Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52003DC0646

Verslag van de Commissie - Veertiende jaarlijkse verslag de uitvoering van de structuurfondsen

/* COM/2003/0646 def. */

52003DC0646

Verslag van de Commissie - Veertiende jaarlijkse verslag de uitvoering van de structuurfondsen /* COM/2003/0646 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE - VEERTIENDE JAARLIJKSE VERSLAG DE UITVOERING VAN DE STRUCTUURFONDSEN

Algemene samenvatting

Het belangrijkste feit in 2002 was de afronding van de programmering van vooral doelstelling 2, maar ook van de communautaire initiatieven. Over het algemeen is de programma-uitvoering in een bevredigend tempo verlopen en zijn de bestedingen nu vergelijkbaar met de voorgaande programmaperiode.

Eind 2002 is een eerste begin gemaakt met de beoordeling halverwege de looptijd, zodat de evaluatieresultaten in de tweede helft van 2003 beschikbaar kunnen zijn.

Op 7 oktober 2002 heeft de Commissie een ministersvergadering georganiseerd waar de lidstaten zich konden buigen over de concrete voorstellen van de Commissie om het beheer van de Structuurfondsen te verbeteren. Deze voorstellen waren enerzijds bedoeld als antwoord op het herhaalde verzoek van de lidstaten om verdere vereenvoudiging van het beheer van de Structuurfondsen, anderzijds om de nationale en communautaire procedures minder zwaar te maken, omdat de zeer trage start van de programma's voornamelijk het gevolg is van deze procedures.

Voor de programmaperiode 1994-1999 is 31 maart 2003 de uiterste datum waarop betaling van het saldo kon worden aangevraagd. Eind 2002 was het aantal afgesloten maatregelen echter nog gering. Ook is de termijn van juni 2002 voor de indiening van de afsluitingsdocumenten van de maatregelen slechts in heel weinig gevallen gehaald.

EFRO

Voor doelstelling 1 is de uitvoering bevredigend verlopen en was het niet nodig krachtens de regel n+2 [1] ambtshalve betalingsverplichtingen te annuleren. De verschillen in het tempo van uitvoering blijken echter van regio tot regio en zelfs binnen een programma zeer groot.

[1] Krachtens artikel 32, lid 2 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen annuleert de Commissie ambtshalve het gedeelte van een betalingsverplichting dat op het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de betalingsverplichting is aangegaan niet is besteed.

Uit de programmacomplementen blijkt dat eenderde van de EFRO-steun naar projecten op het gebied van de productieomgeving gaat en tweederde naar projecten voor basisinfrastructuur.

Het uitvoeringsniveau van doelstelling 2 is lager dan dat van doelstelling 1, omdat de programmering van doelstelling 2 pas in 2002 is afgesloten met de goedkeuring van de laatste programma's en de indiening van de programmacomplementen bij de Commissie. Dat de programmering langer heeft geduurd is voornamelijk te wijten aan het proces van afbakening van de in aanmerking komende gebieden. Naar aanleiding van de overstromingen hebben Duitsland en Oostenrijk hun programma's gedeeltelijk moeten herzien.

Het is interessant te constateren dat de verdeling van de steun tussen productieomgeving (tweederde van de bijstand) en basisinfrastructuur (eenderde van de bijstand) precies omgekeerd is aan die van doelstelling 1.

EOGFL

De doelstelling 1-programma's van het EOGFL worden over het geheel genomen op bevredigende wijze uitgevoerd (19,1%), ook al ligt het percentage beneden het gemiddelde van de Structuurfondsen. Bij vier programma's (in NL, VK, IRL) bestaat echter het risico dat vastleggingen ambtshalve worden geannuleerd krachtens de n+2-regel omdat er onvoldoende betalingen zijn gedaan.

De doelstelling 1-steun uit het EOGFL [2] is als volgt verdeeld: 45,5% voor het verbeteren van de structuur van de landbouwsector (voornamelijk investeringen in boerenbedrijven, verwerking en afzet van landbouwproducten), 41% voor milieu en natuurbeheer en 13% voor de ontwikkeling en diversificatie van de plattelandseconomie.

[2] Zowel EOGFL-Orientatie als Garantie. De flankerende maatregelen (vervroegde uittreding, achtergebleven gebieden, agrarische milieumaatregelen, herbebossing) van doelstelling 1 worden gefinancierd uit het EOGFL-Garantie.

ESF

Bij het ESF staat de steun voor de Europese werkgelegenheidsstrategie in het kader van doelstelling 3 centraal. De maatregelen zijn verspreid over alle vijf actiegebieden die in de ESF-verordening worden genoemd. De omvangrijkste maatregelen hebben echter betrekking op bevordering van de reïntegratie op de arbeidsmarkt van werkzoekenden en inactieven.

Het tempo waarin de maatregelen worden uitgevoerd is in het algemeen bevredigend en was voldoende om de oorspronkelijke achterstand bij de goedkeuring van de programma's in te halen. Op twee uitzonderingen na hoeven geen ambtshalve annuleringen te worden genomen.

Tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten heeft een groot aantal lidstaten uitgebreid gesproken over de koppeling tussen de programma's van het Europees Sociaal Fonds, de Europese werkgelegenheidsstrategie en de nationale actieplannen voor sociale integratie.

FIOV

Opvallend feit in 2002 was de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), die op 20 december 2002 door de Raad is bekrachtigd. De GVB-doelstellingen zijn herzien en zijn nu meer toegesneden op duurzame exploitatie van de visbestanden, uitgaande van zowel gefundeerd wetenschappelijk advies als het voorzorgbeginsel in het visbeheer enerzijds en duurzame aquacultuur anderzijds. Met het nieuwe beheer is er op lange termijn meer kans op een levensvatbare visserij door duurzame exploitatie van de visbestanden.

De nieuwe maatregelen zijn op 1 januari 2003 van kracht geworden ter vervanging van de oorspronkelijke regels die sinds 1993 op het GVB van toepassing zijn. Zij vormen een substantiële wijziging van de verordening betreffende de structurele acties in de visserijsector als bepaald in het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) [3].

[3] Verordening (EG) 2369/2002 van 20 december 2002 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2792/1999.

Tot de belangrijkste punten die zijn herzien behoren de steun voor vernieuwing van vissersvaartuigen en de permanente eigendomsoverdracht van communautaire vaartuigen naar derde landen, die vanaf 2005 niet meer kan worden verleend. Hulp voor modernisering van vissersvaartuigen is alleen bestemd voor schepen die minder dan vijf jaar oud zijn en is bedoeld om veiligheid en kwaliteit van de producten of de arbeidsomstandigheden te verbeteren, betere vangsttechnieken te bevorderen of de vaartuigen met een scheepsgeleidingsysteem uit te rusten. De steun mag niet leiden tot vergroting van de vangstcapaciteit van het vaartuig.

Met deze herziening worden eveneens de voorwaarden aangepast waarop de lidstaten steun mogen verlenen aan vissers en reders die hun visserijactiviteiten tijdelijk moeten stilleggen. De steun voor de omschakeling van vissers wordt uitgebreid met een diversificatie naar andere activiteiten, waarbij de mogelijkheid wordt geboden om in deeltijd te blijven vissen.

Communautaire initiatieven

Vijftien van de achttien nog goed te keuren programma's (op een totaal van 72 INTERREG-programma's) zijn in 2002 goedgekeurd. Dankzij deze goedkeuringen is de interregionale samenwerking daadwerkelijk van start gegaan met een eerste oproep tot het indienen van voorstellen op Europees niveau. Verder is het INTERACT-programma goedgekeurd, waarmee de uitvoering van het INTERREG-initiatief doelmatiger moet worden.

In 2002 zijn ook alle programma's van het communautaire initiatief Leader+ goedgekeurd en heeft in november de eerste vergadering van de stuurgroep plaatsgevonden.

In verband met URBAN dient de goedkeuring van het URBACT-programma te worden vermeld. Het is bedoeld ter vereenvoudiging van de uitwisseling van ervaringen en optimale werkmethoden tussen de steden die aan eerdere versies van URBAN hebben deelgenomen.

Veertiende jaarlijkse verslag over de uitvoering van de Structuurfondsen in 2002

1. Overzicht

1.1. Doelstelling 1

EFRO

In 2002 is de zogenaamde n+2-regel voor het eerst toegepast. Volgens deze regel moet de Commissie ambtshalve het gedeelte van een betalingsverplichting annuleren dat op het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de betalingsverplichting is aangegaan niet is besteed. Over het geheel was het tempo van uitvoering bevredigend en kon ambtshalve annulering worden voorkomen. Eind 2002 bedroeg het percentage betalingen gemiddeld 21,5% van de totale bijstandsverlening. Per lidstaat lopen de percentages uiteen van 7% in Nederland tot 36% in Ierland, maar voor de helft van de lidstaten ligt het percentage tussen 22 en 27%.

Toch blijken de verschillen in het tempo van uitvoering per regio, per programma en zelfs binnen een programma zeer groot. De infrastructurele maatregelen vorderen over het algemeen goed, terwijl voor maatregelen waarvoor samenwerking met de particuliere sector vereist is het tempo lager ligt. Een gedeeltelijke verklaring hiervoor kan de economische situatie in 2002 zijn.

Uit de ontvangen jaarverslagen blijkt dat het uitvoeringstempo (toewijzing van middelen voor projecten en betaling van projecten) sterk varieert. Bepaalde regio's hebben al tweederde van de beschikbare middelen aan projecten toegedeeld (België, Finland, Zweden) en ook de betalingen volgen dit gestage tempo.

Er zijn betrekkelijk weinig wijzigingen in de EPD's aangebracht. De aanpassingen waren vooral het gevolg van de goedkeuring door de Raad op 28 juni 2001 van de wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1260/99 (algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen), (EG) nr. 1257/99 (plattelandsontwikkeling) en (EG) nr. 2792/99 (visserij) waardoor in de ultraperifere regio's grotere bijstandspakketten kunnen worden toegekend.

Een analyse van de programmacomplementen wijst uit dat eenderde van de EFRO-steun naar de productieomgeving gaat en tweederde naar basisinfrastructuur. Daarbij komt de categorie vervoersinfrastructuur met 31% van de totale steun op de eerste plaats. Hierna volgen de steun aan het MKB en de ambachten met 16% en milieu (onder meer water en afval) met 13%. Aan OTO, telecommunicatie en de informatiemaatschappij, een omvangrijk gebied, wordt 12% van de EFRO-steun [4] besteed, terwijl voor sociale infrastructuur en volksgezondheid 6% wordt toegekend.

[4] Deze steun behoort tot het eerste deel van de Lissabon-strategie (bevorderen van de overgang naar een kenniseconomie door met name investeringen in informatie- en communicatietechnologie en OTO). Bij een beoordeling van het aandeel van de EFRO-steun op deze terreinen moet in aanmerking worden genomen dat de meeste programmacomplementen zijn opgesteld voordat de Lissabon-strategie was bepaald (maart 2000).

In alle lidstaten is met de eerste werkzaamheden voor de evaluatie halverwege de looptijd begonnen. In de verst gevorderde regio's zijn al overeenkomsten met de beoordelaars gesloten.

EOGFL

Het tempo van uitvoering is over het geheel genomen bevredigend, ook al ligt het percentage beneden het gemiddelde van de Structuurfondsen. Het gemiddelde van de totale betalingen ten opzichte van de totale bijstandsverlening bedraagt eind 2002 19,1%, terwijl dit voor alle Structuurfondsen 21,8% is. De uitvoering per lidstaat varieert van 7,8% (Nederland) tot 29,2% (Oostenrijk).

De programma's in Duitsland lijken geen hinder te hebben ondervonden van de overstromingen, want het uitvoeringspercentage behoort met 25% tot de hoogste van de lidstaten.

Vier programma's, te weten Flevoland (Nederland), Highlands and Islands (Verenigd Koninkrijk), Border, Midland and Western Region (Ierland), Southern and Eastern Region (Ierland), hebben niet kunnen aantonen voldoende betalingen te hebben verricht en lopen het risico dat krachtens de n+2-regel het betreffende deel van de vastleggingen wordt geannuleerd. Voor de twee laatstgenoemde programma's hebben de Ierse overheden een ontheffingsverzoek ingediend wegens overmacht als gevolg van de mond- en klauwzeerproblematiek. De Commissie heeft dit verzoek in behandeling genomen.

Uit de programmacomplementen blijkt dat de EOGFL-steun [5] als volgt verdeeld is: 45,5% voor structuurverbetering in de landbouw (investeringen in boerenbedrijven, verwerking en afzet van landbouwproducten), 41% voor milieu en natuurbeheer en 13% voor de ontwikkeling en diversificatie van de plattelandseconomie.

[5] Met inbegrip van het EOGFL-Orientatie en Garantie. De flankerende maatregelen (vervroegde uittreding, achtergebleven gebieden, milieumaatregelen voor de landbouw, herbebossing) uit hoofde van doelstelling 1 worden gefinancierd door het EOGFL-Garantie.

De werkzaamheden met het oog op de evaluatie halverwege de looptijd zijn van start gegaan en het resultaat ervan wordt binnen de gestelde termijnen verwacht.

FIOV

Het uitvoeringspercentage is het gemiddelde van alle fondsen en is daarmee voldoende. Een analyse van de cijfers per land wijst uit dat er zeker wel verschillen zijn. Het in totaliteit bevredigende tempo is te danken aan de snelle uitvoering van het FIOV-programma in Spanje (voor 26% van de bijstandsbeschikkingen zijn betalingen verricht); alleen dit programma is al goed voor 60% van de goedgekeurde maatregelen. In acht lidstaten is de uitvoering matig, variërend van 7 tot 10%.

Uit de programmacomplementen blijkt dat 22% van de FIOV-steun is gegaan naar vernieuwing van de vissersvloot, modernisering en nieuwbouw, 10% naar visteelt en 15% naar verwerking en verkoopbevordering van visserijproducten.

ESF

Het niveau van programma-uitvoering is in het algemeen bevredigend, met betalingen tot 24% van de totale bijstandsverlening, wat boven het gemiddelde van de fondsen ligt. In sommige gevallen is echter sprake van achterstand, vooral in Nederland (betalingspercentage: 7%).

Bepaalde vertragingen kunnen in ieder geval ten dele worden verklaard uit de invoering van nieuwe bijstandsgebieden voor het ESF (bijvoorbeeld levenslang leren, aanpassingsvermogen), omdat voor deze gebieden een langere voorbereiding nodig is dan voor de gebieden waarop het ESF gewoonlijk maatregelen financiert. Ook wordt zichtbaar dat de maatregelen voor gelijke kansen een lager uitvoeringsniveau hebben dan gemiddeld.

Uit de programmacomplementen blijkt dat de ESF-steun betrekkelijk evenwichtig is verdeeld over arbeidsmarktbeleid (29%), opleiding (26%) en aanpassingsvermogen van werknemers (21%).

1.2. Doelstelling 2

Het uitvoeringsniveau van de doelstelling 2-programma's is lager dan dat van de doelstelling 1-programma's, omdat de programmering langer in beslag heeft genomen, voornamelijk door het proces van afbakening van de in aanmerking komende gebieden. In een aantal gevallen zijn de programma's pas eind 2001 of begin 2002 goedgekeurd, terwijl de programmacomplementen pas in de loop van 2002 gereed gekomen zijn. Hiermee wordt duidelijk waarom het volume betalingen ten opzichte van de verleende bijstand op iets minder dan 14% is blijven steken. De lidstaten waarvoor de programmabeschikking eind 2000 is genomen, hebben uiteraard een gunstiger uitvoeringsniveau (Zweden en Finland: 22%; Denemarken: 17%). Spanje heeft echter de beste uitvoering met 26 procent; de uitvoering in Duitsland ligt op hetzelfde niveau als in Denemarken, hoewel de programma's van Duitsland later zijn goedgekeurd.

EFRO

De lidstaten die hun programmering in 2001 afgerond hadden, hebben een bevredigend uitvoeringstempo: reeds 60% van de begrotingen is inmiddels aan projecten toegekend. In de andere landen vordert de uitvoering gestaag, waarmee de oorspronkelijke achterstand geleidelijk kan worden ingelopen.

Sommige landen kampen met bijzondere problemen. Duitsland en Oostenrijk moesten hun programmering ten dele herzien in verband met de overstromingen in de zomer (preventieve maatregelen tegen overstromingen opnemen). De Italiaanse programma's zijn heel laat van start gegaan, omdat het proces van afbakening van in aanmerking komende gebieden met veel problemen gepaard is gegaan.

In sommige gevallen bleken maatregelen waarvoor particuliere cofinanciering was gepland moeilijker uitvoerbaar door het slechte economische klimaat.

Uit de programmacomplementen kan de verdeling van de steun over de bijstandsgebieden worden vastgesteld. Het is interessant te zien dat tweederde is gegaan naar de productieomgeving en eenderde naar basisinfrastructuur, precies omgekeerd aan de verdeling van doelstelling 1. Maatregelen voor het MKB en de ambachten worden gesteund met 36% van de EFRO-middelen, terwijl aan OTO, telecommunicatie en de informatiemaatschappij 15% wordt besteed. De twee andere gebieden die in belangrijke mate profiteren van de EFRO-steun zijn toerisme (9,5%) en milieu (6,4%).

Eind 2002 was in alle lidstaten begonnen met de voorbereiding van de evaluatie halverwege de looptijd.

ESF

Het tempo waarin de maatregelen worden uitgevoerd ligt over het algemeen iets beneden dat van het EFRO.

De ESF-steun is voornamelijk bestemd voor maatregelen met betrekking tot het aanpassingsvermogen van werknemers (33% van de bijstand) en opleiding (27% van de bijstand).

Voor de ESF-programma's zijn eveneens de laatste werkzaamheden in verband met de evaluatie halverwege de looptijd van start gegaan.

EOGFL

De maatregelen voor plattelandsontwikkeling buiten doelstelling 1 worden gecofinancierd door het EOGFL-Garantie en hebben betrekking op de 20 EPD's in het kader van doelstelling 2 in Frankrijk.

1.3. Doelstelling 3

Het belangrijkste kenmerk van doelstelling 3-programma's is dat de meeste maatregelen gericht zijn op ondersteuning van de Europese werkgelegenheidsstrategie, hoewel de lidstaten daarbij ieder hun eigen prioriteiten hebben gesteld, afhankelijk van hun behoeften. Wel hebben de maatregelen betrekking op de vijf beleidsterreinen van de ESF-verordening.

Tot de voornaamste maatregelen behoren maatregelen ter bevordering van de reïntegratie op de arbeidsmarkt van werkzoekenden en inactieven. Over het algemeen wordt getracht dit doel te bereiken door maatregelen op het gebied van her- en bijscholing, maar deze maatregelen zijn niet uitsluitend gericht op reïntegratie. In de meeste lidstaten zijn activiteiten ondernomen op het gebied van scholing van bepaalde groepen, levenslang leren en modernisering van de overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening. Andere maatregelen waaraan in bepaalde lidstaten extra aandacht wordt besteed zijn maatregelen op het gebied van manvrouwverhoudingen, sociale uitsluiting en gezondheidszorg.

De uitvoering van deze maatregelen verloopt over het algemeen volgens schema terwijl de in de afgelopen twee jaar opgelopen achterstand bij de eerste goedkeuring van de programma's door veel lidstaten gestaag wordt ingelopen.

Ten aanzien van het tempo en de problemen bij de uitvoering bestaan er grote verschillen tussen de lidstaten. Zo bleek het in Italië bijvoorbeeld moeilijk om de scholingsmaatregelen uit te voeren en in Nederland wordt niet voldoende besteed aan de reïntegratiemaatregelen. In Oostenrijk blijft alleen het programma voor levenslang leren achter. Maatregelen op het gebied van manvrouwverhoudingen blijken in de meeste lidstaten waar deze maatregelen bestaan moeilijker uitvoerbaar. Kennelijk zijn de programma's met de meeste achterstand in de uitvoering de programma's waarvoor een intensievere voorbereiding nodig is of programma's die zich richten op specifieke doelen, zoals het gezondheidszorgprogramma in Griekenland of de regeling voor functieroulering in Zweden.

De mate van voortgang blijkt ook uit de constatering dat in het merendeel van de lidstaten geen annulering krachtens de n+2-regel noodzakelijk is. Een uitzondering hierop vormen Denemarken waarvoor een kleine annulering van toepassing is en Nederland. De programma's in Nederland hebben een grote achterstand opgelopen door de problemen in verband met onregelmatigheden in voorgaande jaren. 2002 was het eerste volledige uitvoeringsjaar, waardoor de bestedingen aanmerkelijk lager zijn dan gepland. Het is daarom aannemelijk dat er nog meer annuleringen krachtens de n+2-regel zullen volgen. In andere lidstaten hebben overdrachten tussen programma's plaatsgevonden om de verschillen in de bestedingen op te vangen.

De meeste lidstaten hebben de jaarlijkse vergaderingen in 2002 aangegrepen om een aantal onderwerpen aan de orde te stellen. In veel lidstaten is gesproken over de koppeling tussen de programma's van het Europees Sociaal Fonds, de Europese werkgelegenheidsstrategie en de nationale actieplannen voor sociale integratie. Verder is bij die gelegenheid vastgesteld wat de problemen en zwakke punten bij de uitvoering van de programma's zijn en is vervolgens gekeken welke maatregelen en oplossingen mogelijk zijn. In sommige gevallen leidde dit tot overdracht van middelen tussen programma's, wijzigingen in de programmacomplementen of voorstellen voor wijziging van de enkelvoudige programmeringsdocumenten.

Toch vormt de afsluiting van de programma's van de periode 1994-1999 in alle lidstaten een bron van grote zorg. Aan het eind van het jaar hadden twaalf van de vijftien lidstaten nog geen afsluitingsverzoek of einddocumenten ingediend, hoewel de einddatum voor indiening 31 maart 2003 is. Van de overige drie lidstaten was alleen Griekenland een heel eind op weg, met nog maar twee van de vierentwintig programma's die aan het eind van het jaar afgesloten moesten worden. Van Duitsland en Spanje is een klein aantal verzoeken ontvangen.

1.4. FIOV buiten doelstelling 1

De Commissie heeft de derde tranche van de kredieten voor de elf programma's buiten doelstelling 1 ten bedrage van 168,9 miljoen EUR vastgelegd. De eerste tranche ten bedrage van 4,6 miljoen EUR voor het Nederlandse programma is eveneens vastgelegd op basis van uit 2001 overgedragen kredieten.

Uit de programmacomplementen blijkt dat aan de vernieuwing van de vissersvloot, modernisering en nieuwbouw 24% van de hulp uit het FIOV is besteed, terwijl voor visteelt 7% en voor verwerking en verkoopbevordering van visserijproducten 23% beschikbaar was.

1.5. Communautaire initiatieven

1.5.1. INTERREG

Nadat op 28 april 2000 [6] de richtsnoeren voor INTERREG III voor de periode 2000-2006 waren goedgekeurd (4,875 miljard EUR volgens het prijspeil van 1999) is de lidstaten verzocht binnen zes maanden na de publicatiedatum van de definitieve mededeling in het Publicatieblad [7] gedetailleerde voorstellen in te dienen.

[6] PB C 143 van 23 mei 2000, blz. 6.

[7] PB C 143 van 23 mei 2000, blz. 6.

De meeste van de 72 oorspronkelijk geplande programma's zijn reeds in 2000 en 2001 goedgekeurd. In 2002 volgden nog zeven programma's van onderdeel A (Ierland/Verenigd Koninkrijk, Griekenland/Albanië, Griekenland/Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Griekenland/Cyprus, Marokko/Gibraltar-VK, Italië/Albanië en Italië/Adriatische kust voor de samenwerking van de Italiaanse regio's aan de Adriatische kust met de regio's van de landen van voormalig Joegoslavië). Verder zijn vier programma's van onderdeel B goedgekeurd, namelijk de Atlantische ruimte, Noordwest-Europa, het Caribisch gebied en het programma voor Réunion/Indische oceaan. De laatste twee programma's van onderdeel C voor interregionale samenwerking, namelijk 'Zuid' en 'West', zijn eveneens goedgekeurd. Tenslotte zijn de twee programma's uit hoofde van artikel 53 van de INTERREG-richtsnoeren (netwerken) goedgekeurd, namelijk het programma ESPON/ORATE (Waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied) alsmede het programma INTERACT. Er wachten nog slechts drie programma's op goedkeuring in 2003: het programma 'Archimed' voor transnationale samenwerking tussen Griekenland en Italië en de twee programma's voor grensoverschrijdende samenwerking tussen Griekenland en Italië en Griekenland en Turkije.

De belangrijkste gebeurtenis in 2002 was zeker de goedkeuring van het programma INTERACT. De Commissie en de lidstaten hebben overeenstemming bereikt over de uitvoering van dit programma, dat bedoeld is om een kader te scheppen voor ondersteunende maatregelen bij de doelmatige uitvoering van INTERREG III. Met de goedkeuring van Commissaris Barnier op 16 december 2002 beschikt de Europese Unie hiermee over een nieuw instrument ter bevordering van de doelmatigheid en de kwaliteit van de INTERREG III-programma's. Gezien de enorme problemen bij de uitvoering van dit communautaire initiatief kan INTERACT eveneens een belangrijk instrument zijn voor verdere vereenvoudiging van de procedures voor de INTERREG III-programma's vooral met het oog op de programmaperiode na 2006.

Het INTERACT-programma is namens alle lidstaten door de coördinerende lidstaat Oostenrijk gepresenteerd. De Oostenrijkse bondsregering is derhalve aangewezen als beheers- en betaalautoriteit voor INTERACT. De totale kosten van dit programma bedragen 35,1 miljoen EUR, waarvan 25 miljard EUR ten laste van het EFRO komt.

Een ander belangrijk feit was de start van de interregionale samenwerking nu alle programma's eindelijk zijn goedgekeurd. De eerste oproep voor het indienen van Europese projecten is op 10 oktober 2002 gedaan. De vier programma's hebben samen meer dan 300 miljoen EUR uit het EFRO beschikbaar voor interregionale samenwerking (zie http:// www.interreg3c.net).

Tenslotte kan als belangrijk feit de goedkeuring van ESPON/ORATE worden vermeld. Dit programma is bedoeld om met medewerking van de buurlanden, waaronder Zwitserland en Noorwegen, en de kandidaat-lidstaten te komen tot een toekomstbeeld en kwantificering van de ruimtelijke ontwikkelingen in Europa. Luxemburg is aangewezen als beheers- en betaalautoriteit van dit programma en het gemeenschappelijke secretariaat is ook in Luxemburg gevestigd. De totale kosten van het programma bedragen 12 miljoen EUR en de bijdrage uit het EFRO beloopt 6 miljoen EUR.

De concrete uitvoering van de goedgekeurde programma's is voortgezet en krijgt steeds duidelijker vorm in de praktijk. De Commissie heeft volgens de regels aan verschillende vergaderingen van toezicht- en stuurgroepen deelgenomen.

1.5.2. Leader+

Leader+ beoogt geïntegreerde territoriale strategieën voor plattelandsontwikkeling van experimentele aard aan te moedigen en te ondersteunen. Eind 2002 waren de 73 programma's in het kader van Leader+ goedgekeurd. Negen lidstaten hebben gekozen voor een nationaal programma. De zes overige lidstaten hebben 61 regionale programma's ingediend en drie van deze lidstaten hebben een nationaal programma voor een nationaal netwerk ingediend.

In sommige lidstaten was de selectieprocedure van de plaatselijke actiegroepen in 2002 nog in de afrondingsfase. Van de 938 geplande Leader-groepen zijn er reeds 692 geselecteerd.

Op 26 november 2002 heeft de eerste vergadering van de stuurgroep Leader+ plaatsgevonden. Bij deze stuurgroepvergadering, onder voorzitterschap van de Commissie, waren vertegenwoordigers van de overheidsdiensten en de nationale netwerken aanwezig. Men heeft de voortgang besproken van de uitvoering van het communautaire initiatief.

De prioritaire thema's die de Commissie in haar mededeling over Leader+ heeft aangegeven, zijn door de plaatselijke actiegroepen als volgt overgenomen: zo goed mogelijk gebruik maken van de natuurlijke en culturele hulpbronnen, onder meer door de waarde te vergroten van natuurterreinen (33% van de plaatselijke actiegroepen), verbeteren van de kwaliteit van het bestaan in plattelandsgebieden (24%), plaatselijke producten een meerwaarde geven (21%) en gebruik maken van nieuwe knowhow en technologieën om de producten en diensten van plattelandsgebieden concurrerender te maken (10%). De totale communautaire steun voor Leader+ over de periode 2000-2006 bedraagt 2,1 miljard EUR, te financieren uit het EOGFL-Oriëntatie.

Voor 2002 is een bedrag van 356,80 miljoen EUR vastgelegd en zijn betalingen gedaan voor een bedrag van in totaal 74,89 miljoen EUR.

1.5.3. EQUAL

Voor het communautaire initiatief EQUAL was het jaar 2002 essentieel, omdat de ontwikkelingspartnerschappen een concrete start hebben gemaakt en het initiatief aan belang wint.

De selectiefase eindigde op 15 november 2001 en de ontwikkelingspartnerschappen hebben zich tot half mei 2002 bezighouden met actie 1. In deze periode konden de ontwikkelingspartnerschappen hun projecten voor nationale programma's afronden en met tenminste één ontwikkelingspartnerschap in een andere lidstaat transnationale samenwerking tot stand brengen.

Iets meer dan 1500 EQUAL-ontwikkelingspartnerschappen in heel Europa zijn begonnen met de uitvoering van hun tijdens actie 1 opgestelde werkprogramma's. Het betreft ongeveer 13.000 partners, waarbij gezegd moet worden dat doorgaans overheidsinstanties, opleidingsinstellingen of organisaties gespecialiseerd in het werken met kansarme groepen een overheersende rol spelen. Toch kan ook worden vermeld dat in meer dan 8% van de gevallen ondernemingen de leiding hebben.

Er is geen sprake van een evenredige verdeling over de thema's; eenderde van de projecten heeft het eerste thema 'Inzetbaarheid' als onderwerp. De geografische gebondenheid van de ontwikkelingspartnerschappen is minder hoog dan verwacht. Volgens de eerste schattingen is de verhouding tussen geografische en sectorale ontwikkelingspartnerschappen 80% - 20%. Ontwikkelingspartnerschappen waarin specifieke problemen met discriminatie centraal staan, vormen bijna tweederde van de sectorale ontwikkelingspartnerschappen. Dit geeft ongetwijfeld aan dat het hier gaat om een voortzetting van de bijstandsgebieden van ADAPT en EMPLOI.

Er zijn ongeveer 450 transnationale samenwerkingsovereenkomsten gesloten met per overeenkomst gemiddeld drie ontwikkelingspartnerschappen. Het maximale aantal ontwikkelingspartnerschappen per overeenkomst bedraagt tot op heden acht.

Volgens de doelstellingen en de opzet van het initiatief EQUAL ligt de nadruk in de eerste plaats op het voortbouwen op en verspreiden van nieuwe methoden. Hieraan wordt op projectniveau via transnationale ontwikkelingspartnerschappen uitvoering gegeven; op regionaal en/of nationaal niveau via thematische nationale netwerken en op Europees niveau via Europese themagroepen, met als doel het verzamelen, bespreken en beoordelen van de meestbelovende werkmethoden en bevindingen uit de praktijk om deze vervolgens te verspreiden en te integreren in het beleid.

Op Europees niveau is dit de taak die aan de zes Europese themagroepen is toegewezen (inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpassingsvermogen, gelijke kansen, asielzoekers, partnerschap). De basis hiervoor is gelegd op de conferentie van Barcelona in mei 2002 (netwerken voor integratie) waar de bijna 400 deelnemers actief aan de discussie hebben deelgenomen.

Tenslotte kan ten aanzien van de uitbreiding van de Europese Unie worden vermeld dat Tsjechië en Hongarije aan deze projectronde met respectievelijk 16 en vijf ontwikkelingspartnerschappen deelnemen, maar dat ook actief gewerkt wordt aan deelname van de kandidaat-lidstaten bij de volgende oproep voor indiening van voorstellen in het kader van EQUAL. Om deze reden waren de 150 deelnemers aan de conferentie van Kopenhagen die in november 2002 is gehouden (EQUAL en de uitbreiding) vertegenwoordigers van de huidige en toekomstige lidstaten van de EU om het communautaire initiatief EQUAL in het uitgebreide Europa voor te bereiden.

1.5.4. URBAN

De Commissie heeft in de loop van 2002 haar goedkeuring gegeven aan het URBACT-programma dat bedoeld is voor de uitwisseling van ervaringen en optimale werkmethoden tussen de steden die hebben deelgenomen aan URBAN I, URBAN II of een stedelijk proefproject. URBACT is gezamenlijk door alle lidstaten (behalve Luxemburg) ingediend en betreft het laatste geplande programma voor de uitvoering van het communautaire initiatief URBAN II, waarvoor in 2001 al 70 programma's voor steden of probleemwijken waren goedgekeurd.

Al deze 70 programma's zijn in 2002 binnen de voorgeschreven termijnen gebleven; van allemaal zijn de programmacomplementen goedgekeurd en bij de Commissie ingediend en de toezichtcomité's gevormd. Voor 21 programma's is het jaarlijkse uitvoeringsverslag binnen de gestelde termijnen ingediend.

Alle programma's hebben in 2002 het voorschot ontvangen (7%) en 26 programma's hebben al tussentijdse betalingen ontvangen.

Van de goedgekeurde programma's is een eerste balans opgemaakt in de mededeling van de Commissie inzake de programmering van de bijstandsverlening uit de Structuurfondsen in de periode 2000-2006 (COM(2002)308 definitief): een eerste beoordeling van het initiatief URBAN. Over dit document heeft Commissaris Barnier uitgebreid gediscussieerd met 600 burgemeesters en vertegenwoordigers van lokale overheden tijdens de conferentie 'Steden en cohesie' die de Commissie op 8 en 9 juni 2002 in Londen had georganiseerd.

1.6. Innovatieve acties en technische hulp

EFRO

In 2002 hebben 50 regio's een regionaal programma voor vernieuwende acties ingediend, waarvan 45 programma's van voldoende hoge kwaliteit waren om in aanmerking te komen voor EFRO-cofinanciering. Naast de 81 in 2001 ingediende en goedgekeurde programma's betekent dit dat 126 van de 156 in aanmerking komende regio's eind 2002 al van de bijstand hadden geprofiteerd. Verder zijn drie specifieke netwerkprogramma's goedgekeurd om de samenwerking tussen de regio's te bevorderen; een programma voor elk van de drie strategische thema's, namelijk a) onderzoek en technologisch ontwikkeling; b) informatietechnologie ten dienste van de regionale ontwikkeling en c) regionale identiteit en duurzame ontwikkeling.

De uitvoering van de proefprojecten in het kader van Recite (47 projecten) en TERRA (15 projecten) is voortgezet en resulteerde in de afsluiting van drie TERRA-projecten. Eind 2002 was voor alle projecten het eindverslag en het verzoek om betaling van het eindsaldo ingediend. De afsluiting van de vier Recite-projecten vordert eveneens gestaag.

FIOV

Op 4 juni 2002 heeft DG Visserij uit hoofde van artikel 22 van Verordening van de Raad nr. 1260/1999 een oproep tot het indienen van voorstellen (02/C 132/11) gedaan voor transnationale projecten voor innovatieve acties in de visserijsector. Na analyse en onderzoek van de 46 ontvangen voorstellen heeft DG Visserij tien projecten gekozen en de dienovereenkomstige financiële en juridische vastleggingen voor een totaalbedrag van 1.114.858 EUR gedaan. De projecten hebben voornamelijk betrekking op maatregelen voor sociaal-economische diversificatie in de van visserij afhankelijke gebieden, opwaardering van de producten van visserij en visteelt, verbetering van het imago van de sector, beroepsopleiding en permanente educatie in alle beroepen van de sector. De eerste tussentijdse verslagen komen in de loop van 2003 beschikbaar en de eindverslagen worden in het eerste kwartaal van 2004 verwacht.

Het programma voor technische hulp is in 2002 volgens plan uitgevoerd voor een bedrag van 934.811 EUR (zie de tabel in bijlage 3).

ESF

Innovatieve acties en technische hulp uit hoofde van artikel 6 van de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds.

In het Publicatieblad van 31 oktober 2001 [8] is een oproep gedaan tot het indienen van voorstellen met als thema 'plaatselijke werkgelegenheidsstrategieën en innovatie'. Het doel van deze oproep is ondersteuning van innovatieve acties voor de ontwikkeling van plaatselijke werkgelegenheidsstrategieën ten behoeve van de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie op lokaal niveau. De oproep tot het indienen van voorstellen bestrijkt onder meer de volgende gebieden.

[8] PB C 306 van 31.10.2001.

- Ontwikkeling van partnerschappen op lokaal niveau.

- Ontwikkeling en uitvoering van de plaatselijke werkgelegenheidsstrategieën.

- Toezicht, benchmarking en evaluatie.

- Uitwisseling van informatie, verspreiding en netwerken.

De aanvragen moeten zijn bedoeld om de prioriteiten van het nationale of regionale actieplan voor werkgelegenheid ter plaatse vorm te geven in een plaatselijke werkgelegenheidsstrategie. Twee typen voorstellen kunnen worden ingediend:

- voor de ontwikkeling en uitvoering van een enkelvoudige strategie in samenhang met het bestaande regionale of nationale actieplan;

- voor de ontwikkeling van een samenhangende reeks eigen strategieën van de lagere lokale overheden ter plaatse.

Alle voorstellen, of zij nu op de ontwikkeling en invoering van een enkelvoudige territoriale strategie op regionaal of provinciaal niveau (type 1) of een serie plaatselijke strategieën (type 2) zijn gericht, moeten een aantal elementen gemeen hebben, zodat er in de benadering van alle strategieën een bepaalde samenhang bestaat waarmee de vaststelling en vergelijking van optimale werkmethoden vergemakkelijk wordt en er lessen getrokken kunnen worden voor de reguliere ESF-activiteiten en de Europese werkgelegenheidsstrategie. Het gaat om de volgende gemeenschappelijke elementen.

- Een werkgelegenheidsstrategie wordt altijd ontwikkeld, verfijnd en uitgevoerd door een specifiek partnerschap, waaraan vertegenwoordigers van zoveel mogelijk relevante actoren deelnemen.

- Analyse van de uitgangssituatie van de plaatselijke werkgelegenheid: iedere plaatselijke werkgelegenheidsstrategie is gebaseerd op een analyse of diagnose van de plaatselijke arbeidsmarkt en de werkgelegenheidssituatie. Op basis van de uitgangssituatie kunnen vorderingen worden gemeten en geëvalueerd.

- In de te voeren strategie(ën) zijn alle vier de pijlers van de Europese werkgelegenheidsstrategie herkenbaar.

- Het aspect manvrouwverhoudingen/gelijke kansen maakt in alle stadia deel uit van de plaatselijke werkgelegenheidsstrategie met inbegrip van de analyse en diagnose van de uitgangssituatie in de betreffende regio.

- Samenhang met andere bronnen van communautaire en nationale financiering en de andere communautaire programma's: de plaatselijke werkgelegenheidsstrategie functioneert als een overkoepelend kader voor alle werkgelegenheidsactiviteiten in de betreffende regio.

In 2002 is een totaalbedrag van 34.06 miljoen EUR toegekend voor projecten die in het kader van de oproep worden gefinancierd. De Commissie cofinanciert per maatregel maximaal 75% van de totale in aanmerking komende kosten met een minimum van 300.000 EUR en een maximum van 3 miljoen EUR voor een periode van twee jaar.

In oktober 2002 zijn in het kader van de eerste indieningsronde 44 subsidieovereenkomsten getekend voor goedgekeurde projecten die tussen 1 november en 31 december 2002 van start moeten gaan.

De Commissie geeft in haar tweede jaarverslag over de uitvoering van de innovatieve acties uit hoofde van artikel 6 van de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds [9], de 'innovatieve benadering van verandermanagement' als overkoepelend thema aan het resterende deel van de lopende programmaperiode mee. In het kader van dit thema zijn twee meer specifieke richtsnoeren voor innovatieve acties benoemd:

[9] Aan het ESF-Comité voorgelegd op 17 december 2002; doorklikken naar: http://europa.eu.int/comm/ employment_social/esf2000/documents/report_2002_en.pdf. http://europa.eu.int/comm/ employment_social/esf2000/documents/report_2002_en.pdf

- omgaan met demografische veranderingen

- omgaan met herstructurering.

EOGFL

In 2002 is voor technische hulp in totaal een bedrag van 1,13 miljoen EUR vastgelegd.

1.7. Coördinatie met de andere financieringsinstrumenten

a) Cohesiefonds

De uit het Cohesiefonds toegekende steun dient voor de financiering van zowel vervoersinfrastructuurprojecten die bijdragen aan de uitbreiding van de trans-Europese netwerken, als milieuprojecten waarmee de landen in kwestie de doelstellingen van het milieubeleid van de Europese Unie naderbij kunnen brengen. Dankzij het Cohesiefonds kunnen de vier begunstigde lidstaten een hoog niveau van overheidsinvesteringen op die twee gebieden van algemeen belang handhaven en tegelijk blijven voldoen aan de doelstellingen inzake de verlaging van begrotingstekorten, zoals vastgelegd in de convergentieprogramma's die met het oog op de oprichting van Economische Monetaire Unie zijn opgesteld.

Het belangrijkste instrument om de bijstandsverlening van het Cohesiefonds en de Structuurfondsen te coördineren, is het strategisch referentiekader. Dat de lidstaten een strategisch referentiekader bij de Commissie indienen, is een logisch gevolg van de nieuwe wettelijke regeling van de activiteiten van het Cohesiefonds. Verordening 1685/99 bepaalt immers dat de lidstaten tevens de uitkomsten van de procedure voor de milieueffectbeoordeling verstrekken conform de Gemeenschapswetgeving en een beeld van de inpassing daarvan in een algemene strategie op milieu- of vervoersgebied op het niveau van een bestuurlijke eenheid of op sectoraal niveau.

Bovendien wordt in het Vademecum van het Cohesiefonds voor 2000-2006, dat de centrale overheden van de vier begunstigde lidstaten hebben ontvangen, bepaald dat deze strategie uitgestippeld en geformaliseerd dient te zijn in een oriëntatiedocument dat het referentiekader vormt voor de bijstandverlening van het Cohesiefonds. Dit referentiekader dient op het juiste beleidsniveau te worden vastgesteld en de volgende elementen te bevatten: langetermijndoelstellingen; afzonderlijke projecten; tussentijdse doelstellingen voor 2006; daarvoor te verwezenlijken projecten; en voor elk project een eerste indicatie van de investeringskosten en een indicatieve planning van de financieringsbronnen.

Eind 2000 hebben de vier lidstaten die steun van het Cohesiefonds krijgen hun strategische referentiekaders voor de sectoren milieu en vervoer ingediend. In bepaalde gevallen zijn die strategische referentiekaders opgenomen in de operationele programma's die zijn goedgekeurd in het kader van de programmering van de Structuurfondsen voor de periode 2000-2006, waardoor de coördinatie tussen de bijstandsverlening van het Cohesiefonds en de Structuurfondsen alleen maar hechter wordt.

Tenslotte zijn in 2002 twee informatieve vergaderingen met de lidstaten belegd, afgestemd op de vergaderingen van het Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's (Comité van de Structuurfondsen), wat de samenhang tussen de verschillende financieringsinstrumenten verder zal verhogen.

b) Coördinatie met de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF)

Overeenkomstig het tussen de Commissie en de EIB in het kader van de structuurmaatregelen van de Gemeenschap in de periode 2000-2006 gesloten samenwerkingsakkoord is er geregeld contact tussen de diensten van de Commissie en de EIB. De regeling werkt naar behoren en heeft ook tot specifieke contacten voor de coördinatie van grote vervoersprojecten (Spanje en Griekenland) geleid. Deze twee landen hebben hun samenwerking met de EIB op het gebied van publiek-private samenwerkingsverbanden en de deelname van de EIB aan het toezicht op de TEN-projecten verder uitgebreid.

Naar aanleiding van de op 26 maart 2002 op hoog niveau gehouden bijeenkomst ligt het accent nu op verbetering en verfijning van de statistieken van de EIB over het regionale effect van projecten. Dankzij de voorgestelde werkwijze op basis van regionale indicatoren kunnen de gevolgen die de steunverlening door de EIB voor de regio's heeft beter worden bepaald.

In 2002 is de samenwerking tussen de EIB en de kandidaat-lidstaten hechter geworden. De aandacht ging in het bijzonder uit naar projecten, cofinanciering, evaluatie en samenwerking in publiek-private samenwerkingsverbanden.

Ter uitvoering van het raamakkoord tussen de Commissie (DG Regionaal Beleid) en de EIB voor de periode 2000-2006, op grond waarvan de EIB bepaalde omvangrijke projecten beoordeelt die de begunstigde lidstaten hebben voorgelegd om financiering uit de Structuurfondsen te verkrijgen, zijn in 2002 37 snelle beoordelingen (17 EFRO-projecten en 20 Cohesiefondsprojecten) en 2 ISPA-beoordelingen verricht alsmede twee uitgebreidere beoordelingen.

Bij de samenwerkingsprioriteiten gaat de aandacht vooral uit naar de grote vervoersprojecten, het initiatief 'Innovatie 2000' en innoverende financiële producten, namelijk risicokapitaal en algemene leningen in het kader van de hoogste prioriteit: doeltreffende steun voor regionale ontwikkeling.

Een nieuwe financieringsmethode is in gebruik genomen, namelijk EIB-cofinanciering van regionale operationele programma's. Deze vorm van cofinanciering is voornamelijk in Italië tot stand gekomen en was zeer succesvol.

De EIB-activiteit ten behoeve van projecten in de Unie beliep in 2002 een bedrag van 33,4 miljard EUR, tegenover 31,2 miljard EUR in 2001. In de kandidaat-lidstaten heeft de EIB investeringen met het oog op de toetredingsvoorbereidingen ten bedrage van 3,6 miljard EUR gefinancierd, tegenover 2,7 miljard EUR in 2001. De steun van de EIB aan de meest achtergestelde regio's in de vorm van afzonderlijke leningen bedroeg 12,5 miljard EUR tegen 14,5 miljard EUR in 2001. Het effect van de algemene leningen aan de meest achtergestelde regio's wordt geschat op ongeveer 60%.

De lidstaten die de omvangrijkste leningen van de EIB ontvingen, waren Duitsland, Italië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

Binnen de EIB-groep houdt het EIF zich alleen nog bezig met garanties in de MKB-portefeuille en risicokapitaal (middelen van de Europese Gemeenschap en van EIB/EIF).

Op deze terreinen van bijstandsverlening heeft het EIF in 2002 voor een totaalbedrag van 471,5 miljoen EUR deelgenomen aan ongeveer 68 transacties, waarvan 36 met risicokapitaal. De bijstandsverlening beloopt in 2002 in totaal 1,707 miljard EUR.

Bijstand is verleend voor regionale ontwikkeling, voor onderzoek, en met name voor biotechnologie. Ook de kandidaat-lidstaten komen voor deze bijstand in aanmerking.

Naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad van Nice en die van Stockholm richt de aandacht zich meer in het bijzonder op de kennismaatschappij.

De Commissie let erop dat de bijstand voor de regionale ontwikkeling op de juiste wijze in de totale bijstandsverlening is ingebed.

Tenslotte is meer samenwerking tussen de Commissie en het EIF ten aanzien van de gesteunde regio's tot stand gekomen door een overeenkomst op basis waarvan het Europees Investeringsfonds bijstand en advies verleent aan de regio's die bijstand aanvragen.

c) Financiële steun voor de trans-Europese netwerken (TEN)

Een goede coördinatie tussen de begroting voor de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (TEN's) en de Structuurfondsen, en in het bijzonder de middelen van het EFRO, is van groot belang in gebieden die onder doelstelling 1 of 2 vallen en in Cohesielanden, omdat bij deze communautaire financieringsinstrumenten rekening wordt gehouden met de noodzaak de insulaire, niet aan zee grenzende en perifere regio's, evenals de regio's in de Gemeenschap die met een structurele achterstand kampen, met de centrale regio's van de Gemeenschap te verbinden.

TEN-projecten voor vervoer- en energienetwerken worden gefinancierd uit de TEN-begrotingslijn, terwijl de middelen uit het Cohesiefonds specifiek worden aangewend voor vervoersinfrastructuur en de middelen uit het EFRO zowel voor vervoer als energie. Artikel 2 van Verordening EG 1783/1999 van het Europees Fonds voor Regionaal Beleid bepaalt dat het fonds bij de verwezenlijking van zijn doelstelling 1 deelneemt aan de financiering van investeringen in infrastructuur die bijdragen aan de totstandkoming en ontwikkeling van trans-Europese netwerken. In dit verband moedigt de Unie publiek-private samenwerkingsverbanden aan door onder meer hogere bijstand te verlenen indien deze steun in een andere vorm dan contante subsidie wordt gegeven.

De TEN-verordening laat niet toe dat een bepaalde fase van een project tegelijk uit de TEN-begroting en andere communautaire bronnen wordt gefinancierd, maar in sommige gevallen kunnen uit de TEN-begroting gefinancierde haalbaarheidsstudies worden gevolgd door steun van het EFRO en de EIB om voornamelijk de aanlegcomponent van de feitelijke investering (mede) te financieren. Op het gebied van vervoer financiert het EFRO dikwijls werken die bedoeld zijn om 'toegang' tot het trans-Europese vervoernetwerk te verschaffen, terwijl de onderdelen daarvan dan weer uit de TEN-begrotingslijn en/of het Cohesiefonds worden gefinancierd.

De financiële TEN-Verordening (EG) 2236/95 is bij Verordening (EG) 1655/99 gewijzigd ten behoeve van de middellangetermijnplanning met behulp van indicatieve meerjarenprogramma's voor de communautaire financiering en ter stimulering van publiek-private partnerschapsverbanden. Daarbij wordt eveneens gebruik gemaakt van een klein bedrag uit de begrotingslijn (1-2%) om projecten met risicokapitaal te steunen.

Het meerjarig investeringsprogramma voor 2001-2006, dat in september 2001 door de Commissie is aangenomen, gaat uit van een totaalbedrag van circa 2,8 miljard EUR voor de elf voorrangsprojecten (Essen-projecten), het project wereldwijde satellietnavigatiesystemen (Galileo) en vier groepen projecten van algemeen belang.

In 2002 is in totaal 563,4 miljoen EUR vastgelegd voor TEN-vervoersprojecten in het kader van het meerjarig investeringsprogramma, het Galileo-project en de projecten van algemeen belang buiten het meerjarig investeringsprogramma. Bovendien is 7,0 miljoen EUR overgedragen aan de risicokapitaalfaciliteit als bijdrage aan TEN-vervoersprojecten in de vorm van publiek-private partnerschapsverbanden.

Uit de verdeling van de steun in 2002 over de verschillende vervoerssoorten blijkt dat het leeuwendeel van de vervoersuitgaven van de Unie in het kader van de TEN-vervoersbegroting bestemd is voor spoorwegprojecten (bijna 47%), gevolgd door Galileo (30%) op de tweede en wegen (4%) op de derde plaats.

1.8. Afsluiting van eerdere programmeringsperioden

Voor alle maatregelen van de programmaperiode 1994-1999 geldt als voorgeschreven afsluitingsdatum 31 maart 2003. In beginsel volgt dan annulering van de betaling van bedragen die betrekking hebben op maatregelen waarvan het afsluitingsdossier (eindverslag, aanvraag eindbetaling, controleverklaring volgens artikel 8) per die datum niet volgens de regels bij de Commissie is ingediend.

EFRO

Eind 2002 is een aantal maatregelen afgesloten. Voor enkele andere maatregelen zijn de afsluitingsdossiers in de loop van 2002 ingediend, maar dit was te laat om nog in hetzelfde jaar te worden behandeld. De dossiers zijn vaak niet volledig of roepen vragen op.

Van de in totaal 942 maatregelen waren er op 24 april 2003 194 afgesloten, 727 in behandeling en 21 afsluitingsdossiers moesten nog bij de Commissie worden ingediend of worden aangevuld om voor behandeling in aanmerking te komen.

EOGFL

Het aantal maatregelen dat op 31 december 2002 kon worden afgesloten is over het algemeen heel klein. De werkzaamheden voor afsluiting waren echter wel gevorderd, omdat voor de meeste maatregelen de noodzakelijke dossiers waren ingediend.

Voor de 402 programma's waren eind 2002 142 volledige verzoeken bij de Commissie ingediend en 27 programma's afgesloten (22 voor Italië). De documenten voor de 260 resterende af te sluiten programma's zijn op de einddatum van 31 maart 2003 ontvangen, waarmee automatische annulering wordt voorkomen.

FIOV

In 2002 zijn verschillende verzoeken tot afsluiting van programma's uit eerdere periodes ontvangen. Uitgebreid onderzoek naar deze aanvragen heeft niet geleid tot afsluiting ervan, omdat bepaalde informatie ontbrak.

Op 31 maart waren alle dossiers met betrekking tot de 54 maatregelen door de Commissie ontvangen.

ESF

Het lijkt erop dat de afsluiting van het merendeel van de maatregelen een grote achterstand heeft opgelopen, want er zijn maar heel weinig afsluitingsdossiers bij de Commissie ingediend.

Op 31 maart waren 16 van de in totaal 754 af te sluiten bijstandspakketten ook werkelijk afgesloten, 539 in behandeling, 53 dossiers nog niet bij de Commissie ingediend en moest voor 162 dossiers nog een aanvulling worden verstrekt.

2. Samenhang en complementariteit

2.1. De Structuurfondsen en het milieubeleid

Milieubescherming en verbetering van het milieu behoren tot de taken die de Structuurfondsen in Verordening 1260/99 (artikel 1) opgelegd hebben gekregen. Bij de in artikel 2 van deze verordening genoemde middelen, staat de integratie van de eisen inzake milieubescherming in de uitvoering van de fondsen expliciet vermeld.

Rechtstreekse investeringen in het milieu

De regionale en nationale overheden hebben gezamenlijk in de programmering 2000-2006 een reservering gepland van ongeveer 20 miljard euro voor rechtstreekse investeringen in het milieu, wat neerkomt op iets meer dan 10% van de totale begroting voor de Structuurfondsen. Dit geld is bestemd voor bijvoorbeeld de financiering van infrastructuur voor de aanvoer en behandeling van water, zuivering van afvalwater, verwijdering en hergebruik van afval, bodembescherming en natuurbehoud.

Deze investeringen worden voornamelijk gedaan in de doelstelling 1-regio's waar op deze gebieden enorme achterstanden bestaan vanwege de enorme bedragen die met de verwezenlijking van dergelijke infrastructuur zijn gemoeid.

Naleving van de milieuwetgeving

Maatregelen waarvoor cofinanciering uit de Structuurfondsen wordt verleend, moeten voldoen aan de geldende Gemeenschapswetgeving waaronder ook de milieuwetgeving. Om deze reden is de cofinanciering en de start van bepaalde maatregelen in een aantal lidstaten vertraagd of stopgezet wegens het ontbreken van een kader van milieuwetgeving in overeenstemming met het geldend recht.

Geconstateerd is dat, ofwel omdat nog geen omzetting in het nationale recht had plaatsgevonden, ofwel omdat de bepalingen van de Gemeenschapswetgeving niet werden nageleefd, voornamelijk op de volgende gebieden sprake was van niet-naleving van de wetgeving: afval (drie lidstaten zijn in 2002 door het Hof van Justitie veroordeeld omdat zij geen plannen voor afvalbeheer hadden opgesteld volgens de wetgeving inzake afval), watervervuiling door landbouwnitraten (verschillende veroordelingen door het Hof van Justitie), behandeling van stedelijk afvalwater, de waterkwaliteit en tenslotte het volgen van de voorgeschreven procedure inzake de milieueffectbeoordeling voor bepaalde openbare of particuliere projecten.

Natura 2000: In 2002 zijn de laatste problemen in verband met de onvoldoende toewijzing van gebieden door aanvullende kennisgevingen opgelost.

Integratie van het milieu in de verschillende maatregelen

Met het milieu wordt in de programma's van de Structuurfondsen rekening gehouden door milieuoverwegingen in toenemende mate op te nemen in zowel de omschrijving als de uitvoering van de programma's. Dit beginsel, dat steeds vaker toepassing begint te krijgen, neemt in de verschillende fasen van de programmering verschillende vormen aan. Zo is er niet alleen voor alle Structuurfondsprogramma's de milieueffectbeoordeling vooraf terwijl het programma wordt geschreven en de systematische milieueffectbeoordeling van projecten in het kader van Richtlijn 85/337/EEG, maar kan in het stadium van de oproep tot indiening van voorstellen ook een milieucriterium in de selectiecriteria van de projecten worden opgenomen.

In de industrie bijvoorbeeld wordt rekening gehouden met het milieu door te kiezen voor milieuvriendelijke productieprocessen of producten die een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen bevorderen, de hoeveelheid geproduceerd afval beperken en hergebruik bevorderen of de uitstoot van gevaarlijke stoffen in de lucht verminderen. De steun uit de Structuurfondsen aan de productiesector stimuleert in dit verband investeringen die een preventieve benadering voorstaan en in sommige lidstaten is het bijstandspercentage voor dit soort investeringen hoger. Op het gebied van vervoer kon in sommige lidstaten dankzij de integratie van milieuaspecten in de programma's de noodzakelijke verbetering van de vervoersinfrastructuur worden verwezenlijkt zonder de kwaliteit van het milieu aan te tasten, dat wil zeggen door milieuvriendelijke vervoersmethoden te bevorderen (voorrang voor openbaar vervoer en spoorwegen of voor intermodaal vervoer).

