EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52020IP0257

Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2020 over de Europese bosbouwstrategie — de weg vooruit (2019/2157(INI))

PB C 395 van 29.9.2021, p. 37–49 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

29.9.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 395/37


P9_TA(2020)0257

De Europese bosbouwstrategie — De weg vooruit

Resolutie van het Europees Parlement van 8 oktober 2020 over de Europese bosbouwstrategie — de weg vooruit (2019/2157(INI))

(2021/C 395/05)

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640), de mededeling van de Commissie van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030” (COM(2020)0380) en zijn resoluties van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (1) en van 16 januari 2020 over de 15e bijeenkomst van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (COP15) (2),

gezien de door de Europese Unie op 23 juni 2014 geratificeerde verklaring van New York inzake bossen;

gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 7 december 2018 met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU “Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector”” (COM(2018)0811),

gezien zijn resolutie van 28 april 2015 over een nieuwe bosbouwstrategie van de Europese Unie: ten bate van de bossen en de houtsector (3),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 23 juli 2019 met als titel “Bescherming en herstel van bossen wereldwijd: de actie van de EU opvoeren” (COM(2019)0352),

gezien de conclusies van de Raad van 15 april 2019 over de voortgang van de uitvoering van de EU-bosstrategie en een nieuw strategisch kader voor bossen (08609/2019),

gezien Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (4) en de daarna volgende uitvoeringsverordeningen met actualiseringen van de lijst van invasieve uitheemse soorten, waaronder ook boomsoorten,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 oktober 2019 over het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 7 december 2018 met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU “Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector””,

gezien de mondiale evaluatie van biodiversiteit en ecosysteemdiensten die gepubliceerd is door het intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (Intergovernmental Science Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, IPBES) op 31 mei 2019,

gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld “The European environment — state and outlook 2020: knowledge for transition to a sustainable Europe”, gepubliceerd op 4 december 2019,

gezien het advies van het Comité van de regio's van 11 april 2019 over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de EU,

gezien de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie tot 2020,

gezien de geactualiseerde EU-strategie voor de bio-economie,

gezien de klimaatstrategie voor 2050,

gezien de conclusies van de Raad van 29 november 2019 over de geactualiseerde EU-strategie voor de bio-economie (5),

gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 met als titel “Een schone planeet voor iedereen — Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” (COM(2018)0773),

gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018 over de tussentijdse evaluatie van de bosstrategie van de EU (6),

gezien de Europa 2020-strategie, waaronder de initiatieven Innovatie-Unie en Efficiënt gebruik van hulpbronnen,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie,

gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9-0154/2020),

gezien de verantwoordelijkheden van de EU-lidstaten uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming (UNCCD),

A.

overwegende dat de interne en internationale verplichtingen van de EU, bijvoorbeeld in verband met de Europese Green Deal, de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals, SDG’s) van de VN, het Protocol van Kyoto, de Overeenkomst van Parijs en de totstandbrenging van een emissievrije maatschappij, onmogelijk kunnen worden nagekomen zonder de klimaatvoordelen en andere ecosysteemdiensten die worden geleverd door bossen en de houtsector;

B.

overwegende dat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet wordt verwezen naar een gemeenschappelijk bosbeleid van de EU en dat de verantwoordelijkheid voor bossen ligt bij de lidstaten; overwegende dat de EU echter reeds lang via haar beleid en richtsnoeren, met inbegrip van artikel 4 VWEU met betrekking tot energie, milieu en landbouw, bijdraagt aan duurzaam bosbeheer en aan de besluiten die over bossen worden genomen door de lidstaten;

C.

overwegende dat bossen en de hele houtwaardeketen van fundamenteel belang zijn voor de verdere ontwikkeling van de circulaire bio-economie, aangezien zij banen scheppen, zorgen voor economische welvaart in plattelands- en stedelijke gebieden, diensten leveren op het gebied van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, voordelen opleveren op het gebied van gezondheid, en de biodiversiteit en de vooruitzichten van berg-, eiland- en plattelandsregio’s beschermen, alsmede woestijnvorming tegengaan;

D.

overwegende dat behoorlijk gefinancierd onderzoek van hoge kwaliteit, innovatie, informatieverzameling, onderhoud en ontwikkeling van databanken, beste praktijken en kennisdeling van cruciaal belang zijn voor de toekomst van de multifunctionele bossen van de EU en voor de gehele houtwaardeketen, gezien de toenemende eisen die aan bossen worden gesteld en het feit dat de vele kansen en uitdagingen waarmee de maatschappij wordt geconfronteerd, moeten worden aangepakt;

E.

overwegende dat bossen ons natuurlijke erfgoed vormen, dat wij moeten beschermen en in stand moeten houden, en dat goed beheer van dit erfgoed van essentieel belang is voor de welstand ervan en voor de ondersteuning van de biodiversiteit en de economische, toeristische en sociale welvaart;

F.

overwegende dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, in het kader van het GLB, instrumenten en middelen heeft verstrekt om de bosbouw te ondersteunen en dit dient te blijven doen in het GLB na 2020, met bijzondere aandacht voor duurzaam bosbeheer;

G.

overwegende dat de EU 16 miljoen particuliere boseigenaren telt die ongeveer 60 % van de bossen in de EU bezitten; overwegende dat de gemiddelde oppervlakte van een bos in privébezit 13 ha is, waarbij ongeveer twee derde van de particuliere boseigenaren minder dan 3 ha bos bezit;

H.

overwegende dat duurzaam beheerde bossen enorm belangrijk zijn voor het garanderen van banen in plattelandsgebieden, en dat deze bossen niet alleen bevorderlijk zijn voor de volksgezondheid, maar ook een essentiële bijdrage leveren aan het milieu en de biodiversiteit;

I.

overwegende dat maatregelen voor de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering in bossen onderling verbonden zijn, doordat bepaalde aspecten in evenwicht moeten worden gebracht en synergieën tussen deze maatregelen moeten worden bevorderd, met name in de aanpassingsstrategieën en -plannen van de lidstaten;

J.

overwegende dat de Europese bossen en de situatie waarin zij verkeren, onderling verschillen en dus op verschillende wijze moeten worden behandeld, maar altijd met het oog op de verbetering van hun economische, sociale en milieufunctie;

K.

overwegende dat de ultraperifere gebieden zeer rijke reservoirs van biodiversiteit omvatten en dat het van fundamenteel belang is om deze in stand te houden;

L.

overwegende dat het verlies van biodiversiteit in bossen aanzienlijke ecologische, economische en sociale gevolgen heeft;

M.

overwegende dat bodemkwaliteit een cruciale rol speelt bij de levering van ecosysteemdiensten zoals waterfiltratie en -opslag, en dus bij de bescherming tegen overstromingen en droogte, CO2-vastlegging, biodiversiteit en de groei van biomassa; overwegende dat verbetering van de bodemkwaliteit, in sommige regio’s bijvoorbeeld door de omvorming van naaldbossen tot permanente loofbossen, een economisch uitdagend proces is dat tientallen jaren duurt;

N.

overwegende dat de cruciale rol van duurzaam bosbeheer duidelijker moet worden gemaakt aan de Europese samenleving, die steeds meer afgesneden raakt van bossen en bosbouw, en dat daarbij de vele voordelen moeten worden onderstreept die bossen te bieden hebben uit economisch, sociaal, en ecologisch, alsmede cultureel en historisch oogpunt;

O.

overwegende dat bossen, naast koolstofvastlegging, een gunstig effect hebben op het klimaat, de atmosfeer, het behoud van de biodiversiteit en het beheer van rivieren en waterwegen, de bodem beschermen tegen erosie door water en wind en andere nuttige natuurlijke eigenschappen hebben;

P.

overwegende dat bijna 23 % van de Europese bossen te vinden is in Natura 2000-gebieden, en in sommige lidstaten meer dan 50 %, en dat bijna de helft van de natuurlijke habitats in Natura 2000-gebieden bossen zijn;

Q.

