EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014XC0620(01)

Mededeling van de Commissie — Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang

OJ C 188, 20.6.2014, p. 4–12 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

20.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 188/4


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang

(2014/C 188/02)

1.   INLEIDING

1.

Deze mededeling wil handvatten bieden voor het toetsen van overheidsfinanciering voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang aan de staatssteunregels.

2.

Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang kunnen een zeer aanzienlijke bijdrage leveren tot economische groei, banen en concurrentiekracht voor het bedrijfsleven en de economie van de Unie, omdat zij positieve overloopeffecten hebben voor de interne markt en de Uniesamenleving.

3.

Dankzij dit soort projecten kunnen kennis, deskundigheid, financiële middelen en economische spelers uit de hele Unie worden gebundeld, zodat aanzienlijk markt- of systeemfalen en grote maatschappelijke uitdagingen worden aangepakt, waarvoor er anders geen oplossing zou komen. Zij zijn ontworpen om de krachten van de publieke en de particuliere sector te bundelen voor de uitvoering van grootschalige projecten die aanzienlijke voordelen voor de Unie en haar burgers opleveren.

4.

Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang kunnen relevant zijn voor alle beleidslijnen en -initiatieven die gemeenschappelijke Europese doelstellingen vervullen, met name wat betreft de Europa 2020-doelstellingen (1), de vlaggenschipinitiatieven van de Unie en cruciale sectoren voor economische groei — zoals Key Enabling Technologies (KET’s) (2).

5.

In het initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) (3) wordt ervoor gepleit om staatssteun om te buigen naar doelstellingen van gemeenschappelijk Europees belang in lijn met de prioriteiten van de Europa 2020-agenda, zodat marktfalen of ander belangrijk systeemfalen kan worden aangepakt dat een hinderpaal is voor het stimuleren van groei en banen en de ontwikkeling van een geïntegreerde, dynamische en concurrerende interne markt. De uitrol van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang vergt vaak een aanzienlijke bijdrage van de overheid, omdat de markt dit soort projecten anders niet zou financieren. In deze mededeling wordt uiteengezet welke regels van toepassing zijn ingeval overheidsfinanciering van dit soort projecten staatssteun vormt. Dit moet garanderen dat er op de interne markt een gelijk speelveld behouden blijft.

6.

Regels met betrekking tot overheidsfinanciering voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang zijn nu al uitgewerkt in de O&O&I-steunkader (4) en in de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (5) die houvast bieden voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „het Verdrag” genoemd). Het initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) is een geschikte gelegenheid om de bestaande richtsnoeren bij te werken en tot één document te bundelen, zodat deze kunnen worden afgestemd op de Europa 2020-doelstellingen en de doelstellingen van het SAM-initiatief en ook kunnen worden uitgebreid tot andere sectoren waar dit toepassing kan vinden. Deze mededeling vervangt dus alle bestaande bepalingen met betrekking tot belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Zo biedt zij de lidstaten op maat gesneden en multidisciplinaire houvast dat de ontwikkeling moet stimuleren van belangrijke samenwerkingsprojecten die de gemeenschappelijke Europese belangen bevorderen.

7.

Volgens artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag kan steun om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd. Daarom wordt in deze mededeling het nodige houvast geboden ten aanzien van de criteria die de Commissie zal toepassen bij het beoordelen van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Eerst wordt het toepassingsgebied van deze mededeling afgebakend, om daarna een lijst van criteria te geven die de Commissie voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), zal hanteren om de aard en het belang van dit soort projecten te beoordelen. Vervolgens wordt uiteengezet hoe de Commissie overheidsfinanciering voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang op hun verenigbaarheid met de staatssteunregels zal beoordelen.

8.