Deelname van de nationale milieuautoriteiten

Sommige lidstaten, zoals Italië, Spanje en Portugal, hebben de technische hulp gebruikt om teams van milieudeskundigen in te stellen die naast de beheersautoriteit als milieuautoriteit fungeren. Zij nemen deel aan het beheer van de fondsen en zien er op toe dat milieuaspecten bij de uitvoering van de programma's op het juiste niveau in aanmerking worden genomen.

Evaluatie halverwege de looptijd

De evaluatie halverwege de looptijd van de doelmatigheid van de programma's is begin 2003 van start gegaan en zou kunnen leiden tot herzieningsvoorstellen voor de programma's. Dit kan de aanleiding zijn om in de maatregelen van de Structuurfondsen beter rekening te houden met de prioriteiten in het Zesde Milieuactieprogramma en de mededeling van de Commissie tot vaststelling van de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese Gemeenschap.

Innovatieve acties

Duurzame ontwikkeling is een van de drie thema's waarmee in de regionale programma's voor innovatieve acties mag worden geëxperimenteerd. 49 van de 126 in aanmerking komende regio's hebben er tot nu toe voor gekozen om dit thema in hun programma's te onderzoeken. Het betreft verschillende maatregelen op milieugebied, maar onder meer ook op het gebied van vervoer, cultureel erfgoed en sociale dienstverlening. Hiermee is een bedrag van in totaal ongeveer 80 miljoen EUR gemoeid. Het is de bedoeling dat er lering wordt getrokken uit deze programma's en de ervaringen worden gebruikt in de reguliere Structuurfondsprogramma's.

2.2. De Structuurfondsen en het vervoers- en energiebeleid

Op 12 september 2001 heeft de Commissie een Witboek 'Vervoersbeleid' aangenomen waarin een verbetering van de vervoerssituatie als één van de belangrijkste prioriteiten van het vervoersbeleid wordt aangemerkt op basis van de volgende maatregelen:

- terugdringen van de congestie;

- aanleg van nieuwe infrastructuur, met name spoorwegverbindingen;

- prijsstelling als middel om een evenwichtige verdeling over de vervoersmethoden en de financiering van de infrastructuur te verkrijgen.

Voor de verwezenlijking van deze ambitieuze doelstellingen maakt de Commissie onder meer gebruik van de beschikbare middelen uit de TEN-vervoersbegroting, het Cohesiefonds, het EFRO en het pretoetredingsinstrument (ISPA) in de kandidaat-lidstaten.

2.3. De Structuurfondsen en het mededingingsbeleid

Volgens het bepaalde in artikel 87, lid 1 van het Verdrag is staatssteun normaliter niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Dit beginsel van onverenigbaarheid staat echter niet gelijk met een algeheel verbod en de Commissie besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijk gunstige effecten van de bijstand op de economische ontwikkeling van achtergebleven regio's, voorzover de invloed ervan op de concurrentieverhoudingen en het handelsverkeer tussen lidstaten niet strijdig is met het algemeen belang. Daar een aanzienlijk deel van de maatregelen uit de Structuurfondsen rechtstreeks ten goede komt aan het bedrijfsleven is het van groot belang dat het regionale beleid van de Gemeenschap volledig in overeenstemming met de mededingingsregels wordt uitgevoerd.

Op dit punt bevat de algemene Structuurfondsverordening een aantal belangrijke bepalingen waarin meer in het bijzonder is vastgelegd dat elke door de Commissie goedgekeurde maatregel de elementen moet bevatten die nodig zijn om vooraf te kunnen beoordelen of de staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Met het oog hierop (en als vervolg op het afgeronde onderzoek naar de activiteiten die zijn gepland volgens de enkelvoudige programmadocumenten voor maatregelen van de Structuurfondsen in de doelstelling 2-regio's voor de periode 2000-2006) heeft de Commissie zich in 2002 gericht op de beoordeling van een aantal grote projecten die voor subsidie uit hoofde van artikel 25 en 26 van bedoelde verordening in aanmerking komen. De beoordeling zou eenvoudiger moeten zijn nu de nieuwe multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun [10] is goedgekeurd.

[10] PB C 70 van 19.3.2002.

Deze nieuwe kaderregeling brengt een aantal verspreide regelingen (automobielindustrie, sector synthetische vezels en ijzer- en staalindustrie) samen en voorziet in een systeem om de steunintensiteit automatisch vast te stellen aan de hand van het investeringsbedrag, welk systeem als een progressieve heffing werkt; ook geldt een hogere drempel voor aanmelding van afzonderlijke gevallen dan voorheen. Daarnaast wordt in deze kaderregeling onderkend dat bepaalde grote investeringsprojecten doeltreffend bijdragen aan de regionale ontwikkeling, om welke reden met ingang van 2004 een soort premie op de cohesie mogelijk is die wordt toegekend voor via de Structuurfondsen gecofinancierde projecten met een investering van meer dan 100 miljoen EUR. Volgens dit nieuwe systeem wordt de toegevoegde waarde van deze grote projecten in aanmerking genomen dankzij een benadering waarmee recht wordt gedaan aan het doel staatssteun die ernstige verstoringen veroorzaakt te verminderen enerzijds, en het doel economische en sociale cohesie te bevorderen anderzijds.

Tenslotte is de Commissie voortgegaan met de herziening van de procedureregels voor steunmaatregelen waarbij minder kans bestaat op verstoring van de mededinging. In 2002 is derhalve een nieuwe verordening goedgekeurd met vrijstelling voor werkgelegenheidssteun [11]. Deze moet leiden tot een eenvoudigere procedure voor cofinanciering uit de Gemeenschap van bepaalde steunmaatregelen gedurende de huidige programmaperiode van de Structuurfondsen. Met deze verordening is een systeem voor vrijstelling van voorafgaande aanmelding tot stand gekomen dat van toepassing is op de steun voor het scheppen van arbeidsplaatsen en voor maatregelen die het in dienst nemen van kansarme personen en gehandicapten bevorderen. Deze verordening beoogt met name de steunintensiteit voor het scheppen van netto arbeidsplaatsen in de gesteunde regio's te verhogen.

[11] PB L 337 van 13.12.2002.

2.4. De Structuurfondsen en het beleid inzake overheidsopdrachten

Artikel 12 van Verordening (EG) 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen bepaalt dat de uit Gemeenschapsmiddelen gefinancierde verrichtingen "in overeenstemming [moeten] zijn met het Verdrag en de op grond van het Verdrag vastgestelde besluiten, alsmede met het communautair beleid, met inbegrip van het beleid inzake [...] de plaatsing van overheidsopdrachten." Het beheer van de Structuurfondsen is nu meer gedecentraliseerd, waarbij de lidstaten en met name de beheersinstanties meer bevoegdheden hebben bij de plaatsing van door de communautaire fondsen gefinancierde opdrachten. Teneinde te garanderen dat deze procedures overeenstemmen met de communautaire normen stimuleert de Commissie de nationale overheden tot het treffen van preventieve maatregelen, waarbij valt te denken aan passende scholing voor het personeel dat bij het plaatsen van die opdrachten betrokken is en de publicatie van handleidingen voor de plaatsing van opdrachten. De Commissie ziet erop toe dat de plaatsingsprocedures voor overheidsopdrachten in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht door te controleren of de relevante communautaire richtlijnen correct zijn omgezet en in te grijpen ingeval het Gemeenschapsrecht wordt overtreden. Uit dien hoofde heeft de Commissie in 2002 meer dan 400 gevallen van mogelijk incorrecte omzetting of onjuiste toepassing van de betreffende communautaire richtlijnen onderzocht.

2.5. De Structuurfondsen en de informatiemaatschappij

Om volledig te kunnen profiteren van de sociale, economische, culturele en politieke voordelen die de ontwikkeling van de informatiemaatschappij brengt, is deze revolutie op het gebied van communicatie en informatie een onlosmakelijk deel van het beleid van de Structuurfondsen voor de periode 2000-2006. Op de top van Lissabon is het ambitieuze doel geformuleerd om van de Europese Unie tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken in termen van duurzame economische groei, betere banen, meer werkgelegenheid en een grotere maatschappelijke samenhang. Tijdens de conferentie van Lyon is deze uitdaging opgepakt met de boodschap dat de informatiemaatschappij een middel bij uitstek is om het doel 'verhoging van het concurrentievermogen van de regio's in combinatie met het scheppen en het behouden van duurzame werkgelegenheid', te bereiken. Essentieel hierbij is dat de regio's een geïntegreerde en enkelvoudige strategie voor de informatiemaatschappij opzetten en uitvoeren.

Uit een recente studie [12] is gebleken dat de rechtstreekse communautaire bijdrage van de Structuurfondsen aan de informatiemaatschappij naar schatting voor de programmaperiode 2000-2006 zo'n 10 miljard EUR bedraagt, dat wil zeggen 4,5% van de totale uitgaven voor doelstelling 1 en 2. De prioriteiten vallen grotendeels samen met het actieplan eEurope 2002 (dat een hogere aansluitdichtheid op het internet ten doel heeft) en zijn gericht op modernisering van de toegangsinfrastructuur, de deelname van allen aan de kenniseconomie, ondersteuning van het gebruik van e-handel in het MKB, opzetten van nieuwe vormen van scholing en arbeidsorganisatie en tenslotte e-overheid. Ook kan worden vastgesteld dat de helft van de onderzochte regio's een strategische en planmatige benadering hebben van de informatiemaatschappij.

[12] Thematic Evaluation of the Information Society, Technopolis, oktober 2002.

Het actieplan eEurope 2005 is een vervolg op eEurope 2002 en is tijdens de top van Sevilla in juni 2002 goedgekeurd. Het is gericht op het doelmatig gebruik van het internet en beoogt de ontwikkeling van diensten, toepassingen en inhoud te stimuleren met gebruikmaking van een veilige breedbandinfrastructuur die voor zoveel mogelijk mensen beschikbaar is. De nieuwe prioriteiten stellen de gebruiker en het gebruik centraal en hebben nog meer rechtstreeks betrekking op de regio's. In de huidige bijzonder moeilijke situatie van de economie en het bedrijfsleven is het risico van een digitale tweedeling opnieuw aanwezig. Dit heeft ertoe geleid dat de activiteiten zich in 2002 op de volgende gebieden richten.

- Ontwikkeling van infrastructuur voor de breedbandtoegang in de dunbevolkte regio's waar de markt niet in staat is het nodige te doen. Voor de overheidssteun voor investeringen in dit soort infrastructuur en de voorwaarden waarop aanvulling uit de Structuurfondsen mogelijk is, moeten nieuwe richtsnoeren worden opgesteld. Hieraan is in 2002 begonnen en de richtsnoeren moeten uiterlijk in het eerste halfjaar van 2003 worden afgerond.

- Inpassing in de maatschappij van de instrumenten van de informatiemaatschappij. Verschillende maatregelen om de toegang tot de informatiemaatschappij te bevorderen die regionaal in 2002 zijn genomen moeten worden voortgezet om het risico van een maatschappelijke tweedeling in de toegang tot de informatiemaatschappij in de toekomst te vermijden.

- Het vermogen van de regio's om een geïntegreerde strategie inzake de informatiemaatschappij op te zetten en uit te voeren waarbij wordt ingespeeld op de behoefte van de gebruikers op basis van een brede interregionale samenwerking. Hoewel de helft van de regio's in 2002 werkelijke resultaten heeft geboekt, geeft de andere helft geen voorrang aan de ontwikkeling van de informatiemaatschappij en loopt het risico uitgesloten te raken van de samenwerkingsnetwerken die op internationaal niveau ontstaan.

- Uit de nationale ontwikkelingsplannen (en de operationele programma's) die de kandidaat-lidstaten inzake de informatiemaatschappij hebben ingediend, komen de bovengenoemde risico's meer specifiek naar voren en blijkt bovendien dat er weinig samenhang bestaat met de beleidslijnen die in het kader van eEurope+ zijn vastgesteld. Door de versnippering in de maatregelen voor de informatiemaatschappij in de verschillende economische sectoren is in eerste instantie, ook voor het regionaal niveau, een adequaat coördinatiemechanisme noodzakelijk en is in een later stadium een strategische en gestructureerde benadering vereist waarbij de regio's analyse en beheer zelf moeten kunnen uitvoeren.

Het is tenslotte noodzakelijk dat er een samenhangend referentiekader komt voor een regionaal beleid inzake de informatiemaatschappij en dat, wanneer de indicatoren en gegevensverzameling worden opgezet, dit met meer oog voor de regionale prioriteiten gebeurt.

Innovatieve acties

De informatiemaatschappij is een van de drie thema's waarmee in de regionale programma's voor innovatieve acties mag worden geëxperimenteerd. 92 van de 126 in aanmerking komende regio's hebben er tot nu toe voor gekozen om dit thema in hun programma's te onderzoeken. Het betreft verschillende maatregelen op het gebied van de informatietechnologie met het oog op de regionale ontwikkeling. Hiermee is een bedrag van in totaal ongeveer 240 miljoen EUR gemoeid. Het is de bedoeling dat er lering wordt getrokken uit deze programma's en de ervaringen worden gebruikt in de reguliere Structuurfondsprogramma's .

3. Evaluatie en financiële controle

3.1. Evaluaties

a) EFRO

In 2002 aangevangen evaluaties

In 2002 heeft DG Regionaal Beleid vijf onderzoeken gestart over verschillende onderwerpen met betrekking tot het regionaal beleid en de Structuurfondsen, waarvan er twee ook in 2002 zijn afgerond. Het betreft de volgende onderzoeken.

- Evaluatie achteraf van doelstelling 6 over de periode 1994-1999 bedoeld om na te gaan in hoeverre de doelstellingen, strategieën en de systemen voor uitvoering van de beide doelstelling 6-programma's in Finland en Zweden succesvol zijn geweest.

Uit deze evaluatie is gebleken dat de voor deze twee programma's toegekende middelen zeker een positieve invloed op deze regio's hebben gehad, maar dat ze toch te beperkt waren om de tendens van ontvolking in het doelstelling 6-gebied te keren.

Met de uitkomst van deze evaluatie wordt rekening gehouden bij de aanpassing in 2003 van de twee doelstelling 1-programma's voor 2000-2006 in de betrokken regio's.

- Tussentijdse thematische evaluatie van de duurzame ontwikkeling.

Het doel van dit onderzoek was vast te stellen welke instrumenten de lidstaatregio's kunnen helpen bij de evaluatie van hun plannen voor duurzame ontwikkeling. De uitkomsten van de evaluatie worden gebruikt om duurzame ontwikkeling meer tot haar recht te laten komen in de programma's van de Structuurfondsen 2000-2006, vooral in verband met de evaluatie halverwege de looptijd.

Uit de evaluatie is gebleken dat de Structuurfondsen over het algemeen een positieve bijdrage leveren aan de duurzame ontwikkeling van de regio's, maar dat verbeteringen nog mogelijk zijn.

Van de overige drie in 2002 aangevangen onderzoeken worden de uitkomsten in de loop van 2003 verwacht. Het betreft de volgende onderzoeken.

- Evaluatie achteraf van het communautaire initiatief INTERREG II, 1994-1999 bedoeld om van zowel deelinitiatief A (grensoverschrijdende samenwerking) als deelinitiatief B (voltooiing van de energienetwerken) te bepalen in hoeverre deze effectief hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking, de grensgebieden van de Europese Unie geholpen hebben om de specifieke problemen die verband houden met hun betrekkelijk geïsoleerde ligging in de nationale economieën en de gehele Europese Unie aan te pakken en de ontbrekende schakels in de trans-Europese energiedistributienetwerken aan te vullen.

Voor deelinitiatief B van INTERREG II moet de evaluatie aantonen in hoeverre is bijgedragen aan het in gang zetten van de dynamiek en/of het beter bepalen van strategieën voor een evenwichtigere verdeling en ruimtelijke ordening in de Europese Unie.

Uit de resultaten van deze evaluatie moet lering worden getrokken voor de toekomst van het communautaire initiatief INTERREG na 2006.

- Evaluatie ex-post van het initiatief URBAN 1994-1999 met drie doelstellingen:

* nagaan wat het effect van het communautaire initiatief is op de verbetering van de sociaal-economische omstandigheden in de bijstandsgebieden en of het programma een katalysatoreffect heeft gehad;

* vaststellen wat de toegevoegde waarde voor de Gemeenschap is van de investeringen van de Structuurfondsen;

* uit de ervaringen lering trekken voor de programmaperiode 2000-2006 en voor de planning van de Structuurfondsen na 2006 met het oog op de uitbreiding.

- Tenslotte is DG Regionaal Beleid een onderzoek begonnen naar de doelmatigheid van de uitvoeringsmethoden van de Structuurfondsen voor doelstelling 1, 2, 3 en de communautaire initiatieven.

Deze evaluatie moet de Commissie in het kader van de herziening van de fondsen helpen bij het opstellen van de voorstellen voor uitvoeringsprocedures na 2006.

Lering trekken uit de in 2001 aangevangen en in 2002 beëindigde evaluaties.

Twee in 2001 aangevangen evaluaties zijn in 2002 beëindigd; de resultaten ervan kunnen als volgt worden samengevat.

- Thematische evaluatie over de informatiemaatschappij.

Op basis van de 70 regionale programma's (en de drie nationale programma's voor de informatiemaatschappij) kan worden gesteld dat de Structuurfondsen een belangrijke bijdrage hebben geleverd, zowel op financieel als op strategisch gebied.

Horizontale maatregelen, zoals bijvoorbeeld die voor de informatiemaatschappij, konden echter in slechts enkele programma's worden uitgevoerd vooral als gevolg van de grote verschillen in capaciteit en programmering van de regio's.

- Een input-outputonderzoek naar het economische effect van doelstelling 1-maatregelen over de periode 2000-2006.

Dit onderzoek heeft aangetoond dat het effect van de Structuurfondsen op het BBP van de voor doelstelling 1 in aanmerking komende lidstaten en de weerslag hiervan op de meest ontwikkelde gebieden in de Unie aanzienlijk is (gemiddeld 24%), dankzij de invoer van apparatuur en diensten door de minder ontwikkelde gebieden.

Verder worden twee belangrijke onderzoeken begin 2003 afgerond. Het betreft een evaluatie achteraf van de doelstelling 1-programma's in 1994-1999 en een evaluatie achteraf van de doelstelling 2-programma's, die beide eind 2001 van start zijn gegaan.

Overige activiteiten op het gebied van evaluaties.

- Kostenbatenanalyse

Artikel 26 van de verordening houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen bepaalt dat de Commissie door de lidstaten in kennis wordt gesteld van grote projecten en dat informatie wordt verstrekt over de kostenbatenanalyse en het effect op de werkgelegenheid en het milieu.

In 2002 heeft DG Regionaal Beleid onderzoek gedaan en advies uitgebracht over 110 ingediende grote projecten, waarvan het merendeel betrekking had op milieu en vervoersinfrastructuur.

Daar in de verschillende begunstigde lidstaten op zeer uiteenlopende wijze uitvoering wordt gegeven aan de kostenbatenanalyse heeft DG Regionaal Beleid in 2002 met behulp van een extern bureau de handleiding voor kostenbatenanalyses geactualiseerd.

- Actualisering van de handleiding voor evaluatie van de methoden 'MEANS'.

In 2002 heeft DG Regionaal Beleid een aanbesteding gedaan met het oog op de actualisering van de handleiding 'MEANS', waarin de opgedane ervaringen en de technische ontwikkelingen van de laatste jaren zijn verwerkt.

- Vaststelling van de noodzakelijke indicatoren voor de toewijzing van de prestatiereserve.

In 2002 heeft DG Regionaal Beleid de toepassingscriteria voor de toewijzing van de prestatiereserve vastgesteld, zoals is bepaald in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 en zoals is vereist met het oog op de vereenvoudiging waartoe de Commissie in overleg met de lidstaten heeft besloten.

- Evaluatie van de aanbestedingen voor de beoordeling vooraf van de door de kandidaat-lidstaten ingediende nationale ontwikkelingsprogramma's en operationele programma's.

In 2002 heeft DG Regionaal Beleid de taakomschrijving voor de beoordelingen vooraf van de door de kandidaat-lidstaten ingediende nationale ontwikkelingsprogramma's en operationele programma's onderzocht, wat soms geleid heeft tot een nieuwe omschrijving van zwakke punten.

Inachtneming van het additionaliteitsbeginsel 1994 - 1999

Een van de algemene beginselen voor de werking van de Structuurfondsen is het additionaliteitsbeginsel als vastgelegd in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 2082/93 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening, dat bedoeld is om te voorkomen dat kredieten van de Structuurfondsen in de plaats treden van de overheidsuitgaven die op de voor de betrokken doelstelling in aanmerking komende gebieden ten laste van de lidstaat komen.

Volgens dit artikel moet de lidstaat voor het gehele betrokken grondgebied de structurele uitgaven van de overheid of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven ten minste op hetzelfde peil houden als tijdens de voorgaande programmaperiode, daarbij evenwel rekening houdend met de macro-economische context waarbinnen de betrokken financieringen plaatsvinden, alsmede met bepaalde specifieke economische situaties, te weten privatiseringen, uitzonderlijk hoge structurele uitgaven van de overheid in de vorige programmaperiode en de nationale conjunctuurontwikkeling.

De controle achteraf op de inachtneming van het additionaliteitsbeginsel kan pas plaatsvinden na afsluiting van de programmaperiode. De controle voor de periode 1994-1999 moet worden verricht op basis van de werkelijke in aanmerking komende uitgaven van de overheid of daarmee gelijk te stellen uitgaven die tussen 1994 en 1999 zijn verricht.

Eind 2001 heeft de Commissie de lidstaten verzocht de gegevens over deze werkelijk verrichte uitgaven in het kader van doelstelling 1 en 6 te verstrekken. Bij deze gegevens moest de informatiebron, de gebruikte inflatiecorrectie en de toegepaste schattingsmethode worden vermeld. De eventuele verschillen tussen de werkelijke gemiddelde uitgaven in de periode 1994-1999 en de uitgaven achteraf voor de voorgaande periode worden geschat.

Op dit moment, eind 2002, hebben negen lidstaten de controle op de inachtneming van het additionaliteitsbeginsel achteraf over de periode 1994-1999 voltooid. Zeven lidstaten voltooiden de controle in verband met doelstelling 1: Duitsland, Oostenrijk, België, Spanje, Griekenland, Nederland en Portugal en twee lidstaten de controle in verband met doelstelling 6: Finland en Zweden.

Vast is komen te staan dat in zeven lidstaten sprake is van een aanzienlijke groei van de werkelijke overheidsuitgaven voor de periode 1989-1993; variërend van 10 tot 30%.

In twee gevallen, namelijk Duitsland en Spanje, is een daling van de overheidsuitgaven met respectievelijk 20% en 2,4% ten opzichte van de periode 1989-1993 geconstateerd, maar hiermee wordt het additionaliteitsbeginsel niet aangetast omdat de structurele overheidsuitgaven in de vorige programmaperiode uitzonderlijk hoog waren.

Hoewel de Ierse autoriteiten de laatste gegevens nog moeten indienen, ziet het ernaar uit dat in Ierland het additionaliteitsbeginsel voor de periode 1994-1999 in acht genomen is.

Ook al zijn de laatste gegevens voor Italië nog niet volledig ontvangen, inzonderheid ten aanzien van de uiteindelijke bestedingen van de gemeenten, lijkt het erop dat het gemiddelde jaarlijkse niveau van de in aanmerking komende overheidsuitgaven in de doelstelling 1-regio's voor de periode 1994-1999 beneden het gemiddelde jaarlijkse niveau in de periode 1989-1993 ligt.

Op basis van de uit Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ontvangen gegevens is het op dit moment nog niet mogelijk vast te stellen of het additionaliteitsbeginsel in acht genomen is.

b) FIOV

De diensten van DG Visserij hebben op Europees niveau een begin gemaakt met de evaluatie achteraf van de FIOV-programma's. De overeenkomst is in december 2002 getekend en het eindverslag wordt in oktober 2003 verwacht. Verschillende lidstaten zijn met hun eigen evaluaties begonnen en de desbetreffende eindverslagen moeten eveneens voor eind 2003 beschikbaar komen.

In 2002 is in verschillende lidstaten een begin gemaakt met de evaluatie halverwege de looptijd. Tijdens een werkbijeenkomst op 24 februari 2003 waren de onderzoeksleiders van de lidstaten voor de evaluatie halverwege de FIOV-programma's over de periode 2000-2006 bijeengekomen om de taakomschrijving en de gekozen methoden te bespreken. Ondanks de aanzienlijke vertraging van sommige programma's moeten de eindverslagen volgens de bepalingen van artikel 42 van Verordening 1260/1999 vóór 31 december 2003 beschikbaar zijn.

c) EOGFL-Oriëntatie

Evaluaties achteraf over de programmaperiode 1994-1999

De meeste evaluaties achteraf zijn door de lidstaten en de regio's bij de Commissie ingediend. De Commissie heeft in totaal 17 verslagen met betrekking tot de evaluatie achteraf in het kader van Verordening (EG) nr. 950/97 (verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, doelstelling 5a), 12 verslagen in het kader van Verordening (EG) nr. 951/97 (verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten, doelstelling 5a), 52 verslagen inzake doelstelling 5b-maatregelen en 82 verslagen inzake het communautaire initiatief Leader II ontvangen. Een aantal verslagen moet nog in 2003 worden ingediend.

De Commissie heeft vier samenvattende evaluaties voor de gehele Unie opgestart; deze worden door externe beoordelaars verricht. Voor de uitvoering hiervan zijn vier overeenkomsten afgesloten voor de evaluaties achteraf van Verordening (EG) nr. 950/97, Verordening (EG) nr. 951/97, doelstelling 5b en Leader II. De eindverslagen van deze vier evaluaties komen in het derde kwartaal van 2003 beschikbaar.

Evaluaties halverwege de looptijd van de programmaperiode 2000-2006

In alle lidstaten is begonnen met de evaluaties halverwege de looptijd die vóór 31 december 2003 afgerond moeten zijn. De Commissie heeft richtsnoeren opgesteld en verspreid voor de evaluatie van de maatregelen voor plattelandsontwikkeling met als doel een samenhangende benadering van de evaluatie te bewerkstelligen op basis waarvan de evaluatieresultaten voor de gehele Unie kunnen worden samengevat. De programma's waarbij het EOGFL betrokken is geweest moeten deze richtsnoeren zoveel mogelijk toepassen. Ook voor de evaluatie halverwege de looptijd van het communautaire initiatief Leader+ zijn richtsnoeren opgesteld.

d) ESF

De evaluatie achteraf van de programmaperiode 1994-1999 voor doelstelling 1, 3 en 4 is volgens planning in september 2002 van start gegaan. De eindresultaten worden in september 2003 verwacht. Deze evaluatie achteraf is bedoeld om te meten wat het resultaat en de impact van de ESF-maatregelen in de betrokken gebieden is geweest. Meer in het bijzonder richt de aandacht zich hierbij op kwantificering en kwalificering van het effect dat de maatregelen hebben gesorteerd op de mensen (als eindbegunstigden van de maatregelen) en op de systemen (inclusief indirecte ontvangers). Verder wordt voorzover mogelijk vastgesteld wat de toegevoegde waarde van de bijstand voor de Gemeenschap is. Het is de bedoeling dat de evaluatieresultaten worden gebruikt bij 1. het opstellen van het volgende verslag over economische en sociale cohesie; 2. de tenuitvoerlegging van de periode 2000-2006 van het ESF; 3. het ontwikkelen van toekomstig beleid voor het ESF; 4. de onderhandelingen over de ESF-programma's met de nieuwe lidstaten na de uitbreiding; 5. het onderzoek naar de bijdrage die het ESF heeft geleverd aan de Europese werkgelegenheidsstrategie.

Gedurende 2002 heeft DG Werkgelegenheid zijn steun aan de voorbereiding van de evaluatie halverwege de looptijd van de ESF-programma's voor doelstelling 1, 2 en 3 in de programmaperiode 2000-2006 voortgezet. Deze evaluaties worden door de beheersautoriteiten in samenwerking met de Commissie georganiseerd. Eind 2002 waren de evaluaties halverwege de looptijd van de programma's in vrijwel alle lidstaten van start gegaan. De Commissie heeft zitting in de stuurgroepen die toezicht houden op deze evaluaties.

Deze stuurgroepen hebben zich voornamelijk beziggehouden met het opstellen van technische handleidingen om de evaluaties van programma's binnen hetzelfde CB te vereenvoudigen. Ook zijn de methodiekverslagen van de beoordelaars en de eerste evaluatieresultaten inzake specifieke en algemene aspecten besproken. In sommige landen hebben de verschillende betrokkenen bij doelstelling 3 actief meegewerkt aan de totstandkoming van de evaluatieverslagen over de eerste vijf uitvoeringsjaren van de Europese werkgelegenheidsstrategie.

Zelf heeft de Commissie periodieke ontmoetingen met de lidstaten en beoordelaars georganiseerd om de uitwisseling van informatie en ervaring te bevorderen. In 2002 was de aandacht vooral gericht op de methodiekbeschrijvingen ten aanzien van de bijdrage die de Structuurfondsen aan de Europese werkgelegenheidsstrategie leveren en de beoordelingscriteria voor de toezichtsystemen van doelstelling 3. Daarnaast zijn discussiestukken over de evaluatie van de algemene ESF-prioriteiten (gelijke kansen voor mannen en vrouwen, plaatselijke ontwikkeling en de informatiemaatschappij) opgesteld en besproken om uitwisseling tussen de lidstaten en de beoordelaars te bevorderen.

De kandidaat-lidstaten hebben specifieke bijstand ontvangen vergezeld van informatie over de beoordeling vooraf en de specifieke toezichtindicatoren voor de ESF-maatregelen.

De Commissie verwachtte met betrekking tot de evaluatie van het communautaire initiatief EQUAL dat alle beoordelaars begin 2002 benoemd zouden zijn. Hoewel de meeste benoemingen vertraging opliepen, was het merendeel van de nationale beoordelaars voor de programma's van dit communautaire initiatief inderdaad eind november 2002 aangewezen. In september 2002 heeft de Commissie de aanzet gegeven tot de evaluatie van EQUAL voor de hele Europese Unie, met als doel de nationale evaluatieresultaten te bundelen, te evalueren wat op Europees niveau is bereikt op het gebied van transnationaliteit, beleidsintegratie en netwerken en de coördinatie tussen de nationale beoordelaars te ondersteunen. De verslagen worden in februari en december 2003 verwacht en moeten ter onderbouwing van de herziening van de programma's dienen.

Ten aanzien van de evaluatie van de innovatieve acties uit hoofde van artikel 6 van de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds wordt opgemerkt dat de lopende evaluatie van de proefprojecten voor plaatselijk sociaal kapitaal uit 1998 eind 2002 was voltooid. De beoordelaars hebben de proef positief beoordeeld ten aanzien van het bereiken van achtergebleven groepen en de geboden hulp om ze richting werk te begeleiden. Om dit resultaat te bereiken is gebruik gemaakt van een gedecentraliseerd overdrachtsmodel: bemiddelende instanties gaven advies en verstrekten minisubsidies voor kleinschalige projecten. De deelnemers slaagden erin zeer goede resultaten te boeken en het initiatief zorgde voor positieve resultaten voor zowel de betrokken partnerschappen als de regio's. De beoordelaars gaven aan dat met deze benadering van de centra voor scholing en vaardigheden de problemen en beperkingen van conventionele programma's worden omzeild, omdat de steun en subsidiëring niet worden onderbroken en zijn gecombineerd met snelle betalingen en minder bureaucratische rompslomp voor zeer kleine projecten. De resultaten zijn van toepassing op verschillende gebieden: 1. Europese strategieën voor werkgelegenheid en sociale integratie; 2. Europees Sociaal Fonds en het gebruik van globale subsidies; 3. ontwikkelen en functioneren van projectpartnerschappen.

De evaluatie van de artikel 6-projecten voor de nieuwe economie in het kader van de sociale dialoog is in 2002 daadwerkelijk van start gegaan en wordt in 2004 voltooid.

De evaluatie van projecten voor plaatselijke ontwikkelingsstrategieën en innovatie 2002 is aanbesteed en de selectie van de beoordelaars vindt eind 2002 plaats.

3.2. Controles

a) Door OLAF verrichte controles

In 2002 heeft OLAF 12 controlebezoeken inzake de structuurmaatregelen in de lidstaten verricht.

Vier controlebezoeken hadden betrekking op het ESF voor in 2002 geopende zaken. Vier controlebezoeken hadden betrekking op het EOGFL-Oriëntatie voor in 1998 gestarte onderzoeken. Drie controlebezoeken hadden betrekking op het EFRO voor twee in 2002 geopende zaken en één in 2000 geopende zaak. Eén controlebezoek tenslotte uit hoofde van het FIOV had betrekking op een in 2001 geopende zaak.

Bovendien heeft OLAF tussen november 2002 en januari 2003 samen met de voor de Structuurfondsen verantwoordelijke directoraten-generaal een audit uitgevoerd over de uitvoering door de lidstaten van de bepalingen betreffende de systemen en procedures voor kennisgeving en toezicht op onregelmatigheden van Verordening (EG) Nr. 1681/94 van de Commissie en de toepassing van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 438/2001. De conclusies van de audit worden medegedeeld aan de lidstaten, de Raad, het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer.

Daarnaast hebben de lidstaten op grond van Verordening (EG) 1681/94 over 2002 bij de Commissie 4652 onregelmatigheden gemeld, waarmee in totaal 604.466.000 EUR is gemoeid.

Dit betekent dat het aantal gemelde onregelmatigheden en het betreffende bedrag ten opzichte van 2001 [13] meer dan verdrievoudigd zijn. Een verklaring hiervoor kan zijn dat 2002 het laatste jaar is waarin vóór afsluiting van de programma's van de periode 1994-1999 nog controlewerkzaamheden worden verricht.

[13] 2001: het aantal medegedeelde onregelmatigheden bedroeg 1190 met betrekking tot een totaalbedrag van 199.120.000 EUR.

Benadrukt wordt dat krachtens artikel 3 en 12 van Verordening (EG) 1618/94 de lidstaten verplicht zijn aan de Commissie alle gevallen te melden van onregelmatigheden die betrekking hebben op een bedrag gelijk aan of hoger dan 4000 EUR [14]. Opgemerkt wordt dat Verordening 1681/94 geen onderscheid maakt tussen fraude [15] en andere onregelmatigheden.

[14] Zie voor de definitie van het begrip onregelmatigheid artikel 1, lid 2 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

[15] Zie voor de definitie van het begrip fraude artikel 1, lid 1 van de Overeenkomst ter bescherming van de financiële belangen van de Europese gemeenschappen.

In dit verband wordt gewezen op de duidelijke vooruitgang in 2002 ten aanzien van de toepassing van artikel 5 van de bovengenoemde verordening krachtens welke de lidstaten verplicht zijn de Commissie per onregelmatigheid in kennis te stellen van de procedures die naar aanleiding van de medegedeelde onregelmatigheden zijn ingeleid, alsmede van de belangrijke wijzigingen die zich tijdens deze procedures hebben voorgedaan. Toch is de Commissie in een aantal gevallen niet in kennis gesteld van het gevolg dat gegeven is aan medegedeelde onregelmatigheden. Over een groot aantal medegedeelde onregelmatigheden is geen verdere kennisgeving gedaan. Overigens gaat dit vooral om programma's uit de eerste programmaperiode, waarvan de termijnen voor afsluiting van bepaalde programma's reeds zijn verstreken.

Overigens spannen zowel de lidstaten als de Commissie zich in om tijdens de lopende afsluitingswerkzaamheden van de programma's uit de periode 1994-1999 te zorgen dat het merendeel van de krachtens artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1681/94 medegedeelde onregelmatigheden op het moment van afsluiting van het programma zijn afgehandeld. Voor onregelmatigheden waarvoor in de lidstaten nog gerechtelijke procedures lopen moet de eindbetaling van de bedragen waarop deze onregelmatigheden betrekking hebben worden opgeschort tot deze procedures zijn afgerond.

Opgemerkt wordt dat met de nieuwe Verordening (EG) 448/2001 de toegepaste financiële correctie gekoppeld is aan de uit hoofde van Verordening (EG) 1681/94 ingediende verslagen en dat de lidstaten verplicht zijn de Commissie eenmaal per jaar een overzicht te geven van de uitstaande vorderingen. Dat moet in de toekomst het financiële toezicht vergemakkelijken en de mogelijkheid bieden om bedragen die als gevolg van nalatigheid van de lidstaat verloren zijn gegaan ten laste van deze lidstaat te laten komen. Juiste toepassing van Verordening (EG) 1681/94 krijgt derhalve meer prioriteit bij de lidstaten.

b) Controles door de eenheden van de bij de Structuurfondsen betrokken directoraten-generaal

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

Voor het EFRO (1994-1999) zijn de systemen in de lidstaten bekend als gevolg van audits in eerdere jaren, met name de in 2001 uitgevoerde systeemaudits op de toepassing van Verordening 2064/97. Bij de controlewerkzaamheden in 2002 zijn de voornaamste bevindingen nagelopen voorzover deze gevolgen hebben voor de mate waarin de lidstaten de programma's kunnen afsluiten. Negen vervolgcontroles zijn uitgevoerd om na te gaan of correctiemaatregelen zijn genomen. Daarnaast zijn drie INTERREG-programma's gecontroleerd, naar aanleiding waarvan met het oog op de toepassing van artikel 8 van Verordening 2064/97 op deze programma's een richtsnoernotitie is opgesteld ten behoeve van de lidstaten. Over het geheel genomen zijn bevredigende maatregelen genomen om de voornaamste onvolkomenheden weg te werken, maar in een aantal gevallen bestaan er nog problemen waarvoor geen afdoende oplossing is gevonden.

Aan de betreffende programma's zal bij afsluiting extra aandacht worden besteed en indien geen volledige waarborg verkregen kan worden, wordt de saldobetaling opgeschort. Vastgelegd is welke methodiek wordt gevolgd bij de afsluitingscontrole op basis waarvan moet worden nagegaan of de lidstaten een correcte en betrouwbare procedure hebben toegepast bij de afsluiting van hun programma's.

Audit van de afsluiting van programma's uit de periode 1994-1996

Als proef zijn zeven afsluitingsaudits van in 2001 afgesloten doelstelling 2-programma's uit de periode 1994-1996 uitgevoerd. Bij de onderzochte programma's in twee lidstaten (Spanje en Italië) zijn ernstige onregelmatigheden geconstateerd. Na afloop van de gerechtelijke procedure met de autoriteiten kunnen financiële correcties plaatsvinden en kan overwogen worden om de controlewerkzaamheden verder uit te breiden naar andere afgesloten programma's uit dezelfde periode. Dankzij de proefcontrole kon eveneens worden vastgesteld dat er verschillende soorten problemen zijn, waarmee rekening gehouden moet worden bij de in 2003 te verrichten controles op de afsluitingsprocedures.

Controle op de programma's 2000-2006

In de tweede helft van 2002 is een administratieve controle op de in het kader van artikel 8 ontvangen mededelingen verricht. Gebleken is dat in meer dan 50% van de gevallen de mededeling niet aanvaardbaar was; over het algemeen was de begeleidende informatie onvoldoende en moest de betaling om die reden worden opgeschort.

FIOV

In 2002 heeft DG Visserij elf controlebezoeken afgelegd in de volgende lidstaten: Spanje (4), Frankrijk (1), Portugal (1), Italië (1), Ierland (1), Duitsland (1), Griekenland (1) en Finland (1). Het ging om de volgende soorten controles:

- 3 controles van de systemen met betrekking tot de programmaperiode 1994-1999 inclusief de afsluitingsvoorbereiding (FR, GR, IRL);

- 5 controles met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor de programmaperiode 2000-2006 (ES, DE, PT);

- 1 controle van projecten op het gebied van visteelt, verwerking en de modernisering van de vissersvloot (FI);

- 2 controles op de naleving en de boekhouding (ES, IT).

ESF

In 2002 zijn in de lidstaten in totaal 30 controlebezoeken uitgevoerd. Het voornaamste doel was evaluatie van de in de lidstaten ingevoerde beheers- en controlesystemen voor de nieuwe periode 2000-2006 op basis van de tussen juni en december 2001 ontvangen beschrijvingen van deze systemen.

De aldus verrichte controles kunnen als volgt worden onderverdeeld.

12 preventieve controles met betrekking tot doelstelling 1.

15 preventieve controles met betrekking tot doelstelling 3.

3 preventieve controles met betrekking tot het communautaire initiatief EQUAL.

De doelstelling om in 2003 elk jaar bij elke lidstaat minstens één preventieve controle in het kader van het ESF te verrichten is gehaald (in zes lidstaten is eenmaal een controle verricht, negen lidstaten zijn twee à drie maal gecontroleerd).

Dankzij deze controles zijn de systeembeschrijvingen (artikel 5 van Verordening (EG) nr. 438/2001) ter plaatse en in de praktijk geëvalueerd. De voornaamste conclusies naar aanleiding van deze controles zijn met name gepresenteerd tijdens de coördinatiebijeenkomsten die reeds op 28 februari met twaalf van de vijftien lidstaten hebben plaatsgevonden, terwijl het controleverslag binnen een termijn van zeven tot acht weken aan de lidstaten is verstrekt, dat wil zeggen binnen de door de Commissie in het kader van de vereenvoudiging gestelde acceptabele termijn.

Vier vervolgcontroles op de in 2001 aangevangen controle op de toepassing van Verordening (EG) nr. 2064/97 waren bedoeld om de stand van zaken en de kwaliteit van de afsluitingsvoorbereidingen in de lidstaten te evalueren. Hierdoor is bijvoorbeeld tijdig alarm geslagen over de uitgavencertificering volgens artikel 8 in Groot-Brittannië (Noord-Ierland) en kon deze drastisch worden gewijzigd.

Verder hadden twee andere audits betrekking op de programmaperiode 1994-1999 (waarvan een begeleiding van de nationale controle-instanties in Frankrijk in verband met de afsluiting).

EOGFL-Oriëntatie

In de eerste zes maanden van 2002 was DG Landbouw nog bezig met het controleonderzoek van de programma's van de periode 1994-1999, waarmee in 2001 een aanvang was gemaakt. Dit betrof een evaluatie van de beheers- en controlesystemen die in de lidstaten worden toegepast voor de afsluiting, met speciale aandacht voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 2064/97. In 2002 omvatte het onderzoek dertien controlebezoeken in twaalf lidstaten (DE, IT, ES, UK, FR, LUX, NL, AU, PT, DK, SW, FIN). Het onderzoek dat DG Landbouw in 2001/2002 heeft gedaan naar de programma's van de periode 1994-1999 vóór afsluiting omvatte in totaal 27 controlebezoeken in alle lidstaten.

Tijdens de controlebezoeken in 2002 kwamen dezelfde soort problemen aan het licht als in 2001. Het betrof onder meer verlate of onjuiste toepassing van Verordening (EG) nr. 2064/97; problemen met de aansluiting tussen de bij de Commissie ingediende uitgavendeclaraties en de desbetreffende uitgaven; niet voor vergoeding in aanmerking komende uitgavenposten of projecten. Met alle geconstateerde problemen wordt of is rekening gehouden bij de afsluiting van de programma's.

In de tweede helft van 2002 heeft DG Landbouw de nodige voorbereidingen getroffen voor de afsluiting van de programma's van de periode 1994-1999, waarbij ook een controle is uitgevoerd op ongeveer 100 van de in totaal ongeveer 380 afsluitingsverklaringen die de lidstaten krachtens artikel 8 van Verordening 2064/97 hebben ingediend. De eerste verklaringen waren niet voldoende van kwaliteit en om deze reden moest DG Landbouw de lidstaten om aanvullende informatie of een toelichting vragen. In de loop van het jaar werd de kwaliteit van de verklaringen geleidelijk beter.

Verder heeft DG Landbouw in 2002 een aanbesteding gedaan voor de benoeming van een externe controle-instantie die het DG moet steunen bij het onderzoek naar de beschrijvingen van de beheers- en controlesystemen van de programma's voor de periode 2000-2006 en bij de door het DG uit te voeren controlebezoeken. Begin 2003 was de selectieprocedure afgerond en de overeenkomst getekend.

4. Comités

4.1. Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's

Dit Comité fungeert als beheerscomité als het gaat om de behandeling van de toepassingsregels van Verordening 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen en als raadgevend comité in andere kwesties. Daarnaast fungeert het Comité als een informatie- en discussieplatform voor alle specifieke zaken die betrekking hebben op de uitvoering van de Structuurfondsen en vooral het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO). Tijdens de tien vergaderingen van dit Comité en de vijf vergaderingen van zijn werkgroep voor stedelijke en ruimtelijke ontwikkeling zijn zo'n 75 zaken aan de orde gekomen.

Kenmerkend voor 2002 waren de besprekingen van de Commissievoorstellen voor vereenvoudiging, verduidelijking, coördinatie en flexibeler beheer van het structuurbeleid. De werkzaamheden van het Comité in de tweede helft van 2002 richtten zich voornamelijk op deze onderwerpen. Voor één ervan, namelijk de voorgestelde wijziging van de toepassingsregels inzake in aanmerking komende regio's, was een schriftelijke stemprocedure noodzakelijk binnen het Comité omdat de meningen van de lidstaten bijzonder verdeeld waren.

Uit het resultaat van de gevoerde besprekingen is de mededeling van de Commissie over de vereenvoudiging ontstaan, die op 25 april 2003 is aangenomen.

4.2. Comité van het Europees Sociaal Fonds

Het ESF-Comité heeft in 2002 viermaal in plenaire zitting vergaderd; de technische werkgroep heeft zeven keer vergaderd.

Het Comité heeft over twee procedures een mening gegeven. Het betrof de herziening van de Verordeningen 1685/2000 en 485/2001, en de nadere indicatieve richtsnoeren voor kandidaat-lidstaten.

Gedurende het jaar heeft het Comité een groot aantal verschillende kwesties met betrekking tot het functioneren van het Europees Sociaal Fonds besproken. Met name is aan de orde geweest het resultaat van de evaluatie van de Europese werkgelegenheidsstrategie en de voorgestelde herziening van de procedure en het tijdschema met het oog op een betere aansluiting bij de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Het Comité heeft veel tijd besteed aan evaluatiebesprekingen, niet alleen terzake van rechtstreeks met het ESF verband houdende evaluaties, maar ook van andere programma's waarvan de evaluatieverslagen onlangs zijn verschenen. Het Comité heeft voortgangsverslagen van artikel 6-maatregelen ontvangen, zoals oproepen tot het indienen van voorstellen en het jaarverslag. Het Comité ontving eveneens het verslag van een onderzoek dat voor de Commissie is verricht naar de uitvoering van het ESF in de programmaperiode 2000-2006 met een analyse van de steun die blijkens de programmadocumenten aan de Europese werkgelegenheidsstrategie wordt gegeven. Het Comité is periodiek geïnformeerd over de voortgang van de uitbreidingsbesprekingen. De laatste vergadering van het jaar is bijgewoond door vertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten; het onderwerp van de besprekingen was voornamelijk de uitvoering van het ESF in de kandidaat-lidstaten na de uitbreiding.

Het belangrijkste onderwerp dat in de loop van het jaar bij de technische werkgroep ter sprake kwam was de vereenvoudiging; een onderwerp dat ook in de gezamenlijke vergadering van alle Comités van de Structuurfondsen in november uitgebreid is besproken. In de werkgroep kwamen ook andere kwesties met betrekking tot de administratieve en financiële uitvoering van het ESF aan de orde.

4.3. Het Comité landbouwstructuur en plattelandsontwikkeling (STAR)

Het STAR-Comité (landbouw en plattelandsontwikkeling) is in 2002 dertien keer bijeengekomen en is als beheerscomité opgetreden volgens de procedure van artikel 47, lid 3 van Verordening (EG) 1260/99 in welke hoedanigheid het een positief advies heeft gegeven over Verordening (EG) nr. 2251/2002 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2759/1999 van de Commissie van 22 december 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad inzake steunverlening door de Gemeenschap voor pretoetredingsmaatregelen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling in de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa gedurende de pretoetredingsperiode.

Het Comité heeft conform de procedure van artikel 44, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 positief geadviseerd over 47 plannen voor plattelandsontwikkeling, en voorts conform de procedure van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1268/1999 over vijftien wijzigingen van plannen voor plattelandsontwikkeling.

Het Comité heeft verder tijdens de vijf vergaderingen in 2002 uitgebreid gediscussieerd over de vereenvoudiging van het Gemeenschapsbeleid voor plattelandsontwikkeling, wat in december 2002 geleid heeft tot de indiening van gedetailleerde wetgevingsvoorstellen door de Commissie.

4.4. Comité voor de visserij en de aquacultuur

In 2002 heeft het Comité voor de visserij en de aquacultuur zeven keer vergaderd, voorts is het Comité in 2002 schriftelijk om advies gevraagd over de wijzigingen van de Verordeningen 1685/2000 en 438/2001.

Het Comité is met name geïnformeerd over:

- de voorwaarden van de evaluatie achteraf en halverwege de looptijd van de FIOV-programma's;

- de meldingen van onregelmatigheden in de uitvoering van de Structuurfondsen en bij de afsluiting van de programma's voor de periode 1994-1999;

- de afsluiting van de OP's/EPD's en de n+2-regel;

- de uitvoering van de MOP IV en de bijbehorende bijstandsregelingen;

- de voorstellen van de Commissie over vereenvoudiging van het beheer van de Structuurfondsen;

- de resultaten van de oproep tot het indienen van voorstellen voor innovatieve acties;

- de mededeling betreffende de aanvullende indicatieve richtsnoeren voor de kandidaat-lidstaten (Structuurfondsen en Cohesiefonds).

5. Betrekkingen met de andere instellingen

Europees Parlement

De dialoog met het Europees Parlement vindt plaats zowel tijdens plenaire vergaderingen als via de Parlementaire commissies, met name via de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme (RETT), de Begrotingscommissie (BUDG) en de Commissie constitutionele zaken (AFCO).

De volgende resoluties zijn in plenaire vergadering aangenomen.

- Resolutie van het EP van 13 juni 2002 over de gevolgen van de uitbreiding voor de aan kandidaat-lidstaten grenzende regio's op basis van het verslag-Sommer, dat op 21 maart 2002 door de RETT is aangenomen.

- Resolutie van het EP van 13 juni 2002 over het twaalfde jaarlijkse verslag van de Commissie over de Structuurfondsen in 2000, het jaarlijkse verslag van de Commissie over het Cohesiefonds 2000 en het jaarlijkse verslag van de Commissie over het pretoetredingsinstrument voor structuurbeleid (ISPA) 2000. Deze resolutie heeft betrekking op het verslag-Turco, dat op 22 mei door de RETT is aangenomen.

- Resolutie van het EP van 7 november 2002 over het eerste voortgangsverslag van de Commissie over de economische en sociale cohesie op basis van het verslag-Schroedter, dat op 10 oktober 2002 door de RETT is aangenomen.

- Resolutie van het EP van 20 november 2002 over de beschikking inzake de regeling voor de heffing in de Franse overzeese departementen op over zee aangevoerde goederen ('octroi de mer') op basis van het verslag-Sudre, dat op 8 oktober 2002 door de RETT is aangenomen.

- Resolutie van het EP van 20 november 2002 over een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende financiële bijdragen van de Gemeenschap aan het Internationaal Fonds voor Ierland, op basis van het verslag-Caveri, dat op 8 oktober 2002 door de RETT is aangenomen.

Over het eerste voortgangsverslag hebben behalve de RETT ook de commissies voor landbouw en plattelandsontwikkeling (AGRI) en buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid (AFET) een advies gegeven.

Het verslag-Schroedter deelt de visie van de Commissie op een aantal punten. Deze betreffen met name de noodzaak om, gezien de uitbreiding en het voortbestaan van ongelijkheden in de EU, een sterk, solidair en op partnerschap gericht cohesiebeleid te voeren; de noodzaak om het huidige aandeel niet lager dan 0,45% van het BBP van de Unie te laten uitvallen, om de geloofwaardigheid van het cohesiebeleid niet te verspelen; de noodzaak om het cohesiebeleid met het oog op de uitbreiding aan de nieuwe verhoudingen in een grotere Unie aan te passen; de noodzaak van duurzame ontwikkeling, territoriale cohesie in Europa en een policentrische en evenwichtige ontwikkeling van de hele Europese Unie overeenkomstig de richtsnoeren van het Ontwikkelingsplan voor de Communautaire Ruimte (OCR); de noodzaak van steun aan regio's met specifieke handicaps (met bijzondere aandacht voor de ultraperifere regio's); de noodzaak om de grensoverschrijdende samenwerking op te voeren; de weerstand tegen elke nieuwe vorm van nationalisatie van het cohesiebeleid; het belang van de partnerschappen en het overwegen van de mogelijkheid om driepartijencontracten met de lidstaten en de betrokken regio's af te sluiten.

In het verslag is ook aandacht voor andere punten van zorg, zoals: het meewegen van andere criteria dan alleen het BBP bij het bepalen van de in aanmerking komende regio's voor de Structuurfondsen; het beter in overeenstemming brengen van het werkgelegenheidsbeleid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het milieubeleid, het vervoersbeleid en het economisch beleid met de cohesiedoelstellingen van een duurzame regionale ontwikkeling; verbetering van de bestuurscapaciteit van de kandidaat-lidstaten; een efficiëntere en flexibelere planning en implementatie van het cohesiebeleid met het oog op een geleidelijke decentralisatie van het beheer van de fondsen, mits dit gepaard gaat met effectief en streng toezicht op het gebruik dat van de fondsen wordt gemaakt; meer steun voor de concurrentiepositie van de regio's; mogelijkheid voor de regio's zelf hun eigen ontwikkelingsstrategie te voeren; invoering van het beginsel 'één programma - één fonds', waarbij de regio's meer verantwoordelijkheid voor de uitvoering wordt gegeven.

In het verslag wordt de Europese Commissie verzocht vóór het derde verslag voor te leggen:

- een tijdschema waardoor wordt verzekerd dat de programma's voor de periode 2007-2013 vanaf 1 januari 2007 in uitvoering genomen kunnen worden;

- voorstellen ter verbetering van de samenhang van de beleidsterreinen van de EU die van invloed zijn op de economische en sociale cohesie;

- voorstellen over de toekomst van de communautaire initiatieven en doelstelling 2.

Comité van de regio's

Naar aanleiding van de ondertekening van het samenwerkingsprotocol door Commissievoorzitter Prodi en CDR-voorzitter Chabert op 24 september 2001 heeft de Commissie in april 2002 een vademecum goedgekeurd met de verschillende aspecten van het beleid van de Commissie ten aanzien van het Comité van de regio's, de praktische uitvoering van de programma's en de deelname aan de werkzaamheden van het Comité van de regio's.

In dit verband heeft Commissaris Barnier op 12 juni 2002 aan de nieuwe voorzitter van het Comité van de regio's, de heer BORE, een advies gevraagd in de vorm van een prognose van de toekomstige uitvoering van de Structuurfondsen met de nadruk op de wijze waarop het cohesiebeleid na 2006 eenvoudiger kan worden uitgevoerd. Dit verslag is door de rapporteurs Fitto (PPE/I) en Van Cauwenberghe (PSE/B) opgesteld en op 4 december door hen in Helsinki gepresenteerd.

Dezelfde dag heeft de commissie Beleid inzake territoriale samenhang (COTER) een advies ingediend over het communautaire initiatief URBAN op basis van het door mevrouw Sally Powell (PSE/UK) ingediende verslag.

In november 2002 heeft de Commissie deelgenomen aan de bespreking van het door de heer Napolitano, voorzitter van de Commissie constitutionele zaken van het Europees Parlement, ingediende werkdocument dat de basis vormt voor het eigen goedgekeurde rapport van het Comité van de regio's dat door Lord Tope (ELDR-UK) is opgesteld. In het verslag-Tope wordt de wens uitgesproken dat de lokale en regionale overheden het recht krijgen zich tot het Hof van Justitie te wenden indien een EU-instelling hun bevoegdheden schendt en dat het Comité van de regio's de status van EU-instelling krijgt.

Voorts heeft de commissie COTER van het Comité van de regio's in 2002 een advies gegeven over het eerste voortgangsverslag over de sociale en economische cohesie. De rapporteur, de heer d'Ambrosio (PSE/I), heeft hierin onderstreept dat er nog steeds aanzienlijke regionale verschillen bestaan en gewezen op de marginalisering van de achtergebleven gebieden.

Tenslotte heeft de Commissie in 2002 gevolg gegeven aan de adviezen van het Comité voor de regio's met betrekking tot de 'Strategie ter bevordering van interregionale en grensoverschrijdende samenwerking in een grotere Europese Unie' en de 'Problemen van eilandgebieden in de Europese Unie en hun vooruitzichten in het licht van de uitbreiding'.

Europees Economisch en Sociaal Comité

Naar aanleiding van de ondertekening van het samenwerkingsprotocol door Commissievoorzitter Prodi en EESC-voorzitter Frerichs op 24 september 2001 heeft de Commissie in april 2002 een vademecum goedgekeurd met de verschillende aspecten van het beleid van de Commissie ten aanzien van het Europees Economisch en Sociaal Comité, de praktische uitvoering van de programma's en de deelname aan de werkzaamheden van het EESC.

