EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012L0035

Richtlijn 2012/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 houdende wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden Voor de EER relevante tekst

OJ L 343, 14.12.2012, p. 78–105 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 05 Volume 008 P. 127 - 154

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/35/oj

14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/78


RICHTLIJN 2012/35/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 november 2012

houdende wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De opleiding en diplomering van zeevarenden worden geregeld door het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978 (het „STCW-verdrag”), dat in 1984 van kracht is geworden en in 1995 wezenlijk is gewijzigd.

(2)

Het STCW-verdrag is voor het eerst in het uniaal recht opgenomen bij Richtlijn 94/58/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (3). De uniale voorschriften inzake opleiding en diplomering van zeevarenden zijn later aangepast aan de daaropvolgende wijzigingen aan het STCW-verdrag en is een uniaal mechanisme ingesteld voor de erkenning van de opleidings- en diplomeringssystemen voor zeevarenden in derde landen. Deze voorschriften zijn, als het gevolg van een herschikking, deel gaan uitmaken van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad (4).

(3)

Tijdens een conferentie van de partijen bij het STCW-verdrag, die in 2010 te Manilla is gehouden, zijn belangrijke wijzigingen in het STCW-verdrag aangebracht (de „Manilla-wijzigingen”), namelijk ten aanzien van de voorkoming van frauduleuze praktijken voor vaarbevoegdheidsbewijzen, op het gebied van medische normen, inzake veiligheidsopleidingen, onder meer met betrekking tot piraterij en gewapende overvallen, en wat betreft opleidingen over technologische onderwerpen. Met de Manilla-wijzigingen zijn er ook eisen ingevoerd voor volmatrozen en zijn er nieuwe beroepsprofielen vastgesteld, zoals dat van elektrotechnische officieren.

(4)

Alle lidstaten zijn partij bij het STCW-verdrag en geen van hen heeft tegen de Manilla-wijzigingen bezwaar gemaakt overeenkomstig de daartoe voorziene procedure. Lidstaten moeten derhalve hun nationale voorschriften in overeenstemming brengen met de Manilla-wijzigingen. Een conflict tussen de internationale verplichtingen van lidstaten en hun verplichtingen op uniaal niveau moet worden vermeden. Voorts moeten, gezien het mondiale karakter van de zeevaart, de uniale voorschriften aangaande opleiding en het diplomeren van zeevarenden derhalve in overeenstemming worden gehouden met internationale voorschriften. Om die reden dienen een aantal bepalingen van Richtlijn 2008/106/EG te worden gewijzigd om uitdrukking te geven aan de Manilla-wijzigingen.

(5)

De opwaardering van de opleiding van zeevarenden moet een fundamentele theoretische en praktische opleiding omvatten om ervoor te zorgen dat zeevarenden in staat zijn om de normen inzake beveiliging en veiligheid na te leven en gevaren en noodsituaties het hoofd kunnen bieden.

(6)

Kwaliteitsnormen en systemen voor kwaliteitsbewaking moeten worden ontwikkeld en ingevoerd met inachtneming, indien van toepassing, van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van een Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (5), en verwante maatregelen in de lidstaten.

(7)

Europese sociale partners hebben overeenstemming bereikt over het minimumaantal rusturen voor zeevarenden en Richtlijn 1999/63/EG (6) is vastgesteld met het oog op de uitvoering van dit akkoord. Deze Richtlijn maakt het ook mogelijk om afwijkingen van het minimumaantal rusturen voor zeevarenden toe te staan. De mogelijkheid om afwijkingen toe te staan dient evenwel te zijn beperkt op basis van maximale duur, frequentie en omvangt. Met de Manilla-wijzigingen is onder meer beoogd objectieve grenzen te stellen aan de afwijkingen van het minimumaantal rusturen voor personeel dat wachtdienst doet en voor zeevarenden met bepaalde taken op het gebied van veiligheid, beveiliging en voorkoming van verontreiniging, met als doel het voorkomen van vermoeidheid. De Manilla-wijzigingen moeten op zodanige wijze in Richtlijn 2008/106/EG worden opgenomen dat samenhang met Richtlijn 1999/63/EG als gewijzigd door Richtlijn 2009/13/EG (7) is zeker gesteld.

(8)

Als verdere erkenning van het belang van het vaststellen van minimumeisen betreffende de leef- en arbeidsomstandigheden van alle zeevarenden, zal Richtlijn 2009/13/EG op grond van haar bepalingen in werking treden op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006.

(9)

Richtlijn 2008/106/EG bevat ook een mechanisme voor de erkenning van de opleidings- en diplomeringssystemen voor zeevarenden uit derde landen. De erkenning wordt toegekend door de Commissie overeenkomstig een procedure waarin de Commissie wordt bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid („het Agentschap”), dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (8) en door het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS), dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (9). Ervaring die is opgedaan bij het toepassen van de genoemde procedure heeft geleerd dat deze moet worden gewijzigd, met name wat betreft de termijn voor het besluit van de Commissie. Aangezien de erkenning vereist dat het Agentschap een inspectie verricht, die moet worden gepland en uitgevoerd, en, in de meeste gevallen, met zich meebrengt dat het betrokken derde land de nationale wetgeving op belangrijke punten aanpast aan de eisen van het STCW-verdrag, kan de hele procedure niet worden voltooid in drie maanden; op basis van ervaring kan men stellen dat op dit gebied 18 maanden een meer realistische termijn is. Die termijn voor het besluit van de Commissie moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, terwijl de verzoekende lidstaat nog steeds in de mogelijkheid moet zijn om het STCW-systeem van het derde land voorlopig te erkennen teneinde flexibiliteit te behouden. Voorts zijn de bepalingen inzake de erkenning van beroepskwalificaties uit hoofde van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (10) niet van toepassing op de erkenning van bewijzen van zeevarenden uit hoofde van Richtlijn 2008/106/EG.

(10)

De beschikbare statistieken over zeevarenden in de Unie zijn onvolledig en vaak onnauwkeurig, wat de beleidsvorming in deze sector bemoeilijkt. Gedetailleerde gegevens over de diplomering van zeevarenden kunnen dit probleem niet volledig oplossen, maar zouden al een goede hulp zijn. Overeenkomstig het STCW-verdrag zijn de partijen verplicht om registers bij te houden van alle vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen en de relevante verlengingen van de geldigheid of andere maatregelen die hierop betrekking hebben. Lidstaten hebben de plicht een register bij te houden van afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen. Om zo volledig mogelijke informatie te krijgen over de arbeidsvoorziening in de Unie en uitsluitend om de beleidsvorming door de lidstaten en de Commissie te faciliteren, moeten de lidstaten worden verplicht bepaalde gegevens die reeds in hun registers van vaarbevoegdheidsbewijzen van zeevarenden aanwezig zijn, naar de Commissie te sturen. Deze gegevens mogen enkel met het oog op statistische analyse worden verstrekt, en mogen niet worden gebruikt voor administratieve, juridische of controledoeleinden. Deze gegevens moeten in overeenstemming zijn met de eisen van de Unie inzake gegevensbescherming en derhalve moet een bepaling hieromtrent in Richtlijn 2008/106/EG worden opgenomen.

(11)

De resultaten van de analyse van deze gegevens moeten worden gebruikt om vooruit te lopen op tendensen op de arbeidsmarkt teneinde zeevarenden betere mogelijkheden te bieden om hun loopbaan te plannen en de beschikbare kansen inzake beroepsopleiding en scholing te benutten. Dergelijke resultaten zouden tevens moeten bijdragen tot de verbetering van de beroepsopleiding en scholing.

(12)

Teneinde gegevens te verzamelen over het beroep van zeevarende in lijn met de evolutie ervan en met dat van de technologie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellenvoor aanpassingen van bijlage V bij Richtlijn 2008/106/EG. Het gebruik van zulke gedelegeerde handelingen moet worden beperkt tot gevallen waarin wijzigingen op het STCW-verdrag en de STCW-code nopen tot wijzigingen in bovengenoemde bijlage. Voorts mogen zulke gedelegeerde handelingen geen wijziging inhouden van de in dezelfde bijlage bedoelde bepalingen betreffende het anonimiseren van gegevens. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(13)

De scheepvaartsector in de Unie wordt gekenmerkt door een uitstekende maritieme kennis die een van de pijlers van het concurrentievermogen van deze sector vormt. De kwaliteit van de opleiding van zeevarenden is belangrijk voor het concurrentievermogen van de Unie op dit gebied en voor het stimuleren van burgers van de Unie, met name jongeren, om te kiezen voor een maritiem beroep.

(14)

Om de kwaliteit van de opleiding van zeevarenden en van de Europese vloot te waarborgen, moeten de maatregelen ter voorkoming van frauduleuze praktijken in verband met vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen worden verbeterd.

(15)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Richtlijn 2008/106/EG, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend op het gebied van de opleiding en diplomering van zeevarenden. Om dezelfde reden moeten de Commissie tevens uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de statistische gegevens over zeevarenden, die de lidstaten aan de Commissie dienen te verstrekken. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (11).

(16)

Voor de vaststelling van de technische eisen voor het adequate beheer van de in bijlage V bij Richtlijn 2008/106/EG bedoelde statistische gegevens en voor de vaststelling van uitvoeringsbesluiten over de erkenning en de intrekking van de erkenning van STCW-systemen van derde landen moet de onderzoeksprocedure worden gebruikt.

(17)

De Manilla-wijzigingen zijn op 1 januari 2012 in werking getreden, terwijl er tot 1 januari 2017 overgangsregelingen mogen worden toegepast. Om een vlotte overgang naar de nieuwe voorschriften mogelijk te maken, moet onderhavige richtlijn voorzien in dezelfde overgangsregelingen als die welke zijn opgenomen in de Manilla-wijzigingen.

(18)

De Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO heeft er tijdens haar 89e vergadering op gewezen dat er met betrekking tot de uitvoering van de Manilla-wijzigingen een en ander moet worden verduidelijkt, rekening houdend met de daarin opgenomen overgangsregelingen, en met Resolutie 4 van de STCW-conferentie, waarin wordt erkend dat uiterlijk op 1 januari 2017 volledig aan de wijzigingen moet zijn voldaan. Dergelijke verduidelijking is gegeven in de IMO-circulaires STCW.7/Circ.16 en STCW.7/Circ.17. In het bijzonder, in STCW.7/Circ.16 wordt gesteld dat de geldigheid van elk vernieuwd diploma niet mag worden verlengd tot na 1 januari 2017 voor zeevarenden die houder zijn van diploma’s welke zijn afgegeven overeenkomstig de onmiddellijk vóór 1 januari 2012 geldende bepalingen van het STCW-verdrag en die niet hebben voldaan aan de vereisten van de Manilla-wijzigingen, en ook niet voor zeevarenden die vóór 1 juli 2013 zijn begonnen met een goedgekeurde diensttijd, een goedgekeurd onderwijs- en opleidingsprogramma of een goedgekeurde opleidingscursus.