Deze mededeling sluit niet uit dat steun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang ook op grond van andere Verdragsbepalingen, en met name artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, met de interne markt verenigbaar kan worden verklaard. Het raamwerk van staatssteunregels wordt momenteel gemoderniseerd om lidstaten ruimere mogelijkheden te bieden voor het subsidiëren van belangrijke projecten die marktfalen en cohesieproblemen op verschillende terreinen willen aanpakken, en zo bij te dragen tot duurzame groei en banen. Die bepalingen geven echter misschien geen volledig antwoord op omvang, specifieke kenmerken en aspecten van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, waarvoor mogelijk specifieke bepalingen inzake subsidiabiliteit, procedures en verenigbaarheid nodig zijn, die in deze mededeling worden uiteengezet.

2.   TOEPASSINGSGEBIED

9.

Deze mededeling is van toepassing op belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang in alle economische sectoren.

10.

Deze mededeling is niet van toepassing op:

a)

maatregelen die steun behelzen voor ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun (6), of richtsnoeren die deze wijzigen of vervangen;

b)

maatregelen die ad-hocsteun behelzen voor ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun onrechtmatig en met de interne markt onverenigbaar is verklaard;

c)

steunmaatregelen die op zich of door de daaraan verbonden voorwaarden of financieringswijze tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht leiden (7), met name:

steunmaatregelen waarbij aan de toekenning van de steun de verplichting voor de begunstigde verbonden is om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om overwegend in die lidstaat te zijn gevestigd;

steunmaatregelen waarbij aan de toekenning van de steun de verplichting voor de begunstigde is verbonden om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;

steunmaatregelen die beperkingen stellen aan de mogelijkheden voor de begunstigde om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie (hierna „O&O&I” genoemd) in andere lidstaten te exploiteren.

3.   CRITERIA OM IN AANMERKING TE KOMEN

11.

Om te bepalen of een project onder artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag valt, zullen de volgende criteria worden toegepast.

3.1.   Definitie van een project

12.

Het steunvoornemen betreft één project dat duidelijk is omschreven wat betreft de doelstellingen en de uitvoeringsvoorwaarden ervan, met inbegrip van alle deelnemers en de financiering ervan (8).

13.

De Commissie kan ook een „geïntegreerd project” als in aanmerking komend beschouwen. Daarbij gaat het om een groep afzonderlijke projecten die zijn opgenomen in een gemeenschappelijke structuur, routekaart of programma die of dat op dezelfde doelstelling is gericht en op een coherente, systemische benadering is gebaseerd. De afzonderlijke onderdelen van het geïntegreerde project mogen betrekking hebben op verschillende niveaus van de leveringsketen, maar moeten complementair en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de belangrijke Europese doelstelling (9).

3.2.   Gemeenschappelijk Europees belang

3.2.1.   Algemene cumulatieve criteria

14.

Het project moet concreet, duidelijk en aanwijsbaar bijdragen tot één of meer Uniedoelstellingen en moet een aanzienlijk effect hebben op het concurrentievermogen van de Unie, op duurzame groei, op het aangaan van maatschappelijke uitdagingen of waardecreatie in de hele Unie.

15.

Het project moet een belangrijke bijdrage leveren aan de doelstellingen van de Unie, doordat het bijvoorbeeld van majeur belang is voor de Europa 2020-strategie, de Europese onderzoeksruimte, de Europese KET’s-strategie (10), de Energiestrategie voor Europa (11), het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030 (12), de Europese strategie voor energiezekerheid (13), de Europese strategie voor micro- en nano-elektronische onderdelen en systemen, de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie of de vlaggenschipinitiatieven van de Unie zoals de Innovatie-Unie (14), de Digitale Agenda voor Europa (15), het hulpbronnenefficiënte Europa (16) of het geïntegreerde industriebeleid in een tijd van mondialisering (17).

16.

Bij het project moet in de regel meer dan één lidstaat betrokken zijn (18) en de voordelen ervan mogen niet beperkt blijven tot de financierende lidstaten, maar moeten een aanzienlijk deel van de Unie bestrijken. De voordelen van het project moeten duidelijk zijn afgebakend op een concrete en aanwijsbare wijze (19).