In dit verband heeft de heer Barnier op 23 juli 2002 aan de voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité een advies gevraagd in de vorm van een verkennend advies naar de bijdrage van het overige communautaire beleid aan de economische en sociale cohesie. De opstelling van dit verslag is opgedragen aan de heer Dassis (GR/II).

De heer Malosse (F/II) heeft het in april 2001 goedgekeurde advies opgesteld over het tweede verslag over de economische en sociale cohesie in het kader van een advies over de toekomst van het cohesiebeleid in het licht van de uitbreiding, dat tijdens de plenaire vergadering van juli met algemene stemmen is aangenomen.

De heer Christie (UK/I) heeft een initiatiefadvies opgesteld over het beleid voor economische en sociale cohesie waarin onder meer wordt gewezen op de specifieke noden van eilandgebieden, berggebieden, dunbevolkte en ultraperifere regio's.

Het initiatiefadvies van mevrouw Lopez Almendariz (E/II) inzake het toekomstig beleid voor de ultraperifere regio's van de EU is tijdens de plenaire vergadering van mei aangenomen.

Het advies van de heer Vassilaras (GR/III) over het MKB in de eilandgebieden is tijdens de plenaire vergadering van april aangenomen. Een ander advies over de toekomst van de berggebieden opgesteld door beheer Bastian (F/III) is tijdens de plenaire vergadering van september aangenomen

Ten slotte heeft de Commissie in 2002 gevolg gegeven aan vijf adviezen van het EESC.

6. Voorlichting en publiciteit

EFRO

De prioriteiten van het beleid voor voorlichting en publiciteit in het kader van het regionaal beleid 2002 komen overeen met de prioriteiten van het DG in zijn geheel:

- zorgen dat het structuurbeleid en de meerwaarde ervan beter zichtbaar zijn voor de burgers van de Gemeenschap (de gewone burger);

- verbeteren van het resultaat door te zorgen voor een zo goed mogelijke verspreiding van informatie en optimale werkmethoden onder de betrokken actoren (het goed geïnformeerde publiek).

Deze taken worden door zowel de Commissie, als de lidstaten en de regio's verricht, naargelang ieders eigen voornaamste doelgroep. Met name de beheersautoriteiten in de lidstaten zijn volgens Verordening (EG) nr. 1159/2000 (voorlichtings- en publiciteitsacties) verantwoordelijk voor de voorlichting aan de burgers over maatregelen en projecten in het kader van de Structuurfondsen. In 2002 hebben de ondersteuning en coördinatie van deze activiteiten en de verspreiding van optimale werkmethoden een extra impuls gekregen in de vorm van een groot congres in maart 'Working together: successful communication on the structural funds', dat rond doelstelling 1 was geconcentreerd, met als onderwerpen de regionale ontwikkeling, Landbouw-Oriëntatie en de sociale fondsen. Naar aanleiding van dit congres is de werkgroep van nationale vertegenwoordigers en Commissiefunctionarissen die verantwoordelijk zijn voor informatie (SFIT - the Structural Funds Information Team) tweemaal bijeen geweest om aanbevelingen te doen over verschillende zaken. Om het dagelijks contact tussen de leden van dit team en anderen geïnteresseerden te vergemakkelijken is er een digitaal platform tot stand gekomen.

Speciale maatregelen in 2002 waren vooral gericht op betere zichtbaarheid van de toegevoegde waarde voor de Gemeenschap van het cohesiebeleid, het voorbereiden van toekomstig beleid in de uitgebreide Unie en de ontwikkeling van doelmatige netwerken tussen EU-informatiepunten en de media. Hieronder volgen de belangrijkste activiteiten in samenhang met het regionaal beleid.

- Publicatie van het eerste voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie ter actualisering van de discussie over het tweede cohesieverslag, waaraan in de pers en overige media veel aandacht is besteed.

- De nieuw vormgegeven Inforegio-weblocatie mocht zich in 2002 verheugen in een grote publieke belangstelling en behoorde tot de top drie van alle EUROPA-weblocaties.

- De nieuwsbrief Inforegio News is elke maand verschenen en aan meer dan 60.000 lezers verstuurd. Het Inforegio-blad Panorama verschijnt elke drie maanden.

- Het gebruik van de news room van de Inforegio-weblocatie is in de tweede helft van het jaar toegenomen met de onmiddellijke plaatsing van artikelen over lopende zaken en nieuwsberichten.

- In de loop van het jaar zijn verschillende belangrijke evenementen georganiseerd, waaronder de conferentie over toegevoegde waarde in Brussel (als onderdeel van een serie van zulke evenementen naar aanleiding van vragen over het tweede cohesieverslag of het eerste voortgangsverslag), het evenement 'Cities for Cohesion' in Londen waar de discussie met de lokale autoriteiten over de stedelijke aspecten van het toekomstige cohesiebeleid van start is gegaan en de werkbijeenkomst over berggebieden 'Community policies and mountain areas' in Brussel waar gekeken is naar de aspecten van de territoriale cohesie die in het tweede cohesieverslag aan de orde kwamen.

- Voor de regionale pers zijn een aantal speciale bijeenkomsten georganiseerd, namelijk zeven in Duitsland, één in Sevilla tijdens het Spaanse voorzitterschap van de EU en één in Aalborg tijdens het Deense voorzitterschap. Al deze bijeenkomsten zijn georganiseerd in samenwerking met de vertegenwoordiging van de Commissie in deze landen.

- De serie speciale bijeenkomsten die DG Regionaal Beleid voor de Brusselse vertegenwoordigingen van de regio's organiseert is voortgezet met vergaderingen over het eerste voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie, het communautaire initiatief URBAN, de regels inzake voorlichting en publicatie en INTERREG.

- Verder zijn door externe organisaties 34 evenementen georganiseerd waarvoor DG Regionaal Beleid sprekers en/of tentoonstellingsmateriaal heeft geleverd en waaraan in totaal ongeveer 17.000 mensen deelnamen.

FIOV

De voorlichtings- en publiciteitsacties op het gebied van de visserij en de aquacultuur stonden in het teken van de hervorming van het gemeenschappelijke visserijbeleid (GVB), waarvoor het eerste pakket voorstellen in mei door de Commissie is ingediend en eind december door de Raad is aangenomen. De hele zomer hebben teams van sprekers (de zogenaamde blauwe teams) door de lidstaten gereisd om aan betrokkenen en de media informatie te geven over de knelpunten in deze hervorming en met name over de gevolgen voor de structuursteun aan de visserijsector. De overcapaciteit van de vissersvloot ten opzichte van de beschikbare visbestanden en de gevolgen van deze onevenwichtige situatie op de economische winstgevendheid van de sector en de werkgelegenheid maakten namelijk een herziening van de steun noodzakelijk. In verband hiermee moest een extra inspanning worden geleverd om de dialoog en de uitwisseling van informatie met en tussen alle betrokkenen tot stand te brengen. In juni kon op het internet een rechtstreeks gesprek (chat) worden gevoerd met Commissaris Fischler.

Een nieuwe versie van de handleiding 'Het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij' met de wijzigingen van de FIOV-Verordening naar aanleiding van de hervorming van het GVB is in voorbereiding genomen voor publicatie in 2003.

Verder zijn beeldbanken opgezet waaruit geput kan worden bij audiovisuele communicatieacties over de structuur van de visserijsector. In Spanje, Italië en Schotland zijn deze films al gedraaid; de beelden worden gratis ter beschikking van de media gesteld.

Landkaarten op afficheformaat met informatie over twee bloeiende bedrijfstakken: verwerking van visserijproducten en visteelt (onder meer productie- en werkgelegenheidsstatistieken en gekweekte soorten per land) zijn gepubliceerd.

De gerichte acties zijn voortgezet met onder meer:

- deelname aan de internationale tentoonstelling 'European Seafood', gewijd aan de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten (Brussel, april);

- verspreiding van informatie via het tijdschrift Visserij in Europa;

- informatieverstrekking in de rubriek over de communautaire structurele hulp voor de visserijsector en de aquacultuur op de weblocatie voor het gemeenschappelijk visserijbeleid.

EOGFL

De Commissie heeft haar inspanningen op het gebied van voorlichting en publiciteit over de maatregelen voor plattelandsontwikkeling met financiering uit het EOGFL voortgezet. Als hulpmiddelen voor de voorlichting is onder meer het hoofdstuk plattelandsontwikkeling op de weblocatie van DG Landbouw ingezet, evenals de maandelijkse nieuwsbrief van dit directoraat-generaal, die in 2002 meer dan eens over de plattelandsontwikkeling ging.

In 2002 was de indiening van de mededeling van de Commissie over de herziening halverwege de looptijd van het gemeenschappelijke landbouwbeleid een belangrijke gebeurtenis. De Commissie heeft deze mededeling op haar weblocatie en ook als brochure gepubliceerd; hierin staat ook een hoofdstuk over de gevolgen van de hervorming voor het beleid voor plattelandsontwikkeling.

BIJLAGE 1 LANDENHOOFDSTUKKEN

België

1. Doelstelling 1

EFRO

De regio Wallonië heeft in 2002 de volledige lijst Natura 2000-gebieden ingediend, waardoor de opgeschorte betalingen voor de twee maatregelen van beide EPD's konden worden hervat.

Het programmacomplement van het EPD voor Henegouwen in het kader van doelstelling 1 is gewijzigd na goedkeuring van de financieringsregeling door de Commissie.

In 2002 zijn twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden. Tijdens de eerste vergadering van 27 juni is het jaarverslag over 2001 aan de leden van het toezichtcomité ter beoordeling en goedkeuring voorgelegd. In eerste instantie heeft het toezichtcomité het jaarverslag afgewezen omdat het geen geactualiseerde gegevens voor het ESF bevatte. Het aangevulde verslag is op 20 september bij de Commissie ingediend en op 25 oktober door de Commissie aangenomen op voorwaarde dat aanvullende informatie zou worden verstrekt over het project 'PASS', omdat zij kennis had genomen van de financiële moeilijkheden bij dit project.

De tweede vergadering van het toezichtcomité vond plaats op 17 december waarbij op initiatief van de Commissie behalve over de gebruikelijke beheerskwesties ook gesproken is over de kwaliteit van de maatregelen op basis van een themadiscussie over innovatie, onderzoek en ontwikkeling. Door dit debat is de betrokkenheid van de sociaal-economische partners vergroot.

De uitvoering van reeds goedgekeurde projecten is voortgezet en voor de resterende bijdrage uit de Structuurfondsen voor dit programma, dat wil zeggen ongeveer eenderde van de beschikbare begroting, is de selectie van projecten begonnen met het onderzoeken van de voorstellen door het onderzoeksteam.

Eind 2002 beliepen de voor betaling bij het EFRO ingediende uitgaven 93 miljoen EUR, dat wil zeggen ongeveer 23% van de beschikbare subsidies. De voorziene uitgaven waren aangepast aan het vastleggingsschema om geen kredieten te verliezen naar aanleiding van de toepassing van de n+2-regel en zijn volgens planning verlopen. Het verzoek tot betaling van het eindsaldo is echter ingediend na het verstrijken van de uiterste indieningsdatum van 31 oktober als bepaald in Verordening 1260/99.

FIOV

In het kader van het enkelvoudige programmeringsdocument 2000-2006 voor de doelstelling 1-regio's, dat de Commissie op 16 mei 2000 heeft goedgekeurd, is een bedrag van 1,7 miljoen EUR toegekend aan FIOV-maatregelen, welke voornamelijk betrekking hebben op investeringen voor de verwerking van vis en visserijproducten.

Eind 2002 hadden de Belgische autoriteiten nog geen vastleggingen gedaan ten laste van het bovenbedoelde FIOV-krediet. Wat de toepassing van de n+2-regel betreft, is met uitzondering van de vooruitbetaling geen enkele betaling voor dit fonds gedaan. In 2003 zou een bedrag van 81.200 EUR aan FIOV-bijstand moeten worden geannuleerd.

EOGFL

De wijze waarop EOGFL-maatregelen van het derde zwaartepunt uit hoofde van het Henegouwse EPD voor doelstelling 1 moet worden uitgevoerd, is beschreven in het Waalse plattelandsontwikkelingsprogramma. In dit EPD is hiervoor een bedrag van 41,572 miljoen EUR uitgetrokken. Eind 2002 bedroegen de betalingen respectievelijk 16,320 miljoen EUR en 7,532 miljoen EUR.

ESF

Twee jaar na de goedkeuring van het overgangs-EPD van doelstelling 1 zijn meer dan 150 projecten goedgekeurd met een totale bijdrage uit de Structuurfondsen van meer dan 410 miljoen EUR, dat wil zeggen meer dan één derde van het voor dit programma beschikbare budget. De vastleggingsbeschikkingen betreffen voornamelijk steunmaatregelen voor investeringen in de industrie en de dienstensector en nieuwe financieringstechnieken, steun aan topinstituten (onderzoekscentra) en benutting van de toeristische en culturele mogelijkheden. De uitgaven bedragen nog slechts 30 miljoen EUR, ofwel 5% van de beschikbare middelen.

De ESF-bijdrage aan dit EPD voor Henegouwen in het kader van doelstelling 1 bedraagt 191,9 miljoen EUR. Dit bedrag is bestemd voor de uitvoering van een bijzondere maatregel van het tweede zwaartepunt (mobilisatie van het menselijk potentieel op onderzoeksgebied, vorming van onderzoekspools) en de volledige verwezenlijking van het vijfde zwaartepunt (preventieve aanpak van de arbeidsmarkt) en het zesde zwaartepunt (verbetering van de sociale en arbeidsintegratie) van dit EPD. Dankzij de maatregel in het kader van het tweede zwaartepunt zijn 39 aanvullende cursussen in bedrijven aan jonge onderzoekers aangeboden en volgen in 2003 15 soortgelijke scholingsplaatsen. Alle maatregelen van het ESF op dit punt hebben over het geheel genomen een bevredigende ontwikkeling volgens de beoogde doelstellingen doorgemaakt. Eind 2002 was 40% van de geplande ESF-bijdrage vastgelegd.

2. Doelstelling 2

EFRO

In Wallonië zijn de programmacomplementen van de twee doelstelling 2-programma's op 22 april 2002 door het toezichtcomité goedgekeurd en op 23 mei bij de Commissie ingediend, die deze vervolgens op 9 juli heeft aanvaard. De jaarverslagen waren beknopt, omdat ze betrekking hadden op een heel korte periode aangezien de EPD's pas in december 2001 zijn goedgekeurd. Eind 2002 was het selectieproces van de projecten nog niet ver gevorderd.

Een stuurgroep is opgericht om de taakomschrijving van de aanbestedingen voor de tussentijdse evaluaties van de EPD's in Wallonië op te stellen. Na een analyse van de ontvangen aanbiedingen is vóór het eind van het jaar per EPD een voorstel voor een beoordelaar ter goedkeuring voorgelegd aan de Inspectie der Financiën.

Voor het hoofdstedelijk gewest Brussel stond het jaar 2002 in het teken van de uitvoering van het programmacomplement en de eerste concrete totstandkoming van projecten. Het hoofdstedelijk gewest Brussel heeft de eerste twee tussentijdse betalingsverzoeken dan ook al bij de Commissie ingediend.

Het toezichtcomité heeft tijdens zijn vergaderingen in juni en november uitvoerig met de partners gesproken over het thema financieringsregelingen, en meer in het bijzonder over het startersfonds in het kader van het programma voor doelstelling 2.

Verder heeft het toezichtcomité voor de selectie van de beoordelaar die zich bezig moet gaan houden met de evaluatie halverwege het programma de taakomschrijving vastgesteld; de beoordelaar wordt begin 2003 geselecteerd en de evaluatie moet in de herfst van 2003 zijn afgerond.

Voor Vlaanderen was 2002 het jaar waarin de vier doelstelling 2-programma's daadwerkelijk van start konden gaan, meer in het bijzonder in de regio's die voor de eerste keer steun ontvangen uit de Europese Structuurfondsen, aangezien twee programmacomplementen in oktober 2001 en twee programmacomplementen eind november door de Commissie waren goedgekeurd.

De uitvoering van de programma's was dusdanig dat Vlaanderen voor de vier programma's een tussentijds betalingsverzoek heeft ingediend, waarmee annulering van de bedragen reeds 18 maanden na de toewijzingsbeschikking is voorkomen.

Afgezien van de problemen in verband met de voorwaarden van cofinanciering door Vlaanderen van de programma's voor de steden (Antwerpen en Gent) en een duidelijk probleem om de ESF-projecten van het programma voor Oost-Vlaanderen van de grond te krijgen, geeft de ontwikkeling van de programma's geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen. Alleen voor het ESF-programma voor Oost-Vlaanderen bestaat het risico dat de n+2-regel toegepast moet worden.

Het toezichtcomité voor de vier programma's heeft in 2002 drie keer vergaderd, in april, juni en november. Tijdens de laatste vergadering is dieper ingegaan op en zijn de meningen gepeild over het inzetten van het maatschappelijk en culturele erfgoed ter bevordering van het toerisme. Aan elke vergadering van het toezichtcomité was een bezoek gekoppeld aan projecten van het ontvangende programmagebied, waarbij de Commissie en de vertegenwoordigers van de overige programma's zich konden informeren over de soort projecten en de stand van zaken bij de uitvoering ervan in Vlaanderen. Verder zijn een ontmoeting tussen de Commissie en de beheersautoriteiten en projectbezoeken in de provincie Limburg (januari 2002) en de stad Gent (oktober 2002) georganiseerd. Tenslotte heeft de Commissie op uitnodiging van de minister-president van de Vlaamse regering op 14 juni 2002 projecten bezocht in de provincie Limburg.

Tijdens de vergadering in november 2002 heeft het toezichtcomité de contracten voor de evaluatie halverwege van de vier programma's (en voor het programma Urban II Antwerpen) aanbesteed. Voorafgaand aan deze vergadering waren de vertegenwoordigers van de Commissie, de beheersautoriteit en de secretariaten van de programma's bijeen geweest om de ingediende aanbiedingen te vergelijken.

ESF

In het kader van doelstelling 2 en de overgangssteun voor de eerdere doelstellingen 2 en 5b zijn voor België zes programma's goedgekeurd.

Twee doelstelling 2-programma's worden in Wallonië uitgevoerd, één betreft het stroomgebied Meuse-Vesdre (steun uit het EFRO en het ESF: 158,3 miljoen EUR), het andere de plattelandsregio Dinant-Philippeville (steun uit het EFRO en het ESF: 58,4 miljoen EUR).

De voornaamste doelstelling van het plan voor het stroomgebied Meuse-Vesdre in het kader van doelstelling 2, periode 2000-2006, is bevordering van de economische en sociale bloei van het voor steun in aanmerking komende gebied door het stedelijke karakter ervan te versterken. Het EPD in het kader van doelstelling 2 omvat vijf zwaartepunten en daarnaast technische hulp. De vijf zwaartepunten zijn: diversifiëring van de economie; aansluiting bij de kennismaatschappij; vergroting van de arbeidskansen en know-how van de bevolking; versterking van internationale activiteiten; bevordering van duurzame stadsontwikkeling.

De algemene doelstelling van het plan voor Dinant-Philippeville in het kader van doelstelling 2 is de ontwikkeling binnen de regio te stimuleren en te begeleiden. Het plan omvat drie zwaartepunten en daarnaast technische hulp. De zwaartepunten zijn: stimulansen en steun voor de ontwikkeling van economische handelsactiviteiten binnen de regio; de structurele ontwikkeling van het platteland; vergroting van de arbeidskansen en kennis van de bevolking.

Vlaanderen heeft de beschikking over een totaal krediet van de Gemeenschap ten bedrage van 186,4 miljoen EUR, waarvan 148,2 miljoen EUR bestemd is voor de eigenlijke doelstelling 2-gebieden en 38,2 miljoen EUR beschikbaar is voor overgangssteun ten behoeve van vier in mei en juni 2001 goedgekeurde programma's (één per provincie, behalve voor Vlaams-Brabant).

De structuurmaatregelen zijn gericht op de omschakelingsgebieden, met name het oude Vlaamse mijnbouwgebied en de Belgische kust, stedelijke probleemgebieden (Antwerpen, Gent) en plattelandsgebieden.

Elk van de vier 'provinciale' programma's bestaat in zekere zin uit twee duidelijk onderscheiden deelprogramma's.

- Limburg. Voor dit programma is financiële steun van de Europese Unie uitgetrokken voor een bedrag van 92,7 miljoen EUR (EFRO 82,1 miljoen EUR en ESF 10,6 miljoen EUR). Bij deze Europese fondsen komt nog 119 miljoen EUR aan investeringen van de Vlaamse overheden en 28,7 miljoen EUR van het bedrijfsleven, waarmee de totale uitgaven uitkomen op 240,4 miljoen EUR. Het programma omvat de volgende prioriteiten: initiatieven voor investeringen van en voor het bedrijfsleven en ten gunste van de werkgelegenheid; optimalisering van de voorwaarden voor de gehele lokale economische structuur; geïntegreerde ontwikkeling van het platteland van Haspengouw.

- Kustgebied-Westhoek (West-Vlaanderen). Voor dit programma is een financiële bijdrage van de Europese Unie uitgetrokken van 33 miljoen EUR (EFRO 30,5 miljoen EUR en ESF 2,5 miljoen EUR). Het programma is enerzijds bestemd voor het kustgebied, dat te kampen heeft met specifieke problemen ten gevolge van de achteruitgang van de visserij en dus in aanmerking komt voor steun van de Structuurfondsen in het kader van doelstelling 2, en anderzijds voor de Westhoek, een voormalige doelstelling 5b-regio die thans in aanmerking komt voor overgangssteun. Bij deze Europese fondsen komt nog 70,6 miljoen EUR aan investeringen van de Vlaamse overheden en 13,7 miljoen EUR van het bedrijfsleven, zodat de totale kosten van het programma uitkomen op 117,4 miljoen EUR. Het programma is toegespitst op de volgende prioriteiten: ontwikkeling van het toerisme; versterking van de lokale economische structuur; duurzame intersectorale ontwikkeling en verbetering van het leefklimaat en de arbeidsomstandigheden in de regio; opleiding en arbeidsmarkt.

- Oost-Vlaanderen. De Europese Unie (uitsluitend het ESF) draagt 13,6 miljoen EUR bij aan dit programma. Bij deze Europese fondsen komt nog 32 miljoen EUR aan investeringen van de Vlaamse overheden en 13,5 miljoen EUR van het bedrijfsleven, waarmee de totale kosten van het programma neerkomen op 59,1 miljoen EUR. Het programma is toegespitst op de volgende prioriteiten: groei van de economische bedrijvigheid en de werkgelegenheid; verbetering van de levensvatbaarheid van en het leefklimaat in stedelijke agglomeraties en plattelandscentra; bevordering van het toerisme op het platteland.

- Provincie Antwerpen. Voor dit programma is financiële steun van de Europese Unie uitgetrokken voor een bedrag van 47 miljoen EUR (EFRO 41,6 miljoen EUR en ESF 5,5 miljoen EUR). Bij deze bedragen komt nog 81,5 miljoen EUR aan investeringen van de Vlaamse overheden en 7,3 miljoen EUR van het bedrijfsleven, zodat de totale kosten van het programma uitkomen op 135,8 miljoen EUR. Het programma is gericht op twee geografisch bepaalde prioriteiten: de Kempen en het gebied ten noordoosten van Antwerpen. Voor de Kempen zijn maatregelen gepland om industrieterreinen uit te breiden en te saneren, de samenwerking tussen het lokale MKB te intensiveren, de nieuwe informatie- en communicatietechnologie en de innovatie te bevorderen door kennisuitwisseling en het opzetten van netwerken tussen bedrijven, voorzieningen op het gebied van scholing en onderzoek te creëren en de aanzet te geven voor een beter geïntegreerd aanbod op het gebied van toerisme. Voor het gebied ten noordoosten van Antwerpen ligt het zwaartepunt op maatregelen om de scholing en een betere vakbekwaamheid van de lokale bevolking te bevorderen, de openbare ruimte in de steden aantrekkelijker te maken, de kwaliteit van de lokale openbare diensten te verbeteren en de onderlinge samenwerking in lokaal belangrijke sectoren als de voedingsindustrie, mode en vormgeving aan te moedigen.

De ESF-maatregelen in een aantal van deze programma's zijn moeilijk uitvoerbaar vanwege het beperkte uitvoeringsgebied.

3. Doelstelling 3

De vijf EPD's voor België, die voorzien in besteding van een bedrag van in totaal 765 miljoen EUR ten gunste van beroepsopleidingen en werkgelegenheid in het kader van doelstelling 3, leveren ieder een eigen bijdrage aan de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie in België.

- EPD nationaal ministerie voor Werkgelegenheid en Arbeid: 69,1 miljoen EUR. De helft van de begroting is bestemd voor maatregelen voor de reïntegratie van kansarme groepen op de arbeidsmarkt. Andere maatregelen richten zich op het behoud van werkgelegenheid in de lokale dienstverlening en maatregelen ter bevordering van gelijke arbeidskansen voor mannen en vrouwen. De uitvoering van dit programma is geleidelijk op gang gekomen en heeft in 2002 een bevredigend tempo bereikt.

- EPD Vlaanderen: 376,2 miljoen EUR. Van de begroting is 48% bestemd voor preventieve maatregelen om het vermogen tot arbeidsdeelname te vergroten en 21% betreft maatregelen voor arbeidsintegratie van langdurig werklozen. Alle beschikbare kredieten voor deze twee prioriteiten zijn tot 2003 vastgelegd. De andere prioriteiten van dit programma beogen het aanpassingsvermogen van het bedrijfsleven en de werknemers te bevorderen, de ondernemingsgeest te stimuleren en gelijke kansen voor mannen en vrouwen te garanderen. Aan al deze prioriteiten wordt op dit moment op bevredigende wijze uitvoering gegeven.

- EPD Wallonië/Brussel (exclusief Henegouwen): 285,5 miljoen EUR. Van dit uit het ESF toegewezen bedrag is 43% eind 2002 vastgelegd. Bestrijding van de werkloosheid en verbetering van de opleidingsmogelijkheden blijven de eerste prioriteiten van dit programma.

- EPD hoofdstedelijk gewest Brussel: 23,7 miljoen EUR. Deze regio is het grootste werkgelegenheidsreservoir van België, maar heeft ook het hoogste werkloosheidscijfer. De voornaamste prioriteiten van de programma's betreffen bestrijding van uitsluiting van de arbeidsmarkt, preventieve maatregelen tegen werkloosheid en ontwikkeling van een beter samenhangend werkgelegenheidsbeleid op lokaal niveau. Over het geheel genomen verloopt de uitvoering overeenkomstig het oorspronkelijk geplande programma.

- EPD Duitstalige gemeenschap: 10,7 miljoen EUR. De steun is bedoeld om langdurige werkloosheid te bestrijden, de integratie van kansarme groepen op de arbeidsmarkt te stimuleren, scholing en onderwijs aan te moedigen, aanpassingsvermogen en ondernemingsgeest te ontwikkelen en tenslotte de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen. Het programma wordt volgens plan uitgevoerd.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het structuurprogramma voor de visserij 2000-2006 voor de gebieden buiten doelstelling 1 is op 21 december 2000 door de Commissie goedgekeurd. In het kader van dit programma wordt in de genoemde periode 35,3 miljoen EUR FIOV-bijstand uitgetrokken voor vooral de visverwerking en de vernieuwing en modernisering van de vissersvloot.

Alle noodzakelijke administratieve voorzieningen (met inbegrip van de programmadocumenten en het toezichtcomité) zijn opgezet.

De uitvoering verloopt nogal langzaam. In totaal zijn betalingsverzoeken bij de Commissie ingediend voor ongeveer 4% van de totale FIOV-bijstand. Het grootste deel van dit bedrag had betrekking op de tijdelijke oplegpremie voor het kabeljauwherstelplan.

Het structuurprogramma voor de visserij 2000-2006 beslaat drie gebieden: Vlaanderen, Wallonië en de federale regering.

Als gevolg van de institutionele hervorming in België die in 2000 van kracht is geworden, valt visserij onder de verantwoordelijkheid van de Vlaamse regering.

Deze institutionele hervorming is gepaard gegaan met een ingrijpende herindeling van het personeel en is een van de redenen waarom de uitvoering van het programma zo traag verloopt.

De nieuwe vereenvoudigde benadering heeft in 2002 nog weinig effect gesorteerd.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

In december 2001 zijn twee programma's in het kader van Leader+ door de Commissie goedgekeurd met betrekking tot een krediet van in totaal 15,9 miljoen EUR, waarvan 4,3 miljoen EUR voor het Vlaamse programma en 11,6 miljoen EUR voor het Waalse programma. De twee programmacomplementen zijn in 2002 door de toezichtcomités goedgekeurd. Twintig plaatselijke actiegroepen zijn geselecteerd: vijftien voor Wallonië en vijf voor Vlaanderen.

5.2 EQUAL

Franstalig en Duitstalig België

Van de 43 eind 2001 geselecteerde EQUAL-ontwikkelingspartnerschappen zijn er 38 na bevestiging in mei 2002 met de uitvoering van hun werkprogramma begonnen. De helft van de projecten en de begroting betreft de pijler 'vermogen tot arbeidsdeelname'.

Voortbouwend op de innovatieve aspecten van projecten, vooral bij het thema gelijke kansen tussen mannen en vrouwen, zijn dit jaar thema-activiteiten goedgekeurd en van start gegaan.

Vlaams België

Medio 2002 waren in totaal twintig projecten goedgekeurd en was een bedrag van 5.968.897,78 EUR vastgelegd. Het merendeel van de projecten heeft betrekking op de pijler 'inzetbaarheid voor werk'. De voorgestelde strategie voor beleidsintegratie is in uitvoering genomen.

Op Europees niveau heeft de beheersautoriteit besloten samen met Duitsland de leiding van de Europese themagroep inzake ondernemerschap op zich te nemen.

5.3 URBAN

In België lopen drie Urban II-programma's. De programma's hebben betrekking op Brussel, Antwerpen en Sambreville; ze zijn allemaal op 12 november 2001 goedgekeurd. Per programma is een bedrag van 7,066 miljoen euro uit het EFRO beschikbaar. De totale begroting voor Brussel bedraagt 14,8 miljoen EUR, voor Antwerpen is 22,8 miljoen EUR begroot en voor Sambreville 16,2 miljoen euro. Het programmacomplement voor Brussel is op 25 april 2002 ontvangen, voor Antwerpen op 4 april 2002 en voor Sambreville op 20 april 2002. Alleen Brussel moest voor 2001 een jaarverslag indienen; dit is in 2002 goedgekeurd.

Voor alle drie programma's is de regio de beheersautoriteit. De toezichtcomités van de drie programma's hebben tenminste één keer vergaderd.

De vooruitbetalingen van 7% zijn eind 2001 gedaan; een eerste betalingsaanvraag moet nog worden ingediend.

6. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

Voor Wallonië zijn de eerste eindverslagen met uitgavenaangiften en afsluitingsverklaringen ingevolge artikel 8 van Verordening 2064/97 vanaf december 2002 bij de Commissie ingediend. De verschillende afsluitingsdocumenten met betrekking tot de maatregelen worden begin 2003 door de diensten van de Commissie onderzocht.

Voor het hoofdstedelijk gewest Brussel gaat het om drie programma's uit hoofde van de communautaire initiatieven die voor deze periode moeten worden afgesloten (betaling van het eindsaldo): URBAN-Brussel, URBAN-Anderlecht en KONVER II-Brussel. In 2002 is bij de Commissie echter geen enkel officieel verzoek tot afsluiting voorgelegd. De Brusselse autoriteiten hebben toegezegd dit verzoek vóór de voorgeschreven einddatum van 31 maart 2003 in te dienen.

Voor Vlaanderen zijn alle eindverslagen (doelstelling 2, doelstelling 5b, communautaire initiatieven Leader, URBAN, Konver, MKB, RETEX, Rechar) met uitzondering van de verslagen over de INTERREG-programma's vanaf november 2002 bij de Commissie ingediend. De definitieve uitgavencertificaten en de afsluitingsverklaringen volgen naargelang de bevoegde autoriteiten deze hebben vastgesteld. Alle documenten worden op dit moment door de diensten van de Commissie onderzocht.

EOGFL

In totaal moeten zestien programma's met een volume aan nog te betalen kredieten van 28,356 miljoen EUR worden afgesloten. In 2002 zijn voor slechts acht van deze programma's ontwerp-eindverslagen voorgelegd.

ESF

De afsluiting van de Structuurfondsprogramma's voor de periode 1994-1999 is nog in volle gang. Het onderzoek naar de resultaten van de verschillende programma's is nog niet definitief afgerond en de hieronder weergegeven bevindingen zijn derhalve voorlopig.

Uit de nog voorlopige balans van het EPD voor Henegouwen in het kader van doelstelling 1 blijkt dat een vastleggingsniveau van meer dan 98% is gehaald. De meeste kredieten van de vier Structuurfondsen zijn uitgetrokken voor directe steun aan ondernemingen (steun voor investeringen en onderzoek), maatregelen voor indirecte steun voor economische ontwikkeling (inrichting van industrieterreinen) en mobilisatie van menselijke hulpbronnen. De ontwikkeling en inrichting van centra voor onderzoek en kennisinnovatie is met succes voortgezet. Het aantal nieuwe banen is gunstig uitgevallen. Uit de beschikbare evaluaties mag redelijkerwijs worden afgeleid dat 12.000 nieuwe banen zijn gecreëerd.

De maatregelen voor de modernisering van het onderwijs zijn in combinatie met maatregelen voor scholing van het onderwijzend personeel in de nieuwe technologieën uitgevoerd. Bij de nieuwe informatie- en communicatietechnologie is niet alleen aandacht besteed aan jongeren, maar ook aan werkzoekenden en oudere werknemers in het MKB. Dankzij deze maatregelen zijn nieuwe voorzieningen ontstaan zoals het CEMI (topinstituut voor industrieel onderhoud) en het centrum voor geavanceerde technologie (CEQUAL). Daarnaast zijn er vijf hoogwaardige kenniscentra opgericht die Henegouwen moeten voorzien van vakbekwame arbeidskrachten.

De uitvoering van de maatregelen in het kader van doelstelling 2 voor het EPD Meuse-Vesdre vordert gestaag. De meeste infrastructuurprojecten (toegangswegen, bedrijfsverzamelgebouwen, O&O, toeristische projecten, sanering van braakliggende terreinen) zijn afgerond. In het kader van het EPD voor Aubange naderen de bouw van een centrum voor telematicadiensten en de projecten op het gebied van economische ontwikkeling hun voltooiing.

In Vlaanderen zijn alle beschikbare kredieten voor de twee programma's in het kader van doelstelling 2 (Limburg en Turnhout) vastgelegd. In deze beide regio's zijn de programma's gericht op bevordering van de dienstensector en meer in het bijzonder dienstverlening waarbij extra banen voor vrouwen ontstaan.

De geïntegreerde ESF/EFRO-maatregelen in het kader van de doelstellingen 2 en 5b voor de verbetering van de onderzoekscentra hebben bevredigende resultaten opgeleverd. De maatregelen op het gebied van het arbeidspotentieel, scholing van werknemers en werkzoekenden en scholing in de nieuwe technologieën zijn succesvol geweest. Naar het zich laat aanzien, is het resultaat van de maatregelen ter ondersteuning van de ontwikkeling van de sociale economie positief, maar blijft het wel duidelijk beneden de verwachting.

In het kader van doelstelling 3 zijn alle middelen van de vijf Belgische programma's met name aangewend voor maatregelen voor langdurig werklozen, ex-gedetineerden, immigranten, gehandicapten en laaggeschoolden.

Dankzij doelstelling 4 is veel bereikt op het gebied van opleiding van werknemers. Ondanks deze successen laat het zich aanzien dat niet alle kredieten van de vijf programma's in het kader van deze doelstelling besteed zullen worden.

In het kader van het visserijprogramma (doelstelling 5a visserij) zijn de toegewezen FIOV-middelen, ten bedrage van 25,4 miljoen EUR, praktisch totaal vastgelegd. Volgens voorlopige informatie was het programma vrijwel geheel uitgevoerd.

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

ESF

De evaluatiegroepen hebben in 2002 voornamelijk gewerkt aan het gereed maken van de evaluatiemethoden voor de beoordelaars.

7.2 Controle

EFRO

Vlaanderen. 19 en 21 juni 2002 (vervolg op een eerder controlebezoek).

De selectiecriteria op basis waarvan het Bestuur Economische Inspectie een steekproef samenstelt van vijf procent van de transacties voor controledoeleinden garanderen geen representatieve steekproef van alle verschillende maatregelen in het kader van deze projecten. De steekproef betreft immers vooral grootschalige projecten, met uitsluiting bij voorbaat van alle reeds eerder door het Bestuur Economische Inspectie gecontroleerde projecten. Verder wordt de steekproef samengesteld zonder rekening te houden met de risicoanalyse.

DENEMARKEN

1. Doelstelling 2

In de huidige programmeringsperiode is er slechts één doelstelling 2-programma voor Denemarken. Het programma beloopt in totaal 617 miljoen EUR, waarvan 189 miljoen EUR afkomstig is van de Structuurfondsen (27 miljoen EUR is voor overgangsregio's), 206 miljoen EUR van de nationale overheid en 222 miljoen EUR van de particuliere sector.

Het programma is bedoeld om de voorwaarden voor bestendige groei te scheppen in de regio's van Denemarken die te kampen hebben met structurele problemen. Het programma combineert maatregelen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF), welke fondsen respectievelijk 71 en 29 procent van de EU-middelen leveren.

Het in aanmerking komende gebied bestaat uit vijf geografische subregio's:

* Bornholm (doelstelling 2)

* Lolland, Falster en Møn (doelstelling 2)

* Nordjylland (doelstelling 2 en overgang)

* Delen van de provincies Viborg, Århus, Ringkøbing en Sønderjylland (doelstelling 2 en overgang)

* Sydfyn en eilanden die niet tot bovengenoemde regio's behoren (doelstelling 2).

De achtergrond van dit model is vooral de geringe grootte van Denemarken en het feit dat de subregio's in verschillende delen van het land liggen, die elk hun eigen specifieke sociaal-economische karakter hebben.

In de loop van 2002 is één vergadering van het toezichtcomité voor het programma belegd. De vergadering was vooral gericht op de status van de uitvoering, inclusief de n+2-regel, en de voorlichtings- en evaluatieactiviteiten. De Commissie heeft haar bezorgdheid geuit over het feit dat er slechts één vergadering van het toezichtcomité per jaar wordt georganiseerd, doch het comité heeft besloten dit model aan te houden tenzij blijkt dat meerdere vergaderingen nodig zijn.

De jaarlijkse vergadering van de beheersautoriteiten en de Commissie vond plaats op 21 november 2002. De algemene mening was dat het programma goede vorderingen maakte, de EFRO-component beter dan de ESF-component, wat de financiële en materiële uitvoering betreft.

Eind 2002 had de Commissie 32,3 miljoen EUR uitbetaald (EFRO en ESF), oftewel 17% van de totale toewijzing. Aangezien dit meer was dan de toewijzing voor 2000, behoefde geen geld teruggestort te worden op grond van de n+2-regel. Er is echter een aanzienlijke inspanning nodig om ook het krediet voor 2001 vóór eind 2003 uitbetaald te krijgen. Dit geldt vooral voor de ESF-gelden, maar kan ook voor het EFRO een aandachtspunt worden. De Deense autoriteiten hebben echter verklaard erop te vertrouwen dat dit doel gehaald wordt, en het programma, met name het EFRO-deel, lijkt geen grote problemen te kennen in dit stadium.

De feitelijke realisatie van het EFRO-deel van het programma is als volgt verlopen.

334 EFRO-projecten hebben een subsidie van in totaal 24,2 miljoen EUR ontvangen, zijnde 43% van de totale toewijzing voor het programma. Bijna eenderde van de projecten betreft steun voor investeringen in bedrijven, hoewel daarmee slechts rond 19% van de totale subsidies gemoeid is. De maatregel die het meeste geld heeft opgeslokt, ongeveer 43% van de totale subsidie, betreft investeringen in infrastructuur voor ontwikkeling van de regio's. In het kader van deze maatregel is voor 50 projecten geld ontvangen.

De feitelijke realisatie van het ESF-deel van het programma is als volgt verlopen.

Een van de vier prioriteiten van het programma waarvoor het ESF de financiering levert, is deskundigheidsbevordering. De drie maatregelen die onder deze prioriteit vallen, zijn: 1) deskundigheidsbevordering bij bedrijven e.d.; 2) ontwikkeling van de strategische infrastructuur; en 3) optimalisering van de kwaliteit van de ESF-bijdrage.

Eind 2002 hadden ca. 136 projecten steun ontvangen van het ESF-programma. Ongeveer 75% van de projecten was goedgekeurd in het kader van de maatregel voor ontwikkeling van vaardigheden bij bedrijven en in verband met nieuw opgezette bedrijven, terwijl 25% van de projecten betrekking had op de ontwikkeling van strategische infrastructuur en netwerken.

Eind 2002 bedroegen de totale betalingen voor het doelstelling 2-programma 8,136 miljoen EUR. Annuleringen ingevolge de n+2-regel waren in 2002 niet nodig.

2. Doelstelling 3

Op 24 oktober 2000 heeft de Commissie voor de komende zeven jaar een programma ten bedrage van 379 miljoen EUR goedgekeurd ter ondersteuning van onderwijs, opleidingen en werkgelegenheid in Denemarken. De vijf programmaprioriteiten komen overeen met de doelstellingen van het nationale werkgelegenheidsplan 1999:

- versterking van het actieve arbeidsmarktbeleid ter voorkoming van langdurige werkloosheid en verbetering van de arbeidsmarktvoorzieningen;

- bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor iedereen;

- ontwikkelen van vaardigheden en opleidingen;

- aanmoedigen van ondernemingsgeest en innovatie.

- Voorts wordt 3% van de begroting (12 miljoen EUR) speciaal bestemd voor technische hulp om het programma te beheren en uit te voeren en de resultaten te evalueren.

De rijksdienst voor de arbeidsmarkt van het ministerie van Arbeid is belast met de dagelijkse coördinatie en het beheer van het programma en het toezicht erop. De regionale comités van het Sociaal Fonds in de provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de decentraal opgezette fondsen, die 75% van de totale fondsen bedragen.

De laatste vergadering van het toezichtcomité was gepland op 24 januari 2003. De tweede jaarlijkse evaluatiebijeenkomst met de beheersautoriteit is gehouden op 5 december 2002.

Eind 2002 was voor ongeveer 600 projecten steun ontvangen via het ESF-programma. Eind 2002 bedroegen de totale betalingen 52,587 miljoen EUR, oftewel ongeveer 98,9% van de vastlegging uit 2000. Ten gevolge van de n+2-regel dient ongeveer 0,6 miljoen EUR geannuleerd te worden.

Medio 2002 zijn de evaluatoren benoemd, en in december is het eerste evaluatieverslag ingediend. De evaluatie over 2002 betrof de programma- en projectadministratie en was vooral toekomstgericht. Het verslag bevat een aantal voorstellen voor verbetering van de programma- en projectadministratie. Het verslag behandelt de volgende thema's: planning en start; verdeling en besteding van gelden op regionaal en centraal niveau, innovatie en samenhang tussen doelstelling 3, het nationale actieplan (NAP) en de Europese werkgelegenheidsstrategie.

3. FIOV buiten doelstelling 1

Het structuurprogramma voor de periode 2000-2006 is op 8 augustus 2000 door de Commissie aangenomen. Uit het FIOV is 205 miljoen EUR beschikbaar gesteld, en er is een totale investering voorzien van 1000 miljoen EUR. De belangrijkste aandachtspunten zijn verwerking, havenfaciliteiten en de vissersvloot die gemoderniseerd moet worden om de arbeidsomstandigheden, de hygiëne en de selectiviteit van het visgereedschap te verbeteren. De uitvoering van het programma is volgens plan van start gegaan.

4. Communautaire initiatieven

4.1 INTERREG

Er zijn vier INTERREG IIIA-programma's voor Duitsland en Denemarken samen (voortzettingen van de vorige periode). Denemarken neemt ook deel aan INTERREG IIIB- en IIIC-programma's.

4.2 Leader+

De totale door de openbare sector te dragen kosten van het Deense Leader+ programma 2000-2006 bedragen 34 miljoen EUR, inclusief een EU-bijdrage van 17 miljoen EUR. Op 29 april 2002 heeft de Commissie het programmacomplement aanvaard.

Via een openbare inschrijving zijn 12 lokale actiegroepen geselecteerd. Het werkgebied van deze groepen beslaat 11.500 vierkante kilometer, ofwel ongeveer eenvierde van het grondgebied, en omvat een bevolking van 593.000 inwoners.

Het nationale Leader+ programma (EOGFL) is in 2001 goedgekeurd. De begroting van dit programma bedraagt 5,1 miljoen EUR, waarvan tot nu toe alleen het voorschot van 7% is uitbetaald.

4.3 EQUAL

Er is één EQUAL-programma (ESF, goedgekeurd in 2001). De begroting bedraagt 29,9 miljoen EUR, en eind 2002 was iets meer dan 7% daarvan uitbetaald.

Na de voorbereidende actie 1 zijn in totaal 19 ontwikkelingspartnerschappen voor actie 2 in Denemarken goedgekeurd. Een belangrijk aandachtspunt van het Deense EQUAL-programma is de integratie van vluchtelingen, immigranten en hun nakomelingen. Andere onderwerpen die in het programma aan de orde komen, zijn de scheiding tussen de seksen op de arbeidsmarkt, mensen die aan de zelfkant van de maatschappij leven, gehandicapten en asielzoekers.

Het werk aan de nationale thema's is in juni 2002 in Odense begonnen. Hier namen alle ontwikkelingspartnerschappen deel aan de besprekingen over de inhoud en werkmethoden van de nationale themanetwerken. Uiteindelijk zijn vier netwerken opgezet: een op het gebied van partnerschappen, een voor diversiteit, een voor accreditatie en tenslotte een voor genderaangelegenheden.

In Europees verband is Denemarken medevoorzitter van de Europese themagroep Inzetbaarheid.

Medio 2002 is de Deense evaluator benoemd, en het eerste evaluatieverslag is in december 2002 ingediend. De evaluatiethema's voor 2002 waren: leerpunten uit de voorbereidingsfase, oprichting van nationale en transnationale partnerschappen, ontwikkeling van richtsnoeren voor de evaluatie van projecten, innovatie en de samenhang tussen het Equal-programma, het Deense nationale actieplan en de Europese werkgelegenheidsstrategie.

4.4 URBAN

Het URBAN II-programma voor Århus, goedgekeurd in december 2001, is het enige in Denemarken. Het EFRO draagt in totaal 5,3 miljoen EUR bij aan dit programma, waarvan de totale kosten 12,0 miljoen EUR bedragen. Het programmacomplement is in augustus 2002 door de toezichtcomités goedgekeurd en bij de Commissie ingediend. Het jaarverslag over de uitvoering van het URBAN II-programma voor Århus in 2001 is in juli 2002 bij de Commissie ingediend.

De beheersautoriteit voor het programma is het Deense bureau voor handel en industrie en de functionele dagelijkse leiding is gedelegeerd aan het URBAN-secretariaat in Århus. Het toezichtcomité heeft in 2002 tweemaal vergaderd.

In maart 2002 is een voorschot betaald ten bedrage van 7% van de totale EFRO-bijdrage aan het programma. In 2002 zijn geen aanvragen voor tussentijdse betalingen ontvangen.

5. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

Eind 2002 liepen er 14 programma's waarbij Denemarken betrokken was. Het waren twee doelstelling 2-programma's, één doelstelling 5b-programma, zeven INTERREG-programma's (waarvan er zes onder een beheersautoriteit in Denemarken vielen, terwijl de beheersautoriteit voor het zevende in Duitsland was gevestigd) en vier andere programma's in het kader van de communautaire initiatieven (MKB, URBAN, PESCA en Leader). Afsluiting van deze programma's was niet mogelijk, daar de nodige documentatie ofwel op dat moment niet bij de Commissie was binnengekomen ofwel niet compleet was.

Uit een evaluatie achteraf van de twee doelstelling 2-programma's is gebleken dat er in deze periode bijna 6.900 banen gecreëerd zijn, iets meer dan het streefcijfer. Volgens de evaluatie heeft het ESF wat problemen gehad met de bestedings mogelijkheden voor de periode 1994-'96, maar is hierin verbetering opgetreden zodat ca. 93% van de toewijzing voor de periode 1997-'99 is uitgegeven. Het EFRO had deze problemen niet, maar omdat enkele projecten teruggetrokken werden aan het eind van de periode is slechts 95% van het geld besteed. Wat betreft de toegevoegde waarde van de Gemeenschap is uit de evaluatie ook gebleken dat het Structuurfonds geleid heeft tot investeringen die anders waarschijnlijk niet hadden plaatsgevonden. Er waren ook sterke aanwijzingen dat de maatregelen van het Structuurfonds geleid hebben tot meer netwerkcontacten en partnerschappen, zowel tussen particuliere ondernemingen als tussen lokale overheden.

EOGFL

In totaal vier programma's moeten afgesloten worden. Het merendeel van de documenten betreffende de afsluiting is in de tweede helft van 2002 ontvangen, en deze worden nu bestudeerd.

ESF

Er zijn vijf af te sluiten programma's uit de programmeringsperiode 1994-'99. Eind 2002 had de Commissie nog geen afsluitingsdocumenten ontvangen van de Deense beheersautoriteit. Denemarken heeft de Commissie laten weten dat deze documenten en de aanvragen om saldobetaling eind maart 2003 ingediend worden.

6. Evaluatie

De voorbereidingen voor de tussentijdse evaluaties van het ESF-deel van zowel doelstelling 2 als doelstelling 3 zijn in volle gang. In het voorjaar van 2002 is met de Commissie een taakomschrijving overeengekomen, en in april 2002 is door de beheersautoriteit een aanbesteding uitgeschreven. In juni 2002 is tenslotte een contract met een externe adviseur afgesloten en ondertekend. Een eerste evaluatie heeft in de tweede helft van 2002 plaatsgevonden, en het verslag is in december 2002 naar de Commissie gestuurd.

DUITSLAND

1. Doelstelling 1

EFRO

De negen operationele programma's (OP's) van het CB hebben als doel het scheppen van en bijdragen aan in totaal 370.000 vaste volledige banen, en daarnaast tijdelijke en deeltijdse banen overeenkomend met 265.000 volledige banen. Circa 1,35 miljoen mensen worden begunstigden van scholingsmaatregelen die worden gefinancierd in het kader van het ESF.

In de zomer van 2002 hebben overstromingen in Oost-Duitsland, in het bijzonder Saksen en Saksen-Anhalt alsmede Beieren, voor ruim 9 miljard EUR aan schade veroorzaakt. Vooral de infrastructuur en productieve investeringen hebben schade opgelopen.

De overheidsbegroting van de betreffende regio's - Saksen en Saksen-Anhalt in het bijzonder - was niet berekend op deze schade. Een groot aantal door de Structuurfondsen gecofinancierde projecten is hetzij vernietigd na voltooiing hetzij onderbroken tijdens de bouw.

Nog voordat de overstromingen op hun hoogtepunt waren, is Commissievoorzitter Prodi samen met de Commissarissen Barnier, Verheugen en Schreyer ingegaan op de uitnodiging van de Duitse regering om enkele zwaar getroffen plekken te bezoeken. Geconfronteerd met de ramp, zegde de Commissie een snelle reactie toe met zo min mogelijk bureaucratie. Om te beginnen zijn er plannen gemaakt voor het aanpassen van de operationele programma's voor de betreffende regio's en is het Solidariteitsfonds, een nieuw instrument, opgericht.

Na informeel overleg met de Commissie heeft Saksen, waar tweederde van de schade werd opgetekend, op 3 oktober zijn verzoek tot aanpassing van het operationele programma voor doelstelling 1 ingediend. Op 28 oktober heeft de Commissie besloten de voorgestelde aanpassing goed te keuren. De voornaamste elementen van de aanpassing betreffen een verschuiving van middelen van de prioriteit productieve investeringen naar maatregelen ten behoeve van de infrastructuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, wegenbouw en de heraanleg van spoorwegen. Er is een nieuwe maatregel ter voorkoming van overstromingen ingevoerd. Voorts bestaan er in de landbouwsector tijdelijk uitgebreidere mogelijkheden voor steun. Wat betreft de EFRO-maatregelen zijn de voorwaarden voor cofinanciering beperkt tot het noodzakelijke minimum, namelijk 25% van de totale voor steun in aanmerking komende kosten, zodat er in de overheidsbegrotingen ruimte ontstaat voor andere maatregelen die niet onder de programma's van de Structuurfondsen vallen.

Aan het einde van het jaar heeft Saksen-Anhalt een vergelijkbaar verzoek ingediend, waarna ook andere doelstelling 1-programma's hebben aangekondigd dat nieuwe preventieve maatregelen worden ingevoerd.

Het programma voor Saksen was in 2002 reeds eerder aangepast met het oog op de gewijzigde sociaal-economische situatie, die tot uitdrukking kwam in het stijgende werkloosheidscijfer. Het verzoek daartoe was in 2001 gedaan.

De toezichtcomités van alle operationele programma's in het kader van doelstelling 1 zijn bijeengekomen, tot maximaal zes keer per jaar. De programmacomplementen van een klein aantal programma's zijn aangepast.

Het toezichtcomité van het CB is tweemaal bijeengeroepen (in Quedlinburg en Görlitz). Bij deze CB-vergaderingen zijn sociale en economische partners direct betrokken geweest, waarmee een aanbeveling van de Commissie is uitgevoerd.

In de loop van het jaar zijn nog vijf grote projecten ingediend in het kader van het horizontale programma vervoersinfrastructuur voor doelstelling 1 en drie in het kader van het operationele programma voor Saksen-Anhalt. De Commissie heeft vier grote projecten goedgekeurd (snelweg A 17 in Saksen, rijksweg B6n in Saksen-Anhalt, snelweg A 113 in Berlijn en de spoorweg Berlijn-Frankfurt/O).

Zowel voor het CB als voor alle operationele programma's is het team voor de tussentijdse evaluatie geselecteerd. Op 15 februari 2003 worden de gegevens voor de tussentijdse evaluatie van alle programma's tegelijkertijd beschikbaar gesteld door de beheersinstanties. De tussentijdse verslagen over de operationele programma's moeten voor de zomervakantie van 2003 worden opgesteld, zodat de beheersinstanties op basis daarvan voor eind 2003 eventueel verzoeken tot aanpassing kunnen indienen.

De Commissie heeft de financiële controlesystemen in een vroeg stadium gecontroleerd en commentaar over te verbeteren punten gegeven.

De jaarverslagen over de programma's van doelstelling 1 zijn gecontroleerd volgens het algemene patroon dat in samenwerking met de nationale overheden is opgezet.

De jaarlijkse vergadering met betrekking tot het jaar 2000, die op verzoek van Duitsland was uitgesteld, is gehouden in april 2002. De belangrijkste punten waren informatie en communicatie, operationele problemen tijdens de beginfase van de tenuitvoerlegging en de mogelijke consequenties van de n+2-regel. Voor 2002 en 2003 wordt niet verwacht dat door de n+2-regel middelen verloren gaan.

In december 2002 zijn in Brussel de jaarlijkse vergaderingen voor 2001 gehouden voor alle Duitse doelstelling 1-programma's, met uitzondering van de federale programma's op het gebied van menselijke ontwikkeling en visserij, waarvoor reeds eerder een jaarlijkse vergadering bijeen was geroepen. Het belangrijkste punt was de uitvoering van de horizontale thema's, in het bijzonder de beleidsintegratie van gelijke kansen voor vrouwen en mannen en duurzame ontwikkeling. Ten aanzien van beide thema's wordt gewerkt aan nadere beschrijvingen, die zullen verschijnen in volgende verslagen.

In 2002 zijn de betalingen voor alle doelstelling 1-programma's op gang gekomen. De programma-uitvoering kende een trage start, maar in 2002 werd het tempo er goed in gehouden.

EOGFL

Zes Duitse deelstaten zijn bij de doelstelling 1-regio's ingedeeld. Eind 2000 zijn de programma's goedgekeurd. In december 2002 was 20% van de voor de volledige periode bestemde begroting betaald.

In 2002 is het doelstelling 1-programma voor Saksen tweemaal aangepast. Aanvankelijk betrof het een aantal kleine aanpassingen met betrekking tot de renovatie en ontwikkeling van dorpen. In 2002 hebben de overstromingen in een aantal regio's in het oostelijke deel van Duitsland enorm veel schade aangericht: ongeveer 9 miljard EUR. De diensten van de Commissie hebben snel moeten reageren om de noodzakelijke aanpassingen mogelijk te maken. Een tweede aanpassing in het programma voor Saksen is dus aangebracht met het oog op de overstromingen.

FIOV

In het kader van het communautaire bestek voor 2000-2006 voor de doelstelling 1-regio's heeft de Commissie bij besluit van 30 augustus 2000 het operationele programma voor de visserijsector goedgekeurd. Dit programma, dat de volledige doelstelling 1-zone in Duitsland omvat met een FIOV-toewijzing van 105,2 miljoen EUR voor de periode 2000-2006, is met name gericht op de visverwerking en investeringen in visserijhavens.

