Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007L0046

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 263, 9.10.2007, p. 1–160 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 035 P. 103 - 262

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/46/oj

9.10.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/1


RICHTLIJN 2007/46/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 september 2007

tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd

(Kaderrichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Voor de totstandbrenging en de werking van de interne markt is het dienstig de nationale goedkeuringssystemen te vervangen door een communautaire goedkeuringsprocedure op basis van het beginsel van volledige harmonisatie.

(3)

De technische voorschriften voor systemen, onderdelen, technische eenheden en voertuigen moeten worden geharmoniseerd en in regelgevingen gespecificeerd. Deze regelgevingen moeten er in de eerste plaats op zijn gericht een hoog niveau van verkeersveiligheid, gezondheidsbescherming, milieubescherming, energie-efficiëntie en beveiliging tegen ongeoorloofd gebruik te waarborgen.

(4)

Richtlijn 92/53/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4) beperkte de toepassing van de communautaire typegoedkeuringsprocedure voor volledige voertuigen tot voertuigcategorie M1, maar om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat hij naar behoren functioneert, moet het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn alle voertuigcategorieën omvatten, zodat de fabrikanten via de communautaire typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

(5)

Om de fabrikanten in staat te stellen zich aan de nieuwe geharmoniseerde procedures aan te passen, moet in een voldoende lange overgangstermijn worden voorzien voordat de communautaire typegoedkeuring van voertuigen verplicht wordt voor in één fase gebouwde voertuigen van andere categorieën dan M1. Voor voertuigen van andere categorieën dan M1 waarvoor meerfasengoedkeuring is vereist, moet in een langere overgangstermijn worden voorzien, omdat de procedure ook zal gelden voor carrosseriebouwers, die op dat gebied nog voldoende ervaring moeten opdoen om de vereiste procedures naar behoren te kunnen toepassen. Gezien het belang van de veiligheid van voertuigen van de categorieën M2 en M3 moeten deze voertuigen echter wel voldoen aan de technische voorschriften van de geharmoniseerde richtlijnen in de overgangsperiode waarin de nationale typegoedkeuring nog geldt, om de fabrikanten in staat te stellen ervaring op te doen met de communautaire typegoedkeuring van voertuigen.

(6)

Tot dusver waren fabrikanten die voertuigen in kleine series bouwen, gedeeltelijk uitgesloten van de voordelen van de interne markt. De ervaring heeft geleerd dat de verkeersveiligheid en de milieuvriendelijkheid aanzienlijk kunnen worden verbeterd als in kleine series gebouwde voertuigen volledig in het communautaire typegoedkeuringssysteem voor voertuigen worden opgenomen, te beginnen met die van categorie M1.

(7)

Om misbruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series gebouwde voertuigen tot zeer geringe producties worden beperkt. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeuriger te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen aan te geven.

(8)

Het is belangrijk maatregelen te nemen om voertuigen op individuele basis te kunnen goedkeuren, zodat in het meerfasengoedkeuringssysteem voldoende flexibiliteit kan worden toegestaan; in afwachting van de vaststelling van geharmoniseerde, specifieke communautaire bepalingen moeten de lidstaten echter nog steeds individuele goedkeuringen overeenkomstig hun nationale regelgeving kunnen verlenen.

(9)

In afwachting van de toepassing van de communautaire typegoedkeuringsprocedure voor voertuigen op andere voertuigcategorieën dan M1, moeten de lidstaten nog steeds nationale typegoedkeuringen kunnen verlenen en moeten daartoe overgangsbepalingen worden vastgesteld.

(10)

De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld volgens de procedure van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(11)

Bij Besluit 97/836/EG van de Raad (6) is de Gemeenschap toegetreden tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”).

De VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap krachtens dit besluit toetreedt, en de wijzigingen van VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap al is toegetreden, dienen bijgevolg als voorschriften voor de EG-typegoedkeuring of als alternatieven voor de bestaande communautaire wetgeving in de communautaire typegoedkeuringsprocedure te worden opgenomen. In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid hebben deze richtlijn op de nodige punten aan te passen, wanneer de Gemeenschap bij besluit van de Raad beslist dat een VN/ECE-reglement deel gaat uitmaken van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor voertuigen en in de plaats komt van bestaande communautaire wetgeving. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of ter aanvulling van deze richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(12)

Voor een betere regelgeving, voor de vereenvoudiging en om te voorkomen dat de bestaande communautaire wetgeving over kwesties van technische specificaties voortdurend moet worden bijgewerkt, moet het mogelijk zijn in deze richtlijn of bijzondere richtlijnen en verordeningen te verwijzen naar bestaande internationale normen en regelingen zonder deze weer te geven in het communautaire juridische kader.

(13)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het Europese typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet de bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(14)

Het hoofddoel van wetgeving inzake goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die op de markt worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van die doelstelling mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde onderdelen of uitrustingsstukken worden bevestigd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat onderdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden bevestigd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij te koop worden aangeboden. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die onderdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

(15)

Die maatregelen mogen alleen gelden voor een beperkt aantal onderdelen of uitrustingsstukken. De lijst van deze onderdelen of uitrustingsstukken en latere vereisten moeten worden vastgesteld na raadpleging van belanghebbenden. Bij de vaststelling van de lijst moet de Commissie de belanghebbenden raadplegen op basis van een rapport en naar een eerlijk evenwicht streven tussen de vereisten op het gebied van de verbetering van de veiligheid op de weg en op het gebied van milieubescherming, evenals de belangen van consumenten, producenten en verdelers bij de instandhouding van de concurrentie op de secundaire onderdelenmarkt.

(16)

De lijst van onderdelen en uitrustingsstukken, de desbetreffende essentiële systemen en de test- en uitvoeringsmaatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of ter aanvulling van deze richtlijn met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dit besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(17)

Deze richtlijn bevat een reeks specifieke veiligheidsvoorschriften als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (7), waarin specifieke voorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van consumenten zijn vastgesteld. Daarom is het van belang bepalingen vast te stellen om te waarborgen dat wanneer een voertuig voor consumenten een ernstig risico vormt als gevolg van de toepassing van deze richtlijn of de regelgevingen in bijlage IV, de producent doeltreffende beschermingsmaatregelen heeft genomen, inclusief het terugroepen van voertuigen. Goedkeuringsinstanties moeten daarom kunnen beoordelen of de voorgestelde maatregelen al dan niet volstaan.

(18)

Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen. Het is dienstig bepalingen dienaangaande in deze richtlijn op te nemen.

(19)

Voor fabrikanten van uitrustingsstukken is het ook van belang toegang te hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, dat wil zeggen technische informatie en tekeningen die nodig zijn om onderdelen voor de secundaire onderdelenmarkt te ontwikkelen.

(20)

Even belangrijk is dat de fabrikanten informatie beschikbaar stellen aan onafhankelijke ondernemingen, om ervoor te zorgen dat voertuigen hersteld en onderhouden worden op een volledig concurrerende markt. Deze informatievereisten zijn reeds opgenomen in communautaire wetgeving, met name in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte passagiers- en commerciële voertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (8), waarbij de Commissie uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van die verordening een verslag voorlegt over de werking van de regeling voor toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig en zal nagaan of het wenselijk is alle bepalingen met betrekking tot de toegang tot zulke informatie in het kader van een herziene kaderrichtlijn inzake typegoedkeuring te consolideren.

(21)

Om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen, dienen maatregelen om enerzijds de bijzondere richtlijnen of verordeningen uit te voeren en anderzijds de bijlagen bij deze richtlijn en die bij de bijzondere richtlijnen of verordeningen aan te passen, in het bijzonder aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, te worden goedgekeurd overeenkomstig Besluit 1999/468/EG. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen of verordeningen of ter aanvulling van deze met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dat besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing. Dezelfde procedure moet van toepassing zijn op aanpassingen die nodig zijn voor de typegoedkeuring van voertuigen voor personen met een handicap.

(22)

De ervaring leert dat soms onmiddellijk passende maatregelen ter bescherming van de weggebruikers moeten worden genomen wanneer tekortkomingen in de bestaande wetgeving zijn geconstateerd. In dergelijke spoedgevallen moeten de vereiste wijzigingen op de bijzondere richtlijnen of verordeningen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG worden goedgekeurd. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van de bijzondere richtlijnen of verordeningen of ter aanvulling van deze met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van dat besluit vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(23)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de voltooiing van de interne markt, door de invoering van een verplicht communautair typegoedkeuringssysteem voor alle voertuigcategorieën, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(24)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(25)

In overeenstemming met punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (9) dient de Raad de lidstaten ertoe aan te sporen om, voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap, hun eigen tabellen op te stellen waarin, voor zover mogelijk, de correlatie tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen is weergegeven, en deze tabellen openbaar te maken.

(26)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten.

(27)

De vereisten in deze richtlijn zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in het actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving”.

(28)

Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze richtlijn worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in de mededeling van de Commissie „Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” zijn herhaald,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt een geharmoniseerd kader vast voor de bestuursrechtelijke bepalingen en de algemene technische voorschriften voor de goedkeuring van alle nieuwe voertuigen die binnen haar toepassingsgebied vallen, en van de systemen, onderdelen en technische eenheden die voor die voertuigen zijn bestemd, met als doel de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen ervan in de Gemeenschap te vergemakkelijken.

In deze richtlijn worden ook de bepalingen vastgesteld voor de verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en uitrustingsstukken voor voertuigen die overeenkomstig deze richtlijn zijn goedgekeurd.

Specifieke technische vereisten betreffende de bouw en de werking van voertuigen worden ter toepassing van deze richtlijn neergelegd in regelgevingen, waarvan de limitatieve lijst is opgenomen in bijlage IV.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de typegoedkeuring van in een of meer fasen ontworpen en gebouwde voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de weg, en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Zij is ook van toepassing op de individuele goedkeuring van dergelijke voertuigen.

Deze richtlijn is tevens van toepassing op onderdelen en uitrustingsstukken die bestemd zijn voor voertuigen die onder deze richtlijn vallen.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de typegoedkeuring of individuele goedkeuring van de volgende voertuigen:

a)

landbouw- of bosbouwtrekkers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (10), en aanhangwagens die specifiek voor deze trekkers zijn ontworpen en gebouwd;

b)

vierwielers, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (11);

c)

rupsvoertuigen.

3.   De typegoedkeuring of individuele goedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is facultatief voor de volgende voertuigen:

a)

voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd om hoofdzakelijk op bouwplaatsen, in steengroeven, in havens of op luchthavens te worden gebruikt;

b)

voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer en de ordehandhavingsdiensten, en

c)

mobiele machines,

in de mate dat deze voertuigen aan de vereisten van deze richtlijn kunnen voldoen. Deze facultatieve goedkeuringen laten de toepassing van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines (12) onverlet.

4.   De individuele goedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is facultatief voor de volgende voertuigen:

a)

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor wegraces;

b)

prototypes van voertuigen die onder verantwoordelijkheid van de fabrikant op de weg worden gebruikt om een specifiek testprogramma uit te voeren, mits zij speciaal daarvoor zijn ontworpen en gebouwd.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn en de in bijlage IV genoemde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:

1.

„regelgeving”: een bijzondere richtlijn of verordening of een aan de Herziene Overeenkomst van 1958 gehecht VN/ECE-reglement;

2.

„bijzondere richtlijn of verordening”: een richtlijn of verordening vermeld in bijlage IV, deel I. Deze term omvat ook uitvoeringsbesluiten daarvan;

3.

„typegoedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4.

„nationale typegoedkeuring”: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

5.

„EG-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften van deze richtlijn en van de in bijlage IV of XI vermelde regelgevingen voldoet;

6.

„individuele goedkeuring”: de procedure waarbij een lidstaat certificeert dat een bepaald voertuig, al dan niet uniek, aan de relevante bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voldoet;

7.

„meerfasentypegoedkeuring”: de procedure waarbij een of meer lidstaten certificeren dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze richtlijn voldoet;

8.

„stapsgewijze typegoedkeuring”: een voertuiggoedkeuringsprocedure die bestaat uit het stapsgewijze verzamelen van de hele reeks EG-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden van het voertuig en die uiteindelijk resulteert in de goedkeuring van het volledige voertuig;

9.

„eenstapstypegoedkeuring”: een procedure voor de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling;

10.

„gemengde typegoedkeuring”: een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EG-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven;

11.

„motorvoertuig”: een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken;

12.

„aanhangwagen”: een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken;

13.

„voertuig”: een motorvoertuig of een aanhangwagen daarvan, zoals gedefinieerd in de punten 11 en 12;

14.

„hybride motorvoertuig”: een voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende energieopslagsystemen (aan boord) ten behoeve van de aandrijving van het voertuig;

15.

„hybride elektrisch voertuig”: een hybride voertuig dat ten behoeve van de mechanische aandrijving energie put uit beide van de volgende aan boord opgeslagen energiebronnen/krachtbronnen:

een verbruiksbrandstof;

een opslagvoorziening voor elektrische energie/kracht (bv. accu, condensator, vliegwiel/generator, enz.);

16.

„mobiele machine”: een zelfaangedreven voertuig dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor werkzaamheden en dat door zijn bouw niet geschikt is voor personen- of goederenvervoer. Machines die op het chassis van een motorvoertuig zijn gemonteerd, worden niet als mobiele machines beschouwd;

17.

„voertuigtype”: alle tot een categorie behorende voertuigen die ten minste op de in bijlage II, deel B, vermelde essentiële punten identiek zijn. Een voertuigtype kan varianten en uitvoeringen zoals omschreven in bijlage II, deel B, omvatten;

18.

„basisvoertuig”: een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

19.

„incompleet voertuig”: een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn te voldoen;

20.

„voltooid voertuig”: een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn voldoet;

21.

„compleet voertuig”: een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze richtlijn te voldoen;

22.

„voertuig uit restantvoorraad”: een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet kan worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

23.

„systeem”: een geheel van inrichtingen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van de regelgevingen moet voldoen;

24.

„onderdeel”: een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

25.

„technische eenheid”: een inrichting die aan de voorschriften van een regelgeving moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien de regelgeving daarin uitdrukkelijk voorziet;

26.

„originele onderdelen of uitrustingsstukken”: onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig. Hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken onderdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn. Tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn, indien de onderdelenfabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

27.

„fabrikant”: persoon of instantie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeurings- en vergunningsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat/die aan de goedkeuringsprocedure wordt onderworpen;

28.

„vertegenwoordiger van de fabrikant”: een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om hem bij de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen en namens hem op te treden bij aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen. Wanneer de term „fabrikant” wordt gebruikt, wordt daaronder de fabrikant of zijn vertegenwoordiger verstaan;

29.

„goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die bevoegd is voor alle aspecten van zowel de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid als de individuele goedkeuring van een voertuig; voor de vergunningsprocedure, de afgifte en eventuele intrekking van goedkeuringscertificaten; die bevoegd is te fungeren als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten; die bevoegd is voor de aanwijzing van de technische diensten, en die ervoor moet zorgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van productie;

30.

„bevoegde instantie”: de in artikel 42 bedoelde bevoegde instantie is ofwel de goedkeuringsinstantie of een aangewezen autoriteit, ofwel een accrediteringsorgaan dat namens hen handelt;

31.

„technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

32.

„virtuele testmethode”: computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van een regelgevingshandeling. Voor testdoeleinden hoeft bij de virtuele methode geen gebruik te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

33.

„typegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;

34.

„EG-typegoedkeuringscertificaat”: het certificaat in bijlage VI of in de overeenkomstige bijlage bij een bijzondere richtlijn of verordening, dan wel het als gelijkwaardig beschouwde mededelingenformulier in de relevante bijlage bij een van de in bijlage IV bij deze richtlijn, deel I of II, genoemde VN/ECE-reglementen;

35.

„individuelegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie certificeert dat voor een bepaald voertuig goedkeuring is verleend;

36.

„certificaat van overeenstemming”: het document in bijlage IX dat door de fabrikant wordt afgegeven om te certificeren dat een voertuig behorende tot de reeks waarvoor overeenkomstig deze richtlijn typegoedkeuring is verleend, op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldoet;

37.

„inlichtingenformulier”: het formulier in bijlage I of III of in de overeenkomstige bijlage bij een bijzondere richtlijn of verordening, waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt. Het inlichtingenformulier mag in elektronische vorm worden ingediend;

38.

„informatiedossier”: het complete dossier met het inlichtingenformulier, het bestand en de gegevens, tekeningen, foto’s enz. die door de aanvrager zijn verstrekt. Het informatiedossier mag in elektronische vorm worden ingediend;

39.

„informatiepakket”: het informatiedossier met de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitoefening van haar functie aan het informatiedossier heeft toegevoegd. Het informatiepakket mag in elektronische vorm worden ingediend;

40.

„inhoudsopgave bij het informatiepakket”: het document met de inhoudsopgave van het informatiepakket, waarvan alle bladzijden zijn genummerd of van andere tekens zijn voorzien. Dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EG-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 4

Verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten zien erop toe dat fabrikanten die een goedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze richtlijn nakomen.

2.   De lidstaten verlenen alleen goedkeuring aan voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

3.   De lidstaten staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht.

Zij mogen de registratie, de verkoop, de ingebruikneming of het in het verkeer brengen van voertuigen, onderdelen of technische eenheden die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of werking en die onder deze richtlijn vallen, indien zij aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

4.   De lidstaten richten de voor de goedkeuring bevoegde instanties op of wijzen deze aan en doen daarvan kennisgeving aan de Commissie overeenkomstig artikel 43.

De kennisgeving betreffende de goedkeuringsinstanties bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied.

Artikel 5

Verplichtingen van de fabrikanten

1.   De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken is.

2.   Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd.

De fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en overeenstemming van de productie van deze onderdelen en systemen.

3.   Voor de toepassing van deze richtlijn wijst een fabrikant die buiten de Gemeenschap is gevestigd, een binnen de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger aan om hem voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

HOOFDSTUK III

EG-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 6

Procedures voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

1.   De fabrikant mag een van de volgende procedures kiezen:

a)

stapsgewijze typegoedkeuring,

b)

eenstapstypegoedkeuring,

c)

gemengde typegoedkeuring.

2.   Een aanvraag om stapsgewijze goedkeuring bestaat uit het informatiedossier met de krachtens bijlage III verlangde informatie en gaat vergezeld van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de toepasselijke regelgevingen die in bijlage IV of XI worden genoemd. Voor de typegoedkeuring van een systeem of technische eenheid overeenkomstig de toepasselijke regelgevingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiepakket totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

3.   Een aanvraag om eenstapsgoedkeuring bestaat uit het informatiedossier met de relevante informatie die in bijlage I in verband met de in bijlage IV of XI en, voor zover van toepassing, in deel II van bijlage III genoemde regelgevingen wordt verlangd.

4.   Bij een gemengde goedkeuringsprocedure kan de goedkeuringsinstantie een fabrikant vrijstellen van de verplichting om een of meer EG-typegoedkeuringscertificaten voor systemen over te leggen indien het informatiedossier wordt aangevuld met de in bijlage I gespecificeerde en voor de goedkeuring van die systemen tijdens de goedkeuringsfase van het voertuig vereiste gegevens. In dat geval wordt elk van de EG-typegoedkeuringscertificaten waarvoor vrijstelling is verleend, vervangen door een testrapport.

5.   Onverminderd het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 dient voor meerfasentypegoedkeuring het volgende te worden verstrekt:

a)

in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EG-typegoedkeuringscertificaten die voor een compleet voertuig zijn vereist en die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b)

in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EG-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een afschrift van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EG-typegoedkeuringscertificaat; voorts verstrekt de fabrikant alle gegevens over de wijzigingen of toevoegingen die hij in of aan het voertuig heeft aangebracht;

De onder a) en b) genoemde informatie mag worden verstrekt volgens de in lid 4 beschreven gemengde procedure.

6.   De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. Voor een bepaald voertuigtype mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

7.   In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie de fabrikant vragen haar de nodige aanvullende informatie te verstrekken om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

8.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie het nodige aantal voertuigen ter beschikking om de typegoedkeuringsprocedure naar behoren te laten verlopen.

Artikel 7

Procedure voor de EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden

1.   De fabrikant dient de aanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. Voor een type systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend. Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

2.   De aanvraag gaat vergezeld van het informatiedossier, waarvan de inhoud in de bijzondere richtlijnen of verordeningen is gespecificeerd.

3.   In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie de fabrikant vragen haar de nodige aanvullende informatie te verstrekken om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

4.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie de voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking die volgens de relevante bijzondere richtlijnen of verordeningen nodig zijn om de voorgeschreven tests te kunnen verrichten.

HOOFDSTUK IV

VERLOOP VAN DE EG-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 8

Algemene bepalingen

1.   De lidstaten mogen geen EG-typegoedkeuring verlenen zonder eerst te hebben vastgesteld dat de procedures van artikel 12 naar behoren door de fabrikant zijn uitgevoerd.

2.   De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring volgens de voorschriften van de artikelen 9 en 10.

3.   Indien een lidstaat van oordeel is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de voorschriften, een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid betekent dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaadt, kan hij de EG-typegoedkeuring ervan weigeren. Hij zendt de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier toe met opgave van de redenen voor zijn besluit en bewijsmateriaal voor zijn bevindingen.

4.   De EG-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens de in bijlage VII beschreven methode.

5.   Binnen 20 werkdagen zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een afschrift toe van het EG-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

6.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7.   Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst toe van de EG-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de vorige periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken. Deze lijst bevat de in bijlage XIV vermelde gegevens.

8.   Op verzoek van een andere lidstaat zendt de lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, binnen 20 werkdagen na ontvangst van dat verzoek een afschrift van het desbetreffende EG-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Het papieren afschrift mag door een elektronisch bestand worden vervangen.

Artikel 9

Bijzondere bepalingen voor voertuigen

1.   De lidstaten verlenen EG-goedkeuring aan:

a)

een voertuigtype dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde toepasselijke regelgevingen;

b)

een voertuigtype voor speciale doeleinden dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage XI genoemde toepasselijke regelgevingen.

De in bijlage V beschreven procedures zijn van toepassing.

2.   De lidstaten verlenen meerfasentypegoedkeuring aan een type incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV of XI genoemde toepasselijke regelgevingen, al naar gelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

De meerfasentypegoedkeuring is ook van toepassing op complete voertuigen die zijn verbouwd of gewijzigd door een andere fabrikant.

De in bijlage XVII beschreven procedures zijn van toepassing.

3.   Voor elk voertuigtype dient de goedkeuringsinstantie:

a)

alle relevante rubrieken van het EG-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten volgens het model in bijlage VIII, in te vullen;

b)

de inhoudsopgave bij het informatiepakket samen te stellen of te verifiëren;

c)

het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager af te geven.

4.   In het geval van een EG-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 20, artikel 22 of bijlage XI beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van de regelgevingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.   Wanneer gegevens in het informatiedossier betrekking hebben op bepalingen inzake voertuigen voor speciale doeleinden zoals aangegeven in bijlage XI, worden deze bepalingen in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

6.   Indien de fabrikant de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie in deel III van het in bijlage III weergegeven inlichtingenformulier de referenties in van de uit hoofde van regelgevingen opgestelde testrapporten waarvoor geen EG-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.

7.   Indien de fabrikant de eenstapsgoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie de lijst van toepasselijke regelgevingen op volgens het model in het aanhangsel bij bijlage VI en voegt deze lijst bij het EG-typegoedkeuringscertificaat.

Artikel 10

Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.   De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring aan een systeem dat in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV of XI genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening.

2.   De lidstaten verlenen EG-typegoedkeuring aan een onderdeel of technische eenheid dat of die in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage IV genoemde relevante bijzondere richtlijn of verordening.

