Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006DC0187

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement op basis van artikel 10 van het Kaderbesluit van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel {SEC(2006) 525}

/* COM/2006/0187 def. */

52006DC0187

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement op basis van artikel 10 van het Kaderbesluit van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel {SEC(2006) 525} /* COM/2006/0187 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 02.05.2006

COM(2006) 187 definitief

VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT

op basis van artikel 10 van het Kaderbesluit van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel {SEC(2006) 525}

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING 3

1.1. Achtergrond 3

2. METHODE EN CRITERIA VOOR DE EVALUATIE VAN DIT KADERBESLUIT 4

2.1. Kaderbesluiten uit hoofde van artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie 4

2.2. Evaluatiecriteria 4

2.3. Context van de evaluatie 5

3. BEOORDELING 6

4. CONCLUSIE 8

IN LEIDING

Achtergrond

Ingevolge artikel 10, lid 2, van het Kaderbesluit van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel[?] (hierna "het kaderbesluit" genoemd) moet de Commissie een schriftelijk verslag opstellen over de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen om aan de bepalingen van dit instrument te voldoen.

Op grond van lid 1 van dat artikel moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk op 1 augustus 2004 aan de bepalingen van het kaderbesluit te voldoen, terwijl lid 2 bepaalt dat de lidstaten uiterlijk op deze datum ook de tekst van de bepalingen waarmee dit kaderbesluit is omgezet in nationaal recht, aan het secretariaat-generaal van de Raad en aan de Commissie moeten hebben medegedeeld. Op basis van deze informatie en het schriftelijk verslag van de Commissie controleert de Raad dan uiterlijk op 1 augustus 2005 in hoeverre de lidstaten de maatregelen hebben getroffen die noodzakelijk zijn om aan dit kaderbesluit te voldoen.

De waarde en de precisie van dit verslag zijn derhalve in ruime mate afhankelijk van de kwaliteit en de actualiteit van de door de Commissie van de lidstaten ontvangen informatie. Bij brief van 29 juli 2004 heeft de Commissie de lidstaten gewezen op hun verplichting de relevante informatie te verstrekken.

Op 1 augustus 2004 hadden echter slechts vier lidstaten (Frankrijk, Finland, Cyprus en Oostenrijk) de Commissie in kennis gesteld van de ter uitvoering van het kaderbesluit genomen maatregelen. Tegen februari 2005 hadden vijftien lidstaten (de vier bovengenoemde lidstaten, alsmede Duitsland, Estland, de Tsjechische Republiek, Malta, Spanje, Griekenland, Letland, Hongarije, de Slowaakse Republiek, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) de Commissie de vereiste informatie verstrekt. Italië, Nederland en Slovenië antwoordden vóór mei 2005, terwijl Denemarken antwoordde op 13 juli 2005 en België het definitieve antwoord verstrekte op 29 september 2005. Hoewel Polen de informatie op 4 januari 2006 verstrekte, bevat het verslag slechts beperkte informatie over de Poolse uitvoering van het kaderbesluit.

De Commissie had ten slotte tegen eind 2005 nog geen of slechts voorlopige informatie betreffende de uitvoering van het kaderbesluit ontvangen van vier lidstaten: Portugal, Luxemburg, Ierland en Litouwen. Bij de analyse van de uitvoeringsmaatregelen in dit verslag zullen deze lidstaten daarom niet worden genoemd.

Hoewel de uiterste datum voor de indiening van de tekst van de uitvoeringsbepalingen 1 augustus 2004 was, is in het verslag derhalve zoveel mogelijk rekening gehouden met de tot het einde van januari 2006 verstrekte informatie.

In dit verslag wordt dus aan de hand van de nationale omzettingswetgeving die de Commissie tegen het einde van januari 2006 had ontvangen, de stand van zaken bij de omzetting van het kaderbesluit in kaart gebracht. Een werkdocument van de diensten van de Commissie dat aan dit verslag is gehecht, bevat een gedetailleerde analyse van de nationale maatregelen die door de lidstaten zijn getroffen om aan de bepalingen van het kaderbesluit te voldoen.

METHODE EN CRITERIA VOOR DE EVALUATIE VAN DIT KADERBESLUIT

Kaderbesluiten uit hoofde van artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Dit kaderbesluit is gebaseerd op het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name op artikel 29, artikel 31, onder e), en artikel 34, lid 2, onder b).