17.

De voordelen van het project mogen niet beperkt blijven tot de betrokken ondernemingen of sectoren, maar moeten een bredere relevantie hebben en op ruimere schaal in de Europese economie of samenleving kunnen worden toegepast via duidelijk, concreet en aanwijsbaar omschreven positieve overloopeffecten (zoals dat zij systemische effecten hebben op meerdere niveaus van de waardeketen of op up- of downstreammarkten, of alternatieve toepassingen bieden in andere sectoren of voor de modale shift).

18.

Het project moet cofinanciering door de begunstigde behelzen.

19.

Het project moet het beginsel in acht nemen van de uitfasering van milieuschadelijke subsidies, zoals dat is herhaald in het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (20) en in diverse conclusies van de Raad (21).

3.2.2.   Algemene positieve indicatoren

20.

Naast de cumulatieve criteria van onderdeel 3.2.1 zal de Commissie zich positiever opstellen wanneer:

a)

het project zodanig is vormgegeven dat alle belangstellende lidstaten kunnen deelnemen, rekening houdende met het soort project, de daarmee nagestreefde doelstelling en de financieringsbehoeften ervan;

b)

bij de vormgeving van het project de Commissie of juridische entiteiten zoals de Europese Investeringsbank (EIB) waaraan de Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd, zijn betrokken;

c)

bij de selectie van het project de Commissie of juridische entiteiten waaraan de Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd, zijn betrokken, mits die entiteiten daarbij uitsluitend handelen als een uitvoeringsstructuur;

d)

bij de governancestructuur van het project de Commissie — of juridische entiteiten waaraan de Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd — en meerdere lidstaten zijn betrokken;

e)

het project een groot aantal samenwerkingsvormen omvat in termen van aantal partners, deelname van organisaties uit verschillende sectoren of deelname van ondernemingen van verschillende grootte;

f)

het project cofinanciering van een Uniefonds behelst. (22)

3.2.3.   Specifieke criteria

21.

O&O&I-projecten moeten bijzonder innovatief zijn of in termen van O&O&I aanzienlijke toegevoegde waarde opleveren in het licht van de huidige stand van de techniek in de betrokken sector.

22.

Projecten die industriële toepassing omvatten, moeten de ontwikkeling mogelijk maken van een nieuw product of een nieuwe dienst met een sterke onderzoeks- en innovatiecomponent en/of de ontwikkeling van een fundamenteel innovatief productieproces. Regelmatige bijwerkingen zonder innovatieve dimensie van bestaande faciliteiten en de ontwikkeling van nieuwere versies van bestaande producten kwalificeren niet als belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang.

23.

Milieu-, energie- of vervoersprojecten moeten van groot belang zijn, hetzij voor de strategie van de Unie op het gebied van milieu, energie (met inbegrip van de voorzieningszekerheid) of vervoer, hetzij door hun aanzienlijke bijdrage tot de interne markt, onder meer voor die specifieke sectoren.

3.3.   Een belangrijk project

24.

Om als belangrijke project van gemeenschappelijk Europees belang te kunnen worden aangemerkt, moet een project kwantitatief of kwalitatief belangrijk zijn. Het dient bijzonder groot in omvang of reikwijdte te zijn en/of een zeer aanzienlijke technologische of financiële risicograad te vertonen.

4.   VERENIGBAARHEIDSCRITERIA

25.

Wanneer de Commissie steun ter verwezenlijk van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang op grond van artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag op zijn verenigbaarheid met de interne markt onderzoekt, zal zij rekening houden met de hierna genoemde criteria (23).

26.

De Commissie zal een afwegingstoets uitvoeren om na te gaan of de verwachte positieve effecten opwegen tegen de eventuele negatieve effecten, zoals hierna uiteengezet.

27.

Gezien de aard van het project kan de Commissie oordelen dat marktfalen of ander belangrijk systeemfalen, alsmede de bijdrage tot een gemeenschappelijk Europees belang, mag worden aangenomen wanneer het project de in deel 3 beschreven verenigbaarheidscriteria vervult.