3.   Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij de toepasselijke regelgeving zulks vereist.

4.   Indien een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met die andere onderdelen van het voertuig functioneert, wordt de geldigheid van de EG-typegoedkeuring van het onderdeel of de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt. In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik en de bijzondere montagevoorwaarden in het EG-typegoedkeuringscertificaat vermeld. Als een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 11

Voor EG-typegoedkeuring vereiste tests

1.   Door middel van passende test die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze richtlijn en van de in bijlage IV vermelde regelgevingen is voldaan.

De testprocedures, specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden in elke regelgeving beschreven.

2.   De vereiste tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken op het gebied van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

3.   Ten aanzien van de in bijlage XVI vermelde regelgevingen mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie, virtuele testmethoden worden gebruikt als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures.

4.   De algemene voorwaarden waaraan virtuele testmethoden moeten voldoen staan beschreven in aanhangsel 1 bij bijlage XVI.

Voor elke in bijlage XVI vermelde regelgeving worden de daarvoor geldende specifieke testvoorwaarden en administratieve bepalingen vermeld in aanhangsel 2 bij genoemde bijlage.

5.   De Commissie stelt de lijst vast van regelgevingen waarvoor virtuele testmethodes zijn toegestaan, alsmede de daarvoor geldende specifieke voorwaarden en administratieve bepalingen. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, onder meer door aanvulling ervan, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld en bijgewerkt.

Artikel 12

Maatregelen inzake de overeenstemming van de productie

1.   De lidstaat die een EG-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage X om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.

2.   De lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage X om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in lid 1 bedoelde maatregelen nog steeds afdoende zijn en of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.

De verificatie van de overeenstemming van de producten met het goedgekeurde type wordt beperkt tot de procedures van bijlage X en die van de regelgevingen die specifieke voorschriften bevatten. Hiertoe mag de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, alle in de regelgevingen van bijlage IV of XI voorgeschreven controles of tests uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

3.   Indien een lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in lid 1 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen of niet meer worden toegepast, zonder dat de productie is stopgezet, neemt hij de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om ervoor te zorgen dat de procedure voor de overeenstemming van de productie correct wordt nageleefd.

HOOFDSTUK V

WIJZIGINGEN VAN EG-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 13

Algemene bepalingen

1.   De fabrikant stelt de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, onmiddellijk in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. Die lidstaat stelt volgens de in dit hoofdstuk beschreven regels vast welke procedure moet worden gevolgd. Zo nodig kan hij in overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EG-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.   Een aanvraag tot wijziging van een EG- typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de lidstaat die de oorspronkelijke EG- typegoedkeuring heeft verleend.

3.   Indien de lidstaat van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging nieuwe inspecties of tests noodzakelijk zijn, stelt hij de fabrikant daarvan in kennis. De procedures van de artikelen 14 en 15 zijn slechts van toepassing nadat met succes de vereiste nieuwe inspecties of tests zijn verricht.

Artikel 14

Bijzondere bepalingen voor voertuigen

1.   Indien gegevens in het informatiepakket zijn gewijzigd, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijde van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.   De herziening wordt een „uitbreiding” genoemd als, naast het bepaalde in lid 1:

a)

aanvullende inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;

b)

enig gegeven op het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

krachtens de regelgevingen die op het goedgekeurde voertuigtype van toepassing zijn, nieuwe voorschriften in werking treden.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien EG-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer.

Op het goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.   Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

4.   Indien de in lid 2, onder c), bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor het voertuigtype of betrekking hebben op andere voertuigcategorieën dan die waartoe het voertuig behoort, wordt geen wijziging van de typegoedkeuring vereist.

Artikel 15

Bijzondere bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.   Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.   Een herziening wordt een „uitbreiding” genoemd als, naast het bepaalde in lid 1:

a)

aanvullende inspecties of nieuwe tests noodzakelijk zijn;

b)

een gegeven op het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

krachtens de regelgevingen die op het goedgekeurde systeem, onderdeel of goedgekeurde technische eenheid van toepassing zijn, nieuwe voorschriften in werking treden.

In deze gevallen geeft de goedkeuringsinstantie een herzien EG-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Indien de wijziging wordt vereist door de toepassing van lid 2, onder c), wordt het derde deel van het goedkeuringsnummer bijgewerkt.

Op het goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.   Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

Artikel 16

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.   In geval van een uitbreiding zorgt de goedkeuringsinstantie voor de bijwerking van alle relevante delen van het EG-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager toegezonden.

2.   In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de inhoudsopgave bij het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, aan de aanvrager toegezonden.

3.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de procedures van artikel 8 van alle wijzigingen van EG-typegoedkeuringen in kennis.

HOOFDSTUK VI

GELDIGHEID VAN EEN EG-TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN

Artikel 17

Einde van de geldigheid

1.   Een EG-typegoedkeuring voor een voertuig verliest haar geldigheid indien:

a)

voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen nieuwe voorschriften in werking treden van een regelgeving die op het goedgekeurde voertuig van toepassing is, en de goedkeuring niet dienovereenkomstig kan worden bijgewerkt;

b)

de productie van het goedgekeurde voertuig vrijwillig definitief wordt stopgezet;

c)

de geldigheid van de goedkeuring ingevolge een bijzondere beperking afloopt.

2.   Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EG-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

3.   Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis. Uiterlijk 20 werkdagen na ontvangst van deze kennisgeving stelt die instantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

Artikel 27 is alleen van toepassing in geval van stopzetting in de in lid 1, onder a), van dit artikel bedoelde omstandigheden.

4.   Wanneer een EG-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 3, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, alle toepasselijke informatie om eventueel artikel 27 toe te kunnen passen. Die informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.

HOOFDSTUK VII

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 18

Certificaat van overeenstemming

1.   Als houder van een EG-typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming af waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat in overeenstemming met het goedgekeurde type is gebouwd, vergezeld gaat.

In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten op bladzijde 2 van het certificaat van overeenstemming in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij er in voorkomend geval alle in de vorige fase afgegeven certificaten van overeenstemming aan toe.

2.   Het certificaat van overeenstemming wordt opgesteld in een van de officiële talen van de Gemeenschap. De lidstaten kunnen tevens voorschrijven dat het certificaat van overeenstemming naar hun eigen taal of talen wordt vertaald.

3.   Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt het gebruikte papier door een beeldmerk in kleur of door een watermerk in de vorm van het identificatiemerk van de fabrikant beschermd.

4.   Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in een regelgeving zijn toegestaan.

5.   Het opschrift van het in bijlage IX, deel I, beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 20, lid 2, typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 20 (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.”.

6.   Het opschrift van het in bijlage IX, deel I, beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 22 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waaraan in kleine series typegoedkeuring is verleend”; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage XII vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

7.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 mag de fabrikant in het certificaat van overeenstemming opgenomen gegevens of informatie met elektronische middelen aan de registratie-instantie van de lidstaat doorgeven.

8.   Alleen de fabrikant mag een duplicaat van het certificaat van overeenstemming afgeven. Op de voorzijde van het duplicaat moet het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar zijn.

Artikel 19

EG-typegoedkeuringsmerk

1.   De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het krachtens de relevante bijzondere richtlijn of verordening vereiste EG- typegoedkeuringsmerk aan.

2.   Naast het EG-typegoedkeuringsmerk brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en de typeaanduiding en/of een identificatienummer aan.

3.   Het EG-typegoedkeuringsmerk komt overeen met het bepaalde in het aanhangsel bij bijlage VII.

HOOFDSTUK VIII

NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF CONCEPTEN DIE ONVERENIGBAAR ZIJN MET DE BIJZONDERE RICHTLIJNEN

Artikel 20

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.   Op verzoek van de fabrikant mogen de lidstaten een EG-typegoedkeuring verlenen aan een systeem, onderdeel of technische eenheid waarin technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen, mits de Commissie daarvoor volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure een vergunning geeft.

2.   In afwachting van het besluit waarbij al dan niet een vergunning wordt gegeven, mag de lidstaat een voorlopige goedkeuring die alleen op zijn grondgebied geldig is, verlenen aan een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft, mits hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis stelt door middel van een dossier dat de volgende gegevens bevat:

a)

de redenen waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met de voorschriften;

b)

een beschrijving van de desbetreffende veiligheids- en milieuoverwegingen en van de genomen maatregelen;

c)

een beschrijving van de tests en de resultaten ervan, waaruit blijkt dat in vergelijking met de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd, ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd.

3.   Andere lidstaten mogen besluiten de in lid 2 bedoelde voorlopige goedkeuring op hun grondgebied te aanvaarden.

4.   Volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure besluit de Commissie of zij de lidstaat al dan niet toestemming geeft om aan dat voertuigtype een EG-typegoedkeuring te verlenen.

Zo nodig wordt in de beschikking ook aangegeven of er op de geldigheid beperkingen, zoals bijvoorbeeld termijnen, van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de goedkeuring bedraagt in geen geval minder dan 36 maanden.

Als de Commissie de vergunning weigert, stelt de lidstaat de houder van de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zal worden ingetrokken zes maanden na de datum van de beschikking van de Commissie. Voertuigen die echter in overeenstemming met de voorlopige goedkeuring zijn vervaardigd voordat deze werd ingetrokken, mogen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

5.   Dit artikel is niet van toepassing indien een systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan een VN/ECE-reglement waartoe de Gemeenschap is toegetreden.

Artikel 21

Te nemen maatregelen

1.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat er goede redenen zijn om een ontheffing overeenkomstig artikel 20 te verlenen, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de desbetreffende bijzondere richtlijnen of verordeningen aan de technologische ontwikkelingen aan te passen. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van de bijzondere richtlijnen of verordeningen van de lijst van deel I van bijlage IV, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld.

Wanneer de ontheffing overeenkomstig artikel 20 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

2.   Zodra de relevante regelgevingen zijn gewijzigd, wordt elke aan de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de regelgevingen niet zijn ondernomen, kan op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, de geldigheid van een ontheffing bij een andere volgens de in artikel 40, lid 3, bedoelde procedure gegeven beschikking worden verlengd.

HOOFDSTUK IX

IN KLEINE SERIES GEBOUWDE VOERTUIGEN

Artikel 22

EG-typegoedkeuring van kleine series

1.   Op verzoek van de fabrikant en met inachtneming van de in bijlage XII, deel A, punt 1, vermelde maxima, verlenen de lidstaten volgens de procedure van artikel 6, lid 4, EG-typegoedkeuring aan een voertuig dat ten minste aan de voorschriften van bijlage IV, deel I, aanhangsel, voldoet.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op voertuigen voor speciale doeleinden.

3.   De EG-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens bijlage VII.

Artikel 23

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1.   Voor voertuigen die met inachtneming van de in bijlage XII, deel A, punt 2, vermelde maxima zijn geproduceerd, kunnen de lidstaten vrijstelling van een of meer bepalingen van een of meer in bijlage IV of XI genoemde regelgevingen verlenen, mits zij relevante alternatieve voorschriften opleggen.

Met „alternatieve voorschriften” worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd dat voor zover praktisch haalbaar even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage IV of bijlage XI, naargelang het geval, voorzien.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde voertuigen kunnen de lidstaten vrijstelling verlenen van een of meer bepalingen van deze richtlijn.

3.   Van de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen kan alleen vrijstelling worden verleend wanneer de lidstaat daartoe redelijke gronden heeft.

4.   Voor de typegoedkeuring van in dit artikel bedoelde voertuigen aanvaarden de lidstaten systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de in bijlage IV vermelde regelgevingen.

5.   Op het typegoedkeuringscertificaat wordt aangegeven welke vrijstellingen overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn verleend.

Het typegoedkeuringscertificaat, waarvan het model is weergegeven in bijlage VI, mag niet het opschrift „EG-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen” dragen. De typegoedkeuringscertificaten worden evenwel genummerd volgens bijlage VII.

6.   De geldigheid van de typegoedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend. Op verzoek van de fabrikant zendt de goedkeuringsinstantie per aangetekend schrijven of per e-mail echter een afschrift van het goedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toe.

Binnen 60 werkdagen na de datum van ontvangst beslissen deze lidstaten of zij de typegoedkeuring al dan niet aanvaarden. Zij delen die beslissing formeel mede aan de in de eerste alinea bedoelde goedkeuringsinstanties.

Een lidstaat weigert de typegoedkeuring niet tenzij hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.

7.   Op verzoek van een aanvrager die een voertuig in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, aan de aanvrager een afschrift van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket.

Een lidstaat staat de verkoop, de registratie of het in verkeer brengen van dit voertuig toe, tenzij hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.

HOOFDSTUK X

INDIVIDUELE GOEDKEURINGEN

Artikel 24

Individuele goedkeuringen

1.   De lidstaten kunnen een specifiek voertuig, al dan niet uniek, vrijstellen van de verplichting tot naleving van een of meer bepalingen van deze richtlijn of van een of meer in bijlage IV of XI genoemde regelgevingen, mits zij alternatieve voorschriften vaststellen.

Van de in de eerste alinea bedoelde bepalingen kan alleen vrijstelling worden verleend wanneer de lidstaat daartoe redelijke gronden heeft.

Met „alternatieve voorschriften” worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een verkeersveiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd dat voor zover praktisch haalbaar even hoog is als het niveau waarin de bepalingen van bijlage IV of bijlage XI, naargelang het geval, voorzien.

2.   De lidstaten voeren geen destructieve tests uit. Zij gebruiken alle door de aanvrager beschikbaar gestelde toepasselijke informatie waaruit blijkt dat de alternatieve voorschriften in acht worden genomen.

3.   De lidstaten aanvaarden de EG-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden in plaats van de alternatieve voorschriften.

4.   Een aanvraag om individuele goedkeuring wordt ingediend door de fabrikant of de eigenaar van het voertuig of door een persoon die namens hen optreedt, op voorwaarde dat deze persoon in de Gemeenschap is gevestigd.

5.   Een lidstaat verleent individuele goedkeuring als het voertuig in overeenstemming is met de bij de aanvraag gevoegde beschrijving en voldoet aan de van toepassing zijnde technische voorschriften, en hij geeft onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, een individueel goedkeuringscertificaat af.

Het formaat van het individuelegoedkeuringscertificaat is gebaseerd op het model van het EG-typegoedkeuringscertificaat in bijlage VI en bevat ten minste de informatie die nodig is om de registratieaanvraag overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (13) in te vullen. Individuelegoedkeuringscertificaten mogen niet het opschrift „EG-goedkeuring” dragen.

Op een individuelegoedkeuringscertificaat wordt het identificatienummer van het desbetreffende voertuig vermeld.

6.   De geldigheid van een individuele goedkeuring is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend.

Wanneer een aanvrager een voertuig waarvoor een individuele goedkeuring is verleend, in een andere lidstaat wenst te verkopen, te registreren of in het verkeer te brengen, verstrekt de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, de aanvrager op diens verzoek een verklaring met de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd.

Met betrekking tot een voertuig waarvoor een lidstaat een individuele goedkeuring heeft verleend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, staat een andere lidstaat de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen ervan toe, tenzij die lidstaat redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan zijn eigen technische voorschriften.

7.   De lidstaten verlenen op verzoek van de fabrikant of de eigenaar van het voertuig individuele goedkeuring voor een voertuig dat voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn en de regelgevingen die, naargelang het geval, zijn vermeld in bijlage IV of bijlage XI.

In dergelijk geval aanvaarden de lidstaten de individuele goedkeuring en staan zij de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van het voertuig toe.

8.   De bepalingen van dit artikel mogen worden toegepast op voertuigen waarvoor een typegoedkeuring overeenkomstig deze richtlijn is verleend en die vóór hun eerste registratie of vóór het voor het eerst in het verkeer brengen zijn gewijzigd.

Artikel 25

Bijzondere bepalingen

1.   In het kader van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure kan de procedure van artikel 24 ook op een specifiek voertuig tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen worden toegepast.

2.   De procedure van artikel 24 mag geen tussenliggende fase in het normale verloop van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure vervangen en mag niet worden toegepast om de eerste-fasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.

HOOFDSTUK XI

REGISTRATIE, VERKOOP EN IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 26

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen

1.   Onverminderd het bepaalde in de artikelen 29 en 30 registreren de lidstaten voertuigen en staan zij de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen toe indien die voertuigen vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 18.

In het geval van incomplete voertuigen staan de lidstaten de verkoop ervan toe, maar kunnen zij de definitieve registratie en het in het verkeer brengen weigeren zolang de voertuigen incompleet zijn.

2.   Voertuigen die niet vergezeld hoeven te gaan van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van deze richtlijn voldoen.

3.   Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat jaarlijks wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage XII, deel A, aangegeven maximum niet overschrijden.

Artikel 27

Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden

1.   Met inachtneming van de in bijlage XII, deel B, aangegeven maxima mogen de lidstaten gedurende een beperkte periode voertuigen die in overeenstemming zijn met een type waarvan de EG-typegoedkeuring niet meer geldig is, registreren en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan toestaan.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden en waaraan op het ogenblik van hun productie een geldige EG-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht voor deze EG-typegoedkeuring ongeldig werd.

2.   De in lid 1 geboden mogelijkheid geldt gedurende twaalf maanden voor complete voertuigen en gedurende achttien maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EG-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3.   De fabrikant die van het bepaalde in lid 1 gebruik wil maken, moet bij de bevoegde instanties van elke lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een verzoek indienen. In het verzoek moeten de technische of economische redenen worden vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.

De betrokken lidstaten besluiten binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op hun grondgebied toestaan.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op voertuigen waaraan een nationale typegoedkeuring was verleend, maar die nog niet waren geregistreerd of in het verkeer gebracht op het ogenblik dat die goedkeuring door de verplichte invoering van de EG-typegoedkeuringsprocedure overeenkomstig artikel 45 ongeldig was geworden.

5.   De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het in het kader van de procedure van dit artikel te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

Artikel 28

Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1.   De lidstaten staan de verkoop of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden enkel en alleen toe indien deze aan de voorschriften van de relevante regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 19 naar behoren zijn gemerkt.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze richtlijn vallen.

3.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die overeenkomstig artikel 20 van een of meer bepalingen van een regelgeving zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 22, 23 of 24 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technisch eenheid.

4.   In afwijking van lid 1, en tenzij anders is bepaald in een regelgevingshandeling, mogen de lidstaten de verkoop en het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het ogenblik dat zij in het verkeer werden gebracht, geen EG-typegoedkeuring werd verlangd op grond van deze richtlijn of Richtlijn 70/156/EEG.

HOOFDSTUK XII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 29

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die aan deze richtlijn voldoen

1.   Indien een lidstaat van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig schaden, mag die lidstaat gedurende een periode van maximaal zes maanden weigeren deze voertuigen te registreren of de verkoop of het in het verkeer brengen van deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden op zijn grondgebied toe te staan.

In dat geval stelt de betrokken lidstaat de fabrikant, de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen voor zijn besluit, waarbij de lidstaat in het bijzonder vermeldt of het besluit het gevolg is van:

tekortkomingen in de betrokken regelgevingen, of

onjuiste toepassing van de betrokken voorschriften.

2.   De Commissie raadpleegt zo spoedig mogelijk de betrokken partijen, en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, ter voorbereiding van het besluit.

3.   Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van tekortkomingen in de betrokken regelgevingen, worden als volgt passende maatregelen genomen:

wanneer het bijzondere richtlijnen of verordeningen van de lijst van deel I van bijlage IV betreft, wijzigt de Commissie deze volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;

wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerp-wijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

4.   Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van onjuiste toepassing van de betrokken voorschriften, neemt de Commissie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de voorschriften worden nageleefd.

Artikel 30

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type

1.   Indien een lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, van oordeel is dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het door hem goedgekeurde type, neemt hij de nodige maatregelen, die waar nodig kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie van deze lidstaat stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten in kennis van de genomen maatregelen.

2.   Met het oog op de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EG-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als niet-overeenstemming met het goedgekeurde type.

Een voertuig wordt niet geacht af te wijken van het goedgekeurde type, indien door de relevante regelgevingen toleranties zijn toegestaan en deze toleranties in acht zijn genomen.

3.   Indien een lidstaat aantoont dat nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming of een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, kan hij de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type. De betrokken lidstaat voert deze verificatie zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek uit.

4.   De goedkeuringsinstantie verzoekt de lidstaat die de typegoedkeuring aan het systeem, het onderdeel, de technische eenheid of het incomplete voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde type:

a)

in geval van een EG-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-overeenstemming van een voertuig uitsluitend aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b)

in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien de niet-overeenstemming van een voltooid voertuig uitsluitend kan worden toegeschreven aan de niet-overeenstemming van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-overeenstemming van het incomplete voertuig zelf.

De betrokken lidstaat neemt deze maatregelen, zo nodig in samenwerking met de lidstaat die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek. Wanneer niet-overeenstemming wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring van het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dan wel de goedkeuring van het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 vermelde maatregelen.

5.   De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen 20 werkdagen in kennis van de intrekking van een EG-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

6.   Indien de lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, het hem ter kennis gebrachte gebrek aan overeenstemming betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 31

Verkoop en in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1.   De lidstaten staan de verkoop, het te koop aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, alleen toe als voor deze onderdelen of uitrustingsstukken een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig de leden 5 tot en met 10.

2.   De onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor de in lid 1 genoemde vergunning nodig is, worden opgenomen in de lijst die in bijlage XIII wordt vastgesteld. Een besluit hierover worden voorafgegaan door een evaluatie die uitmondt in een rapport, waarbij wordt gestreefd naar een eerlijk evenwicht tussen de volgende elementen:

a)

het bestaan van een ernstig risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn gemonteerd, en

b)

de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunning voor onderdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten in de secundaire markt voor onderdelen of uitrustingsstukken.

3.   Lid 1 is niet van toepassing op originele onderdelen of uitrustingsstukken die onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, noch op onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de bepalingen van één van de in bijlage IV vermelde regelgevingen, tenzij deze goedkeuringen betrekking hebben op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen. Lid 1 is niet van toepassing op onderdelen of uitrustingsstukken die uitsluitend zijn geproduceerd voor racevoertuigen die niet bedoeld zijn voor gebruik op openbare wegen. Indien in bijlage XIII vermelde onderdelen of uitrustingsstukken een tweeledige toepassing hebben voor racevoertuigen en voor voertuigen op de weg, mogen deze onderdelen of uitrustingsstukken niet aan het brede publiek worden verkocht of te koop aangeboden voor gebruik in voertuigen op de openbare weg tenzij zij voldoen aan de eisen van dit artikel.

Waar nodig neemt de Commissie bepalingen aan voor het identificeren van de in dit lid bedoelde onderdelen of uitrustingsstukken.

4.   De Commissie stelt na raadpleging van de belanghebbenden de procedure en eisen van de in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure vast, alsmede de regels voor een latere bijwerking van de lijst vastgesteld in bijlage XIII. De eisen omvatten regels op het gebied van veiligheid, milieubescherming en waar nodig, testnormen. Zij kunnen worden gebaseerd op de in bijlage IV opgesomde regelgevingen of worden opgesteld overeenkomstig de desbetreffende stand van de veiligheids-, milieu- en testtechnologie of kunnen, indien dit een juiste wijze is om de vereiste veiligheids- of milieudoelstellingen te verwezenlijken, een vergelijking opleggen van het onderdeel of het uitrustingsstuk met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan.

5.   Voor de toepassing van lid 1 dient de fabrikant van onderdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor toestemming wordt gevraagd, voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de onderdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de onderdelen of uitrustingsstukken waarvoor een vergunning wordt gevraagd, alsook de naam van de fabrikant van het voertuig, het type voertuig en, in voorkomend geval, de bouwjaren of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarvoor deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn bestemd, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testverslag en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in lid 4 bedoelde voorschriften, geeft zij onverwijld, behoudens gefundeerd uitstel, een certificaat aan de fabrikant af. Op grond van dit certificaat mogen de onderdelen of uitrustingsstukken in de Gemeenschap worden verkocht, te koop worden aangeboden of op voertuigen worden gemonteerd, onder voorbehoud van de tweede alinea van lid 9.