(19)

Verdere vertragingen bij de omzetting van de Manilla-wijzigingen van het STCW-verdrag in het recht van de Unie moeten worden voorkomen om het concurrentievermogen van de zeevarenden in de Unie te behouden en de veiligheid aan boord van schepen te handhaven middels bijdetijdse scholing van bemanningsleden.

(20)

Ter wille van een eenvormige uitvoering van de Manilla-wijzigingen in de Unie verdient het aanbeveling dat de lidstaten bij de omzetting van deze richtlijn rekening houden met de richtsnoeren die zijn vervat in de IMO-circulaires STCW.7/Circ. 16 en STCW.7/Circ.17.

(21)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het in overeenstemming brengen van de huidige uniale voorschriften aangaande opleiding en het diplomeren van zeevarenden met internationale voorschriften, niet voldoende door de lidstaten kan worden bereikt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van de richtlijn, beter kan worden bereikt op het niveau van de Unie, kan de Unie maatregelen vaststellen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat in datzelfde artikel is opgenomen, gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om de genoemde doelstelling te bereiken.

(22)

Richtlijn 2008/106/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2008/106/EG

Richtlijn 2008/106/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punten 18 en 19 worden vervangen door:

„18.

„radioreglement”: het radioreglement dat is gehecht aan, of wordt geacht te zijn gehecht aan, het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie zoals gewijzigd;

19.

„passagiersschip”: een schip zoals omschreven in het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS 74), als gewijzigd;”;

b)

punt 24 wordt vervangen door:

„24.

„STCW-code”: de code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden, zoals aangenomen bij resolutie 2 van de Conferentie van 1995, in de bijgewerkte versie;”;

c)

punt 27 wordt geschrapt;

d)

punt 28 wordt vervangen door:

„28.

„diensttijd”: het dienstdoen aan boord van een schip voor zover van belang voor de afgifte of vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs, een bekwaamheidsbewijs of een andere kwalificatie;”;

e)

de volgende punten worden toegevoegd:

„32.

„GMDSS-radio-operator”: een persoon die gekwalificeerd is in overeenstemming met hoofdstuk IV van bijlage I;

33.

„ISPS-code”: de internationale code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility Security Code), zoals op 12 december 2002 goedgekeurd bij resolutie 2 van de Conferentie van verdragsluitende staten bij SOLAS 74, in de bijgewerkte versie;

34.

„scheepsveiligheidsbeambte”: een zich aan boord van een schip bevindende, aan de kapitein verantwoording verschuldigde persoon, die door de maatschappij is aangesteld als verantwoordelijke voor de beveiliging van het schip, inclusief uitvoering en onderhoud van het scheepsveiligheidsplan, en voor het contact met de veiligheidsbeambte van de maatschappij en de veiligheidsbeambten van de havenfaciliteit;

35.

„beveiligingstaken”: alle beveiligingstaken aan boord van schepen zoals bepaald in hoofdstuk XI/2 van SOLAS 74, als gewijzigd, en in de ISPS-code;

36.

„vaarbevoegdheidsbewijs”: een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven en voorzien van een officiële verklaring voor kapiteins, officieren en GMDSS-radio-operatoren van het wereldwijd maritiem nood- en veiligheidssysteem in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstukken II, III, IV of VII van bijlage I, dat de rechtmatige houder ervan het recht geeft dienst te doen in de daarin beschreven hoedanigheid en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau;

37.

„bekwaamheidsbewijs”: een bewijs van bekwaamheid anders dan het vaarbevoegdheidsbewijs dat aan een zeevarende wordt afgegeven, waarin staat dat aan de in deze richtlijn vermelde relevante eisen op het gebied van opleiding, vaardigheden of diensttijd is voldaan;

38.

„schriftelijk bewijs”: een ander document dan een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat wordt gebruikt om vast te stellen dat aan de relevante eisen in deze richtlijn is voldaan;

39.

„elektrotechnisch officier”: een officier die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;

40.

„volmatroos met dekdienst”: een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van bijlage I;

41.

„volmatroos met machinekamerdienst”: een matroos die bevoegd is in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk III van bijlage I;

42.

„elektrotechnisch matroos”: een matroos die bevoegd is in overeenstemming met hoofdstuk III van bijlage I.”.

2)

Artikel 3, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat zeevarenden die dienstdoen op een schip als bedoeld in artikel 2, ten minste een opleiding hebben genoten die voldoet aan de eisen van het STCW-verdrag, opgenomen in bijlage I bij deze richtlijn, en houder zijn van een bewijs zoals omschreven in artikel 1, punten 36 en 37, en/of van een schriftelijk bewijs zoals omschreven in artikel 1, punt 38.”.

3)

Artikel 4 wordt geschrapt.

4)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Vaarbevoegdheidsbewijzen, bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen slechts worden afgegeven aan kandidaten die aan de eisen van dit artikel voldoen.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met voorschrift I/2, lid 3, van de bijlage bij het STCW-verdrag.”;

d)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Vaarbevoegdheidsbewijzen worden uitsluitend door lidstaten afgegeven na controle van de echtheid en de geldigheid van de nodige schriftelijke bewijzen en in overeenstemming met de bepalingen in dit artikel.”;

e)

aan het eind van lid 5 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Officiële verklaringen ter bevestiging van de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs en officiele verklaringen ter bevestiging van een bekwaamheidsbewijs aan kapiteins en officieren in overeenstemming met voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I worden uitsluitend afgegeven indien aan alle vereisten van het STCW-verdrag en deze richtlijn is voldaan.”;

f)

de leden 6 en 7 worden vervangen door:

„6.   Een lidstaat die erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat krachtens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn is afgegeven aan kapiteins en officieren is afgegeven in overeenstemming met voorschriften V/1-1 en V/1-2 van de bijlage bij het STCW-verdrag, geeft pas een officiële verklaring ter bevestiging van de erkenning van dat bewijs af nadat hij zich heeft vergewist van de echtheid en geldigheid van het bewijs. Het te gebruiken formulier van de officiële verklaring is het model zoals opgenomen in lid 3 van sectie A-I/2 van de STCW-code.

7.   De officiële verklaringen bedoeld in de leden 5 en 6:

a)

mogen als afzonderlijke documenten worden afgegeven;

b)

worden uitsluitend door de lidstaten afgegeven;

c)

zijn alle voorzien van een eigen, uniek nummer, met dien verstande dat aan officiële verklaringen die de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs bevestigen, hetzelfde nummer mag worden toegekend als aan het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs, op voorwaarde dat dat nummer uniek is; en

d)

verliezen hun geldigheid zodra het van een officiële verklaring voorziene vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs dat aan kapiteins en officieren is afgegeven overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I bij het STCW-verdrag, verloopt of wordt ingetrokken, tijdelijk wordt ingetrokken of ongeldig wordt verklaard door de lidstaat of het derde land dat het heeft afgegeven en, in elk geval, uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte ervan.”;

g)

de volgende leden worden toegevoegd:

„11.   Kandidaten die voor een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs in aanmerking willen komen, dienen het bewijs over te leggen:

a)

van hun identiteit;

b)

dat hun leeftijd niet lager is dan die welke is voorgeschreven in de in bijlage I opgesomde voorschriften voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs;

c)

dat zij voldoen aan de normen betreffende medische geschiktheid van sectie A-I/9 van de STCW-code;

d)

dat zij de diensttijd, en elke verplichte opleiding die door de voorschriften van bijlage I voor het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs wordt vereist, hebben voltooid; en

e)

dat zij voldoen aan de normen van vakbekwaamheid die door de voorschriften van bijlage I worden vereist voor de hoedanigheden, functies en niveaus, die moeten worden vermeld in de officiële verklaring bij het vaarbevoegdheidsbewijs.

Dit lid is niet van toepassing op erkenningen van officiële verklaringen overeenkomstig voorschrift I/10 van het STCW-verdrag.

12.   De lidstaten verbinden zich ertoe:

a)

een register of registers bij te houden van alle vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen voor kapiteins en officieren en, waar van toepassing, matrozen, die zijn afgegeven, zijn verlopen of zijn vernieuwd, ingetrokken, tijdelijk ingetrokken of ongeldig verklaard of als vermist of vernietigd zijn aangemeld, en tevens van dispensaties die zijn verleend;

b)

gegevens beschikbaar te stellen betreffende de status van vaarbevoegdheidsbewijzen, officiële verklaringen en dispensaties aan andere lidstaten of andere partijen bij het STCW-verdrag en maatschappijen die om bevestiging van de echtheid en geldigheid verzoeken van vaarbevoegdheidsbewijzen en/of aan kapiteins en officieren overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I afgegeven bewijzen die aan hen worden overgelegd door zeevarenden die conform voorschrift I/10 van het STCW-verdrag erkenning aanvragen of werk zoeken aan boord van een schip.

13.   Met ingang van 1 januari 2017 worden de gegevens die overeenkomstig lid 12, onder b), beschikbaar moeten zijn, ter beschikking gesteld met behulp van elektronische middelen.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

Aan de Commissie te verstrekken gegevens

Enkel met het oog op statistische analyse en uitsluitend voor gebruik door de lidstaten en de Commissie ten behoeve van hun beleidsvorming verstrekt elke lidstaat jaarlijks aan de Commissie de in bijlage V bij deze richtlijn bedoelde gegevens over vaarbevoegdheidsbewijzen en over officiële verklaringen ter bevestiging van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen. Voor dezelfde doeleinden verstrekken zij aan de Commissie, op vrijwillige basis, de bekwaamheidsbewijzen die aan matrozen zijn uitgegeven in overeenstemming met de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-verdrag.”.

6)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   Voor schepen waarop de voordelen van de bepalingen van het STCW-verdrag inzake reizen nabij de kust van toepassing zijn, met inbegrip van reizen aan de kust van andere lidstaten of van partijen bij het STCW-verdrag binnen de grenzen van hun omschrijving van „nabij de kust”, sluit een lidstaat een overeenkomst met de betrokken lidstaten of partijen waarin zowel de details van het handelsgebied in kwestie als andere relevante bepalingen worden vastgesteld.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„3 bis.   De vaarbevoegdheidsbewijzen van zeevarenden die door een lidstaat of een partij bij het STCW-verdrag zijn afgegeven voor wat betreft haar omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust, kunnen door andere lidstaten worden aanvaard voor diensten binnen hun omschreven beperkingen tot reizen nabij de kust, mits de betrokken lidstaten of partijen een overeenkomst sluiten waarin de details van hun handelsgebied in kwestie en andere relevante bepalingen worden vastgesteld.

