 16 (aangepast)

(52)Maatregelen die worden genomen door de lidstaten in het kader van de Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad 80 inzake verdeling van de inspanningen en die verifieerbare, en meetbare of schatbare, energie-efficiëntieverbeteringen opleveren, zijn een kosteneffectieve manier voor de lidstaten om hun energiebesparingsverplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, na te komen.

🡻 2018/2002 overweging 17 (aangepast)

 nieuw

(53)In het kader van verplichtingsregelingen dient het voor de lidstaten mogelijk te zijn, als alternatief voor de eis dat de aan verplichtingen gebonden partijen de op grond van artikel 87, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie behalen, deze partijen toe te staan of te verplichten om bij te dragen aan een nationaal fonds voor energie-efficiëntie   dat zou kunnen worden gebruikt om beleidsmaatregelen prioritair uit te voeren ten gunste van kwetsbare afnemers, mensen die in energiearmoede leven en mensen die in sociale woningen wonen.

🡻 2018/2002 overweging 18 (aangepast)

 nieuw

(54)Onverminderd de artikelen 4 en 5 zoals ingevoerd bij deze richtlijn, moeten dDe lidstaten en de aan verplichtingen gebonden partijen moeten alle beschikbare middelen en technologieën aanwenden , met uitzondering van technologieën voor de directe verbranding van fossiele brandstoffen, die nodig zijn voor het halen van de vereiste cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie, onder meer in de vorm van bevordering van duurzame technologie in efficiënte stadsverwarmings- en -koelingssystemen, efficiënte verwarmings- en koelingsinfrastructuur, energie-audits of vergelijkbare energiebeheersystemen, mits de geclaimde energiebesparingen voldoen aan de vereisten van artikel 8 van7 en bijlage V van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn. De lidstaten moeten een hoge mate van flexibiliteit nastreven bij het ontwerpen en uitvoeren van alternatieve beleidsmaatregelen. De lidstaten moeten maatregelen aanmoedigen die gedurende de lange levensduur tot energiebesparingen leiden.

🡻 2018/2002 overweging 19

(55)Maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn zullen energiebesparingen blijven opleveren na 2020, maar om bij te dragen aan het streefcijfer van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2030 moeten die maatregelen nieuwe besparingen opleveren na 2020. Anderzijds mogen energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, niet worden meegeteld bij de berekening van de cumulatieve besparing op het eindverbruik die vereist is voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

🡻 2018/2002 overweging 20

 nieuw

(56)De nieuwe besparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet moeten worden meegeteld bij de berekening of er is voldaan aan de vereisten inzake energiebesparing. Om het effect van maatregelen te berekenen, moeten alleen nettobesparingen, gemeten als de rechtstreeks aan de betreffende , voor de toepassing van artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde energie-efficiëntiemaatregel toe te schrijven wijziging van het energieverbruik, worden meegerekend. Voor de berekening van nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zonder de maatregel zou evolueren. De betrokken beleidsmaatregel dient te worden afgezet tegen dit basisscenario. De lidstaten  moeten rekening houden met minimumvereisten in het betrokken wetgevingskader op Unieniveau en moeten er rekening mee houden dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook invloed op de hoeveelheid energiebesparingen kunnen hebben, en dat bijgevolg niet alle veranderingen sinds de invoering van een bepaalde beleidsmaatregel alleen aan die beleidsmaatregel toe te schrijven zijn. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om aan de eis van een reële prestatie te voldoen.

🡻 2018/2002 overweging 21

 nieuw

(57)Het is belangrijk om in de berekening van de energiebesparingen alle stappen in de energieketen in beschouwing te nemen, voor zover die relevant zijn om het energiebesparingspotentieel in de transmissie en distributie van elektriciteit te vergroten. Uit studies en de raadplegingen van belanghebbenden is gebleken dat er een aanzienlijk potentieel is. De fysieke en economische omstandigheden verschillen echter sterk van lidstaat tot lidstaat, en vaak ook binnen verschillende lidstaten, en het aantal systeembeheerders is groot. Deze omstandigheden vragen om een gedecentraliseerde aanpak op grond van het subsidiariteitsbeginsel. De nationale reguleringsinstanties beschikken over de nodige kennis, wettelijke bevoegdheden en bestuurlijke capaciteit om de ontwikkeling van een energie-efficiënt elektriciteitsnet te bevorderen. Entiteiten zoals het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (ENTSB-E) en de Europese entiteit van distributiesysteembeheerders (EU-DSB-entiteit) kunnen ook nuttige bijdragen leveren en moeten hun leden ondersteunen bij het nemen van energie-efficiëntiemaatregelen.

 nieuw

(58)Soortgelijke overwegingen gelden voor het zeer grote aantal aardgassysteembeheerders. De rol van aardgas en de leverings- en dekkingsgraad van het grondgebied lopen sterk uiteen tussen de lidstaten. In die gevallen verkeren de nationale reguleringsinstanties in de beste positie om de ontwikkeling van het systeem in de richting van meer efficiëntie te monitoren en te sturen, en entiteiten zoals het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSB-G) kunnen nuttige bijdragen leveren en moeten hun leden ondersteunen bij het nemen van energie-efficiëntiemaatregelen.

🡻 2018/2002 overweging 22

 nieuw

(59)Doeltreffend waterbeheer kan een grote bijdrage leveren aan energiebesparingen. De sectoren water en afvalwater zijn verantwoordelijk voor 3,5 % van het elektriciteitsverbruik in de Unie en dit percentage zal naar verwachting verder stijgen. Tegelijkertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in de Unie en is de energiesector met 44 % van het verbruik de grootste waterverbruiker. De mogelijkheden om energiebesparingen tot stand te brengen met behulp van slimme technologieën en processen, moeten volledig in kaart worden gebracht  en worden toegepast wanneer dit kosteneffectief is, en het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in overweging worden genomen. Omgekeerd kunnen geavanceerde irrigatietechnologieën het waterverbruik in de landbouw en de energie die wordt gebruikt voor behandeling en vervoer aanzienlijk verminderen .

🡻 2018/2002 overweging 23 (aangepast)

 nieuw

(60)Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat  alle  consumenten die te kampen hebben met energiearmoede,  gelijke  toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie. De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor  Verbeteringen inzake energie-efficiëntie dienen prioritair uitgevoerd te worden ten gunste van  kwetsbare huishoudens  afnemers en eindgebruikers , waaronder huishoudens  mensen  die te kampen hebben met energiearmoede, en  , waar passend, ten gunste van huishoudens met een middelhoog inkomen en  voor degenen  mensen  die in sociale huisvesting wonen  , oudere mensen en mensen die in landelijke en afgelegen gebieden wonen.   In dit verband dient bijzondere aandacht te worden besteed aan specifieke groepen die een groter risico op energiearmoede lopen of gevoeliger zijn voor de negatieve effecten van energiearmoede, zoals vrouwen, personen met een beperking, oudere mensen, kinderen, en personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren.  Wat energiearmoede betreft, kunnen de lidstaten van aan verplichtingen gebonden partijen reeds verlangen dat zij sociale doelstellingen opnemen in hun energiebesparende maatregelen, en deze mogelijkheid moet worden  werd reeds uitgebreid tot alternatieve beleidsmaatregelen en tot  Europese  nationale fondsen voor energie-efficiëntie. , en  Dat moet  worden omgezet in een verplichting  om kwetsbare afnemers en eindgebruikers te beschermen en slagvaardiger te maken en energiearmoede terug te dringen , waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van  het type beleidsmaatregel en  de omvang, reikwijdte en inhoud ervan van dergelijke maatregelen. Als een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie geen maatregelen met betrekking tot individuele energieverbruikers toestaat, kan de lidstaat uitsluitend via alternatieve beleidsmaatregelen uit hoofde van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, stappen nemen om energiearmoede te verminderen.  De lidstaten moeten er binnen hun beleidsmix voor zorgen dat andere beleidsmaatregelen geen negatief effect hebben op kwetsbare afnemers, eindgebruikers, mensen die te kampen hebben met energiearmoede en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten moeten optimaal gebruikmaken van openbare investeringen in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, met inbegrip van financiering en financiële faciliteiten die op het niveau van de Unie zijn opgezet.

 nieuw

(61)In deze richtlijn is het begrip kwetsbare afnemers opgenomen, dat de lidstaten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944 moeten definiëren. Overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU verduidelijkt het begrip “eindgebruiker” naast het begrip “eindafnemer” dat het recht op facturerings- en verbruiksinformatie ook van toepassing is op consumenten zonder individuele of rechtstreekse overeenkomsten met de leverancier van energie die wordt gebruikt voor collectieve verwarmings-, koelings- of warmwaterproductiesystemen in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen. Het begrip kwetsbare afnemer garandeert niet noodzakelijkerwijs dat maatregelen op eindgebruikers betrekking hebben. Om ervoor te zorgen dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen alle personen en huishoudens bereiken die zich in een kwetsbare situatie bevinden, moeten de lidstaten daarom niet alleen afnemers in strikte zin, maar ook eindgebruikers betrekken bij hun definitie van kwetsbare afnemers.

🡻 2018/2002 overweging 24

 nieuw

(62)Ongeveer 50  34  miljoen huishoudens in de Unie kampen met energiearmoede  konden in 2019 hun woning onvoldoende verwarmen 81  .  De Europese Green Deal geeft prioriteit aan de sociale dimensie van de transitie doordat het beginsel wordt onderschreven dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. De groene transitie, waaronder de schone transitie, raakt mannen en vrouwen op een andere manier en kan een bijzonder impact hebben op bepaalde kansarme groepen, waaronder mensen met een beperking.  Energie-efficiëntiemaatregelen moeten daarom centraal staan in alle kosteneffectieve strategieën ter bestrijding van energiearmoede en consumentenkwetsbaarheid, en een aanvulling vormen op het socialezekerheidsbeleid op het niveau van de lidstaten. Om te waarborgen dat energie-efficiëntiemaatregelen de energiearmoede van huurders op duurzame wijze verminderen, moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen en met de mate van betaalbaarheid voor vastgoedeigenaars en huurders, en moet op het niveau van de lidstaten worden gezorgd voor passende financiële  en technische  ondersteuning voor die maatregelen.  De lidstaten moeten het lokaal en regionaal niveau helpen om energiearmoede in kaart te brengen en te verhelpen.  Het huidige gebouwenbestand in de Unie moet op de lange termijn in BEN-gebouwen worden omgezet, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het huidige renovatietempo volstaat niet en de gebouwen die bewoond worden door burgers met een laag inkomen die in energiearmoede leven, zijn het moeilijkst aan te pakken. De in Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, vervatte maatregelen met betrekking tot verplichte energiebesparingen, verplichte energie-efficiëntieregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen zijn daarom bijzonder belangrijk.

🡻 2012/27/EU overweging 24

 nieuw

(63)Om het energiebesparingspotentieel te benutten in bepaalde marktsegmenten waarin energie-audits in het algemeen niet commercieel worden aangeboden (zoals kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)), dienen de lidstaten programma's uit te werken die de kmo's aanmoedigen om energie-audits te laten uitvoeren. Regelmatige energie-audits moeten verplicht zijn voor grote ondernemingen, aangezien de energiebesparingen daar aanzienlijk kunnen zijn. Bij energie-audits dienen de toepasselijke Europese en internationale normen, zoals EN ISO 50001 (energiebeheerssystemen), of pr EN 16247-1 (energie-audits) of — als zij ook een energie-audit omvatten — EN ISO 14000 (milieubeheerssystemen) in acht te worden genomen; zij moeten bijgevolg ook in overeenstemming zijn met de bepalingen van bijlage VI bij deze richtlijn, omdat deze bepalingen binnen het bestek van die toepasselijke normen vallen. Momenteel wordt een specifieke Europese norm inzake energie-audits ontwikkeld. Energie-audits kunnen op zichzelf worden uitgevoerd of deel uitmaken van een breder milieubeheersysteem of een energieprestatiecontract. In al deze gevallen moeten dergelijke systemen voldoen aan de minimumeisen van bijlage VI. Bovendien kunnen specifieke mechanismen en regelingen die zijn vastgesteld om de emissies en het brandstofverbruik van bepaalde vervoersexploitanten te monitoren, bijvoorbeeld in het kader van de EU-wetgeving inzake het EU-emissiehandelssysteem, verenigbaar worden geacht met energie-audits, onder meer in energiebeheersystemen, als zij voldoen aan de minimumeisen van bijlage VI.  

 nieuw

(64)Het gemiddelde verbruik van de onderneming moet als criterium dienen om de toepassing van energiebeheersystemen en energie-audits te bepalen, teneinde de gevoeligheid van deze mechanismen bij het identificeren van relevante mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparingen te vergroten. Ondernemingen die onder de voor energiebeheersystemen en energie-audits vastgestelde verbruiksdrempels vallen, moeten worden aangemoedigd om energie-audits te ondergaan en de daaruit voortvloeiende aanbevelingen uit te voeren.

🡻 2012/27/EU overweging 25

(65)Indien energie-audits worden uitgevoerd door inhouse interne deskundigen, is het, met het oog op de noodzakelijke onafhankelijkheid, vereist dat zij niet direct bij de gecontroleerde activiteit zijn betrokken.

 nieuw

(66)De informatie- en communicatietechnologiesector (ICT-sector) is een andere belangrijke sector die steeds meer aandacht krijgt. In 2018 bedroeg het energieverbruik van datacentra in de EU 76,8 TWh. Dit zal naar verwachting stijgen tot 98,5 TWh in 2030, een stijging met 28 %. Deze stijging in absolute termen kan ook in relatieve termen worden gezien: in de EU waren de datacentra in 2018 goed voor 2,7 % van de vraag naar elektriciteit, terwijl dat met huidige stijging in 2030 zal uitkomen op 3,21 % 82 . In de Europese digitale strategie is reeds de nadruk gelegd op de noodzaak van zeer energie-efficiënte en duurzame datacentra en wordt er opgeroepen tot transparantiemaatregelen voor telecomexploitanten met betrekking tot hun ecologische voetafdruk. Om duurzame ontwikkeling in de ICT-sector, en met name van datacentra, te bevorderen, moeten de lidstaten gegevens verzamelen en publiceren die relevant zijn voor de energieprestatie en de watervoetafdruk van datacentra. De lidstaten moeten alleen gegevens verzamelen en publiceren over datacentra met een significante voetafdruk, waarbij passende ontwerp- of efficiëntiemaatregelen voor respectievelijk nieuwe of bestaande installaties kunnen leiden tot een aanzienlijke vermindering van het energie- en waterverbruik of tot hergebruik van afvalwarmte in nabijgelegen installaties en warmtenetten. Op basis van die verzamelde gegevens kan een duurzaamheidsindicator aan het datacentrum worden toegekend.

(67)De duurzaamheidsindicatoren van datacentra kunnen worden gebruikt om vier basisdimensies van een duurzaam datacentrum te meten, namelijk hoe efficiënt energie wordt gebruikt, hoeveel van die energie afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen, de mate waarin zelf geproduceerde afvalwarmte wordt hergebruikt en het gebruik van zoet water. De duurzaamheidsindicatoren van de datacentra moeten het bewustzijn vergroten bij eigenaars en exploitanten van datacentra, fabrikanten van apparatuur, ontwikkelaars van software en diensten, gebruikers van datacentrumdiensten op alle niveaus, en entiteiten en organisaties die cloud- en datacentrumdiensten uitrollen, gebruiken of aanschaffen. Deze indicatoren moet ook vertrouwen geven in werkelijke verbeteringen als gevolg van inspanningen en maatregelen om de duurzaamheid in nieuwe of bestaande datacentra te vergroten. Ten slotte moeten de duurzaamheidsindicatoren worden gebruikt als basis voor transparante en empirisch onderbouwde planning en besluitvorming. Het gebruik van duurzaamheidsindicatoren voor datacentra moet facultatief zijn voor de lidstaten. Het gebruik van duurzaamheidsindicatoren voor datacentra moet facultatief zijn voor de lidstaten.

🡻 2018/2002 overweging 25

(68)Om tot lagere uitgaven inzake energie te komen moeten consumenten hulp krijgen om hun energieverbruik te verminderen door middel van het reduceren van de energiebehoefte van gebouwen, en de verbetering van de efficiëntie van toestellen, die moet worden gecombineerd met de beschikbaarheid van in het openbaar vervoer geïntegreerde energiezuinige vervoerswijzen en fietsen. De lidstaten moeten ook overwegen de connectiviteit in landelijke en afgelegen gebieden te verbeteren.

🡻 2018/2002 overweging 26

(69)Het is van essentieel belang om alle burgers van de Unie bewust te maken over de voordelen van grotere energie-efficiëntie en accurate informatie te verstrekken over de wijze waarop deze kan worden bereikt. Burgers van alle leeftijden moeten ook bij de energietransitie worden betrokken via het Europees klimaatpact en de Conferentie over de toekomst van Europa. Grotere energie-efficiëntie is ook zeer belangrijk voor de voorzieningszekerheid van de Unie omdat dit haar minder afhankelijk maakt van de invoer van brandstoffen uit derde landen.

🡻 2018/2002 overweging 27

(70)De kosten en baten van alle energie-efficiëntiemaatregelen, waaronder ook de terugverdienperiodes, moeten volledig transparant worden gemaakt voor de consument.

🡻 2018/2002 overweging 28 (aangepast)

(71)Bij de uitvoering van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, en het nemen van andere maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie dienen de lidstaten speciale aandacht te besteden aan synergiën tussen energie-efficiëntiemaatregelen en het efficiënte gebruik van natuurlijke hulpbronnen volgens de beginselen van de circulaire economie.

🡻 2018/2002 overweging 29

(72)De lidstaten moeten profiteren van nieuwe bedrijfsmodellen en technologieën en ernaar streven de aanwending van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen en te faciliteren, onder meer door middel van innovatieve energiediensten voor grote en kleine afnemers.

🡻 2018/2002 overweging 30 (aangepast)

(73)In het kader van de maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 15 juli 2015 met als titel „Een” new deal „voor energieconsumenten”, in de context van de energie-unie en de EU-strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consument op accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden aangescherpt. De artikelen 9, 10 en 11 van Richtlijn 2012/27/EU en bijlage VII daarbij moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen  Er moet worden gezorgd voor frequente en betere feedback over energieverbruik, indien dit, rekening houdend met de beschikbare meetapparatuur, technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Deze richtlijn verduidelijkt dat de vraag of individuele bemetering kostenefficiënt is, afhangt van de vraag of de daaraan verbonden kosten in verhouding staan tot de potentiële energiebesparingen. Om te beoordelen of individuele bemetering kostenefficiënt is, kunnen de gevolgen van andere concrete, geplande maatregelen in een bepaald gebouw, bijvoorbeeld een aanstaande renovatie, in aanmerking worden genomen.

🡻 2018/2002 overweging 31 (aangepast)

(74)Deze richtlijn verduidelijkt tevens dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor consumenten van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een energieleverancier. Het is mogelijk dat de definitie van de term „eindafnemer” uitsluitend wordt verstaan als een verwijzing naar natuurlijke of rechtspersonen die energie aankopen op basis van een rechtstreekse, individuele overeenkomst met een energieleverancier. Voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen moet daarom de term „eindgebruiker” worden geïntroduceerd om naar een bredere groep consumenten te verwijzen en deze term moet, naast eindafnemers die verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik voor eigen eindgebruik aankopen, tevens bewoners van afzonderlijke gebouwen of van afzonderlijke eenheden van appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten indien de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en de bewoners geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Het begrip „individuele bemetering” moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen.

🡻 2018/2002 overweging 32

(75)Met het oog op de transparantie van de berekening van het individuele verbruik van thermische energie, waarmee ook de individuele bemetering wordt vergemakkelijkt, moeten de lidstaten zorgen voor transparante en openbare nationale bepalingen betreffende de verdeling van de kosten van het verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen. Naast transparantie kunnen de lidstaten overwegen maatregelen te nemen om de concurrentie bij het aanbieden van individuele bemetering te vergroten en er op die manier voor te zorgen dat de kosten die worden gedragen door eindgebruikers redelijk zijn.

🡻 2018/2002 overweging 33 (aangepast)

(76)Uiterlijk op 25 oktober 2020 moeten Nnieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers moeten op afstand kunnen worden uitgelezen om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat de bepalingen van  bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen van Richtlijn 2012/27/EU over: de meting betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de individuele bemetering en kostenverdeling betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de verplichting inzake op afstand leesbare meters; de facturering en verbruiksinformatie betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; de kosten van toegang tot informatie over meting, facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik; en de minimumeisen voor informatie over facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik alleen gelden voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik. Het staat de lidstaten vrij te bepalen of apparatuur die met draagbare of in voertuigen gemonteerde technologieën kan worden gelezen, al dan niet moet worden beschouwd als op afstand leesbaar. Voor het lezen van op afstand leesbare apparatuur is geen toegang tot afzonderlijke appartementen of eenheden nodig.

🡻 2018/2002 overweging 34

(77)De lidstaten moeten er rekening mee houden dat de succesvolle toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te meten meer investeringen in voorlichting en vaardigheden vergt, zowel voor gebruikers als leveranciers van energie.

🡻 2018/2002 overweging 35

(78)Factureringsinformatie en jaarlijkse financiële overzichten zijn belangrijke middelen om afnemers over hun energieverbruik te informeren. Gegevens over verbruik en kosten kunnen ook andere informatie bevatten die consumenten helpt hun huidige contract te vergelijken met dat van andere aanbieders en gebruik te maken van procedures voor klachtenafhandeling en alternatieve geschillenbeslechtingsprocedures. Aangezien geschillen over rekeningen echter een gebruikelijke bron van klachten van consumenten vormen, en een factor die bijdraagt tot permanent lage niveaus van consumententevredenheid en betrokkenheid bij hun energieleveranciers, moeten rekeningen eenvoudiger, duidelijker en begrijpelijker worden gemaakt, en moet ervoor worden gezorgd dat de afzonderlijke instrumenten, zoals factureringsinformatie, informatietools en jaarlijkse overzichten, alle informatie bevatten die nodig is om consumenten in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, het aanbod te vergelijken en over te stappen op een andere leverancier.

🡻 2012/27/EU overweging 26

Bij het ontwikkelen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie dient rekening te worden gehouden met de efficiëntiewinst en de besparingen die een wijdverbreide toepassing van kostenefficiënte technologische innovaties, zoals slimme meters, kan opleveren. Slimme meters mogen door maatschappijen niet gebruikt worden voor ongerechtvaardigde facturering achteraf.

🡻 2012/27/EU overweging 27 (aangepast)

Wat elektriciteit betreft dient, wanneer de ingebruikname van slimme meters positief wordt beoordeeld, minimaal 80 % van de consumenten tegen 2020 te beschikken over slimme metersystemen, overeenkomstig Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit 83 . Wat gas betreft dienen, wanneer de ingebruikname van slimme metersystemen positief wordt beoordeeld, de lidstaten, of een door hen aangewezen bevoegde instantie, een tijdschema op te stellen voor de invoering van slimme metersystemen, overeenkomstig Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas 84 .

🡻 2012/27/EU overweging 28 (aangepast)

Het gebruik van individuele meters of warmtekostenverdelers voor het meten van het individuele verwarmingsverbruik in gebouwen met meerdere appartementen die worden bevoorraad door het stadsverwarmingsnet of een gemeenschappelijke centrale verwarmingsbron, is nuttig indien de eindafnemers over de mogelijkheid beschikken om hun eigen individuele verbruik te controleren. De invoering ervan is derhalve alleen nuttig in gebouwen met radiatoren die voorzien zijn van een thermostatische radiatorkraan.

🡻 2012/27/EU overweging 29 (aangepast)

In sommige gebouwen met meerdere appartementen die door het stadsverwarmingsnet of een gemeenschappelijke centrale verwarmingsbron worden bevoorraad, zou het gebruik van accurate individuele warmtemeters technisch gezien ingewikkeld en duur zijn, aangezien het warme water voor de verwarming op verschillende punten in de appartementen wordt aan- en afgevoerd. Aangenomen kan worden dat de individuele bemetering van het verwarmingsverbruik in gebouwen met meerdere appartementen, toch technisch haalbaar is indien voor de installatie van de individuele meters geen veranderingen van de bestaande warmwaterleidingen in het gebouw noodzakelijk zijn. In dergelijke gebouwen kan de berekening van het individuele verwarmingsverbruik dan worden uitgevoerd middels individuele warmtekostenverdelers die op elke radiator worden geïnstalleerd.

🡻 2012/27/EU overweging 30 (aangepast)

Volgens Richtlijn 2006/32/EG moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de eindafnemers tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die hun actuele energieverbruik nauwkeurig weergeven en informatie geven over de feitelijke verbruikstijd. In de meeste gevallen is hieraan de voorwaarde verbonden dat het technisch mogelijk en financieel redelijk moet zijn en in verhouding moet staan tot de potentiële energiebesparing. In geval van een aansluiting in een nieuw gebouw of van een ingrijpende renovatie, in de zin van Richtlijn 2010/31/EU, moeten deze individuele meters echter altijd ter beschikking worden gesteld. Richtlijn 2006/32/EG vereist verder een duidelijke facturering op basis van het daadwerkelijke energieverbruik, en vaak genoeg om de consumenten in staat te stellen hun eigen energiegebruik te regelen.

🡻 2012/27/EU overweging 31 (aangepast)

Volgens de richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG moeten de lidstaten ervoor zorgen dat intelligente meetsystemen worden toegepast, die de actieve participatie van de consument op de markt voor elektriciteits- en voor gasvoorziening in de hand werken. Met betrekking tot elektriciteit, indien de algemene invoering van slimme meters kosteneffectief wordt bevonden, moet ten minste 80 % van de consumenten uiterlijk in 2020 over intelligente meetsystemen beschikken. Met betrekking tot aardgas is er geen termijn bepaald, maar moet er wel een tijdschema worden opgesteld. Die richtlijnen schrijven tevens voor dat de eindafnemers terdege over het effectieve elektriciteitsverbruik en de kosten ervan moeten worden geïnformeerd, en tevens vaak genoeg om hun verbruik te kunnen regelen.

🡻 2012/27/EU overweging 32 (aangepast)

De bepalingen over meting en facturering in de Richtlijnen 2006/32/EG, 2009/72/EG en 2009/73/EG hebben slechts een beperkt effect op energiebesparing gehad. Op veel plaatsen in de Unie hebben deze bepalingen er niet toe geleid dat de afnemers geactualiseerde informatie over hun energieverbruik ontvangen, of rekeningen op basis van hun daadwerkelijk verbruik volgens een frequentie die blijkens studies nodig is om hen in staat te stellen hun energieverbruik te regelen. Met betrekking tot ruimteverwarming en warm water in gebouwen met meerdere appartementen heeft het gebrek aan duidelijkheid van deze bepalingen diverse klachten van burgers opgeleverd.

🡻 2012/27/EU overweging 33 (aangepast)

De eindafnemers moeten zich gemakkelijker toegang kunnen verschaffen tot informatie over hun gemeten en gefactureerde energieverbruik — mede gelet op de mogelijkheden die worden geboden door het gebruik van slimme metersystemen en de algemene invoering van slimme meters in de lidstaten — en daarom is het van belang dat de voorschriften van het Unierecht op dit terrein duidelijker worden gemaakt. Dit moet ertoe bijdragen dat het gebruik van slimme metersystemen, voorzien van functies die energiebesparing bevorderen, goedkoper wordt, en dat de ontwikkeling van markten voor energiediensten en vraagbeheer wordt gesteund. Slimme metersystemen maken frequente facturering op basis van het daadwerkelijke gebruik mogelijk. Ook in de gevallen echter waarin slimme meters niet voor 2020 beschikbaar zullen zijn, zullen de voorschriften inzake de toegang tot informatie en inzake degelijke en accurate facturering op basis van het reële verbruik moeten worden verduidelijkt, met name wat het meten en factureren van het individuele verbruik betreft in gebouwen met meerdere eenheden, die worden verwarmd, gekoeld en van warm water worden voorzien met een systeem van stadsverwarming en -koeling of met een gemeenschappelijk verwarmingssysteem.

🡻 2012/27/EU overweging 34 (aangepast)

(79)Bij het ontwikkelen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie moeten de lidstaten terdege rekening houden met de noodzaak om de goede werking van de interne markt en de samenhangende tenuitvoerlegging van het acquis te garanderen, overeenkomstig het VWEU  Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

🡻 2012/27/EU overweging 35 (aangepast)

 nieuw

(80)Bij hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling is er veel ruimte voor besparingen op primaire energie, die nog grotendeels onbenut is in de Unie. De lidstaten moeten een uitgebreide analyse van het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling maken. Deze analyses moeten op verzoek van de Commissie worden geactualiseerd, teneinde investeerders te informeren over de nationale ontwikkelingsplannen en bij te dragen aan een stabiele en stimulerende investeringsomgeving coherent zijn met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en langetermijnrenovatiestrategieën . Nieuwe elektriciteitsinstallaties en bestaande installaties die ingrijpend gerenoveerd worden of waarvan de vergunning of licentie wordt vernieuwd, moeten onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse waaruit een kosten-batenoverschot blijkt, uitgerust worden met hoogrenderende warmtekrachtkoppelingseenheden om de warmte terug te winnen die bij de productie van elektriciteit vrijkomt. Evenzo moeten andere faciliteiten met een aanzienlijke gemiddelde jaarlijkse energie-input worden uitgerust met technische oplossingen om afvalwarmte van de faciliteit terug te winnen indien uit een kosten-batenanalyse een kosten-batenoverschot blijkt. Deze afvalwarmte kan dan via het stadsverwarmingsnet naar een plaats worden getransporteerd waar deze warmte nuttig te gebruiken is. Gebeurtenissen die een vereiste voor het toepassen van vergunningscriteria in werking stellen, zijn over het algemeen gebeurtenissen die ook de noodzaak van een vergunning krachtens Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies 85 en van een vergunning krachtens Richtlijn 2009/72/EG (EU) 2019/944 met zich meebrengen.

🡻 2012/27/EU overweging 36

(81)Het kan voor kernenergiecentrales of elektriciteitscentrales die gebruik willen maken van geologische opslag zoals toegestaan door Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide 86 , passend zijn om gelegen te zijn op plaatsen waar de benutting van afvalwarmte middels hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of de bevoorrading van een stadsverwarmings- of stadskoelingsnet niet kostenefficiënt is. De lidstaten moeten dergelijke installaties derhalve kunnen uitsluiten van de verplichting een kosten-batenanalyse uit te voeren inzake het uitrusten van de installatie met apparatuur die de benutting van afvalwarmte door middel van een apparaat voor hoogrenderende warmtekrachtkoppelingseenheid mogelijk maakt. Het moet eveneens mogelijk zijn piekverbruik- en back-upelektriciteitsinstallaties waarvan is gepland dat ze minder dan 1500 bedrijfsuren per jaar als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar in bedrijf zullen zijn, uit te sluiten van de vereiste om ook warmte te produceren.

🡻 2012/27/EU overweging 37

 nieuw

(82)Lidstaten dienen de invoering aan te moedigen van maatregelen en procedures ter bevordering van installaties met warmtekrachtkoppeling met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 20  5  MW, zodat gedistribueerde energieopwekking meer ingang vindt.

 nieuw

(83)Voor de uitvoering van nationale uitgebreide beoordelingen moeten de lidstaten beoordelingen van het potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling op regionaal en lokaal niveau aanmoedigen. De lidstaten moeten stappen zetten om de benutting van het vastgestelde kostenefficiënte potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling te bevorderen en te vergemakkelijken.

(84)Vereisten inzake efficiënte stadsverwarming en -koeling moeten in overeenstemming zijn met de klimaatbeleidsdoelstellingen op lange termijn en de EU-normen en prioriteiten inzake klimaat en milieu, en moeten voldoen aan het beginsel “geen ernstige afbreuk doen” in de zin van Verordening (EU) 2020/85. Alle systemen voor stadsverwarming en -koeling moeten gericht zijn op een betere interactie met andere delen van het energiesysteem teneinde het energiegebruik te optimaliseren en energieverspilling te voorkomen door gebruik te maken van het volledige potentieel van gebouwen om warmte of koude op te slaan, met inbegrip van de overtollige warmte uit dienstvoorzieningen en nabijgelegen datacentra. Daarom moet er met een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling voor worden gezorgd dat de primaire energie-efficiëntie verbetert en hernieuwbare energie en afvalwarmte of -koude geleidelijk worden geïntegreerd. Daarom moeten bij deze richtlijn geleidelijk strengere eisen voor de levering van verwarming en koeling worden ingevoerd, die gedurende specifieke vastgestelde perioden van toepassing moeten zijn en vanaf 1 januari 2050 permanent van toepassing moeten zijn.

🡻 2012/27/EU overweging 38 (aangepast)

 nieuw

(85)Hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moet  is gedefinieerd worden aan de hand van de energiebesparing die de gecombineerde productie van warmte en elektriciteit oplevert vergeleken met gescheiden productie. Vereisten voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moeten in overeenstemming zijn met de klimaatbeleidsdoelstellingen op lange termijn. De definities van warmtekrachtkoppeling en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling die in de Uniewetgeving worden gebruikt, mogen geen afbreuk doen aan de verschillende definities die in de nationale wetgevingen worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden van de Uniewetgeving. Teneinde de energiebesparingen te maximaliseren en te voorkomen dat er mogelijkheden tot energiebesparing verloren gaan, moet de grootst mogelijke aandacht worden besteed aan de omstandigheden waaronder warmtekrachtkoppelingseenheden functioneren.

🡻 2012/27/EU overweging 39 (aangepast)

(86)Teneinde de eindafnemer een transparantere keuze te laten maken  transparantie te waarborgen en een keuze te laten maken tussen elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling en elektriciteit die via andere technieken wordt geproduceerd, moet ervoor worden gezorgd dat de oorsprong van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling kan worden gegarandeerd op basis van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden. Regelingen voor de garantie van oorsprong houden op zich niet het recht in om van de nationale steunregelingen te genieten. Het is van belang dat alle vormen van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling onder garanties van oorsprong kunnen vallen. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen de garanties van oorsprong en verhandelbare certificaten.

🡻 2012/27/EU overweging 40

(87)Er moet rekening worden gehouden met de specifieke structuur van de sectoren van warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming en -koeling, die veel kleine en middelgrote producenten kent, vooral bij het herzien van de administratieve procedures voor het verkrijgen van een vergunning om warmtekrachtcapaciteit of bijbehorende netwerken te bouwen, in toepassing van het principe „Denk eerst klein”.

🡻 2012/27/EU overweging 41

(88)De meeste ondernemingen in de Unie zijn kmo's. Zij vertegenwoordigen een enorm energiebesparingspotentieel voor de Unie. Om kmo's te helpen energie-efficiëntiemaatregelen vast te stellen, moeten de lidstaten een gunstig kader uitwerken dat hen technische bijstand en gerichte informatie biedt.

🡻 2012/27/EU overweging 42 (aangepast)

Richtlijn 2010/75/EU beschouwt energie-efficiëntie als een van de criteria om de beste beschikbare technieken te bepalen die als referentie moeten dienen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties die onder het toepassingsgebied ervan vallen, inclusief stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer. Die richtlijn geeft de lidstaten echter de mogelijkheid om geen voorschriften inzake energie-efficiëntie op te leggen voor verbrandingseenheden of andere eenheden die ter plaatse kooldioxide uitstoten, voor de activiteiten vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG. De lidstaten zouden informatie over energie-efficiëntieniveaus kunnen opnemen in hun rapportage in het kader van Richtlijn 2010/75/EU.