6.   Elk onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor met toepassing van dit artikel een vergunning is verleend, wordt naar behoren gemerkt.

De Commissie stelt voorschriften inzake het merken en verpakken, alsmede het model en het nummeringssysteem van het in lid 5 genoemde certificaat worden vast.

7.   De in leden 2 tot en met 6 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, daar zij bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn onder meer door aanvulling ervan.

8.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die het certificaat heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of het certificaat opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of nieuwe tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de onderdelen en de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven.

9.   Alvorens een machtiging af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken opnieuw in overeenstemming worden gebracht. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

10.   Elke onenigheid tussen lidstaten met betrekking tot de in lid 5 bedoelde certificaten wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Na overleg met de lidstaten neemt zij passende maatregelen en kan zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning eisen.

11.   Dit artikel is niet van toepassing op een onderdeel of uitrustingsstuk zolang dit niet in de lijst van bijlage XIII is opgenomen. Voor de opname van onderdelen of uitrustingsstukken of groepen daarvan in bijlage XIII wordt een redelijke overgangsperiode vastgesteld om de fabrikant van het onderdeel of uitrustingsstuk in staat te stellen een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Tegelijkertijd kan, waar nodig, een datum worden vastgesteld om onderdelen en uitrustingsstukken die zijn ontworpen voor voertuigen waaraan vóór die datum een typegoedkeuring is verleend, van de toepassing van dit artikel uit te sluiten.

12.   Zolang er geen beslissing is genomen over het al dan niet opnemen van een onderdeel of uitrustingsstuk in de in lid 1 bedoelde lijst, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Zodra een besluit is genomen, verliezen de nationale bepalingen in verband met de desbetreffende onderdelen of uitrustingsstukken hun geldigheid.

13.   Vanaf 29 oktober 2007 nemen de lidstaten geen nieuwe bepalingen over onderdelen en uitrusting die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties, aan.

Artikel 32

Terugroepen van voertuigen

1.   Wanneer een fabrikant aan wie een EG-typegoedkeuring voor een voertuig is verleend, overeenkomstig de bepalingen van een regelgevingsinstrument of krachtens Richtlijn 2001/95/EG, reeds verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat een of meer op het voertuig gemonteerde, al dan niet overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde systemen, onderdelen of technische eenheden een ernstig gevaar voor de verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu betekenen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring aan het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in lid 1 bedoelde gevaar te neutraliseren. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onmiddellijk aan de instanties van de andere lidstaten mee.

De bevoegde instanties zien erop toe dat deze maatregelen op hun grondgebied effectief worden uitgevoerd.

3.   Indien de maatregelen door de betrokken instanties ontoereikend worden geacht of niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stellen zij de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie brengt op haar beurt de fabrikant op de hoogte. Indien de goedkeuringsinstantie die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, zelf niet tevreden is met de maatregelen van de fabrikant, neemt zij alle vereiste beschermingsmaatregelen, waaronder de intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert. Bij intrekking van de EG-typegoedkeuring voor het voertuig, stelt de betrokken goedkeuringsinstantie binnen 20 werkdagen de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

4.   Dit artikel is ook van toepassing op onderdelen waarvoor geen voorschriften uit hoofde van een regelgeving gelden.

Artikel 33

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

Elk besluit dat uit hoofde van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EG- typegoedkeuring, tot weigering van de registratie of tot verbod van de verkoop wordt uitvoerig met redenen omkleed.

Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

HOOFDSTUK XIII

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 34

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EG-typegoedkeuring

1.   De VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden en die in bijlage IV, deel I, en in bijlage XI zijn vermeld, maken op dezelfde wijze als de bijzondere richtlijnen of verordeningen deel uit van de EG-typegoedkeuring voor voertuigen. Zij zijn van toepassing op de categorieën voertuigen zoals aangegeven in de desbetreffende kolommen van de tabel van bijlage IV, deel I, en bijlage XI.

2.   Wanneer de Gemeenschap overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Besluit 97/836/EG heeft besloten de toepassing van een VN/ECE-reglement voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen verplicht te stellen, worden de bijlagen bij deze richtlijn dienovereenkomstig gewijzigd volgens de in artikel 40, lid 2, van deze richtlijn bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. In het besluit waarbij de bijlagen bij deze richtlijn worden gewijzigd, wordt ook vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is. Nationale wetgeving die niet verenigbaar is met dat VN/ECE-reglement, wordt door de lidstaten ingetrokken of aangepast.

Wanneer een dergelijk VN/ECE-reglement in de plaats komt van een bestaande bijzondere richtlijn of verordening, wordt de desbetreffende vermelding in bijlage IV, deel I, en in bijlage XI vervangen door het nummer van het VN/ECE-reglement en wordt de overeenkomstige vermelding in bijlage IV, deel II, volgens dezelfde procedure geschrapt.

3.   In het in lid 2, tweede alinea, bedoelde geval wordt de bijzondere richtlijn of verordening die door het VN/ECE-reglement wordt vervangen, ingetrokken volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Wanneer een bijzondere richtlijn wordt ingetrokken, wordt de nationale wetgeving die ter omzetting van die richtlijn was vastgesteld, door de lidstaten eveneens ingetrokken.

4.   In deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen en verordeningen zijn rechtstreekse verwijzingen toegestaan naar internationale normen en regelingen, zonder dat deze in het communautaire wetgevingskader worden weergegeven.

Artikel 35

Gelijkwaardigheid van VN/ECE-reglementen met richtlijnen of verordeningen

1.   Voor zover zij hetzelfde toepassingsgebied en hetzelfde onderwerp hebben worden de in bijlage IV, deel II, genoemde VN/ECE-reglementen en de overeenkomstige bijzondere richtlijnen of verordeningen als gelijkwaardig erkend.

De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de overeenkomstig deze VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de bijbehorende goedkeuringsmerken in plaats van de goedkeuringen en goedkeuringsmerken die overeenkomstig de daarmee gelijkwaardige bijzondere richtlijn of verordening zijn afgegeven.

2.   Wanneer de Gemeenschap heeft besloten voor de doeleinden van lid 1 een nieuw VN/ECE-reglement of een gewijzigd VN/ECE-reglement toe te passen, wordt bijlage IV, deel II, dienovereenkomstig gewijzigd. Deze maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, worden volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld.

Artikel 36

Gelijkwaardigheid met andere regelgeving

In het kader van multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gelijkwaardigheid erkennen van de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden of bepalingen inzake de EG-typegoedkeuring van systemen, onderdelen en technische eenheden en de bij internationale regelgeving of regelgeving van derde landen vastgestelde procedures.

HOOFDSTUK XIV

HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 37

Informatie voor gebruikers

1.   De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze richtlijn of de bij de in bijlage IV genoemde regelgevingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.   Indien een regelgeving hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

Die informatie wordt in de officiële talen van de Gemeenschap verstrekt. Zij wordt in overleg met de goedkeuringsinstantie opgenomen in een begeleidend document, zoals de gebruikershandleiding of het onderhoudsboekje.

Artikel 38

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1.   De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle, in de bijlage of het aanhangsel bij een regelgeving gespecificeerde gegevens en, in voorkomend geval, tekeningen die voor de EG-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of die zijn vereist om een vergunning krachtens artikel 31 te verkrijgen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2.   De fabrikant van onderdelen of technische eenheden die houder is van een EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 10, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een regelgeving hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.

HOOFDSTUK XV

UITVOERINGSMAATREGELEN EN WIJZIGINGEN

Artikel 39

Uitvoeringsmaatregelen voor en wijzigingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen en verordeningen

1.   De Commissie stelt de voor de uitvoering van de bepalingen van een bijzondere richtlijn of verordening vereiste maatregelen vast overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende bijzondere richtlijn of verordening vastgesteld.

2.   De Commissie stelt wijzigingen vast van de bijlagen bij deze richtlijn of van de bepalingen van de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen, die nodig zijn om deze aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis of aan de specifieke behoeften van personen met een handicap aan te passen.

3.   De Commissie stelt wijzigingen vast van deze richtlijn die nodig zijn om technische voorschriften vast te stellen voor in kleine series gebouwde voertuigen, in het kader van een individuele goedkeuringsprocedure goedgekeurde voertuigen en voertuigen voor speciale doeleinden.

4.   Wanneer de Commissie kennis krijgt van ernstige risico’s voor weggebruikers of voor het milieu die tot spoedmaatregelen nopen, kan zij de bepalingen van de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen wijzigen.

5.   De Commissie stelt wijzigingen vast die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van goed bestuur, en in het bijzonder om te zorgen voor samenhang tussen de in bijlage IV, deel I, genoemde bijzondere richtlijnen of verordeningen onderling of tussen die richtlijnen of verordeningen en andere communautaire wetsteksten.

6.   Wanneer uit hoofde van Besluit 97/836/EG nieuwe VN/ECE-reglementen of wijzigingen van bestaande VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden, worden aangenomen, wijzigt de Commissie de bijlagen bij deze richtlijn dienovereenkomstig.

7.   Elke nieuwe bijzondere richtlijn of verordening bevat de passende wijzigingen van de bijlagen bij de onderhavige richtlijn.

8.   De bijlagen bij deze richtlijn kunnen worden gewijzigd door middel van verordeningen.

9.   De in dit artikel bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, daar zij bedoeld zijn tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn of van de bijzondere richtlijnen en verordeningen, onder meer door aanvulling daarvan.

Artikel 40

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité, technisch comité motorvoertuigen (TCMV), genaamd.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde periode wordt vastgesteld op drie maanden.

HOOFDSTUK XVI

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 41

Aanwijzing van technische diensten

1.   Een technische dienst die door een lidstaat wordt aangewezen, voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn.

2.   De technische diensten voeren de voor de goedkeuring noodzakelijke tests of de in deze richtlijn of in een in bijlage IV vermelde regelgeving gespecificeerde inspecties zelf uit of zien hierop toe, tenzij alternatieve procedures uitdrukkelijk zijn toegestaan. Zij mogen geen tests of inspecties uitvoeren waarvoor zij niet zijn aangewezen.

3.   De technische diensten vallen onder één of meer van de vier volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a)

categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze richtlijn en in de in bijlage IV vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b)

categorie B, technische diensten die toezien op de in deze richtlijn en in de in bijlage IV bij deze richtlijn vermelde regelgevingen bedoelde tests waarvan de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c)

categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en verifiëren;

d)

categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien in het kader van de controle van de overeenstemming van de productie.

4.   De technische diensten tonen aan dat zij beschikken over de gepaste vaardigheden, de specifieke technische kennis en de bewezen ervaring op de specifieke gebieden die onder deze richtlijn en de in bijlage IV vermelde regelgevingen vallen.

Voorts voldoen de technische diensten aan de in aanhangsel 1 bij bijlage V vermelde normen die betrekking hebben op de door hen uitgevoerde activiteiten. Deze vereiste geldt echter niet voor de laatste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure als bedoeld in artikel 25, lid 1.

5.   Een goedkeuringsinstantie kan optreden als technische dienst voor één of meer van de in lid 3 bedoelde activiteiten.

6.   Een fabrikant of een namens hem optredende onderaannemer kan worden aangewezen als technische dienst voor activiteiten van categorie A met betrekking tot de in bijlage XV vermelde regelgevingen.

De Commissie wijzigt de lijst van deze regelgevingen waar nodig volgens de in artikel 40, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

7.   De in de leden 5 en 6 bedoelde entiteiten voldoen aan de bepalingen van dit artikel.

8.   Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig lid 6 zijn aangewezen, kunnen, volgens artikel 43, alleen worden aangemeld in het kader van een bilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land.

Artikel 42

Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

1.   De in artikel 41 bedoelde vaardigheden worden aangetoond door middel van een door een bevoegde instantie opgesteld beoordelingsverslag. Dit kan een door een accrediteringsinstantie afgegeven accrediteringscertificaat omvatten.

2.   De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 2 bij bijlage V.

Het beoordelingsverslag wordt na een periode van maximaal drie jaar opnieuw bezien.

3.   Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt.

4.   De goedkeuringsinstantie die optreedt als technische dienst, toont op basis van bewijsstukken aan dat zij aan de voorwaarden voldoet.

Dit omvat een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke controleurs. Deze controleurs kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij onafhankelijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

5.   Een als technische dienst aangewezen fabrikant of onderaannemer die namens hem optreedt, voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.

Artikel 43

Aanmeldingsprocedures

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke aangewezen technische dienst. Zij stellen de Commissie ook in kennis van latere wijzigingen in deze gegevens.

In de aanmelding wordt vermeld voor welke regelgevingen de technische diensten zijn aangewezen.

2.   Een technische dienst kan de in artikel 41 beschreven activiteiten voor de typegoedkeuring alleen uitoefenen als deze van tevoren bij de Commissie is aangemeld.

3.   Dezelfde technische dienst kan door verschillende lidstaten worden aangewezen en aangemeld, ongeacht de categorie van activiteiten die deze dienst uitoefent.

4.   Wanneer een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan moet worden aangewezen waarvan de activiteit niet onder artikel 41 valt, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel.

5.   De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties en de technische diensten op haar website.

HOOFDSTUK XVII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 44

Overgangsbepalingen

1.   In afwachting van de nodige wijzigingen van deze richtlijn om er voertuigen in op te nemen die nog niet onder deze richtlijn vallen, om de bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van in kleine series gebouwde voertuigen die niet tot categorie M1 behoren, aan te vullen en om geharmoniseerde bestuursrechtelijke bepalingen en technische voorschriften voor de individuele-goedkeuringsprocedure vast te stellen, en in afwachting van het verstrijken van de in artikel 45 bedoelde overgangstermijnen, verlenen de lidstaten aan deze voertuigen nog steeds nationale goedkeuring, mits deze gebaseerd is op de in deze richtlijn vastgestelde geharmoniseerde technische voorschriften.

2.   Op verzoek van de fabrikant of, in geval van individuele goedkeuring, van de eigenaar van het voertuig en na indiening van de vereiste informatie vult de desbetreffende lidstaat het typegoedkeuringscertificaat of het individuelegoedkeuringscertificaat in en geeft hij het af. Het certificaat wordt aan de aanvrager afgegeven.

Voor voertuigen van hetzelfde type aanvaarden de overige lidstaten een gewaarmerkt afschrift als bewijs dat de voorgeschreven tests zijn uitgevoerd.

3.   Wanneer een bepaald voertuig waaraan individuele goedkeuring is verleend, in een andere lidstaat moet worden geregistreerd, mag die lidstaat de goedkeuringsinstantie die de individuele goedkeuring heeft verleend, nadere informatie vragen over de aard van de technische voorschriften waaraan dat voertuig voldoet.

4.   In afwachting van de harmonisatie van de registratiesystemen en belastingstelsels in de lidstaten met betrekking tot onder deze richtlijn vallende voertuigen, mogen de lidstaten de nationale codes gebruiken om de registratie en belastingheffing op hun grondgebied te vergemakkelijken. Hiertoe mogen de lidstaten de in bijlage III, deel II, getoonde uitvoeringen opsplitsen, mits de gegevens die voor de opsplitsing worden gebruikt, uitdrukkelijk in het informatiepakket zijn vermeld of met een eenvoudige berekening daaruit kunnen worden afgeleid.

Artikel 45

Toepassingsdata voor de EG-typegoedkeuring

1.   Wat de EG-typegoedkeuring betreft, verlenen de lidstaten EG-goedkeuring aan nieuwe voertuigtypes vanaf de in bijlage XIX vermelde data.

2.   Op verzoek van de fabrikant mogen de lidstaten EG-goedkeuring verlenen aan nieuwe voertuigtypes vanaf 29 april 2009.

3.   Tot de in de vierde kolom van de tabel in bijlage XIX vermelde data is artikel 26, lid 1, niet van toepassing op nieuwe voertuigen waaraan vóór de in de derde kolom vermelde data nationale goedkeuring is verleend of waarvoor geen goedkeuring bestond.

4.   Op verzoek van de fabrikant blijven de lidstaten tot de in de derde kolom van rijen 6 en 9 van de tabel in bijlage XIX genoemde tijdstippen als alternatief voor EG-typegoedkeuring voor voertuigen nationale typegoedkeuring verlenen voor voertuigen van de categorieën M2 of M3, mits voor die voertuigen en hun systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan typegoedkeuring is verleend overeenkomstig de in deel I van bijlage IV bij deze richtlijn opgesomde regelgevingen.

5.   Deze richtlijn leidt niet tot de ongeldigheid van een EG-typegoedkeuring die vóór 29 april 2009 aan voertuigen van categorie M1 is verleend en belet niet dat een dergelijke goedkeuring wordt uitgebreid.

6.   Wat de EG-goedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden betreft, passen de lidstaten deze richtlijn toe vanaf 29 april 2009.

Deze richtlijn leidt niet tot de ongeldigheid van een EG-typegoedkeuring die vóór 29 april 2009 aan systemen, onderdelen of technische eenheden is verleend en belet niet dat een dergelijke goedkeuring wordt uitgebreid.

Artikel 46

Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze richtlijn, met name van de verbodsbepalingen in of als gevolg van artikel 31, en van de in bijlage IV, deel I, vermelde regelgevingen en zij treffen alle maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van die sancties. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 29 april 2009 in kennis van de desbetreffende bepalingen en delen haar alle latere wijzigingen zo spoedig mogelijk mee.

Artikel 47

Evaluatie

1.   Uiterlijk 29 april 2011 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde typegoedkeuringsprocedures en met name over de toepassing van de meerfasenprocedure. De Commissie stelt, in voorkomend geval, de wijzigingen voor die nodig worden geacht om de typegoedkeuringsprocedure te verbeteren.

2.   Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 29 oktober 2011 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn. In voorkomend geval kan de Commissie uitstel van de in artikel 45 vermelde toepassingsdata voorstellen.

Artikel 48

Omzetting

1.   De lidstaten dienen voor 29 april 2009 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan de inhoudelijke wijzigingen van deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 29 april 2009.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen of verwijzing wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 49

Intrekking

Richtlijn 70/156/EEG wordt met ingang van 29 april 2009 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XXI.

Artikel 50

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 51

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 september 2007.

Voor het Europees

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Parlement Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  PB C 108 van 30.4.2004, blz. 29.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 11 februari 2004 (PB C 97 E van 22.4.2004, blz. 370), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 december 2006 (PB C 64 E van 20.3.2007, blz. 1), standpunt van het Europees Parlement van 10 mei 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 juli 2007.

(3)  PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).

(4)  PB L 225 van 10.8.1992, blz. 1.

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(6)  PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(7)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

(8)  PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(9)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(10)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 81).

(11)  PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG van de Raad.

(12)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(13)  PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/103/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 344).


LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage I

Volledige lijst met gegevens ten behoeve van de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Bijlage II

Definitie van voertuigcategorieën en voertuigtypes

Bijlage III

Inlichtingenformulier voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Bijlage IV

Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Aanhangsel:

Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van in kleine series gebouwde voertuigen die tot categorie M1 behoren

Bijlage V

Procedures voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Aanhangsel 1:

Normen waaraan de in artikel 41 bedoelde entiteiten moeten voldoen

Aanhangsel 2:

Procedure voor de beoordeling van de technische diensten

Bijlage VI

EG-typegoedkeuringscertificaat

Aanhangsel:

Lijst van regelgevingen waaraan het voertuigtype voldoet

Bijlage VII

Nummeringssysteem voor EG-typegoedkeuringscertificaten

Aanhangsel:

EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen en technische eenheden

Bijlage VIII

Testresultaten

Bijlage IX

EG-certificaat van overeenstemming

Bijlage X

Procedures met betrekking tot de overeenstemming van de productie

Bijlage XI

Aard van en bepalingen inzake voertuigen voor speciale doeleinden

Aanhangsel 1:

Kampeerwagens, ambulances en lijkwagens

Aanhangsel 2:

Gepantserde voertuigen

Aanhangsel 3

Voor rolstoelen toegankelijke voertuigen

Aanhangsel 4:

Overige voertuigen voor speciale doeleinden (inclusief caravans)

Aanhangsel 5:

Mobiele kranen

Bijlage XII

Beperkingen voor kleine series en restantvoorraden

Bijlage XIII

Lijst van onderdelen of uitrustingsstukken die een aanzienlijk risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties, de prestatie-eisen ervan, de passende testprocedures en de voorschriften inzake het merken en het verpakken

Bijlage XIV

Lijst van op grond van regelgevingen afgegeven EG-typegoedkeuringen

Bijlage XV

Lijst van regelgevingen waarvoor een fabrikant als technische dienst kan worden aangewezen

Bijlage XVI

Lijst van regelgevingen waarvoor virtuele testmethoden mogen worden gebruikt door een fabrikant of een technische dienst

Aanhangsel 1:

Algemene voorwaarden voor virtuele testmethoden

Aanhangsel 2:

Specifieke voorwaarden voor virtuele testmethoden

Bijlage XVII

Procedures voor de EG-meerfasentypegoedkeuring

Aanhangsel:

Model van de extra plaat van de fabrikant

Bijlage XVIII

Certificaat van oorsprong van het voertuig — Verklaring van de fabrikant van basisvoertuigen/incomplete voertuigen die niet zijn voorzien van een Certificaat van overeenstemming

Bijlage XIX

Tijdschema voor de uitvoering van deze richtlijn met betrekking tot de typegoedkeuring

Bijlage XX

Termijnen voor de omzetting van de ingetrokken richtlijnen/verordeningen in nationaal recht

Bijlage XXI

Concordantietabel

BIJLAGE I

Volledige lijst met gegevens ten behoeve van de EG-typegoedkeuring van voertuigen

Alle informatiedocumenten van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen of verordeningen mogen uitsluitend bestaan uit delen van deze volledige lijst en moeten de nummering ervan aanhouden.

De onderstaande gegevens worden in voorkomend geval in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een lijst van de opgenomen elementen. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties ervan worden verstrekt.