3 ter.   Lidstaten die reizen nabij de kust omschrijven in overeenstemming met de eisen in dit artikel:

a)

moeten voldoen aan de beginselen inzake reizen nabij de kust van sectie A-I/3 van de STCW-code;

b)

moeten de beperkingen van de reizen nabij de kust opnemen in de officiële verklaringen die overeenkomstig artikel 5 worden afgegeven.”.

7)

Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten treffen en handhaven passende maatregelen ter voorkoming van fraude en andere onrechtmatige praktijken met vaarbevoegdheids- en bekwaamheidsbewijzen en afgegeven officiële verklaringen; zij stellen sancties vast die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”.

8)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.   De lidstaten stellen werkwijzen en procedures vast voor het onpartijdig onderzoek van elke gerapporteerde onbekwaamheid, handeling, nalatigheid of inbreuk op de veiligheid waardoor de veiligheid van mensen of goederen op zee of het mariene milieu rechtstreeks kan worden bedreigd, waaraan houders van vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen of van officiële verklaringen afgegeven door die lidstaat zich schuldig maken in verband met de vervulling van hun taken zoals in hun vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen omschreven, alsmede voor het intrekken, tijdelijk intrekken en ongeldig verklaren van zulke vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen om een dergelijke reden en ter voorkoming van fraude.

2.   De lidstaten treffen en handhaven passende maatregelen ter voorkoming van fraude en andere onrechtmatige praktijken met vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen en officiële verklaringen.”;

b)

in lid 3 wordt de inleidende formulering vervangen door:

„Straffen of disciplinaire maatregelen worden opgelegd en ten uitvoer gebracht in gevallen waarin:”.

9)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

alle werkzaamheden betreffende opleiding, beoordeling van vakbekwaamheid, afgifte van bewijzen, met inbegrip van medische certificering, officiële verklaringen en verlengingen van geldigheid, die worden uitgevoerd door niet-gouvernementele instanties of entiteiten die onder hun gezag vallen, voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking worden getoetst teneinde te garanderen dat de vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de bevoegdheden en opgedane ervaring van instructeurs en beoordelaars, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code;”;

ii)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

indien overheidsinstanties of -lichamen deze werkzaamheden verrichten, er een systeem van kwaliteitsbewaking is in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/8 van de STCW-code;”;

iii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

de onderwijs- en opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken kwaliteitsnormen inzake bekwaamheid duidelijk zijn omschreven en dat de niveaus van kennis, inzicht en vaardigheid die passen bij de krachtens het STCW-verdrag vereiste onderzoeken en beoordelingen, zijn vermeld;”;

b)

aan lid 2 wordt het volgende punt toegevoegd:

„d)

op het stelsel van kwaliteitsnormen alle toepasselijke bepalingen van het STCW-verdrag en de STCW-code, alsook de wijzigingen hiervan, van toepassing zijn. De lidstaten kunnen de overige toepasselijke bepalingen van deze richtlijn ook in dit stelsel opnemen.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten zenden, overeenkomstig het in sectie A-I/7 van de STCW-code bepaalde formaat, de Commissie binnen zes maanden na de datum waarop de evaluatie is voltooid een verslag betreffende de op grond van lid 2 vereiste evaluatie toe.”.

10)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Medische normen

1.   Alle lidstaten stellen normen vast betreffende de medische geschiktheid van zeevarenden en procedures voor het afgeven van een medisch getuigschrift in overeenstemming met de bepalingen in dit artikel en sectie A-I/9 van de STCW-code, in voorkomend geval rekening houdend met sectie B-I/9 van de STCW-code.

2.   Alle lidstaten zorgen ervoor dat de verantwoordelijken voor de beoordeling van de medische geschiktheid van zeevarenden artsen zijn die door de betreffende lidstaat zijn erkend voor het medisch onderzoeken van zeevarenden, in overeenstemming met sectie A-I/9 van de STCW-code.

3.   Alle zeevarenden die in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs dat krachtens het verdrag is afgegeven, en die buitengaats dienst doen, bezitten ook een geldig medisch getuigschrift dat in overeenstemming met dit artikel en met sectie A-I/9 van de STCW-code is afgegeven.

4.   Kandidaten die een medisch getuigschrift wensen te verkrijgen:

a)

zijn minstens 16 jaar oud;

b)

leggen een adequaat bewijs over van hun identiteit; en

c)

voldoen aan de toepasselijke normen voor medische geschiktheid die de betreffende lidstaat heeft vastgesteld.

5.   Medische getuigschriften blijven maximaal twee jaar geldig, tenzij de zeevarende jonger is dan 18 jaar; in dit geval bedraagt de maximale geldigheidsperiode een jaar.

6.   Indien de geldigheidsperiode van een medisch getuigschrift tijdens een reis vervalt, is voorschrift I/9 van de bijlage bij het STCW-verdrag van toepassing.

7.   In dringende gevallen kan een lidstaat een zeevarende toestaan om zonder een geldig medisch getuigschrift te werken. Voorschrift I/9 van de bijlage bij het STCW-verdrag is in die gevallen van toepassing.”.

11)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Verlenging van de geldigheid van vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Elke kapitein en officier moet om blijvend buitengaats dienst te doen aan boord van tankers, voldoen aan de eisen in lid 1 van dit artikel en moet minstens om de vijf jaar aantonen dat hij nog steeds bevoegd en vakbekwaam is om dienst te doen aan boord van tankers in overeenstemming met sectie A-I/11, lid 3, van de STCW-code.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan kandidaten stellen voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2017, met die welke in deel A van de STCW-code voor het betrokken vaarbevoegdheidsbewijs zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is de houders van dergelijke vaarbevoegdheidsbewijzen een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of een beoordeling te laten ondergaan.”;

d)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kennis van kapiteins, officieren en radio-operators up-to-date wordt gehouden en dat de teksten van de laatste wijzigingen in de nationale en internationale voorschriften inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, beveiliging en de bescherming van het mariene milieu, ter beschikking worden gesteld aan de schepen die gerechtigd zijn onder hun vlag te varen, met inachtneming van artikel 14, lid 3, onder b), en artikel 18.”.

12)

In artikel 13 wordt lid 2 geschrapt.

13)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:

„f)

zeevarenden die worden aangesteld op een van haar schepen, herhalingscursussen en bijscholing hebben gekregen zoals is vereist in het STCW-verdrag;

g)

op elk moment aan boord van haar schepen een doelmatige mondelinge communicatie is in overeenstemming met hoofdstuk V, voorschrift 14, leden 3 en 4 van SOLAS 74, als gewijzigd.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   De maatschappijen zorgen ervoor dat kapiteins, officieren en andere bemanningsleden die belast zijn met bijzondere taken en verantwoordelijkheden aan boord van ro-ro-passagiersschepen, de vertrouwdmakingsopleiding hebben voltooid zodat zij de bekwaamheden hebben verworven die nodig zijn voor de te vervullen functie, de uit te voeren taken en de te nemen verantwoordelijkheden, overeenkomstig de richtsnoeren in sectie B-I/14 van de STCW-code.”.

14)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

Geschiktheid om dienst te doen

1.   Teneinde vermoeidheid te voorkomen, doen de lidstaten het volgende:

a)

zij stellen rustperioden in en zien toe op de naleving ervan voor personeel dat wachtdienst doet en personeel met bepaalde taken op het gebied van veiligheid, beveiliging en voorkoming van verontreiniging in overeenstemming met leden 3 tot en met 13;

b)

zij eisen dat de wachten zo geregeld zijn dat de doelmatigheid van het gehele wachtdoende personeel niet wordt geschaad door vermoeidheid en dat de taken zo zijn ingedeeld dat de eerste wacht bij de aanvang van een reis en daaropvolgende aflossende wachten voldoende rust hebben genoten en anderszins geschikt zijn om dienst te doen.

2.   Teneinde druggebruik en alcoholmisbruik te voorkomen, zorgen de lidstaten voor passende maatregelen overeenkomstig de bepalingen in dit artikel.

3.   De lidstaten houden rekening met het gevaar van vermoeidheid van zeevarenden, met name van het personeel dat instaat voor de veiligheid en de beveiliging van een schip.

4.   Alle personen die zijn aangewezen om dienst te doen als hoofd of matroos van de wacht is en alle personen met bepaalde taken op het gebied van veiligheid, verontreinigingspreventie en beveiliging krijgen een rustperiode van minstens:

a)

10 uur van rust per 24 uur, en

b)

77 uur per periode van zeven dagen.

5.   De rusturen mogen worden verdeeld over niet meer dan twee perioden waarvan er één ten minste een lengte heeft van zes uur, en de intervallen tussen twee opeenvolgende rustperioden mogen niet meer dan veertien uur bedragen.

6.   De in de leden 4 en 5 neergelegde eisen inzake rustperioden behoeven niet te worden nageleefd in geval van nood of in andere doorslaggevende operationele omstandigheden. Verzamelingen, blusoefeningen, oefeningen met reddingssloepen en oefeningen die krachtens nationale wetten en voorschriften en internationale instrumenten zijn vereist, worden zo uitgevoerd dat de rustperioden zo weinig mogelijk worden verstoord en dat geen vermoeidheid wordt veroorzaakt.

7.   De lidstaten eisen dat de wachtregelingen worden opgehangen op plaatsen waar zij gemakkelijk kunnen worden bekeken. De regelingen worden opgesteld in een standaardformaat en in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels.

8.   Indien een zeevarende wordt opgeroepen, zoals wanneer een machinepost onbemand is, krijgt de zeevarende een voldoende compenserende rustperiode indien de normale rustperiode verstoord is omdat hij wordt opgeroepen om te werken.

9.   De lidstaten eisen dat de dagelijkse rusturen van zeevarenden worden bijgehouden in een standaardformaat, in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels, zodat kan worden nagegaan en gecontroleerd of aan de bepalingen in dit artikel is voldaan. Zeevarenden krijgen een kopie van de gegevens die over hen worden bijgehouden, die door de kapitein of door een door de kapitein gemachtigde persoon en door de zeevarenden wordt ondertekend.

10.   Ongeacht de voorschriften in leden 3 tot en met 9, is de kapitein van een schip bevoegd om een zeevarende werkuren te laten presteren die noodzakelijk zijn voor de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord of de lading, of om hulp te bieden aan andere schepen of personen die op zee in nood verkeren. De kapitein kan dienovereenkomstig de rustregeling opschorten en een zeevarende de nodige werkuren laten presteren totdat de situatie opnieuw normaal is. Zodra de situatie opnieuw normaal is, zorgt de kapitein ervoor dat de zeevarenden die tijdens een geplande rustperiode hebben gewerkt, een passende rustperiode krijgen.

