Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52015DC0219

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT De stand van de natuur in de Europese Unie Verslag over de staat van en trends voor typen habitats en soorten die onder de habitat- en de vogelrichtlijn vallen, in de periode 2007-2012 zoals vereist krachtens artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn

/* COM/2015/0219 final */

  The HTML format is unavailable in your User interface language.

Brussel, 20.5.2015

COM(2015) 219 final

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT

De stand van de natuur in de Europese Unie

Verslag over de staat van en trends voor typen habitats en soorten die onder de habitat- en de vogelrichtlijn vallen, in de periode 2007-2012
zoals vereist krachtens artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijn


1.Inleiding

1.1. Achtergrond

Europeanen leven in een van de dichtstbevolkte delen ter wereld, in een regio met een lange geschiedenis van bodemgebruik. Dit heeft grote gevolgen gehad voor de natuur, waarbij heel uiteenlopende cultuurlandschappen zijn gecreëerd die het leefgebied zijn van een rijke flora en fauna. Bepaalde ontwikkelingen in met name de twintigste eeuw hebben echter ook geleid tot grootschalige vernietiging van natuur. Door een combinatie van veranderingen in het bodemgebruik, infrastructurele ontwikkelingen, verontreiniging en stedelijke uitbreiding is Europa tussen 1900 en het midden van de jaren tachtig al tweederde van zijn wetlands kwijtgeraakt 1 en bijna driekwart van zijn zandduinen en heide.

Dit verlies van natuurlijk kapitaal is een punt van grote zorg. We zijn van de natuur afhankelijk voor het voedsel, de energie, de grondstoffen, de lucht en het water die leven mogelijk maken. De natuur is bovendien een belangrijke economische motor, die bijdraagt aan onze economie op manieren die we nog maar net volledig beginnen te begrijpen, en die diensten levert die cruciaal zijn voor het in stand houden en scheppen van banen en groei. Zij is ook een bron van inspiratie, kennis en ontspanning en een integraal deel van ons culturele erfgoed.

De vogelrichtlijn 2 en de habitatrichtlijn 3 zijn de belangrijkste wetgevingsinstrumenten om het behoud en het duurzame gebruik van natuur in de EU te waarborgen, in het bijzonder door het Natura 2000-netwerk van gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde. De richtlijnen zijn belangrijke elementen van de biodiversiteitsstrategie van de EU, die ten doel heeft het hoofdstreefdoel van de EU "het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten in de EU uiterlijk in 2020 tot staan [te] brengen en zo veel mogelijk ongedaan [te] maken" te halen. Ze zijn ook van essentieel belang voor het nakomen van de mondiale verplichtingen van de EU uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit, dat in oktober 2010 in Nagoya werd gesloten.

1.2. Waarom dit verslag?

Kwalitatief hoogwaardige kennis van de staat van en trends voor de door de richtlijnen beschermde habitats en soorten ondersteunt de doeltreffende tenuitvoerlegging van de richtlijnen. Met dit verslag wordt voldaan aan de wettelijke eis dat de Commissie op gezette tijden de vorderingen met de tenuitvoerlegging van de richtlijnen beoordeelt op basis van monitoring en verslaglegging door de lidstaten.

In dit verslag worden de belangrijkste resultaten van de verslagperiode 2007-2012 beschreven. Het verslag is het resultaat van een ongekend niveau van samenwerking tussen de lidstaten en Europese instellingen. Een unieke gegevensbank 4 over de natuur in de EU, die meer dan 17 000 gegevenssets en beoordelingen van afzonderlijke soorten en habitats bevat, vormt de basis voor dit verslag. De gegevensbank bevat informatie over de staat van circa 450 soorten in het wild levende vogels, 231 typen habitats en meer dan 1 200 andere soorten van communautair belang. Hoewel dit slechts één component van de omvang van de biodiversiteit in de EU is, is het een heel belangrijke steekproef, omdat deze de bedreigingen en belastingen weerspiegelt waarmee de biodiversiteit in alle lidstaten wordt geconfronteerd.

Dankzij een meer gestroomlijnde verslaglegging is het voor het eerst mogelijk om de resultaten voor beide richtlijnen samen te presenteren en te beoordelen en tevens de bijdrage van Natura 2000 aan de staat van en de trends voor de natuur onder de loep te nemen. Dit verslag is een korte samenvatting van uitvoerige en gedetailleerde informatie en is gebaseerd op de uitgebreide analyses die door het Europees Milieuagentschap (EEA) zijn uitgevoerd 5 ; ook worden er nadere gegevens over de methodiek gegeven.

De resultaten van deze beoordeling verschaffen essentiële inzichten en kennis voor de onderbouwing van verdere acties die nodig zijn om de doelstellingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn te halen en om de bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020 te optimaliseren.

Met betrekking tot de veranderingen in de staat van bepaalde habitats en soorten, is het belangrijk op te merken dat de meeste van deze habitats en soorten al in een kritieke staat verkeerden op het moment dat deze in de richtlijnen werden opgenomen, wat betekende dat het herstel ervan veel tijd en inspanning zou vergen. Er zijn ook beperkingen, omdat de tijdreeks slechts twee verslagperioden onder de habitatrichtlijn beslaat.

