EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010IP0128

Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (2009/2095(INI))

OJ C 81E , 15.3.2011, p. 10–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

15.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 81/10


Woensdag, 5 mei 2010
Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018

P7_TA(2010)0128

Resolutie van het Europees Parlement van 5 mei 2010 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (2009/2095(INI))

2011/C 81 E/03

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie van 21 januari 2009 over strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (COM(2009)0008) („mededeling over het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018”),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2007 over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie (COM(2007)0575),

gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A7-0114/2010),

A.

overwegende dat Europese rederijen een belangrijke bijdrage leveren aan de Europese economie, maar wel in een mondiale omgeving moeten concurreren,

B.

overwegende dat structurele en geïntegreerde maatregelen van belang zijn om de vitale maritieme sector in Europa te behouden en verder te ontwikkelen en de concurrentiekracht van de zeevaart en aanverwante sectoren zouden moeten versterken door integratie van eisen inzake duurzame ontwikkeling en eerlijke concurrentie,

C.

overwegende dat het absoluut noodzakelijk is jongeren warm te maken voor een loopbaan in de scheepvaart en hen in deze sector vast te houden, en dat het opleidingsniveau in de maritieme beroepen door middel van de op handen zijnde herziening van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (het STCW-verdrag) verbeterd moet worden,

D.

overwegende dat de klimaatverandering op alle Europese beleidsvlakken de grootste uitdaging van de eenentwintigste eeuw vormt,

E.

overwegende dat transport over zee een relatief milieuvriendelijke vervoerswijze is, die echter nog veel schoner kan worden dan nu al het geval is, en dat het zeevervoer door een geleidelijke vermindering van de ecologische voetafdruk van schepen en haveninfrastructuur een rol moet spelen in de strijd tegen de klimaatverandering,

F.

overwegende dat veiligheid van het grootste belang is voor havens, reders en maritiem personeel aan boord en aan land, en overwegende dat bij veiligheidsmaatregelen rekening moet worden gehouden met het kust- en zeemilieu alsook met de arbeidsomstandigheden in havens en aan boord van schepen,

G.

overwegende dat er onophoudelijk criminele overvallen plaatsvinden op Europese vissers-, handels- en passagiersschepen in de Golf van Aden, voor de Somalische kust en in internationale wateren,

H.

overwegende dat de Europese maritieme industrie op wereldvlak een leidende plaats inneemt, dat deze leidende positie op lange termijn moet worden veiliggesteld en dat dit alleen mogelijk is door middel van innovatie,

I.

overwegende dat beslissingen op het juiste bestuurlijke niveau genomen moeten worden, waar mogelijk op mondiaal vlak en waar nodig op Europees vlak,

Algemeen

1.

verwelkomt de mededeling van de Commissie over het EU-zeevervoersbeleid tot 2018;

2.

benadrukt het belang van de maritieme vervoerssector voor de Europese economie, niet alleen als vervoerder van passagiers, grondstoffen, goederen en energieproducten, maar ook als kern van een breder cluster van maritieme activiteiten zoals de scheepsnijverheid, logistiek, onderzoek, toerisme, visserij, aquacultuur en onderwijs;

3.

benadrukt dat het maritiem EU-vervoersbeleid er rekening moet mee houden dat de maritieme transportsector niet alleen te maken krijgt met intracommunautaire maar ook en vooral met mondiale concurrentie; benadrukt eveneens het belang van de groei van het vervoer over water als onderdeel van de totale vervoersactiviteiten, zowel binnen als buiten de EU;

4.

hoopt dat het maritieme beleid van de EU voortaan wordt ontwikkeld in de context van een „gemeenschappelijke Europese zee” en verzoekt de Commissie bijgevolg een Europees zeevaartbeleid te ontwikkelen in het kader van een gemeenschappelijke maritieme ruimte;

Markt

5.

vraagt de Commissie met aandrang om de strijd tegen het misbruik van goedkope vlaggen voort te zetten;

6.

roept de EU-lidstaten er daarom toe op om het gebruik van hun vlag te stimuleren en steun te verlenen aan hun maritieme clusters aan land, bijvoorbeeld door het verlenen van fiscale faciliteiten zoals een tonnagebelastingsysteem voor schepen en fiscale voordelen voor zeevarenden en reders;

7.