(Zie toelichting op de laatste bladzijde van deze bijlage)

0.   ALGEMENE GEGEVENS

0.1.   Merk (firmanaam):

Type:

0.2.0.1.   Chassis:

0.2.0.2.   Carrosserie/compleet voertuig:

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

Middel tot identificatie van het type, indien aangegeven op het voertuig/het onderdeel/de technische eenheid (b) (1):

0.3.0.1.   Chassis:

0.3.0.2.   Carrosserie/compleet voertuig:

Plaats van dat merkteken:

0.3.1.1.   Chassis:

0.3.1.2.   Carrosserie/compleet voertuig:

Categorie waartoe het voertuig behoort (c):

0.4.1.   Indeling(en) op basis van de gevaarlijke goederen die het voertuig moet vervoeren:

0.5.   Naam en adres van de fabrikant:

Plaats en wijze van aanbrenging van de voorgeschreven platen en plaats van het voertuigidentificatienummer

0.6.1.   Op het chassis:

0.6.2.   Op de carrosserie:

0.7.   In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:

0.8.   Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

1.   ALGEMENE BOUWWIJZE VAN HET VOERTUIG

1.1.   Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:

1.2.   Maattekening van het complete voertuig:

Aantal assen en wielen:

1.3.1.   Aantal en plaats van assen met dubbellucht:

1.3.2.   Aantal en plaats van gestuurde assen:

1.3.3.   Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen):

1.4.   Chassis (indien aanwezig) (overzichtstekening):

1.5.   Materiaal van de langsbalken (d):

1.6.   Plaats en opstelling van de motor:

1.7.   Stuurcabine (front of normaal) (z):

Kant van het stuur: rechts/links (1)

1.8.1.   Het voertuig is uitgerust om te worden gebruikt in links-/rechtsrijdend verkeer (1)

1.9.   Aangeven of het voertuig bestemd is om een oplegger of een andere aanhangwagen te trekken en of de aanhangwagen een oplegger, een aanhangwagen met trekstang of een middenasaanhangwagen is; aangeven of het voertuig speciaal ontworpen is voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur:

2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (e) (in kg en mm) (in voorkomend geval naar tekening verwijzen)

Wielbasis of -bases (bij volle belasting) (f):

Voor opleggers

2.1.1.1.   Afstand tussen de as van de koppelingspen van de koppelschotel en het achterste punt van de oplegger:

2.1.1.2.   Maximumafstand tussen de as van de koppelingspen van de koppelschotel en een willekeurig punt aan de voorzijde van de oplegger:

2.1.1.3.   Speciale wielbasis van de oplegger (zoals gedefinieerd in punt 7.6.1.2 van bijlage I bij Richtlijn 97/27/EG):

Voor opleggertrekkers

2.2.1.   Afstand hart koppelschotel/hart achteras (maximaal en minimaal; de toelaatbare waarden voor een incompleet voertuig aangeven) (g):

2.2.2.   Maximumhoogte van de koppelschotel (genormaliseerd) (h):

Spoorwijdte(n) en breedte(n) van de assen

2.3.1.   Spoorwijdte op elke gestuurde as (i):

2.3.2.   Spoorwijdte op alle andere assen (i):

2.3.3.   Breedte van de breedste achteras:

2.3.4.   Breedte van de voorste as (gemeten aan de buitenzijde van de banden, exclusief de bolling van de banden dichtbij het wegdek):

Bereik van de afmetingen (buitenmaten) van het voertuig

Chassis zonder carrosserie

Lengte (j):

2.4.1.1.1.   Maximaal toelaatbare lengte:

2.4.1.1.2.   Minimaal toelaatbare lengte:

Breedte (k):

2.4.1.2.1.   Maximaal toelaatbare breedte:

2.4.1.2.2.   Minimaal toelaatbare breedte:

2.4.1.3.   Hoogte (in rijklare toestand) (l) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven):

Vooroverbouw (m):

2.4.1.4.1.   Oploophoek (na): … graden

Achteroverbouw (n):

2.4.1.5.1.   Afloophoek (nb): … graden

2.4.1.5.2.   Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelingspunt (nd):

Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in bijlage II, hoofdstuk A, punt 4.5)

2.4.1.6.1.   Tussen de assen:

2.4.1.6.2.   Onder de vooras(sen):

2.4.1.6.3.   Onder de achteras(sen):

2.4.1.7.   Hellingshoek (nc): graden

2.4.1.8.   Toelaatbare uiterste posities van het zwaartepunt van de carrosserie en/of binneninrichting en/of uitrusting en/of nuttige lading:

Chassis met carrosserie

Lengte (j):

2.4.2.1.1.   Lengte van de laadruimte:

Breedte (k):

2.4.2.2.1.   Dikte van de wanden (bij voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur):

2.4.2.3.   Hoogte (in rijklare toestand) (l) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven):

Vooroverbouw (m):

2.4.2.4.1.   Oploophoek (na): … graden

Achteroverbouw n):

2.4.2.5.1.   Afloophoek (nb): … graden

2.4.2.5.2.   Minimaal en maximaal toelaatbare overhang van het koppelingspunt (nd):

Vrije hoogte boven de grond (zoals gedefinieerd in bijlage II, hoofdstuk A, punt 4.5)

2.4.2.6.1.   Tussen de assen:

2.4.2.6.2.   Onder de vooras(sen):

2.4.2.6.3.   Onder de achteras(sen):

2.4.2.7.   Hellingshoek (nc): … graden

2.4.2.8.   Toelaatbare uiterste posities van het zwaartepunt van de lading (bij een niet-gelijkmatig verdeelde lading):

2.4.2.9.   Plaats van het zwaartepunt van het voertuig (M2 en M3) bij zijn technisch toelaatbare maximummassa in lengte-, dwars- en verticale richting):

Voor carrosserie goedgekeurd zonder chassis (voertuigen van de categorieën M2 en M3)

2.4.3.1.   Lengte (j):

2.4.3.2.   Breedte (k):

2.4.3.3.   Nominale hoogte (in rijklare toestand) (l) van het (de) bedoelde chassistype(s) (bij in de hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven):

Massa van het chassis zonder opbouw (zonder cabine, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel, gereedschap en bestuurder):

2.5.1.   Verdeling van deze massa over de assen:

Massa van het voertuig in rijklare toestand met carrosserie en, in het geval van een trekker van een andere categorie dan M1, met koppelinrichting, indien gemonteerd door de fabrikant, of massa van het chassis of het chassis met cabine, zonder carrosserie en/of koppelinrichting indien niet gemonteerd door de fabrikant (met inbegrip van de massa van vloeistoffen, gereedschap, reservewiel, indien gemonteerd, en bestuurder en, voor bussen en toerbussen, een bijrijder voor zover er voor hem een zitplaats aanwezig is) (o) (maximum en minimum voor elke variant):

2.6.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (maximum en minimum voor elke variant):

Minimummassa van het voltooide voertuig volgens fabrieksopgave in het geval van een incompleet voertuig:

2.7.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de massa op het koppelingspunt:

Technisch toelaatbare maximummassa volgens fabrieksopgave (y) (*):

2.8.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de massa op het koppelingspunt (*):

2.9.   Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as:

2.10.   Technisch toelaatbare maximummassa op ieder asstel:

Technisch toelaatbare maximummassa die door het motorvoertuig getrokken mag worden in het geval van een:

2.11.1.   aanhangwagen:

2.11.2.   oplegger:

middenasaanhangwagen:

2.11.3.1.   Maximumverhouding tussen koppelingsoverhang (p) en wielbasis:

2.11.3.2.   Maximum-V-waarde: … kN

2.11.4.   Technisch toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie (*):

2.11.5.   Het voertuig is wel/niet (1) geschikt voor het trekken van lasten (zie bijlage II, punt 1.2, van Richtlijn 77/389/EEG)

2.11.6.   Maximummassa van niet-beremde aanhangwagens:

Technisch toelaatbare maximale statische verticale belasting/massa op het koppelingspunt

2.12.1.   van het motorvoertuig:

2.12.2.   van de oplegger of middenasaanhangwagen:

2.12.3.   Maximaal toelaatbare massa van de koppelingsinrichting (indien deze niet door de fabrikant is gemonteerd):

2.13.   In een bocht beschreven baan:

Verhouding tussen motorvermogen en maximummassa: … kW/kg

2.14.1.   Verhouding tussen motorvermogen en technisch toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie in beladen toestand (zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 7.10, van Richtlijn 97/27/EG): … kW/kg

2.15.   Startvermogen op een helling (voertuig zonder aanhanger) (+++): … %.

Beoogde maximaal toelaatbare massa bij registratie/in bedrijf (optioneel: wanneer deze waarden worden gegeven, moeten zij worden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 97/27/EG):

2.16.1.   Beoogde maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in bedrijf (meerdere waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.2.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elke as bij registratie/in bedrijf en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de beoogde belasting van het koppelingspunt volgens fabrieksopgave indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt (meerdere waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.3.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elk asstel bij registratie/in bedrijf (meerdere waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.4.   Beoogde maximaal toelaatbare massa die kan worden getrokken, bij registratie/in bedrijf (meerdere waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.5.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in bedrijf (meerdere waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

3.   MOTOR (q) (Bij voertuigen die zowel op benzine, diesel enz. als in combinatie met een andere brandstof kunnen rijden, moeten deze rubrieken worden herhaald.) (+)

Fabrikant:

3.1.1.   Motorcode van de fabrikant (zoals vermeld op de motor):

Verbrandingsmotor

Specifieke gegevens over de motor

3.2.1.1.   Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking, viertakt/tweetakt (1)

Aantal en opstelling van de cilinders:

3.2.1.2.1.   Boring (r): … mm

3.2.1.2.2.   Slag (r): … mm

3.2.1.2.3.   Ontstekingsvolgorde:

3.2.1.3.   Cilinderinhoud (s): … cm3

3.2.1.4.   Volumetrische compressieverhouding (2):

3.2.1.5.   Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, in het geval van motoren met elektrische ontsteking, zuigerveren:

Normaal stationair toerental (2): … min–1

3.2.1.6.1.   Hoog stationair toerental (2): … min–1

3.2.1.7.   Volumepercentage koolmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair lopende motor volgens fabrieksopgave (alleen voor motoren met elektrische ontsteking (2): … %

3.2.1.8.   Nettomaximumvermogen (t): … kW bij … min–1 (volgens fabrieksopgave)

3.2.1.9.   Maximaal toegestaan motortoerental volgens fabrieksopgave: … min–1

3.2.1.10.   Nettomaximumkoppel (t): … Nm bij … min–1 (volgens fabrieksopgave)

Brandstof: diesel/benzine/LPG/aardgas/ethanol … (1)

3.2.2.1.   RON, gelode benzine:

3.2.2.2.   RON, ongelode benzine:

3.2.2.3.   Opening brandstoftank: vernauwde opening/sticker (1)

Brandstoftank(s)

Bedrijfsbrandstoftank(s)

3.2.3.1.1.   Aantal, inhoud en materiaal:

3.2.3.1.2.   Tekening en technische beschrijving van de tank(s) met alle verbindingen en alle leidingen van het ontluchtings- en ventilatiesysteem, vergrendeling, kleppen, bevestigingsmiddelen:

3.2.3.1.3.   Tekening waarop duidelijk de plaats(en) van de tank(s) in het voertuig is (zijn) aangegeven:

Reservebrandstoftank(s)

3.2.3.2.1.   Aantal, inhoud en materiaal:

3.2.3.2.2.   Tekening en technische beschrijving van de tank(s) met alle verbindingen en alle leidingen van het ontluchtings- en ventilatiesysteem, vergrendeling, kleppen, bevestigingsmiddelen:

3.2.3.2.3.   Tekening waarop duidelijk de plaats(en) van de tank(s) in het voertuig is (zijn) aangegeven:

Brandstoftoevoer

Via carburateur(s): ja/neen (1)

3.2.4.1.1.   Merk(en):

3.2.4.1.2.   Type(s):

3.2.4.1.3.   Aantal:

Afstellingen (2)

3.2.4.1.4.1.

Sproeiers: …

Of de curve van het brandstofdebiet uitgezet tegen de luchtstroom en de instellingen waarbij het verloop van de curve gewaarborgd blijft

3.2.4.1.4.2.

Venturi’s: …

3.2.4.1.4.3.

Niveau in de vlotterkamer: …

3.2.4.1.4.4.

Massa van de vlotter: …

3.2.4.1.4.5.

Vlotternaald: …

Koudstartsysteem: manueel/automatisch (1)

3.2.4.1.5.1.   Werkingsprincipe(s):

3.2.4.1.5.2.   Bedrijfsgrenzen/instellingen (1) (2):

Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking): ja/neen (1)

3.2.4.2.1.   Beschrijving van het systeem:

3.2.4.2.2.   Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)

Inspuitpomp

3.2.4.2.3.1.   Merk(en):

3.2.4.2.3.2.   Type(s):

3.2.4.2.3.3.   Maximale brandstofopbrengst (1) (2): … mm3/slag of cyclus bij een pompsnelheid van … min–1 of eventueel karakteristiek schema:

3.2.4.2.3.4.   Inspuittijdstip (2):

3.2.4.2.3.5.   Vervroegingscurve (2):

3.2.4.2.3.6.   Kalibreringsmethode: proefbank/motor (1)

Regulateur

3.2.4.2.4.1.   Type:

Uitschakelingspunt

3.2.4.2.4.2.1.   Uitschakelingspunt onder belasting: … min–1

3.2.4.2.4.2.2.   Uitschakelingspunt zonder belasting: … min–1

Inspuitleidingen

3.2.4.2.5.1.   Lengte: … mm

3.2.4.2.5.2.   Inwendige diameter: … mm

Verstuiver(s)

3.2.4.2.6.1.   Merk(en):

3.2.4.2.6.2.   Type(s):

3.2.4.2.6.3.   Openingsdruk (2): … kPa of karakteristiek schema (2):

Koudstartsysteem:

3.2.4.2.7.1.   Merk(en):

3.2.4.2.7.2.   Type(s):

3.2.4.2.7.3.   Beschrijving:

Hulpstartsysteem

3.2.4.2.8.1.   Merk(en):

3.2.4.2.8.2.   Type(s):

3.2.4.2.8.3.   Beschrijving van het systeem:

Elektronische regeleenheid

3.2.4.2.9.1.   Merk(en):

3.2.4.2.9.2.   Beschrijving van het systeem:

Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/neen (1)

3.2.4.3.1.   Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (enkel-/meerpunts (1))/directe inspuiting/andere (specificeren) (1):

3.2.4.3.2.   Merk(en):

3.2.4.3.3.   Type(s):

Beschrijving van het systeem

3.2.4.3.4.1.

Type of nummer van het regelorgaan: …

Bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken

3.2.4.3.4.2.

Type brandstofregelaar: …

3.2.4.3.4.3.

Type luchtmengselmeter: …

3.2.4.3.4.4.

Type verdelerpomp: …

3.2.4.3.4.5.

Type drukregelaar: …

3.2.4.3.4.6.

Type microschakelaar: …

3.2.4.3.4.7.

Type instelschroef voor stationair draaien: …

3.2.4.3.4.8.

Type smoorklephuis: …

3.2.4.3.4.9.

Type watertemperatuursensor: …

3.2.4.3.4.10.   Type luchttemperatuursensor: …

3.2.4.3.4.11.   Type luchttemperatuurschakelaar: …

3.2.4.3.5.   Verstuivers: openingsdruk (2): … kPa of karakteristiek schema:

3.2.4.3.6.   Inspuittijdstip:

Koudstartsysteem

3.2.4.3.7.1.   Werkingsprincipe(s):

3.2.4.3.7.2.   Bedrijfsgrenzen/instellingen (1) (2):

Brandstofpomp

3.2.4.4.1.   Druk (2): … kPa of karakteristiek schema (2):

Elektrische installatie

3.2.5.1.   Nominale spanning: … V, positieve/negatieve (1) massaverbinding

Generator

3.2.5.2.1.   Type:

3.2.5.2.2.   Nominaal vermogen: … VA

Ontsteking

3.2.6.1.   Merk(en):

3.2.6.2.   Type(s):

3.2.6.3.   Werkingsprincipe:

3.2.6.4.   Vervroegingscurve (2):

3.2.6.5.   Vast ontstekingsstijdstip (2): … graden voor BDP

3.2.6.6.   Opening onderbrekerpunten (2): … mm

3.2.6.7.   Contacthoek (2): … graden

Koelsysteem: vloeistof/lucht (1)

3.2.7.1.   Nominale instelling van de motortemperatuurregeling:

Vloeistof

3.2.7.2.1.   Aard van de vloeistof:

3.2.7.2.2.   Circulatiepomp(en): ja/neen (1)

Kenmerken: … of

3.2.7.2.3.1.   Merk(en):

3.2.7.2.3.2.   Type(s):

3.2.7.2.4.   Aandrijvingsverhouding(en):

3.2.7.2.5.   Beschrijving van de ventilator en het drijfwerk ervan:

Lucht

3.2.7.3.1.   Ventilator: ja/neen (1)

Kenmerken: … of

3.2.7.3.2.1.   Merk(en):

3.2.7.3.2.2.   Type(s):

3.2.7.3.3.   Aandrijvingsverhouding(en):

Inlaatsysteem

Drukvulling: ja/neen (1)

3.2.8.1.1.   Merk(en):

3.2.8.1.2.   Type(s):

3.2.8.1.3.   Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk: … kPa; afvoerklep, indien van toepassing):

3.2.8.2.   Tussenkoeler: ja/neen (1)

3.2.8.3.   Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en 100 % belasting

Toelaatbaar minimum: … kPa

Toelaatbaar maximum: … kPa

Beschrijving en tekeningen van inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten enz.):

3.2.8.4.1.   Beschrijving van inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto’s):

Luchtfilter, tekeningen: … of

3.2.8.4.2.1.   Merk(en):

3.2.8.4.2.2.   Type(s):

Inlaatgeluiddemper, tekeningen: … of

3.2.8.4.3.1.   Merk(en):

3.2.8.4.3.2.   Type(s):

Uitlaatsysteem

3.2.9.1.   Beschrijving en/of tekening van het uitlaatspruitstuk:

3.2.9.2.   Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem:

3.2.9.3.   Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting: … kPa

3.2.9.4.   Uitlaatgeluiddemper(s) (voorste, middelste, achterste geluiddemper: constructie, type, merkteken; indien relevant voor buitengeluid: geluiddempende maatregelen in de motorruimte en op de motor):

3.2.9.5.   Plaats van het uiteinde van de uitlaat:

3.2.9.6.   Uitlaatgeluiddemper met vezelmaterialen:

3.2.10.   Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten:

Klepafstelling of equivalente gegevens

3.2.11.1.   Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de afstelling van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van dode punten:

3.2.11.2.   Referentie- en/of afstelbereik (1):

Voorzieningen tegen luchtverontreiniging

3.2.12.1.   Inrichting voor het recycleren van cartergassen (beschrijving en tekeningen):

Extra voorzieningen tegen luchtverontreiniging (indien aanwezig en niet elders vermeld)

Katalysator: ja/neen (1)

3.2.12.2.1.1.   Aantal katalysatoren en elementen:

3.2.12.2.1.2.   Afmetingen, vorm en volume van de katalysator(en):

3.2.12.2.1.3.   Soort katalytische werking:

3.2.12.2.1.4.   Totale hoeveelheid edelmetalen:

3.2.12.2.1.5.   Relatieve concentratie:

3.2.12.2.1.6.   Ondergrond (structuur en materiaal):

3.2.12.2.1.7.   Celdichtheid:

3.2.12.2.1.8.   Type katalysatorhuis:

3.2.12.2.1.9.   Plaats van katalysatoren (plaats en referentieafstand in de uitlaatpijp):

3.2.12.2.1.10.   Hitteschild: ja/neen (1)

Zuurstofsensor: ja/neen (1)

3.2.12.2.2.1.   Type:

3.2.12.2.2.2.   Plaats:

3.2.12.2.2.3.   Regelbereik:

Luchtinjectie: ja/neen (1)

3.2.12.2.3.1.   Type (pulse air, luchtpomp enz.):

Uitlaatgasrecirculatie: ja/neen (1)

3.2.12.2.4.1.   Kenmerken (debiet enz.):

Controlesysteem verdampingsemissies: ja/neen (1)

3.2.12.2.5.1.   Gedetailleerde beschrijving van de inrichtingen en de afstelling:

3.2.12.2.5.2.   Tekening van het verdampingscontrolesysteem:

3.2.12.2.5.3.   Tekening van de koolstofhouder:

3.2.12.2.5.4.   Massa van de droge koolstof: … gram

3.2.12.2.5.5.   Schematische tekening van de brandstoftank met vermelding van inhoud en materiaal:

3.2.12.2.5.6.   Tekening van het hitteschild tussen brandstoftank en uitlaatsysteem:

Deeltjesvanger: ja/neen (1)

3.2.12.2.6.1.   Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger:

3.2.12.2.6.2.   Type deeltjesvanger en ontwerp:

3.2.12.2.6.3.   Plaats (referentieafstand in de uitlaatpijp):

3.2.12.2.6.4.   Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening:

OBD-systeem: ja/neen (1)

3.2.12.2.7.1.   Beschrijving in woorden en/of tekening van de storingsindicator MI:

3.2.12.2.7.2.   Lijst en doel van alle onderdelen die door het OBD-systeem worden bewaakt:

Beschrijving in woorden (algemene werkingsbeginselen) voor

Motoren met elektrische ontsteking (1)

3.2.12.2.7.3.1.1.   Bewaking van de katalysator (1):

3.2.12.2.7.3.1.2.   Detectie van ontstekingsfouten (1):

3.2.12.2.7.3.1.3.   Bewaking van de zuurstofsensor (1):

3.2.12.2.7.3.1.4.   Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen (1):

Motoren met compressieontsteking (1)

3.2.12.2.7.3.2.1.   Bewaking van de katalysator (1):

3.2.12.2.7.3.2.2.   Bewaking van de deeltjesvanger (1):

3.2.12.2.7.3.2.3.   Bewaking van elektronisch brandstofsysteem (1):

3.2.12.2.7.3.2.4.   Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen (1):

3.2.12.2.7.4.   Criteria voor MI-activering (vast aantal rijcycli of statistische methode):

3.2.12.2.7.5.   Lijst van alle gebruikte OBD-uitvoercodes en -formaten (met telkens een verklaring):

3.2.12.2.8.   Overige systemen (beschrijving en werking):

3.2.13.   Plaats van het absorptiecoëfficiëntsymbool (alleen voor motoren met compressieontsteking): …

3.2.14.   Gegevens over eventuele voorzieningen voor een zuinig brandstofverbruik (indien niet elders vermeld): …

LPG-systeem: ja/neen (1)

3.2.15.1.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 70/221/EEG (zodra gastanks ook onder de richtlijn vallen):

Elektronische regeleenheid voor motormanagement bij LPG:

3.2.15.2.1.   Merk(en):

3.2.15.2.2.   Type(s):

3.2.15.2.3.   Instelmogelijkheden in verband met emissies:

Verdere documentatie

3.2.15.3.1.   Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op LPG of omgekeerd:

3.2.15.3.2.   Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.):

3.2.15.3.3.   Tekening van het symbool:

Aardgassysteem: ja/neen (1)

3.2.16.1.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 70/221/EEG (zodra gastanks ook onder de richtlijn vallen):

Elektronische regeleenheid voor motormanagement bij aardgas

3.2.16.2.1.   Merk(en):

3.2.16.2.2.   Type(s):

3.2.16.2.3.   Instelmogelijkheden in verband met emissies

Verdere documentatie

3.2.16.3.1.   Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op aardgas of omgekeerd:

3.2.16.3.2.   Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.):

3.2.16.3.3.   Tekening van het symbool:

Elektrische aandrijfmotor

Type (wikkeling, bekrachtiging):

3.3.1.1.   Maximumuurvermogen: … kW

3.3.1.2.   Bedrijfsspanning: … V

Accu

3.3.2.1.   Aantal cellen:

3.3.2.2.   Massa: … kg

3.3.2.3.   Capaciteit: … Ah (ampère-uur)

3.3.2.4.   Plaats:

3.4.   Andere verbrandingsmotoren of elektromotoren of combinaties daarvan (gegevens over de onderdelen van dergelijke verbrandings- of elektromotoren):

CO2-emissie/brandstofverbruik (u) (volgens fabrieksopgave)

CO2-massa-emissies

3.5.1.1.   CO2-massa-emissies (stadsverkeer): … g/km

3.5.1.2.   CO2-massa-emissies (verkeer buiten de stad): … g/km

3.5.1.3.   CO2-massa-emissies (gemengd): … g/km

Brandstofverbruik

3.5.2.1.   Brandstofverbruik (stadsverkeer): … l/100 km/m3/100 km (1)

3.5.2.2.   Brandstofverbruik (verkeer buiten de stad): … l/100 km/m3/100 km (1)

3.5.2.3.   Brandstofverbruik (gemengd): … 1/100 km/m3/100 km (1)

Door de fabrikant toegestane temperaturen

Koelsysteem

3.6.1.1.   Vloeistofkoeling

Maximumtemperatuur aan de afvoer: … K

Luchtkoeling

3.6.1.2.1.   Referentiepunt:

3.6.1.2.2.   Maximumtemperatuur op het referentiepunt: … K

3.6.2.   Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler: … K

3.6.3.   Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (buitenflenzen) van het uitlaatspruitstuk: … K