4.1.   Noodzaak en evenredigheid van de steun

28.

De steun mag niet de projectkosten subsidiëren die een onderneming sowieso zou moeten maken, noch mag deze een vergoeding zijn voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit. De verwezenlijking van het project dient zonder de steun onmogelijk te zijn of het project dient te worden verwezenlijkt in beperktere omvang of op beperktere schaal of op een andere manier die de van het project verwachte voordelen aanzienlijk zou beperken (24). Steun zal alleen als evenredig worden beschouwd indien hetzelfde resultaat niet met minder steun zou kunnen worden behaald.

29.

De lidstaten moeten de Commissie afdoende informatie verschaffen over het gesteunde project, alsmede een uitgebreide beschrijving van het nulscenario (counterfactual) dat overeenstemt met de situatie waarin door lidstaten geen steun wordt verleend. Het nulscenario kan bestaan in het ontbreken van een alternatief project of in een helder omschreven en voldoende voorspelbaar alternatief project waarmee de begunstigde bij zijn interne besluitvorming heeft rekening gehouden, en kan betrekking hebben op een alternatief project dat geheel of ten dele buiten de Unie wordt uitgevoerd.

30.

Indien er geen alternatief project is, zal de Commissie zich ervan vergewissen dat het steunbedrag niet hoger uitkomt dan het minimum dat voor het gesteunde project noodzakelijk is om voldoende winstgevend te zijn, doordat daarmee bijvoorbeeld een interne opbrengstvoet (IRR) kan worden behaald die overeenstemt met de sectorale of ondernemingsspecifieke benchmark of hurdle rate. Voor dat doel kan ook worden gebruikgemaakt van normale rendementspercentages die de begunstigde in andere vergelijkbare investeringsprojecten projecten verlangt, van zijn kapitaalkosten als geheel of van de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector zijn waar te nemen. Alle desbetreffende verwachte kosten en baten moeten voor de hele levensduur van het project in aanmerking worden genomen.

31.

Het maximale steunpeil zal worden bepaald aan de hand van de vastgestelde financieringskloof afgezet tegen de in aanmerking komende kosten. Indien dit door de analyse van de financieringskloof wordt gerechtvaardigd, kan de steunintensiteit oplopen tot 100 % van de in aanmerking komende kosten. Met de financieringskloof wordt het verschil bedoeld tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt op basis van een passende disconteringsfactor waarin het rendement tot uiting komt dat de begunstigde verlangt om het project uit te voeren, met name gelet op de daaraan verbonden risico’s. De in aanmerking komende kosten zijn de in bijlage I vastgestelde kosten (25).

32.

Wanneer wordt aangetoond (bijv. aan de hand van bedrijfsinterne documenten) dat de begunstigde van de steun een duidelijke keuze heeft om óf een project met steun uit te voeren óf een alternatief project zonder steun, zal de Commissie de verwachte netto contante waarde van de investering in het gesteunde project en van het als nulscenario gehanteerde project vergelijken, rekening houdende met de waarschijnlijkheid dat verschillende businessscenario’s kunnen spelen.

33.

Bij die beoordeling zal de Commissie naar de volgende elementen kijken:

a)    precieze omschrijving van de beoogde verandering: : de van de staatssteun verwachte gedragswijziging — lancering van een nieuw project, of uitbreiding van de omvang, reikwijdte of uitvoeringssnelheid van een project — moet door de lidstaat duidelijk worden omschreven. De gedragswijziging moet in kaart worden gebracht door een vergelijking te maken van de verwachte uitkomst en het beoogde activiteitenvolume mét en zonder steun. Het verschil tussen deze beide scenario’s geeft aan welke impact de steunmaatregel heeft en wat het stimulerende effect ervan is;

b)    mate van winstgevendheid: : wanneer de uitvoering van een project op zich onvoldoende winstgevend is om door een particuliere onderneming te worden uitgevoerd, maar wel belangrijke voordelen zou opleveren voor de samenleving, is de kans groter dat de steun een stimulerend effect heeft.