11.   Met inachtneming van de algemene beginselen van de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers, en in overeenstemming met Richtlijn 1999/63/EG kunnen lidstaten door middel van nationale wetten, verordeningen of een procedure voor de bevoegde instantie collectieve arbeidsovereenkomsten goedkeuren of registreren die afwijkingen toestaan op de vereiste rusturen in lid 4, onder b), en lid 5, van dit artikel op voorwaarde dat de rustperiode niet minder dan 70 uur per periode van zeven dagen bedraagt en dat de in de leden 12 en 13 van dit artikel vastgestelde beperkingen worden nageleefd. Dergelijke uitzonderingen dienen zoveel mogelijk aan de gestelde eisen te voldoen, maar er kan rekening worden gehouden met frequenter of langer durend verlof, of de toekenning van compensatieverlof voor zeevarenden die wachtdienst doen of zeevarenden die aan boord werken tijdens korte reizen. Afwijkingen dienen zoveel mogelijk rekening te houden met de richtsnoeren inzake voorkoming van vermoeidheid in sectie B-VIII/1 van de STCW-code. Afwijkingen van het minimumaantal rusturen als bedoeld in lid 4, onder a), van dit artikel zijn niet toegestaan.

12.   De in lid 11 genoemde afwijkingen van de wekelijkse rustperiode waarvan sprake is in lid 4, onder b), worden voor maximaal twee opeenvolgende weken toegestaan. De intervallen tussen twee perioden van afwijkingen aan boord bedragen minstens het dubbele van de duur van de afwijking.

13.   In het kader van de mogelijke afwijkingen van lid 5, waarvan in lid 11 sprake is, mag het minimumaantal rusturen per periode van 24 uur waarvan sprake is in lid 4, onder a), worden verdeeld over niet meer dan drie rustperioden waarvan er één minstens zes uur en geen enkele van de twee andere perioden minder dan één uur lang is. De intervallen tussen twee opeenvolgende rustperioden bedragen niet meer dan 14 uur. De afwijkingen mogen geen twee perioden van 24 uur in een periode van zeven dagen overschrijden.

14.   Teneinde alcoholmisbruik te voorkomen, stellen lidstaten een maximum vast van ten hoogste 0,05 % bloedalcoholgehalte of 0,25 mg/l alcoholgehalte in uitgeademde lucht, dan wel een maximumalcoholconsumptie die gepaard gaat met dergelijke alcoholgehalten, voor kapiteins, officieren en andere zeevarenden op het moment dat zij bepaalde taken op het gebied van veiligheid, beveiliging en het mariene milieu uitvoeren.”.

15)

Artikel 17, lid 1, onder c), wordt vervangen door:

„c)

het in artikel 5 bedoelde bewijs afgeven;”.

16)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Zeevarenden die niet in het bezit zijn van een door een lidstaat afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs noch van een door de lidstaten overeenkomstig voorschriften V/1-1 en V/1-2 van het STCW-verdrag aan kapiteins en officieren afgegeven bekwaamheidsbewijs, kan worden toegestaan op onder de vlag van een lidstaat varende schepen dienst te doen, indien er over de erkenning van hun vaarbevoegdheids- en/of bekwaambevoegdheidsbewijs een besluit is genomen overeenkomstig de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel uiteengezette procedure.”;

c)

de eerste alinea van lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Een lidstaat die voornemens is door middel van een officiële verklaring een in lid 1 bedoeld, door een derde land aan een kapitein, officier of radio-operator afgegeven vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijs te erkennen voor dienst op een schip dat zijn vlag voert, dient bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek om erkenning van dat derde land in”;

d)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Het besluit tot erkenning van een derde land wordt genomen door de Commissie. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 28, lid 2, binnen 18 maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoek om erkenning. De aanvragende lidstaat kan ertoe besluiten dit derde land eenzijdig te erkennen totdat een besluit is genomen in overeenstemming met dit lid.”.

17)

Artikel 20, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   Het besluit betreffende de intrekking van de erkenning wordt genomen door de Commissie. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 28, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De betrokken lidstaat neemt alle passende maatregelen ter uitvoering van het besluit.”.

18)

Artikel 22, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Schepen, ongeacht onder welke vlag zij varen, met uitzondering van de schepen die als bedoeld in artikel 2, zijn in de havens van een lidstaat onderworpen aan havenstaatcontrole door ambtenaren die door de lidstaten naar behoren zijn gemachtigd om te onderzoeken of alle aan boord dienstdoende zeevarenden, die volgens het STCW-verdrag in het bezit dienen te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs en/of een bekwaamheidsbewijs en/of een schriftelijk bewijs, inderdaad beschikken over een dergelijk vaarbevoegdheidsbewijs of een geldige dispensatie, en/of een bekwaamheidsbewijs en/of een schriftelijk bewijs.”.

19)

In artikel 23 wordt lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

onderzoek of alle aan boord dienstdoende zeevarenden die overeenkomstig de bepalingen van het STCW-verdrag zijn verplicht om in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs en/of een bekwaamheidsbewijs, inderdaad een dergelijk vaarbevoegdheidsbewijs, een geldige dispensatie en/of een bekwaamheidsbewijs bezitten of een schriftelijk bewijs kunnen overleggen waaruit blijkt dat een aanvraag om een officiële verklaring van erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs bij de autoriteiten van de vlaggenstaat is ingediend;”.

20)

In artikel 23 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende formulering wordt vervangen door:

„2.   De beoordeling, in overeenstemming met deel A van de STCW-code, van de geschiktheid van de zeevarenden van het schip om zich te houden aan de nodige normen inzake wachtdienst en veiligheid, als voorgeschreven in het STCW-verdrag, vindt plaats indien het aannemelijk is dat die normen niet worden nageleefd, omdat zich één van de volgende feiten heeft voorgedaan:”;

b)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

de bedrijfsvoering aan boord geschiedt anderszins op zodanige wijze dat het schip een gevaar vormt voor personen, goederen of het milieu, of op een zodanige wijze dat de veiligheid in het gedrang komt;”.

21)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 25 bis

Gegevens voor statistische doeleinden

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie de in bijlage V genoemde gegevens uitsluitend voor statistische doeleinden. Deze gegevens mogen niet worden gebruikt voor administratieve, juridische of controledoeleinden, en zijn uitsluitend bestemd voor beleidsvorming door de lidstaten en de Commissie.

2.   De lidstaten stellen deze gegevens jaarlijks aan de Commissie ter beschikking in een elektronisch formaat; deze gegevens zullen de informatie omvatten die tot en met 31 december van het vorige jaar werd geregistreerd. De lidstaten behouden alle eigendomsrechten op de gegevens in hun onbewerkte versie. Op de grondslag van deze gegevens opgestelde statistieken worden algemeen beschikbaar gemaakt overeenkomstig de bepalingen inzake transparantie en bescherming van informatie in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1406/2002.

3.   Teneinde de bescherming van persoonsgegevens zeker te stellen, dienen de lidstaten alle persoonlijke informatie als aangegeven in bijlage V te anonimiseren door middel van door de Commissie verstrekte of goedgekeurde software, alvorens deze aan de Commissie te verzenden. De Commissie gebruikt uitsluitend deze geanonimiseerde informatie.

4.   De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat de maatregelen betreffende het verzamelen, indienen, opslaan, analyseren en verspreiden van dergelijke informatie zodanig ontworpen zijn dat statistische analyse mogelijk is.

Voor de toepassing van de eerste alinea stelt de Commissie gedetailleerde maatregelen vast betreffende de technische eisen voor het adequate beheer van de statistische gegevens. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

22)

Artikel 27 wordt vervangen door:

„Artikel 27

Wijziging

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage V bij deze richtlijn, met betrekking tot specifieke en relevante inhoud en bijzonderheden van de informatie die door de lidstaten moet worden meegedeeld, mits dergelijke handelingen zijn beperkt tot het in acht nemen van de wijzigingen in het STCW-verdrag en de STCW-code en deze de garanties inzake gegevensbescherming respecteren. Dergelijke gedelegeerde handelingen mogen niet de voorschriften met betrekking tot het anonimiseren van de gegevens, zoals vereist op grond van artikel 25 bis, lid 3, wijzigen.”.

23)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 27 bis

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 27 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 3 januari 2013. De Commissie stelt uiterlijk op 4 april 2017 een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 27 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 27 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

24)

Artikel 28 wordt vervangen door:

„Artikel 28

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (12) ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (13).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien door het comité geen advies wordt gebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) Nr. 182/2011 van toepassing.

25)

Artikelen 29 wordt vervangen door:

„Artikel 29

Sancties

De lidstaten stellen het systeem vast van sancties voor overtredingen van de overeenkomstig de artikelen 3, 5, 7, 9 tot en met 15, 17, 18, 19, 22, 23, 24 en bijlage I vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen opdat die sancties worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”.

26)

Artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

Overgangsbepalingen

Voor de zeevarenden die goedgekeurde diensttijd, een goedgekeurd onderwijs- en opleidingsprogramma of een goedgekeurde cursus hebben aangevat vóór 1 juli 2013, kunnen lidstaten tot 1 januari 2017 vaarbevoegdheidsbewijzen blijven afgeven, erkennen en officieel verklaren in overeenstemming met de eisen in deze richtlijn zoals zij voor 3 januari 2013 waren.

Tot 1 januari 2017 kunnen lidstaten vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen blijven vernieuwen en de geldigheid ervan blijven verlengen in overeenstemming met de eisen in deze richtlijn zoals zij voor 3 januari 2013 waren.”.

27)

Artikel 33 wordt geschrapt.

28)

Dit punt is niet van toepassing op de Nederlandstalige versie.

29)

De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

a)

bijlage I bij Richtlijn 2008/106/EG wordt vervangen door bijlage I bij deze richtlijn;

b)

bijlage II bij Richtlijn 2008/106/EG wordt gewijzigd zoals bepaald in bijlage II bij deze richtlijn;

c)

de tekst in bijlage III bij deze richtlijn wordt toegevoegd als bijlage V bij Richtlijn 2008/106/EG.

Artikel 2

Omzetting

1.   Onverminderd artikel 30 van Richtlijn 2008/106/EG, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 26, van deze richtlijn, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 4 juli 2014 aan deze richtlijn te voldoen, alsmede uiterlijk op 4 januari 2015 met betrekking tot artikel 1, punt 5, van deze richtlijn. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 21 november 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 43 van 15.2.2012, blz. 69.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 oktober 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 november 2012.