3.6.4.   Brandstoftemperatuur

minimum: … K

maximum: … K

3.6.5.   Smeermiddeltemperatuur

minimum: … K

maximum: … K

Met de motor aangedreven hulpapparatuur

Maximaal toegestaan vermogen dat wordt opgenomen door de met de motor aangedreven hulpapparatuur zoals gedefinieerd in en onder de bedrijfsomstandigheden van bijlage I, punt 5.1.1, van Richtlijn 80/1269/EEG, bij elk motortoerental zoals vastgesteld in bijlage III, punt 4.1, van Richtlijn 88/77/EEG

3.7.1.   Bij stationair toerental: … kW

3.7.2.   Bij tussentoerental: … kW

3.7.3.   Bij nominaal toerental: … kW

Smeersysteem

Beschrijving van het systeem

3.8.1.1.   Plaats van smeermiddelreservoir:

3.8.1.2.   Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (1)

Smeerpomp

3.8.2.1.   Merk(en):

3.8.2.2.   Type(s):

Vermenging met brandstof

3.8.3.1.   Mengverhouding:

Oliekoeler ja/neen (1)

Tekening(en):

of

3.8.4.1.1.   Merk(en):

3.8.4.1.2.   Type(s):

3.9.   GASMOTOREN (voor systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken)

3.9.1.   Brandstof: LPG/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1)

Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (1)

3.9.2.1.   Merk(en):

3.9.2.2.   Type(s):

3.9.2.3.   Aantal drukreduceerfasen:

3.9.2.4.   Druk in de eindfase

minimaal: … kPa

maximaal: … kPa

3.9.2.5.   Aantal voornaamste afstelpunten: …

3.9.2.6.   Aantal stationair-afstelpunten:

3.9.2.7.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1)

3.9.3.1.   Mengverhoudingsregeling:

3.9.3.2.   Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen:

3.9.3.3.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Mengeenheid

3.9.4.1.   Aantal:

3.9.4.2.   Merk(en):

3.9.4.3.   Type(s):

3.9.4.4.   Plaats:

3.9.4.5.   Afstelmogelijkheden:

3.9.4.6.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Inspuiting in het inlaatspruitstuk

3.9.5.1.   Inspuiting: enkel-/meerpunts (1)

3.9.5.2.   Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (1)

Inspuitapparatuur

3.9.5.3.1.   Merk(en):

3.9.5.3.2.   Type(s):

3.9.5.3.3.   Afstelmogelijkheden:

3.9.5.3.4.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Brandstofpomp (indien van toepassing)

3.9.5.4.1.   Merk(en):

3.9.5.4.2.   Type(s):

3.9.5.4.3.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Verstuiver(s)

3.9.5.5.1.   Merk(en):

3.9.5.5.2.   Type(s):

3.9.5.5.3.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Directe inspuiting

Inspuitpomp/drukregelaar (1)

3.9.6.1.1.   Merk(en):

3.9.6.1.2.   Type(s):

3.9.6.1.3.   Inspuitduur:

3.9.6.1.4.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Verstuiver(s)

3.9.6.2.1.   Merk(en):

3.9.6.2.2.   Type(s):

3.9.6.2.3.   Openingsdruk of karakteristiek diagram (2):

3.9.6.2.4.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn …/…/EG:

Elektronische regeleenheid (ECU)

3.9.7.1.   Merk(en):

3.9.7.2.   Type(s):

3.9.7.3.   Afstelmogelijkheden:

Aardgasspecifieke apparatuur

Variant 1 (alleen in geval van goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

3.9.8.1.1.   Brandstofsamenstelling:

methaan (CH4): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

ethaan (C2H6): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

propaan (C3H8): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

butaan (C4H10): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

C5/C5 +: basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

zuurstof (O2): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

inert gas (N2, He enz.): basis: … mol %, min. … mol %, max. … mol %

Inspuiter(s)

3.9.8.1.2.1.   Merk(en):

3.9.8.1.2.2.   Type(s):

3.9.8.1.3.   Overige (indien van toepassing):

3.9.8.1.4.   Brandstoftemperatuur

minimum: … K

maximum: … K

bij gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar.

3.9.8.1.5.   Brandstofdruk

minimum: … kPa

maximum: … kPa

bij de eindtrap van de drukregelaar, alleen bij aardgasmotoren.

3.9.8.2.   Variant 2 (alleen in geval van goedkeuringen voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

4.   TRANSMISSIE (v)

4.1.   Tekening van de transmissie:

Transmissiesysteem (mechanisch, hydraulisch, elektrisch enz.):

4.2.1.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen:

Traagheidsmoment van het motorvliegwiel:

4.3.1.   Extra traagheidsmoment in de vrijstand:

Koppeling (type):

4.4.1.   Maximumkoppelomvorming:

Versnellingsbak

4.5.1.   Type (manueel/automatisch/CVT (continu-variabele transmissie)) (1)

4.5.2.   Plaats ten opzichte van de motor:

4.5.3.   Bedieningswijze:

4.6.   Overbrengingsverhoudingen

Versnelling

Verhoudingen in de versnellingsbak (verhoudingen tussen omwentelingen van de motor en omwentelingen van uitgaande as van de versnellingsbak)

Eindoverbrengingsverhouding(en) (verhouding tussen omwentelingen van uitgaande as van de versnellingsbak en omwentelingen van de aangedreven wielen)

Totale verhouding

Maximum voor CVT

 

 

 

1

 

 

 

2

 

 

 

3

 

 

 

 

 

 

Minimum voor CVT

 

 

 

Achteruit

 

 

 

4.7.   Maximumsnelheid van het voertuig (in km/h) (w):

Snelheidsmeter (in het geval van een tachograaf volstaat vermelding van het goedkeuringsmerk)

4.8.1.   Werkwijze en beschrijving van het aandrijfmechanisme:

4.8.2.   Technische constante van het instrument:

4.8.3.   Tolerantie van het meetmechanisme (overeenkomstig bijlage II, punt 2.1.3, van Richtlijn 75/443/EEG):

4.8.4.   Totale overbrengingsverhouding (overeenkomstig bijlage II, punt 2.1.2, van Richtlijn 75/443/EEG) of gelijkwaardige gegevens:

4.8.5.   Tekening van de snelheidsmeterschaal of andere vormen van weergave:

4.9.   Differentieelblokkering: ja/neen/optioneel (1)

5.   ASSEN

5.1.   Beschrijving van elke as:

5.2.   Merk:

5.3.   Type:

5.4.   Plaats van de hefbare as(sen):

5.5.   Plaats van de belastbare as(sen):

6.   OPHANGING

6.1.   Tekening van de ophanging:

Type en ontwerp van de ophanging van elke as of elk asstel of elk wiel:

6.2.1.   Niveauregeling: ja/neen/optioneel (1)

6.2.2.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen:

Luchtvering van de aangedreven as(sen): ja/neen (1)

6.2.3.1.   Vering van de aangedreven as(sen), gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (1)

6.2.3.2.   Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa:

6.3.   Kenmerken van de verende onderdelen van de ophanging (ontwerp, kenmerken van de materialen en afmetingen):

6.4.   Stabilisatoren: ja/neen/optioneel (1)

6.5.   Schokdempers: ja/neen/optioneel (1)

Banden en wielen

Band/wielcombinatie(s) (voor banden de maataanduidingen, de laagste belastingsindex en het symbool voor de laagste snelheidscategorie opgeven; voor banden van categorie Z die bedoeld zijn om te worden gemonteerd op voertuigen waarvan de maximumsnelheid 300 km/h overschrijdt, dient gelijkwaardige informatie te worden verstrekt; voor wielen de velgmaat (velgmaten) en de wielbolling(en) aangeven)

Assen

6.6.1.1.1.   As 1:

6.6.1.1.2.   As 2:

enz.

6.6.1.2.   Eventueel reservewiel:

Boven- en ondergrenzen van de rolstralen

6.6.2.1.   As 1:

6.6.2.2.   As 2:

enz.

6.6.3.   Door de fabrikant van het voertuig aanbevolen bandenspanning: … kPa

6.6.4.   Door de fabrikant aanbevolen ketting/band/wielcombinatie op de voor- en/of achteras die geschikt is voor het type voertuig:

6.6.5.   Korte beschrijving van het reservewiel voor tijdelijk gebruik (indien aanwezig):

7.   STUURINRICHTING

7.1.   Schematisch diagram van de bestuurde as(sen) met aanduiding van de stuurgeometrie:

Overbrenging en regeling

7.2.1.   Type overbrenging van de stuurinrichting (in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

Verbinding met de wielen (inclusief andere dan mechanische middelen; in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

7.2.2.1.   Korte beschrijving van de elektrische/elektronische onderdelen (indien aanwezig):

Type stuurbekrachtiging (indien aanwezig):

7.2.3.1.   Principe en diagram van de werking, merk(en) en type(s):

7.2.4.   Schema van de gehele stuurinrichting, waarop de plaats op het voertuig van de verschillende onderdelen die van invloed zijn op het stuurgedrag zijn aangegeven

7.2.5.   Schematisch(e) diagram(men) van het stuurorgaan (de stuurorganen):

7.2.6.   Bereik en methode van verstelling van het stuurorgaan (indien mogelijk):

Maximumstuurhoek van de wielen

7.3.1.   Naar rechts: … (graden); aantal omwentelingen van het stuurwiel (of gelijkwaardige gegevens):

7.3.2.   Naar links: … graden, aantal omwentelingen van het stuurwiel (of gelijkwaardige gegevens):

8.   REMINRICHTING

De volgende gegevens, met inbegrip van de eventuele identificatiemiddelen, dienen te worden verstrekt:

8.1.   Type en kenmerken van de remmen (zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 1.6, van Richtlijn 71/320/EEG) met een tekening (bijvoorbeeld trommels of schijven, beremde wielen, verbinding met beremde wielen, merk en type van remschoen/blokstellen en/of remvoeringen, effectieve remoppervlakte, straal van trommels, schoenen of schijven, massa van trommels, afstelinrichtingen, relevante delen van de as(sen) en ophanging enz.):

Remschema, beschrijving en/of tekening van de volgende remsystemen (zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 1.2, van Richtlijn 71/320/EEG), met name van de overbrenging en de bediening (constructie, bijstelling, hefboomkrachtverhoudingen, toegankelijkheid van het bedieningsorgaan en plaats ervan, het palmechanisme bij mechanische overbrenging, kenmerken van de voornaamste onderdelen van het remstangenstelsel, hoofdremcilinders en bedieningszuigers, wielremcilinders of gelijkwaardige onderdelen bij elektrische remsystemen)

8.2.1.   Bedrijfsremsysteem:

8.2.2.   Hulpremsysteem:

8.2.3.   Parkeerremsysteem:

8.2.4.   Eventueel extra remsysteem:

8.2.5.   Automatisch remsysteem bij breuk van de koppeling:

8.3.   Bediening en overbrenging van remsystemen van aanhangwagens bij voertuigen die zijn ontworpen voor het trekken van aanhangwagens:

8.4.   Het voertuig is uitgerust om een aanhangwagen met elektrisch/pneumatisch/hydraulisch (1) bedrijfsremsysteem te trekken: ja/neen (1)

Antiblokkeersysteem: ja/neen/optioneel (1)

8.5.1.   Bij voertuigen met een antiblokkeersysteem, beschrijving van de werking van het systeem (met inbegrip van eventuele elektronische onderdelen), elektrisch blokschema, schema van het hydraulisch of pneumatisch circuit:

8.6.   Berekening en curven overeenkomstig het aanhangsel bij punt 1.1.4.2 van bijlage II bij Richtlijn 71/320/EEG (of, indien van toepassing, het aanhangsel van bijlage XI):

Beschrijving en/of tekening van de energietoevoer (eveneens aan te geven voor remsystemen met rembekrachtiging):

8.7.1.   In het geval van luchtremsystemen, de werkdruk p2 in de luchtreservoirs:

8.7.2.   In het geval van vacuümremsystemen, het aanvankelijke energieniveau in het (de) reservoir(s):

8.8.   Berekening van het remsysteem (bepaling van de verhouding tussen het totaal van de remkrachten aan de omtrek van de wielen en de op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht):

8.9.   Korte beschrijving van de remsystemen (overeenkomstig punt 1.6 van het addendum bij aanhangsel 1 van bijlage IX bij Richtlijn 71/320/EEG):

8.10.   Indien aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van de tests van type I en/of type II, of type III, het nummer van het rapport overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage VII bij Richtlijn 71/320/EEG opgeven:

8.11.   Bijzonderheden over het type vertragersysteem (de types vertragersystemen):

9.   CARROSSERIE

9.1.   Type carrosserie:

9.2.   Materialen en bouwwijze:

Deuren voor de inzittenden, hang- en sluitwerk

Configuratie van de deuren en aantal deuren:

9.3.1.1.   Afmetingen, openingsrichting en maximale openingshoek van de deuren:

9.3.2.   Tekening van het hang- en sluitwerk en de plaats daarvan in de deuren:

9.3.3.   Technische beschrijving van het hang- en sluitwerk:

9.3.4.   Details (met afmetingen) van ingangen, treden en noodzakelijke handgrepen, indien van toepassing:

Gezichtsveld (Richtlijn 77/649/EEG)

9.4.1.   Gegevens over de primaire referentiemerken; deze moeten voldoende gedetailleerd zijn om ze gemakkelijk te kunnen identificeren en de plaats van elk merk ten opzichte van de andere en het punt R te kunnen controleren:

9.4.2.   Tekening(en) of foto(’s) waarop de plaats van de samenstellende delen binnen het 180°-gezichtsveld naar voren is aangegeven:

Voorruit en andere ruiten

Voorruit

9.5.1.1.   Gebruikte materialen:

9.5.1.2.   Montage:

9.5.1.3.   Hellingshoek:

9.5.1.4.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

9.5.1.5.   Accessoires van de voorruit en de positie waarin deze zijn gemonteerd, met een korte beschrijving van de elektrische/elektronische onderdelen: …

Andere ruiten

9.5.2.1.   Gebruikte materialen:

9.5.2.2.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

9.5.2.3.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen van het portierraammechanisme:

Beglazing voor schuif- of liftdak

9.5.3.1.   Gebruikte materialen:

9.5.3.2.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

Andere beglazing

9.5.4.1.   Gebruikte materialen:

9.5.4.2.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

Ruitenwisser(s)

9.6.1.   Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen):

Ruitensproeier

9.7.1.   Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen) of, indien goedgekeurd als technische eenheid, EG-typegoedkeuringsnummer:

Ontdooiing en ontwaseming

9.8.1.   Gedetailleerde technische beschrijving (met foto’s of tekeningen):

9.8.2.   Maximumelektriciteitsverbruik: … kW

Inrichtingen voor indirect zicht

Spiegels (te vermelden voor elke spiegel):

9.9.1.1.   Merk:

9.9.1.2.   EG-typegoedkeuringsmerk:

9.9.1.3.   Variant:

9.9.1.4.   Tekening(en) ter identificatie van de spiegel, waarop de plaats van de spiegel ten opzichte van de voertuigcarrosserie is aangegeven:

9.9.1.5.   Gegevens over de bevestigingswijze, met inbegrip van dat deel van de voertuigcarrosserie waarop de spiegel is bevestigd:

9.9.1.6.   Accessoires die van invloed kunnen zijn op het gezichtsveld naar achteren:

9.9.1.7.   Korte beschrijving van de eventuele elektronische onderdelen van het verstelsysteem:

Andere inrichtingen voor indirect zicht dan spiegels:

Type en kenmerken (zoals een volledige beschrijving van de inrichting):

9.9.2.1.1.   In geval van een camera-monitorinrichting: de waarnemingsafstand (mm), het contrast, het luminantiebereik, de correctie voor invallend licht, de beeldschermprestaties (zwart-wit/kleur), de beeldvernieuwingsfrequentie en het luminantiebereik van het beeldscherm:

9.9.2.1.2.   Voldoende gedetailleerde tekeningen die een overzicht geven van de volledige inrichting, met inbegrip van de montagevoorschriften; op de tekeningen moet de plaats voor het EG-typegoedkeuringsmerk zijn aangegeven

Binneninrichting

Binnenbescherming voor de inzittenden (Richtlijn 74/60/EEG)

9.10.1.1.   Overzichtstekening of foto’s waarop de plaats van de uitstekende delen is aangegeven:

9.10.1.2.   Foto of tekening waarop de referentielijn met het uitgezonderde gebied is aangegeven (bijlage I, punt 2.3.1, van Richtlijn 74/60/EEG):

9.10.1.3.   Foto’s, tekeningen en/of een opengewerkte tekening van de binneninrichting die een overzicht geven van de delen van het interieur en de gebruikte materialen — met uitzondering van binnenachteruitkijkspiegels —, de plaats van de bedieningsorganen, het dak en het rol- of schuifdak, de rugleuning, de zitplaatsen en de achterzijde van de zitplaatsen (bijlage I, punt 3.2, van Richtlijn 74/60/EEG):

Plaatsing en identificatie van de bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters

9.10.2.1.   Foto’s en/of tekeningen van de plaatsing van symbolen en bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters:

9.10.2.2.   Foto’s en/of tekeningen van de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters en, indien van toepassing, van de in Richtlijn 78/316/EEG vermelde voertuigonderdelen:

9.10.2.3.   Overzichtstabel

Het voertuigtype is uitgerust met de volgende bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters overeenkomstig de bijlagen II en III bij Richtlijn 78/316/EEG:

Bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters waarvoor bij montage identificatie verplicht is, en de daarvoor te gebruiken symbolen

Symbool nr.

Inrichting

Bedieningsorgaan/meter aanwezig (1)

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

Verklikkerlicht aanwezig

Geïdentificeerd door symbool (1)

Waar (2)

1

Hoofdlichtschakelaar

OK (10)

 

 

 

 

 

2

Dimlicht

 

 

 

 

 

 

3

Grootlicht

 

 

 

 

 

 

4

Breedtelichten

 

 

 

 

 

 

5

Mistlichten voor

 

 

 

 

 

 

6

Mistlicht achter

 

 

 

 

 

 

7

Verstelinrichting koplamp

 

 

 

 

 

 

8

Parkeerlichten

 

 

 

 

 

 

9

Richtingaanwijzers

 

 

 

 

 

 

10

Waarschuwingsknipperlichten

 

 

 

 

 

 

11

Ruitenwisser

 

 

 

 

 

 

12

Ruitensproeier

 

 

 

 

 

 

13

Combinatie ruitenwisser/ruitensproeier

 

 

 

 

 

 

14

Koplampwisser

 

 

 

 

 

 

15

Ontwaseming en ontdooiing van de voorruit

 

 

 

 

 

 

16

Ontwaseming en ontdooiing van de achterruit

 

 

 

 

 

 

17

Ventilator

 

 

 

 

 

 

18

Dieselvoor-verwarmer

 

 

 

 

 

 

19

Chokeknop

 

 

 

 

 

 

20

Signalering reminrichting

 

 

 

 

 

 

21

Brandstofpeil

 

 

 

 

 

 

22

Acculaadmeter

 

 

 

 

 

 

23

Temperatuur koelvloeistof motor

 

 

 

 

 

 


Bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters waarvoor eventueel aangebrachte identificatie facultatief is, en de voor eventuele identificatie te gebruiken symbolen

Symbool nr.

Inrichting

Bedieningsorgaan/meter aanwezig (3)

Geïdentificeerd door symbool (3)

Waar (4)

Verklikkerlicht aanwezig

Geïdentificeerd door symbool (3)

Waar (4)

1

Parkeerrem

 

 

 

 

 

 

2

Ruitenwisser achterruit

 

 

 

 

 

 

3

Sproeier achterruit

 

 

 

 

 

 

4

Combinatie ruitenwisser/sproeier achterruit

 

 

 

 

 

 

5

Ruitenwisser voorruit met intervalschakelaar

 

 

 

 

 

 

6

Geluidssignaalinrichting (claxon)

 

 

 

 

 

 

7

Klep motorkap

 

 

 

 

 

 

8

Klep kofferbak

 

 

 

 

 

 

9

Veiligheidsgordel

 

 

 

 

 

 

10

Oliedrukmeter

 

 

 

 

 

 

11

Ongelode benzine

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zitplaatsen

9.10.3.1.   Aantal:

Plaats en opstelling:

9.10.3.2.1.   Aantal zitplaatsen:

9.10.3.2.2.   Zitplaats(en) die uitsluitend is (zijn) bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig

9.10.3.3.   Massa:

Kenmerken: voor zitplaatsen zonder EG-typegoedkeuring als onderdeel, beschrijving en tekeningen van:

9.10.3.4.1.   de zitplaatsen en hun bevestigingspunten:

9.10.3.4.2.   het verstelsysteem:

9.10.3.4.3.   de wegklap- en vergrendelingssystemen:

9.10.3.4.4.   de bevestigingspunten voor de veiligheidsgordels, indien aanwezig op de zitplaats:

9.10.3.4.5.   de als bevestigingspunt gebruikte delen van het voertuig:

Coördinaten of tekening van het punt R (x)

9.10.3.5.1.   Bestuurderszitplaats:

9.10.3.5.2.   Alle overige zitplaatsen:

Ontwerp-torsohoek van de rugleuning

9.10.3.6.1.   Bestuurderszitplaats:

9.10.3.6.2.   Alle overige zitplaatsen:

Bereik van het verstelsysteem

9.10.3.7.1.   Bestuurderszitplaats:

9.10.3.7.2.   Alle overige zitplaatsen:

Hoofdsteunen

9.10.4.1.   Type hoofdsteunen: geïntegreerd/afneembaar/los (1)

9.10.4.2.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

Voor nog goed te keuren hoofdsteunen

9.10.4.3.1.   Een uitvoerige beschrijving van de hoofdsteun, waarbij wordt aangegeven de aard van het bekledingsmateriaal (de bekledingsmaterialen) en, voor zover van toepassing, de plaats en specificaties van de steunen en de verankering voor het (de) type(s) zitplaats waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd:

In het geval van een „afzonderlijke” hoofdsteun

9.10.4.3.2.1.   Een uitvoerige beschrijving van het deel van de constructie waarop de hoofdsteun wordt gemonteerd:

9.10.4.3.2.2.   Tekeningen met vermelding van de afmetingen van de karakteristieke delen van de constructie en de hoofdsteun:

Verwarming van het interieur

9.10.5.1.   Een korte beschrijving van het voertuigtype voor wat betreft de interieurverwarming indien daarbij gebruik wordt gemaakt van de warmte van de koelvloeistof van de motor:

Een gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat betreft de interieurverwarming indien daarbij gebruik wordt gemaakt van de koellucht of de uitlaatgassen van de motor, met inbegrip van:

9.10.5.2.1.   een tekening van het verwarmingssysteem met aanduiding van de plaats daarvan in het voertuig:

9.10.5.2.2.   een schema van de warmtewisselaar bij verwarmingssystemen die voor de verwarming gebruikmaken van de uitlaatgassen, of van de delen waar de warmtewisseling plaatsvindt (bij verwarmingssystemen die voor de verwarming gebruikmaken van de koellucht van de motor):

9.10.5.2.3.   een doorsnede van de warmtewisselaar of van de delen waar de warmtewisseling plaatsvindt, met aanduiding van de wanddikte, de gebruikte materialen en de oppervlakte-eigenschappen:

9.10.5.2.4.   Specificaties van andere belangrijke onderdelen van het verwarmingssysteem, bijvoorbeeld de kachelventilator, voor wat betreft de wijze van constructie en technische gegevens:

Een korte beschrijving van het voertuigtype wat betreft het verwarmingssysteem op brandstof en de automatische controle

9.10.5.3.1.   Een schema van het verwarmingssysteem op brandstof, het luchtinlaatsysteem, het uitlaatsysteem, de brandstoftank, het brandstoftoevoersysteem (met inbegrip van de kleppen) en de elektrische verbindingen met aanduiding van de plaats daarvan in het voertuig

9.10.5.4.   Maximumelektriciteitsverbruik: … kW

Onderdelen die van invloed zijn op het gedrag van de stuurinrichting bij botsingen (Richtlijn 74/297/EEG)

9.10.6.1.   Een gedetailleerde beschrijving, met foto(’s) en/of tekening(en), van de constructie, de afmetingen, de lijnen en de samenstellende materialen van dat gedeelte van het voertuig dat zich vóór het besturingsorgaan bevindt, met inbegrip van onderdelen die zijn ontworpen om mede energie te absorberen bij een stoot tegen het stuurorgaan:

9.10.6.2.   Foto(’s) en/of tekening(en) van andere dan de in punt 9.10.6.1 beschreven voertuigonderdelen die volgens opgave van de fabrikant in overleg met de technische dienst mede het gedrag van de stuurinrichting bij botsingen bepalen:

Brandgedrag van de voor de binneninrichting van bepaalde categorieën motorvoertuigen gebruikte materialen (Richtlijn 95/28/EG)

Voor de binnenbekleding van het dak gebruikte materialen:

9.10.7.1.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.1.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.1.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.1.2.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.1.2.4.   Maximum/minimumdikte: …/… mm

Voor de achter- en zijwanden gebruikt(e) materiaal(materialen)

9.10.7.2.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.2.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.2.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.2.2.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.2.2.4.   Maximum/minimumdikte: …/… mm

Voor de vloer gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.3.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.3.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.3.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.3.2.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.3.2.4.   Maximum-/minimumdikte: …/… mm

Voor de stoffering van de zitplaatsen gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.4.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.4.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.4.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.4.2.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.4.2.4.   Maximum/minimumdikte: …/… mm

Voor de verwarmings- en ventilatieleidingen gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.5.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.5.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.5.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.5.2.3.   Type bekleding (1)

9.10.7.5.2.4.   Maximum-/minimumdikte: …/… mm

Voor bagagerekken gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.6.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.6.2.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.6.2.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.6.2.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.6.2.4.   Maximum/minimumdikte: …/… mm

Voor andere doeleinden gebruikt(e) materiaal (materialen)

9.10.7.7.1.   Gebruiksbestemmingen:

9.10.7.7.2.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

Voor niet-goedgekeurde materialen

9.10.7.7.3.1.   Basismateriaal (Basismaterialen)/aanduiding: …/…

9.10.7.7.3.2.   Samengesteld/enkelvoudig (1) materiaal, aantal lagen (1):

9.10.7.7.3.3.   Type bekleding (1):

9.10.7.7.3.4.   Maximum-/minimumdikte: …/… mm

Onderdelen die zijn goedgekeurd als complete inrichtingen (zitplaatsen, scheidingswanden, bagagerekken enz.)