Kaderbesluiten kunnen het best worden vergeleken met het rechtsinstrument van de richtlijn[?]. Beide instrumenten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar laten aan de nationale instanties de bevoegdheid vorm en middelen voor de tenuitvoerlegging te kiezen. Kaderbesluiten hebben evenwel geen rechtstreekse werking. De Commissie heeft op dit moment voor een kaderbesluit geen juridische mogelijkheden – althans bij de huidige staat van ontwikkeling van het Europees recht – om bij het Hof van Justitie de omzetting van een kaderbesluit op het niveau van de lidstaten af te dwingen. Het Hof van Justitie kan desalniettemin uitspraak doen in elk geschil tussen lidstaten betreffende de uitlegging of de toepassing (met inbegrip van de omzetting) van het kaderbesluit. Voor de mogelijke uitoefening van dit recht is een gedegen feitendossier nodig, dat het verslag van de Commissie kan helpen opbouwen.

Evaluatiecriteria

Teneinde op grond van objectieve gegevens te kunnen beoordelen of een lidstaat een kaderbesluit volledig ten uitvoer heeft gelegd, zijn enkele algemene criteria voor richtlijnen ontwikkeld die mutatis mutandis ook moeten worden toegepast op kaderbesluiten:

1. de vorm en middelen voor de uitvoering van het te bereiken resultaat moeten zo worden gekozen dat het nuttige effect van de richtlijn wordt verzekerd, mede gelet op de doelstellingen ervan[?];

2. de lidstaten moeten richtlijnen ten uitvoer leggen op een wijze die volledig aan de eisen van duidelijkheid en rechtszekerheid voldoet, en moeten bijgevolg de bepalingen van de richtlijn omzetten in dwingende bepalingen van intern recht[?];

3. omzetting vereist niet noodzakelijkerwijs dat de bepalingen van een richtlijn in precies dezelfde bewoordingen in een nationale bepaling worden vastgelegd. Passende, reeds bestaande nationale maatregelen kunnen derhalve bijvoorbeeld voldoende zijn, vooropgesteld dat de volledige toepassing van de richtlijn wordt verzekerd en de daaruit voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is[?];

4. richtlijnen moeten binnen de daarin vastgestelde termijn ten uitvoer worden gelegd[?].

Beide soorten instrumenten zijn verbindend "ten aanzien van het te bereiken resultaat". Dit kan worden gedefinieerd als een wettelijke of feitelijke situatie die recht doet aan het overwogen resultaat dat door het betrokken Verdragsinstrument moest worden gegarandeerd[?].

De algemene beoordeling van de mate waarin de lidstaten aan het kaderbesluit voldoen is, waar mogelijk, gebaseerd op de hierboven uiteengezette criteria.

Context van de evaluatie

Een inleidende opmerking betreft de juridische context en de follow-up van het evaluatieverslag. Binnen de eerste pijler heeft de Commissie, zoals reeds is aangegeven, de mogelijkheid om inbreukprocedures tegen lidstaten in te leiden. Aangezien deze mogelijkheid niet bestaat binnen het VEU, verschillen de aard en het doel van dit verslag van die van een verslag over de uitvoering van een richtlijn binnen de eerste pijler door de lidstaten. Aangezien de Commissie volledig betrokken is bij de werkzaamheden op de gebieden van de derde pijler[?], is het niet meer dan logisch om haar ook te belasten met de feitelijke evaluatie van de uitvoeringsmaatregelen. Dit op zijn beurt zal het de Raad mogelijk maken te beoordelen in hoeverre de lidstaten de maatregelen hebben genomen die nodig zijn om aan dit kaderbesluit te voldoen.

Een tweede inleidende opmerking betreft het specifieke karakter van het veld dat wordt gereguleerd. Het kaderbesluit heeft tot doel mensenhandel te bestrijden en te komen tot een minimale harmonisatie van de sancties.

Sinds in 1997 een gemeenschappelijk optreden ter bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen[?] werd aangenomen door de Raad, is het aantal initiatieven zowel op nationaal als op regionaal niveau aanzienlijk toegenomen. Zowel in het Actieplan van Wenen[?] als door de Europese Raad van Tampere[?] werd aangedrongen op aanvullende bepalingen om bepaalde aspecten van het strafrecht en de strafprocedure verder te regelen.