overwegende dat bossen zowel de bron kunnen zijn van primaire bosproducten zoals hout, als waardevolle secundaire producten kunnen opleveren, zoals paddenstoelen, truffels, kruiden, honing en bessen, die zeer belangrijk zijn voor de economische activiteiten in bepaalde regio’s van de Unie;

R.

overwegende dat de Europese bossen een belangrijke rol spelen in de verbetering van het milieu, de ontwikkeling van de economie, het voorzien in de behoefte van de lidstaten aan houtproducten en de vergroting van het welzijn van de bevolking;

S.

overwegende dat boslandbouw, gedefinieerd als grondgebruikstelsels waarbij bomen worden gekweekt in combinatie met landbouw op hetzelfde perceel, een reeks grondgebruikstelsels is die de algehele productiviteit vergroten, meer biomassa opleveren, de bodem in stand houden en herstellen en een aantal waardevolle ecosysteemdiensten verstrekken;

T.

overwegende dat de multifunctionele rol van bossen, de aanzienlijke tijd die nodig is voor de vorming ervan en het feit dat het belangrijk is een goede diversiteit van soorten te waarborgen, het tot een belangrijke Europese taak maken om de bosrijkdommen duurzaam te gebruiken en om ze in stand te houden en te vermeerderen;

U.

overwegende dat sociaal verantwoorde en milieuvriendelijke jacht ook een belangrijke rol speelt in bossen en halfbeboste regio’s, door het controleren van de hoeveelheid wild en de verspreiding van aan wild gerelateerde ziekten, zoals Afrikaanse varkenspest;

V.

overwegende dat bossen een cruciale rol spelen in de bestrijding van bodemerosie en de desertificatie van landmassa’s; overwegende dat onderzoek aantoont dat bomen in parken en in de stedelijke omgeving een positief effect hebben op de temperatuur, die er lager wordt gehouden dan in boomloze gebieden;

W.

overwegende dat in de huidige programmeringsperiode (2014-2020) maatregelen zijn genomen in het GLB die bedoeld zijn om marktdeelnemers te helpen capaciteit op te bouwen met betrekking tot bosbeheer;

X.

overwegende dat sommige bosrijke regio’s wemelen van de plagen en insecten, zoals houtkevers en diverse zwammen; overwegende dat natuurlijke populaties van kastanjebossen te maken krijgen met een massale invasie van Cryphonectria parasitica (kastanjekanker), die een ernstige bedreiging vormt voor de overleving van deze populaties, maar op termijn ook voor de bijbehorende activiteiten van de mens, zoals de productie en verzameling van kastanjes;

Y.

overwegende dat de beschikbare gegevens over bossen op EU-niveau onvolledig en van wisselende kwaliteit zijn, hetgeen de coördinatie in verband met bosbeheer op EU-niveau belemmert;

Z.

overwegende dat ook in de EU nog steeds illegale houtkap plaatsvindt;

Het verleden — recente successen en uitdagingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging

1.

is tevreden met de publicatie van het verslag van de Commissie met als titel “Voortgang van de tenuitvoerlegging van de bosstrategie van de EU “Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector”” (COM(2018)0811);

2.

is ingenomen met de maatregelen die de lidstaten en de Commissie hebben getroffen om de doelstellingen van de EU-bosstrategie te verwezenlijken en met de betrokkenheid van het Permanent Comité voor de bosbouw, de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, de deskundigengroep bosbranden, de deskundigengroep houtsector en sectorgerelateerde aangelegenheden en de relevante belanghebbenden bij het meerjarig uitvoeringsplan voor de bosstrategie (“Forest MAP”);

3.

overwegende dat in het verslag van de Commissie uit 2018 over de voortgang van de tenuitvoerlegging van de huidige bosstrategie van de EU wordt gesteld dat de strategie nuttig is geweest als coördinatie-instrument en dat de acht plus één prioritaire gebieden van de strategie in het algemeen zijn uitgevoerd met relatief weinig belemmeringen, met uitzondering van grote uitdagingen die moeten worden aangepakt met het biodiversiteitsbeleid en de uitdagingen die er nog steeds zijn op het gebied van de prioriteit onder de titel “Wat voor soort bossen hebben wij, en aan welke veranderingen zijn ze onderhevig”, met name de perceptie en informatie van het publiek over de bosbouwsector en van de bevordering van coördinatie en communicatie, met name over bosgerelateerde beleidsmaatregelen;

4.

wijst erop dat een definitie van duurzaam bosbeheer internationaal is overeengekomen in het kader van het pan-Europese FOREST EUROPE-proces; merkt op dat de definitie is opgenomen in de nationale wetgeving en in de vrijwillige systemen, zoals boscertificeringen, die in de lidstaten gelden;

5.

benadrukt het feit dat de bevordering van duurzaam bosbeheer in de EU, in het raam van de EU-bosstrategie en de maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling die ten uitvoer worden gelegd in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), grotendeels een positief effect heeft gehad op bossen en de toestand van bossen en op de bestaansmiddelen in plattelandsgebieden, alsmede op de biodiversiteit van de bossen in de EU, en dat zij de voordelen heeft vergroot die de houtsector biedt voor het klimaat; merkt echter op dat duurzaam bosbeheer nog steeds op evenwichtige wijze moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat de milieutoestand van bossen erop vooruit gaat en om de gezondheid en veerkracht van de ecosystemen te verbeteren, alsmede om ervoor te zorgen dat bossen zich beter kunnen aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden, teneinde de risico’s en gevolgen van natuurlijke verstoringen te beperken en mogelijkheden te waarborgen voor de huidige en toekomstige generaties om bossen te exploiteren, bijvoorbeeld op zodanige wijze dat de doelstellingen van boseigenaren en kmo’s worden gerealiseerd, alsmede om de kwaliteit van bestaande bossen en beboste gebieden te verbeteren; is van mening dat de EU-bosstrategie hiervoor passende instrumenten moet omvatten; wijst erop dat de lidstaten verplicht zijn om bossen op voorbeeldige wijze duurzaam te beheren; herhaalt dat de bosbeheermodellen ecologische, maatschappelijke en economische duurzaamheid moeten integreren, d.w.z. dat het beheer en gebruik van bossen en bosgebieden van dien aard moeten zijn dat deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratievermogen en vitaliteit behouden, alsmede hun vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en maatschappelijke functies te vervullen op lokaal, nationaal en internationaal niveau, en dat geen schade wordt toegebracht aan andere ecosystemen; beklemtoont dat erkenning en waarborging van eigendomsrechten essentieel is voor een langetermijnengagement voor duurzaam bosbeheer; wijst erop dat de instandhouding en het duurzame beheer van onze bossen van centraal belang zijn voor ons algemeen welzijn, doordat in bossen activiteiten van algemeen belang worden ontplooid op het gebied van recreatie en gezondheid, alsmede van onderwijs, en erkent dat duurzaam bosbeheer de bescherming bevordert van de biodiversiteit van de Europese bossen; dringt aan op de bescherming van oerbossen, met behoud van de structuur, de soortenrijkdom en een adequaat areaal, op plaatsen waar deze bossen nog bestaan; merkt op dat er geen EU-definitie is voor “oerbos” en verzoekt de Commissie een definitie vast te stellen, die moet worden voorbereid in het Permanent Comité voor de bosbouw, in het kader van het proces inzake de opstelling van de toekomstige EU-bosstrategie; benadrukt dat de meningen over de CO2-opnamecapaciteit van verschillende soorten bos uiteen kunnen lopen en is daarom van mening dat de nieuwe EU-bosstrategie duurzaam bosbeheer moet bevorderen; betreurt de niet-duurzame praktijken en de illegale houtkap die in sommige lidstaten plaatsvinden, ondanks de EU-houtverordening, en roept de lidstaten voorts op meer te doen om hieraan een einde te maken en ook om indien nodig hun nationale wetgeving te verbeteren of te versterken; spoort de Commissie en de lidstaten aan deze kwesties dringend aan te pakken, door middel van nauwlettend toezicht en door de bestaande EU-wetgeving te handhaven, en roept de Commissie op om snel inbreukprocedures op te starten in het geval van inbreuken en om zaken in verband met illegale houtkap op te volgen in alle bevoegde instanties; roept de Commissie op om de geschiktheidscontrole van de EU-regels inzake illegale houtkap onverwijld af te werken;