2.Beoordelingen van de staat — uitvoeringswijze

2.1. Beoordeling van de staat van instandhouding van habitats en soorten (habitatrichtlijn)

De op grond van de habitatrichtlijn genomen maatregelen beogen "de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen". In de richtlijn wordt in de definitie van het begrip "staat van instandhouding" met meerdere parameters rekening gehouden: verspreidingsgebied, populatie, oppervlakte van habitat, geschiktheid van habitat voor soorten, structuur en functies van habitats, en vooruitzichten voor de toekomst. Deze vormen de basis voor de gegevensverzameling. Voor elke habitat en soort wordt elk van deze parameters volgens een overeengekomen beoordelingsmatrix beoordeeld als gunstig, 6 ontoereikend 7 of slecht 8 (of onbekend), met als resultaat een totaalbeoordeling van de staat van instandhouding in vier klassen. Voor habitats en soorten met een ongunstige staat van instandhouding zijn vier typen trends voor de staat vastgesteld (tabel 1).

Klasse van de staat van instandhouding

Kleur

Trend van de staat van instandhouding (periode 2007-2012) 

Kleur

Gunstig

Verbeterend

Ongunstig-ontoereikend

Stabiel

Ongunstig-slecht

Verslechterend

Onbekend

Onbekend

Tabel 1 — Kleurcodes voor de klassen van de staat van instandhouding en trends voor habitats en soorten

Om een zinvolle vergelijking tussen de lidstaten mogelijk te maken, is Europa verdeeld in negen biogeografische terrestrische en vijf mariene regio's met vergelijkbare ecologische omstandigheden (kaart 1). De lidstaten waarvan het grondgebied meer dan één biogeografische regio bestrijkt, hebben voor elke biogeografische regio en voor elke soort en elk type habitat dat op hun grondgebied voorkomt, een aparte beoordeling ingediend.

Kaart 1 — Biogeografische en mariene regio's in de EU27 voor de verslagperiode 2007-2012 9

Behalve de door de lidstaten gemaakte beoordelingen, hebben het EEA en het Europees Thematisch Centrum voor biodiversiteit (ETC-BD) daarvan ook gegevens geaggregeerd en beoordeeld op het biogeografische niveau van de EU.

2.2. Beoordeling van de staat van populaties van en trends voor vogelsoorten (vogelrichtlijn)

Wat betreft de vogelrichtlijn, die ten doel heeft alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in de EU te beschermen, hebben de lidstaten voor het eerst gegevens over populatiegroottes en trends op hun nationale grondgebied verstrekt. De staat van populaties is uitsluitend op Europees niveau beoordeeld. De gebruikte klassen voor de staat voor vogels zijn gebaseerd op de wetenschappelijke criteria die zijn ontwikkeld om de risico's van uitsterven vast te stellen en die de Internationale Unie tot behoud van de natuur en de natuurlijke rijkdommen (IUCN) heeft gebruikt voor het opstellen van rode lijsten van soorten. Voor de populatietrend voor niet-veilige soorten over de periode 2001-2012 10 zijn vier typen populatietrends vastgesteld (tabel 2).

 

Klasse van de staat van EU-populatie

Kleur

Populatietrend 11

Kleur

Veilig

Toenemend

Gevoelig, afnemend of uitgedund

Stabiel

Bedreigd (d.w.z. kwetsbaar, bedreigd, ernstig bedreigd, regionaal uitgestorven)

Fluctuerend

Afnemend

Onbekend of niet beoordeeld

Onbekend

Tabel 2 — Kleurcodes voor klassen van de staat van EU-populaties en populatietrends voor vogelsoorten

2.3. Gebruik van trends

De analyse op EU-niveau is gebaseerd op een samenvoeging van door de lidstaten verstrekte gegevens. Dit betekent dat veel positieve ontwikkelingen die op lokaal, regionaal of zelfs nationaal niveau zijn bereikt, op deze grotere schaal mogelijk niet meer zichtbaar zijn. Voor de overgang van de ene klasse van de staat van instandhouding/staat van een populatie naar de volgende is ook een aanzienlijke verandering in een of meer van de afzonderlijke parameters/criteria nodig, die in een korte periode van maximaal zes jaar moeilijk te bereiken is. Hierdoor kunnen veranderingen in de loop van de tijd (verbeteringen of verslechteringen) die niet groot genoeg zijn voor indeling in een andere klasse, onopgemerkt blijven als uitsluitend de informatie over de staat wordt weergegeven. Het verslag geeft daarom niet alleen informatie over de staat, maar ook informatie over trends in de staat van instandhouding voor de in de habitatrichtlijn genoemde elementen over de periode 2007-2012, alsmede informatie over de populatietrends voor vogels over de periode 2001-2012. In punt 6 over Natura 2000 worden ook trends voor vogelpopulaties over een lange periode (1980-2012) gepresenteerd.

3.Staat van instandhouding en trends

3.1. Volledigheid en kwaliteit van de gegevens

Sinds de vorige verslagperiode zijn de beschikbaarheid, kwaliteit en standaardisatie van informatie in het kader van de habitatrichtlijn sterk verbeterd. Het aantal beoordeling op EU-niveau in de klasse onbekend is gehalveerd (van 18 % naar 7 % voor habitats en van 31 % naar 17 % voor andere soorten dan vogels). In de afgelopen tien jaar is ook de kennis van vogelpopulaties en trends aanzienlijk toegenomen, waardoor veel betere en gerichtere instandhoudingsmaatregelen kunnen worden genomen.

De mate van conformiteit en de kwaliteit van de gegevens in de nationale verslagen varieert echter en zou nog verder kunnen worden verbeterd door gerichte monitoringprogramma's. Mariene habitats en soorten blijven de minst bekende en voor de monitoring daarvan zijn aanzienlijke aanvullende inspanningen nodig. Deze situatie zou kunnen worden verbeterd door grotere coherentie op dit gebied met de kaderrichtlijn mariene strategie.