Eind 2002 was ongeveer 43% van de FIOV-middelen vastgelegd en 26% betaald.

De nieuwe vereenvoudigde benadering heeft in 2002 nog weinig effect gesorteerd.

ESF

In het CB voor doelstelling 1 richt het ESF zich op één prioriteit. De ESF-toewijzing bedraagt 5,629 miljard (= 66,34% van de totale overheids- en particuliere uitgaven, die alles bij elkaar 8,485 miljard EUR bedragen). Daarbij wordt 4% van het ESF besteed aan technische hulp.

Reeds tussen 1 augustus 2000 en 1 februari 2001 was goedkeuring verkregen voor alle zeven OP's, waaronder het ESF (zes meerfondsenprogramma's van deelstaten en één federaal, uitsluitend uit het ESF gefinancierd programma), zodat de uit het ESF meegefinancierde maatregelen in 2002 vlot konden worden uitgevoerd.

Ofschoon de programmacomplementen voor Brandenburg, Mecklenburg-Vorpommern, Saksen-Anhalt, Saksen en Thüringen en het OP voor de Bondsrepubliek reeds in 2001 waren goedgekeurd, hebben de meeste in de loop van 2002 wijzigingen en aanpassingen ondergaan, wat onder andere voor de ESF-maatregelen van belang was.

De algemene uitvoering van de ESF-prioriteit in de deelstaat-OP's en het federale doelstelling 1-OP is goed verlopen. Uiteraard was de uitvoering van een aantal maatregelen verder gevorderd en waren daarbij al meer uitgaven gedaan dan gold voor andere maatregelen, die betrekking hebben op terreinen die nieuw zijn voor het ESF en waarvoor de voorbereiding meer tijd in beslag neemt (bijvoorbeeld levenslang leren en aanpassingsvermogen). In de meeste Duitse doelstelling 1-regio's is flinke vooruitgang geboekt op het gebied van voorlichting en publiciteit.

Een van de belangrijke gebieden waarop de Commissie en de lidstaat een gemeenschappelijke inspanning hebben geleverd, was het verder ontwikkelen van het gemeenschappelijke controlesysteem voor alle ESF-programma's in Duitsland, waarbij flinke vooruitgang is geboekt.

Net als in het voorgaande jaar hebben de Commissie en de deelstaatautoriteiten daarnaast gewerkt aan het vergroten van de betrokkenheid van de deelstaten bij de Europese werkgelegenheidsstrategie en het nationale werkgelegenheidsplan. Daarbij was het doel het ESF een sterkere rol te laten spelen ter ondersteuning van de betreffende regionale programma's het proces van het Duitse werkgelegenheidsplan. Tegelijkertijd zijn ook de gesprekken met de federale en regionale overheden en fondsenbeheerders over de invloed van de huidige Duitse arbeidsmarkthervormingen op de bijstand van het ESF voortgezet.

Met betrekking tot aanpassingen in het OP zijn voor Saksen twee wijzigingen overeengekomen die van invloed zijn op het ESF. De besprekingen met Saksen-Anhalt met als doel samen met het ESF actie te ondernemen naar aanleiding van de watersnood in de zomer van 2002, waardoor vooral de genoemde twee deelstaten zijn getroffen, waren eind 2002 nog gaande.

De ESF-vastleggingen voor 2002 zijn door de diensten van de Commissie gereserveerd en de tussentijdse betalingen aan de lidstaat zijn voortgezet. Het door het ESF betaalde bedrag voor doelstelling 1-programma's in Duitsland beliep eind 2002 in totaal bijna 2 miljard EUR.

2. Doelstelling 2

EFRO

Over het algemeen zijn de activiteiten van de programma's geconcentreerd rond maatregelen ten gunste van het midden- en kleinbedrijf.

Na de watersnood in augustus hebben Nedersaksen en Beieren gebruik gemaakt van de door de Commissie voor dit bijzondere doel geboden ruimte om middelen opnieuw toe te wijzen. In Beieren had dit gevolgen voor een aantal voor steun in aanmerking komende gebieden; nadat de schade was geïnventariseerd, besloot de beheersinstantie circa 98 miljoen EUR (waarvan 50% EFRO) extra te besteden aan technische preventiemaatregelen tegen wateroverlast; het programmacomplement werd dienovereenkomstig aangepast. Ook Berlijn heeft het programmacomplement aangepast en een verzoek tot programma-aanpassing ingediend.

Nedersaksen heeft een verzoek ingediend tot aanpassing van het EPD, hetgeen noodzakelijk was voor de invoering van een nieuwe maatregel ter voorkoming van overstromingen, waaraan 12,3 miljoen EUR aan EFRO-steun wordt besteed. Deze middelen worden gebruikt voor het vernieuwen van de dijken op de linkeroever van de Elbe. Ook Nedersaksen heeft verzocht om verschuivingen in zijn prioriteiten, wat in het algemeen eenvoudiger was - nog voor de tussentijdse evaluatie - dankzij het door Commissaris Barnier gelanceerde vereenvoudigingsinitiatief. Er is bepaald dat aan de prioriteit met betrekking tot het concurrentievermogen van ondernemingen te veel middelen waren toebedeeld; de toegestane middelen voor investeringen in de infrastructuur daarentegen waren duidelijk niet toereikend. Nadat tijdens de jaarlijkse vergadering in december de aanpassingen in de ESF-componenten van het programma waren besproken, is een voorstel ingediend.

Ook Noordrijn-Westfalen heeft een verzoek tot wijziging van het programma ingediend (in december), nadat deze deelstaat het programmacomplement reeds had gewijzigd, waarbij 15 miljoen EUR naar een andere maatregel is overgebracht om te kunnen voldoen aan de bijzonder grote vraag naar infrastructuur voor technische opleidingen. Met de voorgestelde programmawijziging werd beoogd ondanks het verharde economische klimaat de oorspronkelijke doelstellingen van het programma te bereiken met betrekking tot het ondersteunen van ondernemerschap.

Berlijn heeft verzocht een zogenaamd toekomstfonds in het programma op te nemen (ook doelstelling 1). Dit is een geavanceerd financieringsinstrument dat onderzoek en ontwikkeling in strategische economische sectoren moet bevorderen.

Voor de meerderheid van de elf programma's geldt dat de neergaande economische conjunctuur van invloed is geweest op de uitvoering van de maatregelen. Een van de gevolgen van de sociaal-economische verandering is dat de verzoeken van ondernemingen om EFRO-steun alsmede scholingscursussen voor de werknemers zijn achtergebleven bij de verwachtingen. Financiële bijdragen uit de particuliere sector hebben in zekere zin een hachelijk karakter gekregen. Daarnaast heeft de kritieke toestand van de overheidsbegroting in het algemeen de cofinancieringsinstrumenten van de overheid in gevaar gebracht. Dit geldt eerstens voor Berlijn, maar de voorziene cofinanciering door plaatselijke gemeenschappen was in heel Duitsland onzeker.

Hamburg heeft melding gemaakt van problemen met de tenuitvoerlegging van het kleinschalige programma ten gunste van de oude havenbuurt St. Pauli, die hoofdzakelijk waren te wijten aan het feit dat de mogelijke begunstigden vaak niet voldeden aan alle voorwaarden voor het ontvangen van hulp.

De twee jaarlijkse vergaderingen met de beheersinstanties en fondsenbeheerders, die plaatshadden in Brussel, waren op dezelfde manier opgebouwd als die voor de doelstelling 1-regio's. Aangezien er voor doelstelling 2 geen communautair bestek (CB) bestaat, boden de twee vergaderingen een uitstekende kans voor gedachtewisselingen en het verbreiden van goede werkmethoden. De toezichtcomités van de afzonderlijke programma's kwamen zoals gewoonlijk tweemaal bijeen.

In de eerste helft van het jaar kregen de laatste vijf programmacomplementen (Beieren, Berlijn, Hamburg, Hessen, Sleeswijk-Holstein) de goedkeuring van de Commissie.

De Commissie keurde twee grote projecten in Noordrijn-Westfalen goed: nieuw leven inblazen aan de Zeche Zollverein in Essen en het propyleenpijpleidingproject.

Daarnaast zijn de nationale financiële controlesystemen voor de doelstelling 2-programma's gecontroleerd door de diensten van de Commissie, hetgeen heeft bijgedragen aan een optimale veiligheid van de geldstromen.

Voor de EFRO-maatregelen alleen heeft de Commissie 0,531 miljoen EUR vastgelegd en 0,303 miljoen EUR betaald. Voor de beide fondsen samen is dit respectievelijk 0,610 miljoen EUR en 0,343 miljoen EUR.

Een van de voornaamste doelstellingen van de Raad bij het opstellen van de nieuwe Structuurfondsverordeningen was het toekennen van meer verantwoordelijkheid aan de lidstaten. Met de programmacomplementen als instrument zouden de beheersinstanties (samen met de toezichtcomités) onafhankelijk van de Commissie de regelingen inzake de tenuitvoerlegging van de programma's tot op zekere hoogte moeten kunnen aanpassen. In de praktijk is gebleken dat dit idee niet de flexibiliteit oplevert waarom ook Duitsland had gevraagd. Weliswaar is de functie van de vertegenwoordigers van de Commissie binnen de toezichtcomités veranderd, maar vergeleken bij de vorige programmaperiode zijn de procedures niet veel veranderd. Wel is er meer nadruk gelegd op de selectieprocedures voor de projecten.

ESF

Zeven doelstelling 2-EPD's zijn meerfondsenprogramma's waarvan een ESF-krediet deel uitmaakt. Vanwege laat genomen besluiten gingen de programma's met enige vertraging van start, waardoor niet de volledige vastgelegde begroting kon worden uitgegeven. Tijdens de jaarlijkse vergaderingen hebben de beheersinstanties verslag gedaan van de programma-uitvoering en eventuele ondersteuning daarvan, de complementariteit tussen doelstelling 2 en 3 en het controlesysteem.

Weliswaar was er eind 2002 geen sprake van automatische annulering van ESF-gelden, toch bestaat er een risico dat er fondsen verloren gaan vanwege de n+2-regel, waar in 2003 nauwkeurig op moet worden gelet. Er is één regio (Nedersaksen) die een verzoek tot wijziging van een programma heeft ingediend dat zowel het EFRO als het ESF bestrijkt; het is via de schriftelijke procedure goedgekeurd door het toezichtcomité.

Met de tussentijdse evaluatie van alle programma's is een begin gemaakt, en is al behoorlijke voortgang geboekt.

3. Doelstelling 3

Na de goedkeuring van het EPD voor doelstelling 3 op 10 oktober 2000 is op 30 januari 2001 het ontwerp-programmacomplement in beginsel goedgekeurd door het toezichtcomité. De definitieve versie is op 18 april aan de Commissie gestuurd en door deze op 23 mei 2001 aanvaard. In 2002 is het programmacomplement niet gewijzigd.

De jaarlijkse evaluatievergadering met betrekking tot 2000 had na uitstel uiteindelijk plaats in maart 2002. Hier konden de ESF-beheerders op federaal en regionaal niveau de resultaten van het eerste uitvoeringsjaar evalueren.

Tijdens de vergadering van het toezichtcomité op 31 juli/1 augustus 2002, waarin de bijdrage van het EPD aan de nationale actieplannen voor werkgelegenheid en maatschappelijke integratie aan de orde kwam, zijn vervolgens de belangrijkste resultaten van de in 2001 uitgevoerde maatregelen gepresenteerd. In 2000 en 2001 is 68,2% van de geplande totale middelen voor dat jaar, respectievelijk 51,1% van de ESF-middelen, uitgegeven. In het algemeen waren de ESF-resultaten, rekening houdend met het late besluit over het EPD, voor alle prioriteiten in overeenstemming met de verwachtingen.

Ongeveer 256.000 personen (waarvan 46% vrouwen) hebben deelgenomen aan de maatregelen, overeenkomend met 140% van het voor 2001 geplande totaal. Bijna de helft daarvan betrof deelname aan maatregelen van het federale werkgelegenheidsbureau, de andere helft deelname aan maatregelen van de deelstaten. Binnen de individuele prioriteiten en maatregelen zijn de activiteiten niet in heel Duitsland in hetzelfde tempo en dezelfde omvang aangevangen; dit geldt in het bijzonder op federaal niveau. Naast bepaalde financiële problemen was dit vooral te wijten aan het feit dat met name de activiteiten van prioriteit 3, 4 en 5 (levenslang leren, aanpassingsvermogen en ondernemingsgeest, gelijkheid) intensievere voorbereiding vereisten dan andere maatregelen voor bijvoorbeeld prioriteit 1 (actief en preventief arbeidsmarktbeleid).

Eind 2002 was voor het doelstelling 3-programma in totaal 1,316 miljoen EUR betaald, d.w.z. 27,7% van de totale voor het EPD uitgetrokken middelen.

Uiteindelijk is in 2002 een aanvang gemaakt met het tussentijdse evaluatieproces en heeft de beheersinstantie een overeenkomst gesloten met een onderzoeksteam. De tussentijdse evaluatie van het EPD voor doelstelling 3 wordt uitgevoerd in combinatie met de evaluatie van het federale OP voor doelstelling 1 om te komen tot een gezamenlijke evaluatie van de programma's die zijn gecofinancierd met de twee bijstandsvormen.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Met het besluit van 28 september 2000 heeft de Commissie het structuurprogramma voor de visserij voor de regio's buiten doelstelling 1 goedgekeurd. Het programma voorziet in een FIOV-toewijzing van 111,1 miljoen EUR voor bovengenoemde periode en schenkt speciale aandacht aan de verwerking en afzet van vis en de vernieuwing en modernisering van de visserijvloot.

De uitvoering van het programma verloopt vrij traag. Eind 2002 was ongeveer 7% van de FIOV-middelen vastgelegd en was ongeveer 3% betaald.

De voornaamste oorzaken die de Duitse autoriteiten hiervoor aanvoeren, zijn de concentratie van investeringsprojecten aan het einde van de voorgaande periode en het algehele economische klimaat.

De nieuwe vereenvoudigde benadering heeft in 2002 nog weinig effect gesorteerd.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

De veertien programma's in het kader van Leader+ lopen, maar de vorderingen lopen achter bij de begroting. Door de vertraging die is ontstaan bij de goedkeuring van de programma's, zijn alleen betalingen voor de nationale waarnemingspost uitgevoerd.

De Commissie heeft de programmacomplementen ontvangen die bevredigend zijn bevonden. In 2001 is een aanvang gemaakt met het selecteren van lokale actiegroepen; eind 2002 waren er 137 lokale actiegroepen geselecteerd.

5.2 EQUAL

Begin 2002 zijn ter ondersteuning in het kader van het Duitse EQUAL-programma 110 ontwikkelingspartnerschappen geselecteerd voor strategieontwikkeling in de voorbereidende fase (actie 1); in mei is bevestigd dat de proefactiviteiten en grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten (actie 2 en 3) van al deze ontwikkelingspartnerschappen worden gefinancierd. De partnerschappen omvatten alle EQUAL-thema's, waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Tegen het einde van 2002 zijn veertien nationale thematische netwerken opgezet met als doel het uitwisselen van ervaring en resultaten en het verspreiden van goede werkmethoden. Een belangrijke gebeurtenis was de conferentie ter gelegenheid van de officiële start van actie 2, waar zowel Commissaris Diamantopoulou als minister Riester een thematoespraak gaf.

5.3 URBAN

Tussen oktober en november 2001 zijn de twaalf URBAN II-programma's voor Duitsland, waaraan het EFRO 148,7 miljoen EUR bijdraagt, goedgekeurd. De zes programma's van de voormalige DDR ontvangen 14,87 miljoen EUR en de zes programma's van West-Duitsland 9,913/9,914 miljoen EUR uit het EFRO. De totale kosten van alle twaalf Duitse URBAN II-programma's bedragen 273,3 miljoen EUR. Alle programmacomplementen zijn ontvangen tussen februari en begin juni 2002 en voor alle programma's zijn jaarverslagen over 2001 overlegd, die in juni 2002 zijn goedgekeurd.

Voor alle programma's geldt dat de deelstaten het beheer voeren, maar het komt voor dat de steden de betreffende taken in de loop van de programmaperiode overnemen. De toezichtcomités zijn twee à drie keer bijeengekomen: eind 2001/begin 2002 en tegen het einde van 2002. Een van de steden heeft slechts eenmaal, in februari 2002, vergaderd, maar heeft via de schriftelijke procedure alle betreffende informatie aan de leden van het toezichtcomité gestuurd.

De 7%-voorschotten zijn eind 2001 betaald. Een van de steden heeft in 2002 een verzoek om een eerste betaling ingediend; alle andere steden hebben hun betalingsverzoeken in 2003 toegezonden of gaan dit in 2003 doen.

6. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

Er is gewerkt aan de afsluiting van alle doelstelling 1-programma's (1994-1999) en doelstelling 2-programma's (1997-1999). Alleen het Konver-programma in Hamburg en de twee doelstelling 2-programma's in Saarland en Hessen over de vorige programmaperiode 1994-1996 zijn in 2002 daadwerkelijk afgesloten. De beheersinstanties hebben de Commissie laten weten dat voor het inleveren van de eindverslagen, betalingsaanvragen en declaraties ingevolge artikel 8 de maximaal toegestane termijn (tot 31 maart 2003) nodig zou zijn.

EOGFL & Leader

Voor drie doelstelling 1-programma's (Brandenburg, Saksen-Anhalt, Saksen), twee 5b-programma's (Nedersaksen, Sleeswijk-Holstein) en zes Leader II-programma's (Brandenburg, Saksen-Anhalt, Nedersaksen, Rijnland-Pfalz, Sleeswijk-Holstein en het nationale netwerk) zijn de saldoaanvragen, eindverslagen en verklaringen ingevolge artikel 8 van Verordening (EG) 2064/1997 ingediend.

ESF

In 2002 hebben de Duitse autoriteiten slechts zeer weinig afsluitingsdossiers en aanvragen voor de laatste ESF-betaling ingediend bij de Commissie - drie voor doelstelling 2, twee voor doelstelling 1 en één voor doelstelling 5b. Bijgevolg kon slechts één saldobetaling uit het ESF worden uitgevoerd en is aan het einde van 2002 geen enkel programma volledig afgesloten.

Er bestaat momenteel derhalve een enorme achterstand met laatste aanvragen, waarvoor de uiterste inleverdatum 31 maart 2003 is.

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

EOGFL & Leader

De evaluaties achteraf van de Leader II- en 5b-programma's zijn ontvangen.

Duitsland is begonnen aan de voorbereiding van de tussentijdse evaluatie van Leader+. Veel regio's hebben de aanbestedingsprocedure reeds in gang gezet.

ESF

De selectieprocedure voor de beoordelaar voor doelstelling 3 moest wegens administratieve problemen opnieuw worden gestart. Eind 2002 kon de beoordelaar worden aangewezen.

7.2 Controle

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

Saksen-Anhalt, 9-10 april 2002, Thüringen, 11-12 april 2002 en Berlijn, 22-23 april 2002:

Alle drie de deelstaten hebben zich aanzienlijk ingespannen om de tijdens de vorige controlebezoeken geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en de aanbevelingen uit te voeren. Saksen-Anhalt moest zijn 5%-controles nog herzien omdat bij de vorige audit belangrijke tekortkomingen waren geconstateerd. Volgens de aanbevelingen moest in het afsluitingsoverzicht voldoende uitleg over de uitgevoerde controles en de uitkomsten en conclusies worden opgenomen. In dit verband wordt verwezen naar het richtsnoerdocument Guidance Document on Closure Statement under Article 8 of Regulation 2064/97 for Closure of Programmes for 1994-1999 Period, een uitgave van de Commissie die onlangs onder de lidstaten is verspreid.

INTERREG II C wateroverlast RIJN-MAAS ('IRMA'); 28-29 mei 2002.

De coördinatie van de tenuitvoerlegging van dit INTERREG-programma wordt verzorgd door het gemeenschappelijke IRMA-secretariaat te Den Haag. De financiële controles waarin is voorzien in de verordening zijn echter de verantwoordelijkheid geweest van de deelnemende lidstaten, die het niet eens konden worden over gemeenschappelijke of samenhangende procedures. Hierdoor is het risico toegenomen dat in de deelnemende lidstaten niet op coherente wijze een adequate controle is uitgevoerd.

Het orgaan ingevolge artikel 8, dat bij het Bondsministerie van Economische Zaken is opgericht, had nog maar net een aanvang gemaakt met het uitvoeren van de controlewerkzaamheden waarop de afsluitingsverklaring zal worden gebaseerd. Deze instantie moet zich nog vergewissen van de toereikendheid van de controlewerkzaamheden die zijn uitgevoerd door de deelstaatautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en controle van de activiteiten in Duitsland, waaronder de 5%-controles. Wat die laatste controles aangaat, is bij de controle aangegeven dat er twijfel bestaat of de twee uitgevoerde 5%-controles voldoen aan de eisen in de verordening en of de voor Duitsland geselecteerde steekproef volstaat.

GRIEKENLAND

1. Doelstelling 1

EFRO

In de periode 2000-2001 zijn het CB III en de OP's goedgekeurd. Derhalve was 2002 voor de later in 2001 goedgekeurde OP's (OP voor milieu en technische hulp) een jaar waarin de uitvoering werd versneld of op gang kwam.

De communautaire maatregelen hebben betrekking op dertien regionale en dertien nationale OP's. Er moet nog een OP worden goedgekeurd met betrekking tot de realisatie van het nationale kadaster, zoals aanbevolen volgens de procedure van artikel 24 van Verordening (EG) nr. 4253/88 in het kader van het OP voor milieu (1994-1999).

De programmacomplementen voor alle OP's zijn ontvangen en gecontroleerd. Alle jaarverslagen voor 2001 zijn ingeleverd en goedgekeurd door de diensten van de Commissie.

Het toezichtcomité van het CB heeft op 25 en 26 april 2002 vergaderd in Athene en daarna zijn in mei en juni de toezichtcomités van verschillende OP's bijeengekomen. De besproken onderwerpen hadden hoofdzakelijk betrekking op de maatregelen ter bespoediging van de voortgang van de maatregelen, het versnellen van geïntegreerde acties in de stedelijke en bergachtige of achtergebleven gebieden, de tussentijdse evaluatie en de prestatiereserve, het opzetten van weblocaties ter informatie van particulieren over het beheer van de maatregelen en de aanpak van projecten die inkomsten genereren. Ook is het probleem van de hervorming van het productiesysteem voor openbare werken aan de orde geweest.

In april 2002 is met medewerking van de vertegenwoordigers van de Structuurfondsen een nationaal evaluatiecomité in het leven geroepen. Dit comité dient ter ondersteuning van de tussentijdse evaluatie.

Een belangrijke gebeurtenis was de organisatie van een seminar over overheidssteun met medewerking van de vertegenwoordigers van DG Concurrentie, Werkgelegenheid en Regionaal beleid en de nationale beheersinstanties. Tijdens dit seminar, dat in februari 2002 plaatshad in Athene, konden de standpunten van beide zijden worden toegelicht en kon een beter begrip van de communautaire wetgeving inzake overheidssteun en het verband met het CB III ontstaan.

Voorts is op initiatief van de diensten van de Commissie in april 2002 in Athene een seminar georganiseerd over methoden voor de beoordeling van financiële risico's; hieraan hebben vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk en Nederland alsook medewerkers van de diensten van de Commissie hun medewerking verleend. Dit seminar heeft bijgedragen tot een verbetering van de controlemaatregelen door de Griekse autoriteiten.

In oktober 2002 heeft de directeur-generaal van DG REGIO een werkvergadering gehouden met de beheersinstantie van het CB, de beheersinstanties van het OP voor verkeerswegen, havens en stadsontwikkeling, het OP voor milieu en het OP voor oostelijk Macedonië-Thracië, en de organisatorische beheerseenheid die verantwoordelijk is voor de ondersteuning van het CB. Tevens heeft hij een toespraak gehouden over de toekomst van de Structuurfondsen.

Er is duidelijk een dringende noodzaak tot het versnellen van de selectieprocedures voor projecten. Einde 2002 bleken de vastleggingen 4.544.032.000 EUR te bedragen op een totaalbedrag van 14.633.500.000 EUR (overheidsuitgaven zoals voorzien in het CB voor het EFRO) en beliepen de betalingen 2.327.073.000 EUR, hetgeen overeenkomt met een bestedingstempo van 15,9%.

Het tempo waarin de operationele programma's worden gerealiseerd, wisselt sterk per programma en is voor sommige operationele programma's aan het eind van het jaar zorgelijk te noemen, in het bijzonder die voor technische hulp, de visserijsector, Thessalië, gezondheid, oostelijk Macedonië, het noordelijke Egeïsche gebied, Epirus, de informatiemaatschappij en het Griekse vasteland.

Verder geldt voor verscheidene programma's dat het uitvoeringstempo ongelijkmatig is. In algemene zin vordert het werk aan de infrastructuur wel, maar is er een achterstand opgelopen bij de maatregelen waar de particuliere sector bij betrokken is en bij de nieuwe maatregelen, zoals de informatiemaatschappij en bevordering van de ondernemingsgeest en innovatie in de regio's. Voorts moet speciale aandacht worden besteed aan het op gang brengen van geïntegreerde acties voor stedelijke en plattelandsontwikkeling.

Beide voorgaande constateringen onderstrepen de behoefte aan vereenvoudiging van de administratieve en juridische context waarin communautaire bijstand wordt toegekend. De vereenvoudiging op nationaal niveau gaat samen met het streven naar vereenvoudiging op communautair niveau. In het verleden zijn hiertoe reeds belangrijke initiatieven genomen, die echter moeten worden aangevuld met nog ambitieuzere maatregelen, hetgeen in het bijzonder geldt voor het partnerschap met de particuliere sector.

EOGFL

In het CB van doelstelling 1 is opgenomen dat het EOGFL-afdeling Oriëntatie voor het zwaartepunt landbouw en plattelandsontwikkeling een financiële bijdrage levert van in totaal 2.260,3 miljoen euro voor de hele periode 2000-2006.

Ter herinnering: het EOGFL-afdeling Oriëntatie is het enige fonds dat, met een financiële bijdrage van 1.233,4 miljoen euro, betrokken is bij het operationeel programma voor plattelandsontwikkeling.

Het is samen met andere fondsen eveneens betrokken bij de uitvoering van het zwaartepunt regionale ontwikkeling met een bijdrage van 1.026,9 miljoen euro.

De toezichtcomités zijn bijeengekomen en hebben bij de meerderheid van de programma's kleine wijzigingen in de programmacomplementen goedgekeurd. De programma-uitvoering is traag verlopen, waarbij het jaar 2002 in het teken stond van de toetsing in de praktijk van de uitvoeringsmethoden van het CB III. Vooral de steunregelingen voor particuliere investeringen hebben bij aanvang veel vertraging opgelopen. Met de tussentijdse evaluaties had moeten worden begonnen vóór 31 december 2002, maar ook hierbij is enige vertraging opgetreden; de enige stap die is genomen, is het opstellen van de toetsingscriteria voor de aanbestedingen. Ook is slechts zeer weinig gebruik gemaakt van technische hulp.

In de jaarverslagen voor 2002, die alle op tijd bij de Commissie zijn ingeleverd, wordt de hierboven beschreven situatie weergegeven.

In 2002 is vanuit de middelen van het EOGFL-Oriëntatie 385 miljoen EUR vastgelegd en 84,8 miljoen EUR betaald.

FIOV

Het programma voor 2000-2006 (FIOV-bijdrage: 211,1 miljoen EUR) is door de Commissie goedgekeurd op 28 maart 2001 en aangepast op 23 november 2001 (de toewijzing voor 2000 is herverdeeld over latere jaren).

Dit programma heeft dezelfde uitgangspunten als het vorige FIOV-programma (38% voor vlootmaatregelen, 17% voor de visteelt en 18% voor verwerking en afzet), met dit verschil dat nu meer nadruk ligt op de verbetering van de kwaliteit van visteeltproducten, betere werkomstandigheden en het tegengaan van milieuvervuiling.

Het toezichtcomité heeft op 23 mei 2002 het laatste programmadocument goedgekeurd. De in het kader van het FIOV gedeclareerde uitgaven tot 2002 bedragen 15,68% van de vastleggingen voor 2000-2002. Ofschoon de beheersinstantie met de meeste maatregelen al een aanvang heeft gemaakt, is er slechts vooruitgang geboekt wat betreft de gedeclareerde uitgaven voor vijf maatregelen (vooral het uit de vaart nemen van schepen).

Op de coördinatie van de fondsen wordt toegezien op communautair en nationaal niveau en in de toezichtcomités voor het CB en het OP 'Visserij'.

ESF

In 2002 heeft de Commissie alleen het OP voor technische hulp aangenomen; het bijbehorende programmacomplement is hetzelfde jaar nog ontvangen.

Alle andere programma's in het Griekse CB zijn goedgekeurd in 2001.

De bevoegde toezichtcomités van de OP's waarover het ESF de leiding heeft (onderwijs, werkgelegenheid, gezondheid), hebben de jaarverslagen goedgekeurd en kleine wijzigingen in de programmacomplementen aangebracht zonder dat daardoor de OP's hoefden te worden gewijzigd.

Met deze wijzigingen werd voornamelijk beoogd de inhoud van de maatregelen duidelijker te beschrijven (eindbegunstigden, indicatoren enz.).

De vastleggingen en betalingen van het ESF bedroegen op 31 december 2002 respectievelijk 1.338,4 en 719,6 miljoen EUR.

In 2002 beliepen de vastleggingen 713,5 miljoen EUR en de betalingen 295 miljoen EUR.

Binnen het gezondheidsprogramma hebben zich problemen voorgedaan bij de uitvoering van de prioriteit geestelijke gezondheid. Er zijn specifieke acties ondernomen om dit probleem te verhelpen.

Het werkgelegenheidsprogramma richt zich in het bijzonder op de modernisering van de overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening en het onderwijsprogramma houdt zich vooral bezig met innovatieve acties gericht op de modernisering van het onderwijsstelsel, in het bijzonder de aspecten van levenslang leren.

Vereenvoudiging heeft men hoofdzakelijk toegepast tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten voor de programma's. Tijdens deze bijeenkomsten werden op beleidsniveau thema's besproken die hoofdzakelijk betrekking hadden op aspecten van de uitvoering van beleid en het toezicht op de aangekondigde prioriteiten.

Typerend voor de additionaliteit is dat bij de uitvoering van de verschillende programma's rekening wordt gehouden met de Europese werkgelegenheidsstrategie en de strategie ten behoeve van sociale integratie.

Een belangrijk element van de complementariteit is dat er rekening is gehouden met de algemene prioriteiten (plaatselijke ontwikkeling, gelijke kansen, nieuwe informatie- en communicatietechnologieën) en dat deze in het reguliere beleid zijn opgenomen.

Zo hebben ook plaatselijke ontwikkeling en acties voor stads- en plattelandsontwikkeling voorrang gekregen in de regionale programma's.

2. Communautaire initiatieven

2.1 Leader+

Op 19 november 2001 is het nationale operationeel programma goedgekeurd, waarvan de totale kosten 392,6 miljoen EUR bedragen; het EOGFL levert een bijdrage van 182,9 miljoen EUR. Het programma voorziet in de financiering van ten hoogste 40 plaatselijke actiegroepen, die de bevoegde autoriteit in deze lidstaat heeft geselecteerd. Ook heeft deze autoriteit twee vergaderingen georganiseerd van het toezichtcomité, dat tijdens zijn eerste bijeenkomst het programmacomplement en de selectiecriteria voor verslagen heeft goedgekeurd en tijdens de tweede bijeenkomst het programmacomplement heeft gewijzigd. Voor het programma zijn echter geen uitgaven gedaan, behalve een klein bedrag voor technische hulp. De invoering van het tussentijdse evaluatiesysteem heeft ook achterstand opgelopen, in dezelfde mate als de programma's van het CB.

De vastgelegde kredieten voor de tweede jaarperiode belopen 26,5 miljoen EUR.

2.2 EQUAL

Uit de 271 Griekse aanvragen die op tijd zijn ontvangen, zijn in januari 2002 uiteindelijk 40 ontwikkelingspartnerschappen geselecteerd. Het beoordeling- en selectiesysteem behelsde drie beoordelingsfasen. Er was een regeling voor bezwaren tegen de selectieprocedure of de resultaten van de beoordeling.

In november 2001 is een speciale wet uitgevaardigd met het doel de juridische status van ontwikkelingspartnerschappen te omschrijven en samenwerking tussen de publieke en particuliere sector mogelijk te maken.

Voor alle veertig ontwikkelingspartnerschappen die voor actie 1 in aanmerking kwamen, is bevestigd dat zij ook in actie 2 konden worden opgenomen. De meeste ontwikkelingspartnerschappen zijn opgezet in het kader van 'Inzetbaarheid op de arbeidsmarkt' (14), 'Ondernemerschap' (11) en 'Aanpassingsvermogen' (10); onder 'Gelijke kansen' (verkleining van de verschillen tussen mannen en vrouwen en seksesegregatie) vallen vier en onder 'Asielzoekers' één ontwikkelingspartnerschap. Voor alle ontwikkelingspartnerschappen zijn transnationale partners gevonden en er zijn reeds transnationale samenwerkingsovereenkomsten van kracht.

In april 2002 heeft het toezichtcomité van het programma zijn goedkeuring gegeven aan het voorstel van de beheersinstantie tot het opzetten van in eerste instantie drie nationale themanetwerken (sociale economie; netwerken en coördinatie van reeds bestaande en nieuwe arbeidsbureaus en het ontwikkelen van deze bureaus tot 'loketten'; en accreditatiesystemen voor vaardigheden) en heeft de beheersinstantie belast met het opzetten van een vierde netwerk met als onderwerp het combineren van gezin en werk. In samenwerking met de ontwikkelingspartnerschappen heeft de beheersinstantie deze overeenkomstig de relevantie van hun projecten voor bovengenoemde thematische netwerken ingedeeld in de vier nationale themagroepen.

De beheersinstantie werkt aan de ontwikkeling van een handleiding voor actie 3.

2.3 URBAN

In Griekenland lopen drie URBAN II-programma's, die alle in december 2001 zijn goedgekeurd. Perama ontvangt 9,55 miljoen EUR, Komotini 8 miljoen EUR en Heraklion 7,95 miljoen EUR uit het EFRO. De totale begroting voor Perama bedraagt 13,38 miljoen EUR, voor Komotini 12,39 miljoen EUR en voor Heraklion 10,6 miljoen EUR. De drie programmacomplementen zijn op 5 september 2002 ontvangen en vóór het einde van dat jaar aanvaard. Geen van de drie programma's hoefde een jaarverslag over 2001 in te dienen.

De beheersinstantie van alle drie de programma's is de nationale overheid. De toezichtcomités van de programma's hebben reeds een keer vergaderd.

De 7%-voorschotten zijn in januari 2001 betaald; alle drie de programma's hebben hun eerste betalingsverzoek ingediend (april 2003).

3. Afsluiting van de voorgaande programmaperioden

EFRO

Wat betreft de afsluiting van het CB en het communautaire initiatief voor 1994-1999 is de situatie per 10 februari 2003 als volgt:

uitbetaald: 15.777.000 EUR

aangevraagde betalingen: 223.076.000 EUR

in voorgaande begrotingsjaren vastgelegd en nog niet uitbetaald: 980.306.000 EUR.

EOGFL (1994-1999)

Het jaar 2002 heeft met name in het teken gestaan van de Griekse voorbereiding op de afsluiting van de programma's in de periode 1994-1999. Op 31 december 2002 was bij de Commissie nog geen volledige aanvraag tot saldobetaling ingediend; derhalve heeft de commissie aan Griekenland nog geen saldobetalingen voldaan. De Commissie heeft de lidstaat eraan herinnerd dat 31 maart 2003 de uiterste termijn is volgens art. 52.4, tweede alinea, van Verordening 1260/99, en heeft uitgebreid overleg gehad met de nationale autoriteiten om een oplossing te vinden voor de bestaande problemen, zodat deze programmaperiode kan worden afgesloten.

ESF

1989-1993

Over vijf maatregelen loopt een artikel 24-procedure, waarmee een bedrag van 950.790 EUR gemoeid is.

1994-1999

Het uiteindelijke aantal betalingsaanvragen bedroeg 22 van de in totaal 24. Voor de andere twee programma's is uitstel tot 31 maart 2003 verleend.

Eind 2002 werd de aanvullende informatie die voor behandeling van deze dossiers nodig is verwacht.

4. Evaluatie en controle

4.1 Evaluatie

In 2002 zijn de aanbestedingen gedaan voor het selecteren van de beoordelaars, die begin 2003 worden aangewezen.

4.2 Controle

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

INTERREG IIA Griekenland/Italië, binnenlandse grenzen (nr. 94.00.10.009) en INTERREG IIB Griekenland/Italië, kabel (nr. 94.00.10.001), bezoek op 10/11 april 2002.

Twee projecten die door EDEL voor de 5%-controle waren geselecteerd, maakten deel uit van het auditprogramma van het ESOE (het voormalige speciaal coördinatie- en controleorgaan) voordat dit in 2001 opgeheven werd.

De procedures voor het nagaan en corrigeren van onregelmatigheden zijn goed, maar systematische onregelmatigheden worden niet bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gemeld (artikel 5 en 7 van Verordening 2064/97).

Toezichtbezoek van 8-11 april 2002

Wat betreft de volgende twee specifieke kwesties kan nog niet worden geconcludeerd dat aan de in de verordening vastgelegde verplichtingen voldaan is:

- voor sommige programma's was op de auditdatum nog geen begin gemaakt met de controles;

- voor sommige programma's was het aantal gecontroleerde verrichtingen uiterst beperkt, waardoor niet duidelijk is of de controle representatief is en in hoeverre deze de uitgaven bestrijken.

SPANJE

1. Doelstelling 1

EFRO

Met de aankondiging in april 2002 van het laatste programmacomplement (met betrekking tot het OP voor de informatiemaatschappij) wordt in 2002 de eerste programmeringscyclus afgesloten van de 23 OP's (12 regionaal en 11 multiregionaal) waaruit het Spaanse CB bestaat. De verklaring voor de vertraging bij het indienen van het laatste document moet worden gezocht in het feit dat het eigenlijke OP door de Spaanse autoriteiten later was verzonden dan de andere en door de Commissie in december 2001 was toegekend.

Nu deze programmeringscyclus en de concrete programma-uitvoering de afronding nadert, kan reeds een eerste, niet erg positieve, conclusie worden getrokken wat betreft een realistisch tijdpad voor de goedkeuring van alle programmadocumenten. In verband met de goedkeuring door de beheersinstantie (volgens de gebruikelijke procedure: plan regionale ontwikkeling, CB, OP) van de programmacomplementen en de uiteindelijke, door de Commissie verrichte toetsing heeft de procedure immers aanzienlijk meer tijd in beslag genomen, waardoor een behoorlijke achterstand is ontstaan in de besteding van de kredieten.

Wat het financieel beheer betreft, blijft de uitvoeringsgraad in de eerste drie jaren van de activiteiten (voorlopige gegevens) betrekkelijk beperkt (48%). Deze situatie, die bij de jaarlijkse bijeenkomsten is besproken met de beheersinstantie, lijkt niet over de hele linie zorgwekkend te zijn omdat het duidelijk hogere uitvoeringstempo dat in de afgelopen jaren viel te constateren, lijkt te worden voortgezet. Bovendien zal de bevestiging door de Commissie van de hoogte van de Gemeenschapsbijdrage voor een groot aantal omvangrijke projecten met aanzienlijke financiële toewijzingen ongetwijfeld bijdragen aan een hoger bestedingstempo van de kredieten. In 2002 zijn zestien grote projecten goedgekeurd; het onderzoek naar vijftien andere loopt nog.

Een toelichting is nog nodig (zie onderstaande tabel) omdat er enerzijds een duidelijk verschil bestaat tussen de uitvoeringsgraad van de regionale OP's (49%) en de multiregionale OP's (42,5%) en er anderzijds ook binnen deze beide groepen belangrijke verschillen bestaan. Murcia en Extremadura enerzijds en 'Informatiemaatschappij' en 'I&D&I' anderzijds vertonen immers duidelijk een lager bestedingstempo. De situatie waarin laatstgenoemde OP's zich bevinden, stemt niet optimistisch wat het risico van automatische annulering volgens de n+2-regel aangaat, zelfs indien rekening wordt gehouden met de corrigerende maatregelen die in overleg met de diensten van de Commissie door de beheersinstantie zijn genomen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Evenals in 2001 zijn in 2002 de toezichtcomités (zowel dat van het CB als die van de OP's) eenmaal bijeengekomen, maar hebben ze toch verscheidene malen via de schriftelijke procedure een besluit moeten nemen, in het bijzonder om wijzigingen in de programmacomplementen aan te brengen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het resultaat van de vereenvoudiging op het gebied van het beheer, die met de nieuwe verordening wordt nagestreefd, in de praktijk niet altijd gewaarborgd is. Zouden de programmacomplementen in theorie de besluitvorming van het toezichtcomité immers moeten versnellen, in de praktijk blijkt dat wijzigingen, hoe klein ook, in deze documenten te vaak leiden tot nieuwe besluiten tot wijziging van de respectievelijke OP's.

De jaarlijkse bijeenkomsten met betrekking tot deze periode hebben plaatsgevonden in januari 2003. Kort gezegd is er enerzijds een beroep gedaan op de beheersinstantie om de deelname van de sociaal-economische partners in de OP's voor Valencia en Melilla zeker te stellen, zoals het geval is in alle andere OP's, en is haar anderzijds gevraagd om vast te stellen wat de eventuele gevolgen zijn van de oplossingen voor het geschil met betrekking tot de omzetting in Spaanse wetgeving van de communautaire richtlijnen inzake overheidsopdrachten en BTW.

Bij de jaarlijkse coördinatiebijeenkomst is naast de resultaten van de controles ter plaatse en vervolgmaatregelen op onregelmatigheden naar voren gebracht hoe belangrijk het is om aan de controles een vervolg te geven, op zowel nationaal als communautair niveau.

Gezien het grote belang van de voor 2003 geplande tussentijdse evaluatie, hebben de partners (lidstaat en Commissie) in 2002 veel werk verzet om tot een betrouwbaar systeem te komen om de tussentijdse evaluatie en vervolgens de actualisering onafhankelijk en helder te realiseren, waarbij de kwaliteit een waarborg moet zijn voor de geloofwaardigheid van de resultaten en de evaluatie tot stand komt binnen de vastgestelde termijn. De basis voor dit systeem wordt gevormd door de volgende drie pijlers: de evaluatiegroepen, de thematische werkgroepen en de technische groep voor de prestatiereserve.

De reeds in 2001 zijn opgerichte evaluatiegroepen (één voor het CB en één per OP) hebben in 2002 de volgende drie essentiële taken verricht:

- opstellen van de taakomschrijving voor de tussentijdse evaluatie,

- medewerking aan de selectie van onafhankelijke beoordelaars,

- samenstellen van een methodologische handleiding voor de evaluatie van de operationele programma's; dit document moet zorgen voor een zekere harmonisatie van de evaluatiewerkzaamheden bij de OP's, waardoor de evaluatie van het CB moet worden vergemakkelijkt.

De drie themagroepen (gelijke kansen, milieu en informatiemaatschappij) zijn in de loop van dit jaar gevormd om in opdracht van het toezichtcomité voor het CB, echter op eigen initiatief besluitvormingselementen te ontwikkelen ten behoeve van de specifieke thema's waar hun deskundigheid ligt. Hierdoor kunnen bij herprogrammering de horizontale principes beslist beter worden geïntegreerd.

De derde pijler is de technische groep voor de prestatiereserve zoals voorzien in de uitvoeringsbepalingen van het CB. Ook deze is in 2002 gevormd met als doel de technische aspecten van de reservebestemming te specificeren, te zorgen voor samenhang tussen de criteria en de resultaten te bekrachtigen. Deze groep heeft reeds een beslissende rol gespeeld bij het actualiseren van de financiële en beheersindicatoren die alle OP's gemeenschappelijk hebben.

Voorts heeft in 2002 voor de periode 1994-1999 de toetsing achteraf aan het additionaliteitsbeginsel plaatsgevonden voor alle Spaanse doelstelling 1-regio's. De voornaamste uitkomst van de analyse die de Commissie heeft uitgevoerd op de door de Spaanse autoriteiten toegezonden documentatie, is een geconstateerde daling met 2,4% van de subsidiabele overheidsuitgaven ten opzichte van de referentiewaarde voor de periode 1989-1993.

De redenen die de nationale autoriteiten aanvoeren om de afname te rechtvaardigen, hebben enerzijds betrekking op de maatregelen die midden jaren negentig zijn genomen om te voldoen aan de convergentiecriteria voor de opname van Spanje in de EMU, en anderzijds op de uitzonderlijke overheidsinspanning ten behoeve van structurele doeleinden die is geleverd in de vorige programmaperiode. Daar deze laatste reden volgens artikel 9.2 van Verordening (EG) 2082/94 aanvaardbaar is, heeft de Commissie geoordeeld dat Spanje wat betreft additionaliteit heeft voldaan aan zijn verplichtingen voor de periode 1994-1999.

FIOV

Het Spaanse grondgebied dat in de periode 2000-2006 onder doelstelling 1 valt, is hetzelfde als in de vorige periode met uitzondering van Cantabrië, waar de steun stapsgewijs wordt beëindigd. De geplande investeringen bedragen in totaal 3122,4 miljoen EUR, waarvan 1504,6 miljoen EUR uit het FIOV. In de loop van 2001 (15 oktober 2002) is het multiregionale operationele programma van het FIOV voor 31,88% van het totale gereserveerde bedrag vastgelegd en voor 20% daarvan uitgevoerd.

Bij de geplande investeringen ligt het accent op de verwerking en afzet van visserijproducten en de herstructurering en vernieuwing van de vloot. Met de uitvoering van het prioritaire zwaartepunt bijscholing is daarentegen nog nauwelijks een begin gemaakt.

De programmacomplementen en de selectiecriteria van de projecten zijn door de toezichtcomités binnen de in de verordening genoemde termijn goedgekeurd. Nadat Verordening (EG) 1451/2001 van 28 juni 2001 [16] door de Raad was aangenomen, is er een wijziging aangebracht in het operationele programma van het FIOV voor de doelstelling 1-regio's.

[16] PB L198 van 21.7.2001.

Aangezien de operationele FIOV-programma's en het EPD geen meerfondsenprogramma's zijn, zijn de toezichtcomités hierbij niet betrokken. De coördinatie van het operationele programma van het FIOV voor de doelstelling 1-regio's in het kader van het communautaire bestek is wel in handen van DG REGIO.

Wat het CB van doelstelling 1 betreft, wordt de additionaliteit geverifieerd in de vergaderingen van het toezichtcomité en in de jaarverslagen. Voor het EPD blijft de verificatie beperkt tot de jaarverslagen.

EOGFL

In 2000 en 2001 had de Commissie haar goedkeuring gegeven aan twee horizontale programma's (een eenfondsprogramma ten behoeve van de verbetering van de productiestructuur in de doelstelling 1-regio's en een meerfondsenprogramma betreffende technische hulp), negen regionale meerfondsenprogramma's (Andalusië, Asturië, Kastilië-la Mancha, Kastilië-León, Extremadura, Galicië, Murcia, Canarische Eilanden en Valencia) en één overgangsprogramma met meer fondsen (Cantabrië), alsook de bijbehorende programmacomplementen.

Na drie uitvoeringsjaren beloopt de financiële uitvoering 53% van de sinds het begin van de programmaperiode vastgelegde bedragen; dat wil zeggen dat van de 1984 miljoen EUR die in 2001 en 2002 is vastgelegd, een bedrag van 1215 miljoen EUR is uitbetaald.

Er zijn wijzigingen aangebracht in de programmacomplementen voor de autonome gemeenschappen Canarische Eilanden (wijziging cofinancieringspercentage voor de maatregelen) en Kastilië-León (wijziging financieel overzicht).

ESF

De in 2000 opgetreden vertraging bij de uitvoering van de doelstelling 1-OP's van het ESF is gedeeltelijk ingelopen dankzij de activiteiten die zijn gerealiseerd in 2001 en in het bijzonder 2002. De meeste maatregelen kennen een redelijk bevredigend uitvoeringstempo, en zijn dit jaar goed op gang gekomen.

De volledige voor 2002 voorziene ESF-programmering is vastgelegd (1.293.200.000EUR).

In 2002 zijn 42 betalingsaanvragen ingediend bij de diensten van de Commissie, die een ESF-bedrag van in totaal 1.663 miljoen EUR vertegenwoordigen.

De vastleggingen en betalingen van het ESF bedroegen op 31 december 2002 respectievelijk 3.813,5 en 2.240,4 miljoen EUR.

De vier multiregionale OP's waarin DG EMPL (Werkgelegenheid en sociale zaken) de hoofdrol heeft (Iniciativa Empresarial, Lucha contra la discriminacion, Fomento del empleo, Sistemas de formacion profesional), die 60% vertegenwoordigen van de totale bijdrage van het ESF aan het CB van doelstelling 1 voor de periode 2000-2006, hebben op 17 juli 2002 hun toezichtcomité bijeengeroepen, waarbij de jaarverslagen over 2001 zijn goedgekeurd en de bijbehorende aanpassing van alle programmacomplementen is verricht. De jaarlijkse bijeenkomsten voor de multiregionale OP's hebben plaatsgevonden op 17 en 18 december 2002. De voornaamste onderwerpen waarover tijdens deze bijeenkomsten is gesproken, zijn: het uitvoeringstempo van de activiteiten, de tenuitvoerlegging van de horizontale prioriteiten, de integratie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in de OP's, herziening en verbetering van de selectiecriteria, verfijning van de indicatoren voor de prestatiereserve en in het algemeen verbetering van de in de jaarverslagen vervatte informatie. De jaarlijkse bijeenkomsten voor de andere OP's van doelstelling 1 zijn gehouden in januari 2003.

Vooral het tempo van de maatregelen die verband houden met de basiseducatie is versneld, maar er wordt ook gewerkt aan het inhalen van de achterstand die de 'klassieke' maatregelen op het gebied van beroepsopleiding hebben opgelopen. Hoewel over het geheel nog een algemene inspanning op stapel stond, waren er per OP grote verschillen in het uitvoeringstempo van de maatregelen. Bij de uitvoering van de maatregelen die verband houden met migranten, is over het algemeen enige achterstand ontstaan. De tenuitvoerlegging van het OP Sistemas de formacion profesional laat veel te wensen over, gezien de vertraging die is opgelopen bij de goedkeuring van de wet inzake het nationale stelsel van beroepskwalificaties.

Vereenvoudiging heeft men hoofdzakelijk toegepast tijdens de jaarlijkse OP-bijeenkomsten. Deze bijeenkomsten hebben zich toegespitst op strategische aspecten. De besproken thema's hadden hoofdzakelijk betrekking op aspecten van de beleidsuitvoering en het toezicht op de aangekondigde activiteiten.

Er is gekozen voor een preventieve aanpak bij de controle op de toepassing van het additionaliteitsbeginsel en het principe van de 'meerwaarde' van samenwerking met het ESF bij de cofinanciering van de activiteiten. Dit was ook het onderwerp van de studiebezoeken die in 2002 hebben plaatsgehad bij een aantal eindbegunstigden.

2. Doelstelling 2

EFRO

Uitvoeringstempo - algemene aspecten

In 2002 is de uitvoering van zeven EPD's voortgezet volgens het tijdpad waarmee in 2000 was begonnen en dat in 2001 volledig operationeel is geworden. De door de verordening voorgeschreven activiteiten voor het toezicht op de maatregelen zijn in het voorziene tempo verlopen.

De toezichtcomités van de EPD's hebben evenals in 2001 één vergadering gehouden, zoals altijd in de regio zelf. De bijeenkomsten vonden plaats tussen 22 mei 2002 (Aragón) en 9 juli 2002 (La Rioja). Aan deze bijeenkomsten werd deelgenomen door de betrokken nationale overheidsinstanties, de administratieve diensten van de Commissie en de leden van het verruimde partnerschap (economische en sociale partners, plaatselijke overheden, regionale vertegenwoordigers belast met de bescherming en verbetering van het milieu en de toepassing van het beginsel van gelijke kansen).

Tijdens de bijeenkomsten van de comités zijn de uitvoeringsverslagen over 2001 geanalyseerd alsook bepaalde uitvoeringsaspecten inzake de eerste maanden van 2002.

De opmerkingen van de Commissie en andere deelnemers zijn tot op zekere hoogte door de beheersinstantie overgenomen, die de Commissie tussen 30 juli en 2 augustus op de hoogte heeft gebracht van de uitvoeringsverslagen. Na analyse heeft de Commissie deze als bevredigend beoordeeld, waarvan zij de beheersinstantie tussen 25 september (Balearen en Baskenland) en 3 oktober (Catalonië) op de hoogte heeft gesteld.

Eind 2002 zijn de programmacomplementen gewijzigd, waarbij de volgende elementen zijn opgenomen: enerzijds verscheidene aspecten van de maatregelen die bij genoemde vergaderingen van de comités zijn goedgekeurd (o.a. verbetering van de criteria voor projectselectie, verdere uitwerking van de inhoud en de cofinanciering van bepaalde maatregelen), en anderzijds vereenvoudigde lijsten met de indicatoren voor de feitelijke uitvoering die in ieder complement zijn vastgelegd, in verband met het toekennen van de prestatiereserve eind 2003.

Op basis van ditzelfde vereenvoudigingsproces en de vergaderingen eind 2002 van de Commissie en de beheersinstantie zijn voorts de indicatoren voor het beheer en de financiële uitvoering, die voor alle zeven EPD's gelijk zijn, nauwkeurig omschreven. Het overeenkomstige wijzigingsbesluit moet begin 2003 worden ondertekend.

Op basis van de bedoelde jaarverslagen, de overige op de EPD's betrekking hebbende documenten alsook de criteria voor de vereenvoudiging van de betreffende maatregelen heeft de Commissie aan het einde van het jaar de basisdocumenten opgesteld voor de jaarlijkse ontmoetingen, die in januari 2003 in Madrid plaatsvinden, op basis van een plenaire openingssessie (over de gemeenschappelijke aspecten van de zeven EPD's) en enkele specifieke sessies.

Het nationale coördinatieorgaan, een door de beheersinstantie in samenwerking met de regionale bestuursorganen en de Commissie opgezette adhocinstelling die een aantal aspecten van de EPD's op het gebied van voorlichting, toezicht en evaluatie op elkaar moet afstemmen, heeft op 17 oktober in Madrid vergaderd. Tijdens deze vergadering is de voortgang met de uitvoering van de zeven tussentijdse evaluaties (zie ook het hoofdstuk Evaluatie) geanalyseerd, evenals de financiële informatie over de eigen EPD's en andere maatregelen van de Structuurfondsen in de begunstigde doelstelling 2-regio's.

Eind 2002 zijn twee wijzigingen in EPD's bestudeerd: enerzijds de wijziging voor Baskenland, die in feite een geringe herverdeling van de kredieten over de prioriteiten betekent en voortkomt uit de correcte indeling van verscheidene infrastructuurprojecten onder de bevoegdheid van de plaatselijke en provinciale overheden aan de bijbehorende maatregelen; anderzijds de wijziging voor de Balearen, waar ten behoeve van de verbetering van het beheer van de maatregel een overheveling van kredieten van het ESF naar het EFRO heeft plaatsgevonden alsook veranderingen in de EFRO-kredieten per zwaartepunt (verhoging van het krediet voor de prioriteit milieu, verlaging voor de prioriteiten concurrentievermogen en werkgelegenheid, en plaatselijke en stedelijke ontwikkeling). Omstreeks maart 2003 moeten de wijzigingsbesluiten worden ondertekend.

Uitvoeringstempo - bestedingspercentage van de kredieten

Volgens de cijfers over de periode 2000-2006 schommelt het percentage gerealiseerde concrete betalingen tot 31 december 2002, wat de EFRO-maatregelen betreft, tussen 15,92% (Balearen) en 36,13% (Navarra) en, wat de ESF-maatregelen betreft, tussen 3,77% (Catalonië) en 19,60% (Madrid).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De EFRO-maatregelen verlopen dus in een bevredigend tempo; van de maatregelen voor Navarra en Baskenland waren eind 2002 zelfs al voldoende betalingen verricht om eventuele annulering bij de begin 2004 uit te voeren toetsing te voorkomen. De uitzondering op deze positieve beschouwing is de maatregel voor de Balearen, waarin - zoals vermeld - een wijziging zal worden aangebracht.

De ESF-maatregelen hebben daarentegen vertraging opgelopen, mogelijkerwijs met uitzondering van Madrid en Navarra. Het ESF speelt in alle EPD's in financieel opzicht een beperkte rol (Catalonië: 22%, verschillende zwaartepunten; andere regio's: 5 à 6%, alleen het zwaartepunt technologie, onderzoek en innovatie.

In deze situatie wordt verandering gebracht door in 2003 een gedeelte van de kredieten die aanvankelijk zijn ondergebracht bij het ESF, over te hevelen naar het EFRO. Een en ander zal worden vastgesteld tijdens de vergaderingen van de toezichtcomités van volgend jaar; voor bepaalde EPD's kan zelfs worden overwogen het ESF er verder buiten te houden. De overheveling is reeds vastgelegd in de wijziging op het EPD voor de Balearen.