🡻 2012/27/EU overweging 43

(89)De lidstaten moeten op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria regels opstellen voor het dragen en verdelen van de kosten van netaansluitingen en -verzwaringen en voor de technische aanpassingen die nodig zijn om nieuwe producenten van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te sluiten, rekening houdend met de richtsnoeren en codes die ontwikkeld werden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 714/2009 (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad 87  van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit 88 en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransportnetten 89 . Producenten van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling moet toegestaan worden om een openbare aanbesteding voor de aansluitingswerkzaamheden uit te schrijven. De toegang tot het net voor door hoogrenderende warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit moet worden vereenvoudigd, met name voor kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden. Overeenkomstig artikel 93, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EG en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/73/EG mogen de lidstaten in dit verband openbaredienstverplichtingen, ook wat betreft energie-efficiëntie, opleggen aan ondernemingen die in de gas- en elektriciteitssector actief zijn.

 nieuw

(90)Er moeten bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot facturering, centrale aanspreekpunten, buitengerechtelijke geschillenbeslechting, energiearmoede en contractuele basisrechten, teneinde deze waar nodig af te stemmen op de relevante bepalingen inzake elektriciteit overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944, zodat de consumenten beter worden beschermd en de eindafnemers frequentere, duidelijkere en actuelere informatie kunnen ontvangen over hun verwarmings-, koelings- of warmwaterverbruik en hun energieverbruik kunnen reguleren.

(91)Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke onafhankelijke buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals een energieombudspersoon, een consumentenorganisatie of een reguleringsinstantie, moeten een garantie bieden voor betere consumentenbescherming. De lidstaten moeten derhalve voorzien in procedures voor een snelle en doeltreffende afhandeling van klachten.

 nieuw

(92)Er moet worden erkend dat hernieuwbare-energiegemeenschappen, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad 90 , en energiegemeenschappen van burgers, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/944, bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het klimaatdoelstellingsplan 2030. De lidstaten moeten daarom rekening houden met de rol van hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers en deze bevorderen. Deze gemeenschappen kunnen de lidstaten helpen de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken door de energie-efficiëntie op lokaal niveau of op het niveau van huishoudens te verbeteren. Zij kunnen consumenten slagvaardiger maken en activeren, en kunnen het mogelijk maken dat bepaalde groepen huishoudelijke afnemers, onder meer in landelijke en afgelegen gebieden, deelnemen aan energie-efficiëntieprojecten en -maatregelen. Energiegemeenschappen kunnen energiearmoede helpen bestrijden door energie-efficiëntieprojecten te bevorderen en het energieverbruik en de leveringstarieven te verlagen.

(93)De bijdrage van éénloketsystemen of soortgelijke structuren als mechanismen die meerdere doelgroepen, waaronder burgers, kmo’s en overheidsinstanties, in staat stellen projecten en maatregelen in verband met de overgang naar schone energie op te zetten en uit te voeren, moet worden erkend. Die bijdrage kan bestaan uit het verstrekken van technisch, administratief en financieel advies en bijstand, het faciliteren van de noodzakelijke administratieve procedures of van toegang tot financiële markten, of het aanreiken van richtsnoeren voor het nationale en Europese rechtskader, met inbegrip van regels en criteria voor overheidsopdrachten, en de EU-taxonomie.

(94)De Commissie moet het effect nagaan van haar maatregelen om de ontwikkeling van platforms of forums te ondersteunen, waarbij onder meer de Europese organen voor sociale dialoog worden betrokken bij het bevorderen van opleidingsprogramma's voor energie-efficiëntie, en stelt eventueel verdere maatregelen voor. De Commissie moet de Europese sociale partners ook aanmoedigen in hun discussies over energie-efficiëntie, met name wat betreft kwetsbare afnemers en eindgebruikers, zoals mensen die in energiearmoede verkeren.

(95)Een eerlijke transitie naar een klimaatneutrale Unie tegen 2050 staat centraal in de Europese Green Deal. In de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 gezamenlijk is afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, is energie een van de essentiële diensten waar iedereen recht op heeft. Wie er behoefte aan heeft, moet steun kunnen verkrijgen voor toegang tot deze diensten 91 .

(96)Er moet voor worden gezorgd dat mensen die door energiearmoede worden getroffen, kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, worden beschermd en actief kunnen deelnemen aan maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en daarmee verband houdende consumentenbeschermings- of voorlichtingsacties die de lidstaten uitvoeren.

(97)Openbare middelen die op nationaal en Unieniveau beschikbaar zijn, moeten strategisch worden geïnvesteerd in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, met name ten behoeve van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten moeten gebruik maken van de financiële bijdragen die zij eventueel ontvangen uit het sociaal klimaatfonds [verordening betreffende het Europees sociaal klimaatfonds] en van de inkomsten uit emissierechten uit het Europees emissiehandelssysteem. Deze inkomsten zullen de lidstaten helpen bij het nakomen van hun verplichting om energie-efficiëntiemaatregelen en beleidsmaatregelen in het kader van de energiebesparingsverplichting prioritair uit te voeren ten gunste van kwetsbare afnemers en mensen die in energiearmoede leven, waaronder mogelijkerwijs personen die in landelijke en afgelegen gebieden wonen.

(98)Nationale financieringsregelingen moeten worden aangevuld met passende regelingen voor betere voorlichting, technische en administratieve bijstand alsmede gemakkelijkere toegang tot financiering, zodat de beschikbare middelen optimaal kunnen worden gebruikt, met name door mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen.

(99)De lidstaten moeten alle mensen in gelijke mate slagvaardig maken en beschermen, ongeacht hun geslacht, gender, leeftijd, handicap, ras of etnische afkomst, seksuele geaardheid, godsdienst of overtuiging, en ervoor zorgen dat degenen die het zwaarst getroffen zijn of een groter risico van energiearmoede lopen of het meest blootgesteld zijn aan de nadelige gevolgen van energiearmoede, naar behoren worden beschermd. Daarnaast moeten de lidstaten ervoor zorgen dat energie-efficiëntiemaatregelen de bestaande ongelijkheden, met name wat energiearmoede betreft, niet verder vergroten.

🡻 2012/27/EU overweging 44 (aangepast)

Vraagrespons is een belangrijk instrument om de energie-efficiëntie te verhogen, omdat consumenten of door hen aangewezen derde partijen aanzienlijk meer mogelijkheden krijgen om actie te ondernemen op het gebied van informatie over verbruik en facturering; dit verschaft een mechanisme om het verbruik te verminderen of te wijzigen en aldus energie te besparen zowel in eindverbruik als in de productie, het transport en de distributie van energie, dankzij een beter gebruik van netwerken en productiemiddelen.

🡻 2012/27/EU overweging 45

 nieuw

(100)De vraagrespons kan gebaseerd worden op de reacties van eindafnemers op prijssignalen of op automatisering van gebouwen. De voorwaarden voor en de toegang tot vraagrespons moeten verbeterd worden, ook voor kleine eindafnemers. Derhalve moeten de lidstaten, rekening houdend met de continue ontwikkeling van slimme energienetten, ervoor zorgen dat de nationale regelingsinstanties voor energie ervoor kunnen zorgen dat nettarieven en netreguleringen verbeteringen van de energie-efficiëntie stimuleren en een dynamische prijsstelling voor vraagresponsmaatregelen door eindafnemers steunen. De mogelijkheden van marktintegratie en gelijke markttoegang voor vraagzijdemiddelen (aanbod- en consumentenbelasting), naast productie, moeten worden benut. Tevens moeten dDe lidstaten moeten erop toezien dat nationale energiereguleringsinstanties een geïntegreerde benadering volgen, inclusief potentiële besparingen in de energievoorziening en de eindgebruikerssectoren. Zonder afbreuk te doen aan de energievoorzieningszekerheid, marktintegratie en anticiperende investeringen in offshorenetwerken die nodig zijn voor de uitrol van hernieuwbare offshore-energie, moeten de nationale energiereguleringsinstanties ervoor zorgen dat het beginsel “energie-efficiëntie eerst” wordt toegepast bij plannings- en besluitvormingsprocessen en dat nettarieven en netreguleringen de verbetering van de energie-efficiëntie stimuleren. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de transmissie- en distributiesysteembeheerders het beginsel “energie-efficiëntie eerst” eerbiedigen. Dit zou ertoe bijdragen dat transmissie- en distributiesysteembeheerders betere energie-efficiëntieoplossingen en extra kosten voor de aankoop van hulpbronnen aan de vraagzijde overwegen, en rekening houden met de ecologische en sociaal-economische gevolgen van verschillende investeringen en operationele plannen in verband met het net. Een dergelijke aanpak vereist een verschuiving van een eng perspectief van economische efficiëntie naar een perspectief van maximaal sociaal welzijn. Het beginsel “energie-efficiëntie eerst” moet in het bijzonder worden toegepast bij het opstellen van scenario’s voor de uitbreiding van de energie-infrastructuur, waarbij oplossingen aan de vraagzijde als haalbare alternatieven kunnen worden beschouwd en naar behoren moeten worden beoordeeld, en het beginsel moet een intrinsiek onderdeel worden van de beoordeling van netplanningsprojecten. De toepassing ervan moet worden gecontroleerd door de nationale reguleringsinstanties.

🡻 2012/27/EU overweging 46

 nieuw

(101)Er moeten voldoende betrouwbare professionals met deskundigheid op het vlak van energie-efficiëntie beschikbaar zijn om ervoor te zorgen dat deze richtlijn doelmatig en tijdig wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld bij de naleving van de vereisten met betrekking tot energie-audits en de tenuitvoerlegging van de regelingen voor energie-efficiëntieverplichtingen. De lidstaten moeten daarom certificatieregelingen en/of gelijkwaardige kwalificatie- en passende opleidingsregelingen opstellen voor de aanbieders van energiediensten, energie-audits en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie , in nauwe samenwerking met sociale partners, opleidingsverstrekkers en andere belanghebbenden. De regelingen moeten vanaf december 2024 om de vier jaar worden beoordeeld en zo nodig worden bijgewerkt om ervoor te zorgen dat de aanbieders van energiediensten, energie-auditors, energiebeheerders en installateurs van onderdelen van gebouwen over de nodige competenties beschikken .

🡻 2012/27/EU overweging 47 (aangepast)

 nieuw

(102)Het is noodzakelijk dat de markt voor energiediensten verder wordt ontwikkeld om de beschikbaarheid van zowel de vraag naar als het aanbod van energiediensten te waarborgen. Transparantie, bijvoorbeeld aan de hand van lijsten van gecertificeerde aanbieders van energiediensten, kan hiertoe bijdragen.  en beschikbare  mModelcontracten, uitwisseling van goede praktijken, en richtsnoeren, vooral voor  dragen in sterke mate bij aan de ingebruikname van energiediensten en energieprestatiecontracten,  en kunnen eveneens de vraag helpen stimuleren en het vertrouwen in aanbieders van energiediensten bevorderen . In een energieprestatiecontract, zoals in andere vormen van financieringsregelingen via derden, vermijdt de begunstigde van de energiedienst investeringskosten door een deel van de financiële waarde van de energiebesparing te gebruiken om de volledig of gedeeltelijk door een derde uitgevoerde investering terug te betalen. Dat kan helpen om particulier kapitaal aan te trekken dat essentieel is om het renovatietempo in de Unie op te trekken, meer expertise in de markt te integreren en innovatieve businessmodellen te creëren. Daarom moet bij niet voor bewoning bestemde gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1 000 m² worden verplicht dat de haalbaarheid van het gebruik van energieprestatiecontracten voor renovatie wordt beoordeeld. Dat is een stap vooruit om het vertrouwen in energiedienstenbedrijven te vergroten en de weg vrij te maken voor meer dergelijke projecten in de toekomst.

 nieuw

(103)Gezien de ambitieuze renovatiedoelstellingen voor de komende tien jaar in het kader van de mededeling van de Commissie “Renovatiegolf”, is het noodzakelijk de rol van onafhankelijke tussenpersonen op de markt te vergroten, met inbegrip van éénloketsystemen of soortgelijke steunmechanismen, teneinde de marktontwikkeling aan de vraag- en aanbodzijde te stimuleren en energieprestatiecontracten voor de renovatie van zowel particuliere als openbare gebouwen te bevorderen. Lokale energieagentschappen zouden in dit verband een belangrijke rol kunnen spelen en facilitatoren of centrale aanspreekpunten in kaart kunnen brengen en de ontwikkeling ervan kunnen ondersteunen.

(104)In verschillende lidstaten bestaan er voor energieprestatiecontracten nog steeds grote obstakels als gevolg van resterende regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen. Daarom moeten de dubbelzinnigheden in de nationale wetgevingskaders, het gebrek aan deskundigheid, met name op het gebied van aanbestedingsprocedures, en concurrerende leningen en subsidies worden aangepakt.

(105)De lidstaten moeten de openbare sector blijven ondersteunen bij het gebruik van energieprestatiecontracten door modelcontracten te verstrekken die rekening houden met de beschikbare Europese of internationale normen, aanbestedingsrichtsnoeren en de in mei 2018 door Eurostat en de Europese Investeringsbank gepubliceerde gids voor de statistische behandeling van energieprestatiecontracten 92 over de behandeling van energieprestatiecontracten in overheidsrekeningen, die mogelijkheden aanreiken om de resterende regelgevingsbelemmeringen voor deze contracten in de lidstaten aan te pakken.

🡻 2012/27/EU overweging 48 (aangepast)

 nieuw

(106) De lidstaten hebben maatregelen genomen om de regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen in kaart te brengen en aan te pakken. Het is echter nodig meer inspanningen te leveren om de aan regulering- en de niet aan regulering gerelateerde belemmeringen met betrekking tot het gebruik van energieprestatiecontracten en andere financieringsregelingen via derden met het oog op energiebesparing  die helpen om energie te besparen , te identificeren en weg te nemen. Deze belemmeringen omvatten boekhoudregels en -praktijken die verhinderen dat kapitaalinvesteringen en jaarlijkse financiële besparingen welke voortvloeien uit maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie adequaat in de boekhouding worden weergegeven voor de volledige levensduur van de investeringen. Belemmeringen voor de renovatie van het bestaande gebouwenbestand wegens een opsplitsing van prikkels tussen de verschillende betrokken actoren moeten ook op nationaal niveau worden aangepakt.

 nieuw

(107)De lidstaten hebben de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie (NAPEE’s) van 2014 en 2017 gebruikt om verslag uit te brengen over de vooruitgang bij het wegnemen van regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen voor energie-efficiëntie, met betrekking tot de scheiding van prikkels tussen eigenaars en huurders of tussen eigenaars van een gebouw of gebouwunits. De lidstaten moeten echter in deze richting blijven werken en het potentieel voor energie-efficiëntie in samenhang met de Eurostat-statistieken van 2016 benutten, aangezien meer dan vier op de tien Europeanen in appartementen wonen en meer dan drie op de tien Europeanen huurders zijn.

🡻 2012/27/EU overweging 49

 nieuw

(108)Lidstaten en regio's moeten aangemoedigd worden om voluit gebruik te maken van de Europese middelen die beschikbaar zijn in het kader van het MFK en NextGenerationEU, inclusief de herstel- en veerkrachtfaciliteit, structuurfondsen en het Cohesiefonds  de fondsen van het cohesiebeleid, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Fonds voor een rechtvaardige transitie, alsook de financiële instrumenten en technische bijstand die beschikbaar zijn in het kader van InvestEU, om de aanzet te geven tot  particuliere en openbare investeringen in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. Investeringen in energie-efficiëntie kunnen bijdragen aan de economische groei, werkgelegenheid, innovatie en de vermindering van brandstofarmoede  energiearmoede in huishoudens, en leveren daardoor een positieve bijdrage aan de economische, sociale en territoriale cohesie  en het groene herstel . Potentiële gebieden voor financiering zijn onder meer energie-efficiëntiemaatregelen in overheidsgebouwen en sociale woningbouw en de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden om de werkgelegenheid in de energie-efficiëntiesector te stimuleren.  De Commissie zal zorgen voor synergieën tussen de verschillende financieringsinstrumenten, in het bijzonder tussen de fondsen in gedeeld beheer en de fondsen in direct beheer (zoals de centraal beheerde programma’s Horizon Europa of LIFE), alsook tussen subsidies, leningen en technische bijstand om hun hefboomwerking op particuliere financiering en hun impact op de verwezenlijking van de doelstellingen van het energie-efficiëntiebeleid te maximaliseren.

🡻 2012/27/EU overweging 50 (aangepast)

(109)De lidstaten moeten het gebruik van financieringsfaciliteiten aanmoedigen om de doelstellingen van deze richtlijn te realiseren. Deze financieringsfaciliteiten kunnen bestaan in financiële bijdragen en boetes in verband met het niet naleven van een aantal bepalingen van deze richtlijn; middelen die krachtens artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EGvan het Europees Parlement en de Raad 93 aan energie-efficiëntie worden toegewezen; middelen die in het kader van het meerjarig financieel kader aan energie-efficiëntie worden toegewezen, in het bijzonder middelen van het cohesiefonds, de structuurfondsen en het plattelandsontwikkelingsfonds,  in de Europese fondsen en programma’s en gereserveerdespecifieke Europese financiële instrumenten, zoals het Europees Fonds voor energie-efficiëntie.

🡻 2012/27/EU overweging 51

(110)Financieringsfaciliteiten kunnen, in voorkomend geval, gebaseerd worden op met projectobligaties van de Unie gegenereerde middelen die aan energie-efficiëntie worden toegewezen; aan energie-efficiëntie toegewezen middelen van de Europese Investeringsbank en andere Europese financiële instellingen, in het bijzonder de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de ontwikkelingsbank van de Raad van Europa; middelen met hefboomwerking verkregen via financiële instellingen; nationale middelen, onder meer verkregen door de invoering van regelgevings- en belastingkaders ter stimulering van energie-efficiëntie-initiatieven en -programma's; inkomsten van jaarlijkse emissierechten op grond van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad 94 .

🡻 2012/27/EU overweging 52

(111)De financieringsfaciliteiten kunnen met name die bijdragen, middelen en inkomsten gebruiken om privékapitaalinvesteringen, in het bijzonder van institutionele beleggers, mogelijk te maken en te stimuleren, en daarbij criteria hanteren voor de toekenning van middelen die waarborgen dat zowel sociale als milieudoelstellingen worden verwezenlijkt; gebruikmaken van innovatieve financieringsmechanismen (bijvoorbeeld leninggaranties voor privékapitaal, leninggaranties voor het bevorderen van contracten, subsidies, gesubsidieerde leningen en kredietlijnen met betrekking tot energieprestatie, financiering via derden) die de risico's van energie-efficiëntieprojecten reduceren en ook huishoudens met een laag of middeninkomen in staat stellen tot een kosteneffectieve renovatie; gekoppeld zijn aan programma's of agentschappen die energiebesparingsprojecten aggregeren en aan kwaliteitsbeoordelingen onderwerpen, technische bijstand leveren, de markt voor energiediensten bevorderen en de vraag bij consumenten naar diensten op energiegebied aanzwengelen.

🡻 2012/27/EU overweging 53

(112)De financieringsfaciliteiten zouden ook middelen ter beschikking kunnen stellen voor opleidings- en certificeringsprogramma's die vaardigheden op het gebied van energie-efficiëntie verbeteren en accrediteren; middelen ter beschikking stellen voor onderzoek naar en demonstratie en versnelde invoering van kleinschalige en microtechnologie voor energieproductie en optimalisering van de aansluiting van de betrokken generatoren op het net; gekoppeld zijn aan programma's die de energie-efficiëntie in alle woningen moeten bevorderen om energiearmoede te voorkomen, en verhuurders ertoe moeten aanzetten hun goed zo energie-efficiënt mogelijk te maken; adequate middelen ter beschikking stellen ter ondersteuning van de sociale dialoog en de vaststelling van normen die gericht zijn op het verbeteren van de energie-efficiëntie, het waarborgen van goede arbeidsomstandigheden en het beschermen van de gezondheid en de veiligheid op het werk.

🡻 2012/27/EU overweging 54

 nieuw

(113)De beschikbare  financieringsprogramma’s,  financieringsinstrumenten en innovatieve financieringsmechanismen van de Unie dienen te worden ingezet om een praktische uitwerking te geven aan de doelstelling de energieprestatie van de gebouwen van overheidsinstanties te verbeteren. In dat opzicht kunnen de lidstaten, op vrijwillige basis en rekening houdend met de nationale begrotingsregels, hun inkomsten uit de jaarlijkse emissieruimten op grond van Beschikking 406/2009/EG gebruiken voor de ontwikkeling van dergelijke mechanismen.

🡻 2012/27/EU overweging 55 (aangepast)

(114)Bij het streven naar het 20 %-energie-efficiëntiestreefcijfer zal  moet de Commissie het effect moeten nagaan van nieuwe  de betrokken maatregelen op Richtlijn 2003/87/EG die een uniale regeling voor de handel in emissierechten (ETS) om de prikkels in de regeling waarbij koolstofarme investeringen worden beloond, te handhaven en de onder de regeling vallende sectoren voor te bereiden op de innovaties die in de toekomst nodig zullen zijn. Zij zal moeten controleren wat het effect is op bedrijfstakken die blootstaan aan een significant CO2-weglekrisico, zoals bepaald in Besluit 2014/746/EU van de Commissie 95 Besluit 2010/2/EU van de Commissie van 24 december 2009 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico 96 , om ervoor te zorgen dat deze richtlijn de ontwikkeling van die bedrijfstakken ten goede komt en niet belemmert.

🡻 2012/27/EU overweging 56 (aangepast)

Krachtens Richtlijn 2006/32/EG moeten de lidstaten met ingang van 2016 een algemeen nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van 9 % vaststellen en ernaar streven deze te verwezenlijken door energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te ontwikkelen. Die richtlijn stelt dat het tweede energie-efficiëntieplan dat door de lidstaten werd vastgesteld in voorkomend geval en waar nodig moet worden gevolgd door Commissievoorstellen voor extra maatregelen, waaronder de uitbreiding van de toepassingsperiode van streefcijfers. Indien in een verslag wordt geconcludeerd dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt bij het behalen van de nationale indicatieve streefwaarden, zoals vastgelegd bij die richtlijn, moeten deze voorstellen betrekking hebben op het niveau en de aard van de streefwaarden. Volgens de effectbeoordeling waarmee deze richtlijn gepaard gaat, liggen de lidstaten op koers voor het bereiken van het streefwaarde van 9 %, wat heel wat minder ambitieus is dan het later vastgestelde streefcijfer van 20 % energiebesparing voor 2020. Het is dan ook niet nodig het niveau van de streefwaarden aan te passen.

🡻 2012/27/EU overweging 57 (aangepast)

Het Programma Intelligente energie - Europa vastgesteld bij Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) 97 heeft geholpen om een omgeving te creëren waarin het Uniebeleid inzake duurzame energie kan gedijen, doordat marktbelemmeringen worden weggenomen - bijvoorbeeld het feit dat marktactoren en instellingen zich onvoldoende bewust zijn van de problematiek en over te weinig capaciteit beschikken, dat de interne energiemarkt wordt gehinderd door nationale en technische of administratieve belemmeringen, of dat slecht ontwikkelde arbeidsmarkten de uitdaging van een koolstofarme economie niet aankunnen. Veel van deze belemmeringen zijn nog altijd aanwezig.

🡻 2012/27/EU overweging 58 (aangepast)

Het aanzienlijke energiebesparingspotentieel van energiegerelateerde producten moet worden aangeboord, en daarom dient sneller uitvoering en ook ruimere toepassing te worden gegeven aan Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten 98 en Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten 99 . Prioritair zijn de producten met het grootste energiebesparingspotentieel in de zin van het werkplan inzake ecologisch ontwerp, en de eventuele herziening van de bestaande maatregelen.

🡻 2012/27/EU overweging 59 (aangepast)

Teneinde de voorwaarden te verduidelijken waaronder de lidstaten krachtens Richtlijn 2010/31/EU energieprestatievoorschriften kunnen vaststellen met naleving van Richtlijn 2009/125/EG en diens uitvoeringsmaatregelen, moet Richtlijn 2009/125/EG worden gewijzigd.

🡻 2018/2002 overweging 36 (aangepast)

 nieuw

(115)De maatregelen van de lidstaten moeten worden ondersteund door goed ontworpen en efficiënte financiële instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen  in het kader van het InvestEU-programma , en door financiering van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO), die investeringen in energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen ondersteunen en uitgaan van een omvattende kosten-batenanalyse op grond van een model van gedifferentieerde discontopercentages. De financiële steun moet gericht zijn op kosteneffectieve methoden om de energie-efficiëntie te verbeteren, wat moet leiden tot een daling van het energieverbruik. De EIB en de EBWO dienen, in samenspraak met nationale bevorderingsbanken, programma's en projecten te ontwerpen, genereren en financieren die gericht zijn op de efficiëntiesector, met inbegrip van energiearme huishoudens.

 nieuw

(116)Sectoroverschrijdend recht biedt een sterke basis voor consumentenbescherming met betrekking tot een breed scala aan reeds bestaande energiediensten, en zal waarschijnlijk evolueren. Niettemin moeten bepaalde contractuele basisrechten van de afnemers duidelijk worden omschreven. De consumenten moeten kunnen beschikken over duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector.

(117)Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke onafhankelijke buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen, zoals een energieombudspersoon, een consumentenorganisatie of een reguleringsinstantie, zijn een garantie voor betere consumentenbescherming. De lidstaten moeten derhalve voorzien in procedures voor de snelle en doeltreffende afhandeling van klachten.

🡻 2018/2002 overweging 38 (aangepast)

 nieuw

(118)Om de doeltreffendheid van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, te kunnen beoordelen, moet een eis worden ingevoerd  vastgesteld  voor het doen van een algemene evaluatie van die  deze  richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk op 28 februari  2027  2024. Deze evaluatie moet plaatsvinden na de algemene inventarisatie in 2023 door het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, zodat er toelaten dat de nodige aanpassingen in het proces kunnen worden gedaan, waarbij ook rekening wordt gehouden met economische en innovatieve ontwikkelingen.

🡻 2018/2002 overweging 39 (aangepast)

(119)De lokale en regionale autoriteiten moeten een leidende rol krijgen bij de ontwikkeling en het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de in  deze  Rrichtlijn 2012/27/EU vastgelegde maatregelen, zodat zij op adequate wijze kunnen inspelen op de specifieke kenmerken van hun klimaat, cultuur en samenleving.

🡻 2018/2002 overweging 40 (aangepast)

 nieuw

(120)Om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh worden herzien om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor (PEF) voor elektriciteit (PEF)  en andere energiedragers  . Berekeningen die de energiemix van de PEF voor elektriciteit weergeven, moeten worden gebaseerd op jaarlijkse gemiddelden. De boekhoudkundige methode op basis van de fysieke energie-inhoud wordt gebruikt met betrekking tot elektriciteit en warmte die worden opgewekt met kernenergie, en de methode op basis van technische omzettingsefficiëntie met betrekking tot elektriciteit en warmte die worden opgewekt uit fossiele brandstoffen en biomassa. De methode voor niet-brandbare vormen van hernieuwbare energie is het directe equivalent op basis van de totale primaire energie. Voor de berekening van het primaire energieaandeel voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling wordt de methode van bijlage II bij  deze  Rrichtlijn 2012/27/EU toegepast. Er wordt gebruikgemaakt van een gemiddelde marktpositie in plaats van een marginale marktpositie. Het omzettingsrendement wordt geraamd op 100 % voor niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, 10 % voor geothermische centrales en 33 % voor kerncentrales. De berekening van de totale efficiëntie van warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de meest recente gegevens van Eurostat. Wat systeemgrenzen betreft, bedraagt de PEF voor alle energiebronnen 1. De PEF-waarde verwijst naar het jaar 2018 en is gebaseerd op gegevens die zijn geïnterpoleerd uit de jongste versie van het PRIMES-referentiescenario voor de jaren 2015 en 2020 en aangepast op basis van gegevens van Eurostat tot en met 2016. De analyse heeft betrekking op de lidstaten en Noorwegen. De gegevensreeks voor Noorwegen is gebaseerd op gegevens van het  ENTSB-E  Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit.

🡻 2018/2002 overweging 41

(121)Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het Unierecht mogen alleen worden geclaimd als zij voortvloeien uit een maatregel die verder reikt dan het minimum dat wordt vereist door de betrokken rechtshandeling van de Unie, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op niveau van de lidstaat, hetzij door de maatregel beter ingang te doen vinden. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel om de energie-efficiëntie verder te vergroten, en de renovatie van gebouwen is op lange termijn een essentieel element met schaalvoordelen om tot grotere energiebesparing te komen. Daarom moet worden verduidelijkt dat het mogelijk is om alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen te claimen op voorwaarde dat ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en op voorwaarde dat de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de energiebesparingen die worden geclaimd.

🡻 2018/2002 overweging 42 (aangepast)

(122)Overeenkomstig de strategie voor de energie-unie en de beginselen van betere regelgeving dient meer gewicht te worden gegeven aan toezicht en controleregels voor de tenuitvoerlegging van verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en alternatieve beleidsmaatregelen, waaronder de verplichting een statistisch representatieve steekproef van maatregelen te controleren. In Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, moet een statistisch relevant aandeel en een statistisch representatieve steekproef van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie worden begrepen als de verplichting om een subgroep van een statistische populatie van de betreffende energiebesparende maatregelen vast te stellen, op zodanige wijze dat deze subgroep een accurate weergave vormt van de volledige populatie van alle energiebesparende maatregelen, zodat er redelijke betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken over het vertrouwen in alle maatregelen.

🡻 2018/2002 overweging 43

 nieuw

(123)Door technologieën op basis van hernieuwbare energie te gebruiken voor het opwekken van energie op of in gebouwen, hoeft er een minder groot beroep te worden gedaan op energie uit fossiele brandstoffen. Het beperken van het energieverbruik en het verbruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale afspraken die zijn gemaakt in de context van de Overeenkomst van Parijs. Met het oog op hun verplichting inzake cumulatieve energiebesparing mogen de lidstaten, om aan hun energiebesparingsverplichtingen te voldoen  overeenkomstig de berekeningsmethode in deze richtlijn , in voorkomend geval de energiebesparingen  die voortvloeien uit beleidsmaatregelen ter bevordering van hernieuwbare technologieën   door op of in gebouwen opgewekte energie voor eigen gebruik in aanmerking nemen.  Met energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen dient geen rekening te worden gehouden.

 nieuw

(124)Voor sommige van de bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen is wellicht een latere wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 nodig om de samenhang tussen de twee rechtshandelingen te waarborgen. Nieuwe bepalingen, die voornamelijk betrekking hebben op de vaststelling van nationale bijdragen, mechanismen voor het opvullen van lacunes en rapportageverplichtingen, moeten worden gestroomlijnd en overgenomen in die verordening, zodra die is gewijzigd. Sommige bepalingen van Verordening (EU) 2018/1999 moeten wellicht ook opnieuw worden beoordeeld in het licht van de in deze richtlijn voorgestelde wijzigingen. De aanvullende rapportage- en monitoringvereisten mogen geen nieuwe parallelle rapportagesystemen creëren, maar zouden vallen binnen het bestaande monitoring- en rapportagekader uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1999.

(125)Om de praktische uitvoering van deze richtlijn op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen, moet de Commissie de uitwisseling van ervaringen op het gebied van praktijken, benchmarking, netwerkactiviteiten en innovatieve praktijken op een onlineplatform blijven ondersteunen.

🡻 2012/27/EU overweging 60 (aangepast)

Aangezien de lidstaten zonder extra energie-efficiëntiemaatregelen de doelstelling van deze richtlijn, namelijk in 2020 het energie-efficiëntiestreefcijfer van 20 % voor de Unie realiseren en de weg effenen voor verdere energie-efficiëntieverbeteringen na 2020, niet voldoende kunnen realiseren, en deze doelstelling beter gerealiseerd kan worden op het niveau van de Unie, kan de Unie maatregelen vaststellen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

🡻 2018/2002 overweging 45 (aangepast)

 nieuw

(126)Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het bereiken van het energie-efficiëntiestreefcijferde doelstellingen voor de Unie,  van een energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en van minstens 32,5 % voor 2030, en het treffen van voorbereidingen voor een verdere verbetering van de energie-efficiëntie en in de richting van klimaatneutraliteit na deze data, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Europese Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginstel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

🡻 2012/27/EU overweging 61 (aangepast)

(127)Om aanpassingen aan de technische vooruitgang en wijzigingen in de distributie van energiebronnen mogelijk te maken, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU  van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de herziening van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden die zijn vastgelegd op basis van deze Rrichtlijn 2004/8/EG en met betrekking tot de waarden, berekeningsmethoden, de standaard primaire-energiecoëfficiënt en eisen in de bijlagen bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passend overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

🡻 2018/2002 overweging 37 (aangepast)

(128)Om te garanderen dat de bijlagen bij Richtlijn 2012/27/EU en de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden kunnen worden geactualiseerd, moet de aan de Commissie verleende bevoegdheidsdelegatie worden verlengd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 100 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.

🡻 2012/27/EU overweging 62

(129)Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren 101 .

🡻 2012/27/EU overweging 63 (aangepast)

Alle inhoudelijke bepalingen van Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG met uitzondering van artikel 4, leden 1 tot en met 4, en de bijlagen I, III en IV van Richtlijn 2006/32/EG, moeten worden ingetrokken. De laatstgenoemde bepalingen dienen van toepassing te blijven totdat de termijn voor het bereiken van de streefwaarde van 9 % is verstreken. Artikel 9, leden 1 en 2, van Richtlijn 2010/30/EU, die de lidstaten ertoe verplicht om te trachten alleen producten met de hoogste energie-efficiëntieklasse aan te kopen, moeten eveneens worden geschrapt. 

🡻 2012/27/EU overweging 64 (aangepast)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht moet worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG inhoudelijk zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die richtlijnen.

 nieuw

(130)De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die vorige richtlijn.

🡻 2012/27/EU overweging 65 (aangepast)

 nieuw

(131)Deze richtlijn mag geen afbreuk doen  doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijnen voor omzetting in nationaal recht en de toepassing van de Rrichtlijnen in bijlage XV, deel B  2004/8/EG en 2006/32/EG.

🡻 2012/27/EU overweging 66 (aangepast)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd,

🡻 2012/27/EU

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 1 (aangepast)

 nieuw

1. Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor het bevorderen van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar kerndoelstreefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar kerndoel van ten minste 32,5 % voor 2030 haalt; de richtlijn maakt ook voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data mogelijk.

Deze richtlijn stelt regels vast om energie-efficiëntiemaatregelen prioritair uit te voeren in alle sectoren, belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en markttekortkomingen te verhelpen die efficiëntie in energievoorziening en -gebruik in de weg staan., alsmede  De richtlijn voorziet ook in de vaststelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en bijdragen energie-efficiëntiebijdragen voor 2020 en 2030.

Deze richtlijn draagt bij tot de uitvoering van het beginsel voorrang voor energie-efficiëntie eerst  en draagt zo bij tot een Unie met een inclusieve, billijke en welvarende maatschappij met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie .

🡻 2012/27/EU

2. De vereisten in deze richtlijn zijn minimumvereisten en beletten niet dat een lidstaat verdergaande maatregelen handhaaft of treft. Deze maatregelen moeten verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien nationale wetgeving voorziet in strengere maatregelen, moet de lidstaat dergelijke wetgeving bij de Commissie melden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.“energie”,: alle vormen van energieproducten, brandstoffen, warmte, hernieuwbare energie, elektriciteit of elke andere vorm van energie, als bepaald in artikel 2, puntonder d), van Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken 102 ;

 nieuw

2.“energie-efficiëntie eerst”: “energie-efficiëntie eerst” in de zin van artikel 2, punt 18, van Richtlijn (EU) 2018/1999;

3.“energiesysteem”: een systeem dat hoofdzakelijk is ontworpen om energiediensten te leveren teneinde te voldoen aan de vraag van de eindgebruikerssectoren naar energie in de vorm van warmte, brandstoffen en elektriciteit;

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

42.“primair energieverbruik”,: bruto  beschikbare energie binnenlands verbruik, uitgezonderd  internationale scheepsbunkers, verbruik voor nietnon- energetische doeleinden  eindverbruik en omgevingswarmte ;

53.“eindenergieverbruik”,: alle aan de industrie, het vervoer (inclusief energieverbruik in de internationale luchtvaart) , de huishoudens, de  openbare en particuliere dienstensector, en de landbouw  , bosbouw en visserij, en andere eindgebruikers (eindafnemers van energie) geleverde energie. Energieverbruik in internationale scheepsbunkers, omgevingswarmte en leveringen aan de omzettingssector, de energiesector en verliezen als gevolg van transmissie en distributie (definities in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 1099/2008 zijn van toepassing)  Leveringen aan de energieomzettingssector en de energiebedrijven zelf vallen hier niet onder;

64.“energie-efficiëntie”,: de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de hiertoe gebruikte input van energie;

75.“energiebesparingen”,: één hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik voor en na de invoering van één of meer energie-efficiëntieverbeteringsmaatregelen te meten en/of te ramen, met één correctie voor de externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden;

86.“verbetering van de energie-efficiëntie”,: een toename van de energie-efficiëntie ten gevolge van technologische, gedrags- en/of economische veranderingen;

97.“energiedienst”,: het fysieke voordeel, nut of welzijn dat wordt bereikt met een combinatie van energie met energie-efficiënte technologie of actie, die de bewerkingen, het onderhoud en de controle kan omvatten die nodig zijn voor de levering van de dienst, welke wordt geleverd op basis van een overeenkomst en welke onder normale omstandigheden heeft aangetoond te leiden tot een controleerbare en meetbare of een schatbare verbetering van de energie-efficiëntie of tot controleerbare en meetbare of schatbare primaire energiebesparingen;

108.“overheidsinstantie”,: aanbestedende dienst, zoals omschreven in Richtlijn 2014/24/EU2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad 103   van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten 104 ;

9.“centrale overheid”, alle bestuursinstellingen waarvan de bevoegdheid zich over het gehele grondgebied van een lidstaat uitstrekt;

1110.“totale bruikbare vloeroppervlakte”,: de vloeroppervlakte van een gebouw of van een deel van een gebouw waar energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen;

 nieuw

12.aanbestedende diensten”: aanbestedende diensten in de zin van artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU;

13.“aanbestedende instanties”: aanbestedende instanties als gedefinieerd in Richtlijn 2014/23/EU, Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU;

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

1411.“energiebeheersysteem”: een reeks van onderling verband houdende of op elkaar inwerkende elementen van een plan waarin een energie-efficiëntiedoelstelling en een strategie om deze doelstelling te verwezenlijken is vastgelegd , daarbij inbegrepen de monitoring van het daadwerkelijke energieverbruik, genomen maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en metingen van de vooruitgang ;

1512.“Europese norm”,: een door het Europees Comité voor normalisatie, het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie of het Europees Instituut voor telecommunicatienormen goedgekeurde en voor publiek gebruik ter beschikking gestelde norm;

1613.“internationale norm”,: een door de Internationale Organisatie voor Normalisatie vastgestelde en openbaar beschikbaar gestelde norm;

1714.“aan verplichtingen gebonden partij”,: energiedistributeur of detailhandelaar in energie, die gebonden is door de nationale regelingen voor energie-efficiëntieverplichtingen, bedoeld in artikel 87;

1815.“met de uitvoering belaste partij”,: een juridische entiteit met de door een overheid of een andere overheidsinstantie gedelegeerde bevoegdheid om een financieringsregeling te ontwikkelen, te beheren of uit te voeren namens de overheid of een andere overheidsinstantie;

1916.“deelnemende partij”,: een onderneming of een overheidsinstantie die zich ertoe heeft verbonden bepaalde doelstellingen te bereiken in het kader van een vrijwillige overeenkomst, of die onder een beleidsinstrument van nationale regelgeving valt;

2017.“uitvoerende overheidsinstantie”,: een publiekrechtelijke instantie die verantwoordelijk is voor het uitvoeren of controleren van de belasting op energie of koolstof, de financiële regelingen en instrumenten, fiscale prikkels, normen en standaarden, etikettering van het energieverbruik, opleiding of onderwijs;

2118.“beleidsmaatregel”,: een instrument van regulerende, financiële of fiscale aard, of gebaseerd op vrijwillige deelneming of bedoeld voor informatieverstrekking, dat formeel in een lidstaat is ingesteld en wordt toegepast teneinde een kader, vereiste of prikkel tot stand te brengen die de marktdeelnemers ertoe aanzet energiediensten te verstrekken en aan te kopen en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te nemen;

2219.“afzonderlijke actie”,: een actie die leidt tot controleerbare, meetbare of schatbare verbeteringen van de energie-efficiëntie en die wordt ondernomen als gevolg van een beleidsmaatregel;

2320.“energiedistributeur”,: een natuurlijk persoon of rechtspersoon, waaronder een distributiesysteembeheerder, die verantwoordelijk is voor het transport van energie, met het oog op levering aan de eindafnemers of aan de distributiestations die energie aan eindafnemers verkopen;

2421.“distributiesysteembeheerder”,: distributiesysteembeheerder als gedefinieerd in respectievelijk  artikel 2, punt 29, van Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EG  wat betreft elektriciteit, en in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2009/73/EG wat betreft gas ;

2522.“detailhandelaar in energie”,: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die energie aan eindafnemers verkoopt;

2623.“eindafnemer”,: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die energie koopt voor eigen eindverbruik;

2724.“aanbieder van energiediensten”,: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in de inrichtingen of gebouwen van een eindafnemer energiediensten of andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie levert;

2825.“energie-audit”,: een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren , het potentieel van het kosteneffectieve gebruik of de kosteneffectieve productie van hernieuwbare energie te bepalen en verslag uit te brengen van de resultaten;

26.„kleine en middelgrote ondernemingen” of „kmo's”, ondernemingen als omschreven in titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG 105 ; tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt;

2927.“energieprestatiecontract”,: een contractuele regeling tussen de begunstigde en de aanbieder van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie, die tijdens de gehele looptijd van het contract wordt geverifieerd en gecontroleerd, waarbij de investeringen (arbeid, leveringen of diensten) zodanig worden betaald dat ze in verhouding staan tot de contractueel vastgelegde mate van verbetering van de energie-efficiëntie of een ander overeengekomen prestatiecriterium, zoals financiële besparingen;

3028.“slimme-metersysteem” of “intelligent meetsysteem”,: een elektronisch systeem dat het energieverbruik kan meten, meer informatie levert dan een traditionele meter, en data kan doorgeven en ontvangen middels een vorm van elektronische communicatie  een “slimme-metersysteem” zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2019/944 ;

3129.“transmissiesysteembeheerder”,: een transmissiesysteembeheerder in de zin van respectievelijk  artikel 2, punt 35, van Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EG en Richtlijn 2009/73/EG, voor elektriciteit en gas respectievelijk ;

3230.“warmtekrachtkoppeling”,: de gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische of mechanische energie;

3331.“economisch aantoonbare vraag”,: een vraag die de behoefte aan verwarming of koeling niet overstijgt en waaraan anders onder marktvoorwaarden zou worden voldaan door andere processen van energieopwekking dan warmtekrachtkoppeling;

3432.“nuttige warmte”,: warmte die in een warmtekrachtkoppelingsproces wordt geproduceerd om aan een economisch aantoonbare vraag naar warmte of koeling te voldoen;

3533.“elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling”,: elektriciteit opgewekt in een proces dat is gekoppeld aan de opwekking van nuttige warmte en berekend in overeenstemming met de methodologie in bijlage III;

3634.“hoogrenderende warmtekrachtkoppeling”,: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de criteria van bijlage IIIII;

3735.“totaal rendement”,: de som op jaarbasis van de productie van elektriciteit en van mechanische energie en de opbrengst aan nuttige warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van warmte in een warmtekrachtkoppelingsproces en voor de brutoproductie van elektriciteit en van mechanische energie;

3836.“elektriciteit-warmteratio”,: de verhouding tussen elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling en nuttige warmte wanneer de warmtekrachtkoppelingsmodus volledig in bedrijf is, op basis van operationele gegevens van de specifieke eenheid;

3937.“warmtekrachtkoppelingseenheid”,: een eenheid die in de warmtekrachtkoppelingsmodus kan werken;

4038.“kleinschalige warmtekrachtkoppelingseenheid”,: een warmtekrachtkoppelingseenheid met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 1 MWe;

4139.“micro-warmtekrachtkoppelingseenheid”,: een warmtekrachtkoppelingseenheid met een maximumcapaciteit van minder dan 50 kWe;

40.“vloeroppervlakte-index”, verhouding tussen de vloeroppervlakte van het gebouw en de grondoppervlakte in een bepaald grondgebied;

4241.“efficiënte stadsverwarming en -koeling”,: een systeem voor stadsverwarming of -koeling dat ten minste 50 % hernieuwbare energie, 50 % afvalwarmte, 75 % warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50 % uit een combinatie van dergelijke energie en warmte gebruikt voldoet aan de criteria van artikel 24;

4342.“efficiënte verwarming en koeling”,: een mogelijkheid voor verwarming en koeling die, in vergelijking met een referentiescenario van een standaardsituatie, een meetbare verlaging inhoudt van de input van primaire energie om één eenheid afgegeven energie te leveren binnen een relevante systeemgrens, en zulks op kostenefficiënte wijze, zoals beoordeeld in de in deze richtlijn bedoelde kosten-batenanalyse, en met inachtneming van de energie die nodig is voor winning, omzetting, transport en distributie;

4443.“efficiënte individuele verwarming en koeling”,: een mogelijkheid voor de voorziening van individuele verwarming en koeling die, in vergelijking met efficiënte stadsverwarming en -koeling, een meetbare vermindering betekent van de input van niet-hernieuwbare primaire energie voor het leveren van één eenheid afgegeven energie binnen een relevante systeemgrens, of die dezelfde input van niet-hernieuwbare primaire energie vereist, maar tegen een lagere kostprijs, met inachtneming van de energie die nodig is voor winning, omzetting, transport en distributie;

 nieuw

45.“datacentrum”: een structuur, of een groep van structuren, die bestemd is voor de gecentraliseerde accommodatie, interconnectie en exploitatie van informatietechnologie- en netwerktelecommunicatieapparatuur en die diensten voor gegevensopslag, -verwerking en -transport levert, samen met alle faciliteiten en infrastructuurvoorzieningen voor energiedistributie en omgevingscontrole en de nodige mate van veerkracht en beveiliging om de gewenste beschikbaarheid van de dienst te waarborgen;

🡻 2012/27/EU

 nieuw

4644.“ingrijpende renovatie”,: een renovatie waarvan de kosten hoger liggen dan 50 % van de investeringskosten voor een nieuwe vergelijkbare eenheid;

4745.“aggregator”, dienstenverrichter aan de vraagzijde die meerdere consumentenbelastingen van korte duur combineert om in georganiseerde energiemarkten te verkopen of te veilen.  : dezelfde betekenis als “onafhankelijke aankoopgroepering” in de zin van artikel 2, punt 19, van Richtlijn (EU) 2019/944

 nieuw

49.“energiearmoede”: het gebrek aan toegang van een huishouden tot essentiële energiediensten die de basis vormen voor een behoorlijke levensstandaard en gezondheid, met inbegrip van voldoende warmte, koeling, verlichting en energie voor toestellen, binnen een relevante nationale context en gezien bestaand sociaal en ander relevant beleid;

50.“eindgebruiker”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik koopt voor eigen eindgebruik, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bewoner is van een afzonderlijk gebouw of van een eenheid in een appartementsgebouw of multifunctioneel gebouw dat beschikt over een centrale bron voor verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik en die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier heeft;

52.“gescheiden prikkel”: het ontbreken van een eerlijke en redelijke verdeling van financiële verplichtingen en beloningen in verband met investeringen in energie-efficiëntie over de betrokken actoren, bijvoorbeeld de eigenaars en huurders of de verschillende eigenaars van gebouwunits, dan wel de eigenaars en huurders of verschillende eigenaars van appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen.

Artikel 3

Het beginsel “energie-efficiëntie eerst”

1. Overeenkomstig het beginsel “energie-efficiëntie eerst” zorgen de lidstaten ervoor dat bij beslissingen over de planning, het beleid en belangrijke investeringen met betrekking tot de volgende sectoren rekening wordt gehouden met energie-efficiëntieoplossingen:

a)energiesystemen, en

b)niet-energiesectoren, indien deze sectoren een impact hebben op het energieverbruik en de energie-efficiëntie.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” wordt gecontroleerd door de relevante entiteiten wanneer beleids-, plannings- en investeringsbeslissingen aan goedkeurings- en monitoringvereisten zijn onderworpen.

3. Bij de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”:

a)bevorderen en, waar kosten-batenanalyses vereist zijn, waarborgen de lidstaten de toepassing van kosten-batenmethoden die een goede beoordeling van de bredere voordelen van energie-efficiëntieoplossingen vanuit maatschappelijk oogpunt mogelijk maken;

b)wijzen de lidstaten een entiteit aan die verantwoordelijk is voor het toezicht op de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” en op de effecten van plannings-, beleids- en investeringsbeslissingen op het energieverbruik en de energie-efficiëntie;

c)brengen de lidstaten verslag uit aan de Commissie, als onderdeel van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999, over de wijze waarop met dit beginsel rekening is gehouden in de nationale en regionale beslissingen betreffende de planning, het beleid en belangrijke investeringen met betrekking tot de nationale en regionale energiesystemen.

🡻 2012/27/EU

Artikel 43

Energie-efficiëntiestreefcijfers

 nieuw

1. De lidstaten zorgen gezamenlijk voor een vermindering van het energieverbruik met ten minste 9 % in 2030 ten opzichte van de prognoses van het in 2020 vastgestelde referentiescenario, zodat in 2030 het eindenergieverbruik van de Unie niet meer dan 787 Mtoe bedraagt en het primaire energieverbruik van de Unie niet meer dan 1023 Mtoe bedraagt 106 .

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

21. Elke lidstaat stelt een indicatief nationaale energie-efficiëntiestreefcijfer vast, op basis van  bijdragen inzake energie-efficiëntie vast met betrekking tot primair verbruik energieverbruikof  en  eindverbruik van energie eindenergieverbruik, van besparing van primaire energie of finale energiegebruik, dan wel van energie-intensiteit   om collectief te voldoen aan het in lid 1 van dit artikel vastgesteld bindend streefcijfer van de Unie . De lidstaten delen deze streefcijfers overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1,  bijdragen, alsook een indicatief traject voor deze bijdragen,  aan de Commissie mee  als onderdeel van de actualiseringen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/1999 en in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, als bedoeld in en overeenkomstig de procedure van artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van Verordening (EU) 2018/1999.  en  De lidstaten  drukken deze tevens uit als een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020; zij  gebruiken de in bijlage I bij deze richtlijn gedefinieerde formule en leggen daarbij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is   de bijdragen zijn berekend.

 nieuw

De lidstaten vermelden ook het aandeel van het energieverbruik van de sectoren van eindenergieverbruik, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1099/2008 betreffende energiestatistieken, met inbegrip van industrie, woningen, diensten en vervoer, in hun nationale bijdragen voor energie-efficiëntie. Ook moeten prognoses van het energieverbruik in de informatie- en communicatietechnologie (ICT) worden vermeld.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

Bij het bepalen van deze streefcijfers  bijdragen  houden zij de lidstaten rekening met het volgende:

🡻 2013/12/EU artikel 1 en bijlage, punt a)

 nieuw

a)het energieverbruik van de Unie mag in  2030  2020 niet meer bedragen dan 1 483  787 Mtoe eindenergieverbruik of niet meer dan 1 023  Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe finale energie  primair energieverbruik ;

🡻 2012/27/EU (aangepast)

b)de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

c)de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefwaarden te bereiken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG, en

cd)andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen;.

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

 nieuw

d)alle relevante factoren die van invloed zijn op de efficiëntie-inspanningen, zoals:

i.het collectieve ambitieniveau dat nodig is om de klimaatdoelstellingen te bereiken;

ii.de billijke verdeling van inspanningen in de gehele Unie;

iii.de energie-intensiteit van de economie;

🡻 2012/27/EU

iva)het resterende kosteneffectieve energiebesparingspotentieel;

 nieuw

e)andere nationale omstandigheden die het energieverbruik beïnvloeden, met name:

🡻 2012/27/EU

 nieuw

ib)de ontwikkeling en de voorspelling van het bbp;

iic)de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer  , ontwikkelingen van de energiemix en ingebruikname van nieuwe duurzame brandstoffen ;

iiid)de ontwikkeling van alle bronnen hernieuwbare energie, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide;

iv)het koolstofvrij maken van energie-intensieve industrieën.

e)vroegtijdige maatregelen.

🡻 2013/12/EU artikel 1 en punt b) van de bijlage daarbij (aangepast)

2.    Uiterlijk 30 juni 2014 beoordeelt de Commissie de bereikte vooruitgang en berekent zij de kans dat de Unie in 2020 een energieverbruik van niet meer dan 1483 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1086 Mtoe finale energie heeft.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

3.    Bij het uitvoeren van de in de lid 2 bedoelde beoordeling gaat de Commissie als volgt te werk:

a)zij telt de nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers die door de lidstaten zijn gemeld, op;

b)zij gaat na of de som van die streefcijfers als een betrouwbare leidraad kan worden beschouwd om te beoordelen of Unie als geheel op schema ligt, en houdt daarbij rekening met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en met de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 24, lid 2;

c)zij houdt rekening met aanvullende analyse die voortvloeit uit:

i)een beoordeling van de vooruitgang op het vlak van energieverbruik en van energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit op Unieniveau, waaronder de vooruitgang in verband met de efficiëntie in de energievoorziening in de lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of de totale energiebesparing, inclusief de vooruitgang tengevolge van de naleving door die lidstaten van hoofdstuk III van deze richtlijn;

ii)de resultaten van modelberekeningen betreffende toekomstige ontwikkelingen in energieverbruik op Unieniveau;

🡻 2013/12/EU artikel 1 en punt c) van de bijlage daarbij (aangepast)

d)zij vergelijkt de resultaten onder a) tot en met c) met de hoeveelheid energieverbruik die nodig is om in 2020 een energieverbruik van niet meer dan 1483 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1086 Mtoe finale energie te halen.

🡻 2019/504 artikel 1

5.    Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen vast om de in artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefcijfers van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad 107 . Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 128 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 846 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Commissie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, als bedoeld in en overeenkomstig de procedure van artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van Verordening (EU) 2018/1999.

 nieuw

3. Wanneer de Commissie op basis van haar beoordeling overeenkomstig artikel 29, leden 1 en 3, van Verordening (EU) 2018/1999 concludeert dat onvoldoende vooruitgang is geboekt bij het voldoen aan de energie-efficiëntiebijdragen, zorgen de lidstaten die hun in lid 2 van dit artikel bedoelde indicatieve trajecten niet halen, ervoor dat binnen een jaar na de datum van ontvangst van de beoordeling van de Commissie aanvullende maatregelen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat zij weer op schema komen om hun energie-efficiëntiebijdragen te halen. Deze aanvullende maatregelen omvatten, maar zijn niet beperkt tot, de volgende maatregelen:

a)nationale maatregelen die extra energiebesparingen opleveren, met inbegrip van sterkere projectontwikkelingsbijstand voor de tenuitvoerlegging van investeringsmaatregelen op het gebied van energie-efficiëntie;

b)het verhogen van de energiebesparingsverplichting als bedoeld in artikel 8;

c)het aanpassen van de verplichting voor de overheidssector;

d)het verstrekken van een vrijwillige financiële bijdrage aan het in artikel 25 bedoelde nationale fonds voor energie-efficiëntie of een ander financieringsinstrument voor energie-efficiëntie, waarbij de jaarlijkse financiële bijdragen gelijk zijn aan de investeringen die nodig zijn om het indicatieve traject te bereiken.

Wanneer een lidstaat zijn in lid 2 van dit artikel bedoelde indicatieve traject niet haalt, neemt deze in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatvoortgangsverslag overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 een toelichting op over de wijze waarop de lidstaat de kloof zal dichten om ervoor te zorgen dat de nationale energie-efficiëntiebijdragen worden gehaald.

De Commissie beoordeelt of de in dit lid bedoelde nationale maatregelen volstaan om de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie te halen. Indien de nationale maatregelen ontoereikend worden geacht, stelt de Commissie in voorkomend geval maatregelen voor en maakt zij gebruik van haar bevoegdheid op het niveau van de Unie in aanvulling op de aanbevelingen om te garanderen dat met name de streefcijfers van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2030 worden bereikt.

4. De Commissie beoordeelt uiterlijk op 31 december 2026 alle methodologische veranderingen in de gegevens die zijn gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2008 betreffende energiestatistieken, in de methodologie voor de berekening van de energiebalans en in energiemodellen voor Europees energiegebruik, en stelt zo nodig technische berekeningsaanpassingen voor van de streefcijfers van de Unie voor 2030 teneinde het in lid 1 van dit artikel vastgestelde ambitieniveau te handhaven.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 2

6.    De Commissie zal beoordelen of de Unie de in artikel 1, lid 1, genoemde kerndoelen inzake energie-efficiëntie voor 2030 heeft gehaald, zodat zij uiterlijk in 2023 een wetgevingsvoorstel kan indienen om deze naar boven toe te herzien in geval van substantiële kostenverlagingen die het gevolg zijn van economische of technologische ontwikkelingen, of om indien nodig te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie op het gebied van de overstap naar een koolstofarme economie.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

HOOFDSTUK II

EFFICIËNTIE IN ENERGIEGEBRUIK  VOORBEELDFUNCTIE VAN DE OVERHEIDSSECTOR 

 nieuw

Artikel 5

Leidende rol voor overheidssector op het gebied van energie-efficiëntie

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het totale eindenergieverbruik van alle overheidsinstanties samen ieder jaar met ten minste 1,7 % wordt verminderd ten opzichte van het jaar X-2 (waarbij X het jaar is waarin deze richtlijn in werking treedt).

De lidstaten kunnen bij de berekening van het eindenergieverbruik van hun overheidsinstanties rekening houden met klimaatverschillen binnen de lidstaat.

2. De lidstaten nemen in hun nationale energie- en klimaatplannen en actualiseringen daarvan overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 een lijst op van overheidsinstanties die moeten bijdragen tot de nakoming van de in lid 1 van dit artikel vastgestelde verplichting, de mate waarin elk van die instanties haar energieverbruik moet verminderen en de maatregelen die zij plannen om dat te bereiken. Als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatverslagen uit hoofde van artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over de jaarlijks bereikte vermindering van het eindenergieverbruik.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat regionale en lokale autoriteiten in hun decarbonisatieplannen specifieke energie-efficiëntiemaatregelen opnemen na raadpleging van belanghebbenden en het publiek, met inbegrip van de specifieke groepen die een groter risico van energiearmoede lopen of gevoeliger zijn voor de negatieve effecten van energiearmoede, zoals vrouwen, personen met een beperking, ouderen, kinderen, en personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren.

4. De lidstaten ondersteunen overheidsinstanties bij het uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, ook op regionaal en lokaal niveau, door richtsnoeren te verstrekken ter bevordering van competentieontwikkelings- en opleidingsmogelijkheden en door samenwerking tussen overheidsinstanties aan te moedigen.

5. De lidstaten moedigen overheidsinstanties aan om bij hun investerings- en beleidsactiviteiten rekening te houden met koolstofemissies gedurende de levenscyclus.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

Artikel 65

Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties

1. Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad 108 zorgt elke lidstaat ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks  minstens  3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door hun centrale overheid  overheidsinstanties , wordt gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen die de betrokken lidstaat  en getransformeerd tot bijna-energieneutrale gebouwen  op grond van  overeenkomstig  artikel 4  9  van Richtlijn 2010/31/EU heeft vastgelegd.

Wanneer overheidsinstanties een gebouw gebruiken dat zij niet bezitten, oefenen zij hun contractuele rechten zoveel mogelijk uit en moedigen zij de eigenaar van het gebouw aan het gebouw te renoveren tot een bijna-energieneutraal gebouw overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU. Wanneer zij een nieuw contract sluiten voor de ingebruikneming van een gebouw dat zij niet bezitten, streven overheidsinstanties ernaar dat dat gebouw in de hoogste twee energie-efficiëntieklassen van het energieprestatiecertificaat valt.

Deze 3 % wordt berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU. Met ingang van 9 juli 2015 wordt deze drempel verlaagd tot 250 m2.

Indien een lidstaat voorschrijft dat de verplichting om jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte te renoveren ook geldt voor de vloeroppervlakte van gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door bestuursinstellingen op een lager niveau dan de centrale overheid, dan wordt die 3 %  Het percentage van minstens 3 % wordt  berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, dan wel, met ingang van 9 juli 2015, van meer dan 250 m2, die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid en deze bestuursinstellingen  overheidsinstanties  van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU  2024 geen bijna-energieneutrale gebouwen zijn .

Bij de uitvoering van de maatregelen voor de algehele renovatie van de gebouwen van de centrale overheid overeenkomstig de eerste alinea mogen de lidstaten ervoor kiezen het gebouw, inclusief bouwschil, apparatuur, exploitatie en onderhoud, als één geheel te zien.

De lidstaten schrijven voor dat, ingeval het kosteneffectief en technisch uitvoerbaar is, de gebouwen van de centrale overheid met de slechtste energieprestaties voorrang krijgen bij de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen.

2.    De lidstaten kunnen beslissen ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen in de zin van lid 1 vast te stellen of toe te passen:

a)gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van bepaalde minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

b)gebouwen die eigendom zijn van de strijdkrachten of de centrale overheid en nationale defensiedoeleinden dienen, uitgezonderd individuele woonruimten en kantoorgebouwen voor de strijdkrachten en ander personeel in dienst van de nationale defensieautoriteiten;

c)gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten.

3.    Indien een lidstaat in een bepaald jaar meer dan 3 % van de totale vloeroppervlakte van gebouwen van de centrale overheid renoveert, mag hij het teveel ten opzichte van het jaarlijkse renovatiepercentage meetellen in een van de drie voorgaande of volgende jaren.

24. In uitzonderlijke gevallen mogen dDe lidstaten mogen nieuwe gebouwen die gebruikt worden door en eigendom zijn van de centrale overheid  overheidsinstanties bezitten ter vervanging van specifieke gebouwen van de centrale overheid die in de voorgaande twee jaren zijn geslooptof gebouwen die in die twee jaren verkocht, gesloopt of buiten gebruik gesteld zijn ten gevolge van een intensiever gebruik van andere gebouwen, meetellen bij het jaarlijkse renovatiepercentage van de gebouwen van de centrale overheid. Dergelijke uitzonderingen zijn alleen van toepassing indien dit qua energie- en CO2-emissies tijdens de levenscyclus kosteneffectiever en duurzamer zou zijn dan het renoveren van dergelijke gebouwen. De algemene criteria, werkwijzen en procedures aan de hand waarvan dergelijke uitzonderingen kunnen worden bepaald, worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

35. Voor de toepassing van dit artikel  lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2013 een inventaris is opgesteld en publiek beschikbaar wordt gesteld van de verwarmde en/of gekoelde gebouwen van de centrale overheid  overheidsinstanties met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, en dat per 9 juli 2015 een inventaris is opgesteld en bekendgemaakt van de gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2, met uitzondering van de gebouwen die op basis van lid 2 zijn vrijgesteld. Die inventaris wordt minstens eenmaal per jaar geactualiseerd. De inventaris dient ten minste de volgende gegevens te bevatten:

a)de vloeroppervlakte in m2; en

b)de energieprestaties  het energieprestatiecertificaat van elk gebouw of andere nuttige energiegegevens  , afgegeven in overeenstemming met artikel 12 van Richtlijn 2010/31/EU .

6.    Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU, kunnen de lidstaten kiezen voor een alternatieve benadering van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, waarbij zij andere kostenefficiënte maatregelen treffen, met inbegrip van grondige renovaties en maatregelen om een gedragsverandering bij de gebruikers van het gebouw teweeg te brengen, teneinde in 2020 in de in aanmerking komende gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid een energiebesparing te bereiken die ten minste gelijkwaardig is aan de in lid 1 vereiste, op jaarbasis gerapporteerde, besparing.

Voor de alternatieve benadering kunnen de lidstaten de energiebesparingen waartoe de leden 1 tot en met 4 zouden leiden, ramen aan de hand van de geschikte standaardwaarden voor het energieverbruik van referentiegebouwen van de centrale overheid vóór en na renovatie, en op basis van de geschatte oppervlakte van hun gebouwenbestand. De categorieën waaruit de referentiegebouwen van de centrale overheid bestaan zijn representatief voor dit gebouwenbestand.

De lidstaten die voor de alternatieve benadering kiezen, brengen de Commissie uiterlijk op 31 december 2013 op de hoogte van de alternatieve maatregelen die zij wensen te nemen, en maken inzichtelijk hoe zij een gelijkwaardige verbetering van de energieprestatie van de gebouwen die deel uitmaken van het gebouwenbestand van de centrale overheid, denken te gaan verwezenlijken.

7.    De lidstaten moedigen overheidsinstanties, ook op regionaal en lokaal niveau, en publiekrechtelijke socialehuisvestingmaatschappijen aan om, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie,

a)een energie-efficiëntieplan vast te stellen, dat op zichzelf staat of deel uitmaakt van een breder klimaat- of milieuplan, met specifieke doelstellingen en acties inzake energiebesparing en -efficiëntie, teneinde de in de leden 1, 5 en 6 omschreven voorbeeldfunctie van de gebouwen van de centrale overheid te volgen;

b)een energiebeheersysteem in te voeren, inclusief energie-audits, als onderdeel van de uitvoering van hun plan;

c)waar passend, energiedienstenbedrijven en energieprestatiecontracten te gebruiken om renovaties te financieren en plannen uit te voeren voor het handhaven of verbeteren van energie-efficiëntie op de lange termijn.

Artikel 76

 Overheidsopdrachten  Overheidsaankopen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de centrale overheden  aanbestedende diensten en aanbestedende instanties, bij het gunnen van overheidsopdrachten en concessies met een waarde gelijk aan of groter dan de in artikel 8 van Richtlijn 2014/23/EU, artikel 4 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 15 van Richtlijn 2014/25/EU vastgestelde drempelwaarden, uitsluitend producten, diensten  , werken en gebouwen kopen met hoge energie-efficiëntieprestaties, voor zover dit in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in een breder verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie, zoals bedoeld in  in overeenstemming met de eisen van bijlage IVIII  bij deze richtlijn .

De in eerste alinea vastgestelde verplichting is van toepassing op contracten voor de aankoop van goederen, diensten en gebouwen door overheidsinstanties, voor zover dergelijke contracten een waarde hebben die gelijk is aan of groter is dan de drempelbedragen die in artikel 4 van Richtlijn 2004/18/EG zijn vastgelegd.

 nieuw

De lidstaten zorgen er ook voor dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij het gunnen van overheidsopdrachten en concessies met een waarde gelijk aan of hoger dan de in de eerste alinea bedoelde drempelwaarden, het in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde beginsel “energie-efficiëntie eerst” toepassen, ook voor overheidsopdrachten en concessies waarvoor in bijlage IV geen specifieke eisen zijn opgenomen.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

2. De in lid 1 bedoelde verplichting is van toepassing op contracten van de strijdkrachten, voor zover er geen conflicten ontstaan in verband met de aard en het hoofddoel van de activiteiten van de strijdkrachten. De verplichting geldt niet voor de opdrachten voor levering van de militaire uitrusting omschreven in Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied 109 .

3. De lidstaten moedigen overheidsinstanties, met name op regionaal en lokaal niveau, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en bestuursstructuur, aan om naar het voorbeeld van hun centrale overheid uitsluitend producten, diensten en gebouwen met een hoge energie-efficiëntieprestaties te kopen.  Niettegenstaande artikel 24, lid 4, van deze richtlijn  zorgen dDe lidstaten sporen de overheidsinstanties aan, bij het aanbesteden van dienstverleningscontracten met een aanzienlijk energiegehalte  ervoor dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties, wanneer deze dienstverleningscontracten met een aanzienlijk energiegehalte gunnen,  na te gaan nagaan of het mogelijk  haalbaar is energieprestatiecontracten voor de lange termijn te sluiten die energiebesparingen op de lange termijn opleveren.

4. Onverminderd het eerste lid kunnen de lidstaten bij het aankopen van een productenpakket dat als geheel  volledig onder een gedelegeerde handeling krachtens Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad 110 Richtlijn 2010/30/EU valt, eisen dat de totale energie-efficiëntie prevaleert boven de energie-efficiëntie van de afzonderlijke producten van dat pakket door het productenpakket aan te kopen dat voldoet aan het criterium van de hoogste energie-efficiëntieklasse.

 nieuw

5. De lidstaten kunnen eisen dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij het plaatsen van overheidsopdrachten in voorkomend geval rekening houden met bredere sociale aspecten, duurzaamheids- en milieuaspecten en aspecten van de circulaire economie, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van decarbonisatie en nulverontreiniging. In voorkomend geval, en in overeenstemming met de vereisten van bijlage IV, eisen de lidstaten dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties rekening houden met de criteria voor groene overheidsopdrachten van de Unie.

Om transparantie te waarborgen bij de toepassing van energie-efficiëntievereisten in het aanbestedingsproces, maken de lidstaten informatie openbaar over de energie-efficiëntiegevolgen van opdrachten met een waarde gelijk aan of hoger dan de in lid 1 bedoelde drempelwaarden. Aanbestedende diensten kunnen besluiten om van inschrijvers te verlangen dat deze informatie verstrekken over het aardopwarmingsvermogen gedurende de levenscyclus van een nieuw gebouw en kunnen deze informatie openbaar maken voor de opdrachten, met name voor nieuwe gebouwen met een vloeroppervlakte van meer dan 2 000 vierkante meter.

De lidstaten ondersteunen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij de toepassing van energie-efficiëntievereisten, onder meer op regionaal en lokaal niveau, door duidelijke regels en richtsnoeren vast te stellen, met inbegrip van methodologieën voor de beoordeling van levenscycluskosten en milieueffecten en -kosten, door kennisondersteuningscentra op te zetten, door samenwerking tussen aanbestedende diensten, ook over de grenzen heen, aan te moedigen en door waar mogelijk gebruik te maken van samengestelde aanbestedingen en digitale aanbestedingen.

6. De lidstaten stellen juridische en wettelijke bepalingen vast, alsook bestuurspraktijken met betrekking tot overheidsaankopen en jaarlijkse begroting en boekhouding, die nodig zijn om te waarborgen dat individuele aanbestedende diensten er niet van worden weerhouden te investeren in verbetering van de energie-efficiëntie en gebruik te maken van energieprestatiecontracten en vormen van derdenfinanciering op basis van langetermijncontracten.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

7.b)  De lidstaten nemen regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen voor energie-efficiëntie weg, in het bijzonder met betrekking tot juridische en wettelijke bepalingen en bestuurspraktijken met betrekking tot overheidsaankopen en jaarlijkse begroting en boekhouding, ertoe strekkende dat individuele overheidsinstanties er niet van worden weerhouden te investeren in verbetering van de energie-efficiëntie en maximale beperking van de verwachte levenscycluskosten, en gebruik te maken van energieprestatiecontracten en andere vormen van derdenfinanciering op basis van langetermijncontracten.

 nieuw

De lidstaten brengen, als onderdeel van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999, verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die zijn genomen om belemmeringen voor de invoering van verbeteringen van de energie-efficiëntie weg te nemen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 3 (aangepast)

 nieuw

HOOFDSTUK III

 EFFICIËNTIE IN ENERGIEGEBRUIK 

Artikel 87

Verplichting inzake energiebesparingen

1. De lidstaten bereiken een cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie bereiken die minstens gelijk is aan:

a)nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013. Verkopen van voor vervoer gebruikte energie, per volume, mogen geheel of gedeeltelijk buiten deze berekening blijven;

b)b) nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030  2023  0,8 % bedragen van het gemiddelde van het jaarlijkse eindenergieverbruik gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019. Bij wijze van afwijking op dit vereiste verwezenlijken Cyprus en Malta nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030  2023  0,24 % bedragen van het gemiddelde van het jaarlijkse eindenergieverbruik gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019.

 nieuw

c)nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2024 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van het jaarlijkse eindenergieverbruik gedurende de periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2020.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 3 (aangepast)

 nieuw

De lidstaten beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke in de eerste alinea, puntenonder a), en b) en c) , vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie aan het einde van elke verplichtingsperiode worden behaald.