(3)  PB L 319 van 12.12.1994, blz. 28.

(4)  PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33.

(5)  PB C 155 van 8.7.2009, blz. 1.

(6)  Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) — Bijlage: Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden (PB L 167 van 2.7.1999, blz. 33).

(7)  Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (PB L 124 van 20.5.2009, blz. 30).

(8)  PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1.

(9)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.

(10)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(11)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(12)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.

(13)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”.


BIJLAGE I

„BIJLAGE I

OPLEIDINGSVOORSCHRIFTEN VAN HET STCS-VERDRAG ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

1.

De in deze bijlage vermelde voorschriften worden aangevuld met de dwingende bepalingen van deel A van de STCW-code, met uitzondering van hoofdstuk VIII, voorschrift VIII/2.

Elke verwijzing naar een vereiste in een voorschrift houdt tevens een verwijzing naar de overeenkomstige sectie in deel A van de STCW-code in.

2.

Deel A van de STCW-code bevat normen inzake de bekwaamheid die moet worden aangetoond door kandidaten voor afgifte en verlenging van de geldigheid van vaarbevoegdheidsbewijzen krachtens de bepalingen van het STCW-verdrag. Om het verband duidelijk te maken tussen de exclusieve vaarbevoegdheidsverlening van hoofdstuk VII en de vaarbevoegdheidsverlening van de hoofdstukken II, III en IV, zijn de onder de bekwaamheidsnormen vermelde bekwaamheden, voor zover van toepassing, gegroepeerd onder de volgende zeven functies:

1)

navigatie,

2)

ladingbehandeling en stuwage,

3)

regeling van de bedrijfsvoering aan boord en de zorg voor de opvarenden,

4)

scheepswerktuigbouwkunde,

5)

elektro-, elektronische en meet- en regeltechniek,

6)

onderhoud en reparatie,

7)

radiocommunicatie,

op de volgende verantwoordelijkheidsniveaus:

1)

managementniveau,

2)

operationeel niveau,

3)

ondersteunend niveau.

De functies en de verantwoordelijkheidsniveaus worden met ondertitels in de tabellen van de bekwaamheidsnormen aangegeven in de hoofdstukken II, III en IV van deel A van de STCW-code.

HOOFDSTUK II

KAPITEIN EN DEKDIENST

Voorschrift II/1

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor officieren belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van 500 of meer

1.

Iedere officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer, moet in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid, die deel uitmaakt van een goedgekeurd opleidingsprogramma waarin is begrepen een opleiding aan boord die aan de eisen van sectie A-II/1 van de STCW-code voldoet, en is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, of een goedgekeurde diensttijd van ten minste 36 maanden hebben voltooid;

2.3.

tijdens de vereiste diensttijd wachtdienst op de brug hebben verricht, onder toezicht van de kapitein of van een bevoegd officier, gedurende een periode van ten minste zes maanden;

2.4.

voldoen aan de toepasselijke eisen van de voorschriften van hoofdstuk IV voor het verrichten van radiowerkzaamheden in overeenstemming met het radioreglement;

2.5.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/1 van de STCW-code; en

2.6.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen die zijn vermeld in sectie A-VI/1, lid 2, sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4, en sectie A-VI/4, leden 1 tot en met 3, van de STCW-code.

Voorschrift II/2

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor kapiteins en eerste stuurlieden op schepen met een brutotonnage van 500 of meer

Kapitein en eerste stuurman op schepen met een brutotonnage van 3000 of meer

1.

Iedere kapitein en eerste stuurman op een zeeschip met een brutotonnage van 3 000 of meer moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

voldoen aan de eisen voor een officier belast met de brugwacht, op schepen met een brutotonnage van 500 of meer en in die hoedanigheid goedgekeurde diensttijd hebben voltooid:

2.1.1.

voor een vaarbevoegdheid als eerste stuurman, ten minste twaalf maanden, en

2.1.2.

voor een vaarbevoegdheid als kapitein, ten minste 36 maanden; deze periode kan evenwel worden ingekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste twaalf maanden van die tijd dienst is gedaan als eerste stuurman, en

2.2.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/2 van de STCW-code voor kapiteins en eerste stuurlieden op schepen met een brutotonnage van 3 000 of meer.

Kapitein en eerste stuurman op schepen met een brutotonnage tussen 500 en 3000

3.

Iedere kapitein en iedere eerste stuurman op een zeeschip met een brutotonnage tussen 500 en 3 000 moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

4.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

4.1.

voor een vaarbevoegdheid als eerste stuurman, voldoen aan de eisen voor een officier belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van 500 of meer;

4.2.

voor een vaarbevoegdheid als kapitein, voldoen aan de eisen voor een officier belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van 500 of meer, en in die hoedanigheid ten minste 36 maanden goedgekeurde diensttijd hebben voltooid; deze periode kan evenwel worden ingekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste twaalf maanden van die tijd dienst is gedaan als eerste stuurman; en

4.3.

een goedgekeurde opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/2 van de STCW-code voor kapiteins en eerste stuurlieden op schepen met een brutotonnage tussen 500 en 3 000.

Voorschrift II/3

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor officieren, belast met de brugwacht, en voor kapiteins van schepen met een brutotonnage van minder dan 500

Schepen die niet worden gebruikt voor reizen nabij de kust

1.

Iedere officier die is belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat niet wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor schepen met een brutotonnage van 500 of meer.

2.

Iedere kapitein die dienst doet op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat niet wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor dienst als kapitein op schepen met een brutotonnage tussen 500 en 3 000.

Schepen die worden gebruikt voor reizen nabij de kust

Officier belast met de brugwacht

3.

Iedere officier die is belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

4.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen als officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moeten:

4.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

4.2.

het volgende hebben voltooid:

4.2.1.

een bijzondere opleiding, daaronder begrepen een ruime periode van passende diensttijd, zoals vereist door de lidstaat, of

4.2.2.

een goedgekeurde diensttijd aan dek van ten minste 36 maanden;

4.3.

voldoen aan de toepasselijke eisen van de voorschriften in hoofdstuk IV om radiowerkzaamheden te verrichten in overeenstemming met het radioreglement;

4.4.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/3 van de STCW-code voor officieren belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van minder dan 500, die worden gebruikt voor reizen nabij de kust; en

4.5.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen waarvan sprake is in sectie A-VI/1, lid 2, sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4, en sectie A-VI/4, leden 1 tot en met 3, van de STCW-code.

Kapitein

5.

Iedere kapitein die dienst doet op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

6.

Eenieder die een vaarbevoegdheidsbewijs wenst te verkrijgen als kapitein op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moet:

6.1.

minstens 20 jaar oud zijn;

6.2.

goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid als officier belast met de brugwacht;

6.3.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/3 van de STCW-code voor kapiteins op schepen met een brutotonnage van minder dan 500, die worden gebruikt voor reizen nabij de kust; en

6.4.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen waarvan sprake is in sectie A-VI/1, lid 2, sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4, en sectie A-VI/4, leden 1 tot en met 3, van de STCW-code.

Vrijstellingen

7.

Indien de administratie van oordeel is dat, gezien de grootte van het schip en de omstandigheden van de reis, volledige toepassing van dit voorschrift en sectie A-II/3 van de STCW-code onredelijk of onmogelijk is, kan zij de kapitein en de officier, belast met de brugwacht, op een zodanig schip of een zodanige categorie schepen een dienovereenkomstige vrijstelling verlenen ten aanzien van enkele van de eisen, rekening houdend met de veiligheid van alle schepen die zich in dezelfde wateren kunnen bevinden.

Voorschrift II/4

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matrozen die deel uitmaken van de brugwacht

1.

Iedere matroos die deel uitmaakt van de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer, uitgezonderd matrozen in opleiding en matrozen wier taken op de brug van ongeschoolde aard zijn, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs dat hun het recht geeft die taken te verrichten.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 16 jaar oud zijn;

2.2.

het volgende hebben voltooid:

2.2.1.

goedgekeurde diensttijd, waaronder begrepen ten minste zes maanden opleiding en ervaring, of

2.2.2.

een bijzondere opleiding, hetzij vóór, hetzij tijdens het verblijf aan boord, met inbegrip van een goedgekeurde periode van ten minste twee maanden diensttijd; en

2.3.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/4 van de STCW-code.

3.

De diensttijd, opleiding en ervaring, vereist volgens de punten 2.2.1 en 2.2.2 houden verband met het verrichten van functies op het gebied van de brugwacht, en omvatten taken die worden verricht onder rechtstreeks toezicht van de kapitein, de officier belast met de brugwacht, of een bevoegde matroos.

Voorschrift II/5

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matrozen als volmatroos met dekdienst

1.

Iedere volmatroos met dekdienst op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer moet in het bezit zijn van het nodige vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

voldoen aan de eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening als matroos die deel uitmaakt van de brugwacht;

2.3.

in het bezit zijn van de vaarbevoegdheid als matroos die deel uitmaakt van de brugwacht en een goedgekeurde diensttijd aan dek van:

2.3.1.

ten minste achttien maanden, of

2.3.2.

ten minste twaalf maanden en een goedgekeurde opleiding hebben voltooid; en

2.4.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-II/5 van de STCW-code.

3.

De lidstaten vergelijken de bekwaamheidsnormen die zij aan volmatrozen stellen voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012 met die welke in sectie A-II/5 van de STCW-code voor de vaarbevoegdheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is deze personeelsleden te vragen zich bij te scholen.

4.

Tot 1 januari 2017 mag een lidstaat die ook partij is bij de Certification of Able Seamen Convention, 1946 (nr. 74) van de Internationale Arbeidsorganisatie vaarbevoegdheidsbewijzen en officiële verklaringen blijven vernieuwen en de geldigheid ervan blijven verlengen in overeenstemming met het genoemde verdrag.

5.

Zeevarenden kunnen door de lidstaat worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid dekdienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste twaalf maanden in de laatste 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van onderhavige richtlijn.