3.2. Alle vogelsoorten

De staat van meer dan de helft van alle beoordeelde soorten in het wild levende vogels is veilig. Ongeveer 15 % is gevoelig, afnemend of uitgeput en nog eens 17 % van de soorten is bedreigd (figuur 1). De populatietrends voor de vogelsoorten in de korte periode geven aan dat slechts 4 % niet-veilig maar toenemend is, terwijl 6 % niet-veilig en stabiel is, en nog eens 20 % niet-veilig en afnemend is (figuur 2).

Figuur 1 — Staat van vogelpopulaties

Figuur 2 — Staat van vogelpopulaties met populatietrends in de korte periode voor niet-veilige vogelsoorten

Sommige vogelsoorten lijken te profiteren van specifieke instandhoudingsmaatregelen gericht op de aanpassing van bodemgebruikpraktijken, vooral in Natura 2000-gebieden. Milieuprogramma's voor de landbouw en programma's voor ruimtelijke ordening die met succes in Spanje, Portugal, Oostenrijk, Hongarije en Duitsland zijn uitgevoerd, hebben bijvoorbeeld het herstel bevorderd van de grote trap Otis tarda, een soort die afhankelijk is van open landschappen (grasland, steppegebied en onverstoorde cultuurgrond) en die elders in Europa afneemt. Hoewel de populatie van de witrugspecht Dendrocopos leucotos, die sterk afhankelijk is van oude en dode loofbomen, in sommige EU-landen duidelijk is afgenomen, is de soort toegenomen in Finland, waar hij heeft geprofiteerd van veranderende bosbeheerpraktijken in Natura 2000-gebieden. Meerdere soorten roofvogels, waaronder de populaties van de keizerarend Aquila heliaca op de Pannonische vlakte, zijn toegenomen dankzij maatregelen zoals bescherming van nestplaatsen en habitatbeheer.

3.3. Soorten van communautair belang (habitatrichtlijn)

Ongeveer 23 % van de beoordelingen van soorten op EU-niveau wijst op een gunstige staat, terwijl de uitkomst van 60 % van de beoordelingen ongunstig is, waarvan 18 % ongunstig-slecht. Wat betreft trends in de staat, zijn de 60 % beoordelingen die als ongunstig zijn geregistreerd, als volgt samengesteld: 4 % verbetert, 20 % is stabiel, 22 % verslechtert en van 14 % is de trend onbekend (figuren 3 en 4).

Figuur 3 — Staat van instandhouding van soorten

Figuur 4 — Staat van instandhouding van soorten met trends voor de soorten waarvan de staat als ongunstig is beoordeeld

Het grootste aandeel gunstige beoordelingen voor de terrestrische biogeografische regio's werd gerapporteerd voor de Zwarte Zeeregio (32 %) en de alpiene regio (31 %), terwijl de boreale regio en Atlantische regio het hoogste aandeel ongunstig-slechte beoordelingen laten zien (respectievelijk 29 % en 32 %). Hoewel het aantal beoordelingen van soorten in de mariene regio's kleiner is, is het aandeel van de beoordelingen met als uitkomst onbekend voor deze regio's veel groter (tot 88 % in de Macaronesische regio). De Oostzeeregio laat de slechtste staat zien, met 60 % van de beoordelingen resulterend in de kwalificatie ongunstig-slecht, gevolgd door de Zwarte Zeeregio (33 %).

Vaatplanten en amfibieën hebben relatief de meeste gunstige beoordelingen, respectievelijk 29 % en 28 % (figuur 5). Veel van de slechte staten/verslechterende trends zijn aangetroffen voor soorten die worden geassocieerd met het aquatisch milieu, zoals rivieren, meren en wetlands. Dit komt overeen met de bevinding dat zoetwaterhabitats overwegend een ongunstig-ontoereikende staat van instandhouding hebben. Ze worden bedreigd door door de mens veroorzaakte veranderingen in de hydrologische werking, verlies van connectiviteit, kanalisatie, sedimentverwijdering, eutrofiëring en verontreiniging.

Veel soorten die worden geassocieerd met zoetwaterhabitats, zoals trekkende vissen, nemen in zorgwekkende mate af. Grootschalige partnerschapsprojecten voor trekkende vissen, zoals voor de roofblei Aspius aspius in Zweden en de elft Alosa alosa in Duitsland, zijn er evenwel erin geslaagd om populaties te versterken door waterlopen te herstellen en belemmeringen voor migratie weg te nemen door de aanleg van vistrappen. In Oostenrijk heeft de verwijdering van obstakels voor de migratie van vissen in de bovenloop van de Donau de migratiemogelijkheden voor de Donauzalm Hucho hucho en andere bedreigde vissoorten verbeterd.

 

Figuur 5 — Staat van instandhouding van en trends voor soorten per taxonomische groep

3.4. Typen habitats

De staat van instandhouding van en trends voor habitats zijn slechter dan voor soorten. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de langere traditie van instandhoudingsmaatregelen voor soorten en aan de minder complexe aard en kortere responstijd voor soorten om te herstellen. In de gehele EU is 16 % van de beoordelingen van habitats gunstig, terwijl meer dan drie kwart ongunstig is, waarvan 30 % ongunstig-slecht. Wat betreft trends in de staat, is de 77 % die als ongunstig werd beoordeeld als volgt samengesteld: 4 % vertoont verbetering, 33 % is stabiel, 30 % wijst op verdere verslechteringen en van 10 % is de trend onbekend (figuren 6 en 7).