De lidstaten moeten overeenkomstig het besparingspercentage van de eerste alinea, puntonder bc), gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2028 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.

2) De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 van dit artikel vereiste hoeveelheid energiebesparingen door een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 97 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 107 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen. De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 97 bis en 107 ter en artikel 2820, lid 116, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.

 nieuw

3) De lidstaten voeren verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie, alternatieve beleidsmaatregelen, of een combinatie van beide, of programma’s of maatregelen die worden gefinancierd uit een nationaal fonds voor energie-efficiëntie, prioritair uit bij mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten zien erop toe dat beleidsmaatregelen die overeenkomstig dit artikel worden uitgevoerd, geen nadelige gevolgen hebben voor deze personen. Indien van toepassing maken de lidstaten optimaal gebruik van financiering, met inbegrip van overheidsfinanciering, op Unieniveau opgezette financieringsfaciliteiten en inkomsten uit emissierechten overeenkomstig artikel 22, lid 3, punt b), teneinde nadelige effecten weg te nemen en een rechtvaardige en inclusieve energietransitie te waarborgen.

Bij het ontwerpen van dergelijke beleidsmaatregelen houden de lidstaten rekening met en bevorderen zij de rol die hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers kunnen spelen bij de uitvoering van die beleidsmaatregelen.

Een deel van de vereiste hoeveelheid cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik realiseren de lidstaten bij mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen. Dit aandeel is ten minste gelijk aan het aandeel huishoudens in energiearmoede zoals beoordeeld in hun overeenkomstig artikel 3, lid 3, punt d), van Verordening (EU) 2018/1999 opgestelde nationale energie- en klimaatplan. Indien een lidstaat geen melding heeft gemaakt van het aandeel huishoudens in energiearmoede zoals beoordeeld in zijn nationale energie- en klimaatplan, is het aandeel van de vereiste cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik dat wordt gerealiseerd bij kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, ten minste gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de volgende indicatoren voor het jaar 2019 of, indien niet beschikbaar voor 2019, voor de lineaire extrapolatie van hun waarden voor de laatste drie jaar die beschikbaar zijn:

a)onvermogen om huis voldoende warm te houden (Eurostat, SILC [ilc_mdes01]);

b)achterstallige betalingen van elektriciteitsrekeningen (Eurostat, SILC, [ilc_mdes07]); en

c)structuur van de consumptieve bestedingen naar inkomenskwintiel en COICOP-verbruiksdoelstelling (Eurostat, HBS, [hbs_str_t223], gegevens voor [CP045] Elektriciteit, gas en andere brandstoffen).

4) De lidstaten nemen de informatie over de toegepaste indicatoren, het rekenkundig gemiddelde aandeel en de resultaten van de overeenkomstig lid 3 van dit artikel vastgestelde beleidsmaatregelen op in de actualiseringen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/1999, in hun daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van Verordening (EU) 2018/1999, en in hun respectieve voortgangsverslagen overeenkomstig artikel 17 van die verordening.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 3 (aangepast)

 nieuw

5. De lidstaten mogen energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen, ongeacht of zij uiterlijk op 31 december 2020 of na die datum zijn ingevoerd, op voorwaarde dat die maatregelen leiden tot nieuwe individuele afzonderlijke acties die na 31 december 2020 worden uitgevoerd. Energiebesparingen die in een bepaalde verplichtingsperiode zijn gerealiseerd, tellen niet mee voor de vereiste energiebesparingen voor de vorige verplichtingsperiode als vastgesteld in lid 1.  

62. Mits de lidstaten ten minste hun in lid 1, eerste alinea, puntonder b), genoemde cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie halen, kunnen zij de vereiste , in lid 1, eerste alinea, punt b), bedoelde energiebesparing op één of meer van volgende manieren berekenen:

a)een jaarlijks besparingspercentage toepassen op energieverkopen aan eindafnemers op het eindenergieverbruik, gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;

b)voor vervoer gebruikte energie geheel of ten dele van de berekeningsgrondslag uitsluiten;

c)gebruikmaken van een van de in lid 4 genoemde opties.

73. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van  een van  de in lid 6, onder a), b) of c), genoemde opties met betrekking tot de vereiste energiebesparingen als bedoeld in lid 1, eerste alinea, punt b) , stellen zij het volgende vast:

a)hun eigen jaarlijkse besparingspercentage dat zal worden toegepast bij de berekening van hun cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie, en dat ervoor zal zorgen dat het definitieve bedrag van hun netto energiebesparing niet lager is dan de uit hoofde van lid 1, eerste alinea, puntonder b), vereiste energiebesparing; en

b)hun eigen berekeningsgrondslag, waarvan voor vervoer gebruikte energie geheel of ten dele uitgesloten kan zijn.

84. Onverminderd lid 9, kan elke lidstaat:

a)de op grond van lid 1, eerste alinea, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;

b)de verkoop, per volume, van de gebruikte energie met betrekking tot de in lid 1, eerste alinea, puntonder a), bedoelde verplichtingsperiode, of het eindenergieverbruik met betrekking tot de in die alinea, puntonder b), bedoelde verplichtingsperiode, voor de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde industriële activiteiten geheel of ten dele buiten de berekening houden;

c)energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, transport en distributie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, voortvloeiend uit de naleving van de voorschriften van artikel 2314, lid 4, punt b), artikel 2414, lid 4, onder b), en artikel 25, leden 1 tot en met 1 en lid 10, meetellen bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen in lid 1, eerste alinea, punten a) en b) . De lidstaten geven de Commissie kennis van de beleidsmaatregelen die zij overeenkomstig dit punt voornemens zijn te nemen voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. Het effect van deze maatregelen wordt berekend overeenkomstig bijlage V en in deze plannen verwerkt;

d)energiebesparingen die voortvloeien uit individuele afzonderlijke acties die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die nog steeds een effect hebben in 2020 voor de in lid 1, eerste alinea, puntonder a), bedoelde verplichtingsperiode en na 2020 voor de in lid 1, eerste alinea, puntonder b), bedoelde verplichtingsperiode, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meetellen bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen;

e)energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen meetellen bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen leiden tot individuele afzonderlijke acties die na 1 januari 2018 en vóór 31 december 2020 worden uitgevoerd en na 31 december 2020 besparingen opleveren;

f)30 % van de verifieerbare hoeveelheid energie die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, niet meetellen bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punten a) en b);

g)de energiebesparingen die de voor de verplichtingsperiode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 vereiste energiebesparingen overschrijden, meetellen bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punten a) en b) , mits deze besparingen resulteren uit individuele afzonderlijke acties die zijn uitgevoerd uit hoofde van de in leden 97 bis en 107 ter genoemde beleidsmaatregelen, die door de lidstaten in hun nationale actieplannen voor energie-efficiëntie zijn gemeld en in hun voortgangsverslagen overeenkomstig artikel 24 zijn gerapporteerd.

95. De lidstaten verrichten de toepassing en de berekening van de op grond van lid 84 gekozen opties voor de in lid 1, eerste alinea, punten a) en b), genoemde perioden afzonderlijk, met dien verstande dat:

a)voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, eerste alinea, puntonder a), vermelde verplichtingsperiode, de lidstaten gebruik kunnen maken van lid 84, puntonder a) tot en met d). Alle op grond van lid 4 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1, eerste alinea, puntonder a), vermelde hoeveelheid energiebesparing;

b)voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, eerste alinea, punt b), vermelde verplichtingsperiode, de lidstaten gebruik kunnen maken van lid 4, punten b) tot en met g), mits individuele afzonderlijke acties als bedoeld in lid 84, punt d), een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020. Alle op grond van lid 84 gekozen opties samen beschouwd, mogen niet leiden tot een verlaging van de energiebesparingen met meer dan 35 %, berekend volgens leden 62 en 73.

Ongeacht of de lidstaten energie gebruikt voor vervoer geheel of gedeeltelijk van hun berekeningsgrondslag uitsluiten of gebruikmaken van een van de in lid 84 genoemde opties, zorgen zij ervoor dat de berekende nettohoeveelheid nieuwe besparingen in eindenergieverbruik in de  in lid 1, eerste alinea, punt b, bedoelde  verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030  2023  niet lager is dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het jaarlijkse besparingspercentage als bedoeld in lid 1, eerste alinea, puntonder b).

106.    De lidstaten lichten in  de actualiseringen van  hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen  overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/1999, in hun daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van en  overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1999  , alsook in hun respectieve voortgangsverslagen  toe hoe de hoeveelheid energiebesparing die over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 als bedoeld in lid 1, eerste alinea, puntonder b), van dit artikel, wordt berekend, en, indien van toepassing, hoe het jaarlijkse besparingspercentage en de berekeningsgrondslag werden vastgesteld en welke in lid 84 van dit artikel genoemde opties werden toegepast.

 nieuw

11.    De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de hoeveelheid vereiste energiebesparingen als bedoeld in lid 1, eerste alinea, punt c), en lid 3 van dit artikel, van een beschrijving van de beleidsmaatregelen die moeten worden uitgevoerd om de vereiste totale hoeveelheid cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik te verwezenlijken en de berekeningsmethoden daarvoor overeenkomstig bijlage V bij deze richtlijn, als onderdeel van de actualiseringen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/1999, en als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen als bedoeld in en in overeenstemming met de procedure van artikel 3 en de artikelen 7 tot en met 12 van Verordening (EU) 2018/1999. De lidstaten gebruiken het door de Commissie aan de lidstaten verstrekte rapporteringsmodel.

12.    Indien de Commissie op basis van de beoordeling van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EU) 2018/1999, of van het ontwerp of de definitieve actualisering van het laatst aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2018/1999, of de beoordeling van de daaropvolgende ontwerpen en definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999, concludeert dat de beleidsmaatregelen niet waarborgen dat de vereiste hoeveelheid cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik aan het einde van de verplichtingsperiode wordt gehaald, kan de Commissie overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1999 aanbevelingen doen aan de lidstaten waarvan zij vindt dat hun maatregelen ontoereikend zijn om aan hun verplichtingen te voldoen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 3

7.    Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, worden niet meegeteld bij de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

 nieuw

13. Wanneer een lidstaat de vereiste cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik aan het einde van een in lid 1 van dit artikel vastgestelde verplichtingsperiode niet heeft behaald, realiseert deze lidstaat de uitstaande energiebesparingen bovenop de cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik die vereist zijn tegen het einde van de volgende verplichtingsperiode.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 3

 nieuw

8.    Bij wijze van afwijking van het eerste lid van dit artikel kunnen de lidstaten die aan verplichtingen gebonden partijen toestaan gebruik te maken van de in artikel 7 bis, lid 6, onder b), geboden mogelijkheid, voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel energiebesparingen in aanmerking nemen die zijn verkregen in een jaar na 2010 en voor de verplichtingsperiode in lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel, alsof deze energiebesparingen na 31 december 2013 en vóór 31 december 2020 waren verkregen, mits aan alle hierna volgende voorwaarden is voldaan:

a)de verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie was van toepassing op enig tijdstip tussen 31 december 2009 en 31 december 2014 en was opgenomen in het eerste uit hoofde van artikel 24, lid 2, ingediende nationale actieplan voor energie-efficiëntie van de lidstaat;

b)de besparingen zijn tot stand gekomen in het kader van de verplichtingsregeling;

c)de besparingen zijn berekend volgens bijlage V;

d)de jaren waarvoor de besparingen in de berekening als verkregen besparingen worden beschouwd, zijn in de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie gerapporteerd overeenkomstig artikel 24, lid 2.

9.    De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.

10.    De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 van dit artikel vereiste hoeveelheid energiebesparingen door een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling inzake energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.

11.    Bij het ontwerpen van beleidsmaatregelen om te voldoen aan hun verplichtingen om energiebesparingen te realiseren, houden de lidstaten rekening met de noodzaak energiearmoede overeenkomstig de door hen vastgestelde criteria, rekening houdend met zijn bestaande praktijken op dit gebied, te verlichten door, in redelijkheid, te eisen dat een deel van de energie-efficiëntiemaatregelen in het kader van hun nationale verplichtingsregelingen inzake energie-efficiëntie, alternatieve beleidsmaatregelen of programma's of maatregelen die uit een nationaal fonds voor energie-efficiëntie worden gefinancierd, bij voorrang wordt uitgevoerd ten gunste van kwetsbare huishoudens, met inbegrip van huishoudens die door energiearmoede worden getroffen en, waar van toepassing, ten gunste van sociale huisvesting.

De lidstaten nemen in de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat informatie op over de resultaten van de maatregelen die zij in het kader van deze richtlijn nemen om energiearmoede te bestrijden, overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999.

1412. In het kader van de actualiseringen van hun nationale energie- en klimaatplannen en respectieve voortgangsverslagen en hun daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend,  De lidstaten tonen de lidstaten aan  , waar nodig gestaafd met bewijsmateriaal en berekeningen:

a)    dat wanneer er een overlappende werking is tussen het effect van beleidsmaatregelen en individuele maatregelen afzonderlijke acties, de energiebesparingen niet dubbel worden geteld;.

 nieuw

b)    hoe de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punten b) en c), gerealiseerde energiebesparingen bijdragen tot de verwezenlijking van hun nationale bijdrage overeenkomstig artikel 4;

c)    dat beleidsmaatregelen zijn vastgesteld om te voldoen aan hun energiebesparingsverplichting, ontworpen in overeenstemming met de vereisten van dit artikel, en dat die beleidsmaatregelen in aanmerking komen en geschikt zijn om ervoor te zorgen dat aan het einde van een verplichtingsperiode de vereiste hoeveelheid cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik wordt behaald.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 4

 nieuw

Artikel 97 bis

Verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie

1. Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 87, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, hun in artikel 87, lid 1, beschreven vereiste inzake cumulatieve besparing op het eindverbruik van energie te bereiken, onverminderd artikel 87, leden 94 en 105.

In voorkomend geval kunnen de lidstaten besluiten dat de aan verplichtingen gebonden partijen die besparingen geheel of gedeeltelijk realiseren door bij te dragen aan het nationaal fonds voor energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 2820, lid 116.

2. Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de transmissiesysteembeheerders, energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 87, lid 1, bedoelde berekening zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 106, puntonder a), van dit artikel.

3. Indien detailhandelaars in energie worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen uit hoofde van lid 2, zien de lidstaten erop toe dat deze handelaars bij de naleving van hun verplichtingen geen barrières opwerpen die consumenten verhinderen om van de ene leverancier naar de andere over te stappen.

 nieuw

4) De lidstaten kunnen van aan verplichtingen gebonden partijen verlangen dat deze een deel van hun vereiste hoeveelheid cumulatieve besparingen op het eindenergieverbruik realiseren ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen. De lidstaten kunnen ook van aan verplichtingen gebonden partijen verlangen dat zij de streefcijfers voor de verlaging van de energiekosten halen en energie besparen door maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te bevorderen, met inbegrip van financiële steunmaatregelen om de koolstofprijseffecten voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen te beperken.

5) De lidstaten kunnen van aan verplichtingen gebonden partijen verlangen dat zij samenwerken met lokale autoriteiten of gemeenten om maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie te bevorderen bij mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen. Dit omvat het in kaart brengen en aanpakken van de specifieke behoeften van bepaalde groepen die risico op energiearmoede lopen of gevoeliger zijn voor de negatieve effecten ervan. Om kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, in sociale woningen wonende personen te beschermen, moedigen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen aan maatregelen te nemen, zoals de renovatie van gebouwen, met inbegrip van sociale woningen, vervanging van apparaten, financiële steun en stimulansen voor maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in overeenstemming met nationale financierings- en steunregelingen, of energie-audits.

6) De lidstaten verplichten de aan verplichtingen gebonden partijen ertoe jaarlijks verslag uit te brengen over de energiebesparingen die de aan verplichtingen gebonden partijen hebben behaald met maatregelen die worden bevorderd onder mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, en eisen geaggregeerde statistische informatie over hun eindafnemers (met vermelding van veranderingen in energiebesparingen in vergelijking met eerder ingediende informatie) en over de verleende technische en financiële steun.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 4 (aangepast)

 nieuw

74. De lidstaten drukken de van elke aan verplichtingen gebonden partij vereiste energiebesparing uit in termen van ofwel eindverbruik, ofwel primair verbruik van energie energieverbruik. De gekozen methode om de vereiste energiebesparing uit te drukken, wordt ook gebruikt om de door de aan verplichtingen gebonden partijen geclaimde besparing te berekenen.  Bij de omrekening van de hoeveelheid energiebesparingen  De conversiefactoren in bijlage IV zijn  de netto calorische waarden in bijlage VI van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie 111 en de primaire-energiefactor overeenkomstig artikel 29  van toepassing  tenzij het gebruik van andere conversiefactoren kan worden gerechtvaardigd .

85. De lidstaten stellen  voeren meet-, controle- en verificatiesystemen in  vast voor de uitvoering van  waarmee een gedocumenteerde controle wordt uitgevoerd van ten minste een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de door de aan verplichtingen gebonden partijen ingestelde maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. De meting, controle en verificatie worden onafhankelijk van de aan verplichtingen gebonden partijen verricht. Indien een entiteit een aan verplichtingen verbonden partij is in het kader van een nationale verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 9 en in het kader van het EU-emissiehandelssysteem voor gebouwen en wegvervoer [verwijzing naar voorstel], zorgt het systeem voor toezicht en controle ervoor dat de koolstofprijs die wordt doorberekend wanneer brandstof wordt vrijgegeven voor verbruik [overeenkomstig artikel XX van Richtlijn XX], in aanmerking wordt genomen bij de berekening en kennisgeving van de energiebesparingen als gevolg van de energiebesparingsmaatregelen van de entiteit.

 nieuw

9) De lidstaten stellen de Commissie, in het kader van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999, in kennis van de ingestelde meet-, controle- en verificatiesystemen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebruikte methoden, vastgestelde problemen en hoe deze zijn aangepakt.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 4 (aangepast)

 nieuw

106. In het kader van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie mogen de lidstaten  de aan verplichtingen gebonden partijen machtigen  een of beide van het volgende te doen:

a)de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan om de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers aanbieders van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten dit toestaan, zien zij erop toe dat voor de certificering van energiebesparingen een in de lidstaten ingevoerde goedkeuringsprocedure wordt gevolgd die duidelijk en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en ertoe strekt de certificeringskosten zo laag mogelijk te houden; of

b)aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de besparing die in een bepaald jaar werd behaald, te behandelen alsof deze werd behaald in een van de vier voorgaande of de drie volgende jaren, zolang de in artikel 87, lid 1, vastgestelde verplichtingsperioden niet worden overschreden.

De lidstaten beoordelen het effect van de directe en indirecte kosten van verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën die blootstaan aan internationale concurrentie, en nemen indien nodig maatregelen om dit effect te minimaliseren.

117. De lidstaten maken de totale energiebesparing die op grond van deze regeling is behaald door elke aan verplichtingen gebonden partij, of elke subcategorie van een aan verplichtingen gebonden partij, op jaarbasis openbaar.

Artikel 107 ter

Alternatieve beleidsmaatregelen

1. Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 87, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij er, onverminderd artikel 87, leden 94 en 105, voor dat de krachtens artikel 87, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.

2. Voor alle andere dan belastingmaatregelen zorgen de lidstaten voor meet-, controle- en verificatiesystemen in het kader waarvan gedocumenteerde controles worden uitgevoerd op ten minste een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn genomen door de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen. De meting, controle en verificatie worden onafhankelijk van de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen uitgevoerd.

 nieuw

3. De lidstaten stellen de Commissie, in het kader van de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen over energie en klimaat overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999, in kennis van de ingestelde meet-, controle- en verificatiesystemen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebruikte methoden, vastgestelde problemen en hoe deze zijn aangepakt.

4. Wanneer lidstaten een belastingmaatregel rapporteren, tonen zij aan hoe de doeltreffendheid van het prijssignaal, zoals het belastingtarief en de zichtbaarheid in de tijd, is gewaarborgd bij het ontwerp van de belastingmaatregel. Wanneer het belastingtarief wordt verlaagd, rechtvaardigen de lidstaten hoe de belastingmaatregelen nog steeds tot nieuwe energiebesparingen leiden.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

Artikel 118

Energie-audits en Eenergiebeheersystemen en energie-audits 

 nieuw

1. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen met een gemiddeld jaarlijks energieverbruik van meer dan 100 TJ in de afgelopen drie jaar, waarbij alle energiedragers worden samengenomen, een energiebeheersysteem invoeren. Het energiebeheersysteem wordt gecertificeerd door een onafhankelijk orgaan overeenkomstig de desbetreffende Europese of internationale normen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die een gemiddeld jaarlijks energieverbruik hebben van meer dan 10 TJ in de afgelopen drie jaar, waarbij alle energiedragers worden samengenomen, en die geen energiebeheersysteem invoeren, aan een energie-audit worden onderworpen. Energie-audits worden op een onafhankelijke en kosteneffectieve manier uitgevoerd door gekwalificeerde of geaccrediteerde deskundigen overeenkomstig de eisen van artikel 26, of worden uitgevoerd en gecontroleerd door onafhankelijke instanties overeenkomstig de nationale wetgeving. Energie-audits worden ten minste om de vier jaar uitgevoerd, te rekenen vanaf de datum van de vorige energie-audit.

De resultaten van de energie-audits, met inbegrip van de aanbevelingen van deze audits, moeten worden doorgegeven aan het management van de onderneming. De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten en de uitgevoerde aanbevelingen in voorkomend geval in het jaarverslag van de onderneming worden bekendgemaakt.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

31. De lidstaten bevorderen de toegang van alle eindafnemers tot hoogwaardige energie-audits die kosteneffectief zijn en:

a)onafhankelijk worden uitgevoerd door op grond van kwalificatiecriteria gekwalificeerde en/of geaccrediteerde deskundigen; of

b)worden geïmplementeerd en gecontroleerd door onafhankelijke instanties op grond van de nationale wetgeving.

De in de eerste alinea bedoelde energie-audits mogen worden uitgevoerd door interne deskundigen en energie-auditors mits de betrokken lidstaat daarvoor een regeling heeft ingesteld om de kwaliteit te verzekeren en te controleren, eventueel in combinatie met een jaarlijkse willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle energie-audits die zij uitvoeren.

Met het oog op een hoge kwaliteit van de energie-audits en de energiebeheersystemen stellen de lidstaten op basis van bijlage VI transparante, niet-discriminerende minimumcriteria voor energie-audits op. De lidstaten zorgen ervoor dat kwaliteitscontroles worden uitgevoerd om de geldigheid en nauwkeurigheid van energie-audits te waarborgen.

Energie-audits bevatten geen clausules op grond waarvan de bevindingen van de audit niet mogen worden doorgegeven aan een gekwalificeerde/geaccrediteerde aanbieder van energiediensten, op voorwaarde dat de consument zich daar niet tegen verzet.

42. De lidstaten ontwikkelen programma's om kmo's die niet onderworpen zijn aan het bepaalde in de leden 1 en 2, ertoe aan te zetten energie-audits te laten uitvoeren en de aanbevelingen van die audits te implementeren.

De lidstaten kunnen, op basis van transparante, niet-discriminerende criteria en met inachtneming van het Unierecht inzake staatssteun, steunregelingen invoeren voor kmo's — ook als zij vrijwillige overeenkomsten hebben gesloten — om de kosten van een energie-audit en van de implementatie van de meest kosteneffectieve aanbevelingen van de energie-audits te kunnen dekken, indien de voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd.

De lidstaten wijzen de kmo's, onder andere via hun respectieve bemiddelingsorganisaties, er met concrete voorbeelden op hoe energiebeheersystemen hun onderneming kunnen helpen. De Commissie verleent de lidstaten bijstand door de uitwisseling van de beste praktijken op dit gebied te ondersteunen.

3.    De lidstaten stellen tevens programma's op om via geschikte adviesdiensten de huishoudens meer besef bij te brengen van de voordelen van die audits.

De lidstaten stimuleren opleidingsprogramma's voor de kwalificatie van energie-auditors om te bevorderen dat voldoende experts beschikbaar zijn.

4.    De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die geen kmo's zijn, een energie-audit ondergaan die op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier, door gekwalificeerde en/of geaccrediteerde deskundigen of onder supervisie van onafhankelijke instanties op grond van de nationale wetgeving, uiterlijk op 5 december 2015 en ten minste om de vier jaar na de voorgaande energie-audit wordt uitgevoerd.

 nieuw

5. De lidstaten ontwikkelen programma's om niet- kmo's die niet onderworpen zijn aan het bepaalde in de leden 1 en 2, ertoe aan te zetten energie-audits te laten uitvoeren en de aanbevelingen van die audits te implementeren.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

65. Energie-audits worden geacht te voldoen aan de voorschriften van lid 4  2  wanneer zij onafhankelijk worden uitgevoerd aan de hand van minimumcriteria die gebaseerd zijn op bijlage VI en worden toegepast in het kader van vrijwillige overeenkomsten tussen organisaties van belanghebbenden en een orgaan aangeduid en gecontroleerd door de betrokken lidstaat, door andere organen waaraan de bevoegde instanties de desbetreffende bevoegdheid hebben gedelegeerd, of door de Commissie.

De toegang van marktdeelnemers die energiediensten leveren, berust op transparante, niet-discriminerende criteria.

 nieuw

7. Ondernemingen die een energieprestatiecontract uitvoeren, zijn vrijgesteld van de eisen van de leden 1 en 2, op voorwaarde dat het energieprestatiecontract voldoet aan de eisen van bijlage XIV.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

86. Ondernemingen die geen kmo's zijn en die een energie- of een milieubeheersysteem toepassen dat door een onafhankelijk orgaan volgens de Europese of internationale normen is gecertificeerd, zijn vrijgesteld van de voorschriften van lid 4  de leden 1 en 2 , mits de lidstaten ervoor zorgen dat het beheersysteem  milieubeheersysteem een energie-audit omvat die berust op de minimumcriteria welke voldoen aan bijlage VI.

97. Energie-audits kunnen op zichzelf staan of deel uitmaken van een uitgebreidere milieu-audit. De lidstaten kunnen eisen dat beoordeling van de technische en economische haalbaarheid van de aansluiting op een bestaande of geplande stadsverwarmings- en -koelingsnetwerk deel uitmaakt van de energie-audit.

Onverminderd het Unierecht inzake staatssteun kunnen de lidstaten prikkels en steunregelingen hanteren voor de uitvoering van aanbevelingen die voortvloeien uit energie-audits en vergelijkbare maatregelen.

 nieuw

10. Onverminderd de leden 1 tot en met 9 eisen de lidstaten dat de eigenaars en exploitanten van elk datacentrum op hun grondgebied met een aanzienlijk energieverbruik uiterlijk op 15 maart 2024 en vervolgens elk jaar de in bijlage VI, punt 2, bedoelde informatie openbaar maken, die de lidstaten vervolgens aan de Commissie rapporteren.

🡻 2012/27/EU

Artikel 129

🡻 2019/944 artikel 70, lid 1, punt a)

Meting voor aardgas

🡻 2019/944 artikel 70, lid 1, punt b)

1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.

🡻 2012/27/EU

Een dergelijke individuele meter tegen concurrerende prijzen wordt altijd ter beschikking gesteld wanneer:

a)een bestaande meter wordt vervangen, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn;

b)een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of ingeval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU.

🡻 2019/944 artikel 70, lid 1, punt c)

2. Indien, en voor zover, de lidstaten gebruikmaken van intelligente meetsystemen en slimme meters voor aardgas invoeren in overeenstemming met de Richtlijn 2009/73/EG:

🡻 2012/27/EU

a)zorgen zij ervoor dat de meetsystemen de eindafnemer informatie verschaffen over de werkelijke tijd van het verbruik en dat de voor de eindafnemer beoogde energie-efficiëntie en voordelen ten volle in acht worden genomen bij het vastleggen van de minimumfuncties van de meters en de verplichtingen die aan marktdeelnemers worden opgelegd;

b)zorgen zij ervoor dat de slimme meters en het dataverkeer worden beveiligd, en dat de privacy van de eindafnemer wordt beschermd, in overeenstemming met de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer;

ce)schrijven zij voor dat de afnemers bij de installatie van slimme meters het nodige advies en de nodige informatie krijgen, in het bijzonder over het volledige potentieel van die meters wat meterstandbeheer en controle van het energieverbruik betreft.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 6 (aangepast)

Artikel 139 bis

Meting betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijk gebruik tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die hun daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig weergeven.

2. Indien de verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een systeem voor stadsverwarming of -koeling, wordt een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

Artikel 149 ter

Individuele bemetering en kostenverdeling betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1. In appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of centrale koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het verbruik van verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik voor iedere eenheid van het gebouwunit te meten, indien dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is, te weten in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.

Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmteverbruik in elke eenheid van het gebouwunit te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de betrokken lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De algemene criteria, werkwijzen en/of procedures aan de hand waarvan kan worden bepaald dat installaties technisch niet haalbaar en niet-kosteneffectief zijn, worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

2. In nieuwe appartementsgebouwen en in de residentiële gedeelten van nieuwe multifunctionele gebouwen die uitgerust zijn met een centrale verwarmingsbron voor warm water voor huishoudelijk gebruik of op stadsverwarmingssystemen zijn aangesloten, worden, niettegenstaande de eerste alinea van lid 1, voorzien in individuele meters voor warm water voor huishoudelijk gebruik.

3. Indien appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, zorgen de lidstaten ervoor dat zij, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante en voor het publiek toegankelijke nationale regels vaststellen voor de verdeling van de kosten voor het verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in dergelijke gebouwen. Waar passend, bevatten deze regels richtsnoeren betreffende de wijze waarop de kosten van energie moeten worden verdeeld, die wordt gebruikt als volgt:

a)warm water voor huishoudelijk gebruik;

b)warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten, wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren;

c)voor het verwarmen of koelen van appartementen.

Artikel 159 ter

Verplichting inzake op afstand leesbare meters

1. Voor de toepassing van de artikelen 139 bis en 149 ter zijn nieuw geïnstalleerde meters en warmtekostenverdelers die na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand leesbare apparaten. De voorwaarden inzake technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit van artikel 149 ter, lid 1, blijven zijn van toepassing.

2. Meters en warmtekostenverdelers die niet op afstand kunnen worden gelezen maar die al geïnstalleerd zijn, worden uiterlijk op 1 januari 2027 op afstand leesbaar gemaakt of vervangen door apparaten die op afstand leesbaar zijn, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.

🡻 2012/27/EU

Artikel 1610

🡻 2019/944 artikel 70, lid 2, punt a)

Factureringsinformatie voor aardgas

🡻 2019/944 artikel 70, lid 2, punt b) (aangepast)

1. In de gevallen waarin de eindafnemer niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie voor aardgas betrouwbaar en nauwkeurig is, en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII mits dit technisch mogelijk en economisch gerechtvaardigd is.

🡻 2012/27/EU

Aan die verplichting kan worden voldaan met een systeem van zelf uitlezen door de eindafnemer, die de uitgelezen metergegevens meedeelt aan de energieleverancier. Alleen indien de eindafnemer voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.

🡻 2019/944 artikel 7, lid 4, punt c)

2. Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken het voorzien in accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

Aanvullende informatie over het verbruiksverleden omvat:

a)cumulatieve gegevens voor de periode van ten minste de drie voorgaande jaren of voor de periode sinds de aanvang van het leveringscontract, indien dit korter is. De gegevens hebben betrekking op de termijnen waarvoor frequente factureringsinformatie is verstrekt;, en

b)gedetailleerde gegevens over het verbruik volgens de gebruiksperiode voor elke dag, week, maand en elk jaar. Deze gegevens worden de eindafnemer beschikbaar gesteld op het internet of op de meterinterface, over een periode van ten minste de voorgaande 24 maanden, of over de periode sinds de aanvang van het leveringscontract, indien dit korter is.

3. Ongeacht of al dan niet slimme meters zijn geplaatst, wordt door de lidstaten:

a)voorgeschreven dat, voor zover er gegevens over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindafnemer beschikbaar zijn, deze op zijn verzoek beschikbaar worden gesteld voor een door hem aangewezen aanbieder van energiediensten;

b)ervoor gezorgd dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering en dat zij op verzoek een duidelijke en begrijpelijke uitleg krijgen over de wijze waarop de factuur tot stand is gekomen, in het bijzonder als de factuur niet gebaseerd is op het feitelijke verbruik;

c)ervoor wordt gezorgd dat de eindafnemer naast de factuur de nodige informatie ontvangt om een volledig overzicht van de huidige energiekosten te kunnen hebben, in overeenstemming met bijlage VII;

d)eventueel bepaald dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek wordt beschouwd. In die gevallen zien de lidstaten erop toe dat de energieleveranciers flexibele regelingen voor feitelijke betaling aanbieden;

e)voorgeschreven dat de afnemer op zijn verzoek tijdig informatie en energiekostenramingen krijgt in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbiedingen op basis van gelijke criteria mogelijk maakt.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 8 (aangepast)

Artikel 1710 bis

Facturering en verbruiksinformatie betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1. Wanneer meters of warmtekostenverdelers worden geïnstalleerd, zien de lidstaten erop toe dat de facturerings- en verbruiksinformatie overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage VIIIVII bis betrouwbaar en nauwkeurig is, en gebaseerd is op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers van alle eindgebruikers, te weten de natuurlijke of rechtspersonen die verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik voor hun eigen eindgebruik aankopen, of de natuurlijke of rechtspersonen die bewoner zijn van een afzonderlijk gebouw of van een eenheid in een appartementsgebouw of multifunctioneel gebouw dat beschikt over een centrale bron voor verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik en die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben.

Indien een lidstaat daartoe besluit en behalve in het geval van verbruik vastgesteld via individuele bemetering op basis van warmtekostenverdelers overeenkomstig artikel 149 ter, kan aan die verplichting worden voldaan met een systeem waarbij de eindafnemer of eindgebruiker de meter regelmatig zelf leest en de metergegevens meedeelt. Alleen indien de eindafnemer of eindgebruiker voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.

2. De lidstaten:

a)schrijven voor dat, indien er gegevens over de energiefacturering en het verbruiksverleden of de meetgegevens van de warmtekostenverdelers van de eindgebruiker beschikbaar zijn, deze op verzoek van de eindgebruiker ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;

b)zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering;

c)zien erop toe dat aan alle eindgebruikers duidelijke en begrijpelijke informatie wordt verstrekt bij de factuur in overeenstemming met punt 3 van bijlage VIIIVII bis; en

d)bevorderen cyberbeveiliging en waarborgen de bescherming van de privacy en de gegevens van eindgebruikers overeenkomstig het toepasselijke recht van de Unie.

De lidstaten mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden.

3. De lidstaten beslissen wie verantwoordelijk is voor het verstrekken van de in leden 1 en 2 bedoelde informatie aan de eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met een energieleverancier hebben.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 9

Artikel 1811

🡻 2019/944 artikel 70, lid 3

Kosten van toegang tot informatie over de meting en facturering van aardgas

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 9

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer al zijn facturen en factureringsinformatie betreffende het energieverbruik kosteloos ontvangt, en op passende wijze kosteloos toegang heeft tot zijn verbruiksgegevens.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 10

Artikel 1911 bis

Kosten van toegang tot informatie over meting, facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruiker al zijn facturen en factureringsinformatie betreffende het energieverbruik kosteloos ontvangt, en op passende wijze kosteloos toegang heeft tot zijn verbruiksgegevens.

2. Niettegenstaande lid 1 van dit artikel, wordt de verdeling van de kosten in verband met de factureringsinformatie betreffende het individuele verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen overeenkomstig artikel 149 ter kosteloos uitgevoerd. Ingeval deze taak, namelijk het meten, verdelen en berekenen van het werkelijke individuele verbruik in zulke gebouwen, wordt uitbesteed aan een derde partij, bijvoorbeeld een dienstenverlener of de lokale energieleverancier, mogen de kosten, voor zover redelijk, worden doorberekend aan de eindgebruikers.