HOOFDSTUK III

MACHINEKAMERDIENST

Voorschrift III/1

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor officieren belast met de machinekamerwacht in een bemande machinekamer, of de aangewezen werktuigkundigen, belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere werktuigkundige, belast met de wacht in een bemande machinekamer, of de aangewezen werktuigkundige, belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer, op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer, moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

een combinatie van werkplaats- en vaardigheidsopleiding hebben voltooid en een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid, die deel uitmaakt van een goedgekeurd opleidingsprogramma waarin is begrepen een opleiding aan boord die aan de eisen van sectie A-III/1 van de STCW-code voldoet, en is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, of anders een combinatie van werkplaats- en vaardigheidsopleiding hebben voltooid en een goedgekeurde diensttijd van ten minste 36 maanden hebben voltooid, waarvan ten minste 30 maanden diensttijd in de machinekamer;

2.3.

tijdens de vereiste diensttijd wachtdienst in de machinekamer hebben gelopen, onder toezicht van de hoofdwerktuigkundige of van een bevoegd werktuigkundige, gedurende een periode van ten minste zes maanden;

2.4.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/1 van de STCW-code; en

2.5.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-VI/1, lid 2, sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4, en sectie A-VI/4, leden 1 tot en met 3, van de STCW-code.

Voorschrift III/2

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor hoofdwerktuigkundigen en tweede werktuigkundigen op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3 000 kW voortstuwingsvermogen of meer

1.

Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3 000 kW voortstuwingsvermogen of meer moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

voldoen aan de eisen voor een werktuigkundige, belast met de machinekamerwacht op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer en in die hoedanigheid goedgekeurde diensttijd hebben voltooid:

2.1.1.

voor een vaarbevoegdheid als tweede scheepswerktuigkundige betreft, ten minste twaalf maanden als gekwalificeerd werktuigkundige, en

2.1.2.

voor een vaarbevoegdheid als hoofdwerktuigkundige, ten minste 36 maanden; deze periode kan evenwel worden ingekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste twaalf maanden van die tijd dienst is gedaan als tweede werktuigkundige; en

2.2.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/2 van de STCW-code.

Voorschrift III/3

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor hoofdwerktuigkundigen en tweede werktuigkundigen op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van tussen 750 kW en 3 000 kW voortstuwingsvermogen

1.

Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van tussen 750 en 3 000 kW voortstuwingsvermogen, moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

voldoen aan de eisen voor een werktuigkundige belast met de machinekamerwacht en:

2.1.1.

voor een vaarbevoegdheid als tweede werktuigkundige, goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid als assistent-werktuigkundige of als werktuigkundige, en

2.1.2.

voor een vaarbevoegdheid als hoofdwerktuigkundige, goedgekeurde diensttijd van ten minste 24 maanden hebben voltooid, waarvan ten minste twaalf maanden als werktuigkundige in het bezit van een vaarbevoegdheid voor tweede werktuigkundige; en

2.2.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/3 van de STCW-code.

3.

Iedere werktuigkundige die bevoegd is dienst te doen als tweede werktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3 000 kW voortstuwingsvermogen of meer, mag dienst doen als hoofdwerktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 3 000 kW voortstuwingsvermogen, mits dit is aangetekend op het vaarbevoegdheidsbewijs.

Voorschrift III/4

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matrozen die deel uitmaken van de machinekamerwacht in een bemande machinekamer of aangewezen zijn om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere matroos die deel uitmaakt van de machinekamerwacht of is aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer, uitgezonderd matrozen die in opleiding zijn en matrozen wier taken van ongeschoolde aard zijn, moet in het bezit zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs dat hem het recht geef die taken te verrichten.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 16 jaar oud zijn;

2.2.

het volgende hebben voltooid:

2.2.1.

goedgekeurde diensttijd, waaronder begrepen ten minste zes maanden opleiding en ervaring, of

2.2.2.

een bijzondere opleiding, hetzij vóór, hetzij tijdens het verblijf aan boord, met inbegrip van een goedgekeurde periode van ten minste twee maanden diensttijd; en

2.3.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/4 van de STCW-code.

3.

De diensttijd, opleiding en ervaring, vereist volgens de punten 2.2.1 en 2.2.2, dienen verband te houden met het verrichten van functies op het gebied van de machinekamerwacht en omvatten taken die worden verricht onder rechtstreeks toezicht van een bevoegde werktuigkundige of een bevoegde matroos.

Voorschrift III/5

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matrozen als volmatroos met machinedienst in een bemande machinekamer of die aangewezen zijn om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere volmatroos met machinekamerdienst op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer moet in het bezit zijn van het nodige vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

voldoen aan de eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor matrozen die deel uitmaken van de machinekamerwacht in een bemande machinekamer of aangewezen zijn om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer;

2.3.

in het bezit zijn van de vaarbevoegdheid als matroos die deel uitmaakt van de machinekamerwacht en een goedgekeurde diensttijd in de machinekamer hebben voltooid van:

2.3.1.

ten minste twaalf maanden, of

2.3.2.

ten minste zes maanden en een goedgekeurde opleiding hebben voltooid; en

2.4.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/5 van de STCW-code.

3.

De lidstaten vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan matrozen in de machinekamer stellen voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012, met die welke in sectie A-III/5 van de STCW-code voor de vaarbevoegdheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is deze personeelsleden te vragen zich bij te scholen.

4.

Zeevarenden kunnen door een lidstaat worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid machinekamerwacht hebben gedaan gedurende een periode van ten minste twaalf maanden in de laatste 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze richtlijn.

Voorschrift III/6

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor elektrotechnische officieren

1.

Iedere elektrotechnische officier op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

een combinatie van werkplaats- en vaardigheidsopleiding hebben voltooid en een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid, waarvan ten minste zes maanden diensttijd die deel uitmaakt van een goedgekeurd opleidingsprogramma dat aan de eisen van sectie A-III/6 van de STCW-code voldoet, en is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, of anders een combinatie van werkplaats- en vaardigheidsopleiding hebben voltooid en een goedgekeurde diensttijd van ten minste 36 maanden hebben voltooid, waarvan ten minste 30 maanden diensttijd in de machinekamer; en

2.3.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/6 van de STCW-code; en

2.4.

voldoen aan de in sectie A-VI/1, lid 2, sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4 en sectie A-VI/4, leden 1 tot en met 3 van de STCW-code genoemde bekwaamheidsnormen.

3.

De lidstaten vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan elektrotechnische officieren stellen voor vaarbevoegdheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012, met die welke in sectie A-III/6 van de STCW-code voor de vaarbevoegdheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is deze personeelsleden te vragen zich bij te scholen.

4.

Zeevarenden kunnen door de lidstaat worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid aan boord van een schip dienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste twaalf maanden in de laatste 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze richtlijn en voldoen aan de in deel A-III/6 van de STCW-code genoemde bekwaamheidsnorm.

5.

Niettegenstaande de voornoemde eisen in leden 1 tot en met 4, kan een geschikte gekwalificeerde persoon door een lidstaat in staat worden geacht bepaalde functies van sectie A-III/6 uit te voeren.

Voorschrift III/7

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor elektrotechnische matrozen

1.

Iedere elektrotechnisch matroos op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer moet in het bezit zijn van het nodige vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Eenieder die een bewijs wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

2.2.

goedgekeurde diensttijd hebben voltooid, waaronder begrepen ten minste twaalf maanden opleiding en ervaring; of

2.3.

een bijzondere opleiding hebben voltooid, met inbegrip van een goedgekeurde periode van ten minste zes maanden diensttijd; of

2.4.

kwalificaties hebben die voldoen aan de technische bekwaamheden in tabel A-III/7 van de STCW-code en een goedgekeurde periode van ten minste drie maanden diensttijd; en

2.5.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-III/7 van de STCW-code.

3.

De lidstaten vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan elektrotechnische matrozen stellen voor diploma’s afgegeven vóór 1 januari 2012, met die welke in sectie A-III/7 van de STCW-code voor de diploma’s zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is deze personeelsleden te vragen zich bij te scholen.

4.

Zeevarenden kunnen door de lidstaat worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid aan boord van een schip dienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste twaalf maanden in de laatste 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze richtlijn en voldoen aan de in deel A-III/7 van de STCW-code genoemde bekwaamheidsnorm.

5.

Ongeacht de voornoemde eisen in de leden 1 tot en met 4, kan een geschikte gekwalificeerde persoon door een lidstaat in staat worden geacht bepaalde functies van sectie A-III/7 uit te voeren.

HOOFDSTUK IV

RADIOVERBINDINGEN EN RADIO-OPERATOREN

Verklarende noot

Dwingende bepalingen inzake de radioluisterwacht zijn opgenomen in het radioreglement en in SOLAS 74, zoals gewijzigd. Bepalingen inzake het onderhoud van radioapparatuur zijn opgenomen in SOLAS 74, zoals gewijzigd, en in de door de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen richtlijnen.

Voorschrift IV/1

Toepassing

1.

Behoudens het bepaalde in punt 2, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op radio-operatoren aan boord van schepen in het GMDSS (wereldwijd maritiem nood- en veiligheidssysteem), zoals voorgeschreven door SOLAS 74, zoals gewijzigd.

2.

Radio-operatoren op schepen waarvan niet verlangd wordt dat zij voldoen aan de bepalingen van het GMDSS in hoofdstuk IV van SOLAS 74, hoeven niet aan de bepalingen van dit hoofdstuk te voldoen. Van radio-operatoren op deze schepen wordt niettemin verlangd dat zij voldoen aan de bepalingen van het radioreglement. De lidstaten zorgen ervoor dat, met betrekking tot zodanige radio-operatoren, passende vaarbevoegdheidsbewijzen, zoals voorgeschreven in het radioreglement, worden afgegeven of erkend.

Voorschrift IV/2

Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening voor GMDSS-radio-operatoren

1.

Iedere persoon die belast is met radiotaken of deze vervult op een schip dat verplicht is aan het GMDSS deel te nemen, is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs dat betrekking heeft op de GMDSS en dat is afgegeven of erkend door de lidstaat krachtens de bepalingen van het radioreglement.

2.

Voorts moet eenieder, die krachtens dit voorschrift een vaarbevoegdheidsbewijs wenst te verkrijgen voor het dienst doen op een schip dat volgens SOLAS 74, zoals gewijzigd, met een radio-installatie is uitgerust:

2.1.

minstens 18 jaar oud zijn; en

2.2.

een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-IV/2 van de STCW-code.

HOOFDSTUK V

BIJZONDERE EISEN INZAKE OPLEIDING VAN PERSONEEL OP BEPAALDE SCHEEPSTYPEN

Voorschrift V/1-1

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en diplomering van kapiteins, officieren en matrozen van olie- en chemicaliëntankers

1.

Officieren en matrozen aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden worden opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op olie- of chemicaliëntankers, hebben een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers.

2.

Eenieder die een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers wenst te verkrijgen, heeft een basisopleiding voltooid in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/1 van de STCW-code en heeft:

2.1.

ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd voltooid op olie- of chemicaliëntankers en voldoet aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-1, lid 1, van de STCW-code; of

2.2.

een goedgekeurde basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers voltooid en voldoet aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-1, lid 1, van de STCW-code.

