EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R2403

Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

OJ L 347, 28.12.2017, p. 81–104 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2403/oj

28.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 347/81


VERORDENING (EU) 2017/2403 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2017

inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (3) (de „verordening betreffende vismachtigingen”) is een systeem vastgesteld inzake machtigingen voor visserijactiviteiten van Unievissersvaartuigen buiten de wateren van de Unie en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de wateren van de Unie.

(2)

De Unie is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (4) (Unclos) en heeft de Overeenkomst van de Verenigde Naties van 4 augustus 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (5) geratificeerd. Deze internationale bepalingen gaan uit van het beginsel dat alle staten passende maatregelen voor een duurzaam beheer en een duurzame instandhouding van de rijkdommen van de zee moeten vaststellen en daartoe met elkaar moeten samenwerken.

(3)

De Unie heeft de van 24 november 1993 daterende Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (6) aanvaard. Die overeenkomst bepaalt dat een verdrag- of overeenkomstsluitende partij geen toestemming mag geven om een vaartuig te gebruiken voor de visserij op volle zee indien niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan, en sancties moet opleggen indien bepaalde rapportageverplichtingen niet worden nagekomen.

(4)

De Unie heeft het in 2001 aangenomen internationale actieplan van de FAO om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen („IAP-IOO”), onderschreven. Het IAP-IOO en de in 2014 onderschreven vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat, liggen ten grondslag aan de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat om de instandhouding en het duurzame gebruik van levende mariene rijkdommen en mariene ecosystemen voor lange termijn te waarborgen. In het IAP-IOO is bepaald dat een vlaggenstaat aan vaartuigen die zijn vlag voeren, machtigingen moet afgeven om visserijactiviteiten te verrichten in wateren die buiten zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen. In die vrijwillige richtsnoeren wordt ook aanbevolen dat de vlaggenstaat en de kuststaat een machtiging verlenen wanneer de visserijactiviteiten in het kader van een overeenkomst inzake toegang tot visserij of zelfs buiten het kader van een dergelijke overeenkomst plaatsvinden. Zij moeten er beide van overtuigd zijn dat zulke activiteiten de duurzaamheid van de bestanden in de wateren van de kuststaat niet zullen ondermijnen.

(5)

Alle leden van de FAO, waaronder de Unie en haar ontwikkelingspartnerlanden, hebben in 2014 unaniem de vrijwillige richtsnoeren voor duurzame kleinschalige visserij in de context van de voedselzekerheid en de uitroeiing van armoede goedgekeurd. In punt 5.7 van die richtsnoeren wordt benadrukt dat kleinschalige visserij naar behoren in aanmerking moet worden genomen voordat met derde landen en derde partijen overeenkomsten inzake toegang tot bestanden worden gesloten. In die richtsnoeren wordt ervoor gepleit maatregelen vast te stellen voor de instandhouding en het duurzame gebruik van visbestanden voor lange termijn en voor het veiligstellen van de ecologische fundamenten voor de voedselproductie, en wordt gewezen op het belang van milieunormen voor visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie, die een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer en de voorzorgsbenadering omvatten.

(6)

Indien er aanwijzingen zijn dat de voorwaarden voor afgifte van een vismachtiging niet langer zijn vervuld, moet de vlaggenlidstaat passende maatregelen treffen, waaronder wijziging of intrekking van de machtiging, en moet hij, indien nodig, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties opleggen. Indien een Unievissersvaartuig in het kader van een regionale organisatie voor visserijbeheer („ROVB”) of een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij („PODV”) niet voldoet aan de voorwaarden voor een vismachtiging en de lidstaat nalaat passend op te treden om de situatie te verhelpen, ook nadat hij daartoe door de Commissie is verzocht, moet de Commissie besluiten dat er niet passend is opgetreden. De Commissie dient derhalve aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het betrokken vaartuig niet meer vist zolang de voorwaarden niet zijn vervuld.

(7)

De Unie heeft zich op de wereldtop van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 verbonden tot de uitvoering van de resolutie met het slotdocument „Naar een nieuwe wereld: de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor 2030”, inclusief duurzameontwikkelingsdoelstelling 14, namelijk „het beschermen en duurzaam gebruikmaken van de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling”, en duurzameontwikkelingsdoelstelling 12, namelijk „duurzame consumptie- en productiepatronen verzekeren, en de bijbehorende streefdoelen”.

(8)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid („GVB”), zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) (de „basisverordening”), is ervoor te zorgen dat visserijactiviteiten ecologisch, economisch en sociaal duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen om voordelen te realiseren op economisch, sociaal en werkgelegenheidsgebied, om de visbestanden te herstellen tot boven een niveau dat een maximale duurzame opbrengst kan opleveren en dit niveau te handhaven, en om bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. Bij de uitvoering van dit beleid dient ook rekening te worden gehouden met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking, zoals is bepaald in artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”).

(9)

De basisverordening bepaalt ook dat PODV's beperkt moeten blijven tot vangstoverschotten, zoals bepaald in artikel 62, leden 2 en 3, van het Unclos.

(10)

De basisverordening benadrukt de noodzaak om de doelstellingen van het GVB op internationaal niveau te bevorderen, waarbij de visserijactiviteiten van de Unie buiten de wateren van de Unie op dezelfde beginselen en normen als die van het toepasselijke Unierecht moeten berusten, en waarbij gelijke voorwaarden voor exploitanten uit de Unie en exploitanten van derde landen moeten worden gestimuleerd.

(11)

Met de verordening betreffende vismachtigingen werd beoogd een gemeenschappelijke basis te leggen voor de machtiging van visserijactiviteiten door Unievissersvaartuigen buiten de wateren van de Unie, teneinde de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij („IOO-visserij”) te ondersteunen en de vloot van de Unie wereldwijd beter te controleren en te monitoren, alsmede voorwaarden vast te stellen voor het machtigen van vaartuigen van derde landen om in de wateren van de Unie te vissen.

(12)

Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad (8) (de „IOO-verordening”) is parallel met de verordening betreffende vismachtigingen vastgesteld, en een jaar later is Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (9) (de „controleverordening”) vastgesteld. Die verordeningen zijn de drie uitvoerende pijlers van de controle- en handhavingsbepalingen van het GVB.

(13)

De IOO-verordening, de verordening betreffende vismachtigingen en de controleverordening zijn echter niet op consistente wijze uitgevoerd; er waren met name inconsistenties tussen de verordening betreffende vismachtigingen en de controleverordening. De uitvoering van de verordening betreffende vismachtigingen legde ook verscheidene lacunes bloot, aangezien bepaalde uitdagingen op het gebied van controle niet aan bod kwamen, zoals chartering, omvlagging en vismachtigingen die door de bevoegde autoriteit van een derde land aan een Unievissersvaartuig worden afgegeven buiten het kader van een PODV („rechtstreekse machtigingen”). Daarnaast zijn bepaalde rapportageverplichtingen en de verdeling van de administratieve taken tussen de lidstaten en de Commissie problematisch gebleken.

(14)

Het grondbeginsel van deze verordening is dat elk Unievissersvaartuig dat buiten de wateren van de Unie vist, daartoe door zijn vlaggenlidstaat moet zijn gemachtigd en dienovereenkomstig moet worden gemonitord, ongeacht waar en binnen welk kader het actief is. Voor de afgifte van een machtiging moet een basisreeks gemeenschappelijke machtigingscriteria zijn vervuld. De door de lidstaten vergaarde en aan de Commissie verstrekte informatie moet het de Commissie mogelijk maken te allen tijde in elk gebied buiten de wateren van de Unie te interveniëren in de monitoring van de visserijactiviteiten van alle Unievissersvaartuigen.

(15)

De laatste jaren zijn er in het externe visserijbeleid van de Unie aanzienlijke verbeteringen doorgevoerd op het vlak van de voorwaarden van PODV's en de zorgvuldigheid waarmee de bepalingen worden gehandhaafd. Het veiligstellen van de belangen van de Unie met betrekking tot toegangsrechten en voorwaarden binnen het kader van PODV's moet derhalve een prioritaire doelstelling van het externe visserijbeleid van de Unie zijn, en soortgelijke voorwaarden moeten worden toegepast op activiteiten van de Unie buiten het toepassingsgebied van PODV's.

(16)

Ondersteuningsvaartuigen kunnen een aanzienlijke impact hebben op de wijze waarop vissersvaartuigen hun visserijactiviteiten kunnen verrichten en op de hoeveelheid vis die zij kunnen vangen. Daarom moeten de machtigings- en rapportageprocedures waarin deze verordening voorziet, rekening houden met ondersteuningsvaartuigen.