3. Om ervoor te zorgen dat de kosten voor individuele bemeteringsdiensten als bedoeld in lid 2 redelijk blijven, kunnen de lidstaten de concurrentie op dit gebied van de dienstensector stimuleren door het nemen van passende maatregelen, zoals het aanbevelen of anderszins propageren van het gebruik van aanbestedingen of het gebruik van interoperabele apparaten en systemen die het overschakelen op een andere leverancier van energiediensten vergemakkelijken.

 nieuw

HOOFDSTUK IV

INFORMATIEVERSTREKKING AAN CONSUMENTEN EN VERBETERING VAN HUN SLAGVAARDIGHEID

Artikel 20

Contractuele basisrechten voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1. Onverminderd de voorschriften van de Unie inzake consumentenbescherming, met name Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad 112 en Richtlijn 93/13/EEG van het Europees Parlement en de Raad 113 , zorgen de lidstaten ervoor dat eindafnemers en, indien daar uitdrukkelijk naar wordt verwezen, eindgebruikers de rechten hebben zoals voorzien in leden 2 tot en met 8 van dit artikel.

2. Eindafnemers hebben recht op een contract met hun leverancier waarin zijn opgenomen:

a)de identiteit en het adres van de leverancier;

b)de geleverde diensten en de aangeboden kwaliteitsniveaus van de diensten;

c)de aangeboden soorten onderhoudsdiensten;

d)    de wijze waarop de meest recente informatie over alle geldende tarieven, onderhoudskosten en gebundelde producten of diensten kan worden verkregen;

e)    de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en opzegging van het contract en diensten, met inbegrip van producten of diensten die gebundeld zijn met die diensten, en of kosteloze opzegging van het contract is toegestaan;

f)    alle vergoedingen en terugbetalingsregelingen die gelden indien de contractuele kwaliteitsniveaus van de diensten niet worden gehaald, met inbegrip van onnauwkeurige of te late facturering;

g)    de methode voor het inleiden van een buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedure overeenkomstig artikel 21;

h)    informatie over consumentenrechten, met inbegrip van informatie over klachtenbehandeling en alle in dit lid bedoelde informatie, welke duidelijk wordt meegedeeld op de factuur of de website van het bedrijf.

De contractuele voorwaarden zijn eerlijk en vooraf bekend. In ieder geval wordt deze informatie voorafgaand aan de sluiting of bevestiging van het contract verstrekt. Indien contracten door middel van intermediairs worden gesloten, wordt de in dit lid vastgelegde informatie eveneens voorafgaand aan de ondertekening van het contract verstrekt.

Eindafnemers en eindgebruikers ontvangen een begrijpelijke samenvatting van de belangrijkste contractuele voorwaarden in beknopte en eenvoudige taal.

3. Eindafnemers worden naar behoren in kennis gesteld van elk voornemen om de contractvoorwaarden te wijzigen. Leveranciers stellen hun eindafnemers op een transparante en begrijpelijke manier rechtstreeks in kennis van aanpassingen van de leveringsprijs, alsmede van de redenen en voorwaarden voor de aanpassing en de reikwijdte ervan, en doen dit uiterlijk twee weken, en voor zover het huishoudelijke afnemers betreft, uiterlijk één maand vóór de aanpassing in werking treedt.

4. Leveranciers bieden eindafnemers een ruime keuze aan betalingswijzen. Dergelijke betalingswijzen mogen geen onnodige discriminatie tussen klanten inhouden. Ieder verschil in tarieven in verband met betalingswijzen of vooruitbetalingsregelingen is objectief, niet-discriminerend en evenredig, en bedraagt niet meer dan de directe kosten die door de begunstigde worden gedragen voor het gebruik van een specifieke betalingswijze of vooruitbetalingsregeling, in lijn met artikel 62 van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad 114 .

5. Huishoudelijke afnemers die toegang hebben tot vooruitbetalingssystemen, op grond van lid 6, ondervinden geen nadeel als gevolg van die systemen.

6. Eindafnemers en eindgebruikers krijgen van leveranciers eerlijke en transparante algemene voorwaarden aangeboden die gesteld zijn in duidelijke en begrijpelijke taal en die geen niet-contractuele belemmeringen bevatten voor het uitoefenen van de rechten van afnemers, zoals overdreven contractuele documentatie. Afnemers worden beschermd tegen oneerlijke of misleidende verkooptechnieken. Eindgebruikers krijgen op verzoek toegang tot deze algemene voorwaarden. Eindafnemers en eindgebruikers worden beschermd tegen oneerlijke of misleidende verkooptechnieken. Eindafnemers met een beperking moeten alle relevante informatie over het contract met hun leverancier in toegankelijke formaten ontvangen.

7. Eindafnemers en eindgebruikers hebben recht op goede dienstverlening en klachtenbehandeling door hun leveranciers. Leveranciers handelen klachten eenvoudig, eerlijk en snel af.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

Artikel 2112

Programma voor Vvoorlichting en responsabilisering van de verbruiker  bewustmaking 

 nieuw

1. De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over beschikbare maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, afzonderlijke acties en financiële en juridische kaders transparant is en op grote schaal wordt verspreid onder alle betrokken marktdeelnemers, zoals eindafnemers, eindgebruikers, consumentenorganisaties, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, hernieuwbare-energiegemeenschappen, energiegemeenschappen van burgers, lokale en regionale instanties, energieagentschappen, aanbieders van sociale diensten, bouwbedrijven, architecten, ingenieurs, milieu- en energie-auditors en installateurs van onderdelen van een gebouw zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn 2010/31/EU.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

21. De lidstaten nemen de passende maatregelen voor het bevorderen en faciliteren van een efficiënt energieverbruik door kleine afnemers, waaronder huishoudens  eindafnemers en eindgebruikers . Die maatregelen kunnen deel uitmaken  maken deel uit van een nationale strategie  , zoals het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999, of de langetermijnrenovatiestrategie als gedefinieerd in Richtlijn 2010/31/EU .

2. Voor de toepassing van lid 1  dit artikel omvatten die maatregelen één of meer elementen als opgesomd onder a) en b):

a)een reeks instrumenten en beleidsmaatregelen voor het bevorderen van gedragswijziging, met inbegrip van , zoals:

i)fiscale prikkels;

ii)toegang tot financiering  , vouchers of subsidies;

iii)informatieverstrekking  in toegankelijk formaat voor mensen met een beperking ;

iv)voorbeeldprojecten;

v)activiteiten op de arbeidsplaats;

 nieuw

vi)opleidingsactiviteiten;

vii)digitale instrumenten.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

Voor de toepassing van dit artikel omvatten deze maatregelen ook, maar zijn deze niet beperkt tot, de volgende methoden om consumenten en consumentenorganisaties te interesseren voor een mogelijke installatie van slimme meters, door   en middelen om marktdeelnemers als bedoeld in lid 1 te activeren:

 nieuw

i)oprichting van éénloketsystemen of soortgelijke mechanismen voor het verstrekken van technisch, administratief en financieel advies en bijstand op het gebied van energie-efficiëntie, onder meer aan eindafnemers en eindgebruikers, in het bijzonder huishoudelijke en kleine niet-huishoudelijke afnemers, bij de renovatie van gebouwen en het gebruik van hernieuwbare energie voor gebouwen;

🡻 2012/27/EU

 nieuw

ii)informatie over:

i)kostenefficiënte en gemakkelijk te realiseren wijzigingen in energieverbruik;

iiiii) verspreiding van informatie over energie-efficiëntiemaatregelen  en financieringsinstrumenten ;.

 nieuw

iv)aanbod van centrale contactpunten waar eindafnemers en eindgebruikers alle nodige informatie kunnen krijgen over hun rechten, het toepasselijk recht en de geschillenbeslechtingsmechanismen in geval van een geschil. Dergelijke contactpunten kunnen deel uitmaken van de algemene consumentenvoorlichtingsloketten.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

32. De lidstaten zorgen voor passende randvoorwaarden om de marktdeelnemers voldoende en gerichte informatie en advies over energie-efficiëntie aan de energieconsumenten  eindafnemers, waaronder kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen, te laten verstrekken.

 nieuw

4. De lidstaten waarborgen dat eindafnemers, eindgebruikers, kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen, toegang hebben tot eenvoudige, eerlijke, transparante, onafhankelijke, doeltreffende en efficiënte buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen inzake de bij deze richtlijn vastgestelde rechten en plichten, en wel via een onafhankelijk mechanisme zoals een ombudspersoon voor energie of consumentenorganisatie, of via een nationale reguleringsinstantie. Indien de eindafnemer een consument is in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad 115 , voldoen dergelijke buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen aan de in die richtlijn vastgestelde vereisten.

Indien nodig waarborgen de lidstaten dat entiteiten voor alternatieve geschillenbeslechting samenwerken om eenvoudige, eerlijke, transparante, onafhankelijke, doeltreffende en efficiënte buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen te bieden voor elk geschil dat voortkomt uit producten of diensten die gekoppeld zijn aan, of gebundeld zijn met, een product dat, of een dienst die, onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

De deelname van bedrijven aan buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen voor huishoudelijke afnemers is verplicht tenzij de lidstaat aan de Commissie aantoont dat andere mechanismen even doeltreffend zijn.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

Artikel 19

Andere maatregelen om de energie-efficiëntie te verhogen

51. Onverminderd de basisbeginselen van het nationale eigendoms- en huurrecht van de lidstaten  nemen dDe lidstaten beoordelen en nemen indien nodig gepaste  de nodige maatregelen om al dan niet wettelijke regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen voor energie-efficiëntie weg te nemen, onverminderd de basisbeginselen van het nationale eigendoms- en huurrecht van de lidstaten, met name wat betreft: 

de scheiding opsplitsing van prikkels tussen de eigenaars en de huurders van een gebouw of onder eigenaars van een gebouw of gebouwunit , ertoe strekkende dat deze partijen er niet van worden weerhouden de investeringen in efficiëntieverbetering te doen die zij anders zouden doen, doordat zij individueel niet de volledige voordelen ontvangen of doordat er geen regels zijn voor de onderlinge verdeling van kosten en voordelen, waaronder de nationale voorschriften en maatregelen betreffende besluitvormingsprocessen in gebouwen met meerdere eigenaars.;

Deze Mmaatregelen voor het wegnemen van  dergelijke  belemmeringen kunnen inhouden dat prikkels worden gegeven, wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd, richtsnoeren en interpretatieve mededelingen worden vastgesteld, of administratieve procedures , waaronder nationale voorschriften en maatregelen betreffende besluitvormingsprocessen in gebouwen met meerdere eigenaars, worden vereenvoudigd. De maatregelen kunnen worden gecombineerd met de verstrekking van scholing, opleiding en specifieke informatie en technische bijstand inzake energie-efficiëntie  aan marktdeelnemers als bedoeld in lid 1 .

2.    De evaluatie van de in lid 1 genoemde belemmeringen en maatregelen wordt aan de Commissie meegedeeld in het in artikel 24, lid 2, bedoelde eerste nationale actieplan voor energie-efficiëntie. De Commissie moedigt het uitwisselen van beste praktijken op dit gebied aan.

 nieuw

De lidstaten nemen passende maatregelen ter ondersteuning van een multilaterale dialoog waaraan wordt deelgenomen door betrokken publieke en sociale partners, zoals eigenaars en huurdersorganisaties, consumentenorganisaties, hernieuwbare-energiegemeenschappen, energiegemeenschappen van burgers, lokale en regionale overheden, relevante overheidsinstanties en -agentschappen, met het doel voorstellen te doen voor gezamenlijk aanvaarde maatregelen, prikkels en richtsnoeren met betrekking tot de scheiding van prikkels tussen eigenaars en huurders of onder eigenaars van een gebouw of gebouwunit.

Elke lidstaat brengt verslag uit over deze belemmeringen en de genomen maatregelen in zijn langetermijnrenovatiestrategie overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU en Verordening (EU) 2018/1999.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

65. De Commissie spoort ertoe aan informatie over optimale  goede energie-efficiëntiepraktijken en methoden ter voorkoming van gescheiden prikkels in de lidstaten uit te wisselen en ruim te verspreiden.

 nieuw

Artikel 22

Kwetsbare afnemers slagvaardiger maken en beschermen en energiearmoede verminderen

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, slagvaardiger te maken en te beschermen.

Wanneer de lidstaten het begrip kwetsbare afnemer definiëren overeenkomstig artikel 28, lid 1, en artikel 29 van Richtlijn (EU) 2019/944 en artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2009/73/EG, nemen zij eindgebruikers in aanmerking.

2. De lidstaten voeren maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en daarmee samenhangende maatregelen ter bescherming of voorlichting van de consument, met name die welke zijn vastgesteld in artikel 21 en artikel 8, lid 3, prioritair uit ten gunste van mensen die kampen met energiearmoede, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen, teneinde de energiearmoede terug te dringen.

3. Ter ondersteuning van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, doen de lidstaten het volgende:

a)zij voeren maatregelen uit ter verbetering van de energie-efficiëntie om de verdelingseffecten te verzachten van andere beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals belastingmaatregelen die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn, of de toepassing van de handel in emissierechten in de gebouwen- en vervoersector overeenkomstig de ETS-richtlijn [verwijzing naar voorstel];

b)zij maken optimaal gebruik van de publieke financiering die beschikbaar is op nationaal niveau en op het niveau van de Unie, met inbegrip van, in voorkomend geval, de financiële bijdrage die de lidstaat uit hoofde van [artikel 9 en artikel 14 van de verordening inzake het Sociaal Klimaatfonds] van het Sociaal Klimaatfonds ontvangt, en de inkomsten uit veilingen van emissierechten uit hoofde van de handel in emissierechten in het kader van de EU-ETS, om te investeren in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie als prioritaire acties;

c)zij investeren, indien van toepassing, vroeg en met het oog op de toekomst in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie voordat de verdelingseffecten van andere beleidslijnen en maatregelen een effect hebben;

d)zij bevorderen technische bijstand en het gebruik van financieringsmogelijkheden en financiële instrumenten, zoals financiering via de energierekening, lokale reserve voor verliezen op leningen, garantiefondsen, fondsen voor grondige renovaties en renovaties met minimale energiewinst;

e)zij bevorderen technische bijstand aan sociale actoren ter versterking van de actieve betrokkenheid van kwetsbare consumenten bij de energiemarkt en van positieve veranderingen in hun energieverbruik;

f)zij zorgen voor toegang tot financiering of subsidies die gekoppeld zijn aan minimale energiewinst.

4. De lidstaten creëren een netwerk van deskundigen uit diverse sectoren, zoals de gezondheidssector, de bouwsector en de sociale sector, voor de ontwikkeling van strategieën ter ondersteuning van lokale en nationale besluitvormers bij de uitvoering van maatregelen voor de verbetering van de energie-efficiëntie teneinde energiearmoede te verminderen, voor de ontwikkeling van maatregelen voor robuuste langetermijnoplossingen tegen energiearmoede en voor de ontwikkeling van passende technische bijstand en financiële instrumenten. De lidstaten streven ernaar dat mannen en vrouwen in gelijke mate vertegenwoordigd zijn in het netwerk van deskundigen en dat dat netwerk rekening houdt met de standpunten van mensen in al hun diversiteit.

De lidstaten kunnen hetzelfde netwerk van deskundigen belasten met:

a)het vaststellen van nationale definities, indicatoren en criteria voor energiearmoede alsmede energiearm en het begrip kwetsbare afnemers, met inbegrip van eindgebruikers;

b)het ontwikkelen of verbeteren van relevante indicatoren en gegevensreeksen met betrekking tot energiearmoede die moeten worden gebruikt en waarover verslag moet worden uitgebracht;

c)het ontwikkelen van methoden en maatregelen om de betaalbaarheid te waarborgen, de kostenneutraliteit van woningen te bevorderen of ervoor te zorgen dat overheidsfinanciering die in maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie wordt geïnvesteerd, zowel eigenaars als huurders van gebouwen en gebouwunits ten goede komt, met name als het gaat om kwetsbare afnemers, mensen die kampen met energiearmoede en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen;

d)het beoordelen en in voorkomend geval voorstellen van maatregelen om situaties te voorkomen of te verhelpen waarin bepaalde groepen meer met energiearmoede te kampen krijgen, een groter risico op energiearmoede lopen of gevoeliger zijn voor de negatieve effecten van energiearmoede, zoals vrouwen, personen met een beperking, ouderen, kinderen, en personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

3.    De Commissie gaat het effect na van haar maatregelen om de ontwikkeling van platforms te ondersteunen, waarbij onder meer de Europese organen voor sociale dialoog worden betrokken bij het bevorderen van opleidingsprogramma's voor energie-efficiëntie, en stelt eventueel verdere maatregelen voor. De Commissie moedigt de Europese sociale partners aan bij hun besprekingen over energie-efficiëntie.

HOOFDSTUK VIII

EFFICIËNTIE VAN DE ENERGIEVOORZIENING

Artikel 2314

Bevordering van de efficiëntie bij Beoordeling en planning van verwarming en koeling

 nieuw

1. Elke lidstaat stelt de Commissie, als onderdeel van zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zijn daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en de respectieve voortgangsverslagen die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend, in kennis van een uitgebreide verwarmings- en koelingsbeoordeling. Die uitgebreide beoordeling bevat de in bijlage IX vermelde informatie en gaat vergezeld van de overeenkomstig artikel 15, lid 7, van Richtlijn (EU) 2018/2001 uitgevoerde beoordeling.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

1. Uiterlijk op 31 december 2015 maken de lidstaten een uitgebreide beoordeling van het potentieel voor de toepassing van een hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en -koeling, waarin de gegevens van bijlage VIII worden opgenomen, en stellen zij de Commissie daarvan op de hoogte. Indien zij reeds een soortgelijke evaluatie hebben uitgevoerd, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

Die uitgebreide beoordeling houdt ten volle rekening met de krachtens Richtlijn 2004/8/EG uitgevoerde analyse van het nationale potentieel voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.

Op verzoek van de Commissie wordt de beoordeling om de vijf jaar geactualiseerd en aan haar meegedeeld. De Commissie doet dit verzoek ten minste een jaar voor de vastgestelde datum.

2.    De lidstaten voeren een beleid om te bevorderen dat het potentieel van het gebruik van efficiënte verwarmings- en koelsystemen, in het bijzonder systemen met hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, terdege in aanmerking wordt genomen op lokaal en regionaal niveau. Rekening wordt gehouden met het potentieel voor het ontwikkelen van lokale en regionale warmtemarkten.

 nieuw

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek de gelegenheid krijgt deel te nemen aan de voorbereiding van de verwarmings- en koelingsplannen, de uitgebreide beoordeling en de beleidsinitiatieven en maatregelen.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

3. Met het oog op de in lid 1 bedoelde beoordeling voeren de lidstaten, op grond van de klimaatomstandigheden, de economische haalbaarheid en de technische geschiktheid, overeenkomstig deel 1 van bijlage IX, een kosten-batenanalyse voor hun grondgebied uit. Aan de hand van de kosten-batenanalyse kunnen de meest hulpbronnenefficiënte en kostenefficiënte oplossingen om aan de behoeften inzake verwarming en koeling te voldoen, worden vastgesteld. Die kosten-batenanalyse kan deel uitmaken van een milieubeoordeling in de zin van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's 116 .

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de kosten-batenanalyses, verstrekken de gedetailleerde methodologieën en aannames overeenkomstig bijlage X en stellen de procedures voor de economische analyse vast en maken deze bekend.

4. Indien op grond van de lid 1 bedoelde beoordeling en de in lid 3 bedoelde analyse wordt vastgesteld dat er potentieel aanwezig is voor de toepassing van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en/of efficiënte stadsverwarming en -koeling waarvan de baten groter zijn dan de kosten, nemen de lidstaten de geschikte maatregelen zodat een efficiënte infrastructuur voor stadsverwarming en -koeling wordt ontwikkeld en/of de ontwikkeling van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en het gebruik van energie voor verwarming en koeling uit afvalwarmte en hernieuwbare energiebronnen wordt mogelijk gemaakt, in overeenstemming met de leden 1, 5 en 7  lid 1 en artikel 24, leden 4 en 6 .

Indien op grond van de in lid 1 bedoelde beoordeling en de in lid 3 bedoelde analyse wordt vastgesteld dat er geen potentieel aanwezig is waarvan de baten groter zijn dan de kosten, met inbegrip van de administratieve kosten voor het uitvoeren van de in artikel 24, lid 4,lid 5 bedoelde kosten-batenanalyse, kan de betrokken lidstaat de installaties vrijstellen van de in dat lid vermelde voorschriften.

 nieuw

5. De lidstaten stellen beleidslijnen en maatregelen vast die ervoor zorgen dat het potentieel dat is vastgesteld in de overeenkomstig lid 1 uitgevoerde uitgebreide beoordelingen wordt benut. Die beleidslijnen en maatregelen omvatten ten minste de elementen van bijlage IX. Elke lidstaat deelt die beleidslijnen en maatregelen mee in het kader van de actualisering van zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, zijn daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de respectieve voortgangsverslagen die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 worden ingediend.

6. De lidstaten moedigen regionale en lokale autoriteiten aan om lokale verwarmings- en koelingsplannen op te stellen, ten minste in gemeenten met een totale bevolking van meer dan 50 000 inwoners. Voor die plannen geldt dat deze minstens:

a)gebaseerd zijn op de informatie en gegevens die worden verstrekt in de overeenkomstig lid 1 uitgevoerde uitgebreide beoordelingen, met een raming en een overzicht van het potentieel om de energie-efficiëntie te verhogen, onder meer door terugwinning van afvalwarmte, en om hernieuwbare energie in verwarming en koeling te gebruiken in dat specifieke gebied;

b)een strategie bevatten voor het gebruik van het overeenkomstig lid 6, punt a), geïdentificeerde potentieel;

c)worden voorbereid met medewerking van alle betrokken regionale of lokale belanghebbenden en met participatie van het grote publiek;

d)rekening houden met de gemeenschappelijke behoeften van lokale gemeenschappen en meerdere lokale of regionale bestuurlijke eenheden of regio’s;

e)toezicht op de voortgang van de uitvoering van de vastgestelde beleidslijnen en maatregelen omvatten.

De lidstaten zorgen ervoor dat het publiek de gelegenheid krijgt deel te nemen aan de voorbereiding van de verwarmings- en koelingsplannen, de uitgebreide beoordeling en de beleidsinitiatieven en maatregelen.

Daartoe ontwikkelen de lidstaten aanbevelingen ter ondersteuning van de regionale en lokale autoriteiten bij de uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie-efficiënte verwarming en koeling op basis van hernieuwbare energie op regionaal en lokaal niveau, waarbij het vastgestelde potentieel wordt benut. De lidstaten ondersteunen de regionale en lokale autoriteiten zoveel mogelijk met welke middelen dan ook, met inbegrip van regelingen voor financiële en technische ondersteuning.

Artikel 24

Verwarming en koeling

1. Teneinde de primaire energie-efficiëntie en het aandeel hernieuwbare energie in verwarming en koeling te verhogen, is een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling een systeem dat aan de volgende criteria voldoet:

a)tot en met 31 december 2025: een systeem dat ten minste 50 % hernieuwbare energie, 50 % afvalwarmte, 75 % warmte uit warmtekrachtkoppeling of 50 % uit een combinatie van dergelijke energie en warmte gebruikt;

b)vanaf 1 januari 2026: een systeem dat gebruikmaakt van ten minste 50 % hernieuwbare energie, 50 % afvalwarmte, 80 % warmte uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of van ten minste een combinatie van dergelijke thermische energie die naar het netwerk gaat, waarbij het aandeel hernieuwbare energie ten minste 5 % bedraagt en het totale aandeel hernieuwbare energie, afvalwarmte of warmte uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling ten minste 50 % bedraagt;

c)vanaf 1 januari 2035: een systeem dat ten minste 50 % hernieuwbare energie en afvalwarmte gebruikt, waarbij het aandeel hernieuwbare energie ten minste 20 % bedraagt;

d)vanaf 1 januari 2045: een systeem dat ten minste 75 % hernieuwbare energie en afvalwarmte gebruikt, waarbij het aandeel hernieuwbare energie ten minste 40 % bedraagt;

e)vanaf 1 januari 2050: een systeem dat uitsluitend hernieuwbare energie en afvalwarmte gebruikt, waarbij het aandeel hernieuwbare energie ten minste 60 % bedraagt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een systeem voor stadsverwarming en -koeling wordt gebouwd of ingrijpend wordt gerenoveerd, het voldoet aan de criteria van lid 1 die van toepassing zijn op het moment waarop het na de renovatie in gebruik wordt genomen of blijft. Daarnaast zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer een systeem voor stadsverwarming en -koeling wordt gebouwd of ingrijpend wordt gerenoveerd, het gebruik van andere fossiele brandstoffen dan aardgas in bestaande warmtebronnen niet toeneemt ten opzichte van het gemiddelde jaarlijkse verbruik over de laatste drie kalenderjaren van volledige exploitatie vóór de renovatie, en dat nieuwe warmtebronnen in dat systeem geen andere fossiele brandstoffen dan aardgas gebruiken.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat met ingang van 1 januari 2025, en vervolgens om de vijf jaar, exploitanten van alle bestaande systemen voor stadsverwarming en -koeling met een totale energieoutput van meer dan 5 MW die niet voldoen aan de criteria van lid 1, punten b) tot en met e), een plan opstellen om de primaire energie-efficiëntie en hernieuwbare energie te verhogen. Dat plan omvat maatregelen om te voldoen aan de criteria van lid 1, punten b) tot en met e), en wordt goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

45. Teneinde de economische haalbaarheid van toenemende energie-efficiëntie bij verwarming en koeling te beoordelen, De lidstaten zorgen de lidstaten ervoor dat er een kosten-batenanalyse overeenkomstig deel 2 van bijlage XIX wordt uitgevoerd op het niveau van de installatie indien, na 5 juni 2014  de volgende installaties nieuw gepland of ingrijpend gerenoveerd worden :

a)een nieuwe installatie voor de thermische elekctriciteitsopwekking met een  gemiddelde jaarlijkse totaal totale thermisch  energie-input  inputvermogen van meer dan 20  5  MW wordt gepland, teneinde de kosten en baten te berekenen van de werking van de installatie als een hoogrenderende warmtekrachtkoppelinginstallatie;

b)een bestaande installatie voor thermische elektriciteitsopwekking met een totaal nominaal thermisch inputvermogen van meer dan 20 MW ingrijpend wordt gerenoveerd, teneinde de kosten en baten van het ombouwen tot hoogrenderende warmtekrachtkoppelinginstallatie te berekenen;

c)een industriële installatie met een totaal thermisch inputvermogen van meer dan 20 MW die afvalwarmte op een bruikbare temperatuur genereert, gepland is of ingrijpend gerenoveerd wordt, teneinde de kosten en baten te berekenen van het gebruik van afvalwarmte om te voldoen aan een economisch aantoonbare vraag naar warmte, onder meer door warmtekrachtkoppeling, en van de aansluiting van die installatie op een stadsverwarming en -koelingsnetwerk.

d)een nieuw stadsverwarmings- of koelingsnetwerk gepland is, of indien in een bestaand stadsverwarmings- of koelingsnetwerk een nieuwe energieproductie-installatie met een totaal thermisch inputvermogen van meer dan 20 MW gepland is, of een dergelijke bestaande installatie van meer dan 20 MW ingrijpend gerenoveerd wordt, teneinde de kosten en baten te berekenen van het gebruik van afvalwarmte uit nabijgelegen industriële installaties.

 nieuw

b)een industriële installatie met een gemiddelde jaarlijkse totale energie-input van meer dan 5 MW, teneinde het gebruik van de afvalwarmte ter plaatse en daarbuiten te beoordelen;

c)een dienstvoorziening met een gemiddelde jaarlijkse totale energie-input van meer dan 5 MW, zoals afvalwaterbehandelingsinstallaties en LNG-installaties, teneinde het gebruik van afvalwarmte ter plaatse en daarbuiten te beoordelen;

d)een datacentrum met een totale nominale energie-input van meer dan 1 MW, teneinde de kosten en baten te beoordelen van het gebruik van afvalwarmte om aan een economisch gerechtvaardigde vraag te voldoen, en van de aansluiting van die installatie op een stadsverwarmingsnet of een efficiënt/op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd stadskoelingssysteem. Bij de analyse wordt rekening gehouden met koelsysteemoplossingen die het mogelijk maken de afvalwarmte op een bruikbaar temperatuurniveau af te voeren of af te vangen met minimale toevoer van extra energie.

Voor de beoordeling van het gebruik van afvalwarmte ter plaatse voor de toepassing van de punten b) tot en met d) kunnen energie-audits overeenkomstig bijlage VI worden uitgevoerd in plaats van de in dit lid beschreven kosten-batenanalyse.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

Het aanbrengen van voorzieningen voor de afvang van door een verbrandingsinstallatie geproduceerde koolstofdioxide met het oog op geologische opslag, als bepaald in Richtlijn 2009/31/EG, wordt niet beschouwd als renovatie in de zin van b), c) en d)  de punten b) en c) van dit lid.

De lidstaten kunnen eisen dat de onder c) en d) bedoelde kosten-batenanalyse uitgevoerd wordt in samenwerking met de bedrijven die belast zijn met de exploitatie van de stadsverwarmings- en koelingsnetwerken  faciliteit .

56. De lidstaten kunnen de volgende installaties van het in lid 45 bepaalde vrijstellen:

a)de piekverbruik- en de back-up elektriciteitsinstallaties voor de productie van elektriciteit die volgens plan minder dan 1 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, op basis van een door de lidstaten ingestelde verificatieprocedure die ervoor zorgt dat aan dit uitzonderingscriterium wordt voldaan;

b)kernenergie-installaties;

bc)installaties die dichtbij een geologische opslaglocatie moeten liggen waarvoor krachtens Richtlijn 2009/31/EG een vergunning is verleend;.

 nieuw

c)datacentra waarvan de afvalwarmte wordt of zal worden gebruikt in een stadsverwarmingsnet of rechtstreeks voor ruimteverwarming, warm water voor huishoudelijk gebruik of andere toepassingen in het gebouw of de groep gebouwen waar deze zich bevinden.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

De lidstaten kunnen ook drempels bepalen, uitgedrukt in hoeveelheid beschikbare nuttige afvalwarmte, in warmtevraag of in afstand tussen de industriële installaties en de stadsverwarmingsnetten, om individuele installaties vrij te stellen van lid 5, onder punten c) en d).

De lidstaten delen uiterlijk op 31 december 2013 de krachtens dit lid vastgestelde vrijstellingen, alsook alle latere wijzigingen van deze vrijstellingen, aan de Commissie mee.

67. De lidstaten stellen vergunningscriteria als bedoeld in artikel 87 van Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EG, of gelijkwaardige toestemmingscriteria vast die:

a)rekening houden met het resultaat van de uitgebreide beoordeling als bedoeld in lid 13;

b)ervoor zorgen dat aan de voorschriften van lid 45 wordt voldaan; en

c)rekening houden met het resultaat van de in lid 45 bedoelde kosten-batenanalyse.

78. De lidstaten kunnen individuele installaties vrijstellen van het voorschrift om als gevolg van de in lid 67 bedoelde vergunnings- en toestemmingscriteria, opties toe te passen waarvan de baten hoger zijn dan de kosten, als daarvoor wettelijke, eigendomsrechtelijke of financiële redenen bestaan. In die gevallen doet de betrokken lidstaat binnen drie maanden een met redenen omklede kennisgeving van het besluit aan de Commissie toekomen. De Commissie kan advies uitbrengen over de kennisgeving binnen drie maanden na ontvangst ervan.

89. De leden 45, 56, 67 en 78 van dit artikel zijn van toepassing op installaties die vallen onder Richtlijn 2010/75/EU, onverminderd de voorschriften van die richtlijn.

 nieuw

9. De lidstaten verzamelen informatie over kosten-batenanalyses die overeenkomstig lid 4, punten a), b), c) en d), van dit artikel zijn uitgevoerd. Die informatie bevat ten minste de gegevens over de beschikbare hoeveelheden warmte en warmteparameters, het aantal geplande bedrijfsuren per jaar en de geografische ligging van de locaties. Die gegevens worden bekendgemaakt met inachtneming van de potentiële gevoeligheid ervan.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

10. Op basis van de in puntonder f) van bijlage IIIII bedoelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zorgen de lidstaten ervoor dat de oorsprong van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling kan worden gegarandeerd volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, die door elke lidstaat worden vastgelegd. Zij zorgen ervoor dat deze garantie van oorsprong voldoet aan de eisen van bijlage XIX en ten minste de gegevens vermeld in die bijlage. De garanties van oorsprong worden door de lidstaten wederzijds erkend, uitsluitend als bewijs van de in dit lid genoemde gegevens. De erkenning van een garantie van oorsprong als bewijs kan uitsluitend op objectieve, transparante en niet-discriminerende gronden, met name met het oog op fraudepreventie, worden geweigerd. De betrokken lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke weigering en de bijbehorende motivering. Indien de erkenning van een garantie van oorsprong wordt geweigerd, kan de Commissie een besluit vaststellen waarbij de weigerende partij wordt verplicht de garantie van oorsprong te erkennen, in het bijzonder met betrekking tot de objectieve, transparante en niet-discriminerende gronden waarop de erkenning berust.

De Commissie is bevoegd om bij gedelegeerde handeling, overeenkomstig artikel 2923 van deze richtlijn, de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden die bij Uitvoeringsbesluit 2011/877/EU [2015] van de Commissie op grond van Richtlijn 2004/8/EG 117  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2402 118 zijn vastgesteld, per 31 december 2014 te herzien.

11. De lidstaten zorgen ervoor dat alle beschikbare steun voor warmtekrachtkoppeling betrekking heeft op elektriciteit die wordt geproduceerd door hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en dat afvalwarmte effectief wordt gebruikt om primaire energie te besparen. Overheidssteun voor warmtekrachtkoppeling, de opwekking van stadsverwarming en stadsverwarmingsnetwerken is in voorkomend geval onderworpen aan de regels inzake staatssteun.

Artikel 2515

Omzetting, transport en distributie van energie

1. De lidstaten zien erop toe dat Dde nationale reguleringsinstanties voor energieenergiereguleringsinstanties,  passen het beginsel “energie-efficiëntie eerst” overeenkomstig artikel 3 van deze richtlijn toe  bij de uitvoering van de in Richtlijnen (EU) 2019/9442009/72/EG en 2009/73/EG omschreven taken, in met betrekking tot hun beslissingen betreffende het beheer van gas- en elektriciteitsinfrastructuur  , waaronder hun beslissingen over nettarieven  rekening houden met energie-efficiëntie.

De lidstaten er met name voor dat de nationale reguleringsinstanties voor energie door middel van nettarieven en netregulering in het kader van Richtlijn 2009/72/EG en rekening houdend met de kosten en baten van elke maatregel, netbeheerders aanmoedigen systeemdiensten beschikbaar te stellen, zodat netgebruikers maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie kunnen uitvoeren in het kader van de continue ontwikkeling van slimme energienetten.