6.

besluit dat de verschillen tussen de lidstaten en de verschillen tussen regio’s binnen de lidstaten, een belangrijk factor zijn geweest tijdens het overwegen van maatregelen op EU-niveau;

7.

spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat in delen van de Unie het gebrek aan uitvoering van bestaande EU-wetgeving en de verdenking van corruptie hebben geleid tot illegale houtkap en niet-duurzame bosbouw; verzoekt de Commissie en de lidstaten corruptie te bestrijden en de bestaande wetgeving volledig uit te voeren;

Het heden — toestand van de bossen in de EU

8.

benadrukt het feit dat de bossen in de EU, inclusief de bossen in haar overzeese gebieden en ultraperifere regio’s, multifunctioneel zijn en gekenmerkt worden door een grote diversiteit op het gebied van eigendomspatronen, omvang, structuur, biodiversiteit, veerkracht en uitdagingen; wijst erop dat bossen, met name gemengde bossen, de maatschappij een brede waaier van ecosysteemdiensten bieden, waaronder habitats voor soorten, koolstofvastlegging, grondstoffen, hernieuwbare energie, verbeterde luchtkwaliteit, schoon water, grondwateraanvulling, erosiebestrijding en bescherming tegen droogte, overstromingen en lawines, en dat bossen ingrediënten leveren voor geneesmiddelen en een belangrijke culturele en recreatieve voorziening zijn; merkt op dat dit alles niet langer volledig gewaarborgd lijkt, aangezien boseigenaren op grond van de lastige economische situatie als gevolg van de klimaatverandering en andere factoren niet meer opnieuw kunnen investeren in bossen; merkt op dat volgens de meest recente ramingen slechts 26 % van de bossoorten en 15 % van de boshabitats een gunstige staat van instandhouding vertoont; verzoekt de lidstaten te zorgen voor de bescherming van ecosystemen en, waar nodig, richtsnoeren te ontwikkelen en te verbeteren met betrekking tot andere bosproducten dan hout;

9.

neemt kennis van de vorderingen die zijn gemaakt met de waardering van ecosysteemdiensten in het kader van het initiatief “Ecosystemen en hun diensten in kaart brengen en beoordelen” (MAES); benadrukt echter dat de levering van ecosysteemdiensten zoals de vastlegging van CO2, bevordering van de biodiversiteit of bodemverbetering momenteel niet op adequate wijze wordt vergoed en dat bosbeheerders die hun bossen op dit moment overeenkomstig transformeren, mogelijk verlies zullen lijden ondanks dat er substantiële ecosysteemdiensten worden geleverd; verzoekt de Commissie en de lidstaten opties te analyseren om klimaat-, biodiversiteits- en andere ecosysteemdiensten naar behoren te stimuleren en vergoeden teneinde een economisch rendabele conversie van bossen mogelijk te maken;

10.

merkt op dat de bosbestanden van de EU de afgelopen decennia zijn toegenomen in termen van bosbedekking en bosvolume, en dat bossen en andere beboste gebieden momenteel ongeveer 43 % van de oppervlakte van de EU beslaan en ten minste 182 miljoen hectare bedragen en 5 % van de totale bossen ter wereld uitmaken, dankzij bebossing en natuurlijke regeneratie; merkt op dat de helft van het Natura 2000-netwerk bestaat uit bosgebieden (d.w.z. 37,5 miljoen hectare) en dat 23 % van alle bossen in Europa binnen Natura 2000-gebieden liggen, terwijl sommige lidstaten een grondgebied hebben dat voor meer dan de helft bedekt is door bossen en deze lidstaten van bosbouw afhankelijk zijn; wijst erop dat het belangrijk is de kennis over Natura 2000 en de effecten ervan op biodiversiteit, bosbeheer en andere vormen van bodemgebruik in de hele EU te verbeteren; merkt op dat 60 % van de bossen in de EU particuliere eigendom is, met een groot aandeel kleine bosbedrijven (minder dan 3 ha), en 40 % in overheidshanden; wijst erop dat meer dan 60 % van de productieve bossen in de EU en meer dan 20 % ervan in de hele wereld gecertificeerd zijn volgens de vrijwillige normen van het duurzame bosbeheer; merkt ook op dat het percentage rondhout uit gecertificeerde bossen dat door de houtsector wordt verwerkt, wereldwijd hoger is dan 20 % en dat dit percentage wel 50 % bedraagt in de EU; wijst erop dat de sector in de EU direct werk bezorgt aan ten minste 500 000 personen (7) en indirect aan 2,6 miljoen personen (8) en dat de handhaving van deze banen en de concurrentiekracht van de sector voor de lange termijn voortdurend inspanningen vergen om goed opgeleide werknemers aan te trekken tot de sector en ervoor te zorgen dat de werknemers behoorlijke toegang hebben tot sociale en medische hulp; merkt op dat deze banen afhankelijk zijn van veerkrachtige, goed beheerde bosecosystemen op de lange termijn; benadrukt het feit dat boseigenaren een cruciale rol spelen bij de tenuitvoerlegging van duurzaam bosbeheer en dat bossen een belangrijke rol spelen bij het scheppen van groene banen en groei in plattelandsgebieden; wijst er bovendien op dat boseigenaren en -beheerders in de EU een lange traditie hebben op het gebied van het beheer van multifunctionele bossen en hier veel ervaring mee hebben; verzoekt de Commissie om de noodzaak van steun aan boseigenaren, inclusief financiële steun, op te nemen in de nieuwe EU-bosstrategie; is van mening dat deze steun afhankelijk moet worden gesteld van de toepassing van duurzaam bosbeheer, om blijvende investeringen te waarborgen in moderne technologie en in milieu- en klimaatmaatregelen die de multifunctionele rol van bossen versterken, met een specifiek financieringsinstrument voor het beheer van gebieden in het Natura 2000-netwerk en het scheppen van behoorlijke arbeidsomstandigheden; is van mening dat deze financiële steun het resultaat moet zijn van een solide combinatie van financieringsinstrumenten, nationale financiering en financiering door de privésector; onderstreept het feit dat het belangrijk is plattelandsvlucht te voorkomen en acht het essentieel te investeren in ecosystemen; is ingenomen met bebossing en herbebossing als geschikte instrumenten om de bosbedekking te verbeteren, met name op onbeheerde terreinen die ongeschikt zijn voor voedselproductie, dichtbij stedelijke en voorstedelijke gebieden en in bergachtige gebieden, indien nodig; moedigt financieel ondersteunde acties aan voor het gebruik van gekapt hout in verhouding tot het duurzame bosbestand en voor het verhogen van de bosbedekking en andere beboste gebieden waar dat relevant is, met name in de lidstaten waar de bosbedekking laag is, terwijl in andere lidstaten het behoud van bosbedekking in gebieden met versterkte ecologische functies wordt aangemoedigd; merkt op dat bossen een aanzienlijk deel van de terrestrische biodiversiteit van Europa herbergen;

11.

stelt vast dat het bosgebied in de Unie toeneemt, onder meer als gevolg van bebossing, en dat beheerde commerciële bossen niet alleen koolstof beter binden dan onbeheerde bossen, maar ook de emissies en problemen die worden veroorzaakt door de verslechtering van de toestand van bossen beperken; merkt op dat een duurzaam beheer van commerciële bossen de beste impact op het klimaat heeft en dat landen die hun bossen goed beheren hiervoor moeten worden beloond;

12.