(17)

Omvlaggingspraktijken zijn problematisch wanneer ze zijn bedoeld om GVB-regels of bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen te omzeilen. De Unie moet deze praktijken daarom kunnen definiëren, opsporen en tegengaan. Gedurende de gehele levensduur van een vaartuig dat eigendom is van een exploitant uit de Unie, ongeacht de vlag(gen) waaronder het vaart, moeten de traceerbaarheid en de follow-up van de antecedenten van het vaartuig inzake naleving worden gewaarborgd. In dit verband wordt ook voorgeschreven dat de Internationale Maritieme Organisatie („IMO”) een uniek vaartuignummer toekent, indien het Unierecht dat vereist.

(18)

Unievaartuigen mogen activiteiten verrichten in de wateren van derde landen, hetzij overeenkomstig de bepalingen van PODV's tussen de Unie en derde landen, hetzij door van derde landen rechtstreekse vismachtigingen te verkrijgen indien er geen PODV van kracht is. In beide gevallen moeten deze activiteiten op een transparante en duurzame wijze worden verricht. Vlaggenlidstaten mogen onder hun vlag varende vaartuigen toestaan rechtstreekse machtigingen aan te vragen bij en te verkrijgen van derde landen die kuststaten zijn, op grond van een welomschreven reeks criteria en op voorwaarde dat er monitoring plaatsvindt. Zodra de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat die visserijactiviteit de duurzaamheid niet zal ondermijnen en de Commissie geen naar behoren gemotiveerde bezwaren heeft, moet een machtiging voor een visserijactiviteit worden verleend. De exploitant moet zijn visserijactiviteit pas mogen aanvangen als zowel de vlaggenlidstaat als de kuststaat hem daartoe machtiging hebben verleend.

(19)

Unievissersvaartuigen mogen niet vissen in wateren die onder de jurisdictie of soevereiniteit vallen van derde landen waarmee de Unie een overeenkomst heeft maar geen van kracht zijnd protocol. Wanneer voor een dergelijke overeenkomst gedurende minstens drie jaar geen protocol van kracht is geweest, dient de Commissie de reden daarvan te onderzoeken en passende maatregelen te treffen. Die kunnen inhouden dat wordt voorgesteld over een nieuw protocol te onderhandelen.

(20)

Een specifieke kwestie met betrekking tot PODV's is het opnieuw toewijzen van onderbenutte vangstmogelijkheden, waarvan sprake is wanneer de bij de betreffende Raadsverordeningen aan de lidstaten toegewezen vangstmogelijkheden niet volledig zijn benut. Aangezien de in PODV's vastgestelde toegangskosten voor een groot deel uit de algemene begroting van de Unie worden gefinancierd, is een systeem voor het tijdelijk opnieuw toewijzen en de subtoewijzing van vangstmogelijkheden belangrijk om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren en te waarborgen dat vangstmogelijkheden waarvoor is betaald, niet worden verspild. Daarom is het noodzakelijk die toewijzingssystemen, die een laatste redmiddel moeten zijn, te verduidelijken en te verbeteren. De toepassing ervan moet tijdelijk zijn en mag niet van invloed zijn op de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten, in overeenstemming met de toepasselijke beginselen van relatieve stabiliteit. Nieuwe toewijzingen mogen pas plaatsvinden nadat de betrokken lidstaten afstand hebben gedaan van hun recht om onderling vangstmogelijkheden uit te wisselen en dienen in de eerste plaats te geschieden in het kader van PODV's die toegang tot gemengde visserij geven.

(21)

Indien een derde land geen partij is bij een ROVB kan de Unie trachten om aan het derde land waarmee een PODV wordt overwogen een deel van de financiële middelen voor sectorale steun aan te wenden om de toetreding van het betreffende derde land tot de ROVB te faciliteren.

(22)

Ook voor visserijactiviteiten onder auspiciën van ROVB's en op volle zee moet door de vlaggenlidstaat een machtiging worden verleend en geldt dat zij moeten stroken met de specifieke regels van de ROVB of het Unierecht inzake visserijactiviteiten op volle zee.

(23)

Teneinde de internationale verplichtingen van de Unie in de ROVB's uit te voeren en in overeenstemming met de doelstellingen in artikel 28 van de basisverordening, moet de Unie periodieke prestatiebeoordelingen door onafhankelijke instanties stimuleren en moet zij een actieve rol spelen bij de oprichting en versterking van uitvoeringscomités in alle ROVB's waarbij zij verdrag- of overeenkomstsluitende partij is. De Unie moet er met name voor zorgen dat die uitvoeringscomités algemeen toezicht uitoefenen op de uitvoering van het externe visserijbeleid en de maatregelen waartoe in ROVB's besloten is.

(24)

Doeltreffend beheer van charterovereenkomsten moet ervoor zorgen dat de doeltreffendheid van instandhoudings- en beheersmaatregelen niet wordt ondermijnd en dat de duurzame exploitatie van levende mariene rijkdommen gevrijwaard blijft. Daarom is het noodzakelijk een juridisch kader op te zetten dat de Unie helpt de activiteiten van Unievissersvaartuigen die door exploitanten van derde landen of door exploitanten van de Unie gecharterd zijn, beter te monitoren op basis van wat de betrokken ROVB heeft vastgesteld.

(25)

Overladingen op zee ontsnappen aan een adequate controle door de vlaggenstaat of de kuststaten en bieden exploitanten daardoor een mogelijkheid om illegale vangsten te vervoeren. Overladingen door Unievaartuigen die op volle zee gevist hebben in het kader van rechtstreekse machtigingen, moeten worden onderworpen aan voorafgaande kennisgeving wanneer de overladingen buiten de haven plaatsvinden. De lidstaten dienen de Commissie eenmaal per jaar in kennis te stellen van alle door hun vaartuigen verrichte overladingen.

(26)

De procedures moeten transparant en voorspelbaar zijn voor exploitanten van de Unie en van derde landen, alsmede voor hun respectieve bevoegde autoriteiten.

(27)

Zoals voorzien in de controleverordening moet worden gezorgd voor de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten en de Commissie. De lidstaten moeten alle vereiste gegevens over hun vloten en de door die vloten verrichte visserijactiviteiten verzamelen, beheren en ter beschikking van de Commissie stellen. Voorts moeten zij waar nodig met elkaar, met de Commissie en met derde landen samenwerken om deze activiteiten op het gebied van gegevensvergaring te coördineren.

(28)

Met het oog op de transparantie en de toegankelijkheid van informatie over vismachtigingen van de Unie moet de Commissie een elektronische databank inzake vismachtigingen aanleggen die zowel een openbaar als een beveiligd deel omvat. De informatie in de databank inzake vismachtigingen van de Unie omvat persoonsgegevens. De verwerking van de persoonsgegevens op basis van deze verordening dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (10), Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) en de toepasselijke nationale wetgeving.

(29)

Met het oog op een adequate regeling inzake de toegang van vaartuigen die de vlag van een derde land voeren tot de wateren van de Unie, moeten de betreffende regels consistent zijn met die welke gelden voor Unievissersvaartuigen, overeenkomstig de controleverordening. Met name moet artikel 33 van die verordening inzake de rapportage van vangsten en vangstgerelateerde gegevens ook van toepassing zijn op vissersvaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen.

(30)

Vissersvaartuigen van derde landen zonder machtiging uit hoofde van deze verordening moeten er, wanneer zij in de wateren van de Unie varen, toe worden verplicht te waarborgen dat hun vistuig zodanig is opgesteld dat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

(31)

De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de controle van de visserijactiviteiten van vaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie en, in het geval van inbreuken, voor de registratie daarvan in het in artikel 93 van de controleverordening bedoelde nationale register van inbreuken.

(32)

Vaartuigen van derde landen die in wateren van de Unie vissen in het kader van overeenkomsten inzake uitwisseling of gezamenlijk beheer, moeten zich houden aan de quota die hun door de eigen vlaggenstaten zijn toegewezen. Wanneer vaartuigen van derde landen de hun toegewezen visserijquota voor bestanden in wateren van de Unie overschrijden, moet de Commissie verlagingen toepassen op de quota die aan deze derde landen in de volgende jaren worden toegewezen. In die gevallen dient de door de Commissie toe te passen verlaging in geval van overbevissing te worden opgevat als de bijdrage die de Commissie verstrekt in het kader van het overleg met de kuststaten.

(33)

Ter vereenvoudiging van de machtigingsprocedures moeten de lidstaten en de Commissie een gemeenschappelijk systeem voor gegevensuitwisseling en gegevensopslag gebruiken om noodzakelijke informatie en actualiseringen te verstrekken en tegelijk de administratieve lasten tot een minimum te beperken.