3.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurleden, tweede werktuigkundigen en iedereen die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van olietankers, hebben een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van olietankers.

4.

Eenieder die een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van olietankers wenst te verkrijgen, moet:

4.1.

voldoen aan de eisen voor het ontvangen van een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers; en

4.2.

naast een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers:

4.2.1.

ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op olietankers hebben voltooid, of

4.2.2.

ten minste een maand goedgekeurde opleiding aan boord van olietankers hebben voltooid in een hoedanigheid boven de sterkte met minstens drie laad- en drie losbehandelingen die is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, in overeenstemming met de richtsnoeren in sectie B-V/1 van de STCW-code; en

4.3.

een goedgekeurde voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van olietankers hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-1, lid 2, van de STCW-code.

5.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurleden, tweede werktuigkundigen en iedereen die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van chemicaliëntankers, hebben een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van chemicaliëntankers.

6.

Eenieder die een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van chemicaliëntankers wenst te verkrijgen, moet:

6.1.

voldoen aan de eisen voor het ontvangen van een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers; en

6.2.

naast een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van olie- en chemicaliëntankers:

6.2.1.

ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op chemicaliëntankers hebben voltooid, of

6.2.2.

ten minste gedurende een maand een goedgekeurde opleiding aan boord van chemicaliëntankers hebben voltooid in een hoedanigheid boven de sterkte met minstens drie laad- en drie losbehandelingen die is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, in overeenstemming met de richtsnoeren in sectie B-V/1 van de STCW-code; en

6.3.

een goedgekeurde voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van chemicaliëntankers hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-1, lid 3, van de STCW-code.

7.

De lidstaten dragen er zorg voor dat een bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven aan zeevarenden die bevoegd zijn in overeenstemming met de leden 2, 4 of 6, voor zover van toepassing, of dat een bestaand vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs vergezeld gaat van een officiële verklaring.

Voorschrift V/1-2

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en diplomering van kapiteins, officieren en matrozen van vloeibaargastankers

1.

Officieren en matrozen, aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden worden opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op vloeibaargastankers, hebben een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers.

2.

Eenieder die een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers wenst te verkrijgen, heeft een basisopleiding voltooid in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/1 van de STWC-code en heeft:

2.1.

ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op vloeibaargastankers voltooid en voldoet aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-2, lid 1, van de STCW-code; of

2.2.

heeft een goedgekeurde basisopleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers voltooid en voldoet aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-2, lid 1, van de STCW-code.

3.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurleden, tweede werktuigkundigen en iedereen die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van vloeibaargastankers, hebben een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers.

4.

Eenieder die een diploma van een voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers wenst te verkrijgen, moet:

4.1.

voldoen aan de eisen voor het ontvangen van een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers; en

4.2.

moet, naast een getuigschrift van een basisopleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers:

4.2.1.

ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd op vloeibaargastankers hebben voltooid, of

4.2.2.

ten minste een maand goedgekeurde opleiding aan boord van vloeibaargastankers hebben voltooid in een hoedanigheid boven de sterkte met ten minste drie laad- en drie losbehandelingen die is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, in overeenstemming met de richtsnoeren in sectie B-V/1 van de STCW-code; en

4.3.

een goedgekeurde voortgezette opleiding voor het behandelen van de lading van vloeibaargastankers hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-2, lid 2, van de STCW-code.

5.

De lidstaten dragen er zorg voor dat een bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven aan zeevarenden die bevoegd zijn in overeenstemming met lid 2 of 4, voor zover van toepassing, of dat een bestaand vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs vergezeld gaat van een officiële verklaring.

Voorschrift V/2

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en bevoegdheden van kapiteins, officieren, matrozen en ander personeel op passagiersschepen

1.

Dit voorschrift heeft betrekking op kapiteins, officieren, matrozen en ander personeel dat dienst doet aan boord van passagiersschepen op internationale reizen. De lidstaten bepalen de toepasbaarheid van deze eisen op personeel dat dienst doet op passagiersschepen op binnenlandse reizen.

2.

Alvorens hun taken aan boord van passagiersschepen worden opgedragen, hebben zeevarenden de opleiding, zoals vereist in de leden 4 tot en met 7, voltooid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden.

3.

Zeevarenden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding volgen in overeenstemming met de leden 4, 6 en 7, hebben passende herhalingscursussen gevolgd, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar of moeten kunnen aantonen dat zij in de vijf voorafgaande jaren het voorgeschreven bekwaamheidsniveau hebben gehaald.

4.

Kapiteins, officieren en ander personeel dat in de alarmrol wordt aangewezen om passagiers bij te staan in noodsituaties aan boord van passagiersschepen, hebben een opleiding voltooid in het beheersen van mensenmassa’s, zoals vermeld in sectie A-V/2, lid 1, van de STCW-code.

5.

Personeel dat in de passagiersruimten aan boord van passagiersschepen direct bij de dienstverlening aan passagiers betrokken is, heeft de veiligheidsopleiding als vermeld in sectie A-V/2, lid 2, van de STCW-code voltooid.

6.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede werktuigkundigen en iedereen die in de alarmrol wordt aangewezen en verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties aan boord van passagiersschepen hebben een goedgekeurde opleiding in crisisbeheer en menselijk gedrag voltooid, zoals vermeld in sectie A-V/2, lid 3, van de STCW-code.

7.

Kapiteins, eerste stuurlieden, hoofdwerktuigkundigen, tweede werktuigkundigen en iedereen die belast is met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading of het sluiten van openingen in de romp aan boord van ro-ro-passagiersschepen, hebben een goedgekeurde opleiding betreffende de veiligheid van passagiers, de veiligheid van de lading en de integriteit van de romp voltooid, zoals vermeld in sectie A-V/2, lid 4, van de STCW-code.

8.

De lidstaten zorgen ervoor dat een schriftelijk bewijs van voltooide opleiding wordt afgegeven aan iedereen die bevoegd wordt bevonden volgens de bepalingen van dit voorschrift.

HOOFDSTUK VI

NOODSITUATIES, VEILIGHEID OP HET WERK, BEVEILIGING, MEDISCHE VERZORGING EN OVERLEVINGSMAATREGELEN

Voorschrift VI/1

Verplichte minimumeisen betreffende het zich vertrouwd maken met de dienst aan boord op het gebied van, basisopleiding in en instructie over veiligheid voor alle zeevarenden

1.

Zeevarenden worden vertrouwd gemaakt met de dienst aan boord en ontvangen een basisopleiding of instructie in overeenstemming met sectie A-VI/1 van de STCW-code, en voldoen aan de desbetreffende bekwaamheidsnormen die daarin zijn vermeld.

2.

In gevallen waarin de basisopleiding niet is inbegrepen in de kwalificaties voor het af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, wordt een bekwaamheidsbewijs afgegeven waarin staat vermeld dat de houder een basisopleidingscursus heeft gevolgd.

Voorschrift VI/2

Verplichte minimumeisen betreffende de afgifte van bewijzen van bekwaamheid inzake het gebruik van reddingsmiddelen, hulpverleningsboten en snelle hulpverleningsboten

1.

Eenieder die een bekwaamheidsbewijs inzake het gebruik van reddingsmiddelen en andere dan snelle hulpverleningsboten, wenst te verkrijgen, moet:

1.1.

minstens 18 jaar oud zijn;

1.2.

een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden hebben voltooid of een goedgekeurde opleidingscursus hebben gevolgd en goedgekeurde diensttijd van ten minste zes maanden hebben voltooid; en

1.3.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen voor bekwaamheidsbewijzen inzake het gebruik van reddingsmiddelen en hulpverleningsboten die zijn vermeld in sectie A-VI/2, leden 1 tot en met 4, van de STCW-code.

2.

Eenieder die een bekwaamheidsbewijs inzake het gebruik van snelle hulpverleningsboten wenst te verkrijgen, moet:

2.1.

in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs inzake het gebruik van reddingsmiddelen en andere dan snelle hulpverleningsboten;

2.2.

een goedgekeurde opleidingscursus hebben gevolgd; en

2.3.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen voor bekwaamheidsbewijzen inzake het gebruik van snelle hulpverleningsboten die zijn vermeld in sectie A-VI/2, leden 7 tot en met 10, van de STCW-code.

Voorschrift VI/3

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding in gevorderde brandbestrijdingstechnieken

1.

Zeevarenden die aangewezen zijn om leiding te geven aan brandbestrijdingsoperaties, hebben met goed gevolg een voortgezette opleiding in brandbestrijdingsmethoden gevolgd, met bijzondere nadruk op organisatie, tactiek en bevelvoering, in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/3, leden 1 tot en met 4, van de STCW-code en voldoen aan de daarin vermeld bekwaamheidsnormen.

2.

In gevallen waarin een opleiding in gevorderde brandbestrijdingstechnieken niet is inbegrepen in de kwalificaties voor het af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, wordt een bekwaamheidsbewijs, voor zover van toepassing, afgegeven waarin staat vermeld dat de houder een opleidingscursus in gevorderde brandbestrijdingstechnieken heeft gevolgd.

Voorschrift VI/4

Verplichte minimumeisen betreffende eerste hulp en medische verzorging

1.

Zeevarenden die worden aangewezen om eerste hulp te verlenen aan boord van een schip, voldoen aan de bekwaamheidsnormen inzake het verlenen van eerste hulp als vermeld in sectie A-VI/4, leden 1, 2 en 3, van de STCW-code.

2.

Zeevarenden die worden aangewezen om medische verzorging aan boord van een schip op zich te nemen, voldoen aan de bekwaamheidsnormen inzake medische verzorging aan boord van schepen als vermeld in sectie A-VI/4, leden 4, 5 en 6, van de STCW-code.

3.

In gevallen waarin een opleiding in eerste hulp of medische verzorging aan boord van schepen niet is inbegrepen in de kwalificaties voor het af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, wordt een bekwaamheidsbewijs, voor zover van toepassing, afgegeven, waarin staat vermeld dat de houder een opleidingscursus in eerste hulp of medische verzorging heeft gevolgd.

Voorschrift VI/5

Verplichte minimumeisen voor de afgifte van bekwaamheidsbewijzen voor veiligheidsofficieren van schepen

1.

Eenieder die een bekwaamheidsbewijs als veiligheidsofficier van een schip wenst te verkrijgen, moet:

1.1.

een goedgekeurde diensttijd van ten minste twaalf maanden of een passende diensttijd en kennis van bedrijfsvoering aan boord van een schip hebben voltooid; en

1.2.

voldoen aan de bekwaamheidsnormen voor bekwaamheidsbewijzen als veiligheidsofficier van een schip die zijn vermeld in sectie A-VI/5, leden 1 tot en met 4, van de STCW-code.