Evenwichtige verdeling van de tenuitvoerlegging

Voor de zeven EPD's staat de uitvoering er anders voor dan voor de zes zwaartepunten van de EFRO-maatregelen.

Voor alle EPD's tezamen geldt bijvoorbeeld dat men met de betalingen van prioriteit 3 (technologie, onderzoek en innovatie) en 4 (vervoer en energie) verder gevorderd is dan met die van prioriteit 1 (concurrentie en werkgelegenheid) en 5 (stedelijke en plattelandsontwikkeling).

De achterstanden lijken echter niet al te veel te betekenen te hebben; ze zijn gedeeltelijk te wijten aan het feit dat het tijdsbestek doorgaans korter is dan gemiddeld nodig is bij steunregelingen in de particuliere sector (zwaartepunt 1) en projecten onder de bevoegdheid van de plaatselijke overheden (zwaartepunt 5).

In Catalonië, Aragon en Baskenland is minder duidelijk sprake van verschil tussen de zwaartepunten binnen de EPD's dan elders. Opvallend is wél het vlotte tempo waarmee bepaalde prioriteiten vorderen; dit geldt bijvoorbeeld voor zwaartepunt 4 ('Vervoer') in Navarra, maar ook voor zwaartepunt 2 ('Milieu') op de Balearen en 1 ('Concurrentie en werkgelegenheid') in Baskenland.

In onderstaande tabel zijn de uitgaven per prioriteit voor de periode 2000-2006 per 31 december weergegeven.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Ook al nemen overgangsgebieden in Spanje in vergelijking met die van andere begunstigde doelstelling 2-lidstaten een betrekkelijk kleine plaats in, toch moet als laatste nog worden opgemerkt dat in deze streken de betalingen (met uitzondering van het EPD van Madrid) achterblijven bij de betalingen van de 'blijvende' streken.

Tussentijdse evaluatie

De basis van de tussentijdse evaluatie van de EPD's voor doelstelling 2 wordt - vergelijkbaar met de manier waarop het systeem voor de doelstelling 1-maatregelen is ingericht - gevormd door de evaluatiegroepen, de evaluatiecoördinatiegroep en de thematische werkgroepen.

De reeds in 2001 gevormde evaluatiegroepen voor de verschillende EPD's hebben, ondersteund door de evaluatiecoördinatiegroep (onderdeel van het nationale coördinatieorgaan), in 2002 de volgende taken uitgevoerd:

- opstellen van de taakomschrijving,

- medewerking aan de selectie van de onafhankelijke beoordelaars,

- samenstellen van een methodologische handleiding voor de evaluatie van de EPD's om duidelijkheid te scheppen over wat wordt verwacht van de inhoud van de evaluaties en een zekere harmonisatie van de werkzaamheden mogelijk te maken.

Er zijn twee themawerkgroepen gevormd, die representatief zijn voor de twee horizontale prioriteiten van de programmering (gelijke rechten en milieu), om besluitvormingselementen te ontwikkelen ten behoeve van de specifieke thema's waar hun deskundigheid ligt, en de integratie van deze twee prioriteiten bij de herprogrammering in 2004 te verbeteren.

ESF

Uitvoeringstempo

In totaal levert de Gemeenschap aan deze programma's voor de periode 2000-2006 een bijdrage van 2,725 miljard EUR en draagt het ESF slechts 336 miljoen EUR bij (hiervan gaat 257 miljoen EUR naar het enige EPD van Catalonië).

De uitvoering van de meeste maatregelen heeft vertraging opgelopen.

De volledige voor 2002 voorziene ESF-programmering is door DG EMPL vastgelegd (49,08 miljoen EUR).

In 2002 zijn veertien betalingsaanvragen voor een bedrag van 21,01 miljoen EUR ontvangen en behandeld.

De vastleggingen en betalingen van het ESF bedroegen op 31 december 2002 respectievelijk 144,3 en 44,5 miljoen EUR.

Rekening houdend met de lage uitvoeringsgraad hebben de Spaanse autoriteiten bij de jaarlijkse vergaderingen (17 januari 2003) voorgesteld om het ESF-gedeelte van maatregel 3.1 (I+D) voor 2003 over te hevelen naar het EFRO.

Evenwichtige verdeling

Bij de uitvoering van maatregel 3.1 (I+D), die in alle EPD's is opgenomen, is een aanzienlijke achterstand opgelopen. In Catalonië kennen de zwaartepunten 1 en 5 de laagste uitvoeringsgraad. Bij een studiebezoek aan Catalonië in oktober 2002 is echter vastgesteld dat het probleem vooral was te wijten aan een achterstand in de uitgavencertificering.

Coördinatie

Bij de jaarlijkse vergadering is de behoefte aan een schema voor de toezichtcomités, de jaarlijkse vergaderingen en de technische werkgroepen besproken, zodat kan worden getracht de data voor de vergaderingen voor doelstelling 2 en 3 hierop af te stemmen.

Additionaliteit

Er zijn zeven EPD's voor doelstelling 2 (Aragon, Balearen, Catalonië, Navarra, Baskenland en La Rioja). In zes van de EPD's neemt het ESF slechts deel aan maatregel 3.1 (I+D). In het EPD voor Catalonië neemt het ESF deel aan verscheidene zwaartepunten.

Wat betreft maatregel 3.1 heeft DG EMPL er bij de Spaanse autoriteiten op aangedrongen maatregelen te treffen voor een overheveling naar de productiesector, hetgeen lastiger bleek dan gedacht.

3. Doelstelling 3

Uitvoeringstempo

Het CB in het kader van doelstelling 3 wordt ten uitvoer gelegd via twaalf operationele programma's (zeven regionale en vijf multiregionale/thematische OP's).

Deze programma's zijn gericht op steun voor de ontwikkeling en verbetering van beroepsgerichte scholing, steun voor intreding en herintreding van werklozen op de arbeidsmarkt met prioriteit voor een preventieve aanpak door het opzetten van instroomtrajecten en steun voor lokale werkgelegenheidsinitiatieven, een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, bestrijding van discriminatie wegens geslacht en bevordering van de instroom van achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt, bevordering van de ondernemingsgeest en levenslang leren voor werknemers.

In 2002 is in totaal 324,4 miljoen EUR vastgelegd voor doelstelling 3. Er zijn vijftien tussentijdse betalingsverzoeken ontvangen voor regionale OP's van doelstelling 3 voor een bedrag van 139,1 miljoen EUR en er zijn dertien verzoeken binnengekomen voor de multiregionale OP's voor een bedrag van 259,6 miljoen EUR.

De vastleggingen en betalingen van het ESF bedroegen op 31 december 2002 respectievelijk 954,3 en 546,9 miljoen EUR.

Het toezicht op de ESF-maatregelen is gewaarborgd dankzij de toezichtcomités, de jaarlijkse vergaderingen, de analyse van de jaarverslagen, de studiebezoeken en verschillende bijeenkomsten van de lidstaat en de diensten van de Commissie.

Op 17 en 18 december 2002 is de tweede ronde jaarlijkse vergaderingen voor de OP's in het kader van doelstelling 3 en 1 (Fomento del Empleo, Sistemas de Formación Profesional, Iniciativa Empresarial y Formaciòn Continua en Lucha contra la Discriminación) gehouden. Hierbij was het doel om tot gezamenlijke conclusies te komen en te onderzoeken welke corrigerende maatregelen in het licht van de geconstateerde tekortkomingen kunnen worden genomen. In dit verband heeft de analyse van de jaarverslagen preventief gewerkt bij het herkennen van de problemen en het voorstellen van mogelijke oplossingen. De voornaamste onderwerpen waar tijdens deze bijeenkomsten over is gesproken, zijn de uitvoering van de horizontale prioriteiten, de integratie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in de OP's, herziening en verbetering van de selectiecriteria, de voortgang die is geboekt bij de evaluatie van de OP's, en in het algemeen verbetering van de in de jaarverslagen vervatte informatie.

In 2002 zijn de studiebezoeken aan de verschillende OP's van start gegaan. Het gaat om informatieve bezoeken aan de verschillende beheerders met als doel de versterking van het partnerschap. Er is begonnen met de autonome gemeenschap Catalonië; ook de overige autonome gemeenschappen komen aan de beurt. Hierbij wordt beoogd de samenwerking tussen de Commissie, de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten alsook de verschillende beheerders van de maatregelen te vergroten.

Evenwichtige verdeling van de uitvoering

De uitvoering van de vijf multiregionale programma's kan in algemene termen als bevredigend worden beschouwd, waarbij echter een zekere ongelijkheid valt op te merken tussen de OP's en de verschillende zwaartepunten van elk OP. Te constateren valt dat er een aanzienlijke achterstand bestaat bij de uitvoering van het OP voor beroepsgerichte opleiding (Sistemas de Formación Profesional), die is te wijten aan de vertraging die is opgelopen bij de goedkeuring van de wet inzake het nationale stelsel van beroepskwalificaties, die een uiterst belangrijke rol zal spelen bij de uitvoering van het OP.

Ook de uitvoering van de regionale programma's stemt tot tevredenheid, ofschoon er tussen de OP's verschillen bestaan.

Vereenvoudiging

In de geest van de vereenvoudiging heeft de Commissie samen met de lidstaat opnieuw gekeken naar de procedure voor het organiseren van de jaarlijkse bijeenkomsten. Het accent is verlegd naar de onderwerpen met een strategisch karakter. Het aantal te behandelen punten voor elke maatregel is beperkt en er wordt voorrang gegeven aan de punten die een voor de maatregel strategisch karakter hebben, hetzij door hun inhoud hetzij door hun transversale karakter.

Additionaliteit

Er is voor gekozen om preventief te toetsen of het complementariteitsbeginsel van samenwerking met het ESF bij de cofinanciering van de activiteiten wordt toegepast. Dit is met name gedaan bij de studiebezoeken die in 2002 hebben plaatsgehad bij een aantal eindbegunstigden.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het Spaanse grondgebied dat in de periode 2000-2006 onder de regio's buiten doelstelling 1 valt, verandert niet ten opzichte van de vorige periode. De geplande investeringen bedragen in totaal 824,5 miljoen EUR, waarvan 207,5 miljoen EUR binnen het FIOV valt. Het enige programmeringsdocument voor de Spaanse regio's buiten doelstelling 1 van het FIOV is voor 38,26% van het totale gereserveerde bedrag vastgelegd en voor 14,89% daarvan uitgevoerd (15 oktober 2002).

Bij de geplande investeringen ligt het accent op de verwerking en afzet van visserijproducten en de vernieuwing van de vloot. Met de uitvoering van het prioritaire zwaartepunt bijscholing is daarentegen nog nauwelijks een begin gemaakt.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

In 2001 en 2002 had de Commissie haar goedkeuring gegeven aan achttien Leader+-programma's (één horizontaal programma en zeventien regionale programma's, ofwel één per autonome gemeenschap). Zeventien programma's hadden een globale subsidie gekregen en voor één programma (Baskenland) was er een programmacomplement goedgekeurd. In totaal zouden er 150 plaatselijke actiegroepen worden gevormd.

Na twee uitvoeringsjaren beloopt de financiële uitvoering 23% van de bedragen die zijn vastgelegd sinds het begin van de programmaperiode; dat wil zeggen dat van de 148 miljoen EUR die in 2001 en 2002 is vastgelegd, een bedrag van 35 miljoen EUR is uitbetaald. Ofschoon de meerderheid van de programma's is goedgekeurd in 2001, zijn de financieringsovereenkomsten (waarin de globale subsidie concreet vorm krijgt) pas in de loop van 2002 aangegaan en aan de Commissie verzonden; hier ligt de verklaring voor de achterstand die is opgelopen bij de uitvoering van deze programma's.

5.2 EQUAL

In 2002 hebben de 160 Spaanse ontwikkelingspartnerschappen die waren geselecteerd voor actie 1, een bevestiging gekregen van hun deelname aan actie 2 (uitvoering). Gelijke behandeling van mannen en vrouwen werd gekozen als thema door 34% van de geselecteerde projecten, hetgeen neerkomt op 31% van het totale aan de projecten toegewezen bedrag; dit is een bevestiging voor de prioriteit die gelijke kansen krijgen in het Spaanse EQUAL-programma. Het toezichtcomité heeft de evaluatiecommissie samengesteld, die inmiddels is begonnen met de evaluatiewerkzaamheden. Ook is er een werkgroep voor integratie in het reguliere beleid gevormd. In het kader van actie 3 staan in het plan voor het overdragen van en voortbouwen op gevonden optimale werkwijzen de volgende drie thematische prioriteiten centraal: inzetbaarheid en bestrijding van racisme; ondernemingsgeest en aanpassingsvermogen; gelijke kansen. Het nieuwe blad EQUAL en de presentatie van het Spaanse EQUAL-initiatief in Andalusië, waaraan ongeveer 500 mensen hebben meegewerkt, zijn verspreidingsactiviteiten die het vermelden waard zijn.

Op Europees niveau tenslotte heeft de beheersinstantie samen met Italië het medevoorzitterschap van een Europese themawerkgroep op het gebied van gelijke kansen op zich genomen.

5.3 URBAN

De Spaanse URBAN II-programma's zijn nog in december 2001 alle tien goedgekeurd door de Europese Commissie.

De totale in aanmerking komende kosten van alle tien URBAN II-programma's bedragen 179.973.333 EUR, waaraan de EU 112.600.000 EUR bijdraagt.

De beheersinstantie van de Spaanse URBAN II-programma's is het ministerie Ministerio de Hacienda van de centrale overheid in samenwerking met plaatselijke autoriteiten (Ayuntamientos). De toezichtcomités, waarin onder andere vertegenwoordigers van het ministerie en de verschillende gemeenteraden zitten, komen tweemaal per jaar bijeen (art. 7 van het interne reglement).

Alle programmacomplementen zijn goedgekeurd door de toezichtcomités en begin 2002 naar de Commissie gezonden. In overeenstemming met de algemene Verordening (1260/1999) worden de jaarverslagen in juni 2003 verwacht; de tussentijdse evaluaties moeten in december 2003 worden ingeleverd.

De 7%-voorschotten zijn nog in 2001 betaald. Voor alle Spaanse URBAN II-programma's zijn in 2002 tussentijdse betalingsverzoeken ingediend.

6. Afsluiting van de voorgaande perioden

EFRO

Van de 41 CB-maatregelen in het kader van doelstelling 1 waren er op 31 december 2002 slechts vier afgesloten. Voor de overige maatregelen geldt dat er voor sommige nog gewacht wordt op de eindverslagen van de programma-uitvoering en voor alle op de afsluitingsverklaringen bedoeld in artikel 8 van Verordening 2064/97. Aangezien alle middelen zijn vastgelegd, rest nog slechts de betaling van het saldo, dat iets meer dan 1,131 miljoen EUR bedraagt.

Voor de zeven OP's van het EFRO/ESF en het multiregionale doelstelling 2-OP van het ESF in het kader van het CB (1997-1999) alsook de zeven doelstelling 5b-EPD's van het EOGFL-O/EFRO/ESF (1994-1999) was 31 december 2001 de uiterste datum waarop de gemaakte kosten in rekening kunnen worden gebracht; de doelstelling 2-OP's van Aragon en Baskenland vormen hierop een uitzondering.

Vóór het einde van 2001 had de lidstaat voor de twee maatregelen om uitstel verzocht, met als reden overmacht. Dit verzoek is aanvaardbaar bevonden en bevatte de vereiste, in de verordening bepaalde rechtvaardigingselementen. Het besluit tot uitstel voor het OP van Aragon is uiteindelijk ondertekend in februari 2002 en dat voor Baskenland in juni 2002. Zo kan de financiële afsluiting van de twee OP's plaatsvinden met negen maanden uitstel voor de kosten (tot 30 september 2002).

In 2002 heeft de meerderheid van de toezichtcomités voor de maatregelen in het kader van doelstelling 2 en 5b haar goedkeuring gegeven aan de eindverslagen, waarvan de Commissie uiteindelijk op de hoogte is gebracht. Anderzijds heeft de Commissie voor deze maatregelen geen enkele afsluitingsverklaring conform artikel 8 van Verordening (EG) 2064/97 ontvangen. De uiterste datum voor het indienen van de documenten, waarna het saldo kan worden voldaan, is 31 maart 2003.

Over het geheel genomen zien de nog te betalen saldi en de percentages van de vastgelegde totaalbedragen er per doelstelling en per fonds als volgt uit:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

EOGFL

De Spaanse autoriteiten werken aan de afsluiting van 47 maatregelen (15 doelstelling 1-OP's, 7 doelstelling 5b-EPD's, 1 doelstelling 5a-OP, 1 doelstelling 5a-EPD, 18 communautaire initiatieven in het kader van Leader II, 3 communautaire initiatieven in het kader van INTERREG II, 1 REGIS II en 1 territoriaal werkgelegenheidspact). De eindverslagen alsook de betalingsaanvragen moeten in de loop van 2003 worden gevalideerd.

ESF

Alle Spaanse dossiers inzake integratie van gelijke kansen van de periode 1989-1993 zijn afgesloten.

Voor wat betreft de periode 1994-1999 heeft Spanje nog in 2002 21 betalingsaanvragen ingediend: 1 voor doelstelling 1, 4 voor doelstelling 2, 12 voor doelstelling 3, 1 voor doelstelling 4 en 3 voor doelstelling 5b. Daarvan zijn er slechts vier compleet en in behandeling; de rest moet nog worden aangevuld.

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

EOGFL

Binnen het toezichtcomité van het CB en elk OP is een evaluatiewerkgroep ingesteld. Deze groepen hebben de toetsingscriteria voor de aanbestedingen vastgesteld waarmee de evaluatieteams van het CB en de OP's moeten worden aangeworven. Vervolgens heeft de lidstaat deze teams geselecteerd, die in de herfst met hun werk zijn begonnen. De eerste tussentijdse verslagen worden begin 2003 verwacht. Deze werkzaamheden worden gefinancierd via de verschillende maatregelen voor technische hulp (OP's voor technische hulp en ad-hocmaatregelen binnen de OP's).

ESF

Goedkeuring van een methodologische handleiding die voor het hele CB voor doelstelling 3 gelijk is, waarin de te behandelen aspecten en de gemeenschappelijke indicatoren voor de verschillende OP's nader zijn vastgelegd. Eind 2002 kon ook het proces voor de benoeming van de beoordelaars die belast zijn met de maatregelen van het INEM, worden afgerond.

7. 2 Controle

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

Autonome gemeenschap CANTABRIË

Voornaamste bevindingen

- Er is nog steeds onvoldoende personeel dat zich bezighoudt met de controles

- Er is nog geen begin gemaakt met de controle van de communautaire initiatieven in het kader van Leader II en de OP's in het kader van PRODER (eind oktober 2002) hoewel er al verscheidene problemen zijn geconstateerd

- De aan de Commissie gedeclareerde uitgaven komen niet overeen met de feitelijk gemaakte kosten

- Er zijn niet-subsidiabele lease- en BTW-kosten gedeclareerd aan de Commissie

- De subsidiabiliteitsvoorschriften met betrekking tot het opvoeren van inkomsten die zijn verkregen uit de verkoop van grond met een industriële bestemming zijn onjuist toegepast

Systeemaudit INTERREG IIA-PROGRAMMA SPANJE/PORTUGAL (14-17 mei 2002)

Autonome gemeenschap Extremadura

- Ten tijde van de audit was de controledienst nog niet begonnen met het evalueren van de toepassing door de beheerders van de uitkomst van de controles. Mogelijk gaat dit een probleem vormen omdat er niet veel tijd resteert voor dit werk, dat moet worden uitgevoerd vóór de afsluiting van de programma's.

IGAE

- Doordat de autonome gemeenschappen in bepaalde gevallen geen controlecijfers overleggen aan de Spaanse algemene inspectiedienst voor nationale uitgaven IGAE, kan de ingevolge artikel 8 verantwoordelijke instantie nauwelijks op systematische wijze toezicht houden op het werk dat de de autonome gemeenschappen verzetten met het oog op de afsluitingsverklaring.

- De IGAE beschikt niet centraal over gegevens inzake vervolgmaatregelen naar aanleiding van de afzonderlijke verslagen voor de Intervenciones Territoriales, daar het vervolg op de controles de taak is van de controleurs van de afzonderlijke Intervenciones Territoriales. Aangenomen wordt dat de in het verslag genoemde bevindingen zijn gecorrigeerd indien de Intervención Territorial hierover niet binnen een periode van zes maanden vanaf de datum van het verslag mededeling doet aan de IGAE.

Procedure voor het melden van onregelmatigheden

- Volgens de procedure voor de toepassing van de bepalingen van Verordening 1681/94 door de autonome gemeenschap Extremadura hoeft de controledienst niet te worden ingelicht over hetgeen door de beheersdiensten wordt gemeld.

- Bij de begunstigde Universiteit van Salamanca heeft zich niet-naleving van de procedures voor overheidsopdrachten voorgedaan, met als mogelijk gevolg de terugvordering van ESP 68.700.413 (412.897,8 EUR); vereist was een melding aan het OLAF conform artikel 7 van Verordening(EG) nr. 2064/97, aangezien de situatie in de zes maanden na ontdekking van deze kennelijke onregelmatigheid niet is opgehelderd.

FIOV

De beheers- en controlesystemen voor de periode 2000-2006 zijn gereed. De systemen van bepaalde regio's behoeven opheldering.

De documentatie die in overeenstemming met artikel 5 van Verordening 438/2001 is overgelegd aan de Commissie, moet worden herzien.

Samen met DG Visserij heeft OLAF een controlebezoek uitgevoerd inzake conformiteit en verwerking in de boekhouding van verscheidene moderniseringssubsidies aan een en dezelfde begunstigde.

Afsluitingscontroles voor programma's in de periode 1994-1996

Operationeel programma Catalonië voor doelstelling 2 (1994-1996), 10/14 juni 2002

Bij controlebezoeken is gebleken dat bij acht van de elf bezochte projecten de uitgaven ten laste van het operationele programma worden geboekt aan de hand van de betaaldatum (d.w.z. als een betaling was gedaan in de periode 1994-1998, werd deze beschouwd als subsidiabel in het kader van het programma). Uitgaven die zijn gedaan in de periode 1997-1999 en in verband staan met projecten die gedeeltelijk zijn uitgevoerd vóór deze periode of waarbij de uitvoering van de werkzaamheden vóór 1997 wordt voltooid, komen slechts in aanmerking voor de periode 1997-1999 onder de volgende voorwaarden: (i) er moet zijn besloten om het project op te nemen in het programma, (ii) er moet sprake zijn van een vastlegging (iii) de projecten moeten worden ingedeeld in afzonderlijke financiële fasen met, zo mogelijk, twee concrete fasen voor elke programmaperiode, zodat de uitvoering en het toezicht op transparante wijze verlopen en er gemakkelijker controles kunnen worden uitgevoerd. Voor een aantal projecten kon niet worden nagegaan of deze regels waren nageleefd.

Bij een project bepaald zijn twee overeenkomsten voor werken ter waarde van een bedrag van ca. 452 miljoen peseta's na 31 december 1996 getekend, waardoor deze niet subsidiabel zijn.

FRANKRIJK

1. Doelstelling 1

In 2002 zijn alle jaarverslagen van de 31 doelstelling 1- en 2-programma's bij de Commissie ingediend. Deze was van oordeel dat 28 van deze verslagen voldeden aan de bepalingen van artikel 37 lid 2 van Verordening (EG) 1260/99 en heeft deze aanvaard. De overige drie programma's zijn begin 2003 aanvaard, nadat de nationale autoriteiten aanvullende informatie hadden verstrekt.

De diensten van de Commissie hebben in nauwe samenwerking met de nationale en regionale Franse autoriteiten twee studiebijeenkomsten georganiseerd, één voor de doelstelling 1-regio's, de andere voor de delegatiehoofden Europa van de secretariaten voor regionale zaken en de regionale raden.

- Studiebijeenkomst in het kader van doelstelling 1; deze vond plaats van 3 tot 5 juli 2002 in Lille (Nord-Pas-de-Calais).

Deze studiebijeenkomst betrof de problematiek van de doelstelling 1-regio's, inclusief de overgangsregio's van doelstelling 1, op het gebied van industriële omschakeling, stadsvernieuwing, de informatiemaatschappij en financieringsinstrumenten.

- Studiebijeenkomst met de delegatiehoofden Europa van de secretariaten voor regionale zaken en de regionale raden, gehouden op 5 juni 2002.

Deze bijeenkomst was gewijd aan de aspecten van de uitvoering van de programma's in het kader van doelstelling 1 en 2 in Frankrijk (2000-2006).

1. Doelstelling 1

EFRO

Naast de twee overgangsregio's van doelstelling 1, namelijk Corsica en Nord-Pas-de-Calais (Frans Henegouwen), omvat doelstelling 1 in Frankrijk de vier overzeese departementen (Guadeloupe, Martinique, Guyana, Réunion).

Het totale bedrag aan EFRO-steun in de zes Franse doelstelling 1-regio's beloopt 2.292 miljoen EUR voor de periode 2000-2006. Hiervan is 1.908 miljoen EUR (83%) bestemd voor de vier overzeese departementen. Het in 2002 uit het EFRO aan deze regio's betaalde bedrag is 84,7 miljoen EUR, ofwel 3,69% van de totale steun. De sinds 2000 verrichte tussentijdse betalingen komen neer op 10,85% van de totale EFRO-steun voor de doelstelling 1-regio's.

Uitgaand van een voorstel van de Commissie zijn wijzigingen [17] aangebracht op grond van artikel 299-2 van het Verdrag, waardoor de zeven ultraperifere regio's, in het bijzonder de vier overzeese doelstelling 1-regio's, in aanmerking komen voor een hogere cofinanciering uit de Structuurfondsen (voor infrastructuur en productiegerichte investeringen) dan in de aanvankelijke bepalingen was vermeld.

[17] Naar aanleiding van de voorstellen van de Commissie van 29 november 2000 heeft de Raad, na advies van het Europees Parlement, op 28 juni 2001 de wijziging van Verordening (EG) 1260/99 (algemene verordening inzake de Structuurfondsen), Verordening (EG) 1257/99 inzake steun voor plattelandsontwikkeling en Verordening (EG) 2792/99 inzake Visserij goedgekeurd.

Op basis van de gewijzigde verordeningen zijn bij de Commissie voorstellen ingediend om de EPD's van twee overzeese regio's, Réunion en Guadeloupe, aan te passen. De Commissie heeft de wijzigingen van deze EPD's goedgekeurd in een beschikking van 30 augustus 2002 voor Réunion, en een van 23 december 2002 voor Guadeloupe. In het EPD van Guadeloupe is tevens de mogelijkheid voor het verkrijgen van globale subsidies gecreëerd en zijn twee maatregelen, toerisme en ontwikkeling van de eilanden, nader omschreven.

EOGFL

Op de voor deze periode beschikbare middelen voor de zes regio's, totaal 675,95 miljoen EUR, is tot eind 2002 een bedrag van 60,298 miljoen EUR betaald.

Verordening (EG) 1447/2001 voorziet in een aantal afwijkingen van de communautaire regelgeving in de ultraperifere regio's, zoals verhoging van de overheidssteun voor landbouwbedrijven van geringe economische omvang en voor bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie. Nadat deze verordening op 28 juni 2001 door de Raad was aangenomen hebben de verschillende toezichtcomités de wijzigingen in de EPD's en de programmacomplementen van de programma's van de vier overzeese departementen goedgekeurd. Voor Réunion en Guadeloupe is een nieuwe beschikking aangenomen, waarin deze wijzigingen worden goedgekeurd. De beschikkingen voor Martinique en Guyana wachten nog op goedkeuring.

De wijzigingen in de afdeling Oriëntatie van het EOGFL van het programma voor Corsica en Nord-Pas-de-Calais, in het bijzonder de uitbreiding van de technische hulp, zijn nog niet officieel in de beschikking opgenomen.

De toezichtcomités hebben echter wel een aantal aanpassingen van de verschillende programmacomplementen goedgekeurd die geen wijziging van het EPD vereisen.

Voor drie regio's (Réunion, Corsica en Guadeloupe) was eind 2002 de bepaling inzake de ambtshalve annulering van de in 2000 vastgelegde kredieten van het EOGFL-Oriëntatie van toepassing. De drie regio's zijn erin geslaagd binnen de voorgeschreven tijd tussentijdse betalingsverzoeken in te dienen, waardoor zij de annulering van de kredieten konden voorkomen.

FIOV

Corsica

In het kader van het EPD voor Corsica zijn voor de periode 2000-2006 FIOV-kredieten voor een bedrag van 2,3 miljoen EUR toegekend (de eerste betaling van 0,26 miljoen EUR is reeds verricht). De strategische prioriteiten zijn behoud van werkgelegenheid, verbetering van de organisatie en de kwaliteit van de productie, verbetering van de marketing, alsmede uitbreiding van de productiecapaciteit van de aquacultuur en behoud van het mariene milieu. Van de FIOV-steun voor 2000-2002 is minder dan 50% voor projecten vastgelegd door de beheersautoriteit.

Guadeloupe

In het kader van het EPD voor Guadeloupe zijn voor de periode 2000-2006 FIOV-kredieten voor een bedrag van 6,2 miljoen EUR toegekend (de eerste betaling van 0,26 miljoen EUR is reeds verricht). De strategische prioriteiten zijn verbetering van de havenfaciliteiten en afzetverbetering. Ontwikkeling van de visteelt kan leiden tot vermindering van de import voor de plaatselijke behoeften. Eind 2002 was door de beheersautoriteit minder dan 50% van de steun voor de eerste drie jaar in de programmering opgenomen.

Guyana

In het kader van het EPD voor Frans Guyana zijn voor de periode 2000-2006 FIOV-kredieten voor een bedrag van 7,6 miljoen EUR toegekend (de eerste betaling van 0,9 miljoen EUR is reeds verricht). De prioritaire zwaartepunten zijn verbetering van de havenfaciliteiten, de visverwerking en -afzet en voorts het ontwikkelen van productiecapaciteit in de visteelt. De visserij is één van de belangrijkste economische sectoren van de regio. De ontwikkeling van de visserij kan de toegevoegde waarde in de regio verhogen. Op 31 december 2002 was door de beheersautoriteit 55% van de kredieten voor de periode 2000-2002 in de programmering opgenomen.

Martinique

In het kader van het EPD voor Martinique zijn voor de periode 2000-2006 FIOV-kredieten voor een bedrag van 9,1 miljoen EUR toegekend (de eerste betaling van 0,1 miljoen EUR is reeds verricht). De hoofddoelstellingen zijn uitbreiding van de werkgelegenheid, regionale toegevoegde waarde, visproductie, verbetering van de visverwerking en -afzet. Ontwikkeling van de visteelt kan leiden tot vermindering van de import voor de toenemende plaatselijke behoeften. Van de kredieten voor de periode 2000-2002 is door de beheersautoriteit minder dan 20% geprogrammeerd.

Réunion

In het kader van het EPD voor Réunion zijn voor de periode 2000-2006 FIOV-kredieten voor een bedrag van 15,6 miljoen EUR toegekend (een eerste, beperkte betaling van 0,08 miljoen EUR is reeds verricht). De strategische prioriteiten voor de visserij (een van de belangrijkste economische sectoren van het eiland) zijn de vernieuwing en modernisering van de vissersvloot, verbetering van de visverwerking en -afzet, uitbreiding van de productiecapaciteit van de visteelt, en voorts innovatieve acties om meer kennis te verkrijgen over de situatie van de plaatselijke visstand en de beste methodes voor een duurzaam beheer daarvan. Op 19 december 2002 was door de beheersautoriteit 85% van de kredieten voor de eerste drie jaar in de programmering opgenomen.

ESF

Voor elk van de zes EPD's van doelstelling 1 zijn in 2002 één of meer uitgavendeclaraties in het kader van het ESF ingediend. Eind 2002 bedroeg het totale bedrag van de met bewijsstukken gestaafde uitgaven 16% van de ESF-kredieten voor doelstelling 1 Frankrijk voor de periode 2000-2006 (buiten het voorschot van 7%), en 33% van de vastleggingen voor de periode 2000-2002.

De verschillende regio's vertonen aanzienlijke verschillen in de tot nu toe gedane uitgaven: het niveau van de ESF-uitgaven die met bewijsstukken bij Commissie zijn gedeclareerd (exclusief het voorschot van 7%) varieert van 3-26%. Ten dele wordt dit veroorzaakt door de problemen die de regio's ondervinden bij het doorgeven van de door de promotoren van de projecten gedane uitgaven aan de bevoegde instanties.

Bovendien kwamen eind 2002 drie van de zes in 2000 goedgekeurde EPD's in aanmerking voor ambtshalve annulering van de kredieten (n+2). Alle drie de regio's hebben deze annulering echter weten te voorkomen. Op de voor de periode 2000-2006 beschikbare middelen ten bedrage van 938,62 miljoen EUR was eind 2002 een bedrag van 471,04 miljoen EUR vastgelegd en 154,45 miljoen EUR aan betalingen verricht.

Het uitvoeringsniveau van de in de EPD's vervatte maatregelen varieert per regio en per type maatregel. Met name de maatregelen op het gebied van gelijke kansen en maatregelen die verband houden met de NGO's en het lokale partnerschap (kleine subsidies) komen moeizaam tot ontwikkeling. Een proactieve opstelling en intensieve stimulering van deze maatregelen is onmisbaar.

2. Doelstelling 2

EFRO

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de totale EFRO-steun in de 21 Franse doelstelling 2-gebieden 5.380.045.086 EUR. Het in 2002 uit het EFRO aan deze gebieden betaalde bedrag is 277.967.524,48 EUR, ofwel 5,16% van de totale kredieten. De sinds 2000 verrichte tussentijdse betalingen vertegenwoordigen 12,9% van de totale EFRO-steun.

Sinds de zomer van 2002 heeft Frankrijk, in overeenstemming met de maatregelen die de Commissie heeft geïnitieerd om de uitvoering van de maatregelen te vereenvoudigen, als een van de eerste landen van de Europese Unie een aantal maatregelen ingevoerd om de nationale en communautaire uitvoeringsbepalingen van de EPD's te vereenvoudigen en te versoepelen.

Over het geheel genomen hebben deze maatregelen betrekking op:

- verbeterde beheers-, toezicht- en controleregelingen voor de maatregelen van de Structuurfondsen, meer in het bijzonder wijziging van de EPD's; een betere begeleiding;

- vereenvoudiging van de financiële afhandeling.

In 2002 heeft de Commissie zes beschikkingen genomen met betrekking tot de communautaire bijdrage aan de volgende grote projecten:

- 'Grande Halle d'Auvergne', een groot project uit het EPD van de regio Auvergne waarvoor de EFRO-bijdrage is vastgesteld op 18,3 miljoen EUR ofwel 18,77% van de totale voor subsidie in aanmerking komende kosten (97,5 miljoen EUR voor dit project);

- 'Tunnel du Lioran', een project uit het EPD van de regio Auvergne waarvoor de EFRO-bijdrage is vastgesteld op 19,056 miljoen EUR van de totale kosten ten bedrage van 76,224 miljoen EUR; dit komt neer op een bijdrage van 25%;

- uitbreiding van de UNILIN-fabriek - fase 2 en 3, voorzien in het EPD van de regio Champagne-Ardenne. De EFRO-bijdrage aan dit grote project is vastgesteld op 5,110 miljoen EUR, hetgeen overeenkomt met 4,62% van de totale subsidiabele kosten voor dit project (110,53 miljoen EUR);

- 'Pilkington - Glass France' in Seingbouse, een project uit het EPD voor Lotharingen waarvoor de EFRO-bijdrage is vastgesteld op 2.667.858 EUR. Dit bedrag komt neer op 2,52% van de totale subsidiabele uitgaven van het project (105.599.300 EUR );

- 'CAP'DECOUVERTE', een groot project uit het EPD van de regio Midi-Pyrénées; de EFRO-bijdrage hiervoor is vastgesteld op 15,24 miljoen EUR, ofwel 27,77% van de totale subsidiabele kosten van dit project (54,88 miljoen EUR );

- het grote project voor een fabriek voor de fabricage van elektronische schakelingen 'ATMEL', opgenomen in het EPD van de regio Provence-Alpes-Côte d'Azur, waarvoor de EFRO-bijdrage op 6,10 miljoen EUR, ofwel 1,88% van de totale subsidiabele kosten van dit project (324,72 miljoen EUR) is vastgesteld.

ESF

Voor alle 21 doelstelling 2-EPD's zijn in 2002 één of meer declaraties voor ESF-uitgaven ingediend. Eind 2002 bedroeg het globale niveau van de verantwoorde uitgaven voor de 21 EPD's 4,5% van de ESF-kredieten in het kader van doelstelling 1 Frankrijk voor de periode 2000-2006 (buiten het voorschot van 7%); dit komt neer op een bedrag van 39,231 miljoen EUR aan ESF-uitgaven.

Het reeds bereikte niveau van de uitgaven vertoont aanzienlijke verschillen per regio: van 0,37 tot 17,5% bij de Commissie gedeclareerde en door bewijsstukken gestaafde uitgaven (exclusief het voorschot van 7%). In 2003 zal speciale aandacht worden besteed aan programma's waarbij grote kans bestaat op ambtshalve annulering van de kredieten voor 2000 en 2001 aan het einde van het jaar.

In 2002 zijn inzake globale ESF-subsidies verschillende overeenkomsten met de regionale raden gesloten om zo de financieringen uit het ESF in het kader van doelstelling 2 gemakkelijker en sneller te kunnen laten verlopen.

3. Doelstelling 3

Eind 2002 beliepen de door de Franse autoriteiten gecertificeerde uitgaven van de eindbegunstigden 14% van de totale ESF-steun (4,7 miljard EUR). De door de Commissie verrichte uitgaven (met inbegrip van het voorschot van 7%) bedroegen op dat moment 1007 miljoen EUR. Het ziet ernaar uit dat het tempo van de uitgavendeclaraties hoog genoeg is om het gevaar van ambtshalve annulering van de kredieten eind 2003 te vermijden.

Het jaar 2002 wordt dus gekenmerkt door een snellere tenuitvoerlegging van de EPD's en een reële vermindering van de in 2001 opgelopen achterstand. Met name de op nationaal niveau genomen beslissing, die in februari 2002 per circulaire is bekendgemaakt, om de beschikbaarheid van de kredieten niet meer als voorwaarde te stellen voor de programmering van de projecten heeft een sterke toename van de programmeringscapaciteit, en dus ook van de resultaten mogelijk gemaakt. Dit onderscheid tussen het vastleggen van de maatregelen volgens de communautaire bepalingen en hun financiële vastlegging betekende in 2002 een uiterst belangrijke ontwikkeling van de uitvoeringsvoorwaarden van het EPD in goede zin.

Bij de zwaartepunten 1 (actief arbeidsmarktbeleid) en 3 (scholing en levenslang leren) ligt het uitvoeringsniveau ruim boven het gemiddelde. Daarentegen heeft de uitvoering van de maatregelen van de zwaartepunten 4 (aanpassingsvermogen van de werknemers, ondernemingsgeest, innovatie, onderzoek en technologie) en 5 (verbetering van de toegang tot en participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt), en vooral maatregel 10 van zwaartepunt 6 (ondersteuning van plaatselijke initiatieven) een aanzienlijke achterstand opgelopen. Daar maatregel 10 zeer veel voorbereiding heeft gevergd, kan nu redelijkerwijze worden verwacht dat de uitvoering binnen afzienbare tijd sneller verloopt.

Het nationale toezichtcomité heeft op 10 december 2002 het initiatief genomen het programmacomplement te wijzigen en een aantal aanpassingen van het EPD voor te stellen. Deze houden in dat de bijdrage van het ESF aan maatregel 7 (ontwikkeling van de ondernemingsgeest, stimuleren van nieuwe activiteiten en innovatie) wordt verhoogd van 40% naar 50% en dat de Franse regeling inzake individueel scholingsverlof wordt opgenomen in maatregel 6 (modernisering van de werkvoorzieningsschappen en deskundigheidsbevordering). Deze integratie van het individuele scholingsverlof in het EPD vormt een aanvulling op de reeds in het EPD voorziene mogelijkheden voor steun ten behoeve van de aanpassing van het menselijk potentieel, in het bijzonder in kleine en zeer kleine bedrijven.

Het nationale toezichtcomité heeft over de wijziging van het programmacomplement een aantal beslissingen genomen. De belangrijkste hiervan zijn:

- het invoeren van een bijdrage van de particuliere sector aan de nationale inbreng voor de maatregelen 2 (ondersteuning van het beleid van de staat ten gunste van integratie en tegen uitsluiting) en 5 (verbetering van de voorlichting en advisering over en de individualisering van opleidingen, met name met behulp van de nieuwe informatie- en communicatietechnologie, en uitbreiding van de mogelijkheid tot erkenning);

- het creëren van nieuwe typen acties ter begeleiding van de maatregelen van zwaartepunt 5;

- opname van het individuele scholingsverlof in maatregel 8 (ontwikkeling van de toegang tot en participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt).

De Franse autoriteiten hebben de Commissie officieel verzekerd dat bij alle door het nationaal toezichtcomité bepaalde of voorgestelde wijzigingen het additionaliteitsbeginsel in acht wordt genomen.

De beheersautoriteit is een nationale voorlichtingscampagne over het ESF gestart waarvan de opzet is gebaseerd op een totaalplan voor de periode 2002-2004. Deze campagne is verdeeld in twee fasen en omvat maatregelen op het gebied van de media en daarbuiten. Zij wordt zowel nationaal als regionaal gerealiseerd.

4. FIOV buiten doelstelling 1

In het kader van het EPD Visserij voor de regio's buiten doelstelling 1 in Frankrijk zijn voor de periode 2000-2006 communautaire kredieten voor een bedrag van 233,7 miljoen EUR toegekend (twee betalingen met een totaal van 11,2 miljoen EUR zijn reeds verricht). Strategische prioriteiten zijn duurzaam beheer van de visstand, modernisering van de bedrijven ter verhoging van de toegevoegde waarde van hun producten en verbetering van het sociaal-economisch klimaat in de gebieden die afhankelijk zijn van visserij of visteelt. Op 31 december 2002 was slechts 56 miljoen EUR vastgelegd voor projecten.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

Het nationaal centrum voor aanpassing van de structuur van landbouwbedrijven (CNASEA) is aangewezen voor het beheer van de totale subsidie in het kader van het communautaire initiatief Leader+. Het initiatief zal worden uitgevoerd door 140 plaatselijke actiegroepen die eind 2001 en in de loop van 2002 zijn geselecteerd. Nu de overeenkomsten zijn ondertekend, zijn onlangs ook de eerste actieprogramma's opgesteld. Het jaar 2002 is geëindigd met een studiebijeenkomst in december voor alle bij dit initiatief betrokkenen in het Westen van Frankrijk (Nogent le Rotrou).

Aangezien de Commissie geen tussentijdse betalingsverzoeken heeft ontvangen is slechts het voorschot van 7% uitbetaald.

5.2 EQUAL

Zoals bij het opstellen van de programma's was voorzien ligt voor actie 2 het aantal officieel bekrachtigde ontwikkelingspartnerschappen aanzienlijk lager dan het geval was bij actie 1. Gedurende de voorbereidingsfase is echter veel werk verzet om verschillen te overbruggen en geavanceerde technieken te ontwikkelen om gezonde projecten op te kunnen zetten. Ongeveer 230 ontwikkelingspartnerschappen hebben een aanvang gemaakt met hun werkprogramma.

In 2002 is ook de begeleiding van het programma een punt van zorg geweest, met name de instelling van een instrument dat ervoor zorgt dat de meest innoverende werkwijzen goed in kaart worden gebracht. Allereerst worden netwerken opgezet voor de zwaartepunten inzetbaarheid (oudere werknemers behouden voor de arbeidsmarkt) en gelijke kansen voor mannen en vrouwen (mogelijkheden om werk en gezin te combineren).

5.3 URBAN

De negen Franse URBAN II-programma's zijn tussen september en december 2001 goedgekeurd. De EFRO-bijdrage aan deze programma's beloopt 102 miljoen EUR, op een totale financiering van 283,609 miljoen EUR. De programmacomplementen zijn goedgekeurd door de toezichtcomités en in de eerste helft van 2002 bij de Commissie ingediend. Voor vier programma's is bij de Commissie een jaarverslag over de verrichte activiteiten ingediend (Bastia, Grenoble, Le Havre en Straatsburg).

De beheersautoriteit van de programma's is in de meeste gevallen de burgemeester of de voorzitter van het intergemeentelijke samenwerkingsorgaan (vier programma's); voor drie programma's wordt deze taak vervuld door de regioprefect. Bij de twee laatste betreft het een overheidsinstelling en een overheidsbelangengroep, onder voorzitterschap van de burgemeester of de prefect. In alle gevallen is de Caisse des Dépôts et Consignation (overheidsinstelling die overheidsgelden beheert) de betalingsautoriteit.

De toezichtcomités zijn in 2002 één of twee keer bijeengekomen.

Het betalingsvoorschot van 7% is eind 2001 of begin 2002 uitbetaald. Alleen voor het programma Grenoble is in 2002 bij de Commissie een tussentijds betalingsverzoek ingediend voor een bedrag van 357.776,33 EUR.

6. Afsluiting van de voorgaande programmeringsperiodes

EFRO

Programmeringsperiode 1989-1993

Eind 2002 was nog slechts één maatregel niet afgesloten: de maatregel in het kader van het PCI Regis-Envireg-Stride Guyana. Hiervoor is in 2002 een verzoek tot gedeeltelijke afsluiting ingediend.

De drie andere maatregelen van de periode 1989-1993 die in het begin van het jaar nog niet waren afgesloten (OP Pays de la Loire van 1991, PCI Renaval Provence-Alpes-Côtes d'Azur en Renaval Haute-Normandie) konden in de loop van 2002 worden afgesloten.

Programmeringsperiode 1994-1999

In 2002 heeft de Commissie de negentien nog openstaande doelstelling 2-EPD's van de periode 1994-1996 afgesloten.

EOGFL

In 2002 zijn de voor afsluiting van de programma's noodzakelijke documenten (doelstelling 5a, 5b, en Leader II) nog niet door de lidstaat verstrekt. De controle moet derhalve geheel in de loop van het eerste kwartaal van 2003 plaatsvinden.

In de loop van 2002 is in een aantal gevallen toegestaan dat de periode voor het uitvoeren van de betalingen wegens overmacht wordt verlengd (de storm van 1999 voor enkele 5b-EPD's, wervelstormen in twee doelstelling 1-regio's). Door dit uitstel hebben deze regio's ook vertraging opgelopen bij het opstellen van de afsluitingsverslagen en de verzoeken tot saldobetaling.

ESF

Eind februari 2003 zijn 17 afsluitingsdossiers ontvangen voor de programma's 1994-1999, en wel:

- doelstelling 2 1997-1999: 7 dossiers,

- doelstelling 5b 1994-1999: 10 dossiers.

Voor doelstelling 3 (1994-1999) daarentegen was eind 2002 nog geen enkel verzoek tot saldobetaling ontvangen.

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

ESF

Het jaar 2002 staat in het teken van de eerste stukken van de beoordelaar: het 'evaluatie-ontwerp' (methode), de methodebeschrijving van de analyse van de uitvoering, de 'regionale monografieën' en een nationaal overzichtsdocument bestaande uit een voortgangsverslag van de tussentijdse evaluatie. Voorts is een begin gemaakt met twee thematische evaluaties (gelijke kansen en lokale initiatieven).

7. 2 Controle

EFRO

Audits in verband met de afsluiting van de programma's van de periode 1994-1996

EPD PAYS DE LA LOIRE - Doelstelling 2 1994-96 - controlebezoek van 30 september en 4 oktober 2002

Door het secretariaat voor regionale zaken zijn na de uiterste datum voor de vastleggingen, 31 december 1996, nog kredieten vastgelegd. Voor een groot aantal projecten in het kader van verschillende maatregelen van dit EPD zijn in 1997 beschikkingen voor het toekennen van bijstand gegeven.

Bij de audits zijn een aantal onregelmatigheden geconstateerd: een gering aantal uitgaven die niet voor financiering in aanmerking komen, het ontbreken van bewijsstukken en gebrek aan openbaarheid, afwezigheid van ondersteunende documenten voor de gunningprocedure bij overheidsaanbesteding, en tenslotte het faillissement van een maatschappij waar een audit zou worden verricht.

EPD PICARDIE - Doelstelling 2 (1994-96) - controlebezoek 8 en 22 maart 2002

Er zijn nog geen betalingen verricht: bij acht projecten heeft de saldobetaling van Picardië aan de eindbegunstigde nog niet plaatsgevonden.

FIOV

In verband met de uitvoering van de 'mini-tranche' voor de periode 1994-1999 is de lidstaat verzocht de relevante data betreffende de ingediende verzoeken te verifiëren om te bepalen of de projecten voor financiering in aanmerking komen.

In het kader van de afsluiting van de periode 1994-1999 dringt DG Visserij erop aan dat de verantwoordelijke autoriteiten de projectbedragen onderzoeken om situaties als zijn voorgekomen bij Verordening (EG) 4042/89 te voorkomen.

IERLAND

1. Doelstelling 1

EFRO

De uitvoering van het EFRO in vijf Ierse doelstelling 1-programma's - economische en sociale infrastructuur, de productieve sector (PI), technische hulp, de regio grensstreek, centraal laagland en west (BMW), en de regio zuid en oost (SE) - is in 2002 in een over het algemeen bevredigend tempo doorgegaan. Gezien de verminderde investeringen uit de particuliere sector is de Commissie er echter mee akkoord gegaan dat de nationale cofinanciering van de breedbandmaatregel in de twee regionale programma's aangepast wordt ten gunste van de openbare sector. De programma's hebben betalingen ontvangen tot een totaal van 381 miljoen EUR. Hierin was inbegrepen een bedrag van 237 miljoen EUR voor het operationeel programma economische en sociale infrastructuur, waarvoor de Commissie eveneens vijf grote projecten heeft goedgekeurd (een voor openbaar vervoer en vier voor wegen) met een totale EG-bijdrage van 248 miljoen EUR. Een belangrijke ontwikkeling in 2002 voor alle programma's was de aanvang van het proces van tussentijdse evaluatie.

Wat het EU-programma voor vrede en verzoening in Noord-Ierland en de grensstreek in Ierland betreft (het PEACE II-programma voor 2000-2004), wordt het steeds moeilijker annulering van vastleggingen per eind 2003 vanwege de n+2-regel te vermijden, daar de Ierse autoriteiten in 2002 geen betalingsverzoeken ingediend hebben. Wel zijn er vorderingen gemaakt in de uitvoering van het criterium 'kenmerkendheid' bij het selecteren van projecten ter ondersteuning van het vredes- en verzoeningsproces in de regio.

EOGFL

Na de MKZ-crisis in 2001, die de uitvoering van investeringsprojecten (afval van landbouwbedrijven, hygiëne in de melkveehouderij) in het kader van de twee regionale operationele programma's belemmerd heeft, waren de gecofinancierde maatregelen in 2002 volledig operationeel. Bij de betalingen voor bosbouwmaatregelen worden goede vorderingen gemaakt.

Het operationeel programma PEACE II is in 2001 goedgekeurd. Voor de periode 2000-2004 is een bijdrage van 13 miljoen EUR van EOGFL-Oriëntatie voorzien. Het programma kwam zeer traag op gang en tot oktober is geen enkele EOGFL-besteding genoteerd (alleen zijn voorschotten ad 882.000 EUR betaald). Het programmacomplement is nog niet door de Europese Commissie aanvaard.

FIOV

Productieve sector

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de FIOV-bijdrage aan dit operationele programma 42 miljoen EUR (een eerste betaling van 1,8 miljoen EUR is goedgekeurd), waarvan 24,5 miljoen EUR naar de grensstreek en het centrale laagland en westen gaat en 17,6 miljoen EUR naar de regio zuid en oost. De financiering voor de prioriteit ontwikkeling van de zeevisserij wordt vooral aangewend voor het behalen van de strategische doelstelling verbeterde veiligheid, kwaliteit en concurrentievermogen van de vissersvloot. In juni 2002 is alle hulp van de nationale overheid en de EG voor de vissersvloot opgeschort totdat de nationale autoriteiten een actueel en compleet register van alle vissersschepen leveren.

Regio grensstreek, centraal laagland en west

De FIOV-bijdrage aan dit operationele programma voor de periode 2000-2006 bedraagt 16 miljoen EUR, te besteden aan het deelproject visteelt van de maatregel voor visserijhavens, Gaeltacht/eilandhavens en visteelt, in het kader van de prioriteit ontwikkeling lokale ondernemingen (deelprogramma). Na een trage start begint de besteding op gang te komen (1,6 miljoen EUR aan betalingen).

Regio zuid en oost

De FIOV-bijdrage aan dit operationele programma voor de periode 2000-2006 bedraagt 9,6 miljoen EUR, te besteden aan het deelproject visteelt van de maatregel voor visserijhavens, Gaeltacht/eilandhavens en visteelt in het kader van de prioriteit ontwikkeling lokale ondernemingen (deelprogramma). Na een trage start begint de besteding op gang te komen (0,95 miljoen EUR aan betalingen).

PEACE II

In het PEACE II-programma is een FIOV-bijdrage goedgekeurd voor hulp aan grensoverschrijdende instanties uit zowel Noord-Ierland als de zes grensprovincies van Ierland voor samenwerking bij de ontwikkeling van visserijbelangen, met name visteelt. Er zijn geen gelden vastgelegd, maar de Ierse en Noord-Ierse autoriteiten hebben twee grote grensoverschrijdende projecten uitgewerkt waarvoor naar verwachting alle FIOV-gelden in 2003 vastgelegd kunnen worden.

ESF

In het kader van het communautair bestek 2000-2006 geeft het ESF iets meer dan 1 miljard EUR aan Ierland, ongeveer 34% van het totale beschikbare bedrag uit de Structuurfondsen. 85% van de ESF-steun is geconcentreerd op het operationele programma voor werkgelegenheid en ontwikkeling van het menselijk potentieel (OP EHRD), dat opgebouwd is rond de vier pijlers van de Europese werkgelegenheids strategie. De ESF-bijdrage aan de twee regionale OP's (regio grensstreek, centraal laagland en west, en regio zuid en oost) is ongeveer 11% van de totale ESF-bijdrage en wordt gebruikt voor investeringen in kinderopvang. De resterende 4% is toegewezen aan het operationele programma PEACE, en nog eens 34 miljoen EUR is beschikbaar in het kader van het communautair initiatief EQUAL.

Afgezien van het PEACE-programma, dat in de paragraaf over het VK van dit verslag behandeld wordt, hebben de Ierse programma's in het algemeen volgens plan gefunctioneerd in 2002. De uiterste datum voor n+2, 31 december 2002, is door alle programma's gehaald wat het ESF betreft. Voor het OP EHRD lag de uitvoering in het kader van de prioriteiten werkgelegenheid en aanpassingsvermogen op schema, bij de pijlers ondernemerschap en gelijke kansen was er sprake van enige achterstand. De door de beheersautoriteit en het toezichtcomité genomen maatregelen zullen naar verwachting echter tot een evenwichtiger opname van fondsen in 2003 leiden. Eind 2002 waren de strategieën en doelstellingen van de programma's nog steeds geldig.

Cumulatieve ESF-betalingen (incl. 7% voorschot) per 31 december:

OP EHRD 2000 IE 05 1 PO 001 EUR 239.009.352

Regio zuid & oost 2000 IE 16 1 PO 005 EUR 10.581.135

Regio grensstreek, centraal laagland & west 2000 IE 16 1 PO 006 EUR 5.476.924

2. Communautaire initiatieven

2.1 Leader+

Het Leader+ programma voor Ierland is op 3 juli 2001 goedgekeurd (Besluit van de Commissie C (2001) 1296).

In november 2001 hadden de 22 geselecteerde lokale actiegroepen overeenkomsten getekend met het ministerie van Landbouw, waarna zij met hun activiteiten begonnen zijn. Het werkgebied van de lokale actiegroepen beslaat 40.433 km met een bevolking van 1.468.820 inwoners. Zes groepen hebben thema 1 gekozen: het gebruik van nieuwe kennis en technologieën om de producten en diensten van het platteland meer concurrerend te maken; negen groepen kozen thema 2: verbetering van de kwaliteit van het leven op het platteland; drie groepen kozen thema 3: het toevoegen van waarde aan lokale producten, vooral door kleine productie-eenheden gemakkelijker toegang te geven tot de markt via collectieve acties, en vier groepen kozen thema 4: optimaal gebruik van natuurlijke rijkdommen, waaronder vergroting van de waarde van locaties van communautair belang in het kader van Natura 2000.

Projecten werden uitgevoerd door groepen.

2.2 EQUAL

De 21 ontwikkelingspartnerschappen die in 2001 waren opgericht voor actie 1, hebben alle bevestigd ook deel te nemen aan actie 2. Iets minder dan 50% van deze partnerschappen werkt aan thema A in het kader van de pijler inzetbaarheid.

In de loop van 2002 zijn twee nationale themanetwerken opgericht ter bevordering van de integratie van de resultaten van de partnerschappen in het reguliere beleid. Het ene netwerk, dat zich in algemene zin met inzetbaarheid bezighoudt, omvat de partnerschappen die werken in het kader van de pijlers inzetbaarheid, ondernemerschap en asielzoekers. Het andere richt zich op aanpassingsvermogen, en omvat partnerschappen uit de pijlers aanpassingsvermogen en gelijke kansen.