(34)

Teneinde rekening te houden met de technologische vooruitgang, en mogelijke nieuwe internationaalrechtelijke voorschriften die daaruit volgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanneming van wijzigingen van de bijlage bij deze verordening, waarin de lijst is vastgelegd van informatie die een exploitant moet verstrekken om een vismachtiging te verkrijgen, en ten aanzien van het aanvullen van de voorwaarden voor vismachtigingen van artikel 10 zoveel als nodig zodat het Unierecht het resultaat weerspiegelt van het overleg tussen de Unie en derde landen waarmee de Unie een overeenkomst heeft gesloten of van de regelingen met kuststaten waarmee visbestanden worden gedeeld. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(35)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening wat betreft de registratie en het formaat van gegevens over vismachtigingen, en wat betreft de toezending ervan door de lidstaten aan de Commissie en naar de databank inzake vismachtigingen van de Unie, alsook voor besluiten over het tijdelijk opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden in het kader van bestaande protocollen bij PODV's als overgangsmaatregel die overeenstemt met de bepalingen van artikel 10 van de verordening betreffende vismachtigingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (13).

(36)

Om de databank inzake vismachtigingen van de Unie operationeel te maken en de lidstaten in staat te stellen aan de technische voorschriften voor verzending te voldoen, moet de Commissie aan de betrokken lidstaten technische steun verlenen zodat zij gegevens elektronisch kunnen verzenden. De lidstaten kunnen ook financiële bijstand krijgen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij krachtens artikel 76, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (14).

(37)

Gezien het aantal aan te brengen wijzigingen en het belang ervan dient de verordening betreffende vismachtigingen te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van vismachtigingen voor:

a)

Unievissersvaartuigen die visserijactiviteiten verrichten in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land vallen, onder auspiciën van een ROVB waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, in of buiten wateren van de Unie, of op volle zee, en

b)

vissersvaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie.

Artikel 2

Verhouding tot het internationaal recht en het recht van de Unie

Deze verordening geldt onverminderd de bepalingen:

a)

in partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (PODV's) en andere tussen de Unie en derde landen gesloten visserijovereenkomsten;

b)

die zijn aangenomen door ROVB's waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is;

c)

in het Unierecht ter uitvoering of ter omzetting van de onder a) en b) bedoelde bepalingen.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van de basisverordening en in artikel 2, punten 1 tot en met 4, 15, 16 en 22, van de IOO-verordening, tenzij anders bepaald in deze verordening.

2.   Voorts gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende definities:

a)   „ondersteuningsvaartuig”: een vaartuig dat geen aan boord gehouden sloep is en dat niet is uitgerust met voor het vangen of aantrekken van vis ontworpen operationeel vistuig en dat visserijactiviteiten faciliteert, begeleidt of voorbereidt;

b)   „vismachtiging”: ten aanzien van een Unievissersvaartuig, een machtiging:

in de zin van punt 10 van artikel 4 van de controleverordening

die wordt afgegeven door een derde land en die een Unievissersvaartuig het recht geeft onder bepaalde voorwaarden, tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of voor een bepaalde soort visserij, specifieke visserijactiviteiten te verrichten in de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van dat derde land vallen,

en, ten aanzien van een vissersvaartuig van een derde land, een machtiging die dat vaartuig het recht geeft tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of voor een bepaalde soort visserij, onder bepaalde voorwaarden, specifieke visserijactiviteiten te verrichten in wateren van de Unie;

c)   „rechtstreekse machtiging”: een vismachtiging die buiten het kader van een PODV of van een overeenkomst over de uitwisseling van vangstmogelijkheden en gezamenlijk beheer van soorten van gemeenschappelijk belang, door een bevoegde autoriteit van een derde land wordt afgegeven aan een Unievissersvaartuig;

d)   „wateren van derde landen”: wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land. Voor de toepassing van deze verordening worden de wateren van een lidstaat die geen wateren van de Unie zijn, beschouwd als wateren van derde landen;

e)   „waarnemersprogramma”: een regeling onder auspiciën van een ROVB, een PODV, een derde land of een lidstaat, die voorziet in de aanwezigheid van waarnemers aan boord van vissersvaartuigen, onder meer, indien dat in de toepasselijke waarnemersregeling is bepaald, om te verifiëren of het vaartuig aan de door die ROVB of door dat derde land, of op grond van die PODV, vastgestelde voorschriften voldoet;

f)   „charteren”: een regeling waarbij een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert voor een bepaalde periode een verbintenis met een exploitant in hetzij een andere lidstaat, hetzij een derde land aangaat zonder van vlag te veranderen;

g)   „visserijactiviteiten”: alle activiteiten in verband met het zoeken naar vis, het te water laten, slepen en binnenhalen van actief vistuig, het te water laten, uitzetten, verwijderen of verplaatsen van passief vistuig, en het verwijderen van de vangst uit het vistuig, het bewaarnet of uit een transportkooi naar een mest- of een kweekkooi.

TITEL II

VISSERIJACTIVITEITEN VAN UNIEVISSERSVAARTUIGEN BUITEN DE WATEREN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 4

Algemeen beginsel

Onverminderd het vereiste om een machtiging van de bevoegde organisatie of het derde land te verkrijgen, verricht een Unievissersvaartuig geen visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie, tenzij het daartoe een machtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen en de visserijactiviteiten zijn aangegeven in een geldige vismachtiging die is afgegeven in overeenstemming met de hoofdstukken II tot en met V, naargelang het geval.

Artikel 5

Machtigingscriteria

1.   Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie afgeven indien:

a)

de vlaggenlidstaat volledige en accurate informatie heeft ontvangen, overeenkomstig de voorschriften van de bijlage of de betrokken PODV of ROVB, over het vissersvaartuig en het (de) bijbehorende ondersteuningsvaartuig(en), met inbegrip van niet-uniale ondersteuningsvaartuigen;

b)

het vissersvaartuig beschikt over een geldige visvergunning uit hoofde van artikel 6 van de controleverordening;

c)

het vissersvaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig, voor zover het Unierecht dat vereist, de geldende regeling inzake scheepsidentificatienummers van de IMO toepast;

d)

het vissersvaartuig niet is opgenomen op een door een ROVB en/of de Unie krachtens de IOO-verordening vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;

e)

in voorkomend geval, in het kader van de betrokken visserijovereenkomst of de betreffende bepalingen van de ROVB vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de vlaggenlidstaat, en

f)

in voorkomend geval, het vissersvaartuig voldoet aan de voorschriften van artikel 6.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage, teneinde te zorgen voor passend toezicht op de activiteiten van vissersvaartuigen uit hoofde van deze verordening, met name door middel van nieuwe gegevensvereisten naar aanleiding van visserijovereenkomsten of de ontwikkeling van informatietechnologieën.

Artikel 6

Omvlagging

1.   Dit artikel is van toepassing op vaartuigen die tijdens de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een vismachtiging:

a)

uit het vissersvlootregister van de Unie zijn geschrapt en naar een derde land zijn omgevlagd, en

b)

opnieuw in het vissersvlootregister van de Unie zijn opgenomen.

2.   Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging afgeven indien hij heeft vastgesteld dat het in lid 1 bedoelde vaartuig gedurende de periode dat het actief was onder de vlag van een derde land:

a)

geen IOO-visserij heeft bedreven;

b)

niet actief was in de wateren van een derde land dat op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad (15) is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat;

c)

niet actief was in de wateren van een derde land dat op grond van artikel 33 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet-meewerkend;

d)

niet actief was in wateren van een derde land dat op grond van artikel 31 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend vanaf zes weken nadat het besluit van de Commissie daartoe is vastgesteld, tenzij voor activiteiten die werden verricht in het geval dat de Raad een voorstel om dat derde land op grond van artikel 33 van die verordening als niet-meewerkend aan te merken, heeft verworpen.

3.   Daartoe verstrekt een exploitant de volgende door de vlaggenlidstaat verlangde informatie met betrekking tot de periode waarin het vaartuig onder de vlag van een derde land actief was:

a)

een aangifte van de vangsten en visserijinspanningen gedurende de betreffende periode, zoals verlangd door het derde land waarvan het vaartuig de vlag voerde;

b)

een kopie van de vismachtigingen op grond waarvan gedurende de betreffende periode visserijactiviteiten waren toegestaan;

c)

een officiële verklaring van het derde land waarnaar het vaartuig is omgevlagd en waarin de sancties zijn opgesomd waaraan het vaartuig of de exploitant gedurende de betreffende periode onderworpen waren;

d)

de volledige antecedenten inzake vlagvoering voor de periode dat het vaartuig niet in het vlootregister van de Unie opgenomen was.

4.   Een vlaggenlidstaat geeft geen vismachtiging af aan een vaartuig dat is omgevlagd naar een derde land dat:

a)

op grond van artikel 33 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend;

b)

op grond van artikel 31 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend vanaf zes weken nadat de het besluit van de Commissie daartoe is vastgesteld, tenzij voor activiteiten die werden verricht in het geval dat de Raad een voorstel om dat derde land op grond van artikel 33 van die verordening als niet-meewerkend aan te merken, heeft verworpen, of

c)

op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat.