Figuur 6 — Staat van instandhouding van habitats

Figuur 7 — Staat van instandhouding van en trends voor habitats met een ongunstige staat

Hoewel de Atlantische en boreale biogeografische regio het grootste aandeel met een ongunstig-slechte beoordeling hebben (beide 51 %), hebben deze twee regio's ook het hoogste aandeel verbeterende situaties (respectievelijk 11 % en 10 %). Zo is de staat van kustlagunen nog steeds ongunstig-slecht in de Atlantische zone van Denemarken, maar heeft gerichte actie in het kader van LIFE-projecten en milieuregelingen voor de landbouw geholpen om enkele kustlagunen en omliggende kustweiden te herstellen. In Letland, dat deel uitmaakt van de boreale regio, is sprake van uitbreiding van, en een in het algemeen positieve trend voor, psammofiele heide. Deze gronden zijn grotendeels beschermd in Natura 2000 en hebben geprofiteerd van LIFE-projecten en van een innovatief partnerschap met de beheerders van militaire oefenterreinen. Het succesvolle herstel van mediterrane schorren in Slovenië, door te zorgen voor traditionele activiteiten in zoutpannen en andere beheersmaatregelen, heeft geleid tot verbetering van de staat van instandhouding van dit type habitat.

3.5. Voortgang in de richting van streefdoel 1 van de biodiversiteitsstrategie

Het hoofddoel van de biodiversiteitsstrategie van de EU is het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten in de EU uiterlijk in 2020 tot staan te brengen en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Streefdoel 1 van de strategie stelt meetbare doelen vast voor verbetering van de staat van instandhouding van onder de natuurrichtlijnen vallende habitats en soorten. Met het verslag dat in 2009 is opgesteld uit hoofde van de habitatrichtlijn, en de beoordeling van de staat in "Birds in the EU" van 2004 12 als benchmarks, werden de volgende doelen vastgesteld:

100 % meer habitatbeoordelingen (34 %) en 50 % meer soortenbeoordelingen (25,5 %) in het kader van de habitatrichtlijn in een gunstige of verbeterde staat van instandhouding; en

50 % meer soortenbeoordelingen (78 %) in het kader van de vogelrichtlijn met een veilige of verbeterde staat van instandhouding.

Deze streefdoelen zijn gebaseerd op een optimaal, maar haalbaar scenario dat uitging van volledige tenuitvoerlegging door de lidstaten van maatregelen in het kader van de richtlijnen om de staat van instandhouding te verbeteren.

Figuur 8 laat de vorderingen bij het behalen van de gestelde streefdoelen zien. Bij vergelijking van de beoordelingen voor verschillende perioden moet echter zo veel mogelijk worden gewaarborgd dat de waargenomen veranderingen echt zijn en niet simpelweg toe te schrijven zijn aan een betere beschikbaarheid van gegevens of een andere methodologie 13 . De voornaamste punten zijn:

In de staat van typen habitats heeft tot nu toe geen substantiële verandering plaatsgevonden. Beoordelingen die eerder gunstig waren, blijven ongewijzigd. Er zijn geen nieuwe habitats die de kwalificatie gunstig voor de staat van instandhouding hebben behaald (16 %). 4 % wordt nu beoordeeld als ongunstig, maar verbeterend, is 30 % als nog steeds verslechterend en is 42 % sinds 2006 ongewijzigd 14 .

De veranderingen tussen de verslagperioden voor soorten zijn moeilijker te beoordelen. Behalve werkelijke veranderingen in de staat zelf, hebben verbeteringen in de gegevens en de methodologie de beoordelingen aanmerkelijk beïnvloed. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden, blijkt dat 22 % van de soorten, in plaats van 17 %, in 2007 waarschijnlijk een gunstige staat had. Hiermee rekening houdend kan worden geconcludeerd dat de werkelijke verbetering in het aantal gunstige beoordelingen voor soorten heel klein is (1-2 % meer dan in 2007). Figuur 8 laat daarom ook een "teruggerekend"-streefcijfer zien, d.w.z. het streefcijfer zoals het zou zijn geweest als de staat van deze soorten in 2007 als gunstig was beoordeeld. Wat betreft de beoordelingen van alle soorten, is 5 % ongunstig maar verbeterend, 22 % nog steeds verslechterend en 33 % sinds 2006 ongewijzigd.

Het aandeel van de beoordelingen van vogelsoorten met de staat veilig blijft 52 % (net als in 2004). Wat betreft de beoordelingen van alle vogelsoorten, is 8,5 % niet-veilig maar toenemend, is 2 % niet-veilig en stabiel en vertoont 20 % een verdere afname.

De algemene trend voor habitats blijkt ruwweg gelijk aan die voor soorten. Degene die al gunstig/veilig zijn, blijven stabiel of verbeteren nog verder. Een klein deel van de ongunstige/niet-veilige beoordelingen verbetert, maar een groter deel van de beoordelingen die eerder een ongunstige uitkomst hadden, blijft verslechteren. Als er geen aanzienlijke verbetering in de trends optreedt, zal het niet mogelijk zijn om streefdoel 1 in 2020 te halen.