Het interim-verslag van de tussentijdse evaluatie is in de tweede helft van het jaar voltooid en naar de Commissie gezonden. Dit verslag behelst het eerste deel van de formele tussentijdse evaluatie van EQUAL die in 2003 voltooid moet worden.

2.3 URBAN

Het URBAN II-programma voor Dublin-Ballyfermot, goedgekeurd in november 2001, is het enige in Ierland. Het EFRO draagt in totaal 5,3 miljoen EUR bij aan dit programma, waarvan de totale kosten 11,4 miljoen EUR bedragen. Het programma complement is in maart 2002 door de toezichtcomités goedgekeurd en bij de Commissie ingediend. Het eerste jaarlijkse uitvoeringsverslag van het URBAN II-programma voor Dublin-Ballyfermot moet in 2003 bij de Commissie worden ingediend.

De beheersautoriteit voor het programma is de Dublin Corporation en het functionele dagelijkse beheer is gedelegeerd aan URBAN Dublin-Ballyfermot. Het toezicht comité heeft in 2002 tweemaal vergaderd.

In februari 2002 is een voorschot betaald ten bedrage van 7% van de totale EFRO-bijdrage aan het programma. In 2002 zijn geen aanvragen voor tussentijdse betalingen ontvangen.

3. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

In de loop van 2002 zijn twee operationele programma's uit de periode 1994-1999 afgesloten: vervoer en het ziekenhuis in Tallaght. Eind 2002 verkeerden de voorbereidingen door de nationale overheden voor de afsluiting van de resterende operationele programma's en communautaire initiatieven in een vergevorderd stadium.

EOGFL en Leader (1994-1999)

De aanvragen om saldobetaling en eindverslagen zijn voor drie programma's ingediend: Leader II, het OP voor landbouw, plattelandsontwikkeling en bosbouw (inclusief maatregelen voor doelstelling 5a), en het deelprogramma voedsel (gefinancierd door het EOGFL) in het kader van het OP voor industrie.

ESF

Er zijn in Ierland in de programmeringsperiode 1994-1999 zes operationele programma's geweest waarbij het ESF betrokken was. De Ierse autoriteiten waren nog bezig met de afwerking van de voor de afsluiting benodigde documenten en verslagen. Eind 2002 waren de programma's geen van alle afgesloten.

4. Evaluatie en controle

4.1 Evaluatie

ESF

In 2002 is de centrale evaluatie-eenheid op gang gekomen en zijn de aanbestedingen voor de selectie van beoordelaars gestart. Deze worden begin 2003 aangewezen.

Leader

De evaluatie achteraf voor Leader II is in september 2002 ontvangen.

4. 2 Controle

EFRO

Controles naleving Verordening 2064/97

Operationele programma's: vervoer, industriële ontwikkeling, lokale stads- en plattelandsontwikkeling. Datum missie: 7-8 maart 2002.

- De artikel 8-instantie zal in belangrijke mate moeten afgaan op de verklaringen van de interne auditeenheden lager in de hiërarchie, wat betreft zowel de bevredigende follow-up van alle bevindingen als de toereikendheid van de 5%-controles. Gezien het ontbreken van auditors bij bepaalde instanties en de verschillen in ervaringsniveau zijn hieraan risico's verbonden, waarmee rekening moet worden gehouden.

- Daar de interne auditeenheden op verschillende niveaus ook aan hun eigen leiding rapporteren, dient de artikel 8-instantie zich ervan te overtuigen dat de bevestigingen die zij ontvangt absoluut objectief en onafhankelijk zijn. Het spreekt vanzelf dat zij zich niet kan verlaten op de door de beheersdiensten geleverde bevestigingen met betrekking tot de controles van de transacties, daar zij juist over het werk van deze diensten conclusies moet trekken.

- De geconstateerde voornaamste tekortkomingen in de controle van 2001 - geen controle op uitgaven van vóór 1998 en controles niet doorgezet tot het niveau van de eindontvanger - zijn aanvaard door het departement van Financiën, doch niet door enkele leidende departementen. Uit het tijdens het onderzoek verzamelde materiaal is gebleken dat over het algemeen belangrijke stappen gezet zijn bij het aanpakken van deze knelpunten. Het was niet mogelijk dit te verifiëren voor alle uitvoerende instanties.

- Er waren echter aanwijzingen dat de controles op uitgaven die niet doorgezet zijn tot het niveau van de eindontvanger (bijvoorbeeld de controles uitgevoerd door DETE en door Enterprise Ireland in het OP Industrie) soms toch meegenomen worden voor het 5%-criterium. Niettemin mogen alleen uitgaven die gecontroleerd zijn op het niveau van de eindontvanger (rechtstreeks of op basis van een toereikende steekproef) meetellen voor het 5%-criterium.

Het risico dat inherent is aan het getrapte uitvoeringssysteem blijft bestaan, namelijk dat één zwakke schakel in de keten vérstrekkende gevolgen kan hebben voor de doeltreffendheid van het systeem.

ITALIË

1. doelstelling 1

EFRO

Het jaar 2002 was enerzijds gericht op de feitelijke uitvoering van de in het CB vermelde ontwikkelingsstrategieën en de veertien operationele programma's (zeven regionale programma's en zeven multiregionale programma's) en anderzijds op de zorg voor het juiste uitgaventempo om te voorkomen dat de middelen automatisch worden geannuleerd door toepassing van de n+2-regel.

De uitvoering was voor een belangrijk deel toegespitst op realisering van de regionale strategische plannen voor de activiteiten op bepaalde terreinen van bijstandsverlening (informatiemaatschappij, innovatie, vervoer) en van de territoriale instanties en plannen die noodzakelijk zijn om de maatregelen op andere terreinen van essentieel belang volledig te kunnen uitvoeren, zoals waterbeheer, afvalbeheer en het geschikt voor gebruik maken van verontreinigde gebieden.

Bij de hierboven omschreven invoering van de strategische plannen is vertraging opgetreden, met name in de vervoerssector, waar nog geen volledige duidelijkheid bestaat over de samenhang van het globale interventiebeleid in de Mezzogiorno, en verder deels in de sectoren innovatie en informatiemaatschappij, waar bepaalde regio's de aanpassing van hun plannen nog moeten afronden, zodat deze in logisch verband staan met de prioriteiten en doelstellingen van het CB.

De in 2000 en 2001 opgedane ervaring met het aanpassen van programmadocumenten zijn van groot nut geweest voor de verdere wijziging van de programmacomplementen. De noodzaak bestond tot het wijzigen van bepaalde operationele programma's (de regionale programma's voor Campanië en Calabrië en het nationale programma voor plaatselijke ontwikkeling) met het oog op goed beheer, coherentie met nieuwe communautaire wetgeving (met name het EOGFL) en de mededingingsregels en aanpassing van de typen maatregelen ten behoeve van een grotere coherentie met de behoeften van de betreffende regio.

In de laatste twee maanden van het jaar zijn de nationale coördinerende autoriteiten (ministerie van Economische Zaken) in samenwerking met de beheersinstanties een zeer uitvoerige toetsing van de programma-uitvoering begonnen. Als gevolg zijn de maatregelen met de meeste problemen opgespoord en is een voorstel gedaan tot instelling van concrete correctiemaatregelen, die door de toezichtcomités voor de programma's moeten worden besproken en waarover zij een besluit moeten nemen.

In verband met de aanzienlijke inspanningen die zijn geleverd om de toetsing nog in 2002 af te ronden, heeft men de vergaderingen van de toezichtcomités voor de programma's die waren gepland in november-december 2002, moeten opschuiven naar januari-februari 2003. In de loop van 2002 zijn de toezichtcomités voor de programma's eenmaal bijeengekomen, terwijl het toezichtcomité van het CB tweemaal heeft vergaderd (in februari en juli).

De tweede ronde jaarlijkse vergaderingen heeft in oktober plaatsgehad in Rome. Hier heeft de Commissie uitvoerig met de beheersinstanties kunnen spreken over de belangrijkste punten met betrekking tot de uitvoering; dit betrof in het bijzonder:

- de versterking van de administratieve en uitvoerende diensten bij de beheers- en betalingsautoriteiten,

- de versterking van de toezicht- en controlesystemen,

- de problemen die er zijn bij de uitvoering van de strategie.

Verder heeft men tijdens de jaarlijkse vergaderingen overeenstemming bereikt over een werkplan voor 2003 met het oog op het aanbrengen van de noodzakelijke aanpassingen in de programma's en programmacomplementen naar aanleiding van bovengenoemd toetsingsproces en het aanvangen van de besprekingen over en de voorbereiding van de tussentijdse herziening, met name door heroriëntering van de werkzaamheden van de sectorwerkgroepen voor het CB.

Verdere input voor de voorbereiding van de tussentijdse herziening kan worden verkregen uit de meningen die de onafhankelijke beoordelaars van de operationele programma's zich hebben gevormd; zij zijn in 2002 werkzaam geweest en hebben reeds enkele kanttekeningen geplaatst. De selectieprocedure voor de onafhankelijke beoordelaar voor het CB is daarentegen pas zeer laat van start gegaan; de beoordelaar is nog maar kort geleden gekozen (in januari 2003).

Op 30 september 2002 beliepen volgens de gegevens van het nationale toezichtsysteem (recentste beschikbare gegevens) de vastleggingen en de betalingen respectievelijk 31,4% en 8,9% van de totale kosten van het CB.

Wat de financiële uitvoering betreft hebben de inspanningen om de uitgaven te versnellen als resultaat gehad dat op basis van de op 31 december 2002 gedeclareerde uitgaven geen automatische annulering zal plaatsvinden; een uitzondering hierop vormt het multiregionale programma veiligheid, waar sprake is van een aanhoudend probleem en mogelijk de vastlegging van een bedrag van circa 1,1 miljoen EUR ongedaan wordt gemaakt in het kader van het ESF.

Over de coördinatie van de activiteiten in het kader van de Structuurfondsen zijn bemoedigende resultaten te melden. Op regionaal niveau is, enkele gevallen daargelaten (Apulië in het bijzonder), de samenwerking tussen de voor de activiteiten verantwoordelijke diensten duidelijk verbeterd. Op nationaal niveau moet op bepaalde terreinen (met name de vervoerssector, waar de meeste problemen zijn, innovatie/onderzoek en onderwijs) het vermogen tot samenwerking van de nationale en regionale programma's nog worden verbeterd. Er is duidelijk nog ruimte voor verbetering bij de samenwerking tussen de verschillende ministeries die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor de verschillende Structuurfondsen.

De nieuwe vereenvoudiging volgens de regels van Verordening 1260/99 heeft gezorgd voor merkbare veranderingen in de wijze van beheer en zelfs de houding van de Italiaanse autoriteiten ten opzichte van de communautaire programma's.

De beheersinstanties hebben ongetwijfeld een groter besef van verantwoordelijkheid gekregen, met name in de toezichtcomités waarin de Commissie meer de functie van adviseur en stuwende kracht heeft gekregen, hetgeen het besluitvormingsproces binnen de comités er eenvoudiger op maakt. Het ietwat logger worden van de procedures ten opzichte van de vorige periode komt voort uit het voorziene dubbele programmeringsniveau (EPD en programmacomplement). De programmacomplementen kunnen vrij vaak worden gewijzigd, wat wil zeggen dat de diensten van de Commissie iedere keer weer minstens een minimale analyse van de nieuwe documenten moeten plegen, met name om zich er van te vergewissen dat deze coherent zijn met de EPD's en de relevante wetgeving.

EOGFL

In de regionale operationele programma's, die zijn goedgekeurd in 2000, is rekening gehouden met steun van het EOGFL-Oriëntatie voor een bedrag van 2.982,626 miljoen EUR ten gunste van de zeven doelstelling 1-regio's: Sicilië, Sardinië, Calabrië, Basilicata, Campanië, Apulië, Molise (afbouw van steun).

In 2002 is een bedrag van 419 miljoen EUR vastgelegd. De betalingen zijn opgelopen tot in totaal 245 miljoen EUR.

Alle regio's hebben vóór het einde van het jaar de betalingsaanvragen voor een cumulatief bedrag van 238 miljoen EUR als bijdrage van het EOGFL ingediend; dit bedrag ligt aanzienlijk boven het bedrag dat noodzakelijk is om te voorkomen dat de Commissie in 2000 moet snijden in de vastgelegde middelen.

De verslagen over 2002 bevatten de eerste gerealiseerde activiteiten en uitgaven met betrekking tot de door het EOGFL-Oriëntatie gecofinancierde maatregelen. Het betreft hier met name: plattelandsinfrastructuur, bosbouw, vestigingspremies voor jonge boeren en investeringen in landbouwbedrijven.

In 2002 had de uitvoering, zowel in financieel opzicht als wat de feitelijk gerealiseerde activiteiten betreft, betrekking op de meerderheid van de maatregelen. De uitgaven betroffen met name de maatregel met betrekking tot waterbeheer, plattelandsdorpen alsook investeringen in de verwerkings- en afzetsector voor landbouwproducten. Na de eerste goedkeuring van de programmacomplementen zijn in de loop van 2002 verscheidene wijzigingen aangebracht en elementen opgenomen in deze documenten om de uitvoering van de programma's te verbeteren.

Alle onafhankelijke beoordelaars zijn aangewezen en aan de toezichtcomités is voor de meeste programma's een eerste verslag overlegd.

FIOV

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 122 miljoen EUR ten behoeve van vlootmaatregelen. De strategische prioriteiten zijn onder andere aanpassing van de visserij-inspanning aan de aanwezige visvoorraad, vernieuwing en modernisering van de vloot en technische hulp. De andere visserijmaatregelen voor de doelstelling 1-regio's zijn opgenomen in de afzonderlijke programma's voor de betreffende regio's. Op 31 december 2002 was 34.318 miljoen EUR uitgegeven - voornamelijk aan de sloop van schepen.

Calabrië

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 18,6 miljoen EUR. Op 31 december 2002 is een eerste tussentijdse betaling van 0,25 miljoen EUR vergoed. De strategische doelstellingen zijn onder andere bewaking en groei van de visstand, verbetering van havenfaciliteiten en het stimuleren van campagnes voor de afzet.

Campanië

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 38 miljoen EUR. Op 31 december 2002 is een eerste tussentijdse betaling van 0,160 miljoen EUR vergoed. De strategische doelstellingen zijn onder andere steun aan visserijgemeenschappen, bescherming van de rijkdommen van zee en kustwateren en modernisering van de visteelt.

Molise

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 0,46 miljoen EUR, voornamelijk voor de visteelt. Vanwege de late goedkeuring van overheidssteun en een verbod op de teelt van zeebaars en zeekarper zijn er geen projecten goedgekeurd.

Apulië

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 30 miljoen EUR. Op 31 december 2002 zijn twee tussentijdse betalingen die in totaal 0,84 miljoen EUR bedroegen, vergoed. De strategische doelstellingen zijn onder andere het vergroten van het concurrentievermogen en het bevorderen van de vorming van verenigingen van producenten.

Sardinië

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 27 miljoen EUR. Op 31 december 2002 zijn twee tussentijdse betalingen die in totaal 0,965 miljoen EUR bedroegen, vergoed.

Sicilië

Het operationele programma voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 50 miljoen EUR. De strategische doelstellingen zijn onder andere het stimuleren van de verkoop van streekproducten, het verbeteren van het visserijklimaat ter plaatse, betere werkomstandigheden en verhoging van de productie en afzet. Vanwege de late goedkeuring van overheidssteun zijn er geen projecten goedgekeurd.

ESF

Het verschil tussen de arbeidsdeelname in Italië (54,8% in 2001) en het Europese gemiddelde (64%) is nog steeds groot, vooral voor vrouwen en oudere werknemers. Met de extra werkgelegenheid die is geschapen, kan de regionale ongelijkheid nog niet worden weggenomen: terwijl in het zuiden van het land de werkloosheid een structureel karakter heeft, doen zich in het noorden knelpunten voor en is er te weinig arbeidsaanbod voor bepaalde kwalificaties.

De publieke en particuliere arbeidsvoorzieningsdiensten moeten derhalve flexibel zijn in hun bemiddelingsrol en zich aan de verschillende situaties aanpassen.

Met de ESF-maatregelen in de Italiaanse doelstelling 1-regio's is de uitvoering van de werkgelegenheidsstrategie ondersteund overeenkomstig de verplichtingen die zijn aangegaan in het nationale actieplan voor de werkgelegenheid.

Alle programma's die de regio's van doelstelling 1 bestrijken, lopen nu; wat de financiële uitvoering betreft, ligt het totale vastleggingsniveau voor het ESF hoger dan 25% van de gehele programmaperiode, terwijl de uitgaven rond 7% liggen.

Voor de beheersinstanties van de regionale operationele programma's ging het er vooral om de inspanningen toe te spitsen op het verbeteren van de kwaliteit van het opleidingsaanbod, zodat dit een wezenlijke bijdrage kan blijven leveren aan de bestrijding van de werkloosheid en de regionale ontwikkeling.

Het grootste probleem in dit verband was de openstelling van de opleidingsmarkt (overeenkomstig de verplichtingen van het CB voor Italië zullen er vanaf juni 2003 geen directe aanbestedingen meer plaatsvinden met middelen van het ESF), een verandering die pas tot stand kon komen na de erkenning van opleidingen volgens kwaliteitscriteria die zijn vastgelegd in de Italiaanse wet.

Voor dit veranderingsproces waren buitengewone inspanningen nodig van de regio's, die beschikten over belangrijke publieke opleidingsinstellingen die voortaan onder dezelfde condities moeten functioneren als de particuliere instellingen.

Een ander belangrijk doel dat in 2003 is bereikt, is de steun aan de hervorming van de overheidsdiensten voor arbeidsvoorziening. Ondanks hun inspanningen lopen de doelstelling 1-regio's achter bij de andere Italiaanse regio's, vooral wat betreft investeringen in het arbeidspotentieel en het opzetten van de noodzakelijke organen.

Kort gezegd moet ondanks de inspanningen van de Italiaanse autoriteiten worden opgemerkt dat er enige achterstand bestaat bij de toepassing van de strategie voor de bevordering van gelijke kansen en de legalisering van zwart werk.

Verder bestaan er in bepaalde regio's nog lacunes in de administratieve organen; deze zijn incompleet of weinig doeltreffend.

2. Doelstelling 2

De late goedkeuring (juli 2000) van de lijst met doelstelling 2-regio's in Italië die in aanmerking komen voor de programmering van 2000-2006, heeft als gevolg gehad dat de goedkeuringsbesluiten van de veertien EPD's voor de Italiaanse regio's waarop deze doelstelling betrekking heeft, pas tussen september en december 2001 zijn genomen. In deze EPD's wordt rekening gehouden met overheidsuitgaven van in totaal (doelstelling 2-regio's en regio's met overgangssteun) 6.496 miljoen EUR met communautaire steun ten bedrage van 2.608 miljoen EUR en nationale overheidsuitgaven van 3.888 miljoen EUR. Het betreft eenfondsprogramma's, aangezien de communautaire steun alleen uit het EFRO komt; het ESF en EOGFL leveren een bijdrage in het kader van de doelstelling 3-programma's en de plannen voor regionale ontwikkeling/Leader+.

Het jaar 2002 is dus het jaar waarin een eerste begin is gemaakt met de maatregelen. Nadat de EPD's waren goedgekeurd, hebben de betreffende toezichtcomités eind 2001-begin 2002 vergaderd en hebben de Italiaanse autoriteiten met instemming van de toezichtcomités hun goedkeuring gegeven aan een eerste versie van de programmacomplementen voor alle EPD's van doelstelling 2. Nadat de complementen waren ingediend, hebben de diensten van de Commissie commentaar toegestuurd met betrekking tot de coherentie tussen de complementen en de EPD's en de toepasselijke wetgeving. Er is een tweede versie van de complementen opgesteld, waarin een groot aantal van de door de diensten van de Commissie geformuleerde opmerkingen is verwerkt.

In november 2002 heeft de eerste ronde jaarlijkse bijeenkomsten met de beheersinstanties voor de EPD's plaatsgehad. Tijdens deze bijeenkomsten is in strategisch opzicht bepaald wat de stand van zaken bij de uitvoering van de maatregelen was, waarbij speciale aandacht bestond voor de sectoren die in een nieuw programmeringskader vallen (water, afval en informatiemaatschappij in het bijzonder) en voor de horizontale uitvoeringsvoorwaarden (in het bijzonder toezicht, voorlichting en publiciteit, controle). In alle regio's zijn de beoordelaars aangewezen.

De gegevens over de financiële uitvoering van de maatregelen zijn nog verre van compleet, omdat de regionale autoriteiten nog bezig zijn met de procedures voor de selectie van de in de EPD's op te nemen projecten. De eerste gegevens uit de financiële controle op 30 september 2002 (ingediend medio februari 2003) wijzen op een gemiddeld betalingsniveau, terwijl de geplande bedragen nogal verschillen per regio; de beste prestaties zijn geleverd door Valle d'Aosta, Toscane en Lazio, die respectievelijk 13,5%, 5,5% en 3,5% hebben behaald. Voor vier regio's zijn nog geen gegevens opgenomen. Het is niet eenvoudig om in generaliserende bewoordingen iets te zeggen en een diepgaande bestudering is noodzakelijk, maar wat de prioriteiten betreft lijkt het erop dat het voortgangstempo hoger ligt bij de maatregelen met betrekking tot milieu en lager bij de maatregelen met betrekking tot steunregelingen; dit geldt in het bijzonder voor de regio's die de meeste voortgang hebben geboekt. In april 2003 zijn op elkaar afgestemde gegevens van de financiële controle op 31 december 2002 voor alle regio's beschikbaar.

Op 31 december 2002 was er slechts één uitgavencertificaat/betalingsaanvraag bij de diensten van de Commissie ingediend; dit had betrekking op de provincie Trente.

De nieuwe regels van Verordening 1260/99 hebben gezorgd voor merkbare veranderingen in de wijze van beheer en zelfs de houding van de Italiaanse autoriteiten ten opzichte van de communautaire programma's.

De beheersinstanties hebben ongetwijfeld een groter besef van verantwoordelijkheid gekregen, met name in de toezichtcomités waarin de Commissie meer de functie van adviseur en stuwende kracht heeft gekregen, hetgeen het besluitvormingsproces binnen de comités er eenvoudiger op maakt. Het ietwat logger worden van de procedures ten opzichte van de vorige periode komt voort uit het voorziene dubbele programmeringsniveau (EPD en programmacomplement). De programmacomplementen kunnen vrij vaak worden gewijzigd, wat wil zeggen dat de diensten van de Commissie iedere keer weer minstens een minimale analyse van de nieuwe documenten moeten plegen, met name om zich er van te vergewissen dat deze coherent zijn met de EPD's en de relevante wetgeving.

Wat betreft de samenwerking van de communautaire fondsen hebben de Italiaanse autoriteiten gekozen voor eenfonds-EPD's in het kader van het EFRO; in de EPD's ligt de nadruk op de noodzaak tot samenwerking bij de maatregelen in het kader van doelstelling 2 en 3 alsook de plannen voor regionale ontwikkeling/Leader+. Tegen de achtergrond van doelstelling 3 is tevens voorzien dat gegarandeerd minimaal een bedrag dat 5% boven het gemiddelde ligt in de doelstelling 2-regio's wordt geconcentreerd. Door de programmacomplementen verandert in de praktijk de wijze waarop de onderlinge samenhang en afstemming van de verschillende op dezelfde regio gerichte maatregelen vorm krijgen, op soms meer, soms minder bevredigende wijze (voorbeelden: coördinatie van de administratieve diensten, selectiecriteria voor projecten). Deze aspecten moeten in de jaarverslagen nauwlettend worden gevolgd om de concrete resultaten van de toepassing van deze samenwerkingsprincipes te kunnen beoordelen.

3. Doelstelling 3

De ESF-maatregelen in de Italiaanse doelstelling 3-regio's dienden in 2002 ter ondersteuning van de overeenkomstig de verplichtingen op grond van het nationale actieplan voor de werkgelegenheid uit te voeren werkgelegenheidsstrategie.

De vijftien programma's die de regio's van doelstelling 3 bestrijken, zijn nu volledig operationeel; wat de financiële uitvoering betreft, ligt het totale vastleggingsniveau hoger dan 30% van de gehele programmaperiode, terwijl de uitgaven rond 15% liggen en voor geen enkel doelstelling 3-programma een automatische annulering heeft plaatsgevonden.

Wat betreft de centrale thema's van de strategie hebben sociale uitsluiting en maatregelen gericht op bevordering van gelijke kansen veel aandacht gekregen van de meeste beheersinstanties, evenals de realisering van arbeidsbureaus, waarbij in de doelstelling 3-regio's de achterstand is ingelopen.

De uitvoering van de maatregelen op het gebied van levenslang leren verloopt daarentegen moeizaam en er ontstaat vertraging, met name in het MKB. Dit geldt in het bijzonder voor de kernopleidingen als onderzoek en ontwikkeling of oprichting van ondernemingen.

Over het geheel genomen speelt de ESF-bijdrage aan de in het CB vastgelegde doelstellingen, in het bijzonder de toename van de kwaliteit van de banen en de verbetering van de instroming van kansarme groepen op de arbeidsmarkt, een belangrijke rol bij het geven van een impuls aan en het reguleren van de Noord-Italiaanse arbeidsmarkt.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het EPD voor 2000-2006 bevat een FIOV-toewijzing van 99,6 miljoen EUR, waarvan 46 miljoen EUR is bestemd voor vlootmaatregelen. Op 31 december 2002 was 18,9 miljoen EUR uitgegeven - voornamelijk aan de sloop van schepen.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

In Italië omvat het Leader+-programma eenentwintig regionale programma's en één nationaal programma (netwerk) voor overheidsuitgaven ten bedrage van 482,262 miljoen EUR en een EOGFL-bijdrage van 284,1 miljoen EUR.

Met de goedkeuring in 2002 van acht Leader+-programma's (voor de zeven regio's van doelstelling 1 en het nationale netwerk) was de goedkeuring van alle Italiaanse programma's rond.

Het EOGFL- afdeling Oriëntatie heeft voor de 22 programma's een bedrag van 64,5 miljoen EUR vastgelegd en het 7%-voorschot betaald, oftewel een bedrag van in totaal 18,887 miljoen EUR.

Van de twaalf regio's die het eerste jaarverslag over 2002 dienden te overleggen, zijn Sardinië, Calabrië, Umbrië en Emilia Romagna in gebreke gebleven.

De toezichtcomités hebben alle programma's bekeken en hebben hun goedkeuring gegeven aan de programmacomplementen, waarbij tevens rekening is gehouden met de wijzigingen waarom de diensten van de Commissie hadden gevraagd naar aanleiding van de eerste ingediende teksten. Er zijn vier programmacomplementen (Emilia Romagna, Apulië, Sicilië, en Trento) waarvoor nog geen mededeling is gedaan/goedkeuring is verkregen van de Commissie.

Met de procedures voor de selectie van plaatselijke actiegroepen, instanties voor technische hulp en evaluatie is in 2002 een begin gemaakt, maar deze zijn nog slechts in enkele regio's vastgelegd.

5.2 EQUAL

Het EQUAL-initiatief kende in Italië met 1333 kandidaatstellingen een goede start. Een selectie van 42 geografische en 237 sectorale ontwikkelingspartnerschappen wordt gefinancierd. Er zijn verscheidene nationale thematische studiebijeenkomsten georganiseerd. Verder zullen de informatiegids en het compendium 2001-2003 worden gepubliceerd, waarin alle EQUAL-projecten, zowel de sectorale als de geografische, worden gepresenteerd.

Op Europees niveau tenslotte heeft de beheersinstantie samen met Spanje het medevoorzittererschap van een Europese thematische werkgroep op het gebied van gelijke kansen op zich genomen.

5.3 URBAN

In november 2001 zijn alle tien URBAN II-programma's voor Italië door de Europese Commissie goedgekeurd.

De totale in aanmerking komende kosten van de tien URBAN II-programma's bedragen 264.397.654 EUR, waaraan de EU 114.800.000 EUR bijdraagt en 18.476.573 EUR uit de particuliere sector komt.

Bij elk Italiaans URBAN II-programma is de beheersinstantie het gemeentebestuur van de stad. Derhalve zijn de toezichtcomités georganiseerd op plaatselijk niveau, onder voorzitterschap van de gemeenteraad, en omvatten zij zowel institutionele instellingen als sociaal-economische partners of partners op milieugebied. De inwoners en lokale partnerschappen zijn vaak direct betrokken bij de opzet en uitvoering van de programma's. De toezichtcomités zijn in 2002 tweemaal bijeengekomen.

Alle programmacomplementen zijn goedgekeurd door het toezichtcomité en begin 2002 naar de Commissie gezonden. Overeenkomstig de algemene verordening (1260/1999) worden de jaarverslagen in juni 2003 verwacht; de tussentijdse evaluaties moeten in december 2003 worden ingeleverd.

De 7%-voorschotten zijn nog in 2001 betaald. Voor alle Italiaanse URBAN II-programma's zijn in 2002 tussentijdse betalingsverzoeken ingediend.

6. Afsluiting van de voorgaande programmaperioden

ESF

Op 31 december 2002 was geen enkele saldobetaling aangevraagd met betrekking tot de programmering voor 1994-1999.

EOGFL

In 2002 zijn 51 aanvragen om saldobetaling ingediend (waaronder die van dertien OP's in het kader van Leader II en één OP in het kader van INTERREG II). In de loop van 2002 konden slechts enkele programma's (waarvan één OP in het kader van Leader II) worden afgesloten; dit kwam doordat door de Italiaanse autoriteiten incomplete of onaanvaardbare aanvragen waren ingediend. Verschillende toezichtcomités en vergaderingen hebben de verantwoordelijke autoriteiten de stand van zaken van hun voorbereidingen laten presenteren (het merendeel weinig bevredigend) om nog op tijd te zijn voor de vervaldatum (31 maart 2003).

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

ESF

Kenmerkend voor het jaar 2002 was de intensieve samenwerking tussen de verschillende beoordelaars (het permanente orgaan ISFOL (instelling voor de ontwikkeling van het beroepsonderwijs - Istituto per lo Sviluppo de la Formazione Professionale dei Lavoratori) en regionale onafhankelijke beoordelaars) op de volgende terreinen: onderzoek naar arbeidsbemiddeling, indicatoren, uitvoeringsevaluatie, onderzoek naar de kwaliteit van het beroepsonderwijs.

7. 2 Controle

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

Apulië en ministerie van Productieve Activiteiten - programma binnenlandse grenzen en programma kabel; bezoek op 15/16 april 2002 (binnenlandse grenzen) en 8 juli 2002 (kabel)

Voor verscheidene programma's waaraan het EFRO een bijdrage levert zijn de regio Apulië en het ministerie van Productieve Activiteiten de beheersinstanties. Gebleken is dat deze beide instanties de verantwoordelijkheden op het gebied van controle en de verklaring zoals bedoeld in artikel 8 van de verordening hebben toegewezen aan instanties die voor alle door hen beheerde programma's anders zijn. Deze handelwijze lijkt niet conform de beginselen van goed financieel beheer te zijn en doet afbreuk aan de doeltreffendheid van de controlewerkzaamheden. Bovendien zou hierdoor, nu ook gemeenschappelijke richtsnoeren ontbreken, de uniformiteit in de uitvoering van de audits gevaar kunnen lopen. Elke uitleg over wat de redenen zijn die ten grondslag liggen aan deze benadering, ontbreekt.

Programma binnenlandse grenzen

De regio Apulië heeft pas zeer laat zijn goedkeuring gegeven aan de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van Verordening 2064/97 in de INTERREG-programma's: ten tijde van het bezoek waren slechts voor één project de controlewerkzaamheden inzake de uitgavendeclaraties verricht. Verder is nog geen enkele controle zoals bedoeld in artikel 3.1.a - systeemaudit - uitgevoerd.

Het steekproefonderzoek voor de projecten is niet conform de voorschriften in artikel 3 van Verordening (EG) 2064/97 uitgevoerd: de controleurs van de Commissie hebben geconstateerd dat de selectie wel aselect is verricht, maar dat er geen rekening is gehouden met de risicoanalyse.

Er is geen procedure uitgewerkt voor vervolgmaatregelen ingeval van onregelmatigheden of voor het omgaan met systematische onregelmatigheden na uiteindelijke opsporing (artikel 5 en 7 van Verordening 2064/97).

De afdelingen van de regio Apulië die de EFRO-middelen van het INTERREG-programma beheren, beschikken niet over procedures voor controle op het eerste niveau.

Toepassing van Verordening 2064/97 op het programma kabel

De regel die is vastgelegd in punt 4.3 van de bijlage bij Beschikking 342/94 van de Commissie van 31 mei 1994 betreffende voorlichtings- en publiciteitsacties, wordt niet in acht genomen in de brochure getiteld 'L'Interconnessione Elettrica Italia Grecia', aangezien op het schutblad niet is vermeld dat de Gemeenschap bijdraagt aan de realisatie van het project.

Zie ook de beschrijving onder 'GRIEKENLAND', 4.2. Controle INTERREG IIA

Afsluitingscontroles voor programma's in de periode 1994-1996

EPD Toscane voor doelstelling 2, 1994-1996 - bezoek van 3 en 7 juni 2002

De regio Toscane heeft bij de omzetting in euro's te veel gedeclareerd; het gaat om een bedrag dat overeenkomt met 1,19% van de totale uitgaven die zijn opgenomen in de laatste uitgavendeclaratie.

De verificatie van de uitgaven van twaalf projecten betrof een bedrag van LIT 60.862.719.020. De niet-subsidiabele uitgaven die zijn ontdekt, bedragen LIT 7.733.725.287, wat overeenkomt met 12,7% van de geverifieerde uitgaven.

De problemen betreffen niet-naleving van de regels inzake verplichtingen, declaratie van uitgaven die niet in aanmerking komen voor de financiële bijdrage van het EFRO (eenvoudige reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, aankoop van een bedrijfsvoertuig, geval van leasing waarbij de na de datum van afsluiting van de maatregel betaalde huur is beschouwd als in aanmerking komend, geval waarin niet zeker is dat de doelstellingen op milieugebied worden gehaald) en het inhouden van 4% van de betalingen van de EFRO-bijdrage (niet in overeenstemming met artikel 21 van Verordening 4253/88).

FIOV

Na een zaak voor het Hof van Justitie heeft DG Visserij een controle uitgevoerd op activiteiten met betrekking tot conformiteit en boekhouding voor twee visteeltprojecten.

Vermoedelijk zullen de diensten van de Commissie vragen om een nadere controle waarbij wordt vastgesteld of uitgaven in aanmerking komen.

LUXEMBURG

1. Doelstelling 1

Bij beschikking van 25 februari 2000 heeft de Commissie de lijst met de drie in aanmerking komende zones vastgesteld. Het EPD met de maatregelen voor de drie geselecteerde zones en voor de zone die overgangssteun ontvangt is op 27 december 2001 door de Commissie goedgekeurd. Het betreft een door één fonds (EFRO) gefinancierd bijstandspakket.

Het doelstelling 2-programma (financiering door één fonds, EFRO) is officieel goedgekeurd op 27 december 2001. Het jaar 2002 was voornamelijk gewijd aan het voorbereiden en opstellen van de regelingen voor het beheer van de programma's en een goed functionerend toezicht.

Het toezichtcomité is bijeengekomen in februari, juli en november 2002. Aan het programmacomplement is in juni de laatste hand gelegd; het omvat de selectiecriteria voor de projecten en de geraamde indicatoren en verwachte resultaten van de verschillende operationele maatregelen van het programma. Vervolgens heeft het ministerie van Economische Zaken in augustus een oproep tot het indienen van projecten gedaan. Deze is in oktober gesloten, waarna eind 2002-begin 2003 de selectieprocedure heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft het toezichtcomité de taakstelling voor de tussentijdse evaluatie bekrachtigd met het oog op keuze van een beoordelaar in de loop van de eerste maanden van 2003.

De Commissie heeft in 2002 geen tussentijdse betalingsverzoeken voor dit programma ontvangen.

2. Doelstelling 3

In samenhang met het nationale actieplan voor de werkgelegenheid is het goedgekeurde programma, waarvoor een communautaire bijdrage van 39 miljoen EUR is toegekend, gericht op maatregelen op het gebied van beroepsopleiding, modernisering van de diensten voor arbeidsvoorziening en steun voor de scholing van werknemers. Want ook al groeit de werkgelegenheid sterker dan gemiddeld in de vijftien lidstaten, toch heeft de Luxemburgse arbeidsmarkt nog steeds te kampen met verschillende problemen, zoals met name het geringe percentage ouderen dat arbeid verricht en het grote aantal personen in de arbeidsgeschikte leeftijd dat voortijdig de arbeidsmarkt verlaat en verder afhankelijk is van een arbeids ongeschiktheids uitkering of vervroegd pensioen.

In het Luxemburgse programma staan vier belangrijke prioriteiten centraal: (1) werkloosheidspreventie en vermindering van het aantal personen dat afhankelijk is van een 'passiviteitsregeling', zoals bijvoorbeeld voor vervroegde pensionering en invaliditeit; (2) bevordering van maatschappelijke integratie met behulp van maatregelen voor opleidingen, zo mogelijk op het gebied van informatica, en hulp bij de instroom in de sociale economie en op de open arbeidsmarkt; (3) stimulering van onderwijs en levenslang leren alsmede van ondernemingsgeest; (4) grotere nadruk op gelijke kansen voor vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt.

Tijdens de jaarlijkse ontmoeting in december 2002 hebben de Luxemburgse autoriteiten meegedeeld dat er in 2002 vooruitgang is geboekt bij de uitvoering van de maatregelen waarvoor eind 2001 nog geen middelen waren vastgelegd, met name maatregelen op het gebied van gelijke kansen bij her- en bijscholing en uitbreiding van de mogelijkheden voor kinderopvang. Eind december 2002 was bijna 43% van de totale ESF-middelen reeds vastgelegd. Het risico dat de kredieten voor de periode n+2 in 2002 automatisch zouden worden geannuleerd is afgewend en het ziet ernaar uit dat dit risico zich voor 2003 niet voordoet.

3. Communautaire initiatieven

3.1 Leader+

Daar het programmacomplement nog niet aan de diensten van de Commissie was aangeboden bleef in 2002 de stand van zaken met betrekking tot het initiatief Leader+ in het Groothertogdom Luxemburg onveranderd.

3.2 EQUAL

Elk van de drie door de lidstaat geselecteerde ontwikkelingspartnerschappen omvat de zwaartepunten 'sociale uitsluiting' en 'gelijke kansen'; daarnaast wordt aandacht besteed aan de situatie van asielzoekers. Met het ministerie van Arbeid en Werkgelegenheid zijn overeenkomsten gesloten, de transnationale samenwerking is tot stand gebracht, en met de tenuitvoerlegging van de werkprogramma's is een aanvang gemaakt. Luxemburg is niet direct betrokken bij een thematisch netwerk, maar de beheersautoriteit is voornemens studiebijeenkomsten voor een breed publiek te organiseren over de thema's sociale uitsluiting, toegankelijkheid van de arbeidsmarkt en gelijke kansen, om zo meer bekendheid te geven aan de resultaten van de projecten en te bevorderen dat zij in het nationale beleid worden geïntegreerd.

4. Afsluiting van de programmeringsperiode 1994-1999

EFRO

Voor een tiental programma's moet het Groothertogdom Luxemburg uiterlijk op 31 maart 2003 een verzoek tot saldobetaling bij de Commissie indienen.

De programma's voor deze periode waren in de praktijk op 31 december 2001 voltooid, zodat vóór half 2002 een verzoek om deze af te sluiten had kunnen worden ingediend. In juni hebben de Luxemburgse autoriteiten de Commissie echter medegedeeld dat deze verzoeken later, maar vóór de in de verordening bepaalde uiterste datum, zouden worden ingediend.

De Commissie heeft in 2002 met betrekking tot het EFRO geen verzoeken tot afsluiting ontvangen.

EOGFL & Leader

Luxemburg heeft de documenten die nodig zijn voor de afsluiting van de programma's (doelstelling 5a, 5b en Leader II) nog niet verstrekt. De controle moet derhalve geheel in de loop van het eerste kwartaal van 2003 plaatsvinden.

ESF

Doelstelling 2 en 5b. Er was veel belangstelling voor de steunmaatregelen voor binnenlandse groei en ontwikkeling door mobilisatie van menselijk ontwikkelingspotentieel. Volgens de voorlopige versie van het eindverslag zijn de beschikbare middelen vrijwel geheel gebruikt. De eindafrekening en de uitgavencertificeringen worden binnen de vereiste termijn verwacht.

Doelstelling 3 en 4. De 23 miljoen EUR aan ESF-steun is volgens de voorlopige afrekening geheel gebruikt. De eindafrekening en de uitgavencertificeringen worden binnen de vereiste termijn verwacht.

NEDERLAND

1. Doelstelling 1

EFRO

Het overgangsprogramma voor Flevoland is het enige doelstelling 1-programma in Nederland; in 2002 heeft de Commissie een eerste wijzigingsbesluit genomen teneinde de nationale cofinanciering voor de inkrimping van de vissersvloot in overeenstemming te brengen met het in Verordening 2792/99 vastgestelde plafond. Vervolgens is het programmacomplement om dezelfde reden herzien.

Wat de financiële uitvoering betreft waren eind 2002 voldoende uitgaven bij de Commissie gedeclareerd om toepassing van de n+2-regel op de EFRO-tranche van 2000 te voorkomen.

Het toezichtcomité heeft tweemaal vergaderd. De tijdens deze vergaderingen besproken onderwerpen omvatten, naast de vorderingen bij de uitvoering van het programma, de nationale cofinanciering van door het EOGFL gecofinancierde projecten en de voorbereiding van de tussentijdse evaluatie. Ook is binnen dit comité een thematische discussie georganiseerd over geavanceerde-technologiepakketten.

Na analyse van het overigens aanvaardbare jaarverslag over 2001 heeft de Commissie onder andere geconstateerd dat slechts beperkte informatie opgenomen was over de coördinatie met andere communautaire beleidsterreinen (werkgelegenheid, plattelandsontwikkeling). De Commissie heeft ook opgemerkt dat er geen noemenswaardige vorderingen zijn geboekt bij de elektronische uitwisseling van informatie met de Commissie. Dezelfde onderwerpen zijn ook aan de orde gekomen op de jaarvergadering in december 2002.

EOGFL

Flevoland is aangemerkt als een overgangsregio voor doelstelling 1. Het programma is in juli 2000 goedgekeurd. De betalingsaanvragen ontvangen tot en met december 2002 bestrijken niet de gehele begroting voor het EOGFL voor het jaar 2000. Op grond van de n+2-regel wordt het betreffende deel van de begroting ambtshalve geannuleerd.

FIOV

In het enkelvoudige programmeringsdocument voor 2000-2006 voor de regio's van doelstelling 1, dat op 27 juli 2000 door de Commissie is goedgekeurd, is een bedrag van 6,0 miljoen EUR toegewezen voor FIOV-maatregelen.

De beoogde investering betreft voornamelijk de aanpassing van de visserijactiviteiten en de verwerking en afzet van vis.

2. Doelstelling 2

EFRO

Voor twee (Noord en Oost) van de vier EPD's voor doelstelling 2 in Nederland is het programmacomplement in de eerste helft van 2002 door de Commissie aanvaard. Voor de andere twee (Steden, Zuid) was dit al in 2001 gebeurd. Voor alle vier de programma's is het jaarverslag over 2001 ingediend bij en aanvaard door de Commissie.

Eind 2002 hebben alle beheersautoriteiten van de doelstelling 2-programma's aangegeven dat zij, gezien de vorderingen tot op dat moment, geen problemen verwachtten wat betreft de eerste toepassing van de n+2-regel eind 2003. Problemen met de nationale cofinanciering van de plattelandsontwikkelings maatregelen in enkele programma's vereisen echter de nodige aandacht van de autoriteiten teneinde het verlies van gelden in latere jaren te voorkomen. Aanzienlijke voortgang in de overgangsgebieden lijkt voor sommige programma's de kortetermijnoplossing te zijn om aan ambtshalve annuleringen te ontkomen.

Evenals bij het doelstelling 1-programma zijn zowel tijdens de vergaderingen van de toezichtcomités als tijdens de gezamenlijke jaarvergadering (waarbij alle doelstelling 1- en doelstelling 2-programma's samenkomen) diverse onderwerpen besproken. Het comité 'Zuid' zette de prioriteiten van de Commissie inzake gelijke kansen en duurzame ontwikkeling op de agenda. De instantie voor het 'Steden'-programma (waarvoor net als bij de andere doelstelling 2-programma's het EFRO het enige Structuurfonds is) stelden zowel tijdens de vergaderingen van het toezichtcomité als tijdens de jaarvergadering het onderwerp 'subsidiabiliteit van sociaal gerichte projecten door het EFRO' aan de orde. Het comité 'Noord', in financiële zin het verstgevorderde van de vier programma's (eind december was meer dan 80% van de EFRO-tranche voor 2001 betaald), besprak tijdens een vergadering de ervaring van de sociale partners met de uitvoering van en het toezicht op het EPD. De vergaderingen van het toezichtcomité 'Oost' gingen onder andere over de bijzonder problematische plattelandsontwikkelings maatregelen, alsmede over communicatie en publiciteit. De comités van alle vier programma's hebben tweemaal vergaderd, behalve 'Zuid' (driemaal).

3. Doelstelling 3

Vanwege de problemen met onregelmatigheden in de vorige periode is de start van het programma zeer sterk vertraagd. 2002 was het eerste volledige uitvoeringsjaar. Het is dan ook niet vreemd dat de bestedingen veel lager zijn uitgevallen dan voorzien in de financiële planning. Nu reeds moet een bedrag van 22.183.486,64 EUR geannuleerd worden vanwege de toepassing van de n+2-regel voor de tranche van 2000.

De onderbesteding heeft vooral plaatsgevonden bij de eerste twee maatregelen van het programma, welke gericht zijn op de herintegratie van werkzoekenden en inactieven. De andere twee maatregelen, gericht op opleiding van werknemers en schoolverlaters, functioneren volgens plan.

De Nederlandse autoriteiten zijn zich natuurlijk terdege bewust van het onderbestedingsprobleem en hebben diverse maatregelen genomen om het gebruik van de fondsen te bevorderen. Onder andere is het aantal begunstigden uitgebreid tot alle gemeenten in Nederland. En onlangs heeft men de uitvoeringsinstellingen voor werknemersverzekeringen (UWV's) gevraagd om eindbegunstigde te worden voor doelstelling 3. De opleidingsprojecten voor werknemers zijn succesvol, en momenteel wordt dan ook het idee ontwikkeld om de herintegratie van werklozen en de opleiding van werknemers in één project te combineren.

Hoewel deze maatregelen zeker tot grotere bestedingen zullen bijdragen, staat nog te bezien of hiermee de zaak is opgelost, omdat het een groeiend probleem is. Eind 2003 vervalt de tranche voor 2001 van 260 miljoen EUR, bijna tweemaal de omvang van de tranche voor 2000 na aftrek van de betaling op rekening. Daarom lijken meer annuleringen in de toekomst waarschijnlijk.

Een van de verklaringen voor het gebrek aan belangstelling voor het Nederlands doelstelling 3-programma is dat vele potentiële aanvragers de regels voor toekenning van ESF-subsidies als zeer gecompliceerd en daarom riskant beschouwen. Dit beeld is in de ogen van de Nederlandse autoriteiten niet wezenlijk veranderd door de recente vereenvoudigingsoperatie.

Nederland heeft doelstelling 2-programma's aangenomen zonder het ESF. Dit werd toegestaan mits een meer dan evenredig deel van de doelstelling 3-kredieten door zou sijpelen naar doelstelling 2-zones. Dit deel is in het EPD voor doelstelling 3 vastgesteld op 20% en tot nu toe is aan deze voorwaarde voldaan. Toch hebben enkele beheersautoriteiten van de doelstelling 2-programma's aangegeven dat zij ook eindbegunstigde wilden worden voor doelstelling 3. Voorlopig is dit verzoek door het toezichtcomité en de minister van Sociale Zaken afgewezen, maar het dient bij de tussentijdse evaluatie heroverwogen te worden.

Het jaarverslag over 2000 en 2001 bevat nog geen specifieke informatie over additionaliteit. Ook dit onderwerp komt binnenkort aan bod in de tussentijdse evaluatie.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het structuurprogramma visserij voor de regio's buiten doelstelling 1 is op 29 december 2000 bij de Commissie ingediend en voorziet in een FIOV-toewijzing van 32,1 miljoen EUR. Het programma is pas op 17 januari 2002 goedgekeurd en beslaat de periode 2001-2006.

In de loop van 2002 is de bestuurlijke infrastructuur voor de uitvoering van dit programma opgezet: toezichtcomité, programmacomplement.

Voor dit programma zijn nog geen betalingsaanvragen ingediend.

De nieuwe vereenvoudigde benadering heeft nog weinig effect gesorteerd op de uitvoering in 2002.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

De vier Leader+ programma's zijn operationeel, maar de voortgang blijft achter bij de begroting voor 2002: de Leader+ programma's hebben slechts 15% van de begroting voor 2002 besteed (en in 2002 is slechts voor 54% van deze begroting aanbesteed door de beheersautoriteiten).

De Commissie heeft de programmacomplementen ontvangen en in orde bevonden. Ook heeft de Commissie de jaarverslagen over de uitvoering van het programma in 2001 ontvangen.

Op 17 december 2002 is in Den Haag de eerste jaarlijkse evaluatievergadering voor Leader+ georganiseerd.

5.2 EQUAL

Op 15 mei hadden 100 ontwikkelingspartnerschappen een aanvraag ingediend voor actie 2, waarvan er vervolgens 95 zijn goedgekeurd en toegelaten tot actie 2; de totale vastlegging hiervoor bedraagt 78.932.916 EUR.

In Europees verband heeft de beheersautoriteit besloten samen met Zweden de leiding van de Europese themagroep asielzoekers op zich te nemen.

5.3 URBAN

Er zijn drie URBAN II-programma's in Nederland. De programma's voor Amsterdam, Rotterdam en Heerlen zijn op 20 september 2001 goedgekeurd. Amsterdam en Rotterdam ontvangen 8,94 miljoen EUR uit het EFRO, Heerlen krijgt 11,92 miljoen EUR. De totale begroting voor Amsterdam bedraagt 31,14 miljoen EUR, voor Rotterdam is dat 23,74 miljoen EUR en voor Heerlen 32,18 miljoen EUR. Het programmacomplement voor Amsterdam is ontvangen op 6 februari 2002, dat voor Rotterdam op 31 mei 2002 en dat voor Heerlen op 20 juni 2002. Geen van de programma's hoefde een jaarverslag over 2001 in te dienen.

Voor alle drie programma's is de gemeente de beheersautoriteit. Alle toezichtcomités hebben ten minste eenmaal vergaderd. De drie beheersautoriteiten nemen ook deel aan een nationaal netwerk dat hen in staat stelt van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen.

Eind 2001 zijn de voorschotten van 7% uitbetaald. Alle drie de programma's hebben hun eerste betalingsaanvragen ingestuurd.

6. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

In 2002 heeft de Commissie een laatste project met EFRO-cofinanciering uit de periode van vóór 1994 afgesloten. Het EFRO-deel van alle vijf doelstelling 2-programma's uit de programmeringsperiode 1994-1996 is in dat jaar financieel afgesloten (Arnhem-Nijmegen, Twente, Zuidoost-Brabant, Groningen-Drenthe, en Zuid-Limburg). Deze lijst kan nog uitgebreid worden met een programma uit de communautaire initiatieven (RETEX, 1994-1997) en de EFRO-bijdrage voor technische hulp aan de Nederlandse territoriale werkgelegenheidspacten.

Van de resterende programma's uit de periode 1994-1999 met een EFRO-component (23 programma's met betrekking tot doelstelling 1, 2, 5b of een communautair initiatief in Nederland, en 4 INTERREG-programma's waarbij Nederland betrokken is) loopt de afsluitingsprocedure nog. Voor de meeste van deze programma's zijn alle afsluitingsdocumenten in 2002 bij de Commissie ingediend. Voor een op de drie programma's moeten nog een of meer vereiste documenten voor de uiterste datum van 31/3/2003 ingediend worden. De analyse van de afsluitingsdocumenten gaf voor de meeste programma's aanleiding tot een reeks opmerkingen, die aan de bevoegde autoriteiten zijn medegedeeld met het verzoek deze documenten aan te vullen of te corrigeren. Voorbeelden van de in de afsluitingsdocumenten geconstateerde problemen zijn: ontbrekende beschrijving van de activiteiten van het toezichtcomité; ontbrekende of te beperkte omschrijving van de controleactiviteiten met betrekking tot het programma, met name die welke uitgevoerd zijn in het kader van artikel 3 van Verordening 2067/97.

EOGFL

De aanvragen om saldobetaling, eindverslagen en artikel 8-verklaringen volgens Verordening (EC) 2064/1997 zijn ingediend voor het doelstelling 1-programma Flevoland, vijf doelstelling 5b-programma's en vijf Leader II-programma's.

ESF

Tot op heden hebben de Nederlandse autoriteiten nog geen saldobetalingen voor de periode 1994-1999 aangevraagd. In totaal dienen 13 programma's afgesloten te worden. Het correctiebesluit van de Commissie C(2002)970 op grond van artikel 24 is door de Nederlandse autoriteiten aanvaard. Alle programma's, behalve die voor doelstelling 4, ondervinden de gevolgen van deze correctie, die bepaald is op basis van een forfaitair percentage. Dit betekent dat de jaren 1994-1996 voor de betreffende programma's als afgesloten kunnen worden beschouwd.

7. Evaluatie en controle

7.1 Evaluatie

ESF

De beoordelaar is in 2001 benoemd. De eerste verslagen zijn in 2002 voltooid.

Leader

De evaluatie achteraf van de Leader II-programma's is ontvangen.

De vier Leader+ programma's zijn begonnen aan de voorbereidingen voor de tussentijdse evaluatie. In navolging van de aanpak van de evaluaties achteraf bij de Leader II-programma's, wordt voor de vier programma's een gezamenlijke evaluatie uitgevoerd.

7. 2 Controle

EFRO

Controle naleving Verordening 2064/97

INTERREG II C Wateroverlast Rijn-Maas (IRMA); datum bezoek: 22/23 mei 2002.

De coördinatie van de uitvoering van dit INTERREG-programma wordt verzorgd door het gemeenschappelijke secretariaat van IRMA in Den Haag. De in de verordening genoemde financiële controles vallen echter onder verantwoordelijkheid van de deelnemende lidstaten, die het niet eens konden worden over gemeenschappelijke of samenhangende procedures. Dit heeft geleid tot een verhoogd risico dat er wellicht niet in alle deelnemende lidstaten toereikende en samenhangende controles zijn uitgevoerd. Om dit risico tot een minimum te reduceren achten de controleurs het van belang dat de artikel 8-verklaringen, die door elke lidstaat apart worden afgegeven, voldoende en samenhangende informatie bevatten waaruit de diensten van de Commissie conclusies kunnen trekken over de regelmatigheid van de gedeclareerde uitgaven voor het programma als geheel.

Wat de in Nederland uitgevoerde werkzaamheden betreft hebben de Nederlandse autoriteiten in het algemeen voldaan aan de eisen van de verordening. Dit geldt in het bijzonder voor de beheers- en controlesystemen die bij de uitvoering van deze werkzaamheden worden gebruikt, voor de 5%-controles waarbij het functioneren van de genoemde systemen is onderzocht, en voor de artikel 8-functionaris, die functioneel onafhankelijk is en die een werkprogramma heeft opgesteld dat naar verwachting een voldoende basis vormt voor afgifte van de afsluitingsverklaring met betrekking tot de Nederlandse projecten.

OOSTENRIJK

1. Doelstelling 1

EFRO

In 2002 is in het kader van de EFRO-maatregelen vooral toezicht gehouden op de aanpassingen van reeds goedgekeurde programmeringsdocumenten. De Commissie heeft in december 2002 de derde wijziging van het EPD van het doelstelling 1-programma voor Burgenland goedgekeurd. De lijst van staatshulpregelingen is zodanig gewijzigd dat deze alle voor de uitvoering noodzakelijke regelingen bevat.

De wijziging van het programmacomplement is in juni 2002 door het derde toezichtcomité goedgekeurd en op 31 december 2002 bij de Commissie ingediend, nadat de nieuwe versie van het EPD Burgenland was goedgekeurd.

Het jaarlijks verslag 2001 is in juli 2002 bij de Commissie ingediend en in dezelfde maand aanvaard. De gepresenteerde financiële gegevens bevestigen dat het programma op schema is, vooral op het gebied van het menselijk potentieel, infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling en bevordering van het toerisme. In het EPD is een bedrag van 173 miljoen EUR gereserveerd voor door het EFRO gecofinancierde maatregelen; eind 2002 had de Commissie 45 miljoen EUR vergoed.

In het EPD is een bedrag van 55 miljoen EUR gereserveerd voor maatregelen op het gebied van het menselijk potentieel, gecofinancierd door het ESF. Eind 2002 had de Commissie 18 miljoen EUR vergoed.

In het EPD is een bedrag van 41 miljoen EUR gereserveerd voor landbouw- en plattelandsontwikkelingsmaatregelen, gecofinancierd door het EOGFL. Eind 2002 had de Commissie een betaling gedaan van 12 miljoen EUR.