5.   Lid 4 is niet van toepassing indien de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat, zodra de in lid 2, onder b) tot en met d), of lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde omstandigheden van toepassing zijn, de exploitant:

a)

de visserijactiviteiten heeft stopgezet, en

b)

onmiddellijk de betreffende administratieve procedures om het vaartuig uit het vissersvlootregister van het derde land te schrappen, heeft ingeleid.

Artikel 7

Beheer van vismachtigingen

1.   Bij de aanvraag van een vismachtiging verstrekt de exploitant de vlaggenlidstaat volledige en accurate gegevens.

2.   De exploitant stelt de vlaggenlidstaat onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de betreffende gegevens.

3.   De vlaggenlidstaat monitort regelmatig of de voorwaarden op grond waarvan een vismachtiging is afgegeven, vervuld blijven tijdens de geldigheidsduur van die machtiging.

4.   Indien uit het definitieve resultaat van de in lid 3 bedoelde monitoringactiviteiten blijkt dat er aanwijzingen zijn dat de voorwaarden voor afgifte van een vismachtiging niet langer zijn vervuld, neemt de vlaggenlidstaat passende maatregelen, waaronder het wijzigen of intrekken van de machtiging, en indien nodig het opleggen van sancties. De door de vlaggenlidstaten bij inbreuken opgelegde sancties zijn voldoende streng om een daadwerkelijke naleving van de regels te garanderen, inbreuken te voorkomen en overtreders de uit hun inbreuken voortvloeiende voordelen te ontnemen. De vlaggenlidstaat stelt de exploitant en de Commissie onmiddellijk van de sancties in kennis. De Commissie stelt in voorkomend geval het secretariaat van de ROVB of het betrokken derde land in kennis.

5.   Op met redenen omkleed verzoek van de Commissie neemt een vlaggenlidstaat, bij inbreuken op de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de biologische rijkdommen van de zee die zijn vastgesteld in een ROVB waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, of op grond van een PODV, passende maatregelen als bedoeld in lid 4.

6.   Wanneer de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is bij een ROVB en een Unievissersvaartuig volgens het door de ROVB erkende definitieve controleverslag niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, onder b), en de vlaggenlidstaat vervolgens nalaat de in lid 4 van dit artikel bedoelde passende maatregelen te nemen, kan de Commissie bij besluit eisen dat de betrokken vlaggenlidstaat ervoor zorgt dat het betrokken Unievissersvaartuig aan deze voorwaarden voldoet.

Wanneer de betrokken vlaggenlidstaat geen passende maatregelen heeft genomen om binnen 15 dagen aan het in de eerste alinea genoemd besluit van de Commissie te voldoen, zendt de Commissie de geactualiseerde gegevens van de in artikel 22 bedoelde vissersvaartuigen toe aan het secretariaat van de ROVB teneinde tegen het betrokken vaartuig op te treden. De Commissie deelt de vlaggenlidstaat haar maatregelen mee. De vlaggenlidstaat stelt de exploitant in kennis van de maatregelen van de Commissie.

7.   Wanneer de Unie een PODV met een derde land heeft gesloten en een Unievissersvaartuig volgens het door het door de ROVB erkende definitieve controleverslag niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, onder b), en de vlaggenlidstaat vervolgens nalaat de in lid 4 van dit artikel bedoelde passende maatregelen te nemen, kan de Commissie bij besluit eisen dat de betrokken vlaggenlidstaat ervoor zorgt dat het betrokken Unievissersvaartuig aan deze voorwaarden voldoet.

Wanneer de betrokken vlaggenlidstaat geen passende maatregelen heeft genomen om binnen 15 dagen aan het in de eerste alinea genoemd besluit van de Commissie te voldoen, zendt de Commissie de geactualiseerde gegevens van de vissersvaartuigen toe aan het derde land, teneinde tegen het betrokken Unievissersvaartuig op te treden. De Commissie deelt de vlaggenlidstaat haar maatregelen mee. De vlaggenlidstaat stelt de exploitant in kennis van de maatregelen van de Commissie.

HOOFDSTUK II

Visserijactiviteiten van Unievissersvaartuigen in de wateren van derde landen

Afdeling 1

Visserijactiviteiten in het kader van podv's

Artikel 8

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door Unievissersvaartuigen in de wateren van derde landen worden verricht in het kader van een PODV.

Artikel 9

ROVB-lidmaatschap

Een Unievissersvaartuig mag uitsluitend visserijactiviteiten in de wateren van een derde land op door een ROVB beheerde bestanden verrichten indien dat derde land verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die ROVB is.

Artikel 10

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaat

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen in het kader van een PODV afgeven indien:

a)

de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

b)

de voorwaarden van de betreffende PODV zijn nageleefd;

c)

de exploitant alle vergoedingen heeft betaald die verschuldigd zijn uit hoofde van de betreffende overeenkomsten en, indien van toepassing, alle daaraan gerelateerde financiële sancties die bij een definitief en bindend besluit van een gerechtelijke of administratieve instantie zijn vastgesteld, en

d)

het vissersvaartuig een geldige vismachtiging heeft die is afgegeven door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden.

Artikel 11

Procedure voor het verkrijgen van vismachtigingen van het derde land

1.   Voor de toepassing van artikel 10, onder d), zendt een vlaggenlidstaat die heeft vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, onder a) tot en met c), de Commissie de betreffende aanvraag voor de machtiging van het derde land toe.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag bevat de in het kader van de PODV vereiste informatie.

3.   Ten minste tien kalenderdagen vóór de in de PODV vastgestelde uiterste datum voor de verzending van aanvragen zendt de vlaggenlidstaat de aanvraag aan de Commissie toe. De Commissie kan de vlaggenlidstaat een naar behoren gemotiveerd verzoek toezenden om alle aanvullende informatie te ontvangen die zij noodzakelijk acht om de voorwaarden te verifiëren.

4.   Vanaf de ontvangst van de aanvraag, of indien er op grond van lid 3 van dit artikel om aanvullende informatie is verzocht, voert de Commissie een voorlopig onderzoek uit om te bepalen of de voorwaarden van artikel 10, onder a) tot en met c), zijn vervuld. De Commissie handelt daarna als volgt:

a)

zij zendt de aanvraag onverwijld aan het derde land toe, en in elk geval vóór het verstrijken van de in de PODV vastgestelde uiterste datum voor de verzending van aanvragen, voor zover de in lid 3 van dit artikel vastgelegde uiterste datum in acht is genomen, of

b)

zij stelt de lidstaat ervan in kennis dat de aanvraag is afgewezen.

5.   Indien een derde land de Commissie meedeelt dat het heeft besloten een vismachtiging voor een Unievissersvaartuig in het kader van de overeenkomst af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan onmiddellijk en indien mogelijk langs elektronische weg in kennis.

Artikel 12

Het tijdelijk opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden in het kader van PODV's

1.   Gedurende een bepaald jaar of een andere relevante uitvoeringsperiode van een protocol bij een PODV kan de Commissie, rekening houdend met de geldigheidsperioden van de vismachtigingen en met de visseizoenen, vaststellen dat er vangstmogelijkheden onbenut zijn gebleven en de lidstaten die over de overeenkomstige aandelen van de toewijzing beschikken, daarvan in kennis stellen.

2.   Binnen tien kalenderdagen na ontvangst van deze informatie van de Commissie kunnen de in lid 1 bedoelde lidstaten:

a)

de Commissie meedelen dat zij hun vangstmogelijkheden later in de relevante uitvoeringsperiode zullen gebruiken, door een visserijplan te verstrekken met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode, of

b)

de Commissie ervan in kennis stellen dat hun vangstmogelijkheden worden benut door middel van uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van de basisverordening.

3.   Indien bepaalde lidstaten de Commissie niet op de hoogte hebben gebracht van een van de in lid 2 bedoelde maatregelen of hebben meegedeeld dat hun vangstmogelijkheden slechts gedeeltelijk worden benut, en indien er als gevolg daarvan vangstmogelijkheden onbenut blijven, kan de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden bekendmaken onder de andere lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken. De Commissie brengt tezelfdertijd alle lidstaten op de hoogte van haar oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

4.   Binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de in lid 3 bedoelde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling kunnen lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken, hun belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden aan de Commissie kenbaar maken. Ter ondersteuning van hun verzoek verstrekken zij een visserijplan met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode.

5.   Indien dit nodig wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek, kan de Commissie de betrokken lidstaten om aanvullende informatie vragen.

6.   Indien de lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken geen belangstelling hebben voor alle beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden, kan de Commissie, nadat de in lid 4 bedoelde periode van tien dagen is verstreken, de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling openstellen voor alle lidstaten. Een lidstaat kan zijn belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden kenbaar maken onder de in dat lid bedoelde voorwaarden.