is van mening dat de maritieme sector, net als elke andere economische sector, in beginsel onderworpen moet zijn aan de wetgeving inzake staatssteun, hoewel staatssteun bij uitzondering kan worden toegelaten voor specifieke gevallen, op voorwaarde dat de steun tijdelijk en op transparante en navolgbare wijze verstrekt wordt;

8.

is van mening dat de richtsnoeren voor staatssteun in de scheepvaart, waarvan de geldigheidstermijn in 2011 verstrijkt, moeten worden gehandhaafd en verlengd omdat zij een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het behoud van de mondiale concurrentiekracht van de Europese scheepvaart, aan haar vermogen om de vaak oneerlijke concurrentie van derde landen succesvol het hoofd te bieden en aan het behoud van haar leidende positie op wereldvlak, en de economie van de lidstaten op die manier hebben ondersteund;

9.

roept de Commissie ertoe op om in 2010 de aangekondigde nieuwe regels inzake staatssteun voor maritiem transport voor te stellen, en meent voorts dat de Commissie ook de richtsnoeren betreffende staatssteun voor zeehavens zo snel mogelijk moet indienen;

10.

onderstreept in dit verband dat staatssteun uitsluitend mag worden gebruikt voor Europese maritieme bedrijfstakken die zich verbinden tot sociale normen, het bevorderen van de tewerkstelling en de scholing van personeel in Europa, en voor het veiligstellen van het internationale concurrentievermogen van de Europese scheepvaart;

11.

roept de lidstaten op tot een snelle ondertekening, ratificatie en implementatie van het VN-Verdrag inzake overeenkomsten voor het internationale vervoer van goederen geheel of gedeeltelijk over zee, ook bekend als de „Rotterdam-regels”, die het nieuwe maritieme aansprakelijkheidsregime vaststellen;

12.

roept de Commissie ertoe op om bij de op handen zijnde herziening van de communautaire richtsnoeren voor de opbouw van een trans-Europees vervoersnetwerk meer aandacht te besteden aan het vervoer over zee en de bijbehorende constructies aan land, in het bijzonder de multimodale verbindingen van de Europese zeehavens met het binnenland;

13.

verwelkomt het voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschap (COM(2009)0011), met als doel bestaande administratieve procedures voor de Europese korte vaart te vereenvoudigen, te verminderen en te schrappen; roept de Commissie ertoe op de korte vaart ook in de toekomst te blijven steunen om de productiviteit van het zeetransport binnen de Unie aanzienlijk te verhogen;

Sociaal

14.

is ingenomen met de initiatieven van de lidstaten en de Commissie om maritieme beroepen aantrekkelijker te maken voor jonge EU-burgers; benadrukt de noodzaak om zeevarenden op alle niveaus toegang te bieden tot levenslang leren en continue opleidingen, zowel aan boord als aan land, met als doel de professionele kwalificaties en vaardigheden van het personeel te verhogen; pleit ook voor meer voorlichting over de sector op scholen en voor de beschikbaarstelling van meer stageplaatsen;

15.

verzoekt de lidstaten om in het kader van de internationale verdragen, zoals het STCW-verdrag en het IAO-verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006, de reeds bestaande opleidingsprogramma's te verbeteren en moderniseren om de kwalitatieve ontwikkeling van zeevaartscholen te bevorderen;

16.

benadrukt dat zeevarenden uit derde landen in overeenstemming met het STCW-verdrag aan goede opleidingseisen moeten voldoen en roept rederijen en nationale inspecties ertoe op dit te garanderen en te controleren, waar nodig met de hulp van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA); herhaalt zijn verzoek dat de lidstaten het IAO-verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 snel ratificeren en dat het op afspraken met de sector gebaseerde voorstel van de Commissie snel wordt goedgekeurd, zodat de kernelementen van dit verdrag kunnen worden omgezet in communautaire wetgeving;

17.

doet een beroep op de lidstaten om het gebruik van EU-zeevaarders in hun eigen vloten aan te moedigen en voldoende voorzieningen in het leven te roepen om de emigratie van zeevaarders uit de Unie te voorkomen;

18.

is ingenomen met de suggestie van de Commissie aan de lidstaten om de samenwerking tussen Europese maritieme instellingen te bevorderen en moedigt de lidstaten ertoe aan hun respectieve curricula en opleidingstelsels te harmoniseren met als doel hoge kwalificatieniveaus en geavanceerde vaardigheden onder EU-zeevaarders te bevorderen en tot ontwikkeling te brengen;