 

Figuur 8 — Vorderingen bij het behalen van streefdoel 1 van de biodiversiteitsstrategie (onbekende situaties worden niet getoond)

4.Belastingen en bedreigingen

Om de factoren die de sta at en trend beïnvloeden beter te begrijpen, hebben de lidstaten gestructureerde informatie verstrekt over belastingen en bedreigingen 15 , d.w.z. over de onderliggende factoren die gevolgen hebben voor soorten en habitats. Voor terrestrische systemen (figuur 9), zijn landbouw en door de mens veroorzaakte veranderingen van de natuurlijke omstandigheden de belangrijkste problemen die voor alle drie de groepen (vogels, andere soorten en habitats) zijn geïdentificeerd. Wat betreft landbouw, zijn veranderingen in teeltwijze, begrazing door vee (met inbegrip van het stopzetten van beweidingssystemen/ontbreken van begrazing), bemesting en bestrijdingsmiddelen de meest genoemde belastingen en bedreigingen. Wat betreft veranderingen van natuurlijke omstandigheden, zijn door de mens veroorzaakte veranderingen in de hydrologische omstandigheden en waterlichaamomstandigheden, verandering van de hydrografische werking, vermindering van de connectiviteit van habitats en wateronttrekking aan het grondwater de meest genoemde factoren. Deze beoordeling komt overeen met de beoordeling in het kader van de kaderrichtlijn water, waarin landbouw en hydromorfologie werden geïdentificeerd als de belangrijkste belastingen die van invloed zijn op waterlichamen 16 .

 

Figuur 9 — Frequentie (%) van als hoog ingedeelde belastingen en bedreigingen (tezamen) op niveau 1 — Terrestrisch

Wat betreft mariene systemen, zijn gebruik van levende hulpbronnen (hoofdzakelijk visserij en oogsten van aquatische hulpbronnen, maar ook — in mindere mate — aquacultuur) en verontreiniging de belangrijkste gerapporteerde belastingen en bedreigingen (figuur 10).

Wijziging van de natuurlijke omstandigheden (baggeren, verandering van hydrologisch regime en kustlijnbeheer) en verstoringen door menselijke activiteiten, alsook de gevolgen van de klimaatverandering voor mariene vogels worden eveneens als invloedrijk gerapporteerd.

 

Figuur 10 — Frequentie (%) van als hoog ingedeelde belastingen en bedreigingen (tezamen) op niveau 1 — Marien

5.Een ecosysteemperspectief

Er is een analyse van de staat van instandhouding van en trends voor habitats en soorten gemaakt, uitgesplitst naar hun affiniteit met de ecosystemen die worden genoemd in de typologie die is ontwikkeld in het kader van het EU-initiatief voor het in kaart brengen en beoordelen van ecosystemen en ecosysteemdiensten (Mapping & Assessment of Ecosystems and their Services, MAES) 17 . Figuur 11 geeft de staat van instandhouding van en trends voor habitats en soorten per type ecosysteem weer.

5.1. Terrestrische ecosystemen

De staat van instandhouding van en trends voor habitats en soorten verschillen aanzienlijk tussen terrestrische ecosystemen. Graslanden en wetlands hebben het grootste aandeel habitats met een ongunstig-slechte of verslechterende staat. Dit wordt ook ondersteund door de bevindingen over belastingen en bedreigingen, waaruit naar voren is gekomen dat deze systemen vooral worden getroffen door landbouw en hydrologische veranderingen.

 

Figuur 11 — Staat van instandhouding (SI) van en trends voor habitats per type ecosysteem (MAES)
(de getallen tussen haakjes geven het aantal beoordelingen weer)

Terwijl de situatie voor deze twee typen ecosystemen in alle biogeografische regio's ongunstig is, blijkt uit casestudies dat verbetering mogelijk is als passende, gerichte maatregelen worden genomen.

Graslanden

Natuurlijke en halfnatuurlijke graslanden behoren tot de meest soortenrijke ecosystemen in de EU. Ze werden vroeger gekenmerkt door uitgebreide beheersystemen, maar de oppervlakte ervan is de laatste decennia sterk afgenomen. Circa 49 % van de EU-beoordelingen voor de 45 typen graslandhabitat van communautair belang is ongunstig-slecht. Bovendien neemt bijna 50 % van de met grasland in verband gebrachte vogels in aantal af en is de staat van instandhouding van andere soorten grotendeels ongunstig.

De huidige belastingen van graslanden zijn onder andere intensivering van het gebruik, ongunstige teelttechnieken, omzetting naar ander bodemgebruik en braaklegging. In Litouwen heeft twee derde van de beoordelingen van typen graslandhabitat een verslechterende trend, terwijl dergelijke habitats in het Verenigd Koninkrijk allemaal een ongunstig-slechte staat van instandhouding hebben. Evenzo nemen van grasland afhankelijke vogels zoals de kwartelkoning Crex crex en kievit Vanellus vanellus in de EU in aantal sterk af.

Waar passende Europese en nationale maatregelen zijn genomen, is het desalniettemin mogelijk gebleken om negatieve trends te keren. In Estland zijn bijvoorbeeld grote oppervlakken halfnatuurlijk grasland hersteld met steun van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het LIFE-instrument. Dit heeft de aanpassing van de maaipraktijken op bestaande weidegronden mogelijk gemaakt, alsook de herinvoering van extensieve beheersmaatregelen voor weidegronden die waren opgegeven. Dit is aanvankelijk bij wijze van pilot uitgevoerd in Natura 2000-gebieden, maar wordt nu veel breder toegepast op het duurzame beheer van weidegronden.