7.   Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig lid 4 of 6 van dit artikel verstrekte informatie wijst de Raad overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU de onbenutte vangstmogelijkheden uitsluitend tijdelijk opnieuw toe voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde relevante periode.

De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de lidstaten waaraan vangstmogelijkheden opnieuw werden toegewezen en van de opnieuw toegewezen hoeveelheden.

8.   Het tijdelijk opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden geschiedt op basis van transparante en objectieve criteria, onder meer, indien van toepassing, ecologische en sociaal-economische criteria. Die criteria kunnen zijn:

a)

de voor nieuwe toewijzing beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

het aantal verzoekende lidstaten;

c)

het bij de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan elke verzoekende lidstaat toegewezen aandeel;

d)

in voorkomend geval, de historische vangst- en inspanningsniveaus van elke verzoekende lidstaat;

e)

de haalbaarheid van de door de verzoekende lidstaten verstrekte visserijplannen, in het licht van het aantal, het type en de kenmerken van de vaartuigen en het gebruikte vistuig.

Artikel 13

Subtoewijzing van een jaarlijks quotum uitgesplitst in verscheidene opeenvolgende vangstbeperkingen

1.   Indien in een protocol bij een PODV maandelijkse of driemaandelijkse vangstbeperkingen of andere onderverdelingen van de voor het betrokken jaar beschikbare vangstmogelijkheden zijn vastgesteld, en niet alle toegewezen vangstmogelijkheden tijdens dezelfde maandelijkse, driemaandelijkse of anderszins toepasselijke periode zijn gebruikt, gaat de Raad, overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU, over tot subtoewijzing van de overeenkomstige beschikbare vangstmogelijkheden aan de betrokken lidstaten voor de relevante perioden.

2.   De subtoewijzing van de beschikbare vangstmogelijkheden gebeurt op basis van transparante en objectieve criteria. Zij is in overeenstemming met de uit hoofde van de toepasselijke verordening van de Raad aan de lidstaten toegewezen jaarlijkse vangstmogelijkheden.

Afdeling 2

Visserijactiviteiten in het kader van overeenkomsten inzake uitwisseling of gezamenlijk beheer

Artikel 14

Toepasselijke bepalingen

1.   De artikelen 8 tot en met 11 zijn van overeenkomstige toepassing op Unievissersvaartuigen die in wateren van derde landen vissen uit hoofde van een overeenkomst inzake de uitwisseling van vangstmogelijkheden of het gezamenlijk beheer van visbestanden van gemeenschappelijk belang.

2.   In afwijking van artikel 11 kan een vlaggenlidstaat aan de Commissie de details verstrekken van de vaartuigen die in aanmerking komen om visserijactiviteiten te verrichten in wateren van derde landen in het kader van de betreffende overeenkomst. Wanneer is vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10, onder a) tot en met c), zendt de Commissie de details van die Unievissersvaartuigen onverwijld toe aan het derde land. Nadat het derde land de Commissie ervan in kennis heeft gesteld dat het zijn goedkeuring heeft gehecht aan de details van die Unievissersvaartuigen, brengt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan op de hoogte. Van de vaartuigen waarover de vereiste details zijn verstrekt, wordt aangenomen dat zij een geldige vismachtiging in de zin van artikel 10, onder d), hebben. De Commissie brengt de vlaggenlidstaat via elektronische weg eveneens onverwijld op de hoogte van elke kennisgeving door het derde land dat een Unievissersvaartuig niet in aanmerking komt voor het verrichten van visserijactiviteiten in zijn wateren.

Artikel 15

Overleg met derde landen over Unievissersvaartuigen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de voorwaarden voor vismachtigingen van artikel 10 aan te vullen door in het Unierecht het resultaat ten uitvoer te brengen van het overleg tussen de Unie en derde landen waarmee de Unie een overeenkomst heeft gesloten of van de regelingen met kuststaten waarmee visbestanden worden gedeeld.

Afdeling 3

Visserijactiviteiten in het kader van rechtstreekse machtigingen

Artikel 16

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door Unievissersvaartuigen in de wateren van een derde land worden verricht buiten het kader van een overeenkomst als bedoeld in afdeling 1 of 2.

Artikel 17

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

1.   Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen buiten het kader van een overeenkomst als bedoeld in afdeling 1 of 2 afgeven indien:

a)

de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

b)

er geen PODV of overeenkomst inzake uitwisseling van vangstmogelijkheden of gezamenlijk beheer met het betreffende derde land van kracht is of voorlopig wordt toegepast;

c)

de marktdeelnemer elk van de volgende elementen heeft verstrekt:

een door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden aan de marktdeelnemer verstrekte kopie van of een exacte verwijzing naar de geldende visserijwetgeving;

een wetenschappelijke evaluatie die de duurzaamheid van de geplande visserijactiviteiten aantoont, en in voorkomend geval ook de verenigbaarheid met artikel 62 van het Unclos;

een officieel rekeningnummer bij een overheidsbank dat voor de betaling van alle vergoedingen is aangewezen;

d)

bij visserijactiviteiten op een door een ROVB beheerde soort, het derde land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is, en

e)

de marktdeelnemer een van de volgende elementen heeft verstrekt:

een geldige vismachtiging voor het betrokken vaartuig die is afgegeven door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden, of

een schriftelijke bevestiging, afgegeven door het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de visserijactiviteiten plaatsvinden, naar aanleiding van de besprekingen tussen de marktdeelnemer en dat derde land, van de voorwaarden voor de voorgenomen rechtstreekse machtiging om de marktdeelnemer toegang tot zijn visbestanden te geven, met inbegrip van de duur, voorwaarden en vangstmogelijkheden uitgedrukt als inspannings- of vangstbeperkingen.

2.   De visserijactiviteiten beginnen in elk geval pas nadat het derde land de in lid 1, onder e), bedoelde geldige vismachtiging heeft afgegeven. De vlaggenlidstaat schorst zijn machtiging indien de machtiging door het derde land niet is afgegeven tegen het begin van de geplande visserijactiviteiten.

3.   De in lid 1, onder c), tweede streepje, bedoelde wetenschappelijke evaluatie wordt verstrekt door een ROVB of door een regionaal visserijorgaan met wetenschappelijke bevoegdheden, of wordt verstrekt door of in samenwerking met het derde land. De wetenschappelijke evaluatie die uitgaat van het derde land wordt door een wetenschappelijk instituut of orgaan van een lidstaat of van de Unie beoordeeld.

Artikel 18

Procedure voor het verkrijgen van vismachtigingen van het derde land

1.   Een vlaggenlidstaat die heeft gecontroleerd of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, lid 1, onder a) tot en met e), zendt de in de bijlage vermelde relevante informatie, alsmede informatie over de naleving van de voorwaarden van artikel 17, lid 1, onder c), aan de Commissie toe.

2.   Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie onvoldoende is om te kunnen beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, verzoekt zij binnen tien werkdagen na ontvangst van deze informatie om nadere informatie of motivering.

3.   Indien de Commissie, naar aanleiding van het in lid 2 van dit artikel bedoelde verzoek om nadere informatie of motivering en na besprekingen met de betrokken lidstaat, oordeelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 17 is voldaan, kan zij binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de gevraagde informatie of motivering, bezwaar tegen de verlening van de vismachtiging maken. Indien de Commissie oordeelt dat aan die voorwaarden is voldaan, stelt zij de betrokken lidstaat onverwijld in kennis van haar voornemen geen bezwaar te maken.

4.   De vlaggenlidstaat kan de vismachtiging afgeven na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode. Indien de Commissie overeenkomstig dat lid om nadere informatie heeft verzocht, kan de vlaggenlidstaat de vismachtiging afgeven indien de Commissie binnen de in lid 3 bedoelde termijn geen bezwaar heeft gemaakt of vóór het verstrijken van die termijn mits de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is bezwaar te maken.

5.   In afwijking van de leden 1 tot en met 4 kan de vlaggenlidstaat, in het geval van hernieuwing van een vismachtiging onder dezelfde voorwaarden binnen twee jaar na afgifte van de initiële vismachtiging, de vismachtiging afgeven na controle van de informatie die is ontvangen in verband met de voorwaarden van artikel 17, lid 1, onder a), b), d), en e); de vlaggenlidstaat brengt de Commissie daarvan onverwijld op de hoogte.

6.   Indien een derde land de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een Unievissersvaartuig af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan onmiddellijk in kennis.

7.   Indien een derde land de vlaggenlidstaat ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een Unievissersvaartuig af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

8.   Een marktdeelnemer verstrekt aan de vlaggenlidstaat een kopie van de tussen hem en het derde land overeengekomen definitieve voorwaarden, waaronder een kopie van de rechtstreekse machtiging.

HOOFDSTUK III

Visserijactiviteiten door Unievissersvaartuigen onder auspiciën van ROVB's

Artikel 19

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op visserijactiviteiten die worden verricht door Unievissersvaartuigen die op bestanden vissen onder auspiciën van een ROVB, in of buiten wateren van de Unie, voor zover hun activiteiten onderworpen zijn aan een door de ROVB ingestelde machtigingsregeling.