19.

onderstreept dat de sociale situatie en de arbeidsomstandigheden van EU-zeevaarders nauw verbonden zijn met het concurrentievermogen van de Europese vloot, en dat het noodzakelijk is de arbeidsmobiliteit in de maritieme industrie overal in Europa te bevorderen en een optimale werking van de interne markt zonder belemmeringen en ongerechtvaardigde beperkingen voor de verlening van diensten te garanderen;

20.

moedigt de uitwisseling aan van goede praktijken inzake arbeidsomstandigheden en sociale standaarden, en spoort aan tot de verbetering van de levensomstandigheden aan boord van schepen, met name door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie, betere toegang tot medische zorg, betere veiligheidsnormen en opleidingen ter bestrijding van de risico's die eigen zijn aan maritieme beroepen;

21.

benadrukt dat controles concreet en risicogebaseerd moeten zijn en geen overbodige regeldruk voor de sector mogen genereren;

22.

hoopt dat zal worden onderzocht in hoeverre technologische ontwikkelingen de afnemende beschikbaarheid van maritiem personeel kunnen compenseren, maar waarschuwt voor het overhaast invoeren van onbeproefde technologie;

23.

roept de autoriteiten van zeehavens ertoe op om de voorzieningen voor zeevaarders op schepen die op de rede voor anker liggen, te verbeteren, met inbegrip van voorzieningen voor eenvoudiger vervoer van het schip naar de wal en omgekeerd;

Milieu

24.

erkent dat er nog grote vooruitgang moet worden gerealiseerd voor wat betreft de vermindering van de uitstoot van zwavel- en stikstofoxiden, fijn stof (PM10) en CO2, en dat dit moet gebeuren binnen het kader van de klimaatdoelstellingen van de EU; benadrukt dat de sector een rol kan spelen in de strijd tegen schadelijke emissies en tegen de klimaatverandering en dat publieke en private investeringen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling in dit verband van bijzonder belang zullen zijn;

25.

benadrukt dat er snel afspraken moeten worden bereikt betreffende de vermindering van de uitstoot en dat deze afspraken verplicht moeten worden uitgevoerd binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) teneinde concurrentieverschillen te beperken, maar dat dit de Unie niet mag beletten initiatieven te nemen om de emissies van de vloten van de EU-lidstaten nog meer te verminderen en op deze wijze andere continenten aan te zetten tot competitiviteit op dit vlak; vestigt in dit verband de aandacht op de grote verschillen tussen de lange en korte vaart, waarmee bij onderhandelingen binnen de IMO rekening moet worden gehouden;

26.

roept de lidstaten ertoe op meer gebruik te maken – indien mogelijk samen met omringende landen – van de mogelijkheid om maritieme emissiebeheersgebieden aan te duiden, met name voor stikstofoxiden; benadrukt dat het aanwijzen van meer maritieme emissiebeheersgebieden niet tot een vervalsing van de mededinging binnen Europa mag leiden;

27.

steunt de maatregelen die gericht zijn op een modale verschuiving richting zeetransport met als doel de belangrijkste verkeersroutes te ontlasten; verzoekt de Europese Unie en de lidstaten platformen voor havenlogistiek op te richten, die onmisbaar zijn voor de uitbreiding van de uitwisseling tussen de verschillende vormen van transport en voor het versterken van de territoriale cohesie; dringt erop aan dat de internationale regelgeving en de EU-voorschriften de inspanningen van nationale instanties op dit vlak niet mogen hinderen; hoopt op een snelle en uitgebreide realisatie, in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, van zeesnelwegen, waarmee zowel de vervuiling als de congestie in het transport over land verminderd kunnen worden;

28.

steunt in principe de in oktober 2008 door de IMO aangenomen wijzigingen van bijlage VI van de MARPOL-overeenkomst voor de vermindering van de zwavel- en stikstofoxidenuitstoot van schepen; is evenwel bezorgd over de mogelijke verplaatsing van het vervoer van de korte vaart terug naar de weg als gevolg van de voor 2015 geplande zwavellimiet van 0,1 % in de zwavelemissiebeheersgebieden in de Noord- en Oostzee; roept de Commissie daarom op om zo snel mogelijk en uiterlijk tegen eind 2010 een effectbeoordeling hieromtrent in te dienen bij het Europees Parlement;

29.