Deze systeemdiensten kunnen door de systeembeheerder worden bepaald en brengen de beveiliging van het systeem niet in het gedrang.

 nieuw

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de beheerders van transmissie- en distributienetten voor gas en elektriciteit het beginsel “energie-efficiëntie eerst” overeenkomstig artikel 3 van deze richtlijn toepassen in hun besluiten inzake netplanning, netontwikkeling en investeringen. Met inachtneming van de voorzieningszekerheid en de marktintegratie zorgen de lidstaten ervoor dat de transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders niet investeren in gestrande activa om bij te dragen aan de beperking van de klimaatverandering. De nationale reguleringsinstanties moeten methoden en richtsnoeren verstrekken voor het beoordelen van alternatieven in de kosten-batenanalyse, rekening houdend met bredere voordelen, en voor het verifiëren van de toepassing van het beginsel “energie-efficiëntie eerst” door de transmissiesysteembeheerders of distributiesysteembeheerders bij de goedkeuring, verificatie of monitoring van de door de transmissiesysteembeheerders of distributiesysteembeheerders ingediende projecten.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat beheerders van transmissie- en distributienetten netverliezen in kaart brengen en kosteneffectieve maatregelen treffen om netverliezen te beperken. De transmissie- en distributienetbeheerders stellen de nationale energiereguleringsinstantie in kennis van deze maatregelen en van de verwachte energiebesparingen als gevolg van de vermindering van netverliezen. De nationale energiereguleringsinstanties beperken de mogelijkheid voor transmissie- en distributiesysteembeheerders om vermijdbare netverliezen terug te verdienen via door consumenten betaalde tarieven. De lidstaten zorgen ervoor dat transmissie- en distributiesysteembeheerders maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie beoordelen met betrekking tot hun bestaande transmissie- of distributiesystemen voor gas of elektriciteit en de energie-efficiëntie bij het ontwerp en de exploitatie van de infrastructuur verbeteren. De lidstaten moedigen de transmissie- en distributienetbeheerders door middel van op stimulansen gebaseerde regelgeving aan innovatieve oplossingen te ontwikkelen om de energie-efficiëntie van bestaande systemen te verbeteren.

4. De nationale energiereguleringsinstanties nemen in hun jaarverslag overeenkomstig artikel 59, lid 1, punt l), van Richtlijn (EU) 2019/944 en overeenkomstig artikel 41 van Richtlijn 2009/73/EU een specifiek hoofdstuk op over de vooruitgang die is geboekt bij de verbetering van de energie-efficiëntie met betrekking tot het beheer van de gas- en elektriciteitsinfrastructuur. In deze verslagen verstrekken de nationale energiereguleringsinstanties een beoordeling van de netwerkverliezen bij het beheer van de gas- en elektriciteitsinfrastructuur, de door de transmissie- en distributienetbeheerders uitgevoerde maatregelen en, indien van toepassing, aanbevelingen voor verbeteringen van de energie-efficiëntie.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

5. De lidstaten zorgen ervoor dat, wat elektriciteit betreft, netregulering en nettarieven voldoen aan de criteria van bijlage XIIXI en recht doen aan de richtsnoeren en codes die zijn opgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2019/943(EG) nr. 714/2009.

2.    De lidstaten zorgen ervoor dat, uiterlijk op 30 juni 2015:

a)een beoordeling wordt uitgevoerd van het potentieel voor energie-efficiëntie van hun gas- en elektriciteitsinfrastructuur, in het bijzonder wat betreft transport, distributie, beheer van de belasting van het net en interoperabiliteit, en de aansluiting op installaties voor energieopwekking, inclusief de toegangsmogelijkheden voor micro-energiegeneratoren;

b)concrete maatregelen en investeringen worden vastgesteld voor het invoeren van kosteneffectieve verbeteringen van de energie-efficiëntie in de netwerkinfrastructuur, met een tijdschema voor de invoering ervan.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 11

2 bis.    Uiterlijk op 31 december 2020 ontwikkelt de Commissie, na overleg met de relevante belanghebbenden, een gemeenschappelijke methode teneinde netwerkexploitanten te stimuleren verliezen te reduceren, een investeringsprogramma voor een kosten- en energie-efficiënte infrastructuur uit te voeren en de energie-efficiëntie en de flexibiliteit van het net naar behoren te berekenen.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

63. De lidstaten kunnen onderdelen van regelingen en tariefstructuren met een sociale doelstelling voor netgebonden energietransport en -distributie toestaan, mits de verstorende effecten voor het transport- en distributienet tot het nodige minimum beperkt blijven en niet onevenredig zijn ten opzichte van de sociale doelstelling.

74. De lidstaten  nationale reguleringsinstanties heffen de prikkels in de transport- en distributietarieven op die de algehele efficiëntie (inclusief de energie-efficiëntie) aantasten van bij de productie, het transport, de distributie en de levering van elektriciteit en gas  of die de marktdeelname van de vraagrespons in verband met balancerings- en nevendiensten kunnen belemmeren. De lidstaten zorgen ervoor dat netwerkbeheerders gestimuleerd worden het ontwerp en beheer van infrastructuur te verbeteren en, in het kader van Richtlijn 9442009/72/EG, dat de tarieven de leveranciers in staat stellen de participatie van afnemers aan systeemefficiëntie te verhogen, met inbegrip van vraagrespons en met inachtneming van de nationale omstandigheden.

🡻 2019/944 artikel 70, lid 5, punt a)

85. De transmissie-transmissiesysteembeheerders en de distributiesysteembeheerders voldoen aan de voorschriften van bijlage XIIXII.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

De lidstaten kunnen de toegang tot het net met name vergemakkelijken voor elektriciteit geproduceerd door hoogrenderende kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden. De lidstaten nemen, indien nodig, maatregelen om de netwerkbeheerders aan te sporen voor de installatie van micro-warmtekrachtkoppelingsinstallaties een eenvoudige "installeer en informeer"-kennisgeving in te voeren, zodat de vergunningprocedure voor individuele burgers en installateurs kan worden vereenvoudigd en bekort.

6.    Onverminderd de voorschriften betreffende de handhaving van de betrouwbaarheid en de veiligheid van het net, treffen de lidstaten de nodige maatregelen zodat beheerders van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, indien dit, gelet op de werkwijze van de hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallatie, technisch en economisch haalbaar is, op het niveau van de transmissie- en de distributiesysteembeheerders balancerings- en andere operationele diensten kunnen aanbieden. De transmissie- en de distributiesysteembeheerders zorgen ervoor dat deze dienstverlening het voorwerp uitmaakt van een transparante, niet- discriminerende en toetsbare aanbestedingsprocedure.

9. Indien nodig kunnen de lidstaten  nationale reguleringsinstanties de transmissie-transmissiesysteembeheerders en de distributiesysteembeheerders ertoe verplichten om de vestiging van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling dichtbij het vraaggebied  van de warmtevraag aan te moedigen door de aansluitingskosten en de kosten voor systeemgebruik te verlagen.

107. De lidstaten kunnen producenten van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling die aansluiting op het net wensen, toestaan een openbare aanbesteding voor de aansluitingswerkzaamheden uit te schrijven.

119. Bij de rapportage krachtens Richtlijn 2010/75/EU overwegen de lidstaten, onverminderd artikel 9, lid 2, van die richtlijn, informatie te verschaffen over het energie-efficiëntieniveau van installaties die brandstof stoken met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, in aanmerking nemend de relevante beste beschikbare technieken die in overeenstemming met Richtlijn 2010/75/EU en Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging zijn ontwikkeld 119 .

De lidstaten kunnen exploitanten van installaties als bedoeld in de eerste alinea aanmoedigen het netto jaargemiddelde van het gebruiksrendement van de installatie te verbeteren.

HOOFDSTUK VIIV

HORIZONTALE BEPALINGEN

Artikel 2616

Beschikbaarheid van regelingen voor kwalificatie, accreditatie en certificering

1.    Ingeval een lidstaat oordeelt dat het nationale niveau van technische deskundigheid, objectiviteit en betrouwbaarheid niet volstaat, zorgen zij ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 regelingen voor certificering en/of accreditatie en/of gelijkwaardige kwalificatieregelingen, en in voorkomend geval ook passende opleidingsprogramma's, beschikbaar komen of zijn voor leveranciers van energiediensten en van energie-audits, energiebeheerders en installateurs van met energie verband houdende onderdelen van gebouwen in de zin van artikel 2, lid 9, van Richtlijn 2010/31/EU.

2.    De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde regelingen transparant zijn voor de consument, betrouwbaar zijn en bijdragen aan het verwezenlijken van de nationale energie-efficiëntiedoelstellingen

 nieuw

1. De lidstaten zorgen ervoor dat werknemers op het gebied van energie-efficiëntie over de nodige bekwaamheid beschikken in overeenstemming met de marktbehoeften. De lidstaten zorgen er in nauwe samenwerking met de sociale partners voor dat certificerings- en/of gelijkwaardige kwalificatieregelingen, waar nodig met inbegrip van passende opleidingsprogramma’s, beschikbaar zijn voor werknemers op het gebied van energie-efficiëntie, met inbegrip van aanbieders van energiediensten, aanbieders van energie-audits, energiebeheerders, onafhankelijke deskundigen en installateurs van onderdelen van gebouwen overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU, en dat deze regelingen en programma’s betrouwbaar zijn en bijdragen tot de nationale energie-efficiëntiedoelstellingen en de algemene EU-doelstellingen inzake decarbonisatie.

Aanbieders van certificerings- en/of gelijkwaardige kwalificatieregelingen, waar nodig met inbegrip van passende opleidingsprogramma’s, worden geaccrediteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 120 .

2. De lidstaten zorgen ervoor dat bij nationale certificerings- of gelijkwaardige kwalificatieregelingen, waar nodig met inbegrip van opleidingsprogramma’s, rekening wordt gehouden met bestaande Europese of internationale normen.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

3. De lidstaten maken de in lid 1 bedoelde certificerings- en/of accreditatieregelingen of gelijkwaardige kwalificatieregelingen   of passende opleidingsprogramma’s publiek toegankelijk en werken onderling en met de Commissie samen om de regelingen te vergelijken en te erkennen.

De lidstaten nemen passende maatregelen om de consument te attenderen op de beschikbaarheid van kwalificatie- en/of certificeringsregelingen, de regelingen in overeenstemming met artikel 278, lid 1.

 nieuw

4. De lidstaten beoordelen uiterlijk op 31 december 2024 en vervolgens om de vier jaar of de regelingen het vereiste bekwaamheidsniveau waarborgen voor leveranciers van energiediensten, energie-auditors, energiebeheerders, onafhankelijke deskundigen en installateurs van onderdelen van gebouwen overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU, en maken de beoordeling en de aanbevelingen daarvan openbaar.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

Artikel 17

Voorlichting en opleiding

1.    De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de beschikbare energie-efficiëntiemechanismen en het financiële en juridische kader transparant is en op grote schaal wordt verspreid onder alle betrokken marktdeelnemers, zoals consumenten, aannemers, architecten, ingenieurs, milieu- en energie-auditors en installateurs van onderdelen van gebouwen zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/31/EU.

4.    De lidstaten bevorderen met deelname van de betrokken partijen, waaronder de lokale en regionale overheden, passende informatie-, bewustmakings-, en opleidingsinitiatieven om de burgers voor te lichten over de voordelen en praktische aspecten van het nemen van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Artikel 2718

Energiediensten

1. De lidstaten bevorderen de markt voor energiediensten en de toegang ertoe  voor van kmo's tot deze markt door: 

   a)    duidelijke en toegankelijke informatie te verspreiden over

ai)de beschikbare energiecontracten en de in deze contracten op te nemen bepalingen, om energiebesparingen en de rechten van de eindafnemer te waarborgen;

bii)financiële instrumentenfinancieringsinstrumenten, stimuli, subsidies , revolverende fondsen, garanties, verzekeringsregelingen, en leningen om projecten met betrekking tot energie-efficiëntiediensten te ondersteunen;

 nieuw

c)beschikbare gekwalificeerde en/of gecertificeerde aanbieders van energiediensten en hun kwalificaties en/of certificeringen overeenkomstig artikel 26;

d)beschikbare monitoring- en verificatiemethoden en regelingen voor kwaliteitscontrole.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

2.b)  De lidstaten moedigen de ontwikkeling aan van , waar nodig, op Europese of internationale normen gebaseerde kwaliteitslabels aan te moedigen, onder meer door branche-organisaties;

3.c)  De lidstaten stellen een lijst publiek beschikbaar te stellen van beschikbare aanbieders van energiediensten die gekwalificeerd en/of gecertificeerd zijn alsmede hun kwalificaties en/of certificeringen overeenkomstig artikel 2616, en deze regelmatig te actualiseren deze regelmatig, of bieden een interface aan te bieden waarop aanbieders van energiediensten informatie kunnen verstrekken.;

 nieuw

4. De lidstaten moedigen overheidsinstanties aan energieprestatiecontracten te gebruiken voor renovaties van grote gebouwen. Voor renovaties van grote, niet voor bewoning bestemde gebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1 000 m2 zorgen de lidstaten ervoor dat overheidsinstanties nagaan of het gebruik van energieprestatiecontracten haalbaar is.

De lidstaten kunnen overheidsinstanties aanmoedigen energieprestatiecontracten met uitgebreide energiediensten, inclusief vraagrespons en opslag, te combineren.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

5.d)  De lidstaten steunen de overheidssector te steunen bij het ingaan op offertes voor energiediensten, in het bijzonder voor renovatie van gebouwen, door:

ai)modelcontracten voor de aanbesteding van energieprestaties ter beschikking te stellen die ten minste de in bijlage XIIIXIII genoemde elementen omvatten en rekening houden met de bestaande Europese en internationale normen, beschikbare aanbestedingsrichtsnoeren en de praktijkgids van Eurostat voor de statistische behandeling van energieprestatiecontracten in overheidsrekeningen ;

bii)informatie over beste praktijken voor energieprestatiecontracten ter beschikking te stellen, waaronder, indien voorhanden, een kosten-batenanalyse op basis van een levenscyclusbenadering;

 nieuw

c)een database van uitgevoerde en lopende projecten voor energieprestatiecontracten openbaar te maken waarin de verwachte en bereikte energiebesparingen zijn opgenomen.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

62. De lidstaten ondersteunen, indien nodig, de goede werking van de markt voor energiediensten door de volgende maatregelen te nemen :

a)het aanwijzen en bekendmaken van de contactpunten aan te wijzen en bekend te maken waar eindafnemers de in lid 1 bedoelde informatie kunnen verkrijgen;

b) het wegnemen van  zo nodig maatregelen te nemen om de al dan niet wettelijke regelgevende en niet-regelgevende belemmeringen op het gebruik van energieprestatiecontracten en andere modellen voor energie-efficiëntiediensten voor de bepaling en/of uitvoering van energiebesparingsmaatregelen weg te nemen;

c)te overwegen de rol van een onafhankelijk mechanisme, zoals een ombudsman, in te stellen of toe te wijzen, om te zorgen voor de efficiënte afhandeling van klachten en de buitengerechtelijke beslechting van geschillen die uit energiedienstcontracten voortvloeien;

 nieuw

c)het opzetten en bevorderen van de rol van adviesorganen en onafhankelijke tussenpersonen op de markt, met inbegrip van éénloketsystemen of soortgelijke ondersteuningsmechanismen om de marktontwikkeling aan de vraag- en aanbodzijde te stimuleren, en het openbaar toegankelijk maken van informatie over deze steunmechanismen voor marktdeelnemers.

7. Ter ondersteuning van de goede werking van de markt voor energiediensten kunnen de lidstaten een individueel mechanisme instellen of een ombudspersoon aanwijzen om te zorgen voor een efficiënte afhandeling van klachten en buitengerechtelijke beslechting van geschillen die voortvloeien uit energiediensten- en energieprestatiecontracten.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

d)onafhankelijke marktintermediairs in staat te stellen een rol te spelen bij het stimuleren van de marktontwikkeling aan de vraag- en aanbodzijde.

83. De lidstaten zorgen ervoor dat energiedistributeurs, distributiesysteembeheerders en detailhandelaars in energie zich onthouden van activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de vraag naar en de levering van energiediensten of andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, of die de ontwikkeling van de markt voor dergelijke diensten of maatregelen in de weg staan, waaronder marktafscherming of misbruik van machtspositie.

Artikel 2820

Nationaal fonds voor energie-efficiëntie, financiering en technische ondersteuning

1. Onverminderd de artikelen 107 en 108 VWEU   van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie faciliteren de lidstaten de oprichting van financieringsfaciliteiten of het gebruik van bestaande faciliteiten met het oog op maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, opdat de voordelen van meerdere financieringsstromen maximaal worden benut  , alsook de combinatie van subsidies, financieringsinstrumenten en technische bijstand .

2. De Commissie helpt de lidstaten in voorkomend geval, rechtstreeks of via de Europese financiële instellingen, bij het opzetten van financieringsfaciliteiten en regelingen voor technische ondersteuning  faciliteiten voor projectontwikkelingsbijstand op nationaal, regionaal of lokaal niveau met het oog op het vergroten van de investeringen in energie-efficiëntie in verschillende sectoren , alsook bij het beschermen en slagvaardig maken van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, onder meer door de integratie van een gelijkheidsperspectief zodat niemand aan zijn lot wordt overgelaten .

 3. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat kredietverleningsproducten op het gebied van energie-efficiëntie, zoals groene hypotheken en groene leningen, gedekt en ongedekt, op ruime schaal en op niet-discriminerende wijze door financiële instellingen worden aangeboden en zichtbaar en toegankelijk zijn voor consumenten. De lidstaten nemen maatregelen om de tenuitvoerlegging van financieringsregelingen via de energierekening of via de voorheffing te vergemakkelijken.  De lidstaten sporen ertoe aan  zorgen ervoor  dat informatie wordt verstrekt aan banken en andere financiële instellingen over de mogelijkheden om deel te nemen aan de financiering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, onder meer door de oprichting van publiek-private partnerschappen.

43. De Commissie faciliteert de uitwisseling van beste praktijken tussen de bevoegde nationale of regionale overheden of organen, bijvoorbeeld door middel van jaarlijkse bijeenkomsten van de regelgevende organen, openbare databanken met informatie over de uitvoering van maatregelen door de lidstaten, en landenvergelijkingen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 12 (aangepast)

 nieuw

53 bis. Om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties aan te boren, voert de Commissie, volgens de aanpak overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU, een dialoog met zowel publieke als particuliere financiële instellingen om in kaart te brengen welke acties zij eventueel kan ondernemen.

63 ter. De in lid 43 bis bedoelde acties omvatten de volgende elementen :

a)het mobiliseren van investeringen in energie-efficiëntie door de bredere effecten van energiebesparing voor financieel risicobeheer in aanmerking te nemen; en

b)het zorgen voor betere prestatiegegevens voor energie en financiering door:

i)verder te onderzoeken hoe investeringen in energie-efficiëntie de onderliggende waarde van activa verbeteren;

ii)het ondersteunen van studies ter beoordeling van de tegeldemaking van de niet-energetische voordelen van investeringen in energie-efficiëntie.

73 quater. Met het oog op het mobiliseren van particuliere financiering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energierenovatie moeten de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn:

a)nagaan hoe beter gebruik kan worden gemaakt van energie-audits uit hoofde van artikel 118 om de besluitvorming te beïnvloeden;

b)optimaal gebruikmaken van de mogelijkheden en instrumenten  die uit de begroting van de Unie beschikbaar worden gesteld en die worden voorgesteld in het initiatief “slimme financiering voor slimme gebouwen” en in de mededeling van de Commissie over de “renovatiegolf”.

83 quinquies. De Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2020  31 december 2024  richtsnoeren aan de lidstaten  en de marktdeelnemers  over het aanboren van particuliere investeringen.

 nieuw

De richtsnoeren hebben tot doel de lidstaten en de marktdeelnemers te helpen bij de ontwikkeling en uitvoering van hun investeringen in energie-efficiëntie in de verschillende programma’s van de Unie, en in de richtsnoeren zullen passende financiële mechanismen en oplossingen worden voorgesteld, met een combinatie van subsidies, financieringsinstrumenten en projectontwikkelingsbijstand, om bestaande initiatieven op te schalen en de financiering van de Unie als katalysator te gebruiken om particuliere financiering aan te trekken.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

94. De lidstaten kunnen een nationaal fonds voor energie-efficiëntie oprichten. Doel van dit fonds is  de prioritaire uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen, inclusief maatregelen op grond van artikel 8, lid 3, en artikel 22, ten gunste van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, alsook de uitvoering  de ondersteuning van nationale initiatieven  maatregelen  op het gebied van energie-efficiëntie  om de lidstaten te ondersteunen bij de verwezenlijking van hun nationale energie-efficiëntiebijdragen en hun indicatieve trajecten als bedoeld in artikel 4, lid 2. Het nationaal fonds voor energie-efficiëntie kan worden gefinancierd met inkomsten uit de veilingen van emissierechten in het kader van het EU-emissiehandelssysteem voor de gebouwen- en vervoersector .

105. De lidstaten kunnen toestaan dat  overheidsinstanties voldoen  aan de verplichtingen van artikel 65, lid 1, wordt voldaan door middel van jaarlijkse storting in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie van een bedrag dat gelijk is aan de investeringen die nodig zijn om aan die verplichtingen te voldoen.

116. De lidstaten kunnen toestaan dat de aan verplichtingen gebonden partijen voldoen aan hun verplichtingen krachtens artikel 97, lid 1, door jaarlijks in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie een bedrag te storten dat gelijk is aan de investeringen die nodig zijn om aan die verplichtingen te voldoen.

127. De lidstaten kunnen hun inkomsten uit de jaarlijkse emissieruimten op grond van Beschikking nr. 406/2009/EG gebruiken voor de ontwikkeling van innovatieve financieringsmechanismen, om een praktische uitwerking te geven aan de doelstelling in artikel 65, namelijk de verbetering van de energieprestatie van gebouwen  financieringsoplossingen ter verbetering van de energie-efficiëntie .

Artikel 2921

Conversiefactoren en primaire-energiefactoren 

1. Voor de vergelijking van energiebesparingen en de omzetting naar een vergelijkbare eenheid, worden  de in bijlage VI van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie 121 vermelde netto calorische waarden en de in lid 2 vermelde primaire-energiefactoren  de in bijlage IV vermelde conversiefactoren toegepast, tenzij het gebruik van andere conversiefactoren  waarden of factoren  kan worden gerechtvaardigd.

 nieuw

2. Een primaire-energiefactor is van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik.3. Voor besparingen in kWh elektriciteit passen de lidstaten een coëfficiënt toe teneinde de daaruit voortvloeiende besparingen op het primaire energieverbruik nauwkeurig te berekenen. De lidstaten passen een standaardcoëfficiënt van 2,1 toe, tenzij zij gebruikmaken van hun discretionaire bevoegdheid om een andere coëfficiënt vast te stellen op basis van gerechtvaardigde nationale omstandigheden.

4. Voor besparingen in kWh van andere energiedragers passen de lidstaten een coëfficiënt toe teneinde de daaruit voortvloeiende besparingen op het primaire energieverbruik nauwkeurig te berekenen. 5. Wanneer de lidstaten hun eigen coëfficiënt voor een standaardwaarde overeenkomstig deze richtlijn vaststellen, doen zij dit volgens een transparante methode op grond van nationale omstandigheden die van invloed zijn op het primaire energieverbruik. Deze omstandigheden moeten worden onderbouwd, verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria.

6. Indien de lidstaten een eigen coëfficiënt vaststellen, houden zij rekening met hun elektriciteitsmix die is opgenomen in de actualisering van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en in de daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die aan de Commissie moeten worden meegedeeld overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999. Indien zij afwijken van de standaardwaarde, stellen de lidstaten de Commissie in de actualisering van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en daaropvolgende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 in kennis van de coëfficiënt die zij gebruiken, alsook van de berekeningsmethode en de onderliggende gegevens.

7. Uiterlijk op 25 december 2022 en daarna elke 4 jaar herziet de Commissie de standaardcoëfficiënt op basis van werkelijk waargenomen gegevens. Bij die herziening wordt rekening gehouden met de gevolgen ervan voor andere wetgeving van de Unie, zoals Richtlijn 2009/125/EG en Verordening (EU) 2017/1369.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

HOOFDSTUK VIIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 3013

Sancties

De lidstaten bepalen welke sancties van toepassing zijn indien de krachtens de artikelen 7 tot en met 11 bis en artikel 18, lid 3,  deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen niet worden nagekomen, en nemen alle nodige maatregelen om de toepassing ervan te garanderen. De aldus vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [datum van omzetting]  5 juni 2014 in kennis van die bepalingen en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen.

Artikel 3122

Gedelegeerde handelingen

1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 3223 gedelegeerde handelingen vast te stellen om  betreffende de herziening van de in artikel 2414, lid 10, tweede alinea, bedoelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden te herzien.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 13 (aangepast)

2. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 3223 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter wijziging of aanvulling van deze richtlijn door de waarden, berekeningsmethoden, de standaard primaire-energiecoëfficiëntprimaire-energiecoëfficiënten en de eisen waarnaar wordt verwezen in de bijlagen II, III, V, VII tot en met XI, en XIII  I tot en met V, VII tot en met en X tot en met XII, aan te passen aan de technische vooruitgang.

 nieuw

3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen tot aanvulling van deze richtlijn vast te stellen door, na raadpleging van de betrokken belanghebbenden, een gemeenschappelijke Unieregeling voor de beoordeling van de duurzaamheid van datacentra op haar grondgebied vast te stellen. In de regeling worden duurzaamheidsindicatoren voor datacentra gedefinieerd en worden, overeenkomstig artikel 10, lid 9, van deze richtlijn, de minimumdrempels voor een aanzienlijk energieverbruik vastgesteld en worden de kernindicatoren en de methode voor het meten daarvan vastgesteld.

🡻 2012/27/EU

Artikel 3223

Uitoefening van de delegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 14, punt a)

 nieuw

2. De in artikel 3122 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 december 2018  [datum van bekendmaking in PB] . De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

🡻 2012/27/EU

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3122 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 14, punt b)

43 bis. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 122 .

🡻 2012/27/EU

54. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

65. Een overeenkomstig artikel 3122 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 3324

Toetsing van en toezicht op de uitvoering

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 15, punt a)

14 bis. In het kader van het verslag over de stand van de energie-unie brengt de Commissie verslag uit over de werking van de koolstofmarkt, overeenkomstig artikel 35, lid 1 en lid 2, puntonder c), van Verordening (EU) 2018/1999 rekening houdend met de gevolgen van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

5.    De Commissie controleert voor het eerst bij de beoordeling van het eerste nationale actieplan voor energie-efficiëntie, en vervolgens om de drie jaar, of er nog behoefte is aan de in artikel 14, lid 6, bepaalde vrijstellingen. Indien uit deze controle blijkt dat een van de criteria voor de vrijstellingen niet meer te rechtvaardigen is, rekening houdend met de beschikbaarheid van warmtebelasting en met de werkelijke bedrijfsomstandigheden van de vrijgestelde installaties, stelt de Commissie passende maatregelen voor.

 nieuw

2. Uiterlijk op 31 oktober 2025 en vervolgens om de vier jaar evalueert de Commissie de bestaande maatregelen ter verhoging van de energie-efficiëntie en het koolstofvrij maken van verwarming en koeling. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met:

a)tendensen op het gebied van energie-efficiëntie en broeikasgasemissies bij verwarming en koeling, met inbegrip van stadsverwarming en -koeling;

b)onderlinge verbanden tussen de genomen maatregelen;

c)veranderingen in energie-efficiëntie en broeikasgasemissies bij verwarming en koeling;

d)bestaande en geplande beleidslijnen en -maatregelen op nationaal en EU-niveau inzake energie-efficiëntie en ter vermindering van broeikasgassen; en

e)maatregelen die de lidstaten hebben vermeld in hun uitgebreide beoordelingen uit hoofde van artikel 23, lid 1, en aangemeld overeenkomstig artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1999.

De Commissie kan, indien nodig, maatregelen voorstellen om ervoor te zorgen dat de klimaatdoelstreefcijfers van de Unie worden gehaald.

🡻 2012/27/EU

36. De lidstaten leggen jaarlijks vóór 30 april aan de Commissie statistieken voor over de nationale productie van elektriciteit en warmte uit hoog- en laagrenderende warmtekrachtkoppeling, in verhouding tot de totale warmte- en elektriciteitsproductie, berekend volgens de in bijlage III bepaalde methode. Zij leggen de Commissie jaarlijks tevens statistieken voor over het warmte- en elektriciteitsvermogen van warmtekrachtkoppeling en over de brandstoffen voor warmtekrachtkoppeling, alsook over de productie en het vermogen voor stadsverwarming en -koeling in verhouding tot de totale warmte- en elektriciteitsproductie en het totale warmte- en elektriciteitsvermogen. De lidstaten dienen voorts statistieken in over de besparing van primaire energie door warmtekrachtkoppeling in overeenstemming met de in bijlage IIIII bepaalde methode.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

7.    Uiterlijk op 30 juni 2014 wordt de in artikel 3, lid 2, bedoelde beoordeling, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen, door de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

8.    De Commissie beoordeelt de efficiëntie van de uitvoering van artikel 6 uiterlijk 5 december 2015, met inachtneming van de in Richtlijn 2004/18/EG vastgelegde eisen, en legt een verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

9.    De Commissie legt uiterlijk op 30 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad verslag voor over de uitvoering van artikel 7. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van één wetgevingsvoorstel dat strekt tot één of meer van de volgende doeleinden:

a)de in artikel 67, lid 1, vastgestelde einddatum te wijzigen;

b)de eisen van artikel 67, leden 1, 2 en 3, te herzien;

c)aanvullende gemeenschappelijke eisen op te leggen, in het bijzonder ten aanzien van het bepaalde in artikel 67, lid 7.

10.    Uiterlijk op 30 juni 2018 beoordeelt de Commissie de voortgang van de lidstaten met het wegnemen van de in artikel 19, lid 1, bedoelde wettelijke en niet-wettelijke belemmeringen Deze beoordeling wordt indien nodig gevolgd door voorstellen voor verdere maatregelen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 15, punt b) (aangepast)

 nieuw

12.    Uiterlijk op 31 december 2019 beoordeelt de Commissie de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen met het oog op de toepassing van artikel 8, lid 4, en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Zo spoedig mogelijk na de indiening van dat verslag doet de Commissie indien nodig wetgevingsvoorstellen.

413. Uiterlijk op 1 januari 2021 voert de Commissie een beoordeling uit van het potentieel voor energie-efficiëntie in de conversie, de transformatie, de transmissie, het vervoer en de opslag van energie, en brengt zij hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

514.  Onder voorbehoud van eventuele wijzigingen in de bepalingen voor de retailmarkt van Richtlijn 2009/73/EG  Uiterlijk op 31 december 2021 voert de Commissie uiterlijk op 31 december 2021, tenzij er inmiddels wijzigingen in de bepalingen voor de retailmarkt van Richtlijn 2009/73/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor gas zijn voorgesteld, een beoordeling uit en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de bepalingen inzake meting, facturering en voorlichting van de consument met betrekking tot aardgas, met het doel deze, indien nodig, aan te passen aan de desbetreffende bepalingen voor elektriciteit Richtlijn (EU) 2019/9442009/72/EU teneinde de bescherming van de consument te versterken en de eindgebruikers in staat te stellen meer frequente, duidelijke en actuele informatie over hun verbruik van aardgas te ontvangen en hun energieverbruik te reguleren. Zo spoedig mogelijk na de indiening van dat verslag doet de Commissie indien nodig wetgevingsvoorstellen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 2 (aangepast)

64. De Commissie beoordeelt uiterlijk op 31 oktober 2022 of de Unie haar streefcijferskerndoelen inzake energie-efficiëntie voor 2020 heeft gehaald.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 15, punt b)

 nieuw

715. Uiterlijk op 28 februari 2024  2027  en vervolgens om de vijf jaar evalueert de Commissie deze richtlijn en dient zij daarover een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.

In die evaluatie wordt beoordeeldDie evaluatie omvat:

a)een onderzoek of de eisen en de alternatieve benadering vastgesteld in artikel 5 na 2030 moeten worden aangepast;

ab)een beoordeling van de algemene doeltreffendheid van deze richtlijn en de noodzaak het energie-efficiëntiebeleid van de Unie verder aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs van 2015 inzake klimaatverandering, die gesloten is na afloop van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering 123 , en in het licht van de economische en innovatieve ontwikkelingen.

 nieuw

b)de in artikel 4, lid 1, genoemde streefcijfers inzake energie-efficiëntie voor 2030, zodat deze naar boven toe kunnen worden herzien in geval van substantiële kostenverlagingen die het gevolg zijn van economische of technologische ontwikkelingen, of om indien nodig te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie op het gebied van de overstap naar een koolstofarme economie;

c)of de lidstaten nieuwe jaarlijkse besparingen blijven behalen overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, punt c), voor de periodes van tien jaar na 2030;

d)of de lidstaten ervoor blijven zorgen dat ten minste 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van overheidsinstanties, jaarlijks wordt gerenoveerd overeenkomstig artikel 6, lid 1, met het oog op de herziening van het renovatiepercentage in dat artikel;

e)of de lidstaten een deel van de energiebesparingen blijven realiseren ten gunste van kwetsbare afnemers, mensen die met energiearmoede kampen en, in voorkomend geval, mensen die in sociale woningen wonen, overeenkomstig artikel 8, lid 3, voor de periodes van tien jaar na 2030;

f)of de lidstaten een vermindering van het eindenergieverbruik overeenkomstig artikel 5, lid 1, blijven verwezenlijken.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 15, punt b)

Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

Artikel 25

Onlineplatform

De Commissie stelt een onlineplatform in om de toepassing van deze richtlijn op nationaal, regionaal en lokaal niveau te bevorderen. Dat platform heeft tot doel de uitwisseling van praktijkervaring, benchmarking, netwerkactiviteiten, en innovatieve praktijken te ondersteunen.

Artikel 3426

Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 3528

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 5 juni 2014  […] aan deze richtlijn  de artikelen […] en bijlagen […] [artikelen en bijlage die wezenlijk gewijzigd zijn in vergelijking met de ingetrokken richtlijn] te voldoen.

Niettegenstaande de eerste alinea, doen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in werking treden waarmee wordt voldaan aan artikel 4, artikel 5, lid 1, eerste alinea, artikel 5, lid 5, artikel 5, lid 6, artikel 7, lid 9, laatste alinea, artikel 14, lid 6, artikel 19, lid 2, artikel 24, lid 1, en artikel 24, lid 2, en punt 4 van bijlage V, uiterlijk op de in deze bepalingen bepaalde data.

Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen  maatregelen onverwijld  onmiddellijk mede.

Wanneer de lidstaten die maatregelen  bepalingen aannemen, wordt in die maatregelen bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen.  In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn.  De regels voor deze die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3627

Wijzigingen en Iintrekkingen

1. Richtlijn 2012/27/EU2006/32/EG  , zoals gewijzigd bij de in bijlage XV, deel A, genoemde handelingen, wordt ingetrokken met ingang van […] [de dag na de in artikel 35, lid 1, eerste alinea, vermelde datum] 5 juni 2014, met uitzondering van artikel 4, leden 1 tot en met 4, en de bijlagen I, III en IV, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn  termijnen  voor de omzetting in nationaal recht van de in bijlage XV, deel B, genoemde richtlijnen . Artikel 4, leden 1 tot en met 4, van, alsmede de bijlagen I, III en IV bij, Richtlijn 2006/32/EG, worden met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken. 

Richtlijn 2004/8/EG wordt ingetrokken met ingang van 5 juni 2014, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn voor omzetting in nationaal recht.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn  Richtlijnen 2006/32/EG en 2004/8/EG gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XVIXV.

2.    Artikel 9, leden 1 en 2, van Richtlijn 2010/30/EU wordt geschrapt met ingang van 5 juni 2014.

3.    Richtlijn 2009/125/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.De volgende overweging wordt ingevoegd:

“35 bis)Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen 124 bepaalt dat de lidstaten eisen voor energieprestaties moeten vaststellen voor onderdelen van gebouwen die deel uitmaken van de bouwschil van het gebouw en systeemeisen in verband met de totale energieprestatie, het adequaat installeren, dimensioneren, afstellen en controleren van de technische bouwsystemen die in bestaande gebouwen worden geïnstalleerd. In overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn kunnen deze eisen in bepaalde omstandigheden de installatie beperken van energiegerelateerde producten die aan deze richtlijn en de daarmee samenhangende uitvoeringsmaatregelen voldoen, mits dergelijke eisen geen ongerechtvaardigde marktbelemmering vormen."

2.Aan artikel 6, lid 1, wordt het volgende toegevoegd:

“Dit laat de door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2010/31/EU vastgestelde eisen voor energieprestaties en systeemeisen onverlet.”.