Met dit kaderbesluit wordt beoogd de bestaande instrumenten die worden gebruikt ter bestrijding van mensenhandel aan te vullen.

Hoewel alle artikelen afzonderlijk geëvalueerd kunnen en zullen worden, kunnen deze niet noodzakelijk los van elkaar worden gezien. Als een bepaald artikel niet of onvolledig ten uitvoer wordt gelegd, heeft dit gevolgen voor daarmee samenhangende voorschriften die op zich lijken te voldoen aan het kaderbesluit, en voor het systeem als zodanig. In de evaluatie zal in voorkomende gevallen rekening worden gehouden met het algemene strafrecht van de lidstaten.

BEOORDELING

Het kaderbesluit heeft de onderlinge aanpassing ten doel van de wetgeving van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met het oog op de bestrijding van mensenhandel. Voorts beoogt het de vaststelling van een gemeenschappelijk kader van maatregelen op Europees niveau om bepaalde onderwerpen te behandelen, zoals strafbaarstelling, straffen, verzwarende omstandigheden, rechtspraak, vervolging alsmede bescherming en bijstand aan slachtoffers.

In dit verband hebben niet alle lidstaten alle relevante teksten van hun uitvoeringsbepalingen bij de Commissie ingediend. De feitelijke beoordeling en de aan de hand daarvan getrokken conclusies zijn daardoor soms gebaseerd op onvolledige informatie. De Commissie heeft bijvoorbeeld geen informatie in verband met de uitvoering van het kaderbesluit ontvangen van Ierland, Luxemburg, Portugal en Litouwen.

Er dient tevens te worden op gewezen dat de rechtssystemen van de lidstaten aanzienlijk kunnen verschillen en dat juridische begrippen en bewoordingen in vele gevallen niet altijd met elkaar kunnen worden vergeleken. Voorts waarborgt het bestaan van wetgeving niet altijd dat deze volledig ten uitvoer wordt gelegd – dit hangt ook af van de mate waarin nationale gerechtelijke en/of administratieve instanties dergelijke wetgeving doen eerbiedigen, en in welke geest. Gezien de aard van de ingediende informatie, beschikt de Commissie niet noodzakelijk over de informatie om de eerbiediging van dergelijke wetgeving te beoordelen.

Artikel 1

In artikel 1 wordt mensenhandel gedefinieerd als handelingen met het oog op uitbuiting op arbeidsgebied of seksuele uitbuiting. De lidstaten moeten iedere vorm van werving, vervoer, overbrenging, huisvesting en iedere andere behandeling van een persoon die onder deze definitie valt, strafbaar stellen. Met name alle vormen van crimineel gedrag waarbij misbruik wordt gemaakt van de fysieke of geestelijke kwetsbaarheid van een persoon moeten derhalve kunnen worden bestraft.

Op dit punt lijkt de wetgeving van bijna alle lidstaten in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het kaderbesluit. Een ruime meerderheid van de lidstaten lijkt dus te voldoen aan artikel 1 – en derhalve aan de eisen van het kaderbesluit in dit opzicht. Alle lidstaten hebben specifiek met mensenhandel verband houdende handelingen strafbaar gesteld, hoewel er een aantal verschillen zijn die terug te voeren zijn op verschillende tradities wat de methode betreft. Voorts doet de instemming van het slachtoffer van uitbuiting[?] niet ter zake indien middelen, zoals misleiding enz., zijn gebruikt. In bepaalde lidstaten gelden bepalingen die uitdrukkelijk voldoen aan artikel 1, lid 2 (Duitsland, België, Italië, Letland, Zweden, Slowakije, Oostenrijk, Malta, Frankrijk en Nederland).

Volgens de aan de Commissie toegezonden documenten kennen het Poolse en het Estse recht echter geen van de specifieke strafbare feiten in de zin van het kaderbesluit.