EOGFL

De voorwaarden voor de uitvoering van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen van doelstelling 1 zijn vastgesteld in het kader van het doelstelling 1-programma voor Burgenland. In het kader van dit programma wordt 41 miljoen EUR uitgetrokken uit hoofde van de EOGFL-maatregelen op 157 miljoen EUR aan totale kosten. Eind 2002 bedroegen de betalingen door de lidstaat 43 miljoen EUR op de totale kosten, waarvan 9 miljoen EUR uit hoofde van het EOGFL.

FIOV

In het enkelvoudige programmeringsdocument 2000-2006 voor doelstelling 1-regio's in Oostenrijk, dat op 7 april 2000 door de Commissie is aangenomen, is een bedrag van 0,8 miljoen EUR uitgetrokken voor FIOV-maatregelen. Het betreft hier voornamelijk visteelt.

Het uitvoeringsproces verloopt bijzonder traag. Eind 2002 hadden de Oostenrijkse autoriteiten slechts één betalingsverzoek ingediend, dat een marginaal bedrag betrof.

ESF

In december 2002 heeft de Commissie formeel een programmawijziging goedgekeurd; deze heeft geen betrekking op het ESF.

De totale ESF-vastleggingen bedragen 55 miljoen EUR. Eind 2002 is 17,8 miljoen EUR betaald.

Op 10 juni 2002 is te Eisenstadt een vergadering van het toezichtcomité gehouden. De jaarlijkse vergadering vond plaats in Wenen op 20 november 2002. Uit de op deze vergaderingen beschikbare informatie waren eind 2002 4.800 projecten goedgekeurd (1.200 in 2002). De maatregelen op het gebied van risicokapitaal (1.5) en innovatieve activiteiten (2.1 en 2.3) blijven nog achter. Voor de tussentijdse evaluatie wordt een mogelijke aanpassing overwogen. De n+2-regel vormt geen enkel risico met betrekking tot het ESF.

2. Doelstelling 2

EFRO

Na een late start in 2001 was 2002 het eerste volledige uitvoeringsjaar. Tussen de diverse doelstelling 2-programma's doen zich vrij grote verschillen voor in de financiële uitvoering. Volgens de jaarverslagen en de presentaties door de beheersinstanties tijdens de jaarlijkse vergadering zijn de doelstelling 2-programma's voor Karinthië, Neder-Oostenrijk, Salzburg en Vorarlberg het succesvolst in termen van tot nu toe gedane uitgaven. De doelstelling 2-programma's voor Stiermarken, Opper-Oostenrijk en Tirol lagen achter op schema, hetgeen ook gold voor het doelstelling 2-programma voor Wenen, dat de Commissie later dan de overige doelstelling 2-programma's had goedgekeurd.

De vergaderingen van de toezichtcomités zijn in juni 2002 gehouden in Opper-Oostenrijk (Neder-Oostenrijk, Stiermarken, Opper-Oostenrijk en Wenen) en in Tirol (Vorarlberg, Salzburg, Tirol en Karinthië). Op de vergaderagenda stonden wijzigingen van het EPD en de programmacomplementen.

In het verslagjaar zijn alle doelstelling 2-programma's in Oostenrijk gewijzigd. Deze wijzigingen betreffen in de meeste gevallen de lijst van staatshulpregelingen, die zodanig is gewijzigd dat deze alle voor de uitvoering noodzakelijke regelingen bevat (doelstelling 2-programma's Oostenrijk: Karinthië, Neder-Oostenrijk, Stiermarken, Salzburg, Tirol, Opper-Oostenrijk, Wenen en Vorarlberg). In de doelstelling 2-programma's voor Tirol, Wenen en Opper-Oostenrijk zijn de financiële tabellen gewijzigd (financiële overdrachten tussen prioritaire zwaartepunten), in Wenen en Opper-Oostenrijk als gevolg van de overstroming in augustus 2002 in deze regio's. Aan het doelstelling 2-programma voor Opper-Oostenrijk is bovendien naar aanleiding van de watersnood een nieuwe maatregel toegevoegd voor 'operationele bijstand bij overstromingen'.

Op 20 november 2002 heeft de jaarlijkse vergadering plaatsgevonden met de beheersinstanties van de Oostenrijkse doelstelling 1- en 2-programma's. Het eerste deel was gewijd aan de uitvoering van de programma's, met presentaties door de beheersinstanties. Na een gedachtewisseling waren in het tweede deel van de vergadering de administratieve onderwerpen geagendeerd; hierin werden de nodige zaken betreffende jaarverslagen, programmabeheer, de sluiting van de programma's van de periode 1995-1999 en de door de Commissie voorgestelde thematische discussies besproken (vereenvoudiging van het beheer van het structuurbeleid en afsluiting van de Structuurfondsenperiode 1995-1999). De onderzoeksopdracht voor de tussentijdse evaluatie is aan de vertegenwoordigers van de Commissie overhandigd. De tussentijdse evaluatie is opgestart voor het enige doelstelling 1-programma en alle doelstelling 2-programma's in Oostenrijk.

ESF

Drie programma's worden gesteund door het ESF: Karinthië, Stiermarken en Wenen. De totale ESF-bijdrage komt op 28,9 miljoen EUR. Eind 2002 had Karinthië 3,8 miljoen EUR vastgelegd en 0,61 miljoen EUR betaald, Stiermarken respectievelijk 20,3 en 1,6 miljoen EUR en Wenen 4 en 0,5 miljoen EUR.

Op 12-14 juni 2002 zijn er te Linz vergaderingen van het toezichtcomité gehouden. De jaarlijkse vergadering voor de doelstellingen 1 en 3 vond op 20 november 2002 te Wenen plaats. De jaarverslagen voor alle doelstelling 2-programma's zijn op 24 juli 2002 ontvangen.

Wat de uitvoering van alle doelstelling 2-programma's betreft, doet Karinthië het het beste. De innovatieve activiteiten, zoals in Burgenland, kampen met gelijksoortige uitvoeringsproblemen. Ook deze zullen bij de tussentijdse evaluatie aan bod komen.

In Stiermarken wordt maatregel 4.1 - kwalificatie - goed uitgevoerd. Bij maatregel 4.2 - innovatieve kwalificaties - doen zich nog steeds problemen voor aangezien de projecten onderdeel zijn van een netwerk.

Wenen heeft te maken met een verschuiving van de middelen van het ESF naar het EFRO. De uitvoering als zodanig moet worden versneld.

De komende jaarverslagen over programma's met een ESF-component zullen een hoofdstuk bevatten over de bijdrage van het ESF aan de Europese werkgelegenheidsstrategie.

3. Doelstelling 3

De totale vastleggingen bedragen 548,2 miljoen EUR. 190,1 miljoen EUR is eind 2002 betaald.

De 4de vergadering van het toezichtcomité vond plaats op 11 juli 2002, een follow-up-vergadering met de Oostenrijkse autoriteiten op 26 september 2002 en de jaarlijkse vergadering op 16 december 2002. Het jaarlijkse uitvoeringsverslag over het jaar 2001 is in september 2002 ingediend.

De stand van de uitvoering is de volgende.

Prioriteit 1 - preventie en bestrijding van werkloosheid onder volwassenen en jongeren - wordt uitgevoerd door de Arbeitsmarktservice en verloopt soepel, zonder enig probleem. Behalve bij prioriteit 3 - levenslang leren - doen zich bij de uitvoering van de overige prioriteiten evenmin problemen voor. Een verschuiving van de middelen binnen prioriteit 3, van scholen naar volwassenenonderwijs, is weliswaar nog steeds mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk aangezien het opnamepercentage voor de scholenmaatregel, die voortdurend achterbleef, aanzienlijk is verhoogd. Dit probleem is besproken tijdens de technische vergadering op 30 april 2003.

Op 23 juni 2003 wordt een vergadering van het toezichtcomité gehouden, onder andere over zaken in verband met de tussentijdse evaluatie. Het ontwerpverslag over deze evaluatie zou op die datum beschikbaar moeten zijn. In de eerste helft van september 2003 wordt te Wenen een nationale ESF-conferentie georganiseerd, tijdens welke de resultaten die het ESF kan overleggen, worden gekoppeld aan de Europese werkgelegenheidsstrategie en de formele gedachtewisselingen over de toekomst van de Structuurfondsen.

De n+2-regel vormt geen enkel risico. De Commissie en de Oostenrijkse autoriteiten onderhandelen nog steeds over de artikel 8-verklaring.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het tweede structuurprogramma voor de visserij voor Oostenrijk 2000-2006 (buiten de doelstelling 1-regio's) is op 30 oktober 2000 door de Commissie aangenomen. Het programma voorziet in een FIOV-toewijzing voor bovengenoemde periode van 4,2 miljoen EUR.

De uitvoering van het programma in de periode 2000-2002 is in overeenstemming met de programmaplanning. In de afgelopen periode zijn er geen grote specifieke problemen geconstateerd.

De nieuwe vereenvoudigde benadering heeft in 2002 nog weinig effect gesorteerd.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

De Commissie heeft het Leader+-programma van Oostenrijk op 26 maart 2001 goedgekeurd met een totale EOGFL-toewijzing van 75,5 miljoen EUR, ofwel 46,75% van de totale kosten van 103,500 miljoen EUR. De Commissie heeft het programmacomplement op 20 augustus 2001 goedgekeurd. De 56 plaatselijke actiegroepen zijn in twee fasen geselecteerd; een proces dat in maart 2002 is afgerond. In het kader van het netwerk is er in juli 2002 een Leader+-forum georganiseerd met deelname van de plaatselijke actiegroepen. Tijdens deze bijeenkomst, waar meer dan 40 plaatselijke actiegroepen hun programma lieten zien, zijn nieuwe initiatieven en onderlinge samenwerkingsverbanden tot stand gekomen. Eind 2002 had de lidstaat in totaal 5,658 miljoen EUR betaald, waarvan 2,246 miljoen EUR uit het EOGFL.

5.2 EQUAL

Van de 148 ingediende aanvragen zijn in Oostenrijk in november 2001 75 ontwikkelingspartnerschappen toegelaten tot actie 1. De meeste partnerschappen (37) behoren tot de pijler inzetbaarheid; bij ondernemerschap (sociale economie) zijn het er 16, 7 bij aanpassingsvermogen (levenslang leren), 12 bij gelijke kansen (bestrijding van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en desegregatie) en 3 bij asielzoekers. Door een voorbereidingstijd van een half jaar was het mogelijk gedetailleerde concepten op te stellen en konden alle betrokken organisaties degelijke partnerschappen opzetten. De ontwikkelingspartnerschappen en concepten hebben een regionaal of sectoraal karakter.

Op 18 juli 2002 zijn 58 partnerschappen voor actie 2 en actie 3 goedgekeurd. De partnerschappen hebben, zoals voor alle partnerschappen verplicht is in combinatie met actie 2, voorstellen voor actie 3 ingediend. Voor actie 3 hebben de beheersinstanties voor een bottom up-benadering gekozen door de partnerschappen veel ruimte te laten om prioriteiten te stellen en de operationele voorwaarden en inhoud van de netwerken te bepalen. In november 2002 is voor alle partnerschappen het werk aan het nationale thema gelanceerd.

Het nationale steunpunt EQUAL Büro Österreich heeft zeven prioritaire gebieden voorgesteld in het kader van de zes nationale EQUAL-thema's, plus gelijke kansen voor mannen en vrouwen als verplicht horizontaal onderwerp. De partnerschappen hebben zelf clusters gevormd en voorstellen ingediend bij het steunpunt.

Ook is er in april 2002 als subcomité van het toezichtcomité een evaluatiestuurgroep opgericht. Voor de evaluatie op nationaal vlak is in 2002 het 'IfGH'-evaluatieteam geselecteerd. Eind januari 2003 wordt hun eerste tussentijdse verslag verwacht.

5.3 URBAN

Er zijn twee URBAN II-programma's voor Oostenrijk; het programma voor Wenen is op 16 november 2001 goedgekeurd en dat voor Graz op 16 oktober 2001. Elk programma ontvangt 4,2 miljoen EUR uit het EFRO. De totale kosten voor Wenen belopen 15,904 miljoen EUR; die voor Graz 20,555 miljoen EUR. Het Weense programmacomplement is op 08 april 2002 ontvangen en dat voor Graz op 25 maart 2002. Voor beide programma's is het jaarlijks verslag 2001 in 2002 goedgekeurd.

De beheersinstantie voor beide programma's is de stad zelf. Bij de programma's is sprake van coördinatie van de beheerscomités en vertegenwoordiging in elkaars comité. De toezichtcomités zijn twee keer bijeengekomen: eerst in februari 2002 in Wenen en later in oktober 2002 in Graz. De tweede bijeenkomst was gekoppeld aan een bijeenkomst van het Duits-Oostenrijkse URBAN II-netwerk.

De vooruitbetalingen van 7% zijn eind 2001 verricht; in 2003 hebben beide steden een eerste betalingsverzoek ingediend.

6. Afsluiting van de periode 1994-1999

EFRO

Doelstelling 1

Het jaar 2002 was voor het enige doelstelling 1-programma (Burgenland) een jaar waarin het noodzakelijke werk voor de afsluiting van het programma is verricht. De eindrapportage is in december 2002 ter goedkeuring overgelegd aan de leden van het toezichtcomité.

Doelstelling 2

Ook voor de vier doelstelling 2-programma's (Neder-Oostenrijk, Opper-Oostenrijk, Stiermarken en Vorarlberg) was 2002 het jaar waarin al het noodzakelijke werk voor de afsluiting van de programma's is verricht. Twee doelstelling 2-programma's zijn al afgesloten: dat voor Neder-Oostenrijk in november en dat voor Vorarlberg in december. Wat het doelstelling 2-programma voor Opper-Oostenrijk betreft, heeft de Commissie de eindrapportage in december goedgekeurd.

EOGFL

In totaal moeten 24 programma's worden afgesloten. De meeste documenten betreffende de afsluiting zijn door de lidstaat tussen juli en december 2002 overgelegd en door de diensten van de Commissie bestudeerd.

ESF

Doelstelling 1

Oostenrijk heeft één doelstelling 1-programma: dat voor Burgenland. Er wordt nog gewerkt aan alle voor de afsluiting vereiste elementen (eindrapportage, artikel 8-verklaring, aanvraag saldobetaling). Eind 2002 is 93% van de 33,12 miljoen EUR (ESF-bijdrage) betaald. Het door het ministerie van Economische Zaken en Arbeid op te stellen auditverslag is nog niet overgelegd aan de Commissie.

Doelstelling 2

Het betreft hier vier programma's: die voor Opper-Oostenrijk, Neder-Oostenrijk, Stiermarken en Vorarlberg. Wat het ESF betreft, is 32,353 miljoen EUR vastgelegd. Eind 2002 was 83% betaald. Geen van de voor de afsluiting vereiste documenten is tot nu toe overgelegd.

PORTUGAL

1. Doelstelling 1

EFRO

De uitvoering van de maatregelen voor de periode 2000-2006 heeft vooral vorm gekregen in het toezicht op de vele wijzigingen van reeds aangenomen programmacomplementen (12) en zes besluiten tot wijziging van de OP's. Als gevolg van de tijdens de ministersvergadering op 7 oktober 2002 door de Commissie gepresenteerde richtsnoeren inzake vereenvoudiging is er voor diverse programma's een herprogrammering voorgesteld. Ook al is nu een begin gemaakt met het onderzoek van de dossiers en de hieruit voortvloeiende administratieve stappen, zij zullen in 2002 niet worden afgerond. Portugal heeft in 2002 vijf grote projecten gepresenteerd, waarnaar onderzoeken zijn ingesteld en in het kader waarvan drie besluiten zijn genomen.

Met het oog op de horizontale onderwerpen van de verschillende operationele programma's voorziet het Portugese CB in themawerkgroepen voor de volgende thema's: milieu, gelijke kansen, informatiemaatschappij, MKB / concurrentievermogen / innovatie / kwalificatie, menselijk potentieel, gezondheid en vervoer. De activiteiten van de themagroepen zijn in 2002 in de regel weinig bevredigend gebleken, hetgeen de Commissie meerdere opmerkingen heeft ontlokt over een 'herstart' van deze werkgroepen.

In 2002 zijn de toezichtcomités van elk OP twee maal bijeengekomen.

Tijdens de vergaderingen in het eerste halfjaar zijn de verslagen besproken en goedgekeurd. In de tweede vergaderronde van de toezichtcomités voor bijna alle Portugese programma's is vooral gesproken over substantiëler voorstellen tot wijziging van programmacomplementen en operationele programma's.

Voor Portugal is, in het kader van de vereenvoudiging, te Lissabon een jaarlijkse vergadering over alle programma's belegd. Gezien de aard van de gesignaleerde problemen is een aantal programma's (zes) ook nog besproken tijdens een specifieke jaarlijkse bijeenkomst. Een ander programma (technische hulp) waarbij zich ook specifieke problemen voordeden, was aanleiding voor een brief, waarin de resultaten van de algemene jaarlijkse vergadering werden gecompleteerd.

Om het onderscheid tussen de jaarlijkse vergadering en de toezichtcomités te verhelderen, heeft de Commissie een reeks kernthema's van het CB gekozen, zowel op grond van de bij het toezicht op de programma's gesignaleerde problemen (het betreft hier de door de regionale programma's gecofinancierde POLIS-acties, nog onvolledige informatiesystemen en het vervolg op de uitkomst van de controleacties) als om strategische redenen: innovatie, productiviteit en concurrentievermogen van de Portugese economie, waarbij een reeks programma's wordt gebundeld, zoals het OP Economie, het OP Wetenschap, het OP Informatiemaatschappij, het OP Werkgelegenheid en Menselijk Potentieel en de regionale programma's. Tijdens deze bijeenkomsten ligt de nadruk sterk op het belang van de dynamiek van de themawerkgroepen, die een bijdrage moeten leveren aan de horizontale dimensie van een bepaalde CB-thematiek en zowel een grote rol moeten spelen bij de tussentijdse herziening als in het kader van een toekomstvisie op de Structuurfondsenmaatregelen na 2006.

In het jaar 2002 is er grote vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de meeste maatregelen en zijn de bestedingen versneld. Op 31 december 2002 beliepen de op nationaal niveau genomen financieringsbesluiten en de financiële uitvoering respectievelijk 49,3% en 23,5% van de totale kosten van het CB en 47,5% van de voor de eerste drie jaar van de betrokken periode geprogrammeerde uitgaven, in termen van overheidsuitgaven.

Op 31 december 2002 bedroegen de gecumuleerde EFRO-betalingen 55,8% van het voor de eerste drie jaar van de betrokken periode geprogrammeerde bedrag. In 2002 zijn bij de Commissie 60 desbetreffende uitgavenverklaringen ingediend. Voor alle programma's is ten minste één betalingsverzoek ingediend en de n+2-regel is in 2002 niet toegepast.

EOGFL

Het EOGFL-Oriëntatie ondersteunt zwaartepunt 2 van CB III (het OP voor landbouw en plattelandsontwikkeling) met een financiële bijdrage van 1.097,2 miljoen EUR.

Ook ondersteunt dit fonds, samen met de andere fondsen, zeven OP's voor de verwezenlijking van zwaartepunt 4 (duurzame ontwikkeling van de regio's en nationale samenhang) met een financiële bijdrage van 1.020,1 miljoen EUR.

Voor de vijf OP's van het vasteland is in 2002 een wijzigingsbesluit genomen, waarbij de maatregel voor de kleinschalige landbouw is gewijzigd.

Alle jaarlijkse verslagen van de acht door het EOGFL-Oriëntatie gesteunde programma's zijn ingediend en hebben geresulteerd in verzoeken om aanvullende informatie.

Wat de uitvoering van het OP voor landbouw en plattelandsontwikkeling betreft, zijn er in 2002 vier betalingen verricht ten bedrage van 158,7 miljoen EUR ofwel 14% van de voor dit programma voorziene bijdrage van het EOGFL-Oriëntatie.

De jaarlijkse ontmoeting tussen de Commissie en de beheersinstantie van het OP ADR, in het kader van artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999, vond in november 2002 plaats. Tijdens deze ontmoeting werd vooral gesproken over de verbetering van het verslag over 2001, het controlesysteem, de uitvoering van de maatregelen en informatie over de tenuitvoerlegging van het milieubeleid, in het bijzonder de toepassing van de nitraatrichtlijn.

FIOV

Vasteland

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de bijdrage van het FIOV aan het operationele programma voor de visserij 163,3 miljoen EUR, waarvan 64 miljoen EUR is bestemd voor vlootmaatregelen en 56 miljoen EUR voor de bescherming en ontwikkeling van de visstand, havenfaciliteiten, verwerking en afzet. Op 30 september 2002 was 29,7 miljoen EUR betaald - hoofdzakelijk ter compensatie van de leegloop als gevolg van de niet-verlenging van de visserijovereenkomst tussen de EU en Marokko.

Azoren

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de bijdrage van het FIOV 29 miljoen EUR. De hoofddoelstellingen zijn onder andere vlootmodernisering, bescherming en ontwikkeling van de visstand en ontwikkeling van de aquacultuur. Op 25 oktober 2002 was 1,7 miljoen EUR betaald.

Madeira

De FIOV-bijdrage voor de periode 2000-2006 bedraagt 20 miljoen EUR; 16% van de uitgaven is bestemd voor vlootmaatregelen. Enkele doelstellingen zijn verdubbeling van de visproductie en verviervoudiging van de aquacultuurproductie. Op 30 september 2002 was 1,4 miljoen EUR betaald.

Alentejo

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de FIOV-bijdrage 0,55 miljoen EUR, voor betere productie-, verwerkings- en afzetomstandigheden in de sector visserij en aquacultuur. Op 30 november 2002 had de beheersinstantie minder dan 1% besteed.

Algarve

De FIOV-bijdrage voor de periode 2000-2006 bedraagt 1,8 miljoen EUR, voor ontwikkeling van de aquacultuur en verbetering van de kwaliteit van de visproducten. Op 30 november 2002 had de beheersinstantie 0,3% besteed.

Midden

Voor de periode 2000-2006 bedraagt de FIOV-bijdrage 1,5 miljoen EUR, voor ontwikkeling van de aquacultuur en verbetering van de kwaliteit van de visproducten. Op 30 november 2002 had de beheersinstantie 0,2% besteed.

Noord

De FIOV-bijdrage voor de periode 2000-2006 bedraagt 1,65 miljoen EUR, voor ontwikkeling van de aquacultuur en verbetering van de kwaliteit van de visproducten. Op 30 november 2002 had de beheersinstantie 0,2% besteed.

ESF

De ESF-maatregelen in het kader van de twee programma's waarvoor DG Werkgelegenheid en sociale zaken de hoofdverantwoordelijkheid draagt (OP Onderwijs en OP Werkgelegenheid, Opleiding en Sociale Ontwikkeling) zijn op regelmatige wijze voortgezet in het licht van de richtsnoeren die zijn vastgelegd in de strategieën op het gebied van werkgelegenheid en sociale integratie. Op de aan het eind van het jaar gehouden gezamenlijke jaarlijkse bijeenkomst zijn fundamentele kwesties die eigen zijn aan de situatie van het arbeidspotentieel in Portugal geanalyseerd, in het bijzonder het probleem van de schooluitvallers en het levenslang leren door werknemers. Tijdens deze bijeenkomst van de betrokken beheersinstanties en de diensten van de Commissie is nagegaan welk effect de ESF-bijdrage heeft op de Europese werkgelegenheidsstrategieën en de sociale integratie.

Wat de financiële uitvoering betreft, bedroegen de totale betalingskredieten van het ESF 2002, die aangewend worden voor tussentijdse betalingen van CB III, circa 671 miljoen EUR; op 31 december 2002 vormde de gecertificeerde gecumuleerde uitgave 23% van de voor de periode 2000-2006 geprogrammeerde middelen. De grootste uitgaven zijn gedaan voor de programma's Werkgelegenheid, Opleiding en Sociale Ontwikkeling, Onderwijs, Lissabon en de Taag-vallei, Wetenschap, Technologie en Innovatie en de OP's van de autonome gemeenschappen Azoren en Madeira. Er moet echter op worden gewezen dat problemen die inherent zijn aan de uitvoering van de enige door het ESF in het kader van het OP Gezondheid gecofinancierde maatregel hebben geleid tot toepassing van de n+2-regel, waardoor een bedrag van 1,069 miljoen EUR voor 2000 is geannuleerd.

2. Communautaire initiatieven

2.1 Leader+

Dit nationale communautair-initiatiefprogramma (161,6 miljoen EUR ten laste van het EOGFL) is op 25 juli 2001 goedgekeurd in de vorm van een algemene subsidie. De betreffende financieringsovereenkomst is op 14 december 2001 ondertekend en er zijn in 2002 twee betalingen ontvangen. De selectieprocedure van de 52 plaatselijke actiegroepen is voltooid (46 voor het vasteland, 4 voor de Azoren en 2 voor Madeira).

2.2 EQUAL

Aan het eind van actie 1, die in de eerste maanden van 2002 liep, konden 109 van de 116 aanvankelijk geselecteerde ontwikkelingspartnerschappen overgaan naar actie 2; 107 ervan bevinden zich in de fase van effectieve projectuitvoering. Alle OP's hebben overeenkomsten voor transnationale samenwerking gesloten.

De indeling van de projecten per prioriteit lijkt relatief uitgebalanceerd in de specifieke context van Portugal; het grootste aantal projecten (36) behoort tot het thema 'Capaciteit op het gebied van de inschakeling in het arbeidsproces'.

Ook is er een begin gemaakt met de thematische netwerkvorming op nationaal vlak: van de negen geplande themanetwerken is het eerste, het combineren van werk en gezin en een sociaal leven, eind van het jaar gelanceerd.

2.3 URBAN

Er zijn voor Portugal drie URBAN II-programma's - Amadora (Damaia-Buraca), Lisboa (Lissabon; Vale de Alcântara) en Porto-Gondomar -, die alledrie op 30 november 2001 zijn goedgekeurd. De totale subsidiabele kosten van de drie programma's belopen 29.591.535 EUR. De totale EFRO-bijdrage bedraagt 19.200.000 EUR. Amadora ontvangt een steunbedrag van 3.562.152 EUR, Lisboa één van 5.663.822 EUR en Porto-Gondomar één van 9.974.026 EUR. Alle programmacomplementen zijn in maart 2002 ontvangen en de definitieve versies zijn in juni 2002 goedgekeurd.

De regionale coördinatiecommissies zijn de beheersinstanties voor de programma's op regionaal vlak, voor Amadora en Lisboa vanuit de Lisboa e Vale do Tejo-regio en voor Porto-Gondomar vanuit de Norte-regio. De toezichtcomités voor alle programma's zijn al twee keer bijeengekomen.

De vooruitbetalingen van 7% zijn begin 2002 verricht. Voor de Lisboa- en Amadora-programma's zijn in april 2003 de eerste aanvragen om tussentijdse betaling ingediend.

3. Afsluiting van de perioden 1989-1993 en 1994-1999

EFRO

Periode 1989-1993: alle programma's uit de periode 1989-1993 zijn afgesloten, met uitzondering van PNICIAP (EFRO nr. 87.12.09.001) en FORAL (EFRO nr. 93.12.07.002): wat het eerste betreft, moet er nog een bedrag per debetnota worden betaald; naar aanleiding van laatstgenoemde programma's is OLAF ingeschakeld wegens het vermoeden van fraude.

Periode 1994-1999: de afsluiting van de programma's uit de periode 1994-1999 loopt achter op de planning: alle verzoeken met betrekking tot de programma's waarvan de uiterste betalingsdatum niet is uitgesteld, hadden vóór het einde van 2002 moeten worden ingediend.

Volgens de verordening moeten alle verzoeken uiterlijk op 31 maart 2003 bij de Commissie worden ingediend, anders worden kredieten automatisch geannuleerd.

Van de 40 af te sluiten maatregelen zijn 8 dossiers al afgesloten en worden de overige 32 nog bestudeerd: in 15 gevallen zijn de drie essentiële documenten (eindrapportage, betalingsverzoek en verklaring met betrekking tot artikel 8 van Verordening nr. 2064/1997) overgelegd, hoewel de procedure in twee gevallen is onderbroken doordat er om aanvullende informatie is verzocht; in de resterende 17 gevallen is er, soms met uitzondering van de eindrapportage over de uitvoering, geen enkel document ingediend.

Een aantal programma's zal gedeeltelijk worden afgesloten omdat de steun niet in zijn totaal is overgeheveld naar de begunstigde ondernemingen, maar gedeeltelijk is achtergehouden door de intermediaire instantie om beheerskosten te dekken (de lidstaat heeft hierover een met redenen omkleed advies ontvangen).

De vertraging bij de indiening van de betalingsverzoeken zou verband houden met het feit dat de Portugese autoriteiten deze verzoeken vergezeld doen gaan van de 'artikel 8-verklaring', terwijl de onafhankelijke instantie (IGF) deze controleverslagen in een langzamer tempo opstelt.

De nog te betalen kredieten voor de 32 nog niet afgesloten maatregelen bedragen 662.765.544,40 EUR.

ESF

Periode 1989-1993

DG Werkgelegenheid en sociale zaken voorziet dat alle nog openstaande dossiers vóór de zomer van 2003 worden afgesloten.

Periode 1994-1999

De afsluiting van de programma's van de ESF-component wordt in 2003 verwacht aangezien de meeste OP's de saldobetaling vóór de uiterste datum van 31 maart 2003 zullen aanvragen. De betalingsautoriteit van het ESF in Portugal heeft twee OP's voor afsluiting ingediend ('Madeira' en 'Pediza') en om procedurele redenen verlopen deze afsluitingsprocessen langzamer dan gepland en zullen zij pas in 2003 worden afgerond. De nog te betalen kredieten voor de negen ESF-maatregelen in het CB II bedragen 181.015.308 EUR.

4. Evaluatie en controle

EFRO

De programma's en het CB hebben een technische evaluatiegroep in het leven geroepen, die toezicht moet houden op het verloop van de evaluatiewerkzaamheden. In 2002 zijn alle groepen minstens twee keer bijeengekomen en spitste het werk zich toe op de formulering van de taakomschrijving van de evaluaties en op het houden van de aanbestedingen. Voorafgaand aan de groepsbijeenkomsten hebben er gezamenlijke voorbereidingsvergaderingen van diensten plaatsgevonden en vergaderingen met de evaluatie-eenheden. Alle aanbestedingen zijn in 2002 gehouden en alle contracten zijn in 2002 gesloten, met uitzondering van twee programma's (OP Economie en OP Algarve), waarbij de concurrenten in beroep zijn gegaan tegen de beslissing van de jury. In 2002 zijn nog enkele voortgangsverslagen ontvangen (OP C&T, Onderwijs, Informatiemaatschappij, Cultuur, Gezondheid, Toegankelijkheid en Vervoer en Norte).

Naast deze vaste evaluaties is er nog sprake van andere thematische evaluaties (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de OP's Onderwijs en Economie).

INTERREG II A SPANJE / PORTUGAL - Controlebezoek van 13 mei 2002

Gezien de selectiecriteria van de Inspecção Geral de Administração do Território (IGAT) bestaat het risico dat omvangrijke projecten te veel gewicht in de schaal leggen bij de steekproef die wordt gecontroleerd op naleving van artikel 3, lid 2, van Verordening nr. 2064/97.

De Inspecção Geral de Finanças (IGF), de artikel 8-instantie, heeft een extern accountantskantoor (BDO) in de arm genomen om bepaalde werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de afgifte van de artikel 8-verklaring. In het afsluitingswerk van BDO wordt niet ingegaan op bovengenoemde kwestie van de representativiteit van de steekproef.

FIOV

De ter plaatse gecontroleerde systemen voldoen aan de in de verordeningen vastgelegde normen. De nationale autoriteiten wordt verzocht te blijven letten op de scheiding van de beheers- en de controleprocedures en bepaalde elementen te specificeren.

ESF

De ESF-beheersinstantie heeft coördinatiewerkzaamheden verricht om een gemeenschappelijke aanpak te garanderen bij de evaluatie van de ESF-maatregelen van de verschillende OP's. De beoordelaars van de OP's en het CB zijn eind 2002 bijna allemaal benoemd. In december 2002 zijn de resultaten bekendgemaakt van vier thematische evaluaties met betrekking tot de maatregelen 'Programma voor stages in het hoger onderwijs', 'Gediversifieerd kortdurend onderwijs', 'Ano qualificante pos basico' en 'Gediversifieerde trajecten in het basisonderwijs' van het OP Onderwijs.

FINLAND

1. Doelstelling 1

EFRO

Algemeen en EFRO

Er zijn twee doelstelling 1-programma's op het vasteland van Finland (Oost- en Noord-Finland) en twee doelstelling 2-programma's (Zuid- en West-Finland); er is een doelstelling 2-programma op de Åland-eilanden, de Zweedstalige autonome regio. De totale steun van de Structuurfondsen voor de periode 2000-2006 bedraagt 1.455 miljoen EUR, waarvan ca. 60% oftewel 868 miljoen EUR EFRO-financiering is (ca. 471 miljoen EUR voor doelstelling 1 en ca. 397 miljoen EUR voor doelstelling 2).

De financiële uitvoering van zowel de doelstelling 1- als de doelstelling 2-programma's op het vasteland van Finland is goed voortgezet. Eind 2002 was ca. 40% van de totale EU-financiering voor de doelstelling 1- en doelstelling 2-programma's samen toegewezen (vastgelegd). Vanwege de grote vraag vanuit de praktijk, met name bij de programma's op het vasteland, waren de eind 2002 bij de Commissie ingediende betalingsaanvragen toereikend om annulering van gelden uit de begroting voor het jaar 2000 van alle vier Structuurfondsen te ontlopen. De door de Commissie verrichte betalingen bedroegen 18 tot 25% van de totale begroting voor EFRO en ESF, en 15 tot 17% voor EOGFL, FIOV en het doelstelling 2-programma voor Åland (alleen EFRO).

De eerste vergaderingen van de toezichtcomités in 2002 hebben plaatsgevonden in mei (vasteland doelstelling 2) en in juni (doelstelling 1 en Åland doelstelling 2). Hoofdpunten op de agenda waren het goedkeuren van de jaarlijkse uitvoerings verslagen over 2001 en het in gang zetten van de tussentijdse evaluatie. In het kader van deze vergaderingen zijn persconferenties en diverse projectbezoeken en -presentaties georganiseerd; er is bijvoorbeeld een bezoek gebracht aan ICT- en technologische vernieuwingsprojecten in Lappeenranta. De tweede reeks vergaderingen van de toezichtcomités is in december gehouden als gezamenlijke vergaderingen in Helsinki, met als de belangrijkste punten de verdeling van de fondsen voor technische hulp in 2003, de eerste voorbereidingen voor de tussentijdse evaluatie en aanpassingen aan het programma. In het kader van deze vergaderingen is een gezamenlijk seminar georganiseerd over de informatiemaatschappij. Voor de Åland-eilanden is de tweede vergadering gehouden in november in Mariehamn.

Eind juni 2002 heeft de Commissie de jaarverslagen over 2001 ontvangen voor de vijf Finse doelstelling 1- en 2-programma's. Eind augustus heeft de Commissie de goedkeuringsbrieven voor de verslagen verstuurd. De belangrijkste indicatoren voor het toezicht binnen de programma's, zijnde het scheppen van nieuwe banen en ondernemingen, gaven goede resultaten te zien: de doelstelling 1- en 2-programma's hadden samen meer dan 31% van het streefcijfer voor nieuwe banen gerealiseerd, oftewel 245.535 van de 77.670 banen, en ca. 14% van het streefcijfer voor nieuwe ondernemingen, oftewel 2.684 van de 19.100 ondernemingen (deze gegevens zijn gedeeltelijk gebaseerd op ramingen).

Op 4 oktober 2002 hebben DG Regionaal beleid en de Finse autoriteiten in Oulu de definitieve overeenkomst getekend inzake EFRO-cofinanciering van zachte leningen aan Finnvera (een gespecialiseerde financieringsmaatschappij van de overheid) voor kleine ondernemingen behorend tot de doelstelling 1- en 2-programma's op het vasteland van Finland.

De tweede jaarlijkse evaluatievergadering van de Commissie met de beheersautoriteit van Åland is gehouden op 4 november en die van de Commissie met de beheersautoriteit voor het vasteland van Finland op 25 november 2002 in Brussel. De evaluatie betrof de jaarverslagen over 2001, de belangrijkste gebeurtenissen en resultaten van 2001 met de follow-up, beheerszaken, ontwikkelingen in de operationele omgeving en in de sociaal-economische situatie, en tot slot uitwisseling van informatie, onder andere over de ontwikkelingen rond het toekomstige cohesiebeleid. Op de evaluatievergadering voor het vasteland werd geconcludeerd dat de programma's goede vorderingen maakten, en is onder andere afgesproken dat het werk aan betere analyses op programmaniveau in de jaarverslagen wordt voortgezet. Bij de Åland-evaluatie werd opgemerkt dat door de zogenaamde n+2-regel betreffende ambtshalve annuleringen, een vlotte uitvoering van het programma en snelle betalingen aan projecten van essentieel belang zijn om de EU-financiering tijdens de gehele programmaperiode volledig te kunnen benutten.

Wat de discussie over het toekomstige cohesiebeleid betreft, zijn zowel de Finse autoriteiten als de regio's actief geweest met het indienen van standpuntverklaringen, alsmede met het deelnemen aan seminars en het organiseren van evenementen, zoals de rondetafelconferentie georganiseerd in het voorjaar van 2002 in Brussel door de Finse vereniging van plaatselijke en regionale autoriteiten voor besprekingen met vertegenwoordigers van DG Regionaal beleid.

EOGFL

Tijdens de programmeringsperiode 2000-2006 worden door het EOGFL twee doelstelling 1-programma's in Finland gecofinancierd: Oost-Finland (EOGFL-cofinanciering 127,6 miljoen EUR) en Noord-Finland (EOGFL-cofinanciering 69,5 miljoen EUR), wat overeenkomt met 20% van de totale cofinanciering van de EU. In beide programma's worden plattelandsontwikkelingsmaatregelen, voor 50% gecofinancierd door EOGFL-Oriëntatie, bijeengebracht onder de respectievelijke prioriteiten voor plattelandsontwikkeling.

Er is vooruitgang geboekt met de uitvoering van beide programma's in 2002; in totaal zijn er 2692 projectbesluiten genomen in Oost-Finland en 1569 in Noord-Finland. De snelste besteding vond net als in 2001 plaats bij de maatregel 'Investeringen in landbouwbedrijven'.

De voor eind 2002 gestelde streefcijfers voor besteding van EOGFL-gelden zijn in beide programma's gehaald. Van de 69,0 miljoen EUR die in 2000-2002 is vastgelegd, is een bedrag van 32,1 miljoen EUR uitbetaald.

FIOV

De totale FIOV-bijdrage aan de Finse doelstelling 1-programma's in 2000-2006 bedraagt ca. 6,9 miljoen EUR (2,646 miljoen EUR in Oost-Finland en 4,207 miljoen EUR in Noord-Finland). Het grootste deel van de financiering is bestemd voor visteelt, havenfaciliteiten voor de visserij, en verwerking en afzet. Het programma voor Oost-Finland heeft zeer goede vorderingen gemaakt (53% van de FIOV-fondsen voor 2000-2006 is vastgelegd en 14% is uitbetaald), terwijl de uitvoering van het FIOV-deel van het programma voor Noord-Finland achterloopt (21% van de FIOV-fondsen voor 2000-2006 is vastgelegd en 14% is uitbetaald). De belangrijkste reden voor dit trage tempo is de lopende herziening van het Gemeenschappelijke Visserijbeleid en de daarmee samenhangende onzekerheid, met name over het toekomstige beleid met betrekking tot de vloot en de bescherming van visgronden.

Het toezichtcomité voor Noord-Finland heeft in 2002 één financiële aanpassing in de FIOV-financiering goedgekeurd; het betreft een uitbreiding van de technische hulp voor alle maatregelen. Het toezichtcomité voor Oost-Finland heeft erin toegestemd dat de technische hulp voor alle maatregelen wordt uitgebreid en dat gelden binnen de visserijmaatregel worden overgeheveld van verwerking en afzet naar visteelt.

ESF

Doelstelling 1

De ESF-bijdrage voor de Finse doelstelling 1-programma's bedraagt ca. 273 miljoen EUR (Noord-Finland 89,375 miljoen en Oost-Finland 183,592 miljoen). De maatregelen in deze programma's voor ontwikkeling van het arbeidspotentieel zijn in overeenstemming met het betreffende ESF-beleidskader, waartoe onder andere behoren: ontwikkeling van uitzendbureaus, bevordering van ondernemerschap en deskundigheid, bevordering van de inzetbaarheid en voorkoming van werkloosheid, en voorkoming van uitsluiting van de arbeidsmarkt en bevordering van gelijkheid op de arbeidsmarkt.

Eind september 2002 was in Noord-Finland 33,7% van de ESF-financiering vastgelegd en 14,7% uitbetaald (er is subsidie verstrekt voor 230 projecten, waaraan bij de start 12.999 personen deelnamen. Hiervan is 51% vrouw).

De ESF-bijdrage voor de Oost-Finland bedraagt EUR183,592. De maatregel omvat de ontwikkeling van opleidingen en de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van het onderwijs, ontwikkeling van de deskundigheid en vaardigheden van de arbeidskrachten, bevordering van een functionelere arbeidsmarkt en een grotere inzetbaarheid, bevordering van gelijkheid van man en vrouw in het werk. Eind september 2002 was 36,4% van de ESF-financiering vastgelegd en 17,2% uitbetaald in Oost-Finland (voor 323 projecten, met bij de start 32.704 deelnemers, was subsidie verstrekt. Hiervan is 49% vrouw).

Doelstelling 2

De ESF-bijdrage aan de Finse doelstelling 2-programma's bedraagt 110 miljoen EUR (West-Finland 65 miljoen EUR en Zuid-Finland 45 miljoen EUR). De ESF-maatregelen omvatten onder andere bevordering van het ondernemerschap en personeels ontwikkeling, vergroting van de bekwaamheid van de beroepsbevolking en van de beschikbaarheid van opleidingen, verbetering van de werkgelegenheid en versterking van de relatie tussen opleiding en werk, voorkoming van uitsluiting en vergroting van de deskundigheid van actoren in de sectoren cultuur en milieu.

Eind september 2002 was in West-Finland 35% van de ESF-financiering vastgelegd en 13% uitbetaald (er is subsidie verstrekt voor 313 projecten, waaraan bij de start 23.896 personen deelnamen), en in Zuid-Finland was 37% vastgelegd en 17% uitbetaald (er is subsidie verstrekt voor 215 projecten, waaraan bij de start 22.149 personen deelnamen).

Tijdens de gezamenlijke jaarlijkse evaluatievergadering van de doelstelling 1- en 2-programma's zijn de verbanden tussen het ESF en de Europese werkgelegenheidsstrategie besproken, evenals de complementariteit tussen de ESF-programma's van doelstellingen 2 en 3.

2. Doelstelling 3

De ESF-financiering voor het EPD van doelstelling 3 (exclusief de Åland-eilanden) bedraagt in totaal 416 miljoen EUR. Het EPD vermeldt vier beleidsprioriteiten, overeenkomstig het ESF-beleidskader:

1. inspelen op de vraag naar arbeid en verbeteren van de inzetbaarheid (29% van de ESF-toewijzing);

2. bevorderen van de gelijkheid en gelijke kansen in de arbeidssfeer (19% van de ESF-toewijzing).

3. verbeteren van de kwaliteit en doeltreffendheid van onderwijs en opleiding, bevorderen van de arbeidsmobiliteit en versterken van de integratie tussen onderwijs en werk (19% van de ESF-toewijzing).

4. ontwikkelen van het menselijk kapitaal ter bevordering van het ondernemerschap en de kwaliteit van het werk, en gebruik maken van de mogelijkheden van onderzoek en technologie (29% van de ESF-toewijzing).

Een extra prioriteit is technische hulp (4% van de ESF-toewijzing).

De belangrijkste arbeidsmarktproblemen waarop het doelstelling 3-programma is gericht, zijn: het hoge werkloosheidspercentage; het gevaar van uitsluiting van bepaalde groepen (bijv. langdurig werklozen, jonge werklozen, ouderen en gehandicapten) van de arbeidsmarkt, en knelpunten op de arbeidsmarkt; het betrekkelijk lage percentage ondernemers; een gebrek aan vaardigheden, vooral bij oudere werknemers met een laag opleidingsniveau en verouderde vaardigheden; discriminatie op basis van sekse op de arbeids- en onderwijsmarkt; de noodzaak om de relatie tussen onderzoek, onderwijs/opleiding en werk te verbeteren; verruiming van de mogelijkheden voor levenslang leren, en stimulering van het gebruik daarvan.

Eind september 2002 bedroegen de vastleggingen 34,85% en de betalingen 30,76% van de ESF-toewijzing voor 2000-2006. Er was subsidie verleend voor 1041 projecten, waaraan bij de start 130.668 personen deelnamen.

De tweede jaarlijkse evaluatie heeft in oktober in Helsinki plaatsgevonden. Daarbij zijn de volgende onderwerpen behandeld: de samenhang met de voorgestelde strategie, het verband met het nationale actieplan voor maatschappelijke integratie, de financiële uitvoering, het toezicht, de vereenvoudiging en het vervolg op de conclusies van vorig jaar. Er zijn maatregelen afgesproken om de regelingen voor toezicht en beheer te verbeteren.

Het aparte doelstelling 3-programma voor de autonome regio Åland-eilanden, met 2,6 miljoen EUR aan financiering van het ESF, is als volgt verlopen: ESF-vastleggingen 35,2%, uitbetalingen 18,5%, aantal projecten 24, en ca. 1000 deelnemers. De tweede jaarlijkse evaluatie vond plaats in de vorm van een briefwisseling over de uitvoering van de bijstand. De belangrijkste onderwerpen waren de mogelijkheden voor versnelling van de uitvoering van een bepaalde maatregel, het verband met de Europese strategieën voor werkgelegenheid en maatschappelijke integratie, en de prestatiereserve.

De evaluatie van het doelstelling 3-programma is in 2001 gestart, en de tweede reeks voortgangsrapporten is in september 2002 ingediend. De Finse autoriteiten hebben verschillende consortia aangesteld per prioriteit en een leidend team voor de evaluatie van doelstelling 3.

3. FIOV buiten doelstelling 1

De totale FIOV-bijdrage voor 2002-2006 bedraagt 32 miljoen EUR. Hiervan is 55% bestemd voor de bescherming en ontwikkeling van de visstand, visteelt, havenfaciliteiten voor de visserij, verwerking en afzet, en binnenvisserij. 11% van de financiering gaat naar de Åland-eilanden, waarvoor een apart plan bestaat. Tot nu toe is 35% van de FIOV-fondsen voor 2000-2006 vastgelegd en is 15% uitbetaald. Daarmee ligt het programma op schema ten opzichte van de streefcijfers.

De programma-uitvoering is nogal onevenwichtig geweest. Voor bedrijfsvoering door vaklieden en vernieuwingsmaatregelen is 100% van de gelden vastgelegd, terwijl er voor sloop, kleinschalige kustvisserij, sociaal-economische maatregelen en tijdelijke stopzetting van activiteiten niets is vastgelegd. Door ontvangst van twee tussentijdse betalingsaanvragen in 2002 is in elk geval voldaan aan de n+2-regel.

Nadat de Commissie op 9 januari 2002 het originele programmacomplement had ontvangen, hebben de toezichtcomité's zowel technische als financiële wijzigingen goedgekeurd. In 2002 is een wijziging aan de indicatoren voor de prestatiereserve goedgekeurd.

4. Communautaire initiatieven

4.1 Leader+

Er is één Leader+-programma in Finland. De totale kosten van het programma voor de openbare sector bedragen 110,8 miljoen EUR, waaraan EOGFL-Oriëntatie voor 55,4 miljoen EUR (50%) bijdraagt.

In het kader van dit programma zijn in verschillende regio's van Finland 25 lokale actiegroepen geselecteerd, die ondersteund worden door een landelijk netwerk. Naast de Europese thema's zijn er twee nationale thema's. Dit zijn: 1) afremmen van de migratie van het platteland naar de bevolkingscentra, en bevorderen van de migratie naar het platteland; en 2) vergroting van de wisselwerking tussen landelijke en stedelijke gebieden.

Er zijn in 2002 twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden. In juni 2002 heeft de Commissie het jaarverslag van Leader+ over 2001 ontvangen; het document werd bevredigend bevonden. De jaarlijkse evaluatievergadering met de beheersautoriteit is in december 2002 gehouden.

Van de in 2001-2002 vastgelegde 16,5 miljoen EUR is een bedrag van 5,8 miljoen EUR uitbetaald.

4.2 EQUAL

In Finland waren eind 2001 37 ontwikkelingspartnerschappen uitgekozen voor de voorbereidende fase (actie 1). De pijler 'inzetbaarheid' was overtekend (19 partnerschappen), bij de pijlers 'ondernemerschap' (vijf partnerschappen) en 'aanpassingsvermogen' (10 partnerschappen) was nog ruimte over. In de voorbereidingsfase moesten de meeste ontwikkelingspartnerschappen hun werkprogramma herzien vanwege een lagere begroting, hun nationale en transnationale partnerschappen voltooien en een concept-werkprogramma opstellen voor actie 3. Hierbij hadden de meeste veel steun nodig van het nationale steunpunt. Zij zijn er echter alle in geslaagd aanvaardbare documenten bij de beheersautoriteit in te dienen, die op 15 mei 2002 voor actie 2 en actie 3 zijn goedgekeurd. De strategie voor beleidsintegratie en de nationale thema's zijn door het toezichtcomité goedgekeurd; een van de ontwikkelingspartnerschappen, gekozen op basis van een open aanbesteding, krijgt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van de nationale themanetwerken. Er worden nationale themanetwerken georganiseerd voor alle thema's in dit communautaire initiatief. In september 2002 is een seminar over nationale themanetwerken georganiseerd voor alle ontwikkelingspartnerschappen en verscheidene belangrijke actoren.

In 2002 is begonnen met de evaluatie van het EQUAL-programma in Finland.

4.3 URBAN

Het URBAN II-programma voor Helsinki-Vantaa, goedgekeurd in december 2001, is het enige in Finland. Het EFRO draagt in totaal 5,3 miljoen EUR aan dit programma bij, waarvan de totale kosten 22,5 miljoen EUR bedragen. Het programmacomplement is in juli 2002 door de toezichtcomités goedgekeurd en bij de Commissie ingediend. Het jaarlijkse uitvoeringsverslag over 2001 van het URBAN II-programma voor Helsinki-Vantaa is in augustus 2002 bij de Commissie ingediend.

De beheersautoriteit voor het programma is de gemeente Helsinki, en het functionele dagelijkse beheer is gedelegeerd aan URBAN Helsinki-Vantaa. Het toezichtcomité heeft in 2002 tweemaal vergaderd.

In maart 2002 is een voorschot betaald ten bedrage van 7% van de totale EFRO-bijdrage aan het programma. Er zijn in 2002 geen tussentijdse betalingsaanvragen ontvangen.

5. Afsluiting van voorgaande periodes

EFRO

De uiterste datum voor betalingen aan projecten uit de regionale ontwikkelingsprogramma's van 1995-1999 was 31 december 2001. Hoewel de Commissie in 2002 veel van de eindverslagen en betalingsaanvragen uit Finland nog niet officieel ontvangen heeft (de uiterste indieningsdatum hiervoor was 31 maart 2003), was de afsluiting van alle programma's in voorbereiding bij de nationale autoriteiten en zijn de meeste concepteindverslagen ook in 2002 met de Commissie besproken. Uit voorlopige gegevens over de doelstelling 2- en doelstelling 6-programma's blijkt dat eind 2001 een hoog percentage van de EU-begroting uitbetaald was aan projecten (doelstelling 6 ca. 99% en doelstelling 2 meer dan 94%). Voor drie territoriale werkgelegenheidspacten, een INTERREG-programma en een URBAN-programma zijn de saldobetalingen aangevraagd en eindverslagen ingediend; afsluiting volgde eind 2002. Er resteren nog dertien door het EFRO gecofinancierde programma's die in 2003 moeten worden afgesloten.

Leader+

De eindverslagen, aanvragen om saldobetaling en afsluitende verklaringen benodigd voor het afsluiten van de programma's uit 1994-1999 zijn ontvangen voor het programma 'verbetering van de omstandigheden voor verwerking en afzet van landbouwproducten' (Verord. 951/97), voor het doelstelling 5-programma voor de Åland-eilanden en voor het nationale netwerk voor Leader II.

ESF

Er zijn zes operationele ESF-programma's uit de programmeringsperiode 1994-1999 die afgesloten moeten worden. De Commissie heeft in 2002 geen afsluitings documenten van Finland ontvangen. Finland heeft de Commissie laten weten dat deze documenten en de aanvragen om saldobetaling eind maart 2003 zullen worden ingediend.

6. Evaluatie

Doelstellingen 1 en 2

EFRO

De tussentijdse evaluaties van de doelstelling 1- en 2-programma's op het vasteland van Finland worden geleid door een gezamenlijke evaluatiegroep, waarin regio's, ministeries en de Commissie vertegenwoordigd zijn, en die in 2002 viermaal vergaderd heeft. In april 2002 heeft de beheersautoriteit de contracten getekend met de evaluatieconsortiums (een voor de twee doelstelling 1-programma's en een per doelstelling 2-programma). Het contract voor de tussentijdse evaluatie van het programma voor de Åland-eilanden is in oktober getekend, en de stuurgroep heeft driemaal vergaderd.

EOGFL - Leader+

De evaluatiestuurgroep is in 2002 opgericht om leiding te geven aan de tussentijdse evaluatie. De groep bestaat uit vertegenwoordigers van het ministerie van Land- en Bosbouw, lokale actiegroepen, NGO's en de Commissie. De taakomschrijving voor de tussentijdse evaluatie is vastgesteld, waarna de aanbesteding heeft plaatsgevonden en de evaluatoren voor de tussentijdse evaluatie zijn aangesteld.

ESF

In 2001 is begonnen aan de evaluatie van de uitvoering van het ESF-beleidskader in de doelstellingen 1, 2 en 3. In december 2002 zijn vijf eindverslagen ingediend, waarin de volgende thema's behandeld worden: informatiemaatschappij, inbouwen gelijke kansen in het reguliere beleid, duurzame ontwikkeling, lokaal partnerschap en anticipatie. Het samenvattende verslag over de strategische prioriteiten is gepland voor 2003.

Evaluatie achteraf van doelstelling 6

Eind 2002 is de evaluatie achteraf van het Finse doelstelling 6-programma, waarvoor opdracht was gegeven door DG Regionaal beleid, afgerond en was de evaluatie achteraf van doelstelling 2 bijna voltooid. Volgens de evaluatie van doelstelling 6 zijn naar schatting bijna 12.500 banen gecreëerd of zekergesteld, zijn ca. 3.700 nieuwe ondernemingen opgericht en hebben ca. 110.000 mensen deelgenomen aan opleidingen. De beoordelaars concludeerden dat het, gezien de omvang van het ontvolkingsprobleem, dat al tientallen jaren speelt, niet realistisch zou zijn te verwachten dat het programma dit probleem met de beschikbare hoeveelheid geld zou kunnen oplossen. Toch heeft het doelstelling 6-programma een positieve invloed gehad op de deelnemende regio's, en de strategische keuze om het programma te concentreren op ontwikkeling van het menselijk potentieel en ondernemerschap is zeer relevant geweest.

ZWEDEN

1. Doelstelling 1

EFRO

Er zijn twee doelstelling 1-programma's in Zweden, Norra Norrland en Södra Skogslänsregionen. De totale steun uit de Structuurfondsen voor de periode 2000-2006 bedraagt 722 miljoen EUR.

De uitvoering verloopt probleemloos en de vraag is nog steeds zeer groot. Eind 2002 was ongeveer 67% van de totale begroting voor 2000-2006 toegewezen aan projecten, en was 23% van de totale begroting uitbetaald aan projecten. Eind 2002 waren voldoende betalingsaanvragen bij de Commissie ingediend om ambtshalve annulering van gelden uit de begroting van 2000 te voorkomen. Voor beide programma's bedroegen de betalingen van de Commissie tussen de 20 en 25% van de totale begroting voor EFRO, ESF en EOGFL.

In 2002 zijn voor elk programma twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden, in februari/maart en in november. Bij de eerste vergaderingen zijn ook projectbezoeken en persconferenties gehouden. Een werkgroep bestaande uit leden van beide toezichtcomités, de beheersautoriteiten en de Commissie is actief betrokken geweest bij de voorbereiding van de tussentijdse evaluatie, door te helpen met het opstellen van de taakomschrijving. De werkgroep heeft driemaal vergaderd in 2002. De aanbestedingsprocedure voor de tussentijdse evaluatie is in de herfst gestart, en verwacht werd dat het contract begin 2003 getekend zou worden.

Na een formele beoordeling heeft de Commissie de jaarlijkse uitvoeringsverslagen over het jaar 2001 als bevredigend aangemerkt. De verslagen zijn ook besproken in de context van de jaarlijkse evaluatievergadering met alle Zweedse beheers autoriteiten voor zowel de doelstelling 1- als de doelstelling 2-programma's, die op 9 december in Brussel heeft plaatsgevonden. Op de agenda voor de jaarvergadering stonden programmabeheer en -uitvoering, evaluaties, de tussentijdse evaluatie en een algemene uitwisseling van informatie. De conclusie van de vergadering was dat de programma's goede vorderingen maakten, en de Commissie heeft niet om aanvullende informatie of follow-up verzocht.