neemt kennis van het feit dat particuliere en publieke langetermijninvesteringen in een versterkt duurzaam bosbeheer dat evenveel aandacht besteedt aan de sociale, ecologische en economische voordelen van bossen en aan adequate financierings- en compensatiemechanismen, de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen van bossen kunnen helpen garanderen en de houtsector kunnen helpen economisch levensvatbaar en milieuvriendelijk te blijven, maar ook kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de vele doelstellingen van de EU, met inbegrip van de succesvolle uitvoering van de Europese Green Deal en de overgang naar een circulaire bio-economie, alsmede de bevordering van de biodiversiteit; wijst erop dat ook andere, gemakkelijk toegankelijke, goed gecoördineerde en zinvolle EU-financieringsmechanismen nodig zijn, zoals financiële instrumenten of de steun van de Europese Investeringsbank, om de investeringen te versterken in bosbouwprojecten die gericht zijn op duurzaam bosbeheer en op de preventie en vermindering van bosbranden, alsmede de structuurfondsen en middelen uit het Horizon-, het Erasmus+- en het LIFE+-programma, die kunnen zorgen voor essentiële steun voor investeringen en dienstverlening ten behoeve van koolstofopslag en -vastlegging in het kader van duurzaam bosbeheer, volledig in overeenstemming met de Green Deal;

13.

erkent de cruciale voordelen van bossen en de houtsector voor het klimaat; herhaalt dat de ecologische, economische en sociale aspecten van bossen en bosbeheer op evenwichtige wijze moeten worden bevorderd, terwijl de algemene klimaatvoordelen die bossen en de houtwaardeketen bieden, worden versterkt, met name door bevordering van de CO2-vastlegging en koolstofopslag in houtproducten en vervanging van grondstoffen; benadrukt het feit dat het nodig is de CO2-vastlegging in bossen te behouden, verder te bevorderen en waar mogelijk op te voeren tot een niveau dat het mogelijk maakt alle functies van bossen duurzaam te beheren en koolstof ter plaatse op te slaan, onder meer in landbouwbossen, dood hout en de bosbodem, alsmede in producten op basis van hout, door middel van een actief duurzaam bosbeheer; wijst erop dat meer dan 10 % van de broeikasgasemissies van de EU wordt opgenomen door bossen; wijst erop dat het gebruik van hout als duurzaam bouwmateriaal moet worden bevorderd, aangezien dit ons in staat stelt op te schuiven in de richting van een duurzamere economie; moedigt de Commissie aan diverse marktgebaseerde mechanismen te onderzoeken om de vervanging te stimuleren van fossiele brandstoffen door hernieuwbare grondstoffen die klimaatvoordelen opleveren; benadrukt het feit dat materialen op basis van hout een cruciale rol spelen bij de vervanging van fossiele alternatieven en alternatieven met een grote ecologische voetafdruk in sectoren als de bouw, de textielindustrie, de chemische industrie en de verpakkingsindustrie en het feit dat ten volle rekening moet worden gehouden met de klimaat- en milieuvoordelen van deze vervanging van materialen; wijst daarnaast op de nog onderbenutte voordelen die worden geboden door de vervanging van wegwerpproducten, met name plastic producten, door duurzame producten op basis van hout; onderstreept dat ook het circulaire gebruik van producten op basis van hout moet worden opgevoerd om beter gebruik te maken van onze duurzame hulpbronnen, hulpbronnenefficiëntie te bevorderen, afval te verminderen en de levenscyclus van koolstof te verlengen ten behoeve van de ontwikkeling van een duurzame en lokale circulaire bio-economie;

14.

is, wat de vervanging van fossiele grondstoffen en energie betreft, tevreden met de voortdurende inspanningen om het meest efficiënte gebruik van hout te bevorderen volgens het “cascadebeginsel”; verzoekt de Commissie en de lidstaten de toepassing van duurzaamheidscriteria voor biomassa in het kader van de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie voort te zetten en optimaal gebruik te maken van het substitutie-effect door CO2-intensieve fossiele materialen en energie te vervangen; merkt echter op dat het belangrijk is onnodige marktverstoringen voor grondstoffen op basis van hout te voorkomen wanneer steunmaatregelen worden genomen voor bio-energie; vestigt de aandacht op het feit dat een voorzienbare toename van de vraag naar hout en biomassa gepaard moet gaan met duurzaam bosbeheer; benadrukt in dit verband de noodzaak om de financiering te verhogen voor onderzoek naar de vervanging van fossiele brandstoffen en materialen; merkt op dat restanten aan het einde van de houtwaardeketen nuttig kunnen worden gebruikt als biomassa ter vervanging van verwarming op basis van fossiele grondstoffen, maar dat hout indien mogelijk moet worden gereserveerd voor gebruik met een langere levenscyclus teneinde de wereldwijde koolstofopslag te verhogen;

15.

benadrukt de positieve effecten van schermstroken van bomen, zowel voor het beschermen van landbouwgrond als voor het verhogen van de landbouwproductie; pleit sterk voor methoden om landbouwers aan te moedigen schermstroken van bomen te ontwikkelen;

16.

wijst op de belangrijke rol die bloeiende bomen en struiken in natuurlijke ecosystemen spelen voor de bijenteeltsector en voor de ondersteuning van het natuurlijke proces van bestuiving en de verbetering van de consolidatie en bescherming van aangetaste en/of ruwe grond; dringt aan op de opname van deze bomen en struiken in de EU-steunprogramma’s, rekening houdend met de regionale kenmerken;

17.

betreurt het feit dat de bossen in de EU wel worden beheerd volgens het gezamenlijk overeengekomen beginsel van duurzaam bosbeheer en dat de bosbedekking in de EU de afgelopen decennia is toegenomen, maar dat een andere benadering van duurzaam bosbeheer is ontwikkeld in het kader van de onlangs overeengekomen Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (9);

18.

onderstreept dat veerkrachtige en gezonde bosecosystemen, met inbegrip van fauna en flora, belangrijk zijn om de levering te handhaven en te bevorderen van de talrijke ecosysteemdiensten die bossen te bieden hebben, zoals biodiversiteit, schone lucht, water en een gezonde bodem, alsmede hout en andere grondstoffen dan hout; beklemtoont dat de bestaande vrijwillige instrumenten en wetgeving, zoals de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn van de EU, van invloed zijn op beslissingen in verband met grondgebruik en op passende wijze moeten worden geëerbiedigd en toegepast;

19.

merkt op dat landbouwers en boseigenaren centrale actoren zijn in plattelandsgebieden; is ingenomen met de erkenning van de rol van bosbouw, boslandbouw en de houtsector in het plattelandsontwikkelingsprogramma van het GLB 2014-2020, en met de verbeteringen die zijn ingevoerd aan de hand van de omnibusverordening; moedigt ertoe aan deze erkenning te behouden in het GLB 2021-2027 en bij de tenuitvoerlegging van de Europese Green Deal;

20.

benadrukt de geschiktheid en uitvoerbaarheid van de tweefasenaanpak voor het controleren van de duurzaamheid van bosbiomassa, zoals overeengekomen in de herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie; merkt op dat dit moet worden gerealiseerd door het voortzetten van de stopgezette ontwikkeling van specifieke, niet door het eindgebruik aangestuurde duurzaamheidscriteria door het Permanent Comité voor de bosbouw en de Commissie;

21.

erkent het feit dat bossen een rol spelen door het aanbieden van recreatieve waarden en bosgerelateerde activiteiten zoals het oogsten van andere bosproducten dan hout, bijvoorbeeld paddenstoelen en klein fruit; neemt kennis van de mogelijkheden die begrazing biedt voor een betere verwijdering van biomassa bij wijze van bosbrandpreventie, maar merkt ook op dat begrazing door wilde dieren negatieve gevolgen heeft voor zaailingen en wijst er daarom op dat grazers duurzaam beheerd moet worden;

De toekomst — de cruciale rol die de EU-bosstrategie voor de periode na 2020 en de Europese Green Deal spelen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling voor 2030

22.

is ingenomen met de recente publicatie van de Europese Green Deal van de Commissie en kijkt uit naar de komende EU-bosstrategie voor de periode na 2020, die moet worden afgestemd op de Europese Green Deal en de EU-biodiversiteitsstrategie; is voorts van mening dat het versterken van de circulaire bio-economie essentieel is om een koolstofarme samenleving tot stand te brengen in het kader van de uitvoering van de Green Deal; wijst erop dat het belangrijk is het potentieel van bossen verder te versterken om de doelstellingen van de Europese Green Deal te verwezenlijken en dat het belangrijk is de circulaire bio-economie te ontwikkelen en tegelijkertijd andere ecosysteemdiensten te garanderen, waaronder biodiversiteit;