9.10.7.8.1.   EG-typegoedkeuringsnummer van het onderdeel (de onderdelen):

9.10.7.8.2.   Voor complete inrichtingen: zitplaats, scheidingswand, bagagerek enz. (1)

Naar buiten uitstekende delen (Richtlijn 74/483/EEG en Richtlijn 92/114/EEG)

9.11.1.   Algemeen overzicht (tekening of foto’s) met aanduiding van de plaats van de uitstekende delen:

9.11.2.   Tekeningen en/of foto’s van bijvoorbeeld de deur- en raamstijlen, luchtinlaatroosters, radiateurgrille, ruitenwissers, regenlijsten, handgrepen, rails, kleppen, scharnieren en sloten van deuren, haken, trekogen, sierstrippen, badges, emblemen en uitsparingen en andere naar buiten uitstekende delen en delen van het buitenoppervlak die als kritisch kunnen worden beschouwd (bijvoorbeeld verlichtingsinstallatie). Indien de in de vorige zin genoemde delen niet kritisch zijn, kunnen zij voor documentatiedoeleinden worden vervangen door foto’s met, indien noodzakelijk, vermelding van de afmetingen en/of begeleidende tekst:

9.11.3.   Tekeningen van delen van het buitenoppervlak overeenkomstig bijlage I, punt 6.9.1, van Richtlijn 74/483/EEG:

9.11.4.   Tekening van de bumpers:

9.11.5.   Tekening van de vloerlijn:

Veiligheidsgordels en/of andere bevestigingssystemen

9.12.1.   Aantal en plaats van de veiligheidsgordels en bevestigingssystemen en van de zitplaatsen waarop deze gordels en systemen mogen worden aangebracht:

(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)

 

Volledig EG-goedkeuringsmerk

Variant (indien van toepassing)

Verstelinrichting gordelhoogte (ja/neen/facultatief)

Eerste rij zitplaatsen

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (5)

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

9.12.2.   Aard en plaats van aanvullende bevestigingssystemen (geef aan ja/neen/optioneel):

(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)

 

Airbag voor

Airbag zijkant

Gordelvoorspaninrichting

Eerste rij zitplaatsen

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (6)

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

9.12.3.   Aantal en plaats van de bevestigingspunten voor veiligheidsgordels en bewijs van overeenstemming met Richtlijn 76/115/EEG (d.w.z. het EG-typegoedkeuringsnummer of het keuringsrapport):

9.12.4.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen:

Bevestigingspunten veiligheidsgordels

9.13.1.   Foto’s en/of tekeningen van de carrosserie waaruit de plaats en de afmetingen van de reële en de effectieve bevestigingspunten blijken, inclusief de punten R:

9.13.2.   Tekeningen van de bevestigingspunten voor de veiligheidsgordels en de delen van de voertuigconstructie waarop deze zijn aangebracht (met opgave van de materialen):

9.13.3.   Aanduiding van de types (**) veiligheidsgordels die op de bevestigingspunten van het voertuig mogen worden aangebracht:

 

Plaats van bevestigingspunt

Voertuigconstructie

Zitplaatsconstructie

Eerste rij zitplaatsen

 

 

Rechterzitplaats

Bevestigingspunten onder

Buitenzijde

binnenzijde

Bevestigingspunten boven

 

Middelste zitplaats

Bevestigingspunten onder

Rechts

 

 

links

Bevestigingspunten boven

 

Linkerzitplaats

Bevestigingspunten onder

Buitenzijde

 

 

binnenzijde

Bevestigingspunten boven

 

Tweede rij zitplaatsen (7)

 

 

Rechterzitplaats

Bevestigingspunten onder

Buitenzijde

binnenzijde

Bevestigingspunten boven

 

Middelste zitplaats

Bevestigingspunten onder

Rechts

 

 

links

Bevestigingspunten boven

 

Linkerzitplaats

Bevestigingspunten onder

Buitenzijde

 

 

binnenzijde

Bevestigingspunten boven

 

9.13.4.   Beschrijving van een bijzonder type veiligheidsgordel dat is vereist voor een bevestigingspunt dat zich in de rugleuning van de zitplaats bevindt of waarin een energiedissiperende voorziening is opgenomen:

Plaats voor het aanbrengen van de achterste kentekenplaat (vermeld in voorkomend geval het bereik; er kan eventueel gebruik worden gemaakt van tekeningen)

9.14.1.   Hoogte boven het wegdek, bovenrand:

9.14.2.   Hoogte boven het wegdek, onderrand:

9.14.3.   Afstand van de middellijn tot het middenlangsvlak van het voertuig:

9.14.4.   Afstand tot de linkerrand van het voertuig:

9.14.5.   Afmetingen (lengte × breedte):

9.14.6.   Helling van het vlak ten opzichte van de verticaal:

9.14.7.   Zichtbaarheidshoek in het horizontale vlak:

Beschermingsinrichtingen aan de achterzijde tegen klemrijden (Richtlijn 70/221/EEG)

9.15.0.   Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (1)

9.15.1.   Tekening van de voertuigdelen die van belang zijn voor de beschermingsinrichtingen aan de achterzijde tegen klemrijden, dat wil zeggen tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en montage van de breedste achterste as, tekening van de bevestigingsmiddelen en/of hulpstukken van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden. Indien de beschermingsinrichting tegen klemrijden geen afzonderlijke inrichting is, moet uit de tekening duidelijk blijken dat de afmetingen aan de voorschriften voldoen:

9.15.2.   Volledige beschrijving en/of tekening van de beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden (met bevestigingsmiddelen en hulpstukken), indien het een afzonderlijke inrichting is of, indien deze goedgekeurd is als technische eenheid, het EG-typegoedkeuringsnummer:

Wielafschermingen (Richtlijn 78/549/EEG)

9.16.1.   Korte beschrijving van het voertuig wat betreft de wielafschermingen:

9.16.2.   Gedetailleerde tekeningen van de wielafschermingen en de plaats daarvan op het voertuig met aanduiding van de afmetingen zoals aangegeven in figuur 1 van bijlage I bij Richtlijn 78/549/EEG en rekening houdend met de uiterste waarden van de band/wielcombinaties:

Voorgeschreven platen (Richtlijn 76/114/EEG)

9.17.1.   Foto’s en/of tekeningen van de plaats van de voorgeschreven platen en opschriften en van het voertuigidentificatienummer:

9.17.2.   Foto’s en/of tekeningen van het officiële gedeelte van de platen en opschriften (ingevuld voorbeeld met afmetingen):

9.17.3.   Foto’s en/of tekeningen van het voertuigidentificatienummer (ingevuld voorbeeld met afmetingen):

Door de fabrikant opgestelde verklaring van overeenstemming met de voorschriften van bijlage II, punt 1.1.1, van Richtlijn 76/114/EEG

9.17.4.1.   De betekenis van tekens van de tweede groep en, indien van toepassing, van de derde groep die gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.3 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moet worden verklaard:

9.17.4.2.   Indien er tekens van de tweede groep gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.4 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moeten deze tekens worden vermeld:

Ontstoring

9.18.1.   Beschrijving en tekeningen of foto’s van de vormen en samenstellende materialen van het gedeelte van de carrosserie bestaande uit de motorruimte en het aangrenzende gedeelte van het interieur:

9.18.2.   Tekeningen of foto’s van de plaats van de metalen onderdelen die zich in de motorruimte bevinden (verwarmingsapparaten, reservewiel, luchtfilter, stuurinrichting enz.):

9.18.3.   Tabel en tekening van de ontstoringsinrichting:

9.18.4.   Opgave van de nominale waarde van de gelijkstroomweerstanden en, voor weerstandskabels voor de ontsteking, van de nominale weerstand per meter:

Zijdelingse bescherming (Richtlijn 89/297/EEG)

9.19.0.   Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (1)

9.19.1.   Tekening van de voertuigdelen die van belang zijn voor de zijdelingse bescherming, dat wil zeggen tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en ophanging van de as(sen), tekening van de bevestigingsmiddelen en/of montagehulpstukken van de zijdelingse beschermingsinrichtingen. Indien de zijdelingse bescherming tot stand wordt gebracht zonder (een) zijdelingse beschermingsinrichting(en), moet de tekening duidelijk aangeven dat aan de afmetingsvoorschriften is voldaan:

9.19.2.   Bij (een) zijdelingse beschermingsinrichting(en), een volledige beschrijving en/of tekening van (een) dergelijke inrichting(en) (inclusief montage- en bevestigingsmiddelen), of het EG-typegoedkeuringsnummer van de onderdelen ervan:

Opspatafschermingssysteem (Richtlijn 91/226/EEG)

9.20.0.   Aanwezigheid: ja/neen/incompleet (1)

9.20.1.   Korte beschrijving van het voertuig met betrekking tot het opspatafschermingssysteem en de samenstellende delen:

9.20.2.   Gedetailleerde tekeningen van het opspatafschermingssysteem en de plaats daarvan op het voertuig met vermelding van de afmetingen zoals aangegeven in de figuren van bijlage III bij Richtlijn 91/226/EEG en rekening houdend met de uiterste waarden van de band/wielcombinaties:

9.20.3.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer van het opspatafschermingssysteem (de opspatafschermingssystemen):

Weerstand tegen zijdelingse botsing (Richtlijn 96/27/EG)

9.21.1.   Een gedetailleerde beschrijving met foto’s en/of tekeningen van het voertuigtype voor wat betreft de structuur, de afmetingen, het ontwerp en de materialen waaruit het bestaat, de zijwanden van de passagierskooi (buiten- en binnenkant), met in voorkomend geval nadere gegevens over het beschermingssysteem:

Bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden

9.22.1.   Tekeningen van de voertuigonderdelen die verband houden met de bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden, d.w.z. een tekening van het voertuig en/of chassis met de plaats en bevestiging van de breedste vooras, tekening van de montagewijze en/of bevestiging van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Indien de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden geen afzonderlijke inrichting is, moet duidelijk uit de tekening naar voren komen dat aan de voorgeschreven afmetingen is voldaan:

9.22.2.   In geval van een afzonderlijke inrichting, een volledige beschrijving en/of tekening van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden (inclusief montagestukken en bevestigingsmiddelen), of, indien goedgekeurd als technische eenheid, het EG-typegoedkeuringsnummer:

Bescherming van voetgangers

9.23.1.   Een gedetailleerde beschrijving, inclusief foto’s en/of tekeningen, van het voertuig met betrekking tot de constructie, de afmetingen, de relevante referentielijnen en de samenstellende materialen van het frontgedeelte van het voertuig (binnen- en buitenkant). Deze beschrijving dient nadere gegevens te bevatten over elk geïnstalleerd systeem voor actieve bescherming.

10.   VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN

10.1.   Tabel van alle inrichtingen (nummer, merk, type, EG-typegoedkeuringsmerk, maximumsterkte van de grootlichtbundels, kleur van de lichten, verklikker):

10.2.   Tekening van de plaats van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen:

Verstrek de volgende gegevens (schriftelijk en/of aan de hand van een schema) voor alle in Richtlijn 76/756/EEG vermelde lichten en retroflectoren

10.3.1.   Tekening met aanduiding van de grootte van het lichtdoorlatende gedeelte:

10.3.2.   Methode voor de bepaling van het zichtbaar vlak (punt 2.10 van de in bijlage II, punt 1, van Richtlijn 76/756/EEG genoemde documenten):

10.3.3.   Referentieas en referentiepunt:

10.3.4.   Werkwijze van camoufleerbare lichten:

10.3.5.   Eventuele specifieke montage- en bedradingsvoorschriften:

Dimlichten: normale richting zoals bedoeld in punt 6.2.6.1 van de in bijlage II, punt 1, van Richtlijn 76/756/EEG bedoelde documenten

10.4.1.   Waarde van de begininstelling:

10.4.2.   Plaats van de aanduiding:

10.4.3.

Beschrijving/schets (1) en type verstelinrichting voor de koplamp (bv. automatisch, manueel getrapt verstelbaar, manueel continu verstelbaar):

Geldt alleen voor voertuigen met een verstelinrichting voor de koplamphoogte

10.4.4.

Bedieningsinrichting: …

10.4.5.

Referentiemerktekens: …

10.4.6.

Merktekens voor de beladingsomstandigheden: …

10.5.   Korte beschrijving van de eventuele andere elektrische/elektronische onderdelen dan lampen:

11.   VERBINDINGEN TUSSEN TREKKER EN AANHANGWAGEN OF OPLEGGER

11.1.   Klasse en type van de gemonteerde of te monteren koppelinrichting(en):

11.2.   Kenmerken D, U, S en V van de gemonteerde koppelinrichting(en) of minimumkenmerken D, U, S en V van de te monteren koppelinrichting(en): … daN

11.3.   Door de fabrikant gegeven instructies voor de bevestiging van het type koppeling van het voertuig en foto’s of tekeningen van de bevestigingspunten op het voertuig; aanvullende gegevens, indien het type koppeling slechts voor bepaalde varianten of uitvoeringen van het type voertuig wordt gebruikt:

11.4.   Gegevens over de montage van speciale trekinrichtingen of montageplaten:

11.5.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

12.   DIVERSEN

Geluidssignaalinrichting(en)

12.1.1.   Plaats, wijze van bevestiging, plaatsing en richting van de inrichting(en), met afmetingen:

12.1.2.   Aantal inrichtingen:

12.1.3.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

12.1.4.   Schema van het elektrisch/pneumatisch (1) circuit:

12.1.5.   Nominale spanning of druk:

12.1.6.   Tekening van het montagesysteem:

Inrichtingen ter beveiliging tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig

Beveiligingsinrichting

12.2.1.1.   Gedetailleerde beschrijving van het voertuigtype wat betreft de opstelling en het ontwerp van het bedieningsorgaan of van de eenheid waarop de beveilingsinrichting werkt:

12.2.1.2.   Tekeningen van de beveilingsinrichting en van de montage ervan op het voertuig:

12.2.1.3.   Technische beschrijving van de inrichting:

12.2.1.4.   Gegevens van de gebruikte vergrendelingscombinaties:

Voertuigimmobilisatiesysteem

12.2.1.5.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

Voor nog niet goedgekeurde immobilisatiesystemen

12.2.1.5.2.1.   Gedetailleerde technische beschrijving van het voertuigimmobilisatiesysteem en van de maatregelen tegen onbedoelde activering:

12.2.1.5.2.2.   Het systeem (de systemen) waarop het immobilisatiesysteem aangrijpt:

12.2.1.5.2.3.   Aantal gebruikte wisselcombinaties, indien van toepassing:

Alarmsysteem (indien aanwezig)

12.2.2.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

Voor nog niet goedgekeurde alarmsystemen

12.2.2.2.1.   Gedetailleerde beschrijving van het alarmsysteem en van de delen van het voertuig die verband houden met het gemonteerde alarmsysteem:

12.2.2.2.2.   Lijst van de voornaamste onderdelen van het alarmsysteem:

12.2.3.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen:

Trekinrichting(en)

12.3.1.   Voor: haak/oog/andere (1)

12.3.2.   Achter: haak/oog/andere/geen (1)

12.3.3.   Tekening of foto van het chassis/gedeelte van de voertuigcarrosserie met aanduiding van de plaats, constructie en montage van de trekinrichting(en):

12.4.   Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden inrichtingen die zijn ontworpen om het brandstofverbruik te beïnvloeden (voor zover niet elders vermeld):

12.5.   Gegevens over eventuele niet met de motor verbonden geluiddempingsinrichtingen (voor zover niet elders vermeld):

Snelheidsbegrenzers (Richtlijn 92/24/EEG)

12.6.1.   Fabrikant(en):

12.6.2.   Type(s):

12.6.3.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

12.6.4.   Snelheid of reeks van snelheden waarop de snelheidsbegrenzer kan worden ingesteld: … km/h

Tabel met de installatie en het gebruik van RF-zenders in het (de) voertuig(en), indien van toepassing:

Frequentiebanden (Hz)

max. uitgangsvermogen (W)

positie van de antenne op het voertuig, specifieke voorwaarden voor installatie en/of gebruik

De indiener van een typegoedkeuringsaanvraag moet, voor zover nodig, ook de volgende documenten voorleggen:

Aanhangsel 1

Een lijst van de merken en types van alle elektrische en/of elektronische onderdelen die onder deze richtlijn vallen (zie de punten 2.1.9 en 2.1.10 van Richtlijn 2004/104/EG) en die nog niet in de lijst zijn opgenomen.

Aanhangsel 2

Schema’s of tekeningen van de algemene opstelling van de elektrische en/of elektronische onderdelen die onder Richtlijn 2004/104/EG vallen en de algemene opstelling van de kabelboom.

Aanhangsel 3

Beschrijving van het voor het type representatieve voertuig:

Carrosserietype:

Kant van het stuur: rechts/links

Wielbasis:

Aanhangsel 4

Door de fabrikant of erkende laboratoria ingediende testrapporten die relevant zijn voor het opstellen van het typegoedkeuringscertificaat.

12.7.1.   Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen (doorhalen wat niet van toepassing is)

12.7.2.   Voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen (doorhalen wat niet van toepassing is).

13.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VOERTUIGEN BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN PASSAGIERS, MET MEER DAN ACHT ZITPLAATSEN, DIE VAN DE BESTUURDER NIET MEEGEREKEND

Voertuigklasse (klasse I, klasse II, klasse III, klasse A, klasse B):

13.1.1.   EG-typegoedkeuringsnummer van de carrosserie, goedgekeurd als technische eenheid:

13.1.2.   Chassistypes waarop de carrosserie met EG-typegoedkeuring kan worden geïnstalleerd (fabrikant(en) en types incomplete voertuigen):

Oppervlak bestemd voor passagiers (m2)

13.2.1.   Totaal (S0):

13.2.2.   Bovendek (S0a) (1):

13.2.3.   Benedendek (S0b) (1):

13.2.4.   Voor staanplaatsen (S1):

Aantal passagiers (zit- en staanplaatsen)

13.3.1.   Totaal (N):

13.3.2.   Bovendek (Na) (1):

13.3.3.   Benedendek (Nb) (1):

Aantal passagierszitplaatsen

13.4.1.   Totaal (A):

13.4.2.   Bovendek (Aa) (1):

13.4.3.   Benedendek (Ab) (1):

13.5.   Aantal bedrijfsdeuren:

Aantal nooduitgangen (deuren, ramen, noodluiken, verbindingstrap en halve trap):

13.6.1.   Totaal:

13.6.2.   Bovendek (1):

13.6.3.   Benedendek (1):

13.7.   Inhoud van de bagageruimte (m3):

13.8.   Oppervlak voor bagage op het dak (m2):

13.9.   Technische voorzieningen ter vergemakkelijking van de toegang tot voertuigen (bv. oprijplaat, hefplatform en knielsysteem), indien aanwezig:

Sterkte van de bovenbouw

13.10.1.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

Voor een nog niet goedgekeurde bovenbouw:

13.10.2.1.   Gedetailleerde beschrijving van de bovenbouw van het voertuigtype met inbegrip van afmetingen, configuratie en samenstellende materialen en de bevestiging daarvan aan een chassis:

13.10.2.2.   Tekeningen van het voertuig en van die delen van de binneninrichting die van invloed zijn op de sterkte van de bovenbouw of op de restruimte:

13.10.2.3.   Plaats van het zwaartepunt van het voertuig in rijklare toestand in de langs-, dwars- en verticale richting:

13.10.2.4.   Maximumafstand tussen de hartlijnen van de buitenste passagierszitplaatsen:

13.11.   Punten van Richtlijn […/…/EG] waaraan deze technische eenheid aantoonbaar moet voldoen:

14.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VOERTUIGEN BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN (Richtlijn 98/91/EG)

Elektrische uitrusting volgens Richtlijn 94/55/EG

14.1.1.   Bescherming tegen de oververhitting van geleiders:

14.1.2.   Type vermogensschakelaar:

14.1.3.   Type en werking van de accuhoofdschakelaar:

14.1.4.   Beschrijving en plaats van de veiligheidsdrempel van de tachograaf:

14.1.5.   Beschrijving van de permanent onder stroom staande installaties. Vermeld de toegepaste Europese norm (EN)

14.1.6.   Constructie en beveiliging van de elektrische installatie aan de achterkant van de stuurcabine:

Voorkoming van brandgevaar

14.2.1.   Type niet gemakkelijk ontvlambaar materiaal in de stuurcabine:

14.2.2.   Type hitteschild achter de stuurcabine (in voorkomend geval):

14.2.3.   Plaats en warmte-isolatie van de motor:

14.2.4.   Plaats en warmte-isolatie van het uitlaatsysteem:

14.2.5.   Type en ontwerp van de warmte-isolatie van de vertragersystemen:

14.2.6.   Type, ontwerp en plaats van de verwarmingstoestellen:

Eventuele bijzondere eisen betreffende de carrosserie volgens Richtlijn 94/55/EG

14.3.1.   Beschrijving van de maatregelen tot inachtneming van de voorschriften voor voertuigen van de types EX/II en EX/III:

14.3.2.   Voor voertuigen van het type EX/III, weerstand tegen hitte van buitenaf:

Toelichting

(*)

Vul de laagste en hoogste waarde voor elke variant in.