34.

Om daadwerkelijke of potentiële, rechtstreekse of indirecte verstoringen van het internationale handelsverkeer aan te pakken, kan de Commissie rekening houden met het feit dat buiten de Unie gevestigde concurrenten — al dan niet rechtstreeks — voor vergelijkbare projecten steun met een gelijkwaardige intensiteit (in de voorbije drie jaar) hebben ontvangen of deze zullen ontvangen. Wanneer verstoringen van het internationale handelsverkeer zich echter waarschijnlijk pas na meer dan drie jaar voordoen, kan, gelet op het specifieke karakter van de betrokken sector, de referentieperiode dienovereenkomstig worden verlengd. Voor zover mogelijk, zal de betrokken lidstaat de Commissie voldoende informatie verschaffen om haar in staat te stellen de situatie te beoordelen, met name wat betreft de noodzaak rekening te houden met het concurrentievoordeel dat een concurrent in een derde land geniet. Indien de Commissie niet over bewijsmateriaal betreffende de toegekende of voorgenomen steun beschikt, kan zij haar besluit ook op indirect bewijsmateriaal baseren.

35.

Voor het vergaren van bewijsmateriaal kan de Commissie gebruikmaken van haar onderzoeksbevoegdheden (26).

36.

De keuze van het steuninstrument moet ook gebeuren met het oog op het marktfalen of ander belangrijk systeemfalen waarvoor dit een oplossing probeert te bieden. Wanneer bijvoorbeeld het onderliggende probleem onvoldoende toegang tot externe financiering is, dienen lidstaten normaal gesproken gebruik te maken van steun in de vorm van liquiditeitssteun, zoals een lening of garantie (27). Wanneer het ook nodig is om de onderneming in bepaalde mate in het risico te doen delen, dient een terugbetaalbaar voorschot normaal gesproken het te kiezen steuninstrument te zijn. Terugbetaalbare steuninstrumenten zullen over het algemeen als een positieve indicator worden beschouwd.

37.

De doelstellingen inzake energiezekerheid en energie-efficiëntie moeten, waar dat relevant is, in de analyse mee in rekening worden genomen.

38.

De Commissie zal gunstiger oordelen over projecten die een aanzienlijke eigen bijdrage van de begunstigden of van onafhankelijke particuliere investeerders omvatten. Een inbreng van materiële en immateriële activa, maar ook van gronden, moet tegen marktprijs worden verrekend.

39.

De selectie van begunstigden via een concurrerende, transparante en niet-discriminerende tender zal als een positieve aanwijzing worden beschouwd.

4.2.   Voorkoming van ongewenste concurrentieverstoringen en afwegingstoets

40.

De lidstaat dient het bewijs te leveren dat de voorgenomen steunmaatregel het geschikte beleidsinstrument is om de doelstelling van het project te verwezenlijken. Een steunmaatregel zal alleen als geschikt worden beschouwd indien dezelfde uitkomst niet met andere, minder verstorende beleidsinstrumenten of andere, minder verstorende soorten steuninstrumenten kan worden behaald.

41.

Wil de steun verenigbaar zijn, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel in termen van mededingingsdistorsies en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten beperkt zijn en moeten de positieve effecten ervan, in termen van bijdrage aan de doelstelling van gemeenschappelijk Europees belang, opwegen tegen die negatieve effecten.

42.

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van de steunmaatregel zal de Commissie haar analyse toespitsen op de voorzienbare gevolgen die de steun kan hebben op de concurrentie tussen ondernemingen op de betrokken productmarkten, met inbegrip van upstream- of downstreammarkten, en het risico op overcapaciteit.

43.