Artikel 20

Vismachtigingen

1.   Een Unievissersvaartuig waarvan de visserijactiviteiten onderworpen zijn aan een door de ROVB ingestelde machtigingsregeling, verricht geen visserijactiviteiten onder auspiciën van de ROVB tenzij:

a)

de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is bij de ROVB;

b)

het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen;

c)

het in het betreffende register of de betreffende lijst van gemachtigde vaartuigen van de ROVB is opgenomen, en

d)

wanneer de visserijactiviteiten in de wateren van derde landen worden verricht, het een vismachtiging van het betrokken derde land heeft ontvangen overeenkomstig hoofdstuk II.

2.   Lid 1, onder a), van dit artikel is niet van toepassing op uitsluitend in Uniewateren vissende Unievissersvaartuigen die reeds een vismachtiging hebben ontvangen overeenkomstig artikel 7 van de controleverordening.

Artikel 21

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging afgeven indien:

a)

de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

b)

de door de ROVB vastgestelde regels of het Unierecht ter omzetting daarvan zijn nageleefd, en

c)

wanneer de visserijactiviteiten in wateren van derde landen worden verricht, de in artikel 10 of artikel 17 vastgestelde criteria zijn vervuld.

Artikel 22

Registratie door ROVB's

1.   Een vlaggenlidstaat zendt de Commissie de details toe van de vaartuigen die hij heeft gemachtigd tot het verrichten van visserijactiviteiten in overeenstemming met artikel 20 van deze verordening of, in het geval van artikel 20, lid 2, van deze verordening, in overeenstemming met artikel 7 van de controleverordening.

2.   De in lid 1 bedoelde details worden opgesteld overeenkomstig de voorwaarden die de ROVB heeft vastgelegd en gaan vergezeld van de door die organisatie verlangde informatie.

3.   De Commissie kan de vlaggenlidstaat binnen tien dagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde details verzoeken om alle aanvullende informatie die zij nodig acht. Zij onderbouwt een dergelijk verzoek.

4.   Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat aan de voorwaarden in artikel 21 is voldaan, zendt zij de details van gemachtigde vaartuigen binnen 15 dagen na ontvangst van de in lid 1 van dit artikel bedoelde details toe aan de ROVB.

5.   Indien het register of de lijst van de ROVB niet openbaar is, doet de Commissie de lidstaten die betrokken zijn bij de visserijsector in kwestie de details van gemachtigde vaartuigen toekomen.

HOOFDSTUK IV

Visserijactiviteiten door Unievissersvaartuigen op volle zee

Artikel 23

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de visserijactiviteiten op volle zee die niet onder hoofdstuk III vallen en verricht worden door Unievissersvaartuigen met een lengte over alles van meer dan 24 meter.

Artikel 24

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten op volle zee afgeven indien:

a)

de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

b)

de geplande visserijactiviteiten:

in overeenstemming zijn met een door een wetenschappelijk instituut in de vlaggenlidstaat verstrekte of gevalideerde wetenschappelijke evaluatie, waarin de duurzaamheid van de geplande visserijactiviteiten wordt aangetoond, of

deel uitmaken van een door een wetenschappelijk orgaan georganiseerd onderzoeksprogramma, met inbegrip van een systeem voor gegevensvergaring. Het wetenschappelijke protocol van het onderzoek, dat in elk geval vereist zal zijn, wordt gevalideerd door een wetenschappelijk instituut in de vlaggenlidstaat.

Artikel 25

Procedure voor het verkrijgen van vismachtigingen

1.   Een vlaggenlidstaat die heeft vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 24, zendt de Commissie de in de bijlage vermelde informatie, alsmede informatie over de naleving van de voorwaarden van artikel 5 toe.

2.   Indien de Commissie van oordeel is dat de overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte informatie onvoldoende is om te kunnen beoordelen of de voorwaarden in artikel 24 worden nageleefd, verzoekt zij binnen tien kalenderdagen na ontvangst van die informatie om aanvullende informatie of motivering.

3.   Indien de Commissie, na ontvangst van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende informatie of motivering, oordeelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 24 is voldaan, kan zij binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van de aanvullende informatie of motivering, bezwaar tegen de verlening van de vismachtiging maken. Indien de Commissie oordeelt dat aan de voorwaarden is voldaan, stelt zij de betrokken lidstaat onverwijld in kennis van haar voornemen geen bezwaar te maken.

4.   De vlaggenlidstaat kan de vismachtiging afgeven na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode. Indien de Commissie overeenkomstig dat lid om nadere informatie heeft verzocht, kan de vlaggenlidstaat de vismachtiging afgeven indien de Commissie binnen de in lid 3 bedoelde termijn geen bezwaar heeft gemaakt of vóór het verstrijken van die termijn mits de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat zij niet voornemens is bezwaar te maken.

HOOFDSTUK V

Charteren van Unievissersvaartuigen

Artikel 26

Beginselen

1.   Een Unievissersvaartuig verricht geen visserijactiviteiten in het kader van charterovereenkomsten in wateren waarvoor er een PODV van kracht is of voorlopig wordt toegepast.

2.   Een Unievissersvaartuig verricht geen visserijactiviteiten in het kader van meer dan een charterovereenkomst tegelijk en verricht geen subchartering.

3.   Unievissersvaartuigen vissen in het kader van charterovereenkomsten alleen in wateren onder auspiciën van een ROVB indien de staat aan wie het vaartuig gecharterd is, verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is.

4.   Een gecharterd Unievissersvaartuig gebruikt de vangstmogelijkheden van zijn vlaggenlidstaat niet gedurende de looptijd van de charterovereenkomst. De vangsten van een gecharterd Unievissersvaartuig worden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden van de charterende staat.

5.   Niets van het bepaalde in deze verordening doet afbreuk aan de verantwoordelijkheden van de vlaggenlidstaat in verband met zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, de controleverordening, de IOO-verordening of andere bepalingen van het GVB, waaronder rapportagevereisten.

6.   De houder van de visvergunning voor een Unievissersvaartuig dat moet worden gecharterd, stelt de vlaggenlidstaat in kennis van de charterovereenkomst voordat deze in werking treedt. Die lidstaat stelt de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 27

Beheer van vismachtigingen in het kader van een charterovereenkomst

Bij de afgifte van een vismachtiging voor een vaartuig overeenkomstig artikel 17, 21 of 24, en wanneer de betrokken visserijactiviteiten worden verricht in het kader van een charterovereenkomst, verifiëren de lidstaten dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de charterende staat officieel heeft bevestigd dat de overeenkomst in overeenstemming is met het nationale recht, en

b)

de details van de charterovereenkomst in de vismachtiging worden vermeld, met inbegrip van de periode, de vangstmogelijkheden en de visserijzone.

HOOFDSTUK VI

Overladingen

Artikel 28

Overladingen

1.   Een door een Unievissersvaartuig verrichte overlading op volle zee of in het kader van rechtstreekse machtigingen, wordt verricht overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van de controleverordening. De vlaggenlidstaat verstrekt de Commissie elk jaar uiterlijk eind maart, voor de overladingen die in het voorgaande jaar hebben plaatsgevonden, de informatie in de aangifte van overlading, de datum van overlading, de geografische positie en het gebied waarin de overlading heeft plaatsgevonden.

2.   Kapiteins van Unievissersvaartuigen die vissen in het kader van rechtstreekse machtigingen of op volle zee, stellen de bevoegde autoriteiten van hun vlaggenlidstaat vóór de overlading in kennis van de volgende gegevens:

a)

de naam en extern identificatienummer van het ontvangend vaartuig;

b)

het tijdstip en geografische positie van de geplande overlading, en

c)

de geschatte hoeveelheden van de over te laden soorten.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op overladingen die door Unievissersvaartuigen in havens worden verricht.

HOOFDSTUK VII

Observatie- en rapportageverplichtingen

Artikel 29

Waarnemersprogrammagegevens

Indien aan boord van een Unievissersvaartuig gegevens worden verzameld in het kader van een waarnemersprogramma, worden daarmee verband houdende verslagen overeenkomstig de regels ter zake in het waarnemersprogramma onverwijld toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat.

Artikel 30

Toezending van informatie aan derde landen

1.   Bij het verrichten van visserijactiviteiten in het kader van deze titel stelt de kapitein van een Unievissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger de relevante vangstaangiften en aanlandingsaangiften ter beschikking van het derde land, en zendt hij daarnaast een elektronische kopie van die gegevens toe aan zijn vlaggenlidstaat.

2.   De vlaggenlidstaat beoordeelt middels kruiscontroles overeenkomstig artikel 109 van de controleverordening de consistentie van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens met de gegevens die hij heeft ontvangen overeenkomstig die verordening en, in voorkomend geval, overeenkomstig de betreffende bepalingen van de PODV.