is van mening dat alle vervoerswijzen, inclusief transport over zee, hun externe kosten in steeds grotere mate moeten internaliseren; is van mening dat de invoering van dit principe financiële middelen zal genereren die vervolgens hoofdzakelijk kunnen worden ingezet voor innovatie-inspanningen;

30.

roept de Commissie en de lidstaten er eveneens toe op aan alternatieve instrumenten te werken, zoals de invoering van een heffing op bunkerbrandstof, bij voorkeur afhankelijk van de kwaliteit en milieuprestatie van de brandstof, of het concept van „groene havens”, waarbij schone schepen sneller afgehandeld worden en/of minder havengeld betalen;

31.

roept de lidstaten ertoe op om binnen de IMO te werken aan het instellen en implementeren van gepaste en wereldwijd toepasbare milieunormen;

32.

wijst in dit kader op de doorbraak in de techniek van binnenvaartschepen waarmee de emissies door bestaande scheepsmotoren aanzienlijk kunnen worden verminderd; vraagt de Commissie te onderzoeken of deze technieken ook gebruikt kunnen worden bij zeeschepen en hoe de invoering ervan zou kunnen worden versneld;

33.

betreurt het feit dat op de klimaattop in Kopenhagen geen conclusies zijn bereikt betreffende emissiereductie op zeeschepen, maar benadrukt dat zowel in het kader van het post-Kyoto-proces als binnen de IMO intensief verder gezocht moet worden naar mondiale maatregelen om zulke reducties te verwezenlijken; vraagt de lidstaten al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de IMO een mandaat krijgt voor de volgende internationale klimaatonderhandelingen, met meetbare reductiedoelstellingen voor maritiem transport;

34.

roept de Europese Unie ertoe op om hierbij op internationaal vlak, en met name binnen de IMO, het initiatief te nemen, met als doel de uitstoot van de maritieme sector te verminderen;

35.

benadrukt het belang van interoperabele technische voorzieningen in de Europese havens voor de aanvoer van elektriciteit vanaf het vasteland naar schepen, waarmee de milieubelasting aanzienlijk kan worden gereduceerd; roept de Commissie ertoe op te onderzoeken in welke zeehavens dergelijke voorzieningen doeltreffend kunnen worden gebruikt;

36.

beklemtoont dat de Commissie, in het kader van haar onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid, prioriteit moet geven aan innovatie op het vlak van hernieuwbare energiebronnen, zoals zon- en windenergie, die op schepen kunnen worden gebruikt;

37.

vraagt dat de Commissie onderzoekt welke mogelijkheden er zijn om verontreiniging door middel van intelligente technologieën in de transportsector, zoals met name Galileo, te verminderen en in de hand te houden;

38.

benadrukt de noodzaak van het bevorderen van papiervrije haven- en douanehandelingen, en van het vereenvoudigen van de samenwerking in havens tussen verschillende dienstverleners en klanten, met behulp van verschillende intelligente transportsystemen en -netwerken zoals SafeSeaNet en e-Custom, teneinde de havenwerkzaamheden te versnellen en vervuiling te verminderen;

Veiligheid

39.

is ingenomen met de goedkeuring van het derde wetgevingspakket voor maritieme veiligheid en roept de lidstaten op dit pakket snel te implementeren;

40.

pleit voor een strenge controle op de bouw, inclusief op de kwaliteit van het gebruikte staal, en op het ontwerp en onderhoud van schepen, zoals onder andere voorzien in de gewijzigde wetgeving voor classificatiebureaus;

41.

ondersteunt de koerswijziging in het memorandum van overeenstemming van Parijs betreffende havencontroles door de overheid, waarbij het reguliere toezicht wordt vervangen door op risico gebaseerde controles, opdat juist de schepen die meerdere gebreken hebben, effectief worden aangepakt;

42.

roept de lidstaten en reders ertoe op zich in te spannen om op de „witte lijst” van het memorandum van overeenstemming van Parijs geplaatst te worden; maant met name Slowakije aan tot een extra inspanning in deze richting;

43.

vraagt de nationale inspecties en andere nationale instanties nauwer met elkaar samen te werken bij het uitwisselen van scheeps- en ladinggegevens, zodat de regeldruk afneemt maar de effectiviteit van de controles toeneemt; vraagt om de snelle invoering van een geïntegreerd systeem voor informatiebeheer via het gebruik en de verbetering van reeds beschikbare instrumenten, in het bijzonder SafeSeaNet; verzoekt de Commissie om snel een grens- en sectoroverschrijdend controlesysteem te ontplooien over het hele EU-grondgebied;