Wetlands

Wetlands, inclusief venen, behoren tot de meest bedreigde ecosystemen in Europa, aangezien de afgelopen decennia grote oppervlakken verloren zijn gegaan. Hoewel ze slechts circa 2 % van het grondgebied van de EU beslaan, en 4,3 % van het Natura 2000-oppervlak, zijn ze voor een grote verscheidenheid van soorten zeer belangrijk. De meeste typen wetlandhabitat in de EU zijn beschermd.

De beoordelingen laten zien dat de staat van instandhouding van 51 % van de met wetlands in verband gebrachte habitats ongunstig-slecht is. Door de mens veroorzaakte veranderingen in de hydrologie (zoals afwatering) zijn veruit de belangrijkste belasting. In Ierland hebben bijvoorbeeld alle habitats van het type venen een ongunstige staat van instandhouding en blijven venen achteruitgaan door turfwinning en afwatering. Door de grootschalige achteruitgang van wetlands in de gehele EU nemen de populaties van sommige soorten die sterk afhankelijk zijn van wetlands, zoals de wulp Numenius arquata en de roodbuikvuurpad Bombina bombina, af. Deze trends kunnen echter worden gekeerd. In België laten bijvoorbeeld bijna alle beoordelingen van typen wetlandhabitats een stabiele of verbeterende trend zien, dankzij talrijke grootschalige projecten en onafgebroken inspanningen in Natura 2000-gebieden.

Populaties van soorten die afhankelijk zijn van wetlands, zoals de roerdomp Botaurus stellaris, hebben zich aanmerkelijk hersteld waar op hun habitats gerichte instandhoudingsmaatregelen werden genomen. Dit is ook het geval in het Verenigd Koninkrijk, met steun van het LIFE-programma.

5.2. Mariene ecosystemen

De staat van instandhouding en trends verschillen ook aanzienlijk tussen mariene ecosystemen (figuur 11). Door de relatief lage aantallen mariene elementen die onder de habitatrichtlijn vallen, en het hoge aantal onbekend, zijn de resultaten echter minder overtuigend.

61 % van de vogelsoorten die worden geassocieerd met mariene ecosystemen, is veilig. Bijna een kwart is bedreigd, wat het effect benadrukt van bedreigingen zoals predatie en verstoring van koloniën, bijvangst van visserij en verontreiniging van de zee.

Door de complexiteit van het werken in het mariene milieu en het relatieve gebrek aan gegevens, is er minder voortgang gemaakt met de bescherming van mariene elementen en de totstandbrenging van het Natura 2000-netwerk (in het bijzonder voor de kust). Maatregelen die gericht zijn op een beter en receptiever beheer van gebieden en die schadelijke activiteiten verbieden, kunnen echter snel verbeteringen opleveren. In Ierland hangt de recente positieve trend in de staat van instandhouding van kalkwier Lithothamnium coralloides samen met het beschermingsregime van de habitatrichtlijn. Sommige bedreigde zeevogels hebben ook geprofiteerd van instandhoudingsmaatregelen in het Natura-netwerk: de populatie van de dougalls stern Sterna dougallii is in de EU aanzienlijk toegenomen, dankzij de bescherming en het beheer van broedplaatsen, met inbegrip van de beheersing van roofdieren.

6. De rol van Natura 2000

Het Natura 2000-netwerk, dat bestaat uit speciale beschermingszones – SPA's (Special Protection Areas) in het kader van de vogelrichtlijn en SAC's (Special Areas of Conservation) 18 in het kader van de habitatrichtlijn – omvat gebieden met een hoge biodiversiteitswaarde. Het netwerk bestrijkt nu meer dan 18 % van het landoppervlak van de EU en 4 % van de zeeën van Europa. Het is het belangrijkste instrument van de natuurrichtlijnen voor het creëren van een goede/gunstige staat voor soorten en habitats. In deze verslagperiode nam het aantal gebieden met 9,3 % (SAC's) en 12,1 % (SPA's) toe, terwijl het door het netwerk bestreken oppervlak met 41,2 % (SAC's) en 28,9 % (SPA's) toenam. De meeste van deze toenames houden verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU in 2007 en met de mariene component van het netwerk.

Hoewel er ook belangrijke voortgang is gemaakt met het aanwijzen van SAC's in enkele lidstaten en met verdere werkzaamheden betreffende beheersplannen, moet het volledige potentieel van het netwerk nog worden gerealiseerd. De oorzaak hiervan is dat de benodigde instandhoudingsmaatregelen voor de gebieden nog niet volledig zijn ingevoerd. Zo is voor slechts 50 % van de gebieden het bestaan van uitvoerige beheersplannen gerapporteerd. Tevens blijkt dat de investeringen in enkele lidstaten onvoldoende zijn om deze doelstelling te verwezenlijken 19 en dat de mogelijkheden die door bijvoorbeeld het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het gemeenschappelijk visserijbeleid en het regionale beleid van de EU worden geboden, niet volledig worden benut.

6.1. Bijdrage van het netwerk aan de staat van instandhouding (habitatrichtlijn)

Het netwerk bestrijkt, in verschillende mate, de habitattypen genoemd in bijlage I en de soorten genoemd in bijlage II van de richtlijn, waarvoor SAC's worden aangewezen. Om de dekking door Natura 2000 te correleren aan staten en trends, zijn de beoordelingen in drie groepen verdeeld op basis van de mate waarin de habitattypen en soorten in Natura 2000 zijn vertegenwoordigd, d.w.z. een dekking van meer dan 75 % (hoog), 35-75 % (gemiddeld) en minder dan 35 % (laag) (zie figuur 12).