3.   Niet-verzending van vangstaangiften of van aanlandingsaangiften aan het derde land als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt voor de toepassing van artikel 90 van de controleverordening eveneens als een ernstige inbreuk beschouwd, naargelang de ernst van de inbreuk in kwestie, die beoordeeld wordt door de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat op grond van criteria als de aard en de waarde van de schade, de economische situatie van de inbreukpleger en de omvang en het al dan niet herhaaldelijke karakter van de inbreuk.

TITEL III

VISSERIJACTIVITEITEN VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 31

Vereisten voor het ROVB-lidmaatschap

Een vissersvaartuig uit een derde land mag enkel visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie op door een ROVB beheerde bestanden indien dat land verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die ROVB is.

Artikel 32

Algemene beginselen

1.   Een vissersvaartuig van een derde land verricht geen visserijactiviteiten in de wateren van de Unie tenzij het een vismachtiging van de Commissie heeft ontvangen. Een dergelijk vaartuig krijgt de machtiging in kwestie alleen indien het de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria vervult.

2.   Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de regels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van Unievaartuigen in het visserijgebied waar het actief is. Wanneer de in de betreffende visserijovereenkomst vastgestelde bepalingen van deze regels verschillen, moeten deze bepalingen expliciet worden vermeld, ofwel in de overeenkomst zelf, ofwel via met het derde land afgesproken regels ter uitvoering van de overeenkomst.

3.   Indien een vissersvaartuig van een derde land in de wateren van de Unie vaart zonder een in het kader van deze verordening afgegeven machtiging, is zijn vistuig vastgemaakt en opgeborgen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 47 van de controleverordening, zodat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

Artikel 33

Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen

1.   De Commissie mag enkel een machtiging aan een vissersvaartuig van een derde land voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie afgeven indien:

a)

er een overschot aan toegestane vangst is dat de voorgestelde vangstmogelijkheden dekt, zoals voorgeschreven door artikel 62, leden 2 en 3, van Unclos;

b)

voldaan is aan de voorwaarden van de betreffende visserijovereenkomst en het vissersvaartuig op grond van de visserijovereenkomst met het betrokken derde land in aanmerking komt en, in voorkomend geval, is opgenomen op de lijst van vaartuigen in het kader van die overeenkomst;

c)

de uit hoofde van de overeenkomst vereiste informatie over het vissersvaartuig en het bijbehorende ondersteuningsvaartuig (de bijbehorende ondersteuningsvaartuigen) volledig en accuraat is, en het vaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben, indien het Unierecht dat vereist;

d)

het vissersvaartuig niet is opgenomen in een door een ROVB en/of de Unie krachtens de IOO-verordening vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;

e)

het derde land niet krachtens de IOO-verordening op een lijst van niet-meewerkende landen is geplaatst en niet krachtens Verordening (EU) nr. 1026/2012 op een lijst van landen die niet-duurzame visserij toelaten is geplaatst.

2.   Lid 1, onder a), is niet van toepassing op vaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten uit hoofde van een overeenkomst inzake de uitwisseling van vangstmogelijkheden of het gezamenlijk beheer van visbestanden van gemeenschappelijk belang.

Artikel 34

Procedure voor het verkrijgen van vismachtigingen

1.   Het betrokken derde land zendt de aanvragen voor zijn vissersvaartuigen aan de Commissie toe vóór de in de betrokken overeenkomst of de door de Commissie vastgelegde uiterste datum.

2.   De Commissie kan het derde land verzoeken om aanvullende informatie die noodzakelijk is om te kunnen nagaan of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 33.

3.   Wanneer vaststaat dat de in lid 2 bedoelde voorwaarden zijn vervuld, geeft de Commissie een vismachtiging af en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 35

Beheer van vismachtigingen

1.   Indien een voorwaarde van artikel 33 niet langer is vervuld, treft de Commissie passende maatregelen, waaronder wijziging of intrekking van de machtiging, en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

2.   De Commissie kan de aan een vissersvaartuig van een derde land afgegeven machtiging weigeren, schorsen of intrekken in gevallen waarin de omstandigheden fundamenteel zijn gewijzigd, waarin er sprake is van ernstige bedreiging van de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van biologische rijkdommen van de zee, of waarin dit cruciaal is om IOO-visserij te voorkomen of te beteugelen, of in gevallen waarin de Unie heeft besloten de betrekkingen met het betrokken derde land te schorsen of te verbreken.

De Commissie stelt het betrokken derde land onmiddellijk in kennis als zij de machtiging overeenkomstig de eerste alinea weigert, schorst of intrekt.

Artikel 36

Sluiting van visserijactiviteiten

1.   Indien de aan een derde land toegekende vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt de Commissie het betrokken derde land en de bevoegde controleautoriteiten van de lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Met het oog op de voortzetting van visserijactiviteiten in het kader van niet-opgebruikte vangstmogelijkheden, die ook van invloed kunnen zijn op opgebruikte vangstmogelijkheden, legt het derde land aan de Commissie technische maatregelen voor ter voorkoming van nadelige effecten op de opgebruikte vangstmogelijkheden.

2.   Vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving worden de vismachtigingen die zijn afgegeven voor de vaartuigen die de vlag van het betrokken derde land voeren, geacht te zijn geschorst voor de betrokken visserijactiviteiten en mogen de vaartuigen die visserijactiviteiten niet langer verrichten.

3.   Vismachtigingen worden geacht te zijn ingetrokken indien een schorsing van de vismachtigingen overeenkomstig lid 2 alle activiteiten betreft waarvoor zij zijn verleend.

4.   Het derde land ziet erop toe dat de betrokken vissersvaartuigen onmiddellijk in kennis worden gesteld van de toepassing van dit artikel en dat zij alle betrokken visserijactiviteiten stopzetten. Het derde land stelt de Commissie er ook onverwijld van in kennis dat onder zijn vlag varende vissersvaartuigen hun visserijactiviteiten hebben stopgezet.

Artikel 37

Overschrijding van quota in de wateren van de Unie

1.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een derde land de quota heeft overschreden die het voor een bestand of een groep bestanden toegewezen heeft gekregen, past de Commissie in de daaropvolgende jaren verlagingen toe op de aan dat land voor dat bestand of die groep bestanden toegewezen quota. De Commissie streeft ernaar de verlaging te doen stroken met de verlagingen die in vergelijkbare omstandigheden aan lidstaten worden opgelegd.

2.   Indien een verlaging als bedoeld in lid 1 niet kan worden toegepast op het quotum voor een bestand dat of groep bestanden die als zodanig is overbevist, omdat dat quotum voor een bestand of groep bestanden niet voldoende beschikbaar is voor het betrokken derde land, kan de Commissie, na raadpleging van het betrokken derde land, de daaropvolgende jaren verlagingen toepassen op de quota voor andere bestanden of groepen bestanden van dat derde land in hetzelfde geografische gebied of met dezelfde handelswaarde.

Artikel 38

Controle en handhaving

1.   Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de controleregels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van Unievaartuigen in het visserijgebied waar het actief is.

2.   Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie en, indien van toepassing, aan de kustlidstaat, de gegevens die Unievaartuigen krachtens de controleverordening aan de vlaggenlidstaat moeten toezenden.

3.   De Commissie of de door haar aangewezen instantie zendt de in lid 2 bedoelde gegevens toe aan de kustlidstaat.

4.   Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt op verzoek aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie, de in het kader van de toepasselijke waarnemersprogramma's opgestelde waarnemersverslagen.

5.   Een kustlidstaat registreert alle door vissersvaartuigen van derde landen begane inbreuken, met inbegrip van de bijbehorende sancties, in het in artikel 93 van de controleverordening bedoelde nationale register.

TITEL IV

GEGEVENS EN INFORMATIE

Artikel 39

Uniedatabank voor krachtens deze verordening uitgegeven vismachtigingen

1.   Door de Commissie wordt een elektronische Uniedatabank inzake vismachtigingen aangelegd en bijgehouden, die alle vismachtigingen omvat die op grond van titels II en III zijn toegekend en die uit een openbaar en een beveiligd deel bestaat. Deze databank:

a)

bevat alle overeenkomstig de bijlage ingediende informatie alsmede andere informatie die is ingediend bij de Commissie met het oog op de afgifte van vismachtigingen uit hoofde van de titels II en III, waaronder de naam, de stad, het land van verblijf van de juridische eigenaar en van maximaal vijf van de belangrijkste economische eigenaren, en geeft de status van elke machtiging zo spoedig mogelijk weer;

b)

wordt gebruikt voor de uitwisseling van gegevens en informatie tussen de Commissie en een lidstaat, en

c)

wordt enkel voor het duurzame beheer van vissersvloten en voor controledoeleinden gebruikt.