Artikel 2

De meeste lidstaten hebben in de aan de Commissie verstrekte informatie gewoon verwezen naar de in hun respectieve strafrechtelijke stelsels reeds bestaande algemene voorschriften inzake medeplichtigheid en de voorbereidingshandelingen tot een misdrijf. Een aantal lidstaten hebben geen uitvoerige informatie over de voorschriften inzake aanzetting tot een strafbaar feit verstrekt. Zij vermelden in de door hen toegezonden documenten hun voorschriften die gelden voor personen die aanzetten tot strafbare feiten (Denemarken, Letland, Slowakije en Estland). Cyprus en Finland hebben de Commissie geen informatie over uitlokking verstrekt. Griekenland en Slovenië hebben de Commissie geen informatie verstrekt in verband met artikel 2 van het kaderbesluit. Tot besluit kan worden gezegd dat in vrijwel alle gevallen aan deze vereiste van het kaderbesluit lijkt te zijn voldaan, hoewel slechts in een aantal lidstaten specifieke voorschriften terzake bestaan. Gewoonlijk bestaan er in de lidstaten algemene voorschriften inzake uitlokking, hulp, aanzetting en poging, die ook van toepassing zijn op strafbare feiten op het gebied van mensenhandel.

Artikel 3

Mensenhandel is een ernstig misdrijf, dat vaak tegen bijzonder kwetsbare personen wordt gepleegd, en moet worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. Mensenhandel moet niet alleen via individuele, nationale maatregelen, maar ook breder worden aangepakt, waarbij een gemeenschappelijke definitie van de bestanddelen van dit strafbare feit wordt vastgesteld in alle lidstaten. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan sancties voor strafbare feiten waarbij sprake is van verzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer het leven van het slachtoffer in gevaar is gebracht of tegen het slachtoffer zwaar geweld is gebruikt. Op de vraag of door de lidstaten voldoende doeltreffende en afschrikkende strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd, kan bevestigend worden geantwoord. In de meeste gevallen hebben de lidstaten gezorgd voor zware maximumsancties voor met mensenhandel samenhangende strafbare feiten; dit geldt in het bijzonder voor strafbare feiten waarbij sprake is van verzwarende omstandigheden, die in bepaalde gevallen strafbaar zijn gesteld met levenslange gevangenisstraf. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van het kaderbesluit passen de lidstaten verschillende sancties toe afhankelijk van de leeftijd van het slachtoffer voor strafbare feiten die zijn gepleegd met het oog op seksuele exploitatie. De vraag kan echter worden gesteld of alle strafbare feiten in verband met de handel in kinderen (d.w.z. ook de handel in kinderen met het oog op uitbuiting op arbeidsgebied en met betrekking tot alle personen die jonger zijn dan achttien jaar en niet alleen met betrekking tot personen die nog niet seksueel meerderjarig zijn) moeten worden beschouwd als strafbare feiten waarbij sprake is van verzwarende omstandigheden. Een dergelijke brede benadering lijkt een adequatere bescherming van kinderen te garanderen en beter aan te sluiten bij het Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 (VRK)[?] , het belangrijkste internationale kinderrechteninstrument dat ook bepalingen inzake de handel in kinderen[?] omvat en van toepassing is op alle kinderen die jonger zijn dan 18 jaar.

Artikelen 4 en 5

Het kaderbesluit introduceert voorts de aansprakelijkheid van rechtspersonen, die een aanvulling is op die van de natuurlijke personen. Rechtspersonen zullen aansprakelijk worden gesteld voor strafbare feiten die te hunnen voordele zijn gepleegd door een persoon die individueel of als deel van een orgaan van de rechtspersoon optreedt, of die bijvoorbeeld beslissingsbevoegdheid heeft. De sancties tegen rechtspersonen moeten "doeltreffend, evenredig en afschrikkend" zijn; zij omvatten al dan niet strafrechtelijke geldboetes en kunnen andere maatregelen omvatten, zoals een tijdelijke of permanente uitsluiting van commerciële activiteiten, een gerechtelijke maatregel tot ontbinding of het niet in aanmerking komen voor overheidsvoorzieningen of –steun. De wetgeving van de meeste lidstaten voorziet in de mogelijkheid rechtspersonen strafmaatregelen op te leggen door middel van strafrechtelijke of administratieve maatregelen. Alleen krachtens de wetgeving van de Tsjechische Republiek, Letland en de Slowaakse Republiek kunnen rechtspersonen niet aansprakelijk worden gesteld voor strafbare feiten. Overeenkomstig artikel 5 van het kaderbesluit moeten sancties tegen rechtspersonen ten minste de vorm hebben van strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes. Wat dat betreft, lijken de artikelen 4 en 5 in hoge mate ten uitvoer te zijn gelegd.