De Commissie zal het risico op marktafscherming en marktdominantie nagaan, met name in het geval van geen of beperkte verspreiding van de onderzoeksresultaten. Projecten waarbij het om de bouw van infrastructuur gaat (28), moeten een open en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur en niet-discriminerende prijsstelling garanderen (29).

44.

De Commissie zal een beoordeling maken van de potentiële negatieve effecten op het handelsverkeer, met inbegrip van het risico op een subsidiewedloop tussen lidstaten die zich kan voordoen met name wat betreft de keuze van een locatie.

4.3.   Transparantie

45.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de volgende informatie op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau, wordt gepubliceerd:

a)

de tekst van de steunmaatregel en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar;

b)

de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

c)

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming); de regio waar de begunstigde onderneming is gevestigd (op NUTS 2-niveau), en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde onderneming actief is (op NACE-groepsniveau) (30).

46.

Van dat vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steunverleningen van minder dan 500 000 EUR. Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat de subsidiebeschikking is gegeven, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (31). lidstaten zullen de bovengenoemde informatie pas vanaf 1 juli 2016 moeten verschaffen.

5.   SLOTBEPALINGEN

5.1.   Aanmeldingsverplichting

47.

Overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag moeten lidstaten de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen op de hoogte brengen, met inbegrip van steun voor een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang.

48.

Lidstaten die bij hetzelfde belangrijke project van gemeenschappelijk Europees belang zijn betrokken, wordt verzocht om, voor zover mogelijk, bij de Commissie een gemeenschappelijke aanmelding in te dienen.

5.2.   Doorlichting achteraf en verslaglegging

49.

Over de tenuitvoerlegging van het project moet op regelmatige tijdstippen verslag worden gedaan. In voorkomend geval kan de Commissie vragen dat een doorlichting achteraf wordt uitgevoerd.

5.3.   Inwerkingtreding, geldigheidsduur en herziening

50.

Deze mededeling zal worden toegepast van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020.

51.

De Commissie zal de in deze mededeling uiteengezette beginselen toepassen op alle aangemelde steunvoornemens waarover zij zich moet uitspreken na de bekendmaking van deze mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie, ook wanneer die voornemens vóór de bekendmaking van deze mededeling zijn aangemeld.

52.

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (32) zal de Commissie in het geval van niet-aangemelde steun deze mededeling toepassen indien de steun werd toegekend nadat deze mededeling in werking is getreden, en in alle overige gevallen de regels die van toepassing waren op het tijdstip dat de steun werd toegekend.

53.

De Commissie kan te allen tijde besluiten deze mededeling te wijzigen wanneer zulks noodzakelijk mocht zijn om met het mededingingsbeleid verband houdende redenen of om rekening te houden met andere takken van Uniebeleid, met internationale verplichtingen, met ontwikkelingen op de markten, of om iedere andere gerechtvaardigde reden.


(1)  Mededeling van de Commissie „Europa 2020, een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”, COM(2010) 2020 final van 3.3.2010.

(2)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — een brug naar groei en banen”, COM(2012) 341 final van 26.6.2012.

(3)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid”, COM(2012) 209 final van 8.5.2012.

(4)  Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 323 van 30.12.2006, blz. 1).

(5)  Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PB C 82 van 1.4.2008, blz. 1).

(6)  Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2). Zoals uiteengezet in lid 20 van die richtsnoeren, kan een onderneming in moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet worden beschouwd als een passend instrument om aan de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen, zolang haar levensvatbaarheid niet is verzekerd.

(7)  Zie bv. arrest van 19 september 2000, zaak -C-156/98,- Duitsland/Commissie, Jurispr. 2000, blz. I-6857, punt 78, en arrest van 22 december 2008, zaak C-333/07, Société Régie Networks/Direction de contrôle fiscal Rhône-Alpes Bourgogne, Jurispr. 2008, blz. I-10807, punten 94 t/m 116.