23.

is ingenomen met het werkprogramma van de Commissie voor 2020, en met name met de erkenning van de bijdrage van de nieuwe EU-bosstrategie aan de 26e zitting van de Conferentie van de Partijen (COP26) van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering; benadrukt in verband hiermee het feit dat bossen in de toekomst niet mogen worden beschouwd als het enige type CO2-put, omdat andere sectoren hierdoor minder worden gestimuleerd om hun emissies tot een minimum te beperken; benadrukt daarnaast het feit dat de strategieën en plannen voor aanpassing aan de klimaatverandering concrete en effectieve maatregelen moeten omvatten, gebruik makend van de synergieën tussen mitigatie en adaptatie, die van cruciaal belang zullen zijn om de schadelijke gevolgen te beperken van de klimaatverandering voor verstoringen zoals bosbranden en de negatieve gevolgen hiervan voor de plattelandseconomie, de biodiversiteit en de levering van ecosysteemdiensten; onderstreept het feit dat er meer middelen nodig zijn en dat een wetenschappelijk onderbouwd brandbeheer moet worden ontwikkeld om de gevolgen van de klimaatverandering in bossen aan te pakken; merkt op, in verband met de instandhouding van de biodiversiteit en functionaliteit van bossen, samen met de noodzaak van mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, en zoals ook erkend is in de verordening inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF-verordening), dat dood hout in het bos microhabitats vormt waarvan een aantal soorten afhankelijk zijn;

24.

herhaalt dat bossen en de houtsector een aanzienlijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van lokale, circulaire economieën op biologische basis in de EU; benadrukt het feit dat bossen, de houtsector en de bio-economie een cruciale rol spelen voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europese Green Deal en klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050; beklemtoont dat de bio-economie in 2015 een markt vertegenwoordigde met een geschatte waarde van meer dan 2,3 biljoen EUR, die goed was voor 20 miljoen banen, oftewel 8,2 % van de totale werkgelegenheid in de EU; merkt op dat elke euro die in het kader van Horizon 2020 wordt geïnvesteerd in onderzoek en innovatie met betrekking tot de bio-economie, ongeveer 10 EUR toegevoegde waarde zal genereren; wijst erop dat de milieu-, klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de EU nooit zullen kunnen worden gerealiseerd zonder bossen die multifunctioneel en gezond zijn en die duurzaam beheerd worden op basis van een langetermijnperspectief, samen met een levensvatbare houtsector; benadrukt dat er in de bio-economie en in het bijzonder in de bosbouw, die een centrale rol speelt in de transitie naar een klimaatneutrale economie, in bepaalde omstandigheden een afweging moet worden gemaakt tussen het beschermen van het klimaat en het beschermen van de biodiversiteit; uit zijn bezorgdheid dat aan deze afweging onvoldoende aandacht is besteed in recente beleidsdiscussies; wijst erop dat een samenhangende aanpak moet worden ontwikkeld om de bescherming van de biodiversiteit en van het klimaat te combineren in een bloeiende bossector en bio-economie; benadrukt dat het belangrijk is een marktgebaseerde bio-economie te ontwikkelen en te waarborgen in de EU, bijvoorbeeld door het stimuleren van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten op biologische basis, met een leveringsketen waarin effectief gebruik wordt gemaakt van de biomassamaterialen; is van mening dat de EU het gebruik van hout, producten op basis van gekapt hout en bosbiomassa moet aanmoedigen om duurzame productie en banen te stimuleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten om aan te moedigen dat materialen van biologische oorsprong, met inbegrip van houtafval, terug in de waardeketen worden gebracht door ecologisch ontwerp aan te moedigen, recycling verder te stimuleren en te bevorderen dat secundaire grondstoffen die hout bevatten, worden gebruikt voor producten alvorens zij eventueel worden verbrand aan het einde van hun levenscyclus;

25.

benadrukt het feit dat volledige en reële politieke steun moet worden verleend aan de houtsector en benadrukt in verband hiermee het feit dat een ambitieuze, onafhankelijke en op zichzelf staande EU-bosstrategie voor de periode na 2020 nodig is, parallel met andere relevante sectorale strategieën; merkt op dat, aangezien boslandbouw zowel land- als bosbouwkenmerken kan hebben, de EU-bosbouwstrategie en de van-boer-tot-bordstrategie op elkaar moeten worden afgestemd; dringt aan op een nieuwe EU-bosstrategie die voortbouwt op de holistische benadering van duurzaam bosbeheer, rekening houdend met alle economische, sociale en milieuaspecten van de houtwaardeketen, waarbij de continuïteit van de multifunctionele en multidimensionale rol van bossen wordt gewaarborgd; benadrukt het feit dat een EU-bosstrategie moet worden ontwikkeld die gecoördineerd en evenwichtig is en die beter aansluit bij de toepasselijke EU-wetgeving op het gebied van bossen, de houtsector, met inbegrip van de mensen die direct of indirect werken en leven in het bos en in de houtsector, en de diverse diensten die zij verlenen, gezien het toenemende aantal beleidsmaatregelen van de lidstaten en de EU dat direct of indirect gevolgen heeft voor de bossen en het beheer ervan in de EU;

26.

verzoekt de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het Fonds voor Regionale Ontwikkeling alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat met name initiatieven om het biodiversiteitsverlies in bossen een halt toe te roepen, de aanplanting van gemengde en inheemse soorten te ondersteunen en het bosbeheer te verbeteren, worden bevorderd, alsmede dat projecten worden uitgevoerd en dat de middelen gericht worden ingezet;

27.

is van mening dat met de EU-bosstrategie een brug moet worden geslagen tussen het nationale bos- en boslandbouwbeleid en de EU-doelstellingen inzake bossen en boslandbouw, en erkent zowel de noodzaak om de nationale bevoegdheden te eerbiedigen als de noodzaak om bij te dragen tot ruimere doelstellingen van de EU, en daarbij op samenhangende wijze rekening te houden met de specifieke kenmerken van privébossen en bossen in overheidsbezit; dringt aan op maatregelen om stabiliteit en voorspelbaarheid op lange termijn te waarborgen voor de bosbouwsector en de gehele bio-economie;

28.

benadrukt het feit dat het met betrekking tot het EU-beleid op het gebied van bossen, de houtsector en de houtwaardeketen belangrijk is dat de besluitvorming empirisch onderbouwd is; dringt erop aan dat de ambitie in het kader van alle bosgerelateerde aspecten van de Europese Green Deal en de biodiversiteitsstrategie in overeenstemming is met de EU-bosstrategie voor de periode na 2020, met name om ervoor te zorgen dat duurzaam bosbeheer een positief effect heeft op de maatschappij, inclusief connectiviteit en representativiteit van de bosecosystemen, en om te zorgen voor stabiele langetermijnvoordelen voor klimaat en milieu, en tegelijk bij te dragen tot de verwezenlijking van de SDG’s; beklemtoont dat eventuele EU-richtsnoeren in verband met duurzaam bosbeheer moeten worden ontwikkeld in het kader van de EU-bosstrategie na 2020;

29.

benadrukt het feit dat rekening moet worden gehouden met de verbanden tussen de houtsector en andere sectoren, bijvoorbeeld landbouw, en de coördinatie ervan in de circulaire bio-economie, alsmede het feit dat digitalisering en investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie en bescherming van de biodiversiteit belangrijk zijn en een positieve bijdrage kunnen leveren aan verdere oplossingen met betrekking tot de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering en het scheppen van banen; merkt op dat bossen een integrerend aspect zijn van duurzame ontwikkeling;

30.

beklemtoont dat boslandbouwsystemen, die een zeer lage dichtheid hebben en economisch nauwelijks leefbaar zijn, belangrijk zijn voor de plattelandssamenleving, rekening houdende met het feit dat het jaarlijkse inkomen wordt aangevuld met andere activiteiten, zoals veehouderij, toerisme en jacht, en dat zij voldoende financiering moeten krijgen om woestijnvorming en overexploitatie te voorkomen;