Artikel 6

Alle lidstaten zullen waarschijnlijk aan dit artikel kunnen voldoen op het punt van de toepassing van het territorialiteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 6, lid 1, onder a). Wat de extraterritoriale rechtsmacht betreft, bestaan er in de meerderheid van de lidstaten reeds regels, of komen deze er binnenkort, die in uiteenlopende mate aansluiten op de beginselen van actieve en passieve personaliteit, zoals voorgeschreven in artikel 6, lid 1, onder b) en c). Zo te zien stellen de meeste lidstaten hun rechtsmacht voor strafbare feiten die door één van hun eigen onderdanen in het buitenland zijn gepleegd vast overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b). Dit is bijzonder belangrijk omdat mensenhandel vaak een transnationale dimensie heeft. De algemene situatie in verband met artikel 6, lid 1, onder c), van het kaderbesluit, dat betrekking heeft op de rechtsmacht voor strafbare feiten die zijn begaan ten voordele van een rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied van die lidstaat, is minder duidelijk. Een aantal lidstaten, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, hebben deze bepaling ten uitvoer gelegd. Andere lidstaten, zoals Denemarken, hebben besloten dat zij deze rechtsmachtregel niet zullen toepassen voorzover het strafbare feit buiten hun grondgebied is gepleegd, en hebben de Commissie daarvan overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, in kennis gesteld. Ook Hongarije stelt zijn rechtsmacht niet vast overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c), al is de aansprakelijkheid van rechtspersonen in het algemeen bij de Hongaarse wet geregeld.

Artikel 7

Bij artikel 7 worden twee verschillende aangelegenheden geregeld. In de eerste plaats wordt bepaald dat voor met mensenhandel samenhangende strafbare feiten geen aangifte of klacht van het slachtoffer van het strafbare feit nodig is. In het algemeen lijken de lidstaten aan deze verplichting te voldoen. Artikel 7 legt de lidstaten daarnaast de verplichting op te zorgen voor een specifieke bescherming van en bijstand aan slachtoffers, in het bijzonder kinderen. Het betreft hier voornamelijk de toepassing van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake het slachtoffer in de strafprocedure. Slechts een paar lidstaten hebben de Commissie echter relevante informatie betreffende de uitvoering van artikel 7 toegezonden. Het is bijgevolg moeilijk dit aspect van de uitvoering te beoordelen.

Artikel 8

De Commissie heeft geen specifieke informatie ontvangen over de omzetting in Gibraltar.

CONCLUSIE

Niet alle lidstaten hebben alle relevante teksten van hun uitvoeringsbepalingen tijdig bij de Commissie ingediend. De evaluatie en de conclusies van het verslag zijn bijgevolg soms op onvolledige informatie gebaseerd.

Op grond van de verstrekte informatie kan worden vastgesteld dat de lidstaten in ruime mate voldoen aan de in het kaderbesluit van de Raad vervatte voorschriften, omdat terzake reeds nationale wetgeving bestond of omdat nieuwe en specifieke wetgeving ten uitvoer werd gelegd. In de gevallen waarin het kaderbesluit van de Raad niet in de nationale wetgeving lijkt te zijn overgenomen, verzoekt de Commissie de betrokken lidstaten deze situatie zo snel mogelijk te verhelpen door omzettingswetgeving in te voeren.

Desalniettemin beschikken de lidstaten thans in het algemeen als gevolg van het kaderbesluit van de Raad over specifieke strafrechtelijke bepalingen waardoor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting of uitbuiting op arbeidsgebied strafbaar wordt gesteld en wordt voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. Voorts zijn bijzonder zware sancties ingesteld voor strafbare feiten waarbij sprake is van verzwarende omstandigheden. Anderzijds bestaan er aanzienlijke verschillen in strafmaat in de lidstaten, en de Commissie moet wellicht de mogelijkheid van een verdere harmonisatie in dat opzicht overwegen. In het algemeen hoefden de lidstaten hun nationale wetgeving niet te wijzigen om te voldoen aan artikel 6 van het kaderbesluit van de Raad, omdat reeds eerder maatregelen werden getroffen. De lidstaten voldoen doorgaans aan het bepaalde in artikel 7, lid 1, van het kaderbesluit; het zou echter nodig kunnen zijn de beschermings- en bijstandsregelingen verder te onderzoeken, aangezien de Commissie slechts beperkte informatie heeft ontvangen over de uitvoering van artikel 7, leden 2 en 3.