2.

De lidstaten zorgen ervoor dat aan iedereen die bevoegd wordt bevonden volgens de bepalingen van dit voorschrift een bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven.

Voorschrift VI/6

Verplichte minimumeisen betreffende basisopleiding in en instructie over veiligheid voor alle zeevarenden

1.

Zeevarenden worden vertrouwd gemaakt met de dienst aan boord op het gebied van veiligheid en hebben een bewustmakingsopleiding in of -instructie over veiligheid ontvangen, in overeenstemming met sectie A-VI/6, leden 1 tot en met 4, van de STCW-code, en voldoen aan de desbetreffende bekwaamheidsnormen die daarin zijn vermeld.

2.

In gevallen waarin bewustmaking van veiligheid niet is inbegrepen in de kwalificaties voor het af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, wordt een bekwaamheidsbewijs afgegeven waarin staat vermeld dat de houder de bewustmakingsopleidingscursus op het gebied van veiligheid heeft gevolgd.

3.

Elke lidstaat vergelijkt de opleiding in of instructie over veiligheid die hij verlangt van zeevarenden die over kwalificaties beschikken of deze kunnen aantonen vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn, met die vermeld in sectie A-VI/6, lid 4, van de STCW-code, en stelt vast of het noodzakelijk is deze zeevarenden te vragen zich bij te scholen.

Zeevarenden met bepaalde veiligheidstaken

4.

Zeevarenden met bepaalde veiligheidstaken voldoen aan de bekwaamheidsnormen in sectie A-VI/6, leden 6 tot en met 8, van de STCW-code.

5.

Voor het af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, wordt een bekwaamheidsbewijs afgegeven waarin staat vermeld dat de houder een opleidingscursus voor bepaalde veiligheidstaken heeft gevolgd.

6.

Elke lidstaat vergelijkt de normen voor de veiligheidsopleiding die hij stelt aan zeevarenden met bepaalde veiligheidstaken die over kwalificaties beschikken of deze kunnen aantonen vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn, met die vermeld in sectie A-VI/6, lid 8, van de STCW-code, en stelt vast of het noodzakelijk is deze zeevarenden te vragen zich bij te scholen.

HOOFDSTUK VII

ALTERNATIEVE VAARBEVOEGDHEIDSBEWIJZEN

Voorschrift VII/1

Afgifte van alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen

1.

Niettegenstaande de eisen inzake vaarbevoegdheidsverlening, zoals neergelegd in de hoofdstukken II en III van deze bijlage, kunnen lidstaten ervoor kiezen andere vaarbevoegdheidsbewijzen af te geven of te doen afgeven dan die welke in de voorschriften van die hoofdstukken zijn genoemd, op voorwaarde dat:

1.1.

de betrokken functies en verantwoordelijkheidsniveaus die op de vaarbevoegdheidsbewijzen en de officiële verklaringen zullen worden vermeld, geselecteerd worden uit en gelijk zijn aan die welke voorkomen in de secties A-II/1, A-II/2, A-II/3, A-II/4, A-II/5, A-III/1, A-III/2, A-III/3, A-III/4, A-III/5, en A-IV/2 van de STCW-code;

1.2.

de kandidaten een goedgekeurde studie en opleiding hebben voltooid en voldoen aan de bekwaamheidsnormen van de desbetreffende secties van de STCW-code en zoals vermeld in sectie A-VII/1 van deze code, ten behoeve van de functies en niveaus die op de vaarbevoegdheidsbewijzen en de officiële verklaringen zullen worden vermeld;

1.3.

de kandidaten goedgekeurde diensttijd hebben voltooid, passend bij de uitvoering van de functies en niveaus die op het vaarbevoegdheidsbewijs zullen worden vermeld. De minimale duur van de diensttijd is gelijk aan de duur van diensttijd, voorgeschreven in de hoofdstukken II en III van deze bijlage. De minimale duur van de diensttijd mag echter niet korter zijn dan die welke is voorgeschreven in sectie A-VII/2 van de STCW-code;

1.4.

de kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen en die op operationeel niveau de navigatiefunctie zullen verrichten, voldoen aan de toepasselijke eisen van de voorschriften in hoofdstuk IV voor het verrichten van radiowerkzaamheden in overeenstemming met het radioreglement;

1.5.

de vaarbevoegdheidsbewijzen worden afgegeven in overeenstemming met de eisen van artikel 5 van deze richtlijn en de bepalingen van hoofdstuk VII van de STCW-code.

2.

Vaarbevoegdheidsbewijzen krachtens dit hoofdstuk mogen niet worden afgegeven indien een lidstaat niet de volgens het STCW-verdrag vereiste informatie aan de Commissie heeft toegezonden.

Voorschrift VII/2

Vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden

Iedere zeevarende die een functie of een aantal functies verricht, vermeld in de tabellen A-II/1, A-II/2, A-II/3, A-II/4 of A-II/5 van hoofdstuk II of in de tabellen A-III/1, A-III/2, A-III/3, A-III/4 of A-III/5 van hoofdstuk III of in tabel A-IV/2 van hoofdstuk IV van de STCW-code, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs, voor zover van toepassing.

Voorschrift VII/3

Beginselen inzake de afgifte van alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen

1.

Een lidstaat die verkiest alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen af te geven of te doen afgeven, zorgt ervoor dat de volgende beginselen in acht worden genomen:

1.1.

geen alternatief systeem van bevoegdheidsverlening mag ten uitvoer gelegd worden, indien het niet een mate van veiligheid op zee garandeert en een preventieve werking heeft met betrekking tot verontreiniging, die ten minste gelijk zijn aan die welke in de andere hoofdstukken zijn geregeld; en

1.2.

alle regelingen inzake de afgifte van alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen, afgegeven krachtens dit hoofdstuk, voorzien in de mogelijkheid deze in te wisselen tegen vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven krachtens de andere hoofdstukken.

2.

Het in punt 1 vervatte beginsel van inwisselbaarheid moet garanderen dat:

2.1.

zeevarenden die gediplomeerd zijn volgens de regelingen van de hoofdstukken II en/of III of volgens hoofdstuk VII, dienst kunnen doen op schepen die hetzij de gebruikelijke, hetzij een andere vorm van bedrijfsvoering aan boord hebben; en

2.2.

zeevarenden niet worden opgeleid voor speciale regelingen aan boord op een wijze die hun mogelijkheden om hun vaardigheden elders aan te wenden, zou aantasten.

3.

Bij het afgeven van een vaarbevoegdheidsbewijs krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk worden de volgende beginselen in acht genomen:

3.1.

de afgifte van alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen mag op zich niet worden gebruikt:

3.1.1.

om het aantal bemanningsleden aan boord te verminderen;

3.1.2.

om het aanzien van het beroep te schaden of afbreuk te doen aan de vakkundigheid van de zeevarenden; of

3.1.3.

om te rechtvaardigen dat gedurende een bepaalde wachtdienst de gecombineerde taken van officieren in de machinekamerwacht en in de brugwacht aan de houder van slechts één enkel vaarbevoegdheidsbewijs worden opgedragen; en

3.2.

degene die het bevel voert, wordt aangewezen als de kapitein; de rechtspositie en het gezag van de kapitein en anderen wordt niet ongunstig beïnvloed door het in de praktijk brengen van een regeling voor alternatieve bevoegdheidsverlening.

4.

De beginselen van de punten 1 en 2 garanderen dat de bekwaamheid van zowel dekofficieren als werktuigkundigen gehandhaafd blijft.”


BIJLAGE II

Bijlage II, punt 3, wordt vervangen door:

„3.

De Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en met eventuele deelneming van de betrokken lidstaat, heeft zich via een beoordeling van die partij, die onder meer de inspectie van voorzieningen en procedures kan omvatten, ervan vergewist dat de voorschriften van het verdrag betreffende bekwaamheidsnormen, opleiding en diplomering en kwaliteitsnormen volledig worden nageleefd.”.


BIJLAGE III

„BIJLAGE V

AAN DE COMMISSIE MEE TE DELEN GEGEVENSTYPEN VOOR STATISTISCHE DOELEINDEN

1.

Waar naar deze bijlage wordt verwezen, moeten de volgende gegevens die genoemd zijn in sectie A-I/2, lid 9, van de STCW-code voor alle vaarbevoegdheidsbewijzen of officiële verklaringen van hun afgifte, alle officiële verklaringen van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die door andere landen zijn afgegeven, worden overgelegd, en wanneer deze van een (*) zijn voorzien, geschiedt deze overlegging in een anoniem formaat, zoals vereist door artikel 25 bis, lid 3:

Vaarbevoegdheidsbewijzen/Officiële verklaringen van hun afgifte:

eenduidig identificatienummer van de zeevarende, indien beschikbaar (*),

naam van de zeevarende (*),

geboortedatum van de zeevarende,

nationaliteit van de zeevarende,

geslacht van de zeevarende,

officieel verklaard nummer van het vaarbevoegdheidsbewijs (*),

nummer van de officiële verklaring van afgifte (*),

hoedanigheid/-heden,

afgiftedatum of meest recente datum van verlenging van de geldigheid van het document,

vervaldatum,

status van het vaarbevoegdheidsbewijs,

beperkingen.

Officiële verklaringen van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die door andere landen zijn afgegeven:

eenduidig identificatienummer van de zeevarende, indien beschikbaar (*),

naam van de zeevarende (*),

geboortedatum van de zeevarende,

nationaliteit van de zeevarende,

geslacht van de zeevarende,

land dat het originele vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven,

origineel nummer van het vaarbevoegdheidsbewijs (*),

nummer van de officiële verklaring van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen die door andere landen zijn afgegeven (*),

hoedanigheid/-heden,

afgiftedatum of meest recente datum van verlenging van de geldigheid van het document,

vervaldatum,

status van de officiële verklaring,

beperkingen.

2.

De lidstaten kunnen vrijwillig informatie verstrekken over de bekwaamheidsbewijzen die aan matrozen zijn verstrekt overeenkomstig de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-verdrag, zoals:

eenduidig identificatienummer van de zeevarende, indien beschikbaar (*),

naam van de zeevarende (*),

geboortedatum van de zeevarende,

nationaliteit van de zeevarende,

geslacht van de zeevarende,

nummer van het bekwaamheidsbewijs dat aan de matroos is afgegeven (*),

hoedanigheid/-heden,

afgiftedatum of meest recente datum van verlenging van de geldigheid van het document,

vervaldatum,

status van het bekwaamheidsbewijs.”


Top