(8)  In het geval van onderzoek en ontwikkeling, moeten twee of meer projecten, wanneer zij niet duidelijk van elkaar te scheiden zijn, en met name wanneer zij onafhankelijk van elkaar geen kansen op technologisch succes hebben, als één project worden beschouwd. Steun voor een project dat alleen tot een verplaatsing van de locatie van het project binnen de Europese Economische Ruimte (EER) leidt, zonder veranderingen aan de aard, omvang of schaal van het project, zal niet als verenigbaar worden beschouwd.

(9)  Hierna worden de begrippen „één project” en „geïntegreerd project” kortweg „project” genoemd.

(10)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — een brug naar groei en banen”, COM(2012) 341 final van 26.6.2012.

(11)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Energie 2020 — Een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie”, COM(2010) 639 final van 10.11.2010.

(12)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030”, COM(2014) 15 final van 22.1.2014.

(13)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad Parlement „Europese strategie voor energiezekerheid”, COM(2014) 330 final van 28.5.2014.

(14)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie”, COM(2010) 546 final van 6.10.2010.

(15)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Een digitale agenda voor Europa”, COM(2010) 245 final/2 van 26.8.2010.

(16)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Efficiënt gebruik van hulpbronnen. Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie”, COM(2011) 21 final van 26.1.2011.

(17)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering. Concurrentievermogen en duurzaamheid centraal stellen”, COM(2010) 614 final van 28.10.2010.

(18)  Met uitzondering van onderling verbonden onderzoeksinfrastructuur en TEN-T-projecten die van fundamenteel transnationaal belang zijn omdat zij deel uitmaken van een fysiek verbonden grensoverschrijdend netwerk of die van wezenlijk belang zijn om grensoverschrijdende verkeersleiding of interoperabiliteit te versterken.

(19)  Het enkele feit dat het project door ondernemingen in verschillende landen wordt uitgevoerd of dat onderzoeksinfrastructuur nadien wordt gebruikt door ondernemingen die in verschillende landen zijn gevestigd, is niet voldoende om een project als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang aan te merken. De Unierechter heeft het beleid van de Commissie bevestigd om een project slechts als van gemeenschappelijk Europees belang in de zin van artikel 107, lid 3, onder b), te beschouwen wanneer het project deel uitmaakt van een transnationaal Europees programma dat door de regeringen van verschillende lidstaten gezamenlijk wordt gesteund, of ook nog wanneer het een onderdeel vormt van een initiatief waartoe verschillende lidstaten in onderling overleg hebben besloten om het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke dreiging; zie arrest van 8 maart 1988, gevoegde zaken 62/87 en 72/87, Exécutif régional wallon en SA Glaverbel/Commissie, Jurisprudentie 1988, blz. 1573, rechtsoverweging 22.

(20)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s „Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa”, COM(2011) 571 final van 20.9.2011.

(21)  Zo wordt bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad van 23 mei 2013 bevestigd dat ecologisch of economisch schadelijke subsidies, met name die voor fossiele brandstoffen, geleidelijk moeten worden afgeschaft, om investeringen in nieuwe en intelligente energie-infrastructuur te bevorderen.

(22)  Centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, vormt geen staatssteun.

(23)  Volgens het Hof van Justitie beschikt de Commissie over een discretionaire bevoegdheid wanneer het erom gaat belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang op hun verenigbaarheid te beoordelen; zie gevoegde zaken 62/87 en 72/87, Exécutif régional wallon en SA Glaverbel/Commissie, reeds aangehaald, punt 21.

(24)  De steunaanvraag moet plaatsvinden vóór de aanvang van de werkzaamheden, d.w.z. vóór hetzij de start van de bouwwerkzaamheden van de investering, hetzij de eerste vaste toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, naargelang wat als eerste plaatsvindt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorlopige haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd.

(25)  In het geval van een geïntegreerd project moeten de in aanmerking komende kosten worden uitgesplitst op het niveau van elk van de afzonderlijke projecten.

(26)  Zie artikel 1, lid 3, van Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Commissie van maandag 22 juli 2013 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 204 van 31.7.2013, blz. 15).