Figuur 12 — Trends in de staat van instandhouding van in bijlage I opgenomen habitats die door de lidstaten als ongunstig zijn beoordeeld (voor habitats met meer dan 75 %, 35-75 % en minder dan 35 % van hun oppervlak bestreken door Natura 2000)

De algemene staat van instandhouding van habitats en soorten kan niet worden toegeschreven aan de dekking van het Natura 2000-netwerk. Voor zowel habitats als soorten met een ongunstige staat hangt de trend in de staat van instandhouding 20 echter nauw samen met de dekking van het Natura 2000-netwerk. Het aandeel van de beoordelingen met een verslechterende staat is hoger in situaties met een lage dekking (0-35 %) dan waar er een hoge (75-100 %) dekking is. Degene met een relatief hogere Natura 2000-dekking hebben daarentegen relatief vaker een stabiele beoordeling. Dit onderstreept de cruciale rol van het netwerk in het stabiliseren van de staat van instandhouding.

Een interessant voorbeeld is te vinden in Polen, waar 80-90 % van het bedreigde grasland op kalkhoudende bodem, type habitat 6210, door het netwerk wordt bestreken. Dit type habitat werd in het verleden vaak opgegeven of slecht beheerd. Recent is de staat van deze habitat verbeterd, dankzij de tenuitvoerlegging van instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden, waaronder verwijdering van struikgewas, maaien en in sommige gevallen extensieve begrazing. Deze acties, die grotendeels werden gefinancierd door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, hebben geleid tot een geleidelijke toename van het oppervlak van deze graslandhabitat en tot vermindering van de fragmentatie. Dit heeft op zijn beurt het herstel van de inheemse gevlekte soeslik Spermophilus suslicus geholpen, waarvan de populatie zich vrijwel volledig in Natura 2000-gebieden bevindt. Dit is een duidelijk voorbeeld van de manier waarop menselijke activiteiten, ook met een economisch doel, gunstig kunnen zijn voor de instandhouding van habitats en soorten, mits de activiteiten op duurzame wijze worden uitgevoerd. 

6.2. Trends voor soorten die afhankelijk zijn van het SPA-netwerk (vogelrichtlijn)

Van de vogelsoorten die in bijlage I voorkomen, waarvoor de aanwijzing van SPA's de belangrijkste maatregel is, vertoont een groter deel een toenemende trend in broedpopulaties (figuur 13) dan het geval is voor soorten die niet in deze bijlage voorkomen. Dit wijst erop dat gerichte instandhoudingsacties voor deze soorten, in het bijzonder het beheer van SPA's, een positief effect hebben op de populaties ervan. De in bijlage I opgenomen soorten en ondersoorten waarvoor actieplannen voor de individuele soort zijn ontwikkeld en die prioriteit hebben bij de financiering uit hoofde van het LIFE-programma, laten een nog groter aandeel met een toenemende populatietrend zien.

Ongeveer 35 % van de in bijlage I opgenomen soorten die over de lange periode zijn afgenomen, vertoont een toenemende of stabiele trend over de korte periode. Dit is een duidelijk teken van stabilisering en in enkele gevallen van verbetering van de staat. Toch neemt 45 % van de soorten die zijn afgenomen over de lange periode, ook af over de korte periode, wat erop wijst dat nog steeds aanzienlijke aandacht en inspanning vereist is om deze afnames te keren.

 

Figuur 13 — Broedpopulatietrend over de lange periode (sinds 1980) (%) per bijlage

De kraanvogel Grus grus, een emblematische in bijlage I opgenomen soort, waarvan de broed-, roest- en overwinteringsgebieden speciale bescherming van Natura 2000 genieten en die voorwerp is van veel gerichte instandhoudingsacties, heeft sinds de inwerkingtreding van de vogelrichtlijn aan het begin van de jaren tachtig een opmerkelijk herstel in aantal en verspreiding beleefd.

7.Conclusies

Dit is de tweede beoordeling van de staat van instandhouding in het kader van de habitatrichtlijn, waardoor een eerste vergelijkende beoordeling op EU-niveau kan worden gemaakt. Een bijkomend voordeel is dat de kennis van de staat van en trends voor beschermde soorten en habitats sinds de vorige verslagperiode aanzienlijk is verbeterd. Bovendien heeft in het kader van de vogelrichtlijn een vergelijkbare verslaglegging plaatsgevonden, waardoor voor het eerst een allesomvattende beoordeling kan worden gemaakt van de staat van en trends voor alle soorten die onder de natuurwetgeving van de EU vallen.

Sommige van de onder de wetgeving vallende soorten en habitats vertonen tekenen van herstel, zoals succesverhalen uit verschillende delen van Europa illustreren. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het Natura 2000-netwerk een grote rol speelt in het stabiliseren van habitats en soorten met een ongunstige staat, vooral waar de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen op toereikende schaal worden uitgevoerd.

De algemene staat van soorten en habitats in de EU is in de periode 2007-2012 echter niet substantieel gewijzigd. Veel habitats en soorten hebben een ongunstige staat, en de staat van een aanzienlijk deel hiervan verslechtert nog steeds. Er zijn dus veel krachtigere instandhoudingsinspanningen nodig om streefdoel 1 van de EU voor de biodiversiteit in 2020 te halen. Sommige soortengroepen, zoals zoetwatervissen, en habitats, zoals graslanden en wetlands, geven in het bijzonder aanleiding tot zorg. Aanzienlijke belastingen en bedreigingen door veranderingen in de bedrijfsvoering in de landbouw en voortdurende veranderingen in de hydrologische omstandigheden, alsook overexploitatie en verontreiniging van het mariene milieu moeten worden aangepakt om deze trends te keren.