(**)

Zie bijlage III, punten 1.1.3 en 1.1.4, van Richtlijn 77/541/EEG voor de te gebruiken symbolen en merktekens. Als het om veiligheidsgordels van type S gaat, geef dan de aard van het (de) type(s) aan.

(***)

De informatie betreffende onderdelen behoeft hier niet te worden vermeld voor zover deze informatie in de desbetreffende installatiecertificaten is opgenomen.

(+)

Voertuigen die zowel op benzine als op gasvormige brandstof kunnen rijden, maar waarbij het benzinesysteem alleen is aangebracht voor noodsituaties of voor het starten en waarvan de benzinetank niet meer dan 15 l benzine kan bevatten, worden voor de test beschouwd als voertuigen die alleen op gasvormige brandstof kunnen rijden.

(+++)

Alleen met het oog op de definitie van terreinvoertuigen.

(#)

De waarde voor elke technische configuratie van het voertuigtype moet duidelijk zijn aangegeven.

(1)

Doorhalen wat niet van toepassing is (er zijn gevallen waarin meer dan een punt van toepassing is en niets hoeft te worden weggelaten).

(2)

Tolerantie aangeven.

(a)

Voor ieder goedgekeurd onderdeel kan een beschrijving worden vervangen door een verwijzing naar de desbetreffende goedkeuring. Een beschrijving is evenmin vereist voor elk onderdeel waarvan de constructie duidelijk op de bijgevoegde schema’s of tekeningen is weergegeven. Voor ieder punt waarvoor tekeningen of foto’s moeten worden bijgevoegd, dienen de nummers van de bijbehorende bijgevoegde documenten te worden gegeven.

(b)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de typebeschrijving van het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bijvoorbeeld ABC??123??).

(c)

Ingedeeld aan de hand van de definities van bijlage II, deel A.

(d)

Indien mogelijk aanduiding conform Euronormen, anders:

materiaalbeschrijving,

strekgrens,

breukgrens,

rek (in %),

Brinell-hardheid.

(e)

Indien de ene uitvoering een normale stuurcabine en de andere een slaapcabine heeft, moeten de massa’s en afmetingen van beide uitvoeringen worden vermeld.

(f)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.4.

(g)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.19.2.

(h)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.20.

(i)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.5.

(j)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.1 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren: Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punt 2.4.1.

(k)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.2 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren: Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punt 2.4.2.

(l)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.3 en voor voertuigen die niet tot categorie M1 behoren: Richtlijn 97/27/EG, bijlage I, punt 2.4.3.

(m)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.6.

(n)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.7.

(na)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.10.

(nb)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.11.

(nc)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.9.

(nd)

ISO-norm 612:1978, term nr. 6.18.1.

(o)

De massa van de bestuurder en van een eventuele bijrijder wordt gesteld op 75 kg (verdeeld in 68 kg voor de persoon en 7 kg voor de bagage overeenkomstig ISO-norm 2416:1992), de brandstoftank wordt gevuld tot 90 % van de inhoud en de andere systemen waarin zich vloeistof bevindt (behalve die voor gebruikt water), tot 100 % van de inhoud volgens fabrieksopgave.

(p)

De „koppelingsoverhang” is de horizontale afstand tussen de koppeling bij middenasaanhangwagens en de hartlijn van de achteras(sen).

(q)

Bij niet-conventionele motoren en systemen dienen door de fabrikant gegevens te worden verstrekt die gelijkwaardig zijn met de hier gevraagde gegevens.

(r)

Dit cijfer moet worden afgerond op het naaste tiende gedeelte van een millimeter.

(s)

De waarde wordt berekend met π = 3,1416 en afgerond op de naaste cm3.

(t)

Vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 80/1269/EEG.

(u)

Vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 80/1268/EEG.

(v)

Bij varianten dienen de gevraagde gegevens te worden verstrekt voor elk van deze varianten.

(w)

Een tolerantie van 5 % is toegestaan.

(x)

Onder „punt R” of „referentiepunt van de zitplaats” wordt verstaan een op de tekeningen van de fabrikant voor elke zitplaats opgegeven punt, gelokaliseerd met betrekking tot het driedimensionale referentiesysteem, overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 77/649/EEG.

(y)

Voor aanhangwagens of opleggers en voor voertuigen waaraan een aanhangwagen of oplegger gekoppeld is, die een aanzienlijke verticale belasting uitoefenen op de koppelinrichting of de koppelschotel, wordt deze belasting, gedeeld door de standaardversnelling van de zwaartekracht, bij de technisch toelaatbare maximummassa gerekend.

(z)

Onder „bediening voorin” wordt een configuratie verstaan waarin meer dan de helft van de lengte van de motor zich achter het voorste punt van de basis van de voorruit bevindt, en waarin de naaf van het stuurwiel zich in het voorste vierde deel van de lengte van het voertuig bevindt.


(1)  

x

=

aanwezig

-

=

niet aanwezig of niet afzonderlijk aanwezig

o

=

facultatief.

(2)  

d

=

direct op bedieningsorgaan, meter of verklikkerlicht

c

=

in de onmiddellijke nabijheid.

(3)  

x

=

aanwezig

-

=

niet aanwezig of niet afzonderlijk aanwezig

o

=

facultatief.

(4)  

d

=

direct op bedieningsorgaan, meter of verklikkerlicht

c

=

in de onmiddellijke nabijheid.

(5)  De tabel kan naar behoefte worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

(6)  De tabel kan naar behoefte worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

(7)  De tabel kan naar behoefte worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

BIJLAGE II

Definitie van voertuigcategorieën en voertuigtypes

A.   DEFINITIE VAN DE VOERTUIGCATEGORIE

De voertuigcategorieën worden gedefinieerd overeenkomstig onderstaande classificatie.(Wanneer in de volgende definities de term „maximummassa” wordt gebruikt, wordt hieronder verstaan de „technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand” zoals aangegeven in bijlage I, punt 2.8.)

Categorie M:

Voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.

Categorie M1:

Voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde voertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.

Categorie M2:

Voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van ten hoogste 5 t.

Categorie M3:

Voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximummassa van meer dan 5 t.

De carrosserietypes en de codes behorende bij voertuigen van categorie M zijn gedefinieerd in deel C, punt 1 (voertuigen van categorie M1) en punt 2 (voertuigen van de categorieën M2 en M3), en dienen te worden gebruikt voor het in dat deel aangegeven doel.

Categorie N:

Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen.

Categorie N1:

Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van ten hoogste 3,5 t.

Categorie N2:

Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 3,5 t, doch niet meer dan 12 t.

Categorie N3:

Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een maximummassa van meer dan 12 t.

In het geval van een voor koppeling aan een oplegger of middenasaanhangwagen bestemde trekker is de voor indeling van het voertuig geldende massa de massa van de trekker in rijklare toestand, vermeerderd met de massa die overeenkomt met de maximale statische verticale belasting die op de trekker wordt overgebracht door de oplegger of de middenasaanhangwagen en, indien van toepassing, met de maximummassa van de eigen belasting van de trekker.

De carrosserietypes en de codes behorende bij voertuigen van categorie N zijn gedefinieerd in deel C, punt 3, en dienen te worden gebruikt voor het in dat deel aangegeven doel.

Categorie O:

Aanhangwagens (inclusief opleggers).

Categorie O1:

Aanhangwagens en opleggers met een maximummassa van ten hoogste 0,75 t.

Categorie O2:

Aanhangwagens en opleggers met een maximummassa van meer dan 0,75 t, doch niet meer dan 3,5 t.

Categorie O3:

Aanhangwagens en opleggers met een maximummassa van meer dan 3,5 t, doch niet meer dan 10 t.

Categorie O4:

Aanhangwagens en opleggers met een maximummassa van meer dan 10 t.

In het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen is de voor indeling van de aanhangwagen of oplegger geldende maximummassa de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen van de oplegger of middenasaanhangwagen, wanneer die aan de trekker gekoppeld is en de maximumlast draagt.

De carrosserietypes en de codes behorende bij voertuigen van categorie O zijn gedefinieerd in deel C, punt 4, en dienen te worden gebruikt voor het in dat deel aangegeven doel.

Terreinvoertuigen (symbool G)

4.1.   Elk voertuig van categorie N1 met een maximummassa van ten hoogste 2 t en elk voertuig van categorie M1 wordt als terreinvoertuig beschouwd, indien het voorzien is van:

ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op een van de assen kan worden ontkoppeld;

ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt verkregen, en indien met het voertuig een helling van 30 % kan worden overwonnen, berekend voor het voertuig afzonderlijk.

Voorts dient het voertuig aan ten minste vijf van de volgende zes eisen te voldoen:

het moet een oploophoek hebben van ten minste 25°;

het moet een afloophoek hebben van ten minste 20°;

het moet een hellingshoek hebben van ten minste 20°;

het moet onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm;

het moet onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 180 mm;

het moet tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 200 mm.

4.2.   Elk voertuig van categorie N1 met een maximummassa van meer dan 2 t of van de categorie N2, M2 of M3 met een maximummassa van ten hoogste 12 t wordt als een terreinvoertuig beschouwd, indien het ofwel voorzien is van wielen die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, met inbegrip van voertuigen waarvan de aandrijving op een van de assen kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende drie eisen voldoet:

het voertuig moet uitgerust zijn met ten minste één vooras en ten minste één achteras die ontworpen zijn om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op een van de assen kan worden ontkoppeld;

het voertuig moet uitgerust zijn met ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of met ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt verkregen;

het voertuig moet een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor het voertuig afzonderlijk.

4.3.   Elk voertuig van categorie M3 met een maximummassa van meer dan 12 t of van categorie N3 wordt als een terreinvoertuig beschouwd, indien het ofwel is uitgerust met wielen die zijn ontworpen om gelijktijdig te worden aangedreven, ook wanneer de aandrijving op één as kan worden ontkoppeld, ofwel aan de volgende eisen voldoet:

minimaal de helft van het aantal wielen moet aangedreven zijn;

het voertuig moet uitgerust zijn met ten minste één differentieelblokkeringsmechanisme of ten minste één mechanisme waarmee een soortgelijk effect wordt verkregen;

het voertuig moet een helling kunnen overwinnen van 25 %, berekend voor het voertuig afzonderlijk;

het voertuig moet aan ten minste vier van de volgende zes eisen voldoen:

het moet een oploophoek hebben van ten minste 25°,

het moet een afloophoek hebben van ten minste 25°,

het moet een hellingshoek hebben van ten minste 25°,

het moet onder de vooras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm,

het moet tussen de assen een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 300 mm,

het moet onder de achteras een vrije hoogte boven de grond hebben van ten minste 250 mm.

Beladings- en controlevoorschriften

4.4.1.   Voertuigen van categorie N1 met een maximummassa van ten hoogste 2 t en van categorie M1 moeten gebruiksklaar zijn, dat wil zeggen met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, gereedschap, reservewiel en bestuurder (zie voetnoot (o) in bijlage I).

4.4.2.   Motorvoertuigen die niet vallen onder punt 4.4.1, moeten tot hun technisch toelaatbare maximummassa overeenkomstig fabrieksopgave zijn beladen.

4.4.3.   Of een voertuig in staat is de vereiste hellingen (25 % en 30 %) te overwinnen, wordt alleen door middel van berekeningen gecontroleerd. In uitzonderlijke gevallen kan de keuringsdienst echter om terbeschikkingstelling van een voertuig van het desbetreffende type verzoeken teneinde een test onder reële omstandigheden uit te voeren.

4.4.4.   Bij meting van de oploop-, afloop- en hellingshoek worden de beveiligingsvoorzieningen tegen klemrijden buiten beschouwing gelaten.

Definities en tekeningen van vrije hoogte boven de grond (Voor definities van oploop-, afloop- en hellingshoek wordt verwezen naar bijlage I, voetnoten (na), (nb) en (nc).)

4.5.1.   Onder „vrije hoogte boven de grond tussen de assen” wordt verstaan de kleinste afstand tussen het steunvlak en het laagste vaste punt van het voertuig. Meerassige wielstellen worden als één enkele as beschouwd.

Image

4.5.2.   Onder „vrije hoogte boven de grond onder een as” wordt verstaan de afstand bepaald door het hoogste punt van een cirkelboog die loopt door het midden van het draagvlak van de wielen van een as (bij uitvoeringen met dubbele banden de binnenwielen) en welk punt het laagste vaste deel van het voertuig tussen de wielen raakt.

Geen enkel stijf voertuigdeel mag uitsteken in het gearceerde segment op de tekening. De vrije hoogte boven de grond voor verschillende assen kan, overeenkomstig de hoogte van die assen, bijvoorbeeld worden aangegeven met 280/250/250.

Image

4.6.   Gecombineerde aanduiding

Het symbool „G” wordt gecombineerd met het symbool „M” of „N”. Een voertuig van categorie N1 dat geschikt is voor gebruik in het terrein, wordt bijvoorbeeld met N1G aangeduid.

„Voertuig voor speciale doeleinden”: een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering en/of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat voertuigen die toegankelijk zijn voor rolstoelen.

5.1.   „Kampeerwagen”: onder kampeerwagen wordt een voertuig van categorie M voor speciale doeleinden verstaan waarvan de constructie woonaccommodatie omvat die ten minste uit de volgende uitrusting bestaat:

zitplaatsen en tafel,

slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,

kookgelegenheid, en

opbergfaciliteiten.

Deze uitrusting moet vast in de woonafdeling bevestigd zijn; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd.

5.2.   „Gepantserde voertuigen”: voertuigen bestemd voor de bescherming van te vervoeren passagiers en/of goederen die voldoen aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering.

5.3.   „Ambulances”: motorvoertuigen van categorie M die bestemd zijn voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting hebben.

5.4.   „Lijkwagens”: motorvoertuigen van categorie M die bestemd zijn voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting hebben.

5.5.   „Voor rolstoelen toegankelijk voertuig”: een voertuig van categorie M1 dat specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer personen die in hun rolstoel zijn gezeten, wanneer zij reizen over de weg.

5.6.   „Caravans”: zie ISO-norm 3833:1977, term nr. 3.2.1.3.

5.7.   „Mobiele kranen”: voertuigen voor speciale doeleinden van categorie N3 die niet zijn uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt.

5.8.   „Overige voertuigen voor speciale doeleinden”, d.w.z. voertuigen zoals gedefinieerd in punt 5, die niet zijn genoemd in de punten 5.1 tot en met 5.6.

De codes behorende bij „voertuigen voor speciale doeleinden” worden gedefinieerd in deel C, punt 5, van deze bijlage en dienen te worden gebruikt voor het in dat deel aangegeven doel.

B.   DEFINITIE VAN HET VOERTUIGTYPE

1.   Met betrekking tot categorie M1

Een „type” bestaat uit voertuigen die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

de fabrikant;

de typeaanduiding van de fabrikant;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp:

chassis/bodemplaat (duidelijke en fundamentele verschillen),

motor (verbranding/elektrisch/hybride).

Onder „variant” van een type worden tot een type behorende voertuigen verstaan die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

carrosserietype (bijvoorbeeld sedan, hatchback, coupé, cabriolet, stationwagen en MPV);

motor:

werkingsprincipe (zoals in bijlage III, punt 3.2.1.1),

aantal en opstelling van de cilinders,

vermogensverschillen van meer dan 30 % (het hoogste vermogen is meer dan 1,3-maal het laagste vermogen),

verschillen in cilinderinhoud van minder dan 20 % (de grootste cilinderinhoud is meer dan 1,2-maal de kleinste);

aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen);

gestuurde assen (aantal en plaats).

Onder „uitvoering” van een variant worden voertuigen verstaan die bestaan uit een combinatie van punten in het informatiepakket overeenkomstig de voorschriften van bijlage VIII.

Er mogen geen meervoudige gegevens voor de volgende parameters binnen één uitvoering worden gecombineerd:

technisch toelaatbare maximummassa;

cilinderinhoud;

nettomaximumvermogen;

type versnellingsbak en aantal versnellingen;

maximumaantal zitplaatsen zoals gedefinieerd in bijlage II, deel C.

2.   Met betrekking tot de categorieën M2 en M3

Een „type” bestaat uit voertuigen die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

de fabrikant;

de typeaanduiding van de fabrikant;

categorie;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp:

chassis/zelfdragende carrosserie, enkel-/dubbeldeks, geleed/ongeleed (duidelijke en fundamentele verschillen),

aantal assen,

motor (verbranding/elektrisch/hybride).

Onder „variant” van een type worden tot een type behorende voertuigen verstaan die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

klasse zoals gedefinieerd in Richtlijn 2001/85/EG het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend (1) (alleen voor complete voertuigen);

constructiestaat (bv. compleet/incompleet);

motor:

werkingsbeginsel (zoals in bijlage III, punt 3.2.1.1),

aantal en opstelling van de cilinders,

vermogensverschillen van meer dan 50 % (het hoogste vermogen is meer dan 1,5-maal het laagste vermogen),

verschillen in cilinderinhoud van meer dan 50 % (de grootste cilinderinhoud is meer dan 1,5-maal de kleinste),

plaats (voor, midden, achter);

verschillen in de technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 20 % (de grootste is meer dan 1,2-maal de kleinste);

aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen);

gestuurde assen (aantal en plaats).

Onder „uitvoering” van een variant worden voertuigen verstaan die bestaan uit een combinatie van punten in het informatiepakket overeenkomstig de voorschriften van bijlage VIII.

3.   Met betrekking tot de categorieën N1, N2 en N3

Een „type” bestaat uit voertuigen die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

de fabrikant;

de typeaanduiding van de fabrikant;

categorie;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp:

chassis/bodemplaat (duidelijke en fundamentele verschillen),

aantal assen;

motor (verbranding/elektrisch/hybride).

Onder „variant” van een type worden tot een type behorende voertuigen verstaan die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

carrosserievorm (bv. platformwagen/kipwagen/tankwagen/trekker) (alleen voor complete voertuigen);

constructiestaat (bv. compleet/incompleet);

motor:

werkingsprincipe (zoals in bijlage III, punt 3.2.1.1),

aantal en opstelling van de cilinders,

vermogensverschillen van meer dan 50 % (het hoogste vermogen is meer dan 1,5-maal het laagste vermogen),

verschillen in cilinderinhoud van meer dan 50 % (de grootste cilinderinhoud is meer dan 1,5-maal de kleinste);

verschillen in de technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 20 % (de grootste is meer dan 1,2-maal de kleinste);

aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen);

gestuurde assen (aantal en plaats).

Onder „uitvoering” van een variant worden voertuigen verstaan die bestaan uit een combinatie van punten in het informatiepakket overeenkomstig de voorschriften van bijlage VIII.

4.   Met betrekking tot de categorieën O1, O2, O3 en O4

Een „type” bestaat uit voertuigen die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

de fabrikant;

de typeaanduiding van de fabrikant;

categorie;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp:

chassis/zelfdragende carrosserie (duidelijke en fundamentele verschillen),

aantal assen,

aanhangwagen/oplegger/middenasaanhangwagen,

type remsysteem (bv. niet-beremd/inertie/bekrachtigd).

Onder „variant” van een type worden tot een type behorende voertuigen verstaan die ten minste op de volgende essentiële punten niet van elkaar verschillen:

constructiestaat (bv. compleet/incompleet);

carrosserievorm (bv. caravans, platformwagens en tankwagens) (alleen voor complete/voltooide voertuigen);

verschillen in technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 20 % (de grootste maximummassa is meer dan 1,2-maal de kleinste);

gestuurde assen (aantal en plaats).

Onder „uitvoering” van een variant worden voertuigen verstaan die bestaan uit een combinatie van punten in het informatiepakket.

5.   Voor alle categorieën

De volledige identificatie van een voertuig door middel van alleen maar de aanduidingen van het type, de variant en de uitvoering moet corresponderen met een enkele nauwkeurige definitie van alle technische kenmerken die nodig zijn voor het in verkeer brengen van het voertuig.

C.   DEFINITIE VAN HET TYPE CARROSSERIE (Alleen voor complete/voltooide voertuigen)

Het type carrosserie in bijlage I, bijlage III, deel 1, punt 9.1, en bijlage IX, punt 37, wordt aangegeven met de volgende code:

1.   Personenauto’s (M1)

AA Sedan

ISO-norm 3833:1977, term nr. 3.1.1.1, maar met inbegrip van voertuigen met meer dan vier zijramen.

AB Hatchback

Sedan (AA) met een derde/vijfde deur (klep) aan de achterzijde van het voertuig.

AC Stationwagen

ISO-norm 3833:1977, term nr. 3.1.1.4 (stationcar).

AD Coupé

ISO-norm 3833:1977, term nr. 3.1.1.5.

AE Cabriolet

ISO-norm 3833:1977, term nr. 3.1.1.6.

AF MPV

Andere motorvoertuigen dan die genoemd onder AA tot en met AE, bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage of goederen, in een enkele ruimte. Indien dergelijke voertuigen echter voldoen aan de volgende twee voorwaarden:

i)

Het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes.

Een „zitplaats” wordt als aanwezig beschouwd indien het voertuig met „toegankelijke” zitplaatsverankeringen is uitgerust.

Onder „toegankelijke zitplaatsverankeringen” worden verstaan verankeringen die kunnen worden gebruikt. Om te voorkomen dat verankeringen „toegankelijk” zijn, moet de fabrikant het gebruik ervan fysiek onmogelijk maken, door bijvoorbeeld de afdekplaten vast te lassen of door soortgelijke vaste bevestigingen aan te brengen die niet met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap kunnen worden verwijderd, en

ii)

P – (M + N × 68) > N × 68

waarbij:

P

=

technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand in kg,

M

=

massa in rijklare toestand in kg,

N

=

aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend,

dan wordt dit voertuig niet beschouwd als een voertuig van categorie M1.

2.   Motorvoertuigen van categorie M2 of M3

Voertuigen van klasse I (zie Richtlijn 2001/85/EG)

CA

Enkeldeks

CB

Dubbeldeks

CC

Geleed enkeldeks

CD

Geleed dubbeldeks

CE

Enkeldeks met lage vloer

CF

Dubbeldeks met lage vloer

CG

Geleed enkeldeks met lage vloer

CH

Geleed dubbeldeks met lage vloer

Voertuigen van klasse II (zie Richtlijn 2001/85/EG)

CI

Enkeldeks

CJ

Dubbeldeks

CK

Geleed enkeldeks

CL

Geleed dubbeldeks

CM

Enkeldeks met lage vloer

CN

Dubbeldeks met lage vloer

CO

Geleed enkeldeks met lage vloer

CP

Geleed dubbeldeks met lage vloer

Voertuigen van klasse III (zie Richtlijn 2001/85/EG)

CQ

Enkeldeks

CR

Dubbeldeks

CS

Geleed enkeldeks

CT

Geleed dubbeldeks

Voertuigen van klasse A (zie Richtlijn 2001/85/EG)

CU

Enkeldeks

CV

Enkeldeks met lage vloer

Voertuigen van klasse B (zie Richtlijn 2001/85/EG)

CW

Enkeldeks

3.   Motorvoertuigen van categorie N

BA

Vrachtwagen

Zie bijlage I, punt 2.1.1, van Richtlijn 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 betreffende de massa en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (2)

BB

Bestelwagen

Vrachtwagen met in de carrosserie geïntegreerde cabine

BC

Opleggertrekkend voertuig (opleggertrekker)

Zie bijlage I, punt 2.1.1, van Richtlijn 97/27/EG

BD

Aanhangwagentrekkend voertuig (aanhangwagentrekker)

Zie bijlage I, punt 2.1.1, van Richtlijn 97/27/EG

Indien echter een als BB geclassificeerd voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3 500 kg:

meer dan zes zitplaatsen heeft, die van de bestuurder niet meegerekend,

of

aan beide hierna genoemde voorwaarden voldoet:

i)

het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt niet meer dan zes en

ii)

P – (M + N × 68) ≤ N × 68,

dan wordt dit voertuig niet beschouwd als een voertuig van categorie N.