31.

benadrukt het feit dat als gevolg van de klimaatverandering en de menselijke activiteit natuurlijke verstoringen zoals branden, droogte, overstromingen, stormen, plagen, ziekten en erosie zich vandaag reeds voordoen en zich in de toekomst vaker zullen voordoen, met een grotere intensiteit, en schade zullen veroorzaken aan de bossen in de EU, wat een op elk scenario toegesneden risico- en crisisbeheersing zal vereisen; benadrukt in verband hiermee dat een solide EU-bosstrategie voor de periode na 2020 moet worden ontwikkeld, alsook risicobeheersmaatregelen, zoals het versterken van de Europese instrumenten voor rampenbestendigheid en vroegtijdige waarschuwing, om beter voorbereid te zijn op deze gebeurtenissen en ze beter te voorkomen en om de veerkracht van bossen te vergroten en ze klimaatbestendiger te maken, bijvoorbeeld door de tenuitvoerlegging van duurzaam en actief bosbeheer te versterken en door middel van onderzoek en innovatie, waardoor het aanpassingsvermogen van onze bossen kan worden geoptimaliseerd; herinnert eraan dat volgens het Europees Milieuagentschap de belangrijkste factoren die druk uitoefenen op bossen in de EU, de uitdijing van stedelijke gebieden en de klimaatverandering zijn; benadrukt tevens dat betere steunmechanismen, alsmede financiële middelen en instrumenten moeten worden aangeboden aan boseigenaren om preventieve maatregelen toe te passen en getroffen gebieden te herstellen, zoals het herbebossen van aangetast land dat niet geschikt is voor de landbouw, waarbij ook gebruik moet worden gemaakt van speciale rampenfondsen, onder meer door middel van buitengewone interventies, zoals het Solidariteitsfonds van de Europese Unie; dringt erop aan om voor samenhang te zorgen tussen de EU-bosstrategie en het Europees mechanisme voor civiele bescherming; verzoekt de Commissie en de lidstaten een noodmechanisme in te stellen en acht het van essentieel belang om steun voor bosweidegang (bosbegrazing) op te nemen in de maatregelen op het gebied van boslandbouw en de lidstaten aan te moedigen deze ten uitvoer te leggen in het volgende programma voor plattelandsontwikkeling; onderstreept dat er meer middelen nodig zijn en dat een wetenschappelijk onderbouwd brandbeheer en een risicogebaseerde besluitvorming moeten worden ontwikkeld, rekening houdend met de sociaal-economische, klimatologische en ecologische oorzaken van bosbranden; vraagt de invoering van een reactiecomponent voor gemeenschappelijke uitdagingen in verband met de klimaatverandering;

32.

verzoekt de lidstaten initiatieven uit te werken voor het behoud en zo nodig de creatie van bossen met een hoge instandhoudingswaarde, met de nodige mechanismen en instrumenten om boseigenaren te stimuleren en indien nodig te compenseren, teneinde meer kennis en wetenschappelijke inzichten over deze bossen te verwerven, naast de instandhouding van natuurlijke habitats;

33.

erkent het feit dat biodiversiteit een rol speelt voor het garanderen van bosecosystemen die gezond en veerkrachtig blijven; wijst erop dat de Natura 2000-gebieden, die de maatschappij diverse ecosysteemdiensten kunnen bieden, waaronder grondstoffen, belangrijk zijn; merkt echter op dat technisch advies en nieuwe, toereikende financiële middelen nodig zijn om deze gebieden te beheren; benadrukt dat de economische verliezen als gevolg van beschermingsmaatregelen billijk moeten worden gecompenseerd; benadrukt het feit dat het belangrijk is natuurbehoud op pragmatische wijze te integreren in duurzaam bosbeheer, zonder noodzakelijkerwijs de beschermde gebieden uit te breiden en met voorkoming van extra administratieve en financiële lasten; steunt de oprichting van netwerken die zijn opgezet op basis van door de lidstaten aangestuurde initiatieven in dit verband; verzoekt de nationale of regionale actoren om indien nodig met gespecialiseerde belanghebbenden onderhandelingen te voeren over de herbevolking van bossen aan rivieren, teneinde biodiverse habitats te creëren, waarna ecosysteemdiensten, zoals de opname van schadelijke stoffen die circuleren in het grondwater, zich zullen ontwikkelen; benadrukt de resultaten van de evaluatiestudie naar de impact van het GLB, waaruit blijkt op welke plaatsen GLB-instrumenten en -maatregelen een significantere bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteitsdoelstellingen, en moedigt aan na te gaan hoe de bestaande instrumenten kunnen worden verbeterd; moedigt ook aan om verder onderzoek te verrichten naar het verband tussen biodiversiteit en veerkracht;

34.

stelt vast dat bijna 25 % van het totale bosoppervlak in de EU behoort tot het Natura 2000-netwerk;

35.

neemt kennis van het feit dat de onderhandelingen die werden gevoerd door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met steun van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), spaak zijn gelopen op de kwestie van een juridisch bindende pan-Europese overeenkomst over bossen, doordat de Russische Federatie zich uit het onderhandelingsproces heeft teruggetrokken; blijft zich echter inzetten voor solide instrumenten om duurzaam bosbeheer te versterken op pan-Europees en mondiaal niveau;

36.

wijst erop dat bossen vanuit verschillende invalshoeken aan bod komen in het kader van een toenemend aantal EU-beleidsterreinen; moedigt aan tot de voltooiing van het lopende, in het kader van de huidige EU-bosstrategie ingestelde proces inzake de ontwikkeling van een niet door het eindgebruik aangestuurde duurzaamheidsaanpak met nauwe betrokkenheid van het Permanent Comité voor de bosbouw en de lidstaten, voortbouwend op de tweefasenaanpak van de herschikte richtlijn hernieuwbare energie; is van mening dat de tweefasenaanpak kan worden gehanteerd in ander beleid dat erop gericht is de duurzaamheidscriteria van bosbiomassa en de sectoroverstijgende coherentie van het EU-beleid te garanderen en verwezenlijkingen te belonen die verband houden met de ecosysteemdiensten, met name de maatschappelijk relevante klimaatgerelateerde verwezenlijkingen van het bos; erkent tegelijk dat de bosbouw in de EU reeds werkt volgens de strengste duurzaamheidsnormen; merkt op dat bij de duurzaamheidsbenadering van bosbiomassa rekening moet worden gehouden met het feit dat hout concurrerend moet zijn ten opzichte van andere grondstoffen; wijst op het belang en moedigt het gebruik aan van door de markt ontwikkelde instrumenten, zoals de bestaande boscertificatiesystemen, als geschikt bewijsmiddel om de duurzaamheid van de bosbestanden te verifiëren;

37.

benadrukt het feit dat bosbouw- en boslandbouwmaatregelen in het kader van het GLB en andere bosbouwmaatregelen, alsook het waarborgen van eerlijke en concurrerende marktvoorwaarden binnen de EU, van cruciaal belang zijn voor de succesvolle ontwikkeling van een duurzame circulaire bio-economie, terwijl de bosstrategie van de EU wordt uitgevoerd; herinnert eraan dat continuïteit nodig is, alsmede expliciete en verbeterde bosbouw- en boslandbouwmaatregelen in het kader van het GLB 2021-2027; wijst erop dat bijkomende bezuinigingen op de GLB-begroting een negatief effect zouden hebben op de investeringen in duurzaam bosbeheer en op de verwezenlijking van de doelstellingen in de EU-bosbouwsector; is van mening dat duurzaam bosbeheer een zichtbare plaats moet krijgen in de nieuwe strategische GLB-plannen; benadrukt dat de administratieve lasten in verband met de bosbouwmaatregelen van de EU en in verband met staatssteun in het algemeen moeten worden verminderd, bijvoorbeeld om de bevordering en het behoud van houtachtige vegetatie te stimuleren, gekoppeld aan landschapselementen en beleid in verband met betalingen in het kader van de eerste en tweede pijler, en door groepsvrijstellingen toe te staan die het mogelijk maken om snel op uitdagingen voor bossen te reageren; is tegelijkertijd bezorgd over het feit dat horizontale maatregelen die genomen zijn in het kader van het programma voor plattelandsontwikkeling (PPO), zoals de maatregel voor jonge landbouwers, geen bosbouwactiviteiten omvatten, althans in sommige lidstaten;