44.

is zich bewust van het gevaar van piraterij op de wereldzeeën, met name in het gebied rond de Hoorn van Afrika en de wateren voor de kust van Somalië, en roept alle reders op tot medewerking aan overheidsinitiatieven die hen tegen piraterij kunnen beschermen, zoals de geslaagde eerste marineoperatie van de EU, Atalanta; vraagt dat de Commissie en de lidstaten hun onderlinge samenwerking en de samenwerking met de Verenigde Naties intensiveren met als doel zeevarenden, vissers en reizigers, en meer algemeen de vloten, te beschermen;

45.

merkt op dat de wereldwijde aanpak van de strijd tegen piraterij zich niet mag beperken tot een internationale marine maar deel moet uitmaken van een veelomvattende strategie ter bevordering van de vrede en de ontwikkeling in de betrokken gebieden; onderkent eveneens dat het noodzakelijk is dat schepen de door maritieme organisaties vastgestelde zelfbeschermingsmaatregelen op correcte en volledige wijze uitvoeren, met behulp van de door de IMO aangenomen goede beheerspraktijken;

Diversen

46.

benadrukt dat de zeevaart een mondiale sector is en dat afspraken bij voorkeur op wereldschaal gemaakt moeten worden; stelt dat de IMO hiervoor het meest geëigende forum vormt; roept de lidstaten op tot grotere inspanningen om IMO-verdragen die zij ondertekend hebben, snel te ratificeren en te implementeren;

47.

erkent daarnaast ten volle de rol van de Unie bij de omzetting van internationale regels in EU-wetgeving en bij de uitvoering en ondersteuning van het maritieme beleid, bijvoorbeeld door de EMSA;

48.

benadrukt de noodzaak van een snellere modernisering en uitbreiding van de haveninfrastructuren in het vooruitzicht van de verwachte toename van het volume aan over zee vervoerde goederen; wijst erop dat hiervoor omvangrijke investeringen nodig zullen zijn, die zullen moeten voldoen aan de regels inzake transparante en eerlijke financiering om een eerlijke concurrentie tussen de Europese havens te kunnen garanderen; vraagt de Commissie om een coherent regelgevend kader op dit vlak;

49.

roept de Commissie ertoe op haar mededeling over het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 en deze resolutie als uitgangspunt te nemen voor de aanstaande herziening van het witboek over het Europese vervoersbeleid;

50.

vraagt om een beleid dat de verbinding promoot van de havens met het binnenland (inlandterminals en logistieke platformen) in gebieden met fileproblemen, en vraagt dat dit beleid wordt opgenomen in de herziening van de TEN-T;

51.

onderstreept het economische en strategische belang van de scheepsbouw, die namelijk toelaat nieuwe technologieën voor schepen te ontwikkelen en toe te passen en essentiële Europese vaardigheden die nodig zijn voor het bouwen van nieuwe generaties schepen te behouden; vraagt om maatregelen ter ondersteuning van innovatie, onderzoek en ontwikkeling en opleidingen, met het oog op de ontwikkeling van een competitieve en innovatieve Europese scheepsbouwindustrie;

52.

vraagt dat het bij de modernisering en uitbreiding van havens verplicht wordt de passagiersterminals en de nieuwe passagiersschepen te voorzien van faciliteiten voor personen met beperkte mobiliteit;

53.

verheugt zich over het initiatief voor een campagne over de beste praktijken van passagiersvervoerbedrijven en cruiserederijen inzake passagiersrechten;

54.

vraagt dat de Commissie bij de huidige herziening van de TEN-T rekening houdt met de aanbevelingen voor het maritiem vervoersbeleid van de EU tot 2018, met name de aanbevelingen betreffende een efficiënte integratie van de zeesnelwegen en het binnenwaterenvervoer en betreffende het netwerk van havens van Europees belang als knooppunten voor integratie;

55.

vraagt de Commissie een vergelijkbare strategie voor de Europese binnenvaart uit te werken en deze af te stemmen op de onderhavige strategie, om zo de ontwikkeling van een optimale vervoersketen tussen zeevervoer en binnenvaart te bevorderen;

56.

roept de Commissie op tot het onverwijld indienen van de aangekondigde routekaart met essentiële details als aanvulling op haar mededeling;

*

* *

57.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Top