Artikel 3729

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen […] en bijlagen [...] [artikelen van de ingetrokken richtlijn en bijlagen daarbij die niet zijn gewijzigd] zijn van toepassing met ingang van […] [de dag na de datum in artikel 35, lid 1, eerste alinea].

Artikel 3830

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    De Europese Green Deal, COM(2019) 640 final.
(2)    Bijlage bij de mededeling over de Green Deal, bladzijde 2.
(3)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal (COM/2020/562 final).
(4)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – De Europese Green Deal (COM/2019/640 final).
(5)    https://www.consilium.europa.eu/media/47336/1011-12-20-euco-conclusions-nl.pdf.
(6)    COM(2020) 690 final.
(7)    Mededeling: “Een schone planeet voor iedereen - Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM/2018/773 final), waarin energie-efficiëntie als een voorwaarde sine qua non wordt beschouwd in alle decarbonisatiescenario’s.
(8)    SWD(2021) 623.
(9)    COM(2020) 299 final.
(10)    https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/energy-efficient-cloud-computing-technologies-and-policies-eco-friendly-cloud-market.
(11)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020) 67 final).
(12)    SWD(2021) 623, punt 2.2.2.
(13)    Evaluatie van de artikelen 6 en 7 van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) (SWD(2016)403 final; https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/3_en_autre_document_travail_service_part1_v3.pdf ).
(14)    SWD(2021) 623, bijlage H.
(15)    SWD(2021) 623, punt 2.2.2.
(16)

   Een EU-strategie betreffende verwarming en koeling (COM(2016) 051 final).

(17)

   Zie bijvoorbeeld; 2e CEER-verslag over vermogensverliezen; Raad van Europese energieregulators; 2020.

(18)    SWD(2021) 623, punt 2.2.2.
(19)    https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2021/05/08/the-porto-declaration/
(20)    SWD(2021) 623, punt 2.2.2 en bijlage L.
(21)    Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen.
(22)    Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten; Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters.
(23)    Bovendien zullen de productevaluaties in het kader van het werkplan inzake ecologisch ontwerp 2020-2024 en het actieplan “renovatiegolf”, in combinatie met de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen, in belangrijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van het energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030.
(24)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PE/48/2018/REV/1 – PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(25)    SWD(2021) 623, bijlage M. 
(26)    PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1.
(27)    SWD(2021) 623, bijlage M.
(28)    SWD(2021) 623, bijlage M.
(29)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad.
(30)    Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51).
(31)    Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen.
(32)    SWD(2021) 623, punt 2.
(33)    SWD(2021) 623.
(34)    PB L 123 van 12 mei 2016, blz.1.
(35)    SWD(2021) 623.
(36)    Zie bijvoorbeeld https://www.eiif.org/sites/default/files/2020-12/EiiF_White%20paper_2020_REV.15.pdf.
(37)    SWD(2021) 623.
(38)    SWD(2021) 623.
(39)    PB C […] van […], blz. […].
(40)    PB C […] van […], blz. […].
(41)    Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(42)    Zie bijlage XV, deel A.
(43)    PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64.
(44)    PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136.
(45)    PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.
(46)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal (COM/2020/562 final).
(47)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – De Europese Green Deal (COM/2019/640 final).
(48)    https://www.consilium.europa.eu/media/47336/1011-12-20-euco-conclusions-nl.pdf.
(49)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Werkprogramma van de Commissie voor 2021 - Een Unie van vitaliteit in een kwetsbare wereld (COM/2020/690 final).
(50)    Mededeling “Een schone planeet voor iedereen - Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM/2018/773 final), waarin energie-efficiëntie als een voorwaarde sine qua non wordt beschouwd in alle decarbonisatiescenario’s.
(51)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – “De digitale toekomst van Europa vormgeven” (COM(2020) 67 final).
(52)    PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(53)    Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(54)    PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.
(55)    Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PE/55/2018/REV/1) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(56)    Een EU-strategie voor een geïntegreerd energiesysteem (COM(2020) 299 final).
(57)    Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).
(58)    Aanbeveling van de Commissie over energiearmoede (C(2020) 9600 final).
(59)    Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).
(60)    Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen
(61)    Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten; Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters.
(62)    Bovendien zullen productevaluaties in het kader van het werkplan inzake ecologisch ontwerp 2020-2024 en het actieplan “renovatiegolf”, in combinatie met de herziening van de richtlijn energieprestatie van gebouwen, in belangrijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van het energiebesparingsstreefcijfer voor 2030.
(63)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Investeringsbank – Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie (COM(2018) 773 final).
(64)    PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.
(65)    Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(66)    COM/2020/562 final.
(67)    Zie IRP, Resource Efficiency and Climate Change, 2020, en het UN Environment Emissions Gap Report 2019. Deze cijfers hebben betrekking op het gebruik en de exploitatie van gebouwen, inclusief indirecte uitstoot in de elektriciteits- en verwarmingssector, en niet op hun volledige levenscyclus. De opgenomen koolstof in de bouw is naar schatting goed voor ongeveer 10 % van de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen wereldwijd, zie IRP, Resource Efficiency and Climate Change, 2020, en het UN Environment Emissions Gap Report 2019.
(68)    COM(2020) 662 final.
(69)    Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
(70)    https://www.unfpa.org/world-population-trends
(71)    https://www.un.org/en/ecosoc/integration/pdf/fact_sheet.pdf
(72)    Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(73)    Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(74)    PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
(75)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(76)    Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
(77)    Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).
(78)    IEA (Internationaal Energieagentschap) (2021), Net Zero by 2050 A Roadmap for the Global Energy Sector, https://www.iea.org/reports/net-zero-by-2050.
(79)    Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(80)    Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).
(81)    Aanbeveling van de Commissie van 14.10.2020 over energiearmoede (C(2020) 9600 final).
(82)    https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/energy-efficient-cloud-computing-technologies-and-policies-eco-friendly-cloud-market
(83)    PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.
(84)    PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94.
(85)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).
(86)    Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114).
(87)    Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).
(88)    PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15.
(89)    Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).
(90)    Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(91)    Europese pijler van sociale rechten, beginsel 20 “Toegang tot essentiële diensten”: https://ec.europa.eu/commission/priorities/deeper-and-fairer-economic-and-monetary-union/european-pillar-social-rights/european-pillar-social-rights-20-principles_nl
(92)     https://ec.europa.eu/eurostat/documents/1015035/8885635/guide_to_statistical_treatment_of_epcs_en.p df/f74b474b-8778-41a9-9978-8f4fe8548ab1
(93)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).
(94)    Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
(95)    Besluit 2014/746/EU van de Commissie van 27 oktober 2014 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico, voor de periode 2015-2019 (PB L 308 van 29.10.2014, blz. 114).
(96)    PB L 1 van 5.1.2010, blz. 10.
(97)    PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15.
(98)    PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(99)    PB L 153 van 18.6.2010, blz. 1.
(100)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(101)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(102)    Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).
(103)    Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(104)    PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
(105)    PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
(106)    Het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie werd aanvankelijk vastgesteld en berekend met de in 2007 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030 als uitgangswaarde. De wijziging van de Eurostat-methodologie voor de berekening van de energiebalans en de verbeteringen in latere modelprognoses vragen om een wijziging van de uitgangswaarde. Op basis van dezelfde benadering voor het bepalen van het streefcijfer, dat wil zeggen door te vergelijken met de basisscenarioprognoses, wordt het niveau van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie voor 2030 afgezet tegen de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030 die de nationale bijdragen van de NECP’s weerspiegelen. Op basis van dat herziene referentiescenario zal de Unie haar ambitieniveau inzake energie-efficiëntie moeten opkrikken met minstens 9 % in 2030 vergeleken met het niveau van de inspanningen in het in 2020 vastgestelde referentiescenario. De nieuwe manier waarop het ambitieniveau van de streefcijfers van de Unie wordt uitgedrukt, heeft geen gevolgen voor het daadwerkelijke niveau van de inspanningen die nodig zijn.
(107)    Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(108)    Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
(109)    Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 7).
(110)    Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).
(111)    Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1).
(112)    Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).
(113)    Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29).
(114)    Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
(115)    Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en Richtlijn 2009/22/EG (richtlijn ADR consumenten) (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 63).
(116)    Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
(117)    PB L 343 van 23.12.2011, blz. 91.
(118)    Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2402 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot herziening van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte overeenkomstig Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/877/EU van de Commissie (PB L 333 van 19.12.2015, blz. 54).
(119)    Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8).
(120)    Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93.
(121)    Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2066 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (PB L 334 van 31.12.2018, blz. 1).
(122)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(123)    PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(124)    PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.;
Top

Brussel, 14.7.2021

COM(2021) 558 final

BIJLAGEN

bij het

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/ (herschikking)

{SEC(2021) 558 final} - {SWD(2021) 623 final} - {SWD(2021) 624 final} - {SWD(2021) 625 final} - {SWD(2021) 626 final} - {SWD(2021) 627 final}


 nieuw

BIJLAGE I

NATIONALE BIJDRAGEN AAN DE ENERGIE-EFFICIËNTIESTREEFCIJFERS VAN DE UNIE INZAKE PRIMAIR EN/OF EINDENERGIEVERBRUIK VOOR 2030

1.Het niveau van de nationale bijdragen wordt berekend aan de hand van deze indicatieve formule:

waarbij CEU een correctiefactor is, Target het niveau van de landspecifieke ambitie en FECB2030 PECB2030 het in 2020 vastgestelde referentiescenario dat wordt gebruikt als basisscenario voor 2030.

2.De volgende indicatieve formule staat voor de objectieve criteria die overeenkomen met de factoren in artikel 4, lid 3, punt d), i) tot en met iv), die elk worden gebruikt om het niveau van de landspecifieke ambitie uit te drukken in % (Target) en die hetzelfde gewicht hebben in de formule (0,25):

a)een forfaitaire bijdrage (“Fflat”);

b)een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage (“Fwealth”);

c)een van de energie-intensiteit afhankelijke bijdrage (“Fintensity”);

d)een op het potentieel voor kosteneffectieve energiebesparingen gebaseerde bijdrage (“Fpotential”).

3.Fflat staat voor de doelstelling van de Unie voor 2030 met inbegrip van de aanvullende inspanningen die nodig zijn om de energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie inzake FEC en PEC te halen in vergelijking met de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030.

4.Fwealth wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van zijn over drie jaar gemiddelde Eurostat-indexcijfer van het reële bbp per hoofd van de bevolking in verhouding tot het driejaarsgemiddelde van de Unie voor de periode 2017-2019, uitgedrukt in koopkrachtpariteiten (KKP’s).

5.Fintensity wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van zijn over drie jaar gemiddelde index van eindenergie-intensiteit (FEC of PEC per reële bbp in KKP’s) in verhouding tot het driejaarsgemiddelde van de Unie voor de periode 2017-2019.

6.Fpotential wordt voor iedere lidstaat berekend op basis van de besparingen van eindenergie of primaire energie in het kader van het PRIMES-scenario MIX 55% voor 2030. De besparingen worden uitgedrukt in verhouding tot de in 2020 vastgestelde referentiescenarioprognoses voor 2030.

7.Voor ieder criterium van punt 2, a) tot en met d), wordt een onder- en bovengrens toegepast. Voor het ambitieniveau voor iedere factor geldt een bovengrens van 50 % tot 150 % van het gemiddelde ambitieniveau in de Unie voor een gegeven factor.

8.Tenzij anders vermeld, wordt bij de berekening van de factoren Eurostat als bron voor de inputgegevens gebruikt.

9.Ftotal wordt berekend als de gewogen som van alle vier de factoren (Fflat. Fwealth Fintensity en Fpotential). Het streefcijfer wordt vervolgens berekend als het product van totaalfactor Ftotal en het EU-streefcijfer.

10.Teneinde de som van alle nationale bijdragen af te stemmen op de Uniestreefcijfers voor primair en eindenergieverbruik in 2030, wordt een correctiefactor voor primaire en eindenergie CEU toegepast op alle lidstaten. De factor CEU is identiek voor alle lidstaten.

_____________

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

BIJLAGE III

ALGEMENE BEGINSELEN VOOR DE BEREKENING VAN ELEKTRICITEIT UIT WARMTEKRACHTKOPPELING

Deel I

Algemene beginselen

De waarden die voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling worden gebruikt, worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden. Voor micro-warmtekrachtkoppelingseenheden kunnen de berekeningen worden gebaseerd op gecertificeerde waarden.

a)De elektriciteitsproductie uit warmtekrachtkoppeling wordt gelijkgesteld aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid op jaarbasis, gemeten op de aansluiting op de hoofdgeneratoren  , mits aan de volgende voorwaarden is voldaan :

i)in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen b), d), e), f), g) en h) met een totaal rendement op jaarbasis dat door de lidstaten wordt vastgesteld op ten minste 75 %;, en

ii)in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen a) en c) met een totaal rendement op jaarbasis dat door de lidstaten wordt vastgesteld op ten minste 80 %.

b)In warmtekrachtkoppelingseenheden met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de in punt onder a), onder i), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen b), d), e), f), g) en h)) of met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de in punt onder a), onder ii), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in deel II genoemde typen a) en c)) wordt de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling berekend volgens de volgende formule:

ECHP=HCHP*C

waarbij:

ECHP de hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is;

C de elektriciteit-warmteratio is;

HCHP de hoeveelheid nuttige warmte uit warmtekrachtkoppeling is (voor dit doel berekend als de totale warmteproductie minus de warmte die is geproduceerd in aparte ketels of door aftap van directe stoom van de stoomgenerator vóór de turbine).

De elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling moet worden berekend op basis van de werkelijke elektriciteit-warmteratio. Als de werkelijke elektriciteit-warmteratio van een warmtekrachtkoppelingseenheid onbekend is, kunnen, met name voor statistische doeleinden, de volgende standaardwaarden worden gebruikt voor eenheden van de in deel II genoemde typen a), b), c), d) en e), mits de berekende elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling minder is dan of gelijk is aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid:

Type eenheid

Standaard elektriciteit-warmteratio, C

Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning

0,95

Tegendrukstoomturbine

0,45

Aftap-condensatiestoomturbine

0,45

Gasturbine met warmteterugwinning

0,55

Interne verbrandingsmotor

0,75

Als de lidstaten standaardwaarden voor de elektriciteit-warmteratio's introduceren voor eenheden van de in deel II genoemde typen f), g), h), i), j) en k), worden deze standaardwaarden bekendgemaakt en ter kennis van de Commissie gebracht.

c)Indien een deel van de energie-inhoud van de brandstofinvoer in het warmtekrachtkoppelingsproces wordt teruggewonnen in de vorm van chemicaliën en wordt gerecycleerd, kan dit deel op de brandstofinvoer in mindering worden gebracht voordat het totale rendement, bedoeld in de punten ondera) en b), wordt berekend.

d)De lidstaten kunnen de elektriciteit-warmteratio definiëren als de verhouding tussen elektriciteit en nuttige warmte wanneer de warmtekrachtkoppelingsmodus op een lagere capaciteit in bedrijf is, op basis van operationele gegevens van de specifieke eenheid.

e)De lidstaten mogen voor de berekeningen overeenkomstig a) en b) andere rapportageperioden dan de periode van één jaar hanteren.

Deel II

Technologieën voor warmtekrachtkoppeling waarop de richtlijn betrekking heeft

a)Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning

b)Tegendrukstoomturbine

c)Aftap-condensatiestoomturbine

d)Gasturbine met warmteterugwinning

e)Interne verbrandingsmotor

f)Microturbines

g)Stirlingmotoren

h)Brandstofcellen

i)Stoommotoren

j)Organische Rankine-cyclus

k)Alle overige typen technologie en alle combinaties daarvan die onder de definitie in artikel 2, punt 30, vallen.

Bij het uitvoeren en toepassen van de algemene beginselen voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling gebruiken de lidstaten de gedetailleerde richtsnoeren die zijn vastgesteld bij Beschikking 2008/952/EG van de Commissie van 19 november 2008 tot vaststelling van gedetailleerde richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging en toepassing van bijlage II bij Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad 1 .

_____________

🡻 2012/27/EU

BIJLAGE IIIII

METHODE VOOR DE BEPALING VAN HET RENDEMENT VAN HET WARMTEKRACHTKOPPELINGSPROCES

De waarden die gebruikt worden voor de berekening van het rendement van warmtekrachtkoppeling en de besparingen op primaire energie worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden.

a)Hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

Voor de toepassing van deze richtlijn voldoet hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan de volgende criteria:

warmtekrachtkoppelingsproductie afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden levert een besparing op primaire energie op van ten minste 10 % berekend overeenkomstig b), ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit;,

de productie afkomstig van kleinschalige en micro-warmtekrachtkoppelingseenheden die een besparing op primaire energie opleveren, kan worden aangemerkt als hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;.

 nieuw

de directe emissies van koolstofdioxide uit warmtekrachtkoppelingsproductie die wordt gestookt met fossiele brandstoffen, zijn minder dan 270 gCO2 per 1 kWh energieoutput uit de gekoppelde opwekking (met inbegrip van warmte/koude, stroom en mechanische energie).

Wanneer een warmtekrachtkoppelingseenheid wordt gebouwd of ingrijpend wordt gerenoveerd, zorgen de lidstaten ervoor dat het gebruik van andere fossiele brandstoffen dan aardgas in bestaande warmtebronnen niet toeneemt ten opzichte van het gemiddelde jaarlijkse verbruik over de laatste drie kalenderjaren van volledige exploitatie vóór de renovatie, en dat nieuwe warmtebronnen in dat systeem geen andere fossiele brandstoffen dan aardgas gebruiken. 

🡻 2012/27/EU

b)Berekening van de besparing op primaire energie

De besparing op primaire energie als gevolg van warmtekrachtkoppelingsproductie, gedefinieerd in bijlage III, wordt met de volgende formule berekend:

Waarbij:

BPEPES de besparing op primaire energie is.

CHP HηWKK Wη het warmterendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als de opbrengst aan nuttige warmte op jaarbasis gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling.

Ref Hη Ref Wη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden warmteproductie is.

CHP EηWKK Eη het elekctriciteitsrendement van de warmtekrachtkoppelingsproductie is, gedefinieerd als elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt voor de opwekking van de som van de opbrengst aan nuttige warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling. Indien een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit gelijk aan die van mechanische energie. Dit aanvullend element geeft niet het recht om overeenkomstig artikel 2414, lid 10, garanties van oorsprong af te geven.

Ref Eη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden elektriciteitsproductie is.

c)Berekening van de energiebesparing met een alternatieve berekeningsmethode

De lidstaten mogen de besparingen op primaire energie uit de productie van warmte, elektriciteit en mechanische energie op onderstaande wijze berekenen zonder bijlage III toe te passen ter uitsluiting van de aandelen van warmte of elektriciteit van hetzelfde proces die niet van warmtekrachtkoppeling afkomstig zijn. Deze productie kan als hoogrenderende warmtekrachtkoppeling worden aangemerkt, op voorwaarde dat is voldaan aan de rendementscriteria van puntonder a) van deze bijlage, en dat, wat warmtekrachtkoppelingseenheden met een groter elektrisch vermogen dan 25 MW betreft, het totale rendement hoger is dan 70 %. De in deze productie geproduceerde hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling wordt overeenkomstig bijlage III evenwel afzonderlijk bepaald, met het oog op de afgifte van een garantie van oorsprong, en voor statistische doeleinden.

Indien de besparing op primaire energie voor een proces wordt berekend met de bovenstaande alternatieve berekeningsmethode, wordt de besparing op primaire energie berekend met behulp van de formule van puntonder b) van deze bijlage, waarbij “CHP HηWKK Wη” wordt vervangen door “” en “CHP EηWK KEη” wordt vervangen door “Eη”, waarbij:

het warmterendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte en elektriciteit te produceren;

Eη het elektriciteitsrendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan elektriciteit, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte en elektriciteit te produceren. Indien een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit gelijk aan die van mechanische energie. Dit aanvullend element geeft niet het recht om overeenkomstig artikel 2414, lid 10, garanties van oorsprong af te geven.

d)    De lidstaten mogen voor de berekeningen overeenkomstig b) en c) van deze bijlage andere rapportageperioden dan de periode van één jaar hanteren.

e)    Voor microwarmtekrachtkoppelingseenheden kan de berekening van de besparing op primaire energie worden gebaseerd op gecertificeerde gegevens.

f)Rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit

De geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden bestaan uit een matrix van waarden naargelang van de relevante factoren, met inbegrip van bouwjaar en type brandstof, en moeten gebaseerd zijn op een goed gedocumenteerde analyse, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met gegevens over operationeel gebruik onder realistische omstandigheden, brandstofmengsel en klimatologische omstandigheden alsmede toegepaste warmtekrachtkoppelingstechnologieën.

De rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit overeenkomstig de formule van puntonder b) bepalen het bedrijfsrendement van de gescheiden warmte- en elektriciteitsproductie die warmtekrachtkoppeling beoogt te vervangen.

De rendementsreferentiewaarden worden berekend overeenkomstig de volgende beginselen:

i)1.vVoor warmtekrachtkoppelingseenheden is de vergelijking met gescheiden elektriciteitsproductie gebaseerd op het beginsel dat dezelfde brandstofcategorieën moeten worden vergeleken;.

ii)2.eElke warmtekrachtkoppelingseenheid wordt vergeleken met de best beschikbare en economisch verantwoorde technologie voor gescheiden productie van warmte en elektriciteit op de markt in het jaar waarin de warmtekrachtkoppelingseenheid is gebouwd;.

iii)3.dDe rendementsreferentiewaarden voor warmtekrachtkoppelingseenheden die meer dan tien jaar oud zijn, worden vastgesteld op basis van de referentiewaarden voor eenheden die tien jaar oud zijn;.

iv)4.dDe rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte weerspiegelen de klimaatverschillen tussen de lidstaten.

_____________

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

BIJLAGE IVIII

ENERGIE-EFFICIËNTIE-EISEN VOOR DE AANKOOP VAN PRODUCTEN, DIENSTEN EN GEBOUWEN DOOR CENTRALE OVERHEDEN  OPENBARE AANBESTEDINGEN 

Centrale overheden  Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties  die producten, diensten, en gebouwen  en werken  aankopen,  gaan in procedures voor de gunning van overheidsopdrachten en concessies als volgt te werk  voor zover dat in overeenstemming is met de kosteneffectiviteit, de economische haalbaarheid, de duurzaamheid in ruimer verband, de technische geschiktheid, alsmede met de aanwezigheid van voldoende concurrentie:

a)zij kopen, in het geval van producten die onder een gedelegeerde handeling krachtens Verordening (EU) 2017/1369Richtlijn 2010/30/EU of een daaraan gerelateerde uitvoeringsrichtlijn van de Commissie vallen, alleen die producten aan welke  voldoen aan het criterium van artikel 7, lid 2, van die verordening  tot de hoogst mogelijke energie-efficiëntieklasse behoren, in aanmerking nemend dat voldoende concurrentie moet worden gewaarborgd;

b)zij kopen, in het geval van producten die niet onder a) vallen en het voorwerp uitmaken van een uitvoeringsmaatregel krachtens Richtlijn 2009/125/EG die is vastgesteld nadat deze richtlijn in werking is getreden, alleen die producten aan welke voldoen aan de in die uitvoeringsmaatregel vermelde energie-efficiëntiebenchmarks;

c)kopen kantoorapparatuur in de zin van Besluit 2006/1005/EG van de Raad van 18 december 2006 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de regering van de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap over de coördinatie van programma's voor energie-efficiëntie-etikettering voor kantoorapparatuur 2 aan die ten minste voldoet aan de energie-efficiëntievereisten welke zijn opgesomd in bijlage C van de overeenkomst bij dat besluit;

 nieuw

c)wanneer een product of dienst, wat betreft de energie-efficiëntie ervan, onder de EU-criteria voor groene overheidsopdrachten valt, stellen zij alles in het werk om uitsluitend producten en diensten aan te kopen die minstens voldoen aan de technische specificaties die op “kernniveau” zijn vastgesteld in de betrokken EU-criteria voor groene overheidsopdrachten, onder meer voor datacentra, serverruimten en clouddiensten, EU-criteria voor groene overheidsopdrachten voor straatverlichting en verkeerslichten, EU-criteria voor groene overheidsopdrachten voor computers, monitoren, tablets en smartphones;

🡻 2012/27/EU

 nieuw

d)zij kopen alleen banden aan uit de hoogste brandstofrendementsklasse, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters 3 Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad 4 . Deze verplichting belet overheidsinstanties niet uit overwegingen van veiligheid of volksgezondheid banden aan te kopen met de beste grip op nat wegdek of de laagste rolgeluidemissie;

e)zij eisen in hun aanbestedingen voor dienstverleningscontracten dat dienstverleners voor het verlenen van de desbetreffende diensten uitsluitend producten gebruiken die voldoen aan de verplichtingen van de puntenonder a) tot en met d). Deze verplichting geldt alleen voor nieuwe producten die door dienstverleners geheel of gedeeltelijk worden aangekocht voor het verlenen van de desbetreffende dienst;

f)zij kopen uitsluitend gebouwen aan of sluiten nieuwe huurovereenkomsten uitsluitend voor gebouwen die ten minste aan de in artikel 5, lid 1,  4, lid 1, van Richtlijn 2010/31/EU  genoemde minimumeisen voor energieprestaties voldoen, tenzij het doel van de aankoop één van de volgende is:

i)het uitvoeren van een grondige renovatie of afbraak;

ii)in het geval van overheidsinstanties, het weer verkopen van het gebouw verkopen zonder het voor zijn eigen overheidsdoeleinden te gebruiken, of

iii)het vrijwaren van het gebouw als een officieel beschermd gebouw als onderdeel van een als waardevol aangemerkt gebied, of omwille van zijn bijzondere architectuur of historische waarde.

De naleving van deze verplichtingen wordt gecontroleerd aan de hand van de in artikel 11 van Richtlijn 2010/31/EU genoemde energieprestatiecertificaten.

_____________

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

BIJLAGE V

Gemeenschappelijke methoden en beginselen voor de berekening van het effect van verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie of andere beleidsmaatregelen uit hoofde van de artikelen 87, 97 bis en 107 ter, en artikel 28 20, lid 11 6:

1.Methoden voor de berekening van andere energiebesparingen dan die welke voortvloeien uit belastingmaatregelen ten behoeve van de artikelen 87, 97 bis en 107 ter, en artikel 28 20, lid 11 6.

Aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen dan wel uitvoerende overheidsinstanties kunnen de volgende methoden gebruiken om de energiebesparing te berekenen:

a)verwachte besparingen via verwijzing naar de uitkomsten van voorgaande onafhankelijk gecontroleerde energieverbeteringen in soortgelijke installaties. De generieke benadering wordt omschreven als “ex ante”;

b)gemeten besparingen, in het kader waarvan de besparingen naar aanleiding van het instellen van een maatregel of een pakket maatregelen worden bepaald door middel van registratie van de feitelijke vermindering van het energiegebruik, naar behoren rekening houdend met factoren zoals additionaliteit, bezettingsgraad, productieniveaus en het weer, die van invloed kunnen zijn op het verbruik. De generieke benadering wordt omschreven als “ex post”;

c)afgewogen besparingen, in het kader waarvan technische ramingen van de besparingen worden gebruikt. Deze aanpak mag alleen worden gehanteerd als de vaststelling van harde gemeten gegevens voor een specifieke installatie moeilijk of buitensporig duur is, bijvoorbeeld het vervangen van een compressor of elektromotor met een andere kWh-inschaling dan die waarvoor onafhankelijke gegevens inzake besparingen zijn gemeten, of als die ramingen volgens nationaal vastgestelde methoden en benchmarks worden uitgevoerd door gekwalificeerde of geaccrediteerde deskundigen die onafhankelijk zijn van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen;

d)besparingen gebaseerd op onderzoeken, in het kader waarvan de reactie van consumenten op advies, voorlichtingscampagnes, etiketterings- of certificeringsregelingen of slimme meting wordt bepaald. Deze benadering mag uitsluitend worden toegepast op besparingen naar aanleiding van wijzigingen in het gedrag van de consument. Zij mag niet worden toegepast op besparingen die voortvloeien uit fysieke maatregelen.

2.Bij het bepalen van de energiebesparing voor een energie-efficiëntiemaatregel ten behoeve van artikelen 87, 97 bis en 107 ter, en artikel 28 20, lid 11 6, zijn de volgende beginselen van toepassing:

 nieuw

a)de lidstaten tonen aan dat de beleidsmaatregel ten uitvoer is gelegd om aan de energiebesparingsverplichting te voldoen en om de besparing op het eindenergieverbruik overeenkomstig artikel 8, lid 1, te bereiken. De lidstaten tonen met bewijsmateriaal en documentatie aan dat de energiebesparingen voortvloeien uit een beleidsmaatregel, vrijwillige overeenkomsten daarbij inbegrepen;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

 nieuw

ba)hHet moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen of uitvoerende overheidsinstanties zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, houden de lidstaten rekening met hoe het energiegebruik en de energievraag zouden evolueren zonder de beleidsmaatregel in kwestie door rekening te houden met ten minste de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op niveau van de Unie en op nationaal niveau ten uitvoer worden gelegd;.

cb)bBesparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Unierecht moeten worden beschouwd als besparingen die hoe dan ook zouden hebben plaatsgevonden, en moetenmogen dus niet worden geclaimd als energiebesparingen uit hoofde van artikel 87, lid 1. In afwijking van dat vereiste mogen besparingen die verband houden met de renovatie van bestaande gebouwen worden geclaimd als energiebesparingen uit hoofde van artikel 87, lid 1, voor zover het in punt 3, onder h), van deze bijlage bedoelde materieel belang is aangetoond. Besparingen die voortvloeien uit de toepassing van nationale minimumeisen die vóór de omzetting van Richtlijn 2010/31/EU voor nieuwe gebouwen zijn vastgesteld, kunnen worden geclaimd als energiebesparingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, onder a), mits het in punt 3, onder h) van deze bijlage bedoelde materieel belang is aangetoond en de lidstaten deze besparingen in hun nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2, hebben gemeld.  Maatregelen ter bevordering van de energie-efficiëntie in de openbare sector overeenkomstig de artikelen 5 en 6 kunnen in aanmerking komen om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsvereisten van artikel 8, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare eindenergiebesparingen. De berekening van energiebesparingen wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in deze bijlage;

 nieuw

d)maatregelen die worden genomen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/842 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties, kunnen als relevant worden beschouwd, maar de lidstaten moeten aantonen dat die maatregelen tot verifieerbare en meet- of raambare besparingen van het eindenergieverbruik leiden. De berekening van energiebesparingen wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in deze bijlage;

e)de vermindering van energieverbruik in sectoren, inclusief de vervoer- en gebouwensectoren, die in ieder geval zou hebben plaatsgevonden als gevolg van emissiehandel overeenkomstig de EU-ETS-richtlijn, mogen de lidstaten niet meetellen voor de energiebesparingsverplichting overeenkomstig artikel 8, lid 1. Indien een entiteit een aan verplichtingen verbonden partij is in het kader van een nationale verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn en in het kader van het EU-emissiehandelssysteem voor gebouwen en wegvervoer [verwijzing naar voorstel], zorgt het systeem voor toezicht en controle ervoor dat de koolstofprijs die wordt doorberekend wanneer brandstof wordt vrijgegeven voor verbruik [overeenkomstig artikel XX van Richtlijn XX] in aanmerking wordt genomen bij de berekening en kennisgeving van de energiebesparingen als gevolg van de energiebesparingsmaatregelen van de entiteit;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

 nieuw

fc)eEr mag alleen rekening worden gehouden met besparingen die de volgende niveaus overschrijden:

i)emissienormen van de Unie voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, ingevolge de toepassing van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 5 en (EU) nr. 510/2011 6  Verordening (EU) 2019/631 7 van het Europees Parlement en de Raad; de lidstaten verstrekken bewijsstukken, alsook de aannamen en berekeningsmethode hiervoor, teneinde de additionaliteit ervan met de EU-voorschriften inzake CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen aan te tonen;

ii)voorschriften van de Unie inzake de verwijdering van de markt van sommige energiegerelateerde producten ingevolge de toepassing van uitvoeringsmaatregelen krachtens Richtlijn 2009/125/EG;.  De lidstaten leggen bewijsstukken voor, alsook de aannamen en berekeningsmethode hiervoor, om de additionaliteit ervan aan te tonen;

gd)bBeleidsmaatregelen die tot doel hebben een hogere energie-efficiëntie van producten, apparatuur, vervoerssystemen, voertuigen en brandstoffen, gebouwen en gebouwelementen, processen of markten aan te moedigen, zijn toegestaan , met uitzondering van beleidsmaatregelen inzake het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen die vanaf 1 januari 2024 worden uitgevoerd ;.

 nieuw

h)energiebesparingen als gevolg van beleidsmaatregelen inzake het gebruik van technologieën voor directe verbranding van fossiele brandstoffen in producten, apparatuur, vervoerssystemen, voertuigen, gebouwen en werken tellen niet mee bij het naleven van de energiebesparingsverplichting vanaf 1 januari 2024;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

 nieuw

ie)mMaatregelen ter bevordering van de installatie van kleinschalige technologieën voor hernieuwbare energie op of in gebouwen komen in aanmerking om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsvereisten van artikel 87, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare energiebesparingen op het eindenergieverbruik . De berekening van energiebesparingen wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in deze bijlage;

 nieuw

j)maatregelen ter bevordering van de installatie van zonne-energie-technologie komen in aanmerking om te worden meegeteld bij het naleven van de energiebesparingsverplichting overeenkomstig artikel 8, lid 1, mits zij resulteren in verifieerbare en meet- of raambare besparingen op het eindenergieverbruik. De met zonne-energie-technologie opgevangen omgevingswarmte kan worden uitgesloten van hun eindenergieverbruik;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2 (aangepast)

 nieuw

kf)bBeleidsmaatregelen die de aanwending van efficiëntere producten en voertuigen versnellen, met uitzondering van beleidsmaatregelen met betrekking tot het gebruik van directe verbranding van fossiele brandstoffen, mogen volledig worden geclaimd voor zover is aangetoond dat de aanwending plaatsvindt voor het verstrijken van de gemiddelde verwachte levensduur van het product of voertuig, of voor het product of voertuig gewoonlijk wordt vervangen; de besparingen mogen alleen worden geclaimd voor de periode tot het verstrijken van de gemiddelde verwachte levensduur van het te vervangen product of voertuig;.

lg)bBij de bevordering van de aanwending van energie-efficiëntiemaatregelen zien de lidstaten er, in voorkomend geval, op toe dat de kwaliteitsnormen voor producten, diensten en installaties gehandhaafd blijven of worden ingevoerd, indien dergelijke normen nog niet bestaan;.

mh)oOm rekening te houden met verschillen in klimaat tussen regio's kunnen de lidstaten ervoor kiezen de besparingen aan te passen aan een normwaarde of verschillende energiebesparingen toe te kennen in overeenstemming met de temperatuurverschillen tussen regio's;.

ni)bBij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen en met het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt. Die berekening telt de besparingen op die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030  aan het eind van elke verplichtingsperiode zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend, niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van Verordening (EU) 2018/1999 aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.