38.

wijst op de voordelen van het verband tussen begrazing en bosbeheer, namelijk een lager risico op brand en lagere kosten voor bosonderhoud; is van mening dat onderzoek en kennisoverdracht aan beroepsbeoefenaars in dit verband van cruciaal belang zijn; wijst op de waarde van traditionele extensieve boslandbouwsystemen en de ecosysteemdiensten die zij leveren; verzoekt de Commissie de EU-bosstrategie te coördineren met de “van boer tot bord”-strategie om deze doelstellingen te verwezenlijken en gespecialiseerde opleidingsprogramma’s voor de hele EU te bevorderen, teneinde landbouwers bewust te maken van de voordelen en de praktijk van de integratie van houtachtige vegetatie in de landbouw; wijst op de geringe benutting van de talrijke maatregelen in het kader van de verordeningen inzake plattelandsontwikkeling voor de periode 2014-2020, die zijn ontworpen om de doelbewuste integratie van houtachtige vegetatie en landbouw te ondersteunen; erkent het vermogen van boslandbouw om de algehele productiviteit van biomassa in specifieke gebieden te verhogen, en onderstreept dat gemengde ecosystemen meer biomassa produceren en een grotere hoeveelheid in de atmosfeer aanwezige koolstof absorberen;

39.

beklemtoont dat de Unie voldoende financiering moet toewijzen aan maatregelen voor de houtsector die zijn afgestemd op de nieuwe verwachtingen van die sector, onder meer investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en in het verbeteren van de levensvatbaarheid van bossen, het onderhoud van boswegennetten, bosbouwtechnologie, innovatie en de verwerking en ingebruikname van bosbouwproducten;

40.

verzoekt de lidstaten hun verschillende bosbeheerstrategieën en -plannen op elkaar af te stemmen, zodat de respectieve doelstellingen te gelegener tijd kunnen worden gevolgd en gecorrigeerd en geen bestuurlijke lappendeken ontstaat dat vervolgens de realisatie van de doelstellingen in hun strategische documenten in gevaar brengt;

41.

betreurt dat boslandbouw is weggelaten uit het GLB-voorstel voor de programmeringsperiode 2021-2027; acht het van fundamenteel belang dat in de volgende GLB-verordening de voordelen van boslandbouw worden erkend en dat de instelling, het herstel, de vernieuwing en de instandhouding van boslandbouwsystemen daarin ook in de toekomst worden bevorderd en ondersteund; verzoekt de Commissie om de te bevorderen dat de lidstaten steunmaatregelen voor de boslandbouw opnemen in hun strategische plannen;

42.

is ingenomen met het door de Commissie aangekondigde initiatief “Farm Carbon Forest”, met als doel boeren te belonen die zich inzetten voor projecten om de CO2-uitstoot te verminderen of de CO2-opslag te vergroten, teneinde bij te dragen tot de doelstelling van een nulemissie van koolstof in 2050, in het kader van de nieuwe Green Deal.

43.

onderstreept het feit dat onderzoek en innovatie op hoog niveau een essentiële rol spelen om ervoor te zorgen dat bossen, boslandbouw en de houtsector een bijdrage leveren om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van onze tijd; benadrukt het belang van de onderzoeks- en innovatieprogramma’s van de EU voor de periode na 2020, erkent de rol van het Permanent Comité voor onderzoek in de landbouw en merkt op dat onderzoek en technologie ver gevorderd zijn sinds de invoering van de EU-bosstrategie in 2013; benadrukt dat het belangrijk is verder onderzoek naar onder andere bosecosystemen, biodiversiteit, duurzame vervanging van fossiele grondstoffen en energie, koolstofopslag, op hout gebaseerde producten en duurzame bosbeheerpraktijken aan te moedigen; verzoekt door te gaan met de financiering van onderzoek naar bodems en hun rol in de weerbaarheid van bossen tegen en hun aanpassing aan de klimaatverandering, in de bescherming en vergroting van de biodiversiteit en in de verstrekking van andere ecosysteemdiensten en vervangingseffecten, en gegevens te verzamelen over innoverende methoden om de weerbaarheid van bossen te beschermen en te vergroten; stelt met bezorgdheid vast dat de gegevens over oerbossen nog steeds onvolledig zijn; benadrukt dat meer onderzoek en financiering een positieve bijdrage zouden leveren aan de beperking van de klimaatverandering, de instandhouding van de bosecosystemen en de stimulering van de biodiversiteit, duurzame economische groei en werkgelegenheid, met name in landelijke gebieden; neemt kennis van de aanbeveling van de Commissie dat een sterke kapitalisatie van innovatie in de waardeketen het concurrentievermogen van de houtsector ten goede zou komen; is in dit verband verheugd over de nieuwe klimaatambitie van de EIB om projecten te financieren die meer kansen kunnen creëren voor de houtsector, die een belangrijke rol speelt bij de vervanging van fossiele materialen en energiebronnen; prijst het onderzoek en de innovatieacties die met betrekking tot bossen reeds worden ondernomen, met name in het kader van het Horizon 2020- en het LIFE+-programma; is ingenomen met de gevallen waarvan de resultaten bijdragen tot de ontwikkeling van een duurzame bio-economie, waarbij wordt gestreefd naar een evenwicht tussen verschillende aspecten van duurzaam bosbeheer en de multifunctionele rol van bossen wordt benadrukt; verzoekt de Commissie te investeren in onderzoek en indien nodig intensiever onderzoek te verrichten om een oplossing te vinden voor de verspreiding van plagen en ziekten in bossen;

44.

verzoekt de Commissie in overleg met de fabrikanten van bosbouwmachines initiatieven te ontwikkelen om het ontwerp van deze machines ecologischer te maken, teneinde een hoog niveau van bescherming van de werknemers te combineren met een minimale impact op de bodem en het water in bossen;

45.

maakt zich zorgen over het feit dat de totale beboste oppervlakte wereldwijd sinds de jaren 1990 sterk is afgenomen; benadrukt het feit dat de mondiale ontbossing en aantasting van de bossen ernstige problemen zijn; benadrukt dat de EU-bosstrategie invloed moet uitoefenen in de mondiale politieke context en de externe doelstellingen en maatregelen van de EU ter bevordering van duurzaam bosbeheer in de hele wereld moet omvatten, zowel bilateraal als via multilaterale bosgerelateerde processen, waarbij de nadruk moet liggen op maatregelen om ontbossing wereldwijd een halt toe te roepen, met inbegrip van de ondersteuning van legale, duurzame en ontbossingsvrije productie- en toeleveringsketens die niet leiden tot mensenrechtenschendingen, en om het duurzaam beheer van bosbestanden te waarborgen; wijst erop dat beleidsinitiatieven moeten worden ontwikkeld voor het aanpakken van kwesties buiten de EU, met bijzondere aandacht voor de tropen, rekening houdend met de verschillende ambitieniveaus van het milieubeleid in verschillende tropische landen, en van de drijvende krachten achter niet-duurzame praktijken in bossen van buiten de sector; benadrukt het feit dat traceerbaarheidsmaatregelen moeten worden genomen voor invoer en moedigt de Commissie en de lidstaten aan de samenwerking met derde landen te bevorderen om strengere duurzaamheidsnormen te consolideren; benadrukt het feit dat de uitvoering van de houtverordening van de EU en van het actieplan Flegt (Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw) moeten worden bevorderd om beter te voorkomen dat illegaal gekapt of gewonnen hout wordt aangeboden, dat tot oneerlijke concurrentie leidt voor de Europese bosbouwsector en op de EU-markt; wijst nogmaals op het feit dat certificeringssystemen moeten worden ingesteld en dat in handelsovereenkomsten specifieke bepalingen moeten worden opgenomen inzake duurzaam bosbeheer; dringt aan op een coherente en systematische interpretatie van het zorgvuldigheidssysteem van de EU-houtverordening;