Ook wat met name kwetsbare slachtoffers betreft, heeft de Commissie slechts beperkte informatie ontvangen, waardoor het haar niet mogelijk is de situatie op dit gebied afdoend te evalueren. Overeenkomstig het op 1 en 2 december 2005 door de Raad aangenomen actieplan zal de Commissie de regelgeving inzake in een strafprocedure verwikkelde kwetsbare slachtoffers verder aanscherpen. Daartoe heeft de Commissie aanvullende specifieke informatie nodig over de wetgeving van de betrokken lidstaten. Voorts kan het nodig zijn dat de Commissie informatie verzamelt die de standpunten weergeeft van instanties of organisaties voor slachtofferhulp, teneinde de impact van het kaderbesluit op slachtofferhulp en –bijstand in de praktijk volledig en zo objectief mogelijk te beoordelen. Tot slot zij erop gewezen dat de Commissie, zodra een verslag is ingediend over het kaderbesluit van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie[?], dat uiterlijk op 20 januari 2006 diende te zijn omgezet, een vollediger beeld zal kunnen geven van de wetgeving inzake mensenhandel in de lidstaten. Dit beeld zal verder worden aangevuld door het verslag over de toepassing van Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf en van Richtlijn 2004/81/EG betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie. Dat verslag moet door de Commissie uiterlijk op 6 augustus 2008 worden ingediend (artikel 16 van de richtlijn).

[1] PB L 203 van 1 augustus 2002.

[2] Artikel 249 van het EG-Verdrag.

[3] Zie relevante jurisprudentie over de tenuitvoerlegging van richtlijnen, bijv. Zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497 tot 518.

[4] Zie relevante jurisprudentie over de tenuitvoerlegging van richtlijnen, bijv. Zaak 239/85, Commissie tegen België, Jurispr. 1986, blz. 3645 tot 3659. Zie ook Zaak 300/81, Commissie tegen Italië, Jurispr. 1983, blz. 449 tot 456.

[5] Zie omvangrijke jurisprudentie over de tenuitvoerlegging van richtlijnen, bijv. Zaak 29/84, Commissie tegen Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1661 tot 1673.

[6] Zie omvangrijke jurisprudentie over de tenuitvoerlegging van richtlijnen, bijv. Zaak 52/75, Commissie tegen Italië, Jurispr. 1976, blz. 277 tot 284. Zie in het algemeen de jaarverslagen van de Commissie over het toezicht op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, bijv. COM (2001) 309 def.

[7] Zie PJG Kapteyn en P. Verloren van Themaat "Introduction to the Law of the European Communities", derde editie, 1998, blz. 328.

[8] Artikel 36, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

[9] PB L 63 van 4.3.1997, blz. 2.

[10] PB C 19 van 23.1.1999, blz. 1.

[11] http://europa.eu.int/council/off/conclu/oct99/oct99_en.htm

[12] Artikel 1, lid 2, van Kaderbesluit 2002/629/JBZ.

[13] PB L 13 van 20.1.2004, blz. 44.

[i] Hierna "VRK" genoemd. Nadere informatie betreffende de inhoud en de stand van de ratificatie van het verdrag is te vinden op de website van de UNHCHR (http://www.unhchr.ch/html/menu2/6/crc/treaties/crc.htm) of op die van UNICEF (http://www.unicef.org/crc/crc.htm).

[ii] Volgens het VRK zijn kinderen niet alleen (echte of potentiële) slachtoffers die nood hebben aan bescherming, maar ook personen die rechten hebben, die duidelijk in het VRK zijn uiteengezet: de bevordering van de belangen van het kind (art. 3), het beginsel van non-discriminatie (art. 2), het recht op overleven en ontwikkeling (art. 6). Overeenkomstig artikel 12 van het VRK moet aan de mening van het kind passend belang worden gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het VRK bevat specifieke bepalingen (artikelen 32, 33, 34, 35, 36) over exploitatie, misbruik en handel in kinderen. Wat de definitie van "exploitatie" betreft, erkent het VRK het recht van het kind te worden beschermd tegen "economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind" alsmede tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik, in het bijzonder de exploitatie van kinderen in de prostitutie of in de pornografie. Andere relevante artikelen betreffen het recht op bescherming van kinderen die het verblijf in hun gezin moeten missen (art. 20) en de niet-gebruikmaking van inhechtenisneming (art. 37).

Top