De Zweedse doelstelling 1-regio's hebben actief deelgenomen aan het debat over het toekomstige cohesiebeleid. Er zijn standpuntverklaringen bij de Commissie ingediend, en tweemaal per jaar zijn er seminars georganiseerd met deelname van lokale en regionale politici, parlementsleden, leden van het Europese parlement en vertegenwoordigers van de Zweedse regering en de Europese Commissie, in de context van het zogenaamde 'Forum Europa - Noord-Zweden'. Het debat concentreerde zich op de specifieke situatie en behoeften van regio's met een extreem lage bevolkingsdichtheid.

FIOV

Op 24 mei 2000 heeft de Commissie heeft twee doelstelling 1-programma's voor de periode 2000-2006 goedgekeurd, een voor Södra Skogslänsregionen (Zweden-Zuid) en een voor Norra Norrland (Zweden-Noord).

Voor het programma voor Norra Norrland is 5,8 miljoen EUR beschikbaar uit het FIOV, en zijn investeringen in de visserijsector voorzien van in totaal 13 miljoen EUR. De strategie voor ontwikkeling van de visserijsector omvat een breed scala aan FIOV-maatregelen, maar ongeveer 50% van de FIOV-gelden gaat naar investeringen in visteelt, verwerking, en bescherming en ontwikkeling van de visstand.

In de nieuwe programmeringsperiode profiteert Södra Skogslänsregionen van een FIOV-toewijzing van 5,7 miljoen EUR, welke moet leiden tot totale investeringen van 13 miljoen EUR. Conform de voor de visserij vastgestelde strategie wordt driekwart van alle FIOV-gelden gebruikt voor ontwikkeling van de visteelt en verwerkings industrie.

Het uitvoeringstempo van deze programma's is tot nu toe lager dan verwacht.

EOGFL

Het uitvoeringstempo van de door het EOGFL gefinancierde maatregelen in de twee doelstelling 1-programma's, Norra Norrland en Södra Skogslänsregionen, is in 2002 toegenomen. Voor elk van de programma's zijn twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden. Na drie uitvoeringsjaren bedraagt de financiële uitvoering 53% voor beide programma's, betrokken op de aan het begin van de programmeringsperiode vastgelegde kredieten, dus een bedrag van 25,3 miljoen EUR uitbetaald van de 47,8 miljoen EUR vastgelegd gedurende 2000-2002.

ESF

Voor enkele maatregelen was de vraag driemaal zo groot als de beschikbare financiering. Om het programma niet te overbelasten wordt een algemene selectie gemaakt uit de projectaanvragen. Voor het ESF is samen met de partnerschappen intensief aan 'marketing' gedaan, wat goede resultaten heeft opgeleverd. De resultaten van de indicatoren tot nu toe zijn gepresenteerd op de laatste vergaderingen van het toezichtcomité, maar zijn in dit vroege stadium nog zeer onzeker. Voor het ESF lijken de indicatoren 'deelnemende mannen/vrouwen' in overeenstemming met de geraamde cijfers; in sommige gevallen kan echter sprake zijn van overschatting, daar de cijfers nog niet nauwkeurig geverifieerd zijn. Verder is het zo dat vele projecten al drie jaar lopen, terwijl er nog geen definitieve cijfers gerapporteerd zijn.

Het concept van een voorstudie van de evaluatie van doelstelling 3 en doelstelling 1 is goedgekeurd door het toezichtcomité van doelstelling 3. Dit verslag wordt in november 2003 afgerond, en tot nu toe lijkt dit deel van het programma zeer succesvol.

Tot nu toe zijn geen wijzigingen aangebracht in het ESF-deel van het programma.

2. Doelstelling 2

EFRO

Er zijn vier doelstelling 2-programma's, Noord, West, Zuid en de eilanden, met een totale bijdrage van de Structuurfondsen van 406 miljoen EUR voor de periode 2000-2006. De programma's maken zeer goede vorderingen en eind 2002 was gemiddeld 63% van de totale begroting voor 2000-2006 reeds toegewezen voor projecten (62% voor het EFRO, 65% voor het ESF) en was 23% uitbetaald aan projecten. Aan het eind van het jaar had de Commissie tussen de 18 en 29% uitbetaald voor alle programma's en fondsen, wat meer was dan de vastlegging voor het jaar 2000, zodat geen geld verloren is gegaan vanwege de n+2-regel.

Per programma zijn in 2002 twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden, waarvan één ook een dag projectbezoeken omvatte. Voor elke vergadering is een persbericht opgesteld. Belangrijke onderwerpen op de vergaderingen waren: de tussentijdse evaluatie; de vraag of de begroting te snel opgebruikt werd, wat in verscheidene programma's geleid heeft tot toekenning van wegingsfactoren aan de selectiecriteria; de noodzaak van een herverdeling van gelden binnen de prioriteiten enz.

De Commissie heeft de jaarverslagen goedgekeurd nadat enige aanvullende informatie toegevoegd was.

Op 11 april 2002 heeft Commissaris Michel Barnier een bezoek gebracht aan het gebied Bergslagen, waar in 1995-1999 een doelstelling 2-programma liep en dat in de huidige periode gedeeltelijk onder de doelstelling 2-programma's Noord en West valt. Voor Commissaris Barnier werd een presentatie gehouden van verscheidene lopende projecten, onder andere 'Van staal tot maaltijd', de omvorming van een stadje met staalfabrieken tot een toeristisch en gastronomisch centrum, en de 'groeigroep', die liet zien hoe drie kleine gemeenten samenwerken bij de ontwikkeling van een plaatselijke industrie. Ook werd hem een standpuntverklaring overhandigd over de toekomst van de steun van de Structuurfondsen. De volgende dag werd doorgebracht in Stockholm met het bezoeken van parlementscommissies, minister Ulrika Messing, verantwoordelijk voor het Zweedse regionale beleid, en vertegenwoordigers uit de regio's.

ESF

Er is een gecoördineerde aanbesteding gepubliceerd voor de tussentijdse evaluatie van alle Zweedse doelstelling 1- en 2-programma's. De selectie van de evaluator heeft plaatsgevonden in december 2002; het voorlopige verslag komt in september 2003 beschikbaar, het wordt in november door het toezichtcomité goedgekeurd en vóór eind 2003 naar de Commissie gezonden. In de vergadering van november wordt ook besloten hoe de prestatiereserve verdeeld moet worden, en of er ook een herprogrammering zal plaatsvinden.

Het ESF-deel van het programma kende een wat trage start aan het begin van de programmeringsperiode. Het was moeilijk kredieten vast te leggen voor sommige ESF-maatregelen, maar het vastleggingstempo heeft nu voldoende vaart gekregen. In sommige eilandregio's was het moeilijk de vereiste cofinanciering te krijgen.

Ook het betalingstempo is het afgelopen jaar enorm gestegen, en er is geen geld verloren gegaan door de n+2-regel.

Tot nu toe zijn er in het ESF-deel van het programma geen wijzigingen aangebracht.

In september 2002 heeft DG Werkgelegenheid een preventieve controle met betrekking tot doelstelling 2 uitgevoerd op de beheers- en controlesystemen van een van de beheers- en betalingsautoriteiten in Jönköping (Zweden). In het algemeen kon geconcludeerd worden dat afgezien van enkele kleine aanpassingen de door de beheers- en betalingsautoriteiten toegepaste beheers- en controlesystemen voldoende garanties bieden om aan de Commissie certificaten te kunnen verstrekken voor de uitgavendeclaraties.

3. Doelstelling 3

Wat het doelstelling 3-programma betreft, komt Zweden in aanmerking voor 747 miljoen EUR aan ESF-gelden bij een totale begroting van 2.780 miljoen EUR, waarvan 729 miljoen EUR gecofinancierd wordt door de overheid en 1.303 miljoen EUR door particulieren. Eind 2002 had de Commissie 14,6% van de ESF-kredieten voor de gehele periode uitbetaald.

In 2002 zijn met het programma zeer snelle vorderingen gemaakt. 28% van de gehele financiële planning is gerealiseerd wat de vastleggingen betreft, en 22,6% wat de betalingen betreft (617 miljoen EUR, waarvan 164,2 miljoen ESF-gelden). In totaal waren er 787.207 deelnemers (53,3% vrouwen) en 30.804 projecten. De prioriteiten en maatregelen zijn echter zeer verschillend verlopen: de maatregel betreffende de analyse van de ontwikkeling van vaardigheden van werknemers (1:1) heeft de streefcijfers ruim overtroffen, evenals de maatregel voor betere inzetbaarheid (2:2), terwijl de maatregel voor functieroulering (2:1) met problemen blijft kampen.

In 2002 heeft de beheersautoriteit zich bezig gehouden met verbetering van het programmabeheer op grond van de aanbevelingen van de preventieve controlemissie, uitgevoerd door de Commissie in mei 2002.

De tweede jaarlijkse evaluatievergadering is gehouden op 6 en 7 november 2002, tezamen met die voor het EQUAL-programma. Daarbij heeft de Commissie aandacht besteed aan een noodzakelijke verdere verbetering van het beheerssysteem en aan het onevenwichtige verloop van het programma. De maatregel voor functieroulering vereist nog steeds intensief toezicht teneinde nieuwe oplossingen te vinden voor verbetering. De rol van de sociale partners moet nog worden uitgewerkt.

De tussentijdse evaluatie is begin 2002 gestart na de selectie van de evaluatoren aan het eind van het vorige jaar. Het eerste initiële verslag is begin september aan de Commissie gestuurd, en op basis van dit verslag is in september een groot nationaal evaluatieseminar gehouden.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Het structuurprogramma voor Zweden voor de periode 2000-2006 is op 15 december 2000 door de Commissie aangenomen. Dit programma voorziet in een FIOV-bijdrage van 62 miljoen EUR en investeringen tot een totaal van 360 miljoen EUR voor herstructurering van de verwerkingsindustrie en modernisering van de vloot, de belangrijkste aandachtsgebieden.

Wat het programma van 1995-1999 betreft (doelstelling 5a) is in 2002, na voltooiing van de vastleggingen in 1999 (er is 40 miljoen EUR aan FIOV-hulp vastgelegd) en de betalingen eind 2001, verder gewerkt aan de afsluitingsprocedures. Volgens voorlopige informatie was aan het eind van de programmeringsperiode bijna het hele bedoelde FIOV-bedrag uitbetaald aan de eindbegunstigden. Alleen de saldobetaling van de Gemeenschap moet nog plaatsvinden; deze betaling wordt gedaan op basis van de afsluitingsprocedures. Er zijn meer dan 1000 projecten gecofinancierd door het FIOV.

5. Communautaire initiatieven

5.1 Leader+

Het Zweedse Leader+ programma bestrijkt heel Zweden, uitgezonderd de provincies Norrbotten, Västerbotten, Jämtland en Västernorrland; het is in 2001 goedgekeurd, waarbij in totaal 12 lokale actiegroepen geselecteerd zijn. In de loop van 2002 is de programma-uitvoering intensiever geworden en zijn er twee vergaderingen van het toezichtcomité gehouden. Na twee jaar uitvoering is 24% van de aan het begin van de programmeringsperiode vastgelegde kredieten besteed, oftewel er is 2,8 miljoen EUR uitbetaald van de in 2001 en 2002 vastgelegde 12,1 miljoen EUR.

5.2 EQUAL

Bij de voorbereidende actie 1 in het kader van EQUAL in Zweden zijn in 2002 in totaal 51 ontwikkelingspartnerschappen betrokken geweest. Na een fusie van enkele projecten en een kwaliteitscontrole van alle projecten, hebben in totaal 46 ontwikkelingspartnerschappen het werk voortgezet; in 2003 zijn zij begonnen aan het uitvoeren van hun ideeën in het kader van actie 2. De belangrijkste onderwerpen van het Zweedse EQUAL-programma zijn aanpassingsvermogen en inzetbaarheid. Er is ook een nieuw nationaal transversaal onderwerp toegevoegd: multiculturaliteit. Zweden is zeer ambitieus op het gebied van transnationaliteit en de wijze waarop de ontwikkelingspartnerschappen begeleid en geëvalueerd worden in het programma. Het toezichtcomité is zeer actief en heeft het initiatief genomen het dagelijks bestuur te laten vergaderen tussen de vergaderingen van het comité in, teneinde acties gericht op de opneming van dit onderwerp in het reguliere beleid te stimuleren en te initiëren, met steun van de beheersautoriteit. Er zijn nationale themagroepen opgericht op basis van nationale behoeften, zodat de thema's niet altijd overeenkomen met die van de Europese themagroepen, al bestaan er wel verbanden.

Het proces van tussentijdse evaluaties is begin 2002 van start gegaan; het eerste evaluatieverslag is in oktober 2002 ingediend. Centrale punten in dit verslag zijn de administratie en uitvoering van het PCI in Zweden, de selectie van ontwikkelingspartnerschappen en de ondersteuning daarvan bij de eerste aanbesteding voor actie 1. In november 2002 is een evaluatieconferentie belegd. Het doel van de conferentie was de evaluatoren van de ontwikkelingspartnerschappen in te lichten over het evaluatieproces op nationaal en unieniveau en de zelfbeoordeling gelijk te laten lopen met de andere evaluaties.

5.3 URBAN

Het URBAN II-programma voor Göteborg, goedgekeurd in december 2001, is het enige in Zweden. Het EFRO draagt in totaal 5,3 miljoen EUR bij aan dit programma, waarvan de totale kosten 16,0 miljoen EUR bedragen. Het programmacomplement is in augustus door de toezichtcomités goedgekeurd en bij de Commissie ingediend. Het eerste jaarlijkse evaluatieverslag voor het URBAN II-programma voor Göteborg moet in 2003 bij de Commissie ingediend worden.

De beheersautoriteit voor het programma is het provinciaal bestuurscollege in Örebro; het functionele dagelijkse beheer is gedelegeerd aan het URBAN-secretariaat in Göteborg. Het toezichtcomité heeft in 2002 tweemaal vergaderd.

In maart 2002 is een voorschot van 7% van de totale EFRO-bijdrage voor het programma uitbetaald. Er zijn in 2002 geen tussentijdse betalingsaanvragen ontvangen.

6. Afsluiting van voorgaande programmeringsperiodes

EFRO 1995-1999

Eind 2002 stonden er nog 25 Zweedse programma's open. De meeste aanvragen om saldobetaling zijn door de Commissie ontvangen, doch de meeste daarvan waren incompleet.

EOGFL

De Zweedse autoriteiten zijn bezig geweest met het voorbereiden van de afsluiting van de vijf doelstelling 5b-prograrmma's en de twee Leader II-programma's. De eindverslagen en aanvragen om saldobetaling worden begin 2003 verwacht.

ESF

Er zijn 13 nog af te sluiten operationele programma's van het ESF uit de programmeringsperiode 1994-1999. Geen hiervan is in 2002 afgesloten. De aanvragen om saldobetaling zijn in maart 2003 ontvangen.

De evaluatie achteraf van de voormalige doelstelling 2-programma's Bergslagen, Fyrstad en Blekinge is aan de gang; in januari 2003 is een eerste conceptverslag verschenen. De Commissie heeft het evaluatieverslag van doelstelling 6 goedgekeurd.

7. Evaluatie en controle

EOGFL - Leader

Wat Leader+ betreft is de taakomschrijving voor de tussentijdse evaluaties vastgesteld, zijn de aanbestedingen uitgeschreven en zijn de evaluatoren aangesteld.

ESF

Het contract met de beide beoordelaars voor het EPD voor doelstelling 3 is begin 2002 getekend. In september is een grootschalig seminar gehouden om de evaluatiestrategie en -organisatie met de verschillende betrokkenen te bespreken.

VERENIGD KONINKRIJK

1. Doelstelling 1

EFRO

Het EFRO geeft in totaal 4.074 miljoen EUR aan de doelstelling 1-programma's in het Verenigd Koninkrijk. Het bijstandspakket wordt uitgevoerd door middel van vijf enkelvoudige programmeringsdocumenten voor de Engelse regio's Cornwall en de Scilly-eilanden, Merseyside en Zuid-Yorkshire, Wales (West-Wales en de Valleys, WV) en Schotland (overgangsprogramma hooglanden en eilanden (Highl. & Isl.)). Elk programma omvat vier tot zes prioriteitsgebieden, gegroepeerd rond vijf hoofdthema's: ondersteuning van het MKB, ondersteuning bij modernisering van bedrijven, economisch herstel van kleine kernen, ontwikkeling van het menselijk potentieel, en ontwikkeling van strategische infrastructuur.

Daarnaast zijn er twee operationele programma's in het kader van het communautair bestek voor Noord-Ierland: 'Opbouw van duurzame welvaart', een doelstelling 1-overgangsprogramma, en het EU-programma voor vrede en verzoening in Noord-Ierland en de grensstreek van Ierland (het PEACE II-programma voor 2000-2004). Daar deze regio de overgangsstatus heeft van doelstelling 1 en bezig is om te schakelen van conflict naar vrede, is het doel van dit operationele programma in Noord-Ierland duurzame welvaart te creëren in een concurrerende economie. Hiertoe ligt het accent op herstructurering teneinde het bedrijfsleven te moderniseren en de vaardigheden van de daarin werkzame mensen te ontwikkelen, op weg naar een toekomst met meer technologie. Het programma wordt aangevuld door het PEACE II-programma, dat voortbouwt op de ervaringen uit het speciale ondersteunings programma PEACE I (1995-1999) en dat illustratief is voor de concrete steun van de EU aan het vredesproces na de Overeenkomst van Belfast.

In 2002 is de uitvoering van alle programma's in toenemend tempo voortgezet; de totale EFRO-betalingen aan de programma's bedroegen 338 miljoen EUR. Belangrijke ontwikkelingen in 2002 waren: de aanvang van het tussentijdse evaluatieproces in alle programma's na de aanstelling van externe evaluatoren; programmawijzigingen in West-Wales en de Valleys en in Merseyside, en wijzigingen in de regelingen voor het programmabeheer in Merseyside. Drie grote projecten zijn in 2002 goedgekeurd: in Cornwall en de Scilly-eilanden het project 'combinatie van universiteiten in Cornwall' (CUC) en in Zuid-Yorkshire het 'knooppunt Frenchgate in Doncaster' en het programma voor elektronisch leren in Zuid-Yorkshire. In het geval van PEACE II wordt het steeds moeilijker voldoende betalingsaanvragen in te dienen teneinde problemen met annuleringen eind 2003 op grond van de n+2-regel te voorkomen. Er zijn vorderingen gemaakt in de uitvoering van het criterium 'kenmerkendheid' bij het selecteren van projecten ter ondersteuning van de vrede en verzoening in de regio.

EOGFL

Plattelandsontwikkeling speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van vier doelstelling 1-regio's in het VK: Cornwall en de Scilly-eilanden, West-Wales en de Valleys, Noord-Ierland en Highlands & Islands. Voor deze vier programma's bedraagt de geplande EOGFL-bijdrage voor 2000-2006 327 miljoen EUR, wat opgesplitst neerkomt op respectievelijk 16%, 13%, 9% en 7% van de totale bijdrage van de Structuurfondsen.

In de programma's voor Merseyside en Zuid-Yorkshire, overwegend stedelijke gebieden, zijn plattelandsontwikkelingsmaatregelen minder belangrijk, met een EOGFL-bijdrage van 29 miljoen EUR oftewel slechts 2% van de bijdrage van de Structuurfondsen aan beide programma's. In 2002 zijn opmerkelijke vorderingen gemaakt, na de ernstige vertragingen bij de uitvoering van de plattelands ontwikkelings maatregelen in 2001 door het uitbreken van mond- en klauwzeer. Er is hoge prioriteit gegeven aan versnelling van de uitvoering van de EOGFL-uitgaven teneinde de voor eind 2002 gestelde streefcijfers te halen. Slechts een programma is er niet in geslaagd het streefcijfer voor de uitgaven te halen. De EOGFL-betalingen bedroegen 39 miljoen EUR, ofwel 10% van het totale uit het EOGFL toegewezen bedrag voor deze periode.

De uitvoering van de plattelands ontwikkelings maatregelen in het kader van het doelstelling 1-programma voor Noord-Ierland is trager verlopen dan verwacht en er waren eind 2002 nog geen aanvragen voor EOGFL-betalingen ingediend.

PEACE II

Het krediet van 32 miljoen EUR dat in het kader van dit programma is toegewezen aan plattelandsontwikkelingsmaatregelen in Noord-Ierland maakt deel uit van de financiële middelen van doelstelling 1 voor deze regio; dit bedrag is 8% van de EG-financiering voor de vijfjarige periode 2000-2004. In 2002 zijn geen aanvragen voor EOGFL-betalingen ingediend, en er zal een aanzienlijke inspanning nodig zijn om de streefcijfers voor de uitgaven voor eind 2003 te halen.

FIOV

Cornwall en de Scilly-eilanden

De totale FIOV-bijdrage voor de visserij bedraagt 16,99 miljoen EUR, oftewel 3% van de totale EG-hulp aan het programma. Wat de organisatie betreft, draagt DEFRA (het ministerie voor milieu, voedsel en plattelandszaken) de algemene verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma alsmede de beheers- en controleregelingen; het bedrijf South West Pesca Ltd, waaraan de rol van ontwikkelaar is toebedeeld, is actief geweest met hulp bij de lokale uitvoering van het FIOV-programma; de werkgroep prioriteitsbeheer visserij heeft weer regelmatig vergaderd om de vorderingen te controleren en aanvragen goed te keuren. De vorderingen in 2002 zijn bevredigend geweest en er zijn initiatieven genomen en studies uitgevoerd betreffende de strategie voor de lokale visserij-industrie en de haven van Newlyn. Slechts 20% van het programma is echter vastgelegd.

Merseyside

De totale FIOV-bijdrage voor visserij is gering: 0,4 miljoen EUR voor de periode 2000-2006. De visserijactiviteiten in dit doelstelling 1-gebied omvatten onder andere zeevisserij met trawlers die hun vangsten in Canadese havens aan land brengen, schepen voor de binnenvisserij voor ongeveer 25 vissers, kokkelvisserij, en visserij op bruine garnaal. Daarnaast is er de markt van Stanley en een aantal verwerkingsbedrijven. De belangstelling voor het FIOV is nog steeds gering.

Highlands & Islands doelstelling 1 (overgang doelstelling 1)

De totale FIOV-bijdrage voor visserij voor de periode 2000-2006 bedraagt 27,76 miljoen EUR, oftewel 9% van de totale EG-bijdrage aan het programma. Er is een werkgroep Visserijbeheer Highlands & Islands opgericht, welke regelmatig vergaderd heeft om de vorderingen te bespreken. De belangstelling uit de bedrijfstak was groot, vooral voor de visteelt, waarvoor het aangevraagde bedrag het beschikbare bedrag verre overtrof. Aan het eind van het jaar was meer dan 50% van het programma vastgelegd.

Voorbeelden van de soorten projecten die zijn goedgekeurd zijn: ontwikkeling van een commerciële kabeljauwkwekerij in zee, uitbreiding van een mosselkwekerij, bouw van verwerkingsfaciliteiten en aankoop van apparatuur, modernisering van schepen om de kwaliteit op peil te houden, en opleiding van vissers.

In de loop van het jaar is de Schotse strategie voor visteelt gepubliceerd.

Noord-Ierland (Opbouw van duurzame welvaart, overgang doelstelling 1)

Het totale FIOV-bedrag (27,76 miljoen EUR) is weliswaar klein ten opzichte van het totale beschikbare bedrag voor dit doelstelling 1-overgangsprogramma, maar de invloed op de visserij-industrie is toch aanzienlijk. Het meerfondsen programma is pas in het jaar 2001 goedgekeurd, en het heeft tot eind 2002 geduurd voordat alle tien voorgestelde FIOV-steunmaatregelen opgestart waren. In de loop van 2002 zijn in totaal 27 vissersschepen gesloopt. In het algemeen vordert het programma traag. De vastleggingen van FIOV-gelden bedragen tot nu toe 20%, maar door de verwachte invoering van nog een saneringsronde zullen de bestedingsmogelijkheden toenemen. In de loop van het jaar is een werkgroep Visserij ingesteld.

Noord-Ierland (PEACE II)

Een FIOV-bijdrage aan het PEACE II-programma is goedgekeurd teneinde grensoverschrijdende organisaties in zowel Noord-Ierland als de zes grensprovincies te helpen bij het gezamenlijk ontwikkelen van visserijbelangen, met name visteelt. Er zijn geen vastleggingen gedaan, maar de Ierse en Noord-Ierse autoriteiten hebben twee grote grensoverschrijdende projecten uitgewerkt waarvoor waarschijnlijk alle FIOV-gelden in 2003 vastgelegd worden.

Wales

Het FIOV-bedrag voor de periode 2000-2006 bedraagt 15,2 miljoen EUR, wat veel meer is dan in het verleden door de visserij-industrie in Wales aan kredieten is besteed. Na de goedkeuring door de Commissie kwam het programma traag op gang, vooral doordat de visserij nu bestierd wordt door het onlangs opgerichte Welsh bureau voor Europese financiering, waar men tijd nodig had om de nodige documentatie, procedures en regelingen op te zetten om het FIOV uit te voeren. Het bestedingstempo was aanvankelijk laag, maar dank zij veel inspanning en aandacht is het vastgelegde bedrag snel gestegen tot rond de 45%, met name voor visteeltprojecten.

ESF

West-Wales en de Valleys

De doelstelling 1-zone West-Wales en de Valleys bestrijkt een gebied waar ongeveer tweederde van de totale bevolking van Wales woont. De totale waarde van het programma is meer dan 3,9 miljard EUR, waaraan de Structuurfondsen 1,8 miljard EUR bijdragen; daarmee is dit het grootste doelstelling 1-programma in het Verenigd Koninkrijk uit de geschiedenis. Het ESF-aandeel in het programma bedraagt 33%, oftewel 592,7 miljoen EUR.

Het programma maakt goede vorderingen, vooral bij prioriteit 4 (ontwikkeling van mensen) waarvoor eind 2002 alle indicatieve toewijzingen vastgelegd waren, terwijl maatregel 1 van prioriteit 3 (actie vanuit de plaatselijke bevolking voor maatschappelijke integratie) en technische hulp achterblijven (37% en 6%).

De voorschotten (41.420.400 EUR) en de twee tussentijdse betalingen (op 22 april 2002: 14.889.283 EUR; op 8 november 2002: 65.532.909 EUR) belopen samen 121.842.592 EUR.

Noord-Ierland

Het communautair bestek voor deze doelstelling 1-overgangsregio bestaat uit twee operationele programma's. Bijna de gehele ESF-bijdrage aan het CB is geconcentreerd op de prioriteit 'werkgelegenheid, ontwikkeling van het menselijk potentieel en maatschappelijke integratie'.

De ESF-bijdrage aan het operationele overgangsprogramma 'Opbouw van duurzame welvaart' is geconcentreerd op de prioriteit werkgelegenheid, terwijl de ESF-gelden aan het operationele programma PEACE II verdeeld zijn over vier prioriteiten.

De totale bijdrage van de Structuurfondsen aan het Noord-Ierse CB bedraagt 1.315 miljoen EUR. Het ESF draagt hieraan 33% oftewel 430 miljoen EUR bij (280 miljoen EUR voor de overgangs-OP's en 189,7 miljoen EUR aan het OP PEACE).

Terwijl er voor het OP 'Opbouw van duurzame welvaart' voor meer dan 60 miljoen EUR aan tussentijdse betalingen is verwerkt, hebben er geen tussentijdse betalingen plaatsgevonden voor het OP PEACE II.

Cumulatieve ESF-betalingen (inclusief 7% voorschot) per 31 december:

OP PEACE II EUR 13.279.000 (voorschotten)

OP Opbouw van duurzame welvaart EUR 80.410.004

Speciaal overgangsprogramma - Highlands & Islands

De totale bijstand van het ESF voor dit programma bedraagt 59.540 miljoen EUR, oftewel 19,3% van de totale EG-bijdrage. Het programma heeft vier operationele prioriteiten, en een vijfde met betrekking tot technische hulp. ESF-bijstand is beschikbaar voor prioriteit 3, ontwikkeling van het menselijk potentieel in de regio (ESF: 58,076 miljoen EUR), prioriteit 4, hulp aan plattelandsgemeenschappen (ESF: 0,5 miljoen EUR), en prioriteit 5, technische hulp (ESF: 0,964 miljoen EUR).

Het programma heeft goed gefunctioneerd in 2002. Vanuit ESF-oogpunt hebben maatregelen 3.1-3.5 het zeer goed gedaan wat de vastleggingen en betalingen betreft.

De vastleggingen bedragen tot nu toe 30.577.000 EUR (51% van het totale ESF-aandeel). De bestedingen tot nu toe bedragen 23.186.453,18 EUR. Het n+2-streefcijfer voor vastleggingen uit 2000 is gehaald.

Er hebben in 2002 twee tussentijdse betalingen plaatsgevonden: 2.122.717,23 EUR en 17.108.652 EUR.

2. Doelstelling 2

Doelstelling 2 wordt in het Verenigd Koninkrijk door middel van 14 enkelvoudige programmeringsdocumenten uitgevoerd. Tien programma's hebben betrekking op Engelse regio's (West-Midlands, Yorkshire en de Humber, Oost-Midlands, Noordoost-England, Noordwest-Engeland, Oost-Engeland, Zuidoost-Engeland, Zuidwest-Engeland en London) en Gibraltar, drie betreffen Schotland (Zuid-Schotland, Oost-Schotland en West-Schotland) en een betreft Wales (Oost-Wales). Elk programma omvat gemiddeld drie prioriteitsgebieden, gegroepeerd rond drie hoofdthema's: het ontwikkelen van een gediversifieerd, dynamisch en concurrerend bedrijfsleven, strategische ruimtelijke ontwikkeling, en herstel kleine kernen en economische en sociale ontwikkeling. De totale EFRO-financiering waartoe besloten is voor de veertien doelstelling 2-programma's in het VK bedraagt 4.325 miljoen EUR, terwijl het ESF nog eens 527 miljoen EUR levert.

Na de goedkeuring in 2001 zijn de activiteiten van de doelstelling 2-programma's in het Verenigd Koninkrijk in 2002 uitgebreid; de betalingen voor de programma's bedroegen 78 miljoen EUR. Enkele belangrijke ontwikkelingen gedurende het jaar waren de technische aanpassingen aan de drie Schotse programma's en het programma voor Oost-Wales, de goedkeuring van een groot project in Oost-Schotland en de aanvang van het proces van tussentijdse evaluaties in alle programma's. Bij alle programma's is echter nog een flinke inspanning nodig om de vastleggingen uit 2000 en 2001 geheel te besteden vóór eind 2003. Deze vastleggingen bedragen 1.554 miljoen EUR, waarvan 1.404,5 miljoen van het EFRO en 149,5 miljoen EUR van het ESF. De Commissie en de nationale autoriteiten zijn actief aan het zoeken naar mogelijkheden om het bestedingsniveau van de programma's te maximaliseren.

3. Doelstelling 3

Het Britse doelstelling 3-programma wordt uitgevoerd door middel van een Brits communautair bestek en drie aparte operationele programma's voor Engeland, Schotland en Wales. Al deze programmeringsdocumenten zijn gestructureerd volgens de vijf beleidsterreinen van de ESF-verordening.

Het doelstelling 3-programma voor Engeland (1999GB053PO003 - 4.111.6 miljoen EUR) is sterk gedecentraliseerd: voor 78% van de financiering ligt de besluitvorming en uitvoering bij negen regionale overheidsbureaus en regionale toezichtcomités. De overige 22% wordt gebruikt voor financiering van nationale projecten, technische hulp en projecten in Gibraltar.

Het programma heeft goed gefunctioneerd in 2002. Bijna de helft van de totale financiële toewijzing (2000-2006) is vastgelegd voor goedgekeurde projecten. Eenderde van deze goedgekeurde projecten wordt via cofinancierings organisaties uitgevoerd, en het is de bedoeling dat het merendeel van de toekomstige vastleggingen voor het programma plaatsvindt via het cofinancieringstraject.

Bij de meeste prioriteiten en maatregelen is het uitgavenniveau bevredigend. De twee onderzoeksmaatregelen (bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt en bestrijding van discriminatie op grond van sekse) doen het iets minder dan verwacht. Prioriteit 5 (gelijkheid der seksen) blijkt het moeilijkste terrein om gelden vast te leggen en uit te geven. Het percentage vrouwen dat door het programma ondersteund wordt, is echter bij enkele maatregelen boven verwachting, wat erop kan wijzen dat gender-aangelegenheden op programmaniveau worden aangepakt.

Na zorgvuldige evaluatie van de uitgavenniveaus voor nationale projecten is eind 2002 besloten 90 miljoen EUR over te maken aan de regionale overheidsbureaus, met name voor financiering van projecten in het kader van de prioriteiten 1 (actief arbeidsmarktbeleid) en 3 (levenslang leren).

Wat het behalen van gekwantificeerde doelstellingen betreft, kan op basis van de voorlopige cijfers gesteld worden dat het programma erin slaagt meer mensen aan een baan te helpen dan oorspronkelijk was geraamd. Ook het gedeelte van de begunstigden dat de cursussen afmaakt is hoger dan het streefcijfer. Hoewel het gedeelte van de begunstigden dat slaagt iets lager is dan geraamd, komt het eindcijfer waarschijnlijk dicht bij de doelstelling uit.

Aan de n+2-regel is door het programma vóór de uiterste datum voldaan, en de eerste aanwijzingen voor de komende jaren geven aanleiding tot optimisme.

In september 2002 heeft het toezichtcomité een nieuw programmacomplement goedgekeurd, waarin enkele technische aanpassingen waren opgenomen. Eind 2002 werden de strategieën en doelstellingen van de programma's nog steeds als geldig beschouwd.

De jaarlijkse evaluatievergadering in Engeland is op 9 oktober 2002 gehouden.

Cumulatieve ESF-betalingen (incl. 7% voorschot) op 31 december 2002: 853.948.623,74 EUR (waarvan 471.199.267,67 EUR in 2002).

Oost-Wales

Het doelstelling 3-programma voor Wales (1999GB053PO001) omvat de zeven gebieden van de unitaire overheidslichamen (Cardiff, Newport, Vale of Glamorgan, Powys, Monmouthshire, Wrexham en Flintshire). Door de doelstelling 3-fondsen worden ongeveer 1 miljoen mensen bereikt, ongeveer eenderde van de totale bevolking van Wales.

De regio Oost-Wales ontvangt in totaal 132 miljoen EUR van de EU in de programma periode van zeven jaar. Bij de ESF-gelden komen nog eens 161 miljoen EUR aan overheidsuitgaven en naar schatting 23 miljoen EUR uit de particuliere sector. Daarmee komt de totale waarde van het programma op ongeveer 317 miljoen EUR.

Het programma maakt goede vorderingen. De prioriteiten 2 (gelijke kansen voor allen en maatschappelijk integratie), 4 (bevordering van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven) en 3 (levenslang leren), waarvoor eind 2002 respectievelijk 87% en 95% van de indicatieve toewijzing was vastgelegd, functioneren beter dan prioriteit 1 (ontwikkeling van een actief arbeidsmarktbeleid ter voorkoming en bestrijding van langdurige werkloosheid) met 73% en prioriteit 5 (bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt) met 51% van de indicatieve toewijzing vastgelegd aan het eind van 2002. Het laagste percentage is voor technische hulp met 32%.

De jaarlijkse evaluatievergadering is gehouden op 15 oktober 2002 in Wales.

De betaalde voorschotten (9.254.210 EUR) en de twee tussentijdse betalingen (op 28 november 2001: 4.275.142 EUR; op 8 november 2002: 11.264.952 EUR) bedragen in totaal 24.794.304 EUR.

Schotland

Het gebied van het doelstelling 3-programma (1999GB053PO002) omvat geheel Schotland, met uitzondering van de noordelijke en westelijke regio's die bediend worden door het partnerschap Highlands & Islands. Er wonen 4,5 miljoen mensen in het gebied. De ESF-bijstand bedraagt 498,84 miljoen EUR. Voor het programma is een kader opgesteld van vijf operationele prioriteiten plus technische hulp. Het programma bevat ook vijf horizontale thema's, die in elke verticale prioriteit van het programma terugkomen.

Het programma maakt goede vorderingen. De best functionerende maatregelen zijn: maatregel 2.1, bestrijding van de uitsluiting van specifieke groepen, en 2.2, bestrijding van uitsluiting in de steden, waarvoor in juli 2002 resp. 79% en 62% van de financiële voorziening vastgelegd was. De minder goed functionerende maatregelen zijn: 1.2, verbetering van de inzetbaarheid (6-24 maanden werkloos), en 5.1, bevordering van positieve actie (gelijke kansen), waarvoor resp. 13% en 11% van de financiële voorziening is vastgelegd.

De vastleggingen voor het Schotse doelstelling 3-programma bedragen 223.342.000 EUR (44,8% van het totale ESF-bedrag). De totale uitgaven (inclusief 7% voorschot) bedragen op dit moment 81.817.331,41 EUR.

Het programma heeft het n+2-streefcijfer voor de vastlegging uit 2000 gehaald. Er is een n+2-actieplan opgesteld, waarin alle gebieden van de programma-uitvoering die invloed hebben op het jaarlijks behalen van het n+2-streefcijfer in aanmerking worden genomen.

In de loop van 2002 hebben twee tussentijdse betalingen plaatsgevonden: 19.518.454 EUR en 27.380.497 EUR.

4. FIOV buiten doelstelling 1

Voor de periode 2000-2006 omvat het Britse visserijprogramma buiten doelstelling 1 alle gebieden van het VK die niet onder doelstelling 1 vallen. Het betreft het grootste deel van Engeland, geheel Schotland behalve Highlands & Islands, en een klein stukje Wales. De totale FIOV-toewijzing voor de periode 2000-2006 is 125,5 miljoen EUR, waarvan bijna 50% voor Schotland.

Het programma is pas in december 2000 goedgekeurd, waarna de overheden de diverse procedures en documentatie moesten opzetten die volgens de visserijverordeningen vereist waren. Dit is inmiddels gebeurd. Het ingestelde toezichtcomité bestaat uit vertegenwoordigers van alle sectoren van de visserij-industrie alsmede leden met specifieke belangstelling voor het milieu; het comité heeft tot nu toe drie keer vergaderd. Er zijn FIOV-subsidieregelingen opgesteld, evenals programmacomplementen, aanvraagformulieren, toelichtings nota's, en goedkeuringen voor staatssteun. Er zijn aparte regelingen gemaakt voor Engeland, Schotland en Wales. In Schotland is een werkgroep Visserijbeheer ingesteld die regelmatig vergadert om de vorderingen te bespreken.

In het begin van het jaar zijn de saneringsmaatregelen uitgevoerd die in 2001 in Schotland en Engeland geïnitieerd waren; het resultaat is dat er 99 schepen gesloopt zijn in gebieden buiten doelstelling 1.

Het visserijprogramma buiten doelstelling 1 is traag op gang gekomen, maar nu is bijna 25% van de FIOV-toewijzing voor de periode 2000-2006 vastgelegd, waarbij de meeste belangstelling afkomstig is uit de visserijgebieden van Schotland buiten doelstelling 1. Hoewel de bestedingen in en de belangstelling voor het FIOV-programma in de doelstelling 1-gebieden van Wales zeer bevredigend zijn geweest, zijn er tot nu toe nog geen projecten goedgekeurd in het stukje Wales buiten doelstelling 1. De overheid van Wales is ermee akkoord gegaan dat er meer aandacht besteed wordt aan verhoging van het tempo.

Hoewel de saneringsprojecten de meeste aandacht kregen, zijn er in de loop van het jaar aanvragen ontvangen voor andere subsidieregelingen betreffende modernisering van de vloot, visteelt, verwerking en afzet, havenfaciliteiten, bedrijfsvoering door vaklieden en vernieuwingsmaatregelen. De besteding van de FIOV-kredieten is in Schotland verder gevorderd dan elders. Van de in totaal 219 goedgekeurde projecten zijn er 161 in Schotland en 58 in Engeland gesitueerd. In het kader van de maatregel 'verwerking en afzet' zijn 70 projecten goedgekeurd, en op sanering na was dit dan ook de belangrijkste maatregel.

De belangrijkste vraagstukken die zich tegen het eind van het jaar voordeden, waren de crises betreffende de visstand, het eventuele verbod op de kabeljauwvisserij en de herziening van het gemeenschappelijke visserijbeleid. Er is een begin gemaakt met de tussentijdse evaluatie.

5. communautaire initiatieven

5.1 Leader+

Er zijn vier Leader+ programma's in het VK: Engeland, Noord-Ierland, Schotland en Wales. De totale geplande uitgaven bedragen ca. 262 miljoen EUR, inclusief een bijdrage van de Structuurfondsen (EOGFL-Oriëntatie) van 113 miljoen EUR. De lokale actiegroepen zijn alle geselecteerd (in totaal 57) en zijn begonnen met de uitvoering van de overeengekomen strategieën ('bedrijfsplannen'). De toezichtcomités zijn opgericht en hebben vergaderd. In 2002 zijn de programmacomplementen voor Noord-Ierland en Wales goedgekeurd. De eerste betalingsaanvragen zijn ingediend en er is 8 miljoen EUR uitbetaald (inclusief het voorschot van 7%). Het nationale netwerk voor het VK is in de loop van 2002 opgericht.

5.2 EQUAL

2002 is een jaar van hard werken geweest voor EQUAL in het VK; er zijn 76 ontwikkelingspartnerschappen goedgekeurd voor actie 2, en er is een begin gemaakt met actie 3. Hoewel de nationale themanetwerken aan het begin van het programma zijn opgericht, zijn zij pas in 2002 in hun rol gegroeid. Dit proces is bevorderd door evenementen waarbij mensen van de ontwikkelingspartnerschappen en beleidsmakers elkaar konden ontmoeten, teneinde per thema plannen te maken voor opneming in het reguliere beleid.

Noord-Ierland

Zes ontwikkelingspartnerschappen zijn overgegaan van actie 1 naar actie 2, en hebben hun contracten ontvangen. Alle transnationale samenwerkings overeenkomsten zijn nu van kracht, en enkele ontwikkelingspartnerschappen hebben hun eerste transnationale vergadering al achter de rug.

Omdat er nog maar één ontwikkelingspartnerschap over is in de pijler gelijke kansen zijn de twee oorspronkelijk opgerichte nationale themagroepen, inzake werkgelegenheid respectievelijk gelijke kansen, gefuseerd tot één groep om te kunnen voortbouwen op de behaalde resultaten en deze in het reguliere beleid te integreren. Niettemin blijft er bijzondere aandacht voor gelijke kansen via de voorzitter van de nieuwe nationale themagroep.

Het verslag van de tussentijdse evaluatie is in 2002 geproduceerd en aanvaard, en er is een eendaagse cursus evaluatie en toezicht gehouden met deelname van de beheersautoriteit, de nationale ondersteunende structuur, de beoordelaars en de ontwikkelings partnerschappen.

Het eerste nummer van de EQUAL-nieuwsbrief voor Noord-Ierland is uitgebracht.

5.3 URBAN

De 11 URBAN II-programma's in het VK zijn in december 2001 goedgekeurd. Het EFRO draagt in totaal 124,3 miljoen EUR bij aan deze programma's, waarvan de totale kosten ruim 271,9 miljoen EUR bedragen. De programmacomplementen zijn in de eerste helft van 2002 goedgekeurd door de toezichtcomités en bij de Commissie ingediend. De jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor de URBAN II-programma's in het VK hoeven pas in 2003 bij de Commissie te worden ingediend.

De beheersautoriteiten van de programma's zijn de regionale overheidsbureaus in Engeland en de betreffende ministeries in andere delen van het VK. In de meeste gevallen is echter de functionele verantwoordelijkheid gedelegeerd aan de nauwst betrokken lokale overheidsinstantie. Van elk van de programma's in het VK heeft het toezichtcomité ten minste tweemaal vergaderd in 2002.

In december 2001 en begin 2002 zijn voorschotten betaald ten bedrage van 7% van de totale EFRO-bijdrage aan het programma. Er zijn in 2002 geen aanvragen voor tussentijdse betalingen ontvangen.

6. Afsluiting van voorgaande programmeringsperiodes

EFRO

Eind 2002 waren de voorbereidingen voor afsluiting van alle door het EFRO gefinancierde programma's in een vergevorderd stadium, met het oog op de indiening bij de autoriteiten van de vereiste documenten voor de uiterste datum van 31 maart 2003.

ESF

De eindverslagen, betalingsaanvragen en afsluitingsverklaringen benodigd voor afsluiting van de programma's uit 1994-1999 zijn ontvangen voor de twee Leader+-programma's voor Schotland.

In het Verenigd Koninkrijk zijn er in deze programmeringsperiode 29 operationele programma's geweest met inbreng van het ESF. De Britse autoriteiten waren nog bezig met de afwerking van de voor afsluiting vereiste documenten en verslagen. Geen van de programma's was eind 2002 afgesloten.

EOGFL

In het VK zijn er 23 programma's geweest met een bijdrage van het EOGFL. Eind 2002 waren voor twee Leader II-programma's de voor afsluiting benodigde documenten ingediend. Naar verwachting worden alle andere documenten voor de overige programma's in maart 2003 ingediend.

7. Evaluatie en controle

EFRO: Afsluitende controles van de programma's uit de periode 1994-1996

EPD Oost-Midlands doelstelling 2 1994-1996. DatUM: 22-26 april 2002

Hoewel het overheidsbureau Oost-Midlands de data en doelstellingen van de controle door de Commissie had aangekondigd, waren er vier projecten waarbij de begunstigden niet de benodigde kerndocumenten konden leveren om de controle ter plaatse te kunnen uitvoeren. Bovendien geeft de documentatie waarover de auditors wel konden beschikken aan dat voor één project, het Adams-gebouw, de juridische en financiële vastlegging van de werkzaamheden mogelijk plaatsgevonden heeft na de uiterste datum voor vastleggingen voor het EPD van 31 december 1996, en dat voor een ander project, fase III van de Robin Hood Line, een situatie waarin kennelijk niet voldaan is aan Richtlijn 93/37/EEC onderzocht dient te worden.

Er zijn enkele tekortkomingen geconstateerd in het beheer van het EPD door het overheidsbureau Oost-Midlands, namelijk: een fout in de aan de Commissie gezonden uitgavendeclaratie; een verzuim om actie te ondernemen in een geval waarin een ongeldig project controleverslag is ingediend; en ongedocumenteerde besluiten met betrekking tot de aan de projecten toe te kennen cofinancieringspercentages.

EOGFL

Wat Leader+ betreft zijn voor drie regio's de taakomschrijvingen voor de tussentijdse evaluaties vastgesteld, aanbestedingen uitgeschreven en beoordelaars aangesteld. Voor Noord-Ierland wordt de taakomschrijving begin 2003 vastgesteld.

ESF

In de loop van 2002 zijn diverse sectorstudies en evaluaties afgerond of gestart; deze worden volgend jaar samengevat in de verslagen van de tussentijdse evaluatie.

BIJLAGE 2 a) Financiële uitvoering

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE 2 b) Lijst grote projecten

Duitsland

CCI // Título

Alemania //

2002 DE 16 1 PR 001 // Bayer Bitterfeld AG

2002 DE 16 1 PR 002 // Ausbau der Schienenstrecke Berlin- Frankfurt/Oder-Grenze Deutschland/Poland

2002 DE 16 1 PR 003 // Neubau der Bundesautobahn A17 von Dresden (B173) - Tschechische Republik

2002 DE 16 1 PR 004 // A113, B96 and B96a

2002 DE 16 1 PR 005 // Neubau der Bundesstrasse B 6n in den Abschnitten Wernigerode-Blankenburg und Quedlinburg-Bernburg

2002 DE 16 1 PR 006 // Neubau der Bundesautobahn A71 AD Oberrölingen (A 38)- AS Erfurt-Bindersleben

2002 DE 16 1 PR 007 // B96n (EFROal Road A 20 Rüngen)

2002 DE 16 2 PR 001 // Zollverein

2002 DE 16 2 PR 002 // Propylen Pipeline

2003 DE 16 1 PR 001 // Salziger See

2003 DE 16 1 PR 002 // AMD Piesteritz

Spanje

CCI // Título

2001 ES 16 1 PR 001 // Circunvalación de Las Palmas

2001 ES 16 1 PR 002 // Autovía Albacete-Murcia, Tranche Albacete-Venta del Olivo

2001 ES 16 1 PR 003 // Presa de la Breña II

2001 ES 16 1 PR 004 // Desaladora de Agua Marina de Carboneras en Almería

2001 ES 16 1 PR 005 // Autovía A-49 Sevilla -Frontera Portuguesa. Tranche: San Juan del Puerto-Enlace de Lepe

2002 ES 16 1 PR 001 // Gran Telescopio de Canarias, SA

2002 ES 16 1 PR 002 // Ampliación de la Dársena de Escombreras en Cartagena

2002 ES 16 1 PR 003 // Ampliación del Puerto de Castellón

2002 ES 16 1 PR 004 // Autovía Ruta de la Plata CN-630-Construcción del tranche Enlace de Gerena-Enlace de Camas

2002 ES 16 1 PR 005 // Autovía Ciudad Real-Atalaya de Cañavate, Tranche Enlace de Miguelturra-Enlace de Daimiel

2002 ES 16 1 PR 006 // Autovía de Castilla-La Mancha, Tranche Abia de la Obispalía y Cuenca

2002 ES 16 1 PR 007 // Ampliación Puerto del Ferrol (Puerto Exterior)

2002 ES 16 1 PR 008 // Autovía A-381 Tranche: Jerez- Los Barrios, Provincia de Cádiz

2002 ES 16 1 PR 009 // Autovía de la Plata. CN-630 de Gijón a Sevilla. Tranche: Plasencia (Sur)- Cañaveral (Este)

2002 ES 16 1 PR 010 // Presa del Arenoso

2002 ES 16 1 PR 011 // Autovía A-92 Sur, Guadix-Almería, Tranche Hueneja-Intersección N-340

2002 ES 16 1 PR 012 // Línea Ferroviaria de alta velocidad entre Córdoba y Málaga

2002 ES 16 1 PR 013 // Autovía de Castilla. Tranche Martín de Yeltes-Ciudad Rodrigo

2002 ES 16 1 PR 014 // Planta de regasificación de gas natural licuado en la isla de Gran Canaria

2002 ES 16 1 PR 015 // Impulsión de la IDAM de Carboneras, Almería

2002 ES 16 1 PR 016 // Glapilk, A.I.E.

2002 ES 16 1 PR 017 // Solmed Galvanizados, S.L.

2002 ES 16 1 PR 018 // Asturiana de Zinc, S.A.

2002 ES 16 1 PR 019 // CONEXIÓN ALMANZORA-PONIENTE ALMERIENSE FASE I - TRANCHE VENTA DEL POBRE-NÍJAR EN ALMERÍA

2002 ES 16 1 PR 020 // Autopista Santiago de Compostela-Orense, Tranche: Santiago de Compostela-Alto de Santo Domingo

2002 ES 16 1 PR 021 // Autovía del Cantábrico. Carretera Nacional 632, de Ribadesella a Luarca. Tranche: Grases (Villaviciosa)-Infanzón (Gijón)

2002 ES 16 1 PR 022 // Delphi Automotive System España, S.A.

2002 ES 16 1 PR 023 // Construcción del nuevo Hospital General Universitario de Murcia

2002 ES 16 1 PR 024 // Autovía del Cantábrico. Carretera Nacional 632, de Ribadesella a Luarca. Tranche: Soto del Barco-Muros de Naón

2002 ES 16 1 PR 025 // Conducción Júcar-Vinalopó

2002 ES 16 1 PR 026 // Autovía Alacant-Alcoi y Villena-Ibi (Tranche: Rambla de Rambuchar-Castalla)

2002 ES 16 1 PR 027 // Maspalomas Resort S. L.

2002 ES 16 1 PR 028 // Dupont Ibérica, S. L.

2002 ES 16 1 PR 029 // Autovía de la Plata. Tranche Valverde de la Virgen-Ardón

2003 ES 16 1 PR 001 // Nueva Carretera de acceso al Puerto de Castellón

2003 ES 16 1 PR 002 // Fibras del Noroeste S. A.

2003 ES 16 1 PR 003 // Bioetanol Galicia S. A.

2003 ES 16 1 PR 004 // Autovía del Mediterráneo CN-240- Tranche: Nerja-Almuñécar

2003 ES 16 1 PR 005 // Autovía del Cantábrico. Carretera National 632, de Ribadesella a Luarca. Tranche: Vegarrozadas- Soto del Barco

Frankrijk

CCI // Título

2001 FR 16 2 PR 001 // Port 2000 Le Havre

2001 FR 16 2 PR 002 // Route Nationale 106 (Lanquedoc-Roussillon

2001 FR 16 2 PR 003 // Grand Projet ATMEL

2002 FR 16 1 PR 001 // Deviation de Sainte-Marie (Ile de la Réunion)

2002 FR 16 2 PR 001 // Cap'Decouverte

2002 FR 16 2 PR 002 // Grande Halle d'Auvergne

2002 FR 16 2 PR 003 // ATMEL ROUSSET(Bouches du Rhône) Phase 3

2002 FR 16 2 PR 004 // Pilkington-Glass France à Seingbouse

2002 FR 16 2 PR 005 // Tunnel du Lioran

2003 FR 16 1 PR 001 // SEVELNORD

2003 FR 16 2 PR 001 // Lenglet

Verenigd Koninkrijk

CCI // Título

2001 GB 16 1 PR 001 // Merseyside Special Investement Fund

2001 GB 16 1 PR 002 // South Yorkshire Investment Fund

2001 GB 16 1 PR 003 // Finance Wales

2002 GB 16 1 PR 001 // Infrastructure Investement- Combined Universities in Cornwall (C.U.C.)

2002 GB 16 1 PR 002 // Infrastructure investment - Frenchgate interchange, Doncaster, South Yorkshire

2002 GB 16 1 PR 003 // Gas Pipeline-NI programme

2002 GB 16 1 PR 004 // Infrastructure Investement- South Yorkshire e-Learning Programme (SYeLP)

2002 GB 16 1 PR 005 // Infrastructure Investement- Northern Ireland Natural Gas Project- Gas Pipelines from Gormanstown(Republic of Ireland) to Antrim and from Carrickfergus to Londonderry

2002 GB 16 2 PR 001 // Request for confirmation of the rate of assistance-productive investment obj 2 priority 5 Yorkshire and the Humbner Partnership Investment Fund

2002 GB 16 2 PR 002 // Edinburgh Biomedical Research Institute

2003 GB 16 2 PR 001 // Productive Investment: Objective 2 Finance Wales and Transitional Objective 2 Finance Wales Investment Funds

Griekenland

CCI // Título

2003 GR 16 1 PR 001 // Developpement du tram d'Athènes

2003 GR 16 1 PR 002 // Renouvellement de la flotte des bus et des trolleybus Ethel-Ilpap

2003 GR 16 1 PR 003 // Thessaloniki East Ring Road from km 4 to km 12 (measure 1.6 of the ROP)

2003 GR 16 1 PR 004 // extension, amélioration et modernisation de l'aéroport de Thessalonique - Makedonias

2003 GR 16 1 PR 005 // Hôpital Agioi Anargyroi

Ierland

CCI // Título

2001 IE 16 1 PR 001 // ESIOP

2002 IE 16 1 PR 001 // Purchase of Diesel Railcars

2002 IE 16 1 PR 002 // Infrastructure Investement-Nothern Ireland Natural Gas Project-Gas Pipelines from Gormanstown (Republic of Ireland) to Antrim and from Carrickfergus to Londonderry

2002 IE 16 1 PR 003 // N8 Watergrasshill By-Pass

2002 IE 16 1 PR 004 // N11 Rathnew/Ashford By-Pass

2002 IE 16 1 PR 005 // N18 Hurlers Cross By-Pass

2002 IE 16 1 PR 006 // N22 Ballincollig By-Pass

portugal

CCI // Título

2001 PT 16 1 PR 001 // Terminal de Regasificacao de Gas Natural Liquefeito à Sines-PO Alentejo

2001 PT 16 1 PR 002 // Armazenagem subterrânea de Gas Natural no Carriço (Pombal)

2001 PT 16 1 PR 003 // Linha do Douro-Remodolaçao do Troço Cête-Caide

2001 PT 16 1 PR 004 // IC 10 - Ponte sobre o Tejo em Santarem e acessos imediatos

2001 PT 16 1 PR 005 // Metro de PORTO

2001 PT 16 1 PR 006 // Prolongamento da Linha Amarela-Campo Grande/Odivelas

2001 PT 16 1 PR 007 // Plano de Expansão do Aeroporto de Faro

2002 PT 16 1 PR 001 // Aquisiçao de 29 Unidades Multiplas Electricas par a Unidade de Suburbnos do Grande Porto

2002 PT 16 1 PR 002 // EPCOS-Peças e Componentes Electrónicos SA

2003 PT 16 1 PR 001 // CIMPOR-Industria de Cimentos S.A.

2003 PT 16 1 PR 002 // INFINEON TECHNOLOGIES

2003 PT 16 1 PR 003 // MABOR CONTINENTAL

2003 PT 16 1 PR 004 // Plano de Expansão do Aeroporto Sá Carneiro

BIJLAGE 3 Financieel toezicht FIOV

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Toezicht op de uitvoering van de Structuurfondsen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top