3.De lidstaten zien erop toe dat wordt voldaan aan de volgende eisen voor beleidsmaatregelen die worden genomen uit hoofde van artikel 107 ter en artikel 2820, lid 116:

a)beleidsmaatregelen en individuele acties moeten verifieerbare besparingen op het eindverbruik van energie opleveren;

b)de taak van iedere deelnemende partij, met de uitvoering belaste partij of uitvoerende overheidsinstantie, naargelang het geval, wordt duidelijk omschreven;

c)de behaalde of te behalen energiebesparingen moeten op transparante wijze worden vastgesteld;

d)de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen is uitgedrukt in eindverbruik dan wel primair verbruik van energie, waarbij de  netto calorische waarden of primaire-energiefactoren  conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV  bedoeld in artikel 29 worden gebruikt;

e)een jaarverslag over de energiebesparingen die door met de uitvoering belaste partijen, deelnemende partijen en uitvoerende overheidsinstanties zijn verwezenlijkt, moet worden opgesteld en openbaar gemaakt, alsmede gegevens over de jaarlijkse tendens van de energiebesparingen;

f)de resultaten moeten worden gemonitord en indien onvoldoende voortgang wordt geboekt, moeten passende maatregelen worden genomen;

g)de energiebesparingen ten gevolge van een afzonderlijke actie mogen niet door meer dan één partij worden geclaimd;

h)het moet worden aangetoond dat de activiteiten van de deelnemende partij, de met de uitvoering belaste partij of de uitvoerende overheidsinstantie wezenlijk hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de geclaimde energiebesparingen;.

 nieuw

i)de activiteiten van de deelnemende partij, de met de uitvoering belaste partij of de uitvoerende overheidsinstantie hebben geen negatief effect op kwetsbare afnemers, mensen die kampen met energiearmoede en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

 nieuw

4.Bij het bepalen van de energiebesparing ingevolge belastinggerelateerde beleidsmaatregelen die uit hoofde van artikel 107 ter zijn genomen, gelden de volgende beginselen:

a)er wordt alleen rekening gehouden met energiebesparingen ingevolge belastingmaatregelen die de minimumbelastingniveaus voor brandstoffen, vereist op grond van Richtlijnen 2003/96/EG 8 of 2006/112/EG 9 van de Raad, overschrijden;

b)de prijselasticiteit  op korte termijn  voor de berekening van het effect van de (energie-)belastingmaatregelen moet een weergave zijn van de gevoeligheid van de vraag naar energie voor prijsveranderingen, en worden geraamd op basis van recente en representatieve officiële gegevensbronnen ;  die van toepassing zijn voor de lidstaat en in voorkomend geval gebaseerd zijn op begeleidende studies van een onafhankelijk instituut. Indien een andere prijselasticiteit wordt gebruikt dan de prijselasticiteit op korte termijn, leggen de lidstaten uit hoe energie-efficiëntieverbeteringen als gevolg van de tenuitvoerlegging van andere Uniewetgeving zijn opgenomen in de gebruikte grondslag voor de raming van energiebesparingen, of hoe is vermeden dat energiebesparingen als gevolg van andere Uniewetgeving dubbel worden geteld;

c)de energiebesparingen ingevolge begeleidende instrumenten van het belastingbeleid, met inbegrip van fiscale stimuli of betaling aan een fonds, worden afzonderlijk gerekend;.

 nieuw

d)ramingen van de elasticiteit op korte termijn moeten worden gebruikt om de energiebesparingen als gevolg van belastingmaatregelen te beoordelen teneinde overlapping met Uniewetgeving en andere beleidsmaatregelen te voorkomen;

e)de lidstaten stellen vast wat de verdelingseffecten van belastingmaatregelen en gelijkwaardige maatregelen zijn op kwetsbare afnemers, mensen die kampen met energiearmoede en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen, en tonen aan wat de effecten zijn van overeenkomstig artikel 22, leden 1, 2 en 3, genomen mitigatiemaatregelen;

f)de lidstaten verstrekken bewijs, inclusief berekeningsmethodologieën, dat wanneer de effecten van energie- of koolstofbelastingmaatregelen of emissiehandel overeenkomstig de EU-ETS-richtlijn elkaar overlappen, de energiebesparingen niet dubbel worden geteld.

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2 (aangepast)

5.Kennisgeving betreffende de methode

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de bijzonderheden van de methode die zij voorstellen voor de uitvoering van de verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie en van de alternatieve maatregelen, zoals bedoeld in de artikelen 97 bis en 107 ter en artikel 2820, lid 116. Uitgezonderd in het geval van belastingen bevat deze kennisgeving bijzonderheden omtrent:

a)het niveau van de energiebesparingen die zijn vereist op grond van artikel 87, lid 1, eerste alinea, onder b), of de besparingen die naar verwachting zullen worden gerealiseerd over de volledige periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030;

 nieuw

b)de manier waarop de berekende hoeveelheid nieuwe energiebesparingen die vereist is op grond van artikel 8, lid 1, dan wel de energiebesparingen die naar verwachting zullen worden verwezenlijkt, gespreid zullen worden over de verplichtingsperiode;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

cb)de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen of de uitvoerende overheidsinstanties;

dc)de doelsectoren;

ed)de beleidsmaatregelen en individuele acties, met inbegrip van de verwachte totale hoeveelheid cumulatieve energiebesparingen per maatregel;

 nieuw

f)informatie over programma’s of maatregelen die worden gefinancierd uit een nationaal fonds voor energie-efficiëntie, prioritair uitgevoerd ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen;

g)het aandeel en de hoeveelheid energiebesparingen die moeten worden verwezenlijkt ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen;

h)in voorkomend geval, informatie over de toegepaste indicatoren, het rekenkundig gemiddelde aandeel en de resultaten van de overeenkomstig artikel 8, lid 3, vastgestelde beleidsmaatregelen;

i)in voorkomend geval, informatie over de impact en negatieve effecten van overeenkomstig artikel 8, lid 3, uitgevoerde beleidsmaatregelen op mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

je)de duur van de verplichtingsperiode in het kader van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie;

 nieuw

k)in voorkomend geval, het aandeel en de hoeveelheid energiebesparingen of de streefcijfers voor de verlaging van de energiekosten die aan verplichtingen gebonden partijen moeten verwezenlijken ten gunste van mensen die met energiearmoede kampen, kwetsbare afnemers en, indien van toepassing, mensen die in sociale woningen wonen;

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 2

lf)de acties waarin de beleidsmaatregel voorziet;

mg)de berekeningsmethode, waaronder de wijze waarop additionaliteit en materieel belang zijn bepaald en welke methoden en benchmarks zijn gebruikt voor verwachte of afgewogen besparingen, en, indien van toepassing, de gebruikte netto calorische waarden en conversiefactoren;

nh)de levensduur van maatregelen, hoe deze is berekend en waarop deze is gebaseerd;

oi)de benadering bij het aanpakken van klimaatverschillen binnen lidstaten;

pj)de toezichts- en verificatiesystemen voor maatregelen in het kader van de artikelen 97 bis en 107 ter en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat deze onafhankelijk zijn van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen;

qk)in geval van belastingen:

i)de doelsectoren en het segment van belastingplichtigen;

ii)de uitvoerende overheidsinstantie;

iii)de verwachte besparingen;

iv)de duur van de belastingmaatregel; en

v)de berekeningsmethode, met vermelding van de gebruikte prijselasticiteit en hoe deze is vastgesteld;.

 nieuw

vi)de manier waarop overlapping met emissiehandel overeenkomstig de EU-ETS-richtlijn is vermeden en het risico op dubbele telling wordt uitgesloten.

_____________

🡻 2012/27/EU

 nieuw

BIJLAGE VI

Minimumcriteria voor energie-audits, onder meer die welke als onderdeel van een energiebeheersysteem worden uitgevoerd

De in artikel 118 bedoelde energie-audits zijn gebaseerd op de volgende richtsnoeren  criteria :

a)zij zijn gebaseerd op actuele, gemeten, traceerbare operationele gegevens betreffende het energieverbruik en (voor elektriciteit) belastingsprofielen;

b)zij omvatten een gedetailleerd overzicht van het energieverbruik-profiel van gebouwen of groepen gebouwen, industriële processen of installaties, met inbegrip van vervoer;

 nieuw

c)zij brengen efficiëntiemaatregelen in kaart om het energieverbruik te verminderen;

d)zij brengen het potentieel voor kostenefficiënt gebruik of kostenefficiënte productie van hernieuwbare energie in kaart;

🡻 2012/27/EU

ec)zij bouwen, zo veel mogelijk, voort op een analyse van de levenscycluskosten, in plaats van simpele terugverdienperioden, om rekening te houden met langetermijnbesparingen, residuele waarden van langetermijninvesteringen en discontopercentages;

fd)zij zijn proportioneel en voldoende representatief om de vorming van een betrouwbaar beeld van de totale energieprestaties en de betrouwbare bepaling van de belangrijkste punten ter verbetering mogelijk te maken.

Energie-audits maken gedetailleerde en gevalideerde berekeningen voor de voorgestelde maatregelen mogelijk, zodat duidelijke informatie over potentiële besparingen wordt verstrekt.

De bij energie-audits gebruikte gegevens kunnen worden opgeslagen met het oog op historische analyse en het opvolgen van de prestaties.

 nieuw

Minimumeisen voor het monitoren en bekendmaken van de energieprestaties van datacentra

Ten minste de volgende informatie over de energieprestaties van datacentra als bedoeld in artikel 11, lid 10, wordt gemonitord en bekendgemaakt:

a)de naam van het datacentrum; de naam van de eigenaar en exploitanten van het datacentrum; de gemeente waar het datacentrum ligt;

b)de vloeroppervlakte van het datacentrum; het geïnstalleerde vermogen; het jaarlijkse inkomende en uitgaande dataverkeer; de hoeveelheid in het datacentrum opgeslagen en verwerkte data;

c)de prestaties van het datacentrum in het laatste volledige kalenderjaar aan de hand van kernprestatie-indicatoren over, onder andere, energieverbruik, stroomverbruik, temperatuurinstelpunten, afvalwarmtegebruik, waterverbruik en gebruik van hernieuwbare energie.

_____________

🡻 2012/27/EU

BIJLAGE VII

🡻 2019/944 artikel 70, lid 6

Minimumeisen voor facturering en factureringsinformatie, op basis van werkelijk verbruik van aardgas

🡻 2012/27/EU

1.Minimumeisen inzake facturatie

1.1.Facturatie op basis van het werkelijke verbruik

Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd, en moet de factureringsinformatie ten minste om het kwartaal beschikbaar worden gesteld, op verzoek of ingeval de consument gekozen heeft voor elektronische facturering, zo niet tweemaal per jaar. Met betrekking tot gas dat uitsluitend voor koken wordt gebruikt kan hiervan vrijstelling worden verleend.

1.2.Minimumgegevens op de rekening

De lidstaten zorgen ervoor dat, in voorkomend geval, in of bij rekeningen, overeenkomsten, transacties en ontvangstbewijzen bij distributiestations in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie aan de eindafnemers beschikbaar gesteld wordt:

a)de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;

b)een vergelijking van het huidige energieverbruik van de eindafnemer met het verbruik in dezelfde periode van het voorgaande jaar, bij voorkeur in grafische vorm;

c)contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.

Voorts zorgen de lidstaten ervoor, voor zover mogelijk en nuttig, dat in of bij of als verwijzing in rekeningen, overeenkomsten, transacties en ontvangstbewijzen bij distributiestations in duidelijke en begrijpelijke taal vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie aan de eindafnemers beschikbaar worden gesteld.

1.3.Advies over energie-efficiëntie bij de rekeningen en andere feedback aan de eindafnemers

Bij het versturen en wijzigen van overeenkomsten, en in de rekeningen die klanten ontvangen of via websites voor individuele klanten, brengen energiedistributeurs, distributiesysteembeheerders en kleine detailhandelaars in energie hun klanten op een duidelijke en begrijpelijke manier op de hoogte van de contactinformatie van onafhankelijke consumentenadviescentra, energieagentschappen of soortgelijke instituten, met inbegrip van hun internetadressen, waar de klanten advies over de beschikbare energie-efficiëntiemaatregelen, benchmark-profielen van hun energieverbruik en technische details van energieverbruikende apparaten kunnen krijgen om het verbruik van deze apparaten te helpen verminderen.

_____________

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 4 (aangepast)

BIJLAGE VIIIVII bis

Minimumeisen voor informatie over facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1.Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers

Om eindgebruikers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te reguleren, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.

2.Minimumfrequentie van informatie over facturering of verbruik

Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 25 oktober 2020  tot 31 december 2021 minstens elk kwartaal wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar, informatie over facturering of verbruik aan de eindgebruikers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers.

Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturering of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan de eindgebruikers worden verstrekt. Deze informatie kan ook via het internet beschikbaar worden gesteld en zo vaak worden bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen van dit voorschrift worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.

3.Minimumgegevens op de rekening

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal, de volgende informatie krijgen indien die factuur is gebaseerd op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:

a)de huidige actuele prijzen en het werkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;

b)informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en een beschrijving van de verschillende belastingen, heffingen en tarieven. De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van het vereiste om informatie over broeikasgasemissies te verstrekken, beperken tot uitsluitend leveringen uit stadsverwarmingssystemen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW;

c)vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;

d)contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.

e)informatie over relevante klachtenprocedures, ombudsmandiensten of alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, naargelang hetgeen in de lidstaten van toepassing is;

f)vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindgebruiker van dezelfde verbruikerscategorie. In het geval van elektronische facturen kunnen deze vergelijkingen bij wijze van alternatief online beschikbaar worden gesteld en kan er in de facturen naar worden verwezen.

Facturen die niet gebaseerd zijn op het werkelijke verbruik of op meetgegevens van warmtekostenverdelers, bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de factuur genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie als bedoeld onder in de punten d) en e).

_____________

🡻 826/2019 artikel 1, lid 1, en bijlage I (aangepast)

BIJLAGE IXVIII

Efficiëntiepotentieel inzake verwarming en koeling

De alomvattende beoordeling van het in artikel 2014, lid 1, bedoelde nationale verwarmings- en koelingspotentieel omvat en is gebaseerd op het volgende:

Deel I

OVERZICHT VAN VERWARMING EN KOELING

1.de vraag naar verwarming en koeling in termen van geraamde nuttige energie 10 en gekwantificeerd eindenergieverbruik in GWh per jaar 11 per sector:

a)woningen;

b)diensten;

c)industrie;

d)elke andere sector die afzonderlijk meer dan 5 % van de totale nationale vraag naar nuttig verwarmings- en koelvermogen verbruikt;

2.opgave, of in het geval van punt 2, onder a), i), opgave of raming van de huidige verwarmings- en koelingsvoorziening:

a)naar technologie, in GWh per jaar 12 , in de onder punt 1 genoemde sectoren, waar mogelijk uitgesplitst in energie uit fossiele brandstoffen en uit hernieuwbare bronnen:

i)geleverd on-site in woonwijken en op dienstenlocaties door:

ketels die alleen warmte produceren;

hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

warmtepompen;

andere on-site technologieën en bronnen;

ii)geleverd on-site op andere dan dienstenlocaties en woonwijken door:

ketels die alleen warmte produceren;

hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

warmtepompen;

andere on-site technologieën en bronnen;

iii)geleverd off-site door:

hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

afvalwarmte;

andere off-site technologieën en bronnen;

b)opgave van installaties die afvalwarmte of -koude produceren en hun potentieel voor verwarming of koeling, in GWh per jaar:

i)thermische energieopwekkingsinstallaties die afvalwarmte kunnen leveren of kunnen worden aangepast om afvalwarmte te leveren, met een totaal thermisch vermogen van meer dan 50 MW;

ii)installaties voor warmtekrachtkoppeling die gebruikmaken van technologieën als bedoeld in deel II van bijlage III, met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW;

iii)afvalverbrandingsinstallaties;

iv)installaties voor hernieuwbare energie met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW, andere dan de installaties als omschreven in punt 2, onder b,) i) en ii), die verwarming of koeling met energie uit hernieuwbare bronnen genereren;

v)industriële installaties met een totaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW die afvalwarmte kunnen leveren;

c)gerapporteerd aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen en uit afvalwarmte of -koude in het eindenergieverbruik van de sector stadsverwarming en -koeling 13 in de afgelopen 5 jaar, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2018/2001;

3.een kaart van het gehele nationale grondgebied, met identificatie — waarbij commercieel gevoelige informatie wordt beschermd — van:

a)gebieden van vraag naar verwarming en koeling zoals die naar voren komen uit de analyse van punt 1, waarbij gebruikt wordt gemaakt van coherente criteria om te focussen op gebieden met een hoge energiedichtheid in gemeenten en stadsgebieden;

b)bestaande voorzieningspunten van verwarming en koeling opgegeven onder punt 2, b), en transmissie-installaties voor stadsverwarming;

c)geplande voorzieningspunten van verwarming en koeling zoals beschreven onder punt 2, b), en transmissie-installaties voor stadsverwarming;

4.een prognose van de vraagtrends inzake verwarming en koeling tegen de horizon van de komende 30 jaar in GWh, met name rekening houdend met de voorspellingen voor de komende 10 jaar, de ontwikkelingen van de vraag in de woningensector en verschillende industriële sectoren, en de impact van beleid en strategieën in verband met het beheer van de vraag, zoals langetermijnstrategieën voor de renovatie van gebouwen op grond van Richtlijn (EU) 2018/844;

Deel II

DOELSTELLINGEN, STRATEGIEËN EN BELEIDSMAATREGELEN

5.geplande bijdrage van de lidstaat aan de nationale hoofddoelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, zoals vastgelegd in artikel 3, lid 2, puntonder b), van Verordening (EU) 2018/1999, te leveren door middel van efficiëntie bij verwarming en koeling, in het bijzonder met betrekking tot artikel 4, puntonder b), punten 1 tot en met 4, en artikel 15, lid 4, puntonder b), met vermelding welke van deze elementen aanvullend is ten opzichte van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen;

6.algemeen overzicht van het bestaande beleid en de bestaande maatregelen zoals beschreven in het meest recente verslag ingediend in overeenstemming met de artikelen 3, 20, 21 en 27, puntonder a), van Verordening (EU) 2018/1999;

Deel III

ANALYSE VAN HET ECONOMISCHE POTENTIEEL VOOR EFFICIËNTE VERWARMING EN KOELING

7.Een analyse van het economische potentieel 14 van verschillende verwarmings- en koeltechnologieën wordt gevraagd voor het gehele nationale grondgebied, gebruikmakend van de in artikel 2014, lid 3, bedoelde kosten-batenanalyse; daarbij dienen alternatieve scenario's voor efficiëntere en hernieuwbare verwarmings- en koelingstechnologieën te worden opgegeven, en dient zo mogelijk een onderscheid te wordt gemaakt tussen energie uit fossiele brandstoffen en uit hernieuwbare bronnen.

De volgende technologieën moeten in aanmerking worden genomen:

a)industriële afvalwarmte en -koude;

b)afvalverbranding;

c)hoogrenderende warmtekrachtkoppeling:

d)hernieuwbare energiebronnen (zoals geothermie, zonne-energie en biomassa), andere dan die welke gebruikt worden voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

e)warmtepompen;

f)vermindering van warmte- en koudeverlies bij bestaande stadsnetwerken;

8.Deze analyse van het economische potentieel omvat de volgende stappen en overwegingen:

a)Overwegingen

i)de kosten-batenanalyse ten behoeve van artikel 2014, lid 3, omvat een economische analyse waarbij rekening wordt gehouden met sociaal-economische en milieufactoren 15 en een financiële analyse waarbij projecten vanuit het oogpunt van de investeerder worden beoordeeld. Zowel in de economische als in de financiële analyse wordt de netto contante waarde als beoordelingscriterium gebruikt;

ii)het basisscenario dat als referentie dient, moet vertrekken van het bestaande beleid op het moment waarop deze alomvattende beoordeling wordt opgesteld 16 en verband houden met de gegevens verzameld overeenkomstig deel I en deel II, punt 6, van deze bijlage;

iii)alternatieve scenario's voor het basisscenario moeten rekening houden met de doelstellingen inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie van Verordening (EU) 2018/1999. Elk scenario bevat de volgende elementen in vergelijking met het basisscenario:

het economisch potentieel van de onderzochte technologieën, gebruikmakend van de netto contante waarde als criterium;

broeikasgasemissiereducties;

besparing op primaire energie in GWh per jaar;

het effect op het aandeel hernieuwbare energie in de nationale energiemix.

Scenario's die om technische of financiële redenen of omwille van de nationale regelgeving of tijdsbeperkingen niet haalbaar zijn, kunnen — indien gerechtvaardigd — in een vroeg stadium van de kosten-batenanalyse worden uitgesloten op basis van zorgvuldige, expliciete en goed gedocumenteerde overwegingen.

De lidstaten kunnen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's beoordelen en er rekening mee houden in de besluitvorming.

b)Kosten en baten

De in punt 8, onder a), bedoelde kosten en baten omvatten ten minste:

i)Baten:

de waarde van de output voor de consument (verwarming, koeling en elektriciteit);

de externe baten zoals milieu-, broeikasgasemissie-, gezondheids- en veiligheidsvoordelen, in de mate van het mogelijke;

de arbeidsmarkteffecten, energiezekerheid en concurrentievermogen, voor zover mogelijk.

ii)Kosten:

de kapitaalkosten van installaties en apparatuur;

de kapitaalkosten van de betrokken energienetten;

de variabele en vaste beheerskosten;

de energiekosten;

de milieu-, gezondheids- en veiligheidskosten, voor zover mogelijk;

de arbeidsmarktkosten, energiezekerheid en concurrentievermogen, voor zover mogelijk.

c)Voor het basisscenario relevante scenario's:

Alle voor het basisscenario relevante scenario's worden in beschouwing genomen, met inbegrip van de rol van efficiënte individuele verwarming en koeling.

i)de kosten-batenanalyse kan betrekking hebben op een projectbeoordeling van een afzonderlijke installatie of van een groep projecten voor een bredere plaatselijke, regionale of nationale beoordeling om vast te stellen wat voor een bepaald geografisch gebied de meest kosteneffectieve en gunstige mogelijkheid inzake verwarming of koeling is met het oog op planning;

ii)de lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die belast zijn met de uitvoering van de kosten-batenanalyses op grond van artikel 14. Zij verstrekken de gedetailleerde methodieken en aannamen overeenkomstig deze bijlage en stellen de procedures voor de economische analyse vast en maken deze openbaar.

d)Grenzen en geïntegreerde aanpak:

i)de geografische begrenzing heeft betrekking op een geschikt, nauwkeurig omschreven geografisch gebied;

ii)de kosten-batenanalyse houdt rekening met alle relevante gecentraliseerde of gedecentraliseerde bevoorradingsbronnen die binnen het systeem en binnen de geografische grenzen beschikbaar zijn, met inbegrip van de in punt 7 van deel III van deze bijlage bedoelde technologieën, en de trends en de kenmerken van de vraag naar verwarming en koeling.

e)Aannames:

i)de lidstaten verstrekken ten behoeve van de kosten-batenanalyses aannames betreffende de prijzen van belangrijke input- en outputfactoren en de discontovoet;

ii)de discontovoet die in de economische analyse wordt gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde, wordt gekozen op basis van Europese of nationale richtsnoeren;

iii)de lidstaten maken gebruik van nationale, Europese of internationale prognoses betreffende de ontwikkeling van de energieprijzen waar passend in hun nationale en/of regionale/plaatselijke context;

iv)de in de economische analyse gebruikte prijzen weerspiegelen de sociaaleconomische kosten en baten. Externe kosten, zoals milieu- en gezondheidseffecten, moeten voor zover mogelijk worden opgenomen, d.w.z. wanneer er een marktprijs bestaat of wanneer deze reeds in de Europese of nationale regelgeving is opgenomen.

f)Gevoeligheidsanalyse:

i)er wordt een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om de kosten en baten van een project of groep projecten te beoordelen, op basis van variabelen die een significant effect hebben op de uitkomst van de berekeningen, zoals verschillende energieprijzen, vraagniveaus, discontovoeten enz.

Deel IV

MOGELIJKE NIEUWE STRATEGIEËN EN BELEIDSMAATREGELEN

9.Overzicht van nieuwe wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen 17 om het overeenkomstig de punten 7 en 8 vastgestelde economische potentieel te verwezenlijken, vergezeld van de/het voorziene:

a)broeikasgasemissiereducties;

b)besparing op primaire energie in GWh per jaar;

c)effect op het aandeel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling;

d)effect op het aandeel hernieuwbare energie in de nationale energiemix en in de sector verwarming en koeling;

e)verbanden met nationale financiële programmering en kostenbesparingen voor de overheidsbegroting en marktdeelnemers;

f)geraamde overheidssteunmaatregelen, met het jaarlijkse budget en opgave van de potentiële steuncomponent.

_____________

🡻 2012/27/EU (aangepast)

 nieuw

BIJLAGE XIX

KOSTEN-BATENANALYSE

Deel 2

Beginselen ten behoeve van artikel 2414, leden 45 en 67.

De kosten-batenanalyse bevat informatie met het oog op de maatregelen in artikel 2414, leden 45 en 67:

Indien een installatie voor de productie van alleen elektriciteit of een installatie zonder warmteterugwinning is gepland, wordt een vergelijking gemaakt tussen de geplande installatie of de geplande renovatie en een gelijkwaardige installatie die dezelfde hoeveelheid elektriciteit of proceswarmte produceert, maar de afvalwarmte terugwint en warmte levert door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en/of stadsverwarmings- en -koelingsnetten.

Binnen bepaalde geografische grenzen wordt in de beoordeling rekening gehouden met de geplande installatie en eventuele passende bestaande of potentiële warmte-vraagpunten  of koelingsvraagpunten die daardoor kunnen worden bediend, met inachtneming van de redelijke mogelijkheden (bijvoorbeeld technische haalbaarheid en afstand).

De systeemgrens omvat de geplande installatie en de warmte-belasting  en koelingsbelastingen , zoals gebouwen en industriële processen. Binnen deze systeemgrens worden de totale kosten van de warmte- en elektriciteitsvoorziening voor beide gevallen vastgesteld en vergeleken.

Warmte-belastingen  en koelingsbelastingen omvatten bestaande warmte-belastingen  en koelingsbelastingen , zoals een industriële installatie of een bestaand stadsverwarmings-systeem  of stadskoelingssysteem , en ook, in stedelijke gebieden, de warmte-belasting  en koelingsbelasting en kosten die zouden ontstaan indien een groep gebouwen of een deel van een stad voorzien zou worden van en/of aangesloten zou worden op een nieuw stadsverwarmings-net  of stadskoelingsnet .

De kosten-batenanalyse wordt gebaseerd op een beschrijving van de geplande installatie en de installatie(s) waarmee wordt vergeleken, en heeft betrekking op het elektrisch en het thermisch vermogen, naargelang van het geval, de soort brandstof, het geplande gebruik en het aantal geplande bedrijfsuren op jaarbasis, de plaats en de vraag naar elektriciteit en warmte.

 nieuw

Bij de beoordeling van het afvalwarmtegebruik wordt rekening gehouden met de huidige technologieën. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met het directe gebruik van afvalwarmte of de opwarming ervan naar hogere temperatuurniveaus, of beide. In geval van terugwinning van afvalwarmte ter plaatse wordt ten minste het gebruik van warmtewisselaars, warmtepompen en technologieën voor warmtekrachtkoppeling beoordeeld. In geval van terugwinning van afvalwarmte elders worden ten minste industriële installaties, landbouwterreinen en stadsverwarmingsnetten beoordeeld als potentiële vraagpunten.

🡻 2012/27/EU

 nieuw

Ten behoeve van de vergelijking wordt rekening gehouden met de vraag naar thermische energie en de soorten verwarming en koeling waarvan de nabije warmte-vraagpunten  of koelingsvraagpunten gebruikmaken. De vergelijking heeft betrekking op de met infrastructuur samenhangende kosten voor de geplande installatie en de installatie waarmee wordt vergeleken.

Kosten-batenanalyses ten behoeve van artikel 2414, lid 45, omvatten een economische analyse met een financiële analyse waarin de werkelijke cashflowtransacties uit investeringen in en de exploitatie van individuele installaties worden weergegeven.

Projecten met een positief kosten-batenresultaat zijn die waarbij de som van de verwachte voordelen in de economische en financiële analyse groter is dan de som van de verwachte kosten (kosten-batenoverschot).

De lidstaten bepalen de basisregels inzake de methode, de aannamen en de termijn voor de economische analyse.

De lidstaten kunnen verlangen dat de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor het beheer van installaties voor thermische elektriciteitsopwekking, industriële bedrijven, stadsverwarmings- en -koelingsnetwerkbeheerders, of andere partijen die worden beïnvloed door de vastgestelde systeemgrenzen en geografische grenzen, gegevens verstrekken die kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de kosten en baten van een afzonderlijke installatie.

_____________

🡻 2012/27/EU

BIJLAGE XIX

Garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

a)De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat:

i)de garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling:

producenten in staat stelt aan te tonen dat de elektriciteit die zij verkopen, geproduceerd is door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en voor dit doel op verzoek van de producent wordt afgegeven;

accuraat, betrouwbaar en fraudebestendig is;

elektronisch wordt afgegeven, overgedragen en geannuleerd;

ii)dezelfde eenheid energie uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling slechts één keer wordt geteld.

b)De in artikel 2414, lid 10, bedoelde garantie van oorsprong bevat ten minste de volgende gegevens:

i)de identiteit, de locatie, het type en het vermogen (thermisch en elektrisch) van de installatie waar de energie werd geproduceerd;

ii)de productiedatums en -plaatsen;

iii)de lagere calorische waarde van de brandstofbron waaruit de elektriciteit werd geproduceerd;

iv)de hoeveelheid en het gebruik van de samen met de elektriciteit opgewekte warmte;

v)overeenkomstig bijlage IIIII de hoeveelheid elektriciteit gewonnen uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling waarvoor de garantie geldt;

vi)de besparing op primaire energie berekend overeenkomstig bijlage IIIII op basis van de in bijlage IIIII, onder punt f), vastgestelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden;

vii)het nominale elektrische en thermische rendement van de installatie;

viii)of en in welke mate de installatie investeringssteun heeft genoten;

ix)of en in welke mate de energie-eenheid een of andere nationale steunregeling heeft genoten, en het soort steunregeling;

x)de datum waarop de installatie in werking is getreden, en

xi)de datum en het land van afgifte alsmede een uniek identificatienummer.

De garantie van oorsprong wordt afgegeven voor de standaardhoeveelheid van 1 MWh en heeft betrekking op de netto-elektriciteitsoutput die wordt gemeten aan de stationsgrens en die wordt geëxporteerd naar het net.

_____________

🡻 2012/27/EU

BIJLAGE XIIXI

Energie-efficiëntiecriteria voor de regulering van energienetten en voor elektriciteitsnettarieven

1.Nettarieven weerspiegelen de kostenbesparingen in netten die worden behaald vanuit vraagzijde en vraagresponsmaatregelen en gedistribueerde opwekking, waaronder besparingen door het verlagen van de leveringskosten of van netinvesteringen en een betere werking van het net.

2.Netregulering en nettarieven beletten netbeheerders of energiedetailhandelaren niet systeemdiensten beschikbaar te stellen voor vraagresponsmaatregelen, vraagbeheer en gedistribueerde opwekking op georganiseerde elektriciteitsmarkten, met name:

a)verschuiven van de belasting van piekperioden naar dalperioden omdat de eindafnemer rekening houdt met de beschikbaarheid van hernieuwbare energie, energie uit warmtekrachtkoppeling en verspreide opwekking;

b)energiebesparing vanuit de vraagrespons van verspreide verbruikers door energieaggregators;

c)vermindering van de vraag resulterend uit energie-efficiëntiemaatregelen die door aanbieders van energiediensten met inbegrip van bedrijven die energiediensten leveren, zijn genomen;

d)de aansluiting op en verdeling van opwekkingsbronnen op lagere spanningsniveaus;

e)de aansluiting van opwekkingsbronnen vanuit een locatie dichterbij het verbruik, en

f)energieopslag.

Ten behoeve van deze bepaling omvat de term „georganiseerde elektriciteitsmarkten” over-the-counter-markten en energie-uitwisseling voor het verhandelen van energie, vermogen, balancerings- en nevendiensten op verschillende termijnen, zoals markten op lange termijn, tijdens de volgende dag en gedurende de dag.

3.Netwerk- of eindgebruikerstarieven kunnen een dynamische prijsstelling ondersteunen voor vraagresponsmaatregelen door eindafnemers, zoals:

a)tarieven op het moment van verbruik;

b)prijsstelling tijdens extreme piekmomenten;

c)realtime prijsstelling, en

d)piekvoordelen.

_____________

🡻 2012/27/EU

BIJLAGE XIIIXII

ENERGIE-EFFICIËNTIEVERPLICHTINGEN VOOR TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDERS

Transmissiesysteembeheerders en distributiesysteembeheerders:

🡻 2018/2002 artikel 1, lid 16, en bijlage, punt 6

a)stellen hun gestandaardiseerde regels op voor het dragen en verdelen van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen, netverzwaringen en de invoering van nieuwe netten, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net leveren, op het koppelnet aan te sluiten, en maken deze regels openbaar;

🡻 2012/27/EU

b)verstrekken elke nieuwe elektriciteitsproducent die produceert uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en die aansluiting op het net wenst, de vereiste uitvoerige en noodzakelijke gegevens, waaronder:

i)een volledige en gedetailleerde raming van de kosten van aansluiting;

ii)een redelijk en precies tijdschema voor het ontvangen en verwerken van het verzoek tot netaansluiting;

iii)een redelijk indicatief tijdschema voor alle geplande netaansluitingen. Het volledige proces voor netaansluiting mag niet meer dan 24 maanden in beslag nemen, rekening houdend met hetgeen redelijkerwijs haalbaar en niet-discriminerend is;

c)gestandaardiseerde en vereenvoudigde procedures voor de aansluiting van gedistribueerde hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsproducenten om hun netaansluiting te vergemakkelijken.

De onder punt a) bedoelde standaardregels zijn gebaseerd op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met alle kosten en baten van de aansluiting van die producenten op het net. Deze regels kunnen voorzien in verschillende typen van aansluiting.

_____________

🡻 2012/27/EU (aangepast)

BIJLAGE XIVXIII

Energieprestatiecontracten met de publieke sector of de bijbehorende bestekken moeten ten minste het volgende bevatten:

 nieuw

Bevindingen/aanbevelingen van een analyse/audit die vóór de sluiting van het contract is uitgevoerd en betrekking heeft op het energieverbruik van het gebouw met het oog op de uitvoering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie.

🡻 2012/27/EU

Een heldere en transparante lijst van efficiëntiemaatregelen die moeten worden ingevoerd of van de te behalen efficiëntieresultaten.

Gegarandeerde besparingen die worden behaald door de maatregelen in de overeenkomst uit te voeren.

De looptijd en mijlpalen van de overeenkomst, voorwaarden en opzeggingstermijn.

Een heldere en transparante lijst van de verplichtingen van elke overeenkomstsluitende partij.

Referentiegegeven(s) om de behaalde besparing vast te stellen.

Een heldere en transparante lijst van stappen die moeten worden ondernomen om een maatregel of een pakket maatregelen uit te voeren en, indien relevant, de kosten daarvan.

De verplichting om de maatregelen in de overeenkomst volledig uit te voeren en alle veranderingen die tijdens het project worden gemaakt, te documenteren.

Regelgeving inzake het opnemen van gelijkwaardige eisen in iedere onderaanneming met derde partijen.

Heldere en transparante weergave van de financiële gevolgen van het project en de verdeling van het aandeel van beide partijen in de bereikte geldelijke besparingen (o.a. bezoldiging van de dienstenleverancier).

Heldere en transparante bepalingen inzake het meten en de verificatie van de behaalde gegarandeerde besparing, kwaliteitscontroles en -garanties.

Bepalingen ter verduidelijking van de procedure voor het veranderen van kadervoorwaarden die een weerslag hebben op de inhoud en het resultaat van de overeenkomst (o.a. veranderende energieprijzen, gebruiksintensiteit van een installatie).

Gedetailleerde gegevens inzake de verplichtingen van elke overeenkomstsluitende partij en de sancties wegens niet-nakoming.

_____________

🡻 2012/27/EU (aangepast)

BIJLAGE XV

Correlatietabel

Richtlijn 2004/8/EG

Deze richtlijn

Artikel 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 2

Artikel 1, lid 1

Artikel 3, onder a)

Artikel 2, punt 30

Artikel 3, onder b)

Artikel 2, punt 32

Artikel 3, onder c)

Artikel 2, punt 31

Artikel 3, onder d)

Artikel 2, punt 33

Artikel 3, onder e) en f)

Artikel 3, onder g)

Artikel 2, punt 35

Artikel 3, onder h)

Artikel 3, onder i)

Artikel 2, punt 34

Artikel 3, onder j)

Artikel 3, onder k)

Artikel 2, punt 36