(27)  Steun in de vorm van garanties moet in de tijd beperkt zijn, terwijl voor steun in de vorm van leningen aflossingstermijnen moeten gelden.

(28)  Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen dat pilotlijnen niet als infrastructuur worden beschouwd.

(29)  Wanneer het project energie-infrastructuur behelst, moet het onderworpen zijn aan de tarief- en toegangsregulering en de ontbundelingseisen overeenkomstig interne-marktwetgeving.

(30)  Met uitzondering van bedrijfsgevoelige en andere vertrouwelijke informatie, in goed onderbouwde gevallen en na toestemming van de Commissie; zie de mededeling van de Commissie C(2003) 4582 van 1 december 2003 over geheimhouding bij beschikkingen inzake staatssteun (PB C 297 van 9.12.2003, blz. 6).

(31)  Deze informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun. In het geval van onrechtmatige steun zullen lidstaten ervoor moeten zorgen dat deze informatie achteraf wordt bekendgemaakt, uiterlijk zes maanden vanaf de datum van het besluit van de Commissie. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld in een standaard waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, opgehaald en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bijv. in CSV- of XML-formaat.

(32)  Mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22).


BIJLAGE

IN AANMERKING KOMENDE KOSTEN

a)

Haalbaarheidsstudies, met inbegrip van voorbereidende technische studies, en de kosten voor het verkrijgen van de voor de uitvoering van het project vereiste vergunningen.

b)

Kosten van apparatuur en uitrusting (met inbegrip van installaties en vervoermiddelen) voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd.

c)

Kosten van de verwerving (of bouw) van gebouwen, infrastructuur en gronden voor zover en voor zolang zij voor het project worden gebruikt. Wanneer deze kosten worden bepaald ten opzichte van de commerciële overdrachtswaarde of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten — in plaats van de afschrijvingskosten — dient de financieringskloof — vooraf of achteraf — te worden verminderd met de restwaarde van de grond, het gebouw of de infrastructuur.

d)

Kosten van andere materialen, leveranties en dergelijke producten die voor het project nodig zijn.

e)

Kosten verbonden aan de verkrijging, validering en verdediging van octrooien en andere immateriële activa Kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden ingekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt

f)

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) die rechtstreeks uit O&O&I-activiteiten voortvloeien, met inbegrip van met de eerste industriële toepassing (1) verband houdende O&O&I-activiteiten, of die, in het geval van een infrastructuurproject, bij de bouw van de infrastructuur worden gemaakt.

g)

In het geval van steun voor een project voor de eerste industriële toepassing zijn kapitaaluitgaven (CAPEX) en exploitatiekosten (OPEX) opgenomen, zolang de industriële toepassing aansluit op een O&O&I-activiteit (2) en deze zelf een zeer belangrijke O&O&I-component bevat die integrerend deel uitmaakt van en een noodzakelijk onderdeel is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van het project. De exploitatiekosten moeten op die component van het project betrekking hebben.

h)

Andere kosten kunnen, indien dat gerechtvaardigd is, worden geaccepteerd en wanneer deze onlosmakelijk verband houden met de uitvoering van het project, met uitsluiting van exploitatiekosten die niet onder punt g) vallen.


(1)  Met „eerste industriële toepassing” wordt het opschalen van pilotfaciliteiten bedoeld, of de allereerste uitrusting en faciliteiten die de fasen nà de pilotlijn - met inbegrip van de testfase - omvatten, doch niet de massaproductie of de commerciële activiteiten.

(2)  De eerste industriële toepassing hoeft niet noodzakelijk te worden uitgevoerd door dezelfde entiteit als die welke de O&O&I-activiteiten verrichtte, zolang eerstgenoemde de rechten verkrijgt om de resultaten van de voorgaande O&O&I-activiteit te gebruiken én de O&O&I-activiteit en de eerste industriële toepassing beiden onder het project vallen en tezamen worden aangemeld.


Top