46.

wijst erop dat onderwijs en gekwalificeerde, goed opgeleide werknemers belangrijk zijn voor een geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer in de praktijk; verzoekt de Commissie en de lidstaten om maatregelen te blijven uitvoeren en bestaande Europese instrumenten te gebruiken, zoals het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Europese opleidingsprogramma’s (ET2020), om overname door de volgende generatie te ondersteunen en het tekort aan geschoolde arbeidskrachten in de sector te compenseren;

47.

dringt erop aan de invoer van illegaal gewonnen hout op te nemen in handelsovereenkomsten, met oplegging van sancties in het geval van inbreuken;

48.

verzoekt de lidstaten en de houtsector substantiële bijdragen te leveren om ervoor te zorgen dat er evenveel gebieden worden herbebost als er worden ontbost;

49.

benadrukt het feit dat het de hele EU dekkende bosinformatiesysteem voor Europa (Forest Information System for Europe, FISE) moet worden uitgebreid, rekening houdend met bestaande systemen, onder de gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokken directoraten-generaal van de Commissie die zich bezighouden met de diverse met het FISE verband houdende kwesties; meent dat dit instrument moet worden gecoördineerd in het kader van de EU-bosstrategie; benadrukt het feit dat de verstrekking van realtime, vergelijkende, wetenschappelijk onderbouwde en evenwichtige informatie over de Europese bosbestanden, waarbij gecontroleerd wordt of bossen en natuurreservaten indien nodig goed beheerd en in stand gehouden worden en geprobeerd wordt de impact van natuurlijke verstoringen als gevolg van de klimaatverandering en de gevolgen hiervan te voorspellen, met sociaal-economische indicatoren, belangrijk is voor de ontwikkeling van elk EU-beleid met betrekking tot het bos; wijst erop dat de nationale bosinventarissen een omvattend controle-instrument zijn voor het monitoren van de houtvoorraden en dat hierin rekening wordt gehouden met regionale overwegingen; verzoekt de EU een monitoringnetwerk voor de Europese bossen op te zetten om informatie te verzamelen op lokaal niveau, gekoppeld aan de aardobservatieprogramma’s van Copernicus;

50.

is ermee ingenomen dat de sector steeds verder wordt gedigitaliseerd en verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging te overwegen van een digitaal houttraceringsmechanisme voor de hele EU met het oog op gegevensverzameling, transparantie over de gehele linie, het garanderen van een gelijk speelveld en het verminderen van concurrentieverstorend gedrag en opzettelijk onrechtmatig handelen in de houthandel, binnen en buiten de EU, door middel van een verificatiesysteem; is voorts van mening dat dit verificatiesysteem de naleving zou verbeteren door financiële fraude te beperken en te bestrijden en tegelijkertijd kartelpraktijken zou belemmeren en logistieke activiteiten en bewegingen in verband met illegale houtkap zou ontmantelen; moedigt daarnaast aan om goede praktijken uit te wisselen met lidstaten die zulke hervormingen al op nationaal niveau hebben doorgevoerd;

51.

onderstreept het feit dat de lidstaten bevoegd zijn voor de voorbereiding en uitvoering van de EU-bosstrategie voor de periode na 2020 en dat zij hierbij een centrale rol spelen; verzoekt het Permanent Comité voor de bosbouw van de Commissie om de lidstaten bij deze taak te ondersteunen; benadrukt het feit dat het belangrijk is informatie uit te wisselen en relevante belanghebbenden, zoals boseigenaren en -beheerders, op parallelle wijze te betrekken bij de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, alsmede de regelmatige bijeenkomsten hiervan te handhaven en de coördinatie en synergieën met het Permanent Comité voor de bosbouw te versterken; dringt er bij de Commissie op aan om het Parlement ten minste jaarlijks bij de uitvoering van de EU-bosstrategie te betrekken; roept ertoe op de rol van het Permanent Comité voor de bosbouw te versterken teneinde te zorgen voor coördinatie tussen de relevante belanghebbenden en beleidsmaatregelen op EU-niveau; benadrukt bovendien dat lokale en regionale overheden een centrale rol moeten spelen bij de versterking van het duurzame gebruik van bossen en met name de plattelandseconomie; wijst erop dat het belangrijk is dat de lidstaten nauwer samenwerken om de voordelen van de nieuwe EU-bosstrategie te vergroten; verzoekt voorts de Commissie en haar directoraten-generaal met bosgerelateerde bevoegdheden om strategisch te werk te gaan om te zorgen voor samenhang in alle bosgerelateerde werkzaamheden en duurzaam bosbeheer te verbeteren,

52.

dringt er bij de lidstaten op aan voorrang te geven aan de instandhouding van hoogwaardig beroepsonderwijs op het gebied van ecologisch bouwen en houtgerelateerde beroepen en te zorgen voor de nodige overheidsuitgaven en -investeringen op dit gebied, om te anticiperen op toekomstige behoeften in de Europese houtsector;

53.

herinnert aan de belofte van de Commissie inzake nultolerantie ten aanzien van niet-naleving; benadrukt dat diverse inbreukprocedures die momenteel tegen lidstaten lopen, betrekking hebben op onvervangbare waarden van de Europese bosecosystemen en dringt er bij de Commissie op aan in het kader van deze procedures snel op te treden;

54.

dringt er bij de Commissie op aan om, in coördinatie met de diensten voor arbeidsinspectie van de lidstaten, te controleren of de machines die in de handel worden gebracht en die worden gebruikt door de ondernemingen in de houtsector, voldoen aan de machinerichtlijn (Richtlijn 2006/42/EG) en zijn uitgerust met een opvang- en afzuigsysteem voor houtstof;

55.

is ervan overtuigd dat de EU-bosstrategie de uitwisseling van beste praktijken moet bevorderen en ondersteunen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van duurzaam bosbeheer, beroepsopleiding voor boswerkers en bosbeheerders, resultaten in de bosbouwsector en betere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van grensoverschrijdende acties en informatie-uitwisseling, teneinde de groei van gezonde Europese bossen te waarborgen; benadrukt voorts dat beter gecommuniceerd moet worden over het feit dat duurzaam beheer van bosgebieden belangrijk is en dat eventueel voorlichtingscampagnes over het multifunctionele karakter van bossen en de vele economische, sociale en milieuvoordelen van bosbeheer moeten worden gehouden dan wel dat deze campagnes moeten worden uitgebreid en gecoördineerd, op alle relevante niveaus van de EU, om alle burgers bewust te maken van de rijkdom van dit erfgoed en van het feit dat onze hulpbronnen moeten worden beheerd, in stand gehouden en benut, om maatschappelijke conflicten te voorkomen;

56.

moedigt de lidstaten aan hun respectieve groepen die belang hebben bij de bosbouw, ertoe aan te sporen een breder segment van de bevolking aan te spreken, door middel van educatieve instrumenten en programma’s, zowel voor studenten als voor personen in andere leeftijdsgroepen, om het feit te onderstrepen dat bossen zowel belangrijk zijn voor menselijke activiteiten als voor het behoud van de biodiversiteit en gevarieerde ecosystemen;

57.

merkt op dat digitalisering en duurzame technologieën een belangrijke rol spelen in het creëren van toegevoegde waarde bij de verdere ontwikkeling van de houtsector; verzoekt de Commissie en de lidstaten de overdracht van kennis en technologie en de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaam en actief bosbeheer;

o

o o

58.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0005.

(2)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0015.

(3)  PB C 346 van 21.9.2016, blz. 17.

(4)  PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35.

(5)  https://ec.europa.eu/knowledge4policy/publication/council-conclusions-updated-eu-bioeconomy-strategy-29-november-2019_en

(6)  PB C 361 van 5.10.2018, blz. 5.

(7)  Databank van Eurostat over bosbouw, hier te vinden: https://ec.europa.eu/eurostat/web/forestry/data/database

(8)  Infopagina van het Europees Parlement van mei 2019 over de Europese Unie en bossen.

(9)  PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.


Top