2.   De lijst van alle uit hoofde van titels II en III afgegeven vismachtigingen in de databank is openbaar en bevat alle volgende informatie:

a)

de naam en de vlag van het vaartuig, en het CFR- en IMO-nummer ervan indien het Unierecht dat vereist;

b)

het type machtiging, inclusief doelsoort(en) of groep(en) van doelsoorten, en

c)

de tijd en het gebied van de visserijactiviteit waarvoor een machtiging is verleend (begin- en einddatums; visserijgebied).

3.   Een lidstaat gebruikt de databank om aanvragen voor vismachtigingen bij de Commissie in te dienen en om de gegevens ervan actueel te houden, zoals voorgeschreven in de artikelen 11, 18, 22 en 26, en een derde land gebruikt de databank om aanvragen voor vismachtigingen zoals voorgeschreven in artikel 34 in te dienen.

Artikel 40

Technische vereisten

1.   De in de titels II en III en in deze titel bedoelde uitwisseling van informatie wordt gedaan in elektronisch formaat.

2.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (16), tot vaststelling van technische operationele vereisten voor de registratie, formattering en verzending van de in de titels II en III en in deze titel bedoelde informatie. De technische operationele vereisten worden niet eerder dan 6 maanden en niet later dan 18 maanden na de vaststelling ervan van toepassing. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 41

Toegang tot gegevens

Onverminderd artikel 110 van de controleverordening verlenen de lidstaten of de Commissie alle bevoegde administratieve diensten die bij het beheer van vissersvloten betrokken zijn, toegang tot het beveiligde deel van de in artikel 39 van deze verordening bedoelde Uniedatabank voor vismachtigingen voor externe vissersvloten.

Artikel 42

Gegevensbeheer, bescherming van persoonsgegevens en vertrouwelijkheid

In het kader van deze verordening verkregen gegevens worden behandeld overeenkomstig de artikelen 112 en 113 van de controleverordening, Verordening (EG) nr. 45/2001, en Richtlijn 95/46/EG en de nationale uitvoeringsbepalingen daarvan.

Artikel 43

Betrekkingen met derde landen en ROVB's

1.   Lidstaten die van een derde land of een ROVB informatie ontvangen die relevant is voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, delen deze informatie mee aan de Commissie of aan de door de Commissie aangewezen instantie en, in voorkomend geval, aan andere betrokken lidstaten, voor zover dit hun is toegestaan op grond van bilaterale overeenkomsten met het betrokken derde land of overeenkomstig de voorschriften van de betrokken ROVB.

2.   De Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie kan, in het kader van de visserijovereenkomsten tussen de Unie en derde landen, onder auspiciën van ROVB's waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, relevante informatie betreffende niet-naleving van de regels van deze verordening of ernstige inbreuken meedelen aan de andere partijen bij die overeenkomsten of organisaties, afhankelijk van de toestemming van de lidstaat die de informatie heeft verstrekt en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.

TITEL V

PROCEDURES, DELEGATIE EN UITVOERINGSMAATREGELEN

Artikel 44

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 2, en artikel 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 17 januari 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van die termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 5, lid 2, en artikel 15 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 5, lid 2, en artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 45

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de visserij en de aquacultuur ingesteld bij artikel 47 van de basisverordening. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 46

Intrekking

1.   De verordening betreffende vismachtigingen wordt ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar bepalingen van de verordening betreffende vismachtigingen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 47

Overgangsbepalingen met betrekking tot het tijdelijk opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden in het kader bestaande protocollen

1.   In afwijking van artikel 12 wordt de procedure voor het tijdelijk opnieuw toewijzen van de in dit artikel bedoelde vangstmogelijkheden gebruikt voor die protocollen bij PODV's die van kracht zijn of voorlopig worden toegepast op 17 januari 2018, tot het verstrijken van het protocol in kwestie.

2.   Als in de context van een PODV op basis van het in artikel 11 bedoelde verzoek voor het doorsturen van de aanvragen blijkt dat het aantal vismachtigingen of de krachtens een protocol aan de Unie toegewezen vangstmogelijkheden niet volledig worden benut, stelt de Commissie de betrokken lidstaten daarvan in kennis en verzoekt zij hen te bevestigen dat zij niet volledig gebruikmaken van die vangstmogelijkheden. Indien niet wordt geantwoord binnen de termijnen waartoe door de Raad bij de sluiting van de PODV wordt besloten, wordt dit beschouwd als een bevestiging dat de vaartuigen van de betrokken lidstaat hun vangstmogelijkheden in de gegeven periode niet volledig benutten.

3.   Na bevestiging door de betrokken lidstaat maakt de Commissie een raming van de niet-benutte vangstmogelijkheden en stelt zij die raming ter beschikking van de lidstaten.

4.   De lidstaten die van de in lid 3 bedoelde niet-benutte vangstmogelijkheden wensen gebruik te maken, doen bij de Commissie een lijst toekomen van alle vaartuigen waarvoor zij van plan zijn een vismachtigingsaanvraag in te dienen, alsmede, overeenkomstig artikel 11, het verzoek voor het doorsturen van de aanvragen voor elk van die vaartuigen.

5.   De Commissie beslist, in nauw overleg met de betrokken lidstaten, over de nieuwe toewijzing.

Als een betrokken lidstaat bezwaar maakt tegen deze nieuwe toewijzing, neemt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit, waarbij zij rekening houdt met de in lid 8 van dit artikel vastgestelde criteria, en stelt zij de betrokken lidstaten daarvan in kennis. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

6.   Het doorsturen van de aanvragen overeenkomstig dit artikel laat de verdeling van de vangstmogelijkheden over of de uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de lidstaten, overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening, onverlet.

7.   Zolang de in lid 2 bedoelde termijnen niet zijn vastgesteld, wordt de Commissie niet belet om het in de leden 2 tot en met 5 beschreven mechanisme toe te passen.

8.   Voor de in dit artikel bedoelde nieuwe toewijzing van vangstmogelijkheden houdt de Commissie met name rekening met:

a)

de datum van elk van de ontvangen verzoeken;

b)

de voor de nieuwe toewijzing beschikbare vangstmogelijkheden;

c)

het aantal ontvangen verzoeken;

d)

het aantal verzoekende lidstaten, en

e)

als de vangstmogelijkheden volledig of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de visserijinspanning of de vangsten, de verwachte visserij-inspanning of verwachte vangsten van elk van de betrokken vaartuigen.

Artikel 48

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 12 december 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 303 van 19.8.2016, blz. 116.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 februari 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 17 oktober 2017 (PB C 390 van 17.11.2017, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).

(4)  Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de Overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat Verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).

(5)  Besluit 98/414/EG van de Raad van 8 juni 1998 inzake de bekrachtiging door de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14).

(6)  Besluit 96/428/EG van de Raad van 25 juni 1996 inzake de aanvaarding door de Gemeenschap van de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (PB L 177 van 16.7.1996, blz. 24).

(7)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(8)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(11)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(12)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(13)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(14)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(15)  Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 34).

(16)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).


BIJLAGE

Overzicht van te verstrekken gegevens

I

AANVRAGER

1

Naam van de marktdeelnemer

2

E-mail

3

Adres

4

Fax

5

Telefoon

6

Naam van de reder

7

E-mail

8

Adres

9

Fax

10

Telefoon

11

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt

12

E-mail

13

Adres

14

Fax

15

Telefoon

16

Naam van de kapitein(s)

17

E-mail

18

Adres

19

Fax

20

Telefoon


II

VISSERSVAARTUIG

21

Naam van het vaartuig

22

Identificatienummer van het vaartuig (IMO-nummer, CFR-nummer enz.)

23

Methode van visconservering aan boord

24

FAO-code vaartuigtype

25

FAO-code vistuigtype


III

VISSERIJCATEGORIE WAARVOOR EEN VISMACHTIGING WORDT AANGEVRAAGD

26

Type machtiging (rechtstreekse machtiging; volle zee; ondersteuning)

27

Visserijgebied (FAO-gebied(en), -deelgebied(en), -sector(en) of -subsector(en), in voorkomend geval)

28

Gebied van de activiteit (volle zee; derde land — preciseer)

29

Havens van aanlanding

30

FAO-code(s) doelsoort(en) (of visserijcategorie voor PODV)

31

Aangevraagde machtigingsperiode (begin- en einddatum)

32

Lijst van ondersteuningsvaartuigen (naam van het vaartuig; IMO-nummer; CFR-nummer)


IV

CHARTERING

33

Vaartuig actief in het kader van een charterovereenkomst (J/N)

34

Type charterovereenkomst

35

Charterperiode (begin- en einddatum)

36

Vangstmogelijkheden (in ton) toegewezen aan het gecharterde vaartuig

37

Derde land dat vangstmogelijkheden toewijst aan het gecharterde vaartuig


Top