Het effectieve beheer en herstel van de Natura 2000-gebieden is van cruciaal belang voor het bereiken van de doelstellingen van de richtlijnen. Hoewel met het opzetten van het netwerk vorderingen zijn gemaakt, is dat nog onvoldoende het geval waar het gaat om het invoeren van instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen die volledig zijn afgestemd op de behoeften van de beschermde habitats en soorten. Voor slechts 50 % van de gebieden werd gerapporteerd dat zij eind 2012 uitvoerige beheersplannen hadden. De EU-financieringsinstrumenten, die mogelijkheden bieden om het beheer en herstel van Natura 2000-gebieden te ondersteunen, werden onvoldoende benut 21 .

De staat van instandhouding van soorten en habitats kan worden verbeterd door gerichte acties, zoals is aangetoond door bijvoorbeeld het programma LIFE-Natuur en door op maat gesneden milieumaatregelen in de landbouw die zijn medegefinancierd door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling. De Commissie werkt met de lidstaten en belanghebbenden op Europees biogeografisch niveau samen om de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken op het gebied van beheer en herstel te bevorderen. Met deze verbeteringen zullen aanmerkelijke economisch voordelen behaald blijven worden uit de uitgebreide ecosysteemdiensten die het Natura 2000-netwerk verschaft. De voordelen, die alleen al voor terrestrische gebieden worden geraamd op 200 tot 300 miljard EUR, omvatten koolstofopslag, matiging van de gevolgen van natuurrampen, waterzuivering, gezondheid en toerisme 22 . Deze zouden verdere investeringen in het netwerk moeten blijven aanmoedigen. 

In het kader van Refit (het programma van de Commissie voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving) heeft de Commissie onlangs de aanzet gegeven tot een "geschiktheidscontrole" van de natuurrichtlijnen om te beoordelen of deze richtlijnen geschikt zijn voor hun doel. Bij de geschiktheidscontrole zal naar een breed scala van punten worden gekeken die verband houden met de effectiviteit, efficiëntie, coherentie en relevantie van de wetgeving en de toegevoegde waarde ervan voor de EU. Dit verslag over de stand van de natuur zal belangrijke informatie verschaffen voor de geschiktheidscontrole, in het bijzonder over de effectiviteit van de wetgeving. De resultaten zullen tevens worden ingebracht in de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie.

(1) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Verstandig gebruik en behoud van wetlands, COM(1995) 189 def. van 29.5.1995.
(2) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.
(3) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
(4)  Te downloaden van het Biodiversity Data Centre van het Europees Milieuagentschap (http://www.eea.europa.eu/themes/biodiversity/dc).
(5) EEA-rapport nr. 2/2015 — State of nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2007-2012.
(6) Een type habitat of soort gedijt (kwalitatief en kwantitatief) goed en heeft goede vooruitzichten om dat ook in de toekomst te doen.
(7) Er is een verandering in het beheer nodig om het type habitat of de soort weer in een gunstige staat te brengen, maar er is in de nabije toekomst geen gevaar voor uitsterven.
(8) De staat van een type habitat of de soort is verre van goed of het type habitat of de soort loopt zelfs ernstig gevaar uit te sterven (ten minste regionaal).
(9)  Het verslag heeft betrekking op de EU27, omdat de verslagperiode vóór de toetreding van Kroatië tot de EU lag.
(10) Er is met de lidstaten een trendperiode van twaalf jaar overeengekomen, omdat een periode van zes jaar te kort is om betekenisvolle populatietrends te ontdekken.
(11) Korte trendperiode: 2001-2012, lange trendperiode: 1980-2012.
(12)  BirdLife International (2004) Birds in the European Union: a status assessment. Wageningen, Nederland: BirdLife International.
(13)  Zie EEA-rapport nr. 2/2015 — State of nature in the EU: Results from reporting under the nature directives 2007-2012 voor meer details.
(14)  Inclusief de beoordelingen die onbekend bleven.
(15)  De lidstaten moesten het belang van elk van de gerapporteerde bedreigingen/belastingen indelen als hoog, gemiddeld of laag.
(16) Zie de mededeling van de Commissie - Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren, COM(2012) 673 final, en de mededeling van de Commissie - De kaderrichtlijn water en de overstromingsrichtlijn: acties om de "goede toestand" van EU-wateren te bereiken en overstromingsrisico's te beperken, COM(2015) 120 final.
(17) http://biodiversity.europa.eu/maes   
(18)

Gebieden uit hoofde van de habitatrichtlijn worden door de lidstaten voorgesteld en werden aanvankelijk aangeduid als gebieden van communautair belang (Sites of Community Importance, SCI's) voordat ze formeel werden aangeduid als SAC's — de gegevens in dit verslag hebben betrekking op beide.

(19)

Financing Natura 2000 — Investing in Natura 2000: Delivering benefits for nature and people, SEC(2011) 1573 final, 12.12.2011.

(20)  En ook de populatietrend voor soorten over de korte periode.
(21)

Financing Natura 2000 — Investing in Natura 2000: Delivering benefits for nature and people, SEC(2011) 1573 final, 12.12.2011.

(22)  Estimating the Overall Economic Value of the Benefits provided by the Natura 2000 Network, IEEP (december 2011).
Top