Indien echter een voertuig dat geclassificeerd is als BA, BC of BD, of als BB met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3 500 kg, aan ten minste een van onderstaande voorwaarden voldoet:

i)

het aantal zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, bedraagt meer dan acht, of

ii)

P – (M + N × 68) ≤ N × 68,

dan wordt dit voertuig niet beschouwd als een voertuig van categorie N.

Zie deel C, punt van deze bijlage voor de definities van zitplaatsen, P, M en N.

4.   Voertuigen van categorie O

DA

Oplegger

Zie bijlage I, punt 2.2.2, van Richtlijn 97/27/EG

DB

Autonome aanhangwagen

Zie bijlage I, punt 2.2.3, van Richtlijn 97/27/EG

DC

Middenasaanhangwagen

Zie bijlage I, punt 2.2.4, van Richtlijn 97/27/EG

5.   Voertuigen voor speciale doeleinden

SA

Kampeerwagens (Zie bijlage II, deel A, punt 5.1)

SB

Gepantserde voertuigen (Zie bijlage II, deel A, punt 5.2)

SC

Ambulances (Zie bijlage II, deel A, punt 5.3)

SD

Lijkwagens (Zie bijlage II, deel A, punt 5.4)

SE

Caravans (Zie bijlage II, deel A, punt 5.6)

SF

Mobiele kranen (Zie bijlage II, deel A, punt 5.7)

SG

Overige voertuigen voor speciale doeleinden (Zie bijlage II, deel A, punt 5.8)

SH

Voor rolstoelen toegankelijk voertuig (Zie bijlage II, deel A, punt 5.5.).


(1)  PB L 42 van 13.2.2002, blz. 1.

(2)  PB L 233 van 25.8.1997, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/19/EG van de Commissie (PB L 79 van 26.3.2003, blz. 6).

BIJLAGE III

Inlichtingenformulier voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

(Zie toelichting op de laatste bladzijde van bijlage I)

DEEL I

De onderstaande gegevens worden in voorkomend geval in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een lijst van de opgenomen elementen. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot op dat formaat gevouwen worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de systemen, onderdelen en technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties worden verstrekt.

A:   Voor de categorieën M en N

0.   ALGEMENE GEGEVENS

0.1.   Merk (firmanaam):

Type: …

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig aangegeven (b): …

0.3.1.   Plaats van dat merkteken: …

Categorie waartoe het voertuig behoort (c):

0.4.1.   Indeling(en) op basis van de gevaarlijke goederen die het voertuig moet vervoeren:

0.5.   Naam en adres van de fabrikant:

0.8.   Adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

1.   ALGEMENE BOUWWIJZE VAN HET VOERTUIG

1.1.   Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:

Aantal assen en aantal wielen:

1.3.2.   Aantal en plaats van gestuurde assen:

1.3.3.   Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen):

1.4.   Chassis (indien aanwezig) (overzichtstekening):

1.6.   Plaats en opstelling van de motor:

Kant van het stuur: rechts/links (1)

1.8.1.   Het voertuig is uitgerust om te worden gebruikt in links-/rechtsrijdend verkeer (1)

2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (e) (in kg en mm)

(In voorkomend geval naar tekening verwijzen)

2.1.   Wielbasis of -bases (bij volle belasting) (f):

2.3.1.   Spoorwijdte op elke gestuurde as (i):

2.3.2.   Spoorwijdte op alle andere assen (i):

Bereik van de afmetingen (buitenmaten) van het voertuig

Chassis met carrosserie

Lengte (j):

2.4.2.1.1.   Lengte van de laadruimte:

Breedte (k):

2.4.2.2.1.   Dikte van de wanden (bij voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur):

2.4.2.3.   Hoogte (in rijklare toestand) (l) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven):

Massa van het voertuig in rijklare toestand met carrosserie en, in het geval van een trekker van een andere categorie dan M1, met koppelinrichting, indien gemonteerd door de fabrikant, of massa van het chassis of het chassis met cabine, zonder carrosserie en/of koppelinrichting indien niet gemonteerd door de fabrikant (met inbegrip van de massa van vloeistoffen, gereedschap, reservewiel, indien gemonteerd, en bestuurder en, voor bussen en toerbussen, een bijrijder voor zover er voor hem een zitplaats aanwezig is) (o) (maximum en minimum voor elke variant):

2.6.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (maximum en minimum voor elke variant):

2.7.   Minimummassa van het voltooide voertuig volgens fabrieksopgave in het geval van een incompleet voertuig.

Technisch toelaatbare maximummassa volgens fabrieksopgave (y) (*):

2.8.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (*):

2.9.   Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as:

2.10.   Technisch toelaatbare maximummassa op ieder asstel:

Technisch toelaatbare maximummassa die door het motorvoertuig getrokken mag worden in het geval van een:

2.11.1.   Aanhangwagen:

2.11.2.   Oplegger:

2.11.3.   Middenasaanhangwagen:

2.11.4.   Technisch toelaatbare maximummassa van de voertuigcombinatie:

2.11.5.   Het voertuig is wel/niet (1) geschikt voor het trekken van lasten (zie bijlage II, punt 1.2, van Richtlijn 77/389/EEG)

2.11.6.   Maximummassa van niet-beremde aanhangwagens:

Technisch toelaatbare maximale statistische verticale belasting/massa op het koppelingspunt:

2.12.1.   van het motorvoertuig:

Beoogde maximaal toelaatbare massa bij registratie/in bedrijf (optioneel: wanneer deze waarden worden gegeven, moeten zij worden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 97/27/EG):

2.16.1.   Beoogde maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technischeconfiguratie (#)):

2.16.2.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elke as bij registratie/in bedrijf en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de beoogde belasting van het koppelingspunt volgens fabrieksopgave indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.3.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elk asstel bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.4.   Beoogde maximaal toelaatbare massa die kan worden getrokken, bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.5.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

3.   MOTOR (q) (Bij voertuigen die zowel op benzine, diesel enz. als in combinatie met een andere brandstof kunnen rijden, moeten deze rubrieken worden herhaald (+))

Fabrikant:

3.1.1.   Motorcode van de fabrikant (zoals vermeld op de motor):

Verbrandingsmotor

3.2.1.1.   Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/compressieontsteking, viertakt/tweetakt (1)

3.2.1.2.   Aantal en opstelling van de cilinders:

3.2.1.3.   Cilinderinhoud (s): … cm3

3.2.1.6.   Normaal stationair toerental (2): … min–1

3.2.1.8.   Nettomaximumvermogen (t): … kW bij … min–1 (volgens fabrieksopgave)

3.2.1.9.   Maximaal toegestaan motortoerental volgens fabrieksopgave: … min–1

Brandstof: diesel/benzine/LPG/aardgas/ethanol: (1)

3.2.2.1.   RON, gelode benzine:

3.2.2.2.   RON, ongelode benzine:

Brandstoftoevoer

3.2.4.1.   Via carburateur(s): ja/neen (1)

Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking): ja/neen (1)

3.2.4.2.2.   Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)

3.2.4.3.   Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/neen (1)

3.2.7.   Koelsysteem: vloeistof/lucht (1)

Inlaatsysteem

3.2.8.1.   Drukvulling: ja/neen (1)

Voorzieningen tegen luchtverontreiniging

Extra voorzieningen tegen luchtverontreiniging (indien aanwezig en niet elders vermeld)

3.2.12.2.1.   Katalysator: ja/neen (1)

3.2.12.2.2.   Zuurstofsensor: ja/neen (1)

3.2.12.2.3.   Luchtinjectie: ja/neen (1)

3.2.12.2.4.   Uitlaatgasrecirculatie: ja/neen (1)

3.2.12.2.5.   Controlesysteem verdampingsemissies: ja/neen (1)

3.2.12.2.6.   Deeltjesvanger: ja/neen (1)

3.2.12.2.7.   OBD-systeem: ja/neen (1)

3.2.12.2.8.   Overige systemen (beschrijving en werking):

3.2.13.   Plaats van het absorptiecoëfficiëntsymbool (alleen voor motoren met compressieontsteking):

3.2.15.   LPG-systeem: ja/neen (1)

3.2.16.   Aardgassysteem: ja/neen (1)

Elektrische aandrijfmotor

Type (wikkeling, bekrachtiging): …

3.3.1.1.   Maximumuurvermogen: … kW

3.3.1.2.   Bedrijfsspanning: … V

Accu

3.3.2.4.   Plaats:

3.6.5.   Smeermiddeltemperatuur

minimum: … K

maximum: … K

4.   TRANSMISSIE (v)

4.2.   Transmissiesysteem (mechanisch, hydraulisch, elektrisch enz.):

Versnellingsbak

4.5.1.   Type (manueel/automatisch/CVT (continu-variabele transmissie)) (1)

4.6.   Overbrengingsverhoudingen

Versnelling

Verhoudingen in de versnellingsbak (verhoudingen tussen omwentelingen van de motor en omwentelingen van uitgaande as van de versnellingsbak)

Eindoverbrengingsverhouding(en) (verhouding tussen omwentelingen van uitgaande as van de versnellingsbak en omwentelingen van aangedreven wielen)

Totale verhouding

Maximum voor CVT

1

2

3

Minimum voor CVT

 

 

 

Achteruit

 

 

 

4.7.   Maximumsnelheid van het voertuig (in km/h) (w):

5.   ASSEN

5.1.   Beschrijving van elke as:

5.2.   Merk:

5.3.   Type: …

5.4.   Plaats van de hefbare as(sen):

5.5.   Plaats van de belastbare as(sen):

6.   OPHANGING

Type en ontwerp van de ophanging van elke as of elk wiel:

6.2.1.   Niveauregeling: ja/neen/optioneel (1)

Luchtvering van de aangedreven as(sen): ja/neen (1)

6.2.3.1.   Vering van de aangedreven as, gelijkwaardig met luchtvering: ja/neen (1)

6.2.3.2.   Frequentie en demping van de trilling van de afgeveerde massa:

Band/wielcombinatie(s) (voor banden de maataanduidingen, de laagste belastingsindex en het symbool voor de laagste snelheidscategorie opgeven, voor wielen de velgmaat (velgmaten) en de wielbolling(en))

Assen

6.6.1.1.1.   As 1:

6.6.1.1.2.   As 2:

enz.

6.6.1.2.   Eventueel reservewiel

Boven- en ondergrenzen van de rolstralen

6.6.2.1.   As 1:

6.6.2.2.   As 2:

enz.

7.   STUURINRICHTING

Overbrenging en regeling

7.2.1.   Type overbrenging van de stuurinrichting (in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

7.2.2.   Verbinding met de wielen (inclusief andere dan mechanische middelen; in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

7.2.3.   Type stuurbekrachtiging (indien aanwezig):

8.   REMINRICHTING

8.5.   Antiblokkeersysteem: ja/neen/optioneel (1)

8.9.   Korte beschrijving van de remsystemen (overeenkomstig punt 1.6 van het addendum bij aanhangsel 1 van bijlage IX bij Richtlijn 71/320/EEG):

8.11.   Bijzonderheden van het type vertragersysteem (de types vertragersystemen):

9.   CARROSSERIE

9.1.   Type carrosserie:

Deuren voor de inzittenden, hang- en sluitwerk

9.3.1.   Configuratie van de deuren en aantal deuren:

Inrichtingen voor indirect zicht

Spiegels (te vermelden voor elke spiegel):

9.9.1.1.   Merk:

9.9.1.2.   EG-typegoedkeuringsmerk:

9.9.1.3.   Variant:

9.9.1.4.   Tekening(en) ter identificatie van de spiegel, waarop de plaats van de spiegel ten opzichte van de voertuigcarrosserie is aangegeven:

9.9.1.5.   Gegevens over de bevestigingswijze, met inbegrip van dat deel van de voertuigcarrosserie waarop de spiegel is bevestigd:

9.9.1.6.   Accessoires die van invloed kunnen zijn op het gezichtsveld naar achteren:

9.9.1.7.   Korte beschrijving van de (eventuele) elektronische onderdelen van het verstelsysteem:

Andere inrichtingen voor indirect zicht dan spiegels:

Type en kenmerken (zoals een volledige beschrijving van de inrichting):

9.9.2.1.1.   In geval van een camera-monitorinrichting: de waarnemingsafstand (mm), het contrast, het luminantiebereik, de correctie voor invallend licht, de beeldschermprestaties (zwart-wit/kleur), de beeldvernieuwingsfrequentie en het luminantiebereik van het beeldscherm:

9.9.2.1.2.   Voldoende gedetailleerde tekeningen die een overzicht geven van de volledige inrichting, met inbegrip van de montagevoorschriften; op de tekeningen moet de plaats voor het EG-typegoedkeuringsmerk zijn aangegeven.

Binneninrichting

Zitplaatsen

9.10.3.1.   Aantal:

Plaats en opstelling:

9.10.3.2.1.   Aantal zitplaatsen:

9.10.3.2.2.   Zitplaats(en) die uitsluitend is (zijn) bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig:

9.10.4.1.   Type hoofdsteunen: geïntegreerd/afneembaar/los (1)

9.10.4.2.   Eventueel EG-typegoedkeuringsnummer:

9.12.2.   Aard en plaats van aanvullende beveiligingssystemen (geef aan ja/neen/optioneel):

(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats).

 

Airbag voor

Airbag zijkant

Gordelvoorspaninrichting

Eerste rij zitplaatsen

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (1)

L

 

 

 

M

 

 

 

R

 

 

 

Voorgeschreven platen (Richtlijn 76/114/EEG)

9.17.1.   Foto’s en/of tekeningen van de plaats van de voorgeschreven platen en opschriften en van het voertuigidentificatienummer:

Door de fabrikant opgestelde verklaring van overeenstemming met de voorschriften van bijlage II, punt 1.1.1, van Richtlijn 76/114/EEG

9.17.4.1.   De betekenis van tekens van de tweede groep en, indien van toepassing, van de derde groep die gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.3 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moet worden verklaard:

9.17.4.2.   Indien er tekens van de tweede groep gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.4 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moeten deze tekens worden vermeld:

Bescherming van voetgangers

9.23.1.   Een gedetailleerde beschrijving, inclusief foto’s en/of tekeningen, van het voertuig met betrekking tot de constructie, de afmetingen, de relevante referentielijnen en de samenstellende materialen van het frontgedeelte van het voertuig (binnen- en buitenkant). Deze beschrijving dient nadere gegevens te bevatten over elk geïnstalleerd systeem voor actieve bescherming.

11.   VERBINDINGEN TUSSEN TREKKER EN AANHANGWAGEN OF OPLEGGER

11.1.   Klasse en type van de gemonteerde of te monteren koppelinrichting(en):

11.3.   Door de fabrikant gegeven instructies voor de bevestiging van het type koppeling van het voertuig en foto’s of tekeningen van de bevestigingspunten op het voertuig; aanvullende gegevens, indien het type koppeling slechts voor bepaalde varianten of uitvoeringen van het type voertuig wordt gebruikt:

11.4.   Gegevens over de montage van speciale trekinrichtingen of montageplaten:

11.5.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

12.7.1.   Voertuig uitgerust met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen (doorhalen wat niet van toepassing is)

12.7.2.   Voertuig uitgerust met 79 GHz-kortbereikradarapparatuur: ja/neen (doorhalen wat niet van toepassing is).

13.   BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VOERTUIGEN BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN PASSAGIERS, MET MEER DAN ACHT ZITPLAATSEN, DIE VAN DE BESTUURDER NIET MEEGEREKEND

Voertuigklasse (klasse I, klasse II, klasse III, klasse A, klasse B):

13.1.1.   Chassistypes waarop de carrosserie met EG-typegoedkeuring kan worden geïnstalleerd (fabrikant(en) en types incomplete voertuigen):

Aantal passagiers (zit- en staanplaatsen)

13.3.1.   Totaal (N):

13.3.2.   Bovendek (Na) (1):

13.3.3.   Benedendek (Nb) (1):

Aantal passagierszitplaatsen

13.4.1.   Totaal (A):

13.4.2.   Bovendek (Aa) (1):

13.4.3.   Benedendek (Ab) (1):

B:   Voor categorie O

0.   ALGEMENE GEGEVENS

0.1.   Merk (firmanaam):

Type:

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar):

Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig aangegeven (b):

0.3.1.   Plaats van dat merkteken:

Categorie waartoe het voertuig behoort (c):

0.4.1.   Indeling(en), op basis van de gevaarlijke goederen die het voertuig moet vervoeren:

0.5.   Naam en adres van de fabrikant:

0.8.   Adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

1.   ALGEMENE BOUWWIJZE VAN HET VOERTUIG

1.1.   Foto’s en/of tekeningen van een representatief voertuig:

Aantal assen en aantal wielen:

1.3.2.   Aantal en plaats van gestuurde assen:

1.4.   Chassis (indien aanwezig) (overzichtstekening):

2.   MASSA’S EN AFMETINGEN (e) (in kg en mm)

(In voorkomend geval naar tekening verwijzen)

2.1.   Wielbasis of -bases (bij volle belasting) (f):

2.3.1.   Spoorwijdte op elke gestuurde as (i):

2.3.2.   Spoorwijdte op alle andere assen (i):

Bereik van de afmetingen (buitenmaten) van het voertuig

Chassis met carrosserie

Lengte (j):

2.4.2.1.1.   Lengte van de laadruimte:

Breedte (k):

2.4.2.2.1.   Dikte van de wanden (bij voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen bij een geregelde temperatuur):

2.4.2.3.   Hoogte (in rijklare toestand) (l) (bij in hoogte verstelbare vering de normale rijstand aangeven):

Massa van het voertuig in rijklare toestand met carrosserie en, in het geval van een trekker van een andere categorie dan M1, met koppelinrichting, indien gemonteerd door de fabrikant, of massa van het chassis of het chassis met cabine, zonder carrosserie en/of koppelinrichting indien niet gemonteerd door de fabrikant (met inbegrip van de massa van vloeistoffen, gereedschap, reservewiel, indien gemonteerd, en bestuurder en, voor bussen en toerbussen, een bijrijder voor zover er voor hem een zitplaats aanwezig is) (o) (maximum en minimum voor elke variant):

2.6.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (maximum en minimum voor elke variant):

2.7.   Minimummassa van het voltooide voertuig volgens fabrieksopgave in het geval van een incompleet voertuig:

Technisch toelaatbare maximummassa volgens fabrieksopgave (y) (*):

2.8.1.   Verdeling van deze massa over de assen en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de belasting op het koppelingspunt (*):

2.9.   Technisch toelaatbare maximummassa op iedere as:

2.10.   Technisch toelaatbare maximummassa op ieder asstel:

Technisch toelaatbare maximale statistische verticale belasting/massa op het koppelingspunt:

2.12.2.   van de oplegger of middenasaanhangwagen:

Beoogde maximaal toelaatbare massa bij registratie/in bedrijf (optioneel: wanneer deze waarden worden gegeven, moeten zij worden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 97/27/EG):

2.16.1.   Beoogde maximaal toelaatbare massa in beladen toestand bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.2.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elke as bij registratie/in bedrijf en, in het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen, de beoogde belasting van het koppelingspunt volgens fabrieksopgave indien deze lager is dan de technisch toelaatbare maximummassa op het koppelingspunt (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.3.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van elk asstel bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.4.   Beoogde maximaal toelaatbare massa die kan worden getrokken, bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

2.16.5.   Beoogde maximaal toelaatbare massa van de combinatie bij registratie/in bedrijf (verschillende waarden mogelijk voor elke technische configuratie (#)):

5.   ASSEN

5.1.   Beschrijving van elke as:

5.2.   Merk:

5.3.   Type: …

5.4.   Plaats van de hefbare as(sen):

5.5.   Plaats van de belastbare as(sen):

6.   OPHANGING

Type en ontwerp van de ophanging van elke as of elk wiel:

6.2.1.   Niveauregeling: ja/neen/optioneel (1)

Band/wielcombinatie(s) (voor banden de maataanduidingen, de laagste belastingsindex en het symbool voor de laagste snelheidscategorie opgeven, voor wielen de velgmaat (velgmaten) en de wielbolling(en))

Assen

6.6.1.1.1.   As 1:

6.6.1.1.2.   As 2:

enz.

6.6.1.2.   Eventueel reservewiel:

Boven- en ondergrenzen van de rolstralen

6.6.2.1.   As 1:

6.6.2.2.   As 2:

enz.

7.   STUURINRICHTING

Overbrenging en regeling

7.2.1.   Type overbrenging van de stuurinrichting (in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

7.2.2.   Verbinding met de wielen (inclusief andere dan mechanische middelen; in voorkomend geval voor voor- en achterzijde specificeren):

7.2.3.   Type stuurbekrachtiging (indien aanwezig):

8.   REMINRICHTING

8.5.   Antiblokkeersysteem: ja/neen/optioneel (1)

8.9.   Korte beschrijving van de remsystemen (overeenkomstig punt 1.6 van het addendum bij aanhangsel 1 van bijlage IX bij Richtlijn 71/320/EEG):

9.   CARROSSERIE

9.1.   Type carrosserie:

Voorgeschreven platen (Richtlijn 76/114/EEG)

9.17.1.   Foto’s en/of tekeningen van de plaats van de voorgeschreven platen en opschriften en van het voertuigidentificatienummer:

Door de fabrikant opgestelde verklaring van overeenstemming met de voorschriften van bijlage II, punt 1.1.1, van Richtlijn 76/114/EEG

9.17.4.1.   De betekenis van tekens van de tweede groep en, indien van toepassing, van de derde groep die gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.3 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moet worden verklaard:

9.17.4.2.   Indien er tekens van de tweede groep gebruikt zijn om aan de voorschriften van punt 5.4 van ISO-norm 3779:1983 te voldoen, moeten deze tekens worden vermeld:

11.   VERBINDINGEN TUSSEN TREKKER EN AANHANGWAGEN OF OPLEGGER

11.1.   Klasse en type van de gemonteerde of te monteren koppelinrichting(en):

11.5.   EG-typegoedkeuringsnummer(s):

DEEL II

Matrix waarin getoond wordt welke combinaties van gegevens voor de meervoudige punten van deel I voor de diverse voertuiguitvoeringen toelaatbaar zijn. Voor deze meervoudige punten krijgt ieder gegeven een kenletter die in deze matrix wordt gebruikt om aan te geven welk gegeven (welke gegevens) van een bepaald punt van toepassing is (zijn) op een bepaalde uitvoering.

Voor elke variant van een type moet een aparte matrix worden opgesteld.

Als er voor een meervoudig punt geen beperkingen gelden voor de combinatie van gegevens binnen een variant, moeten deze gegevens vermeld worden in de kolom „Alle”.

Punt nr.

Alle

Uitvoering 1

Uitvoering 2

Enz.

Uitvoering nr.

 

 

 

 

 

 

Voor de presentatie van deze gegevens mag een ander formaat of andere lay-out worden gebruikt, mits dit aan het oorspronkelijke doel beantwoordt.

Elke variant en elke uitvoering moet door middel van een numerieke of alfanumerieke code worden geïdentificeerd; deze code moet ook op het certificaat van overeenstemming (bijlage IX) van het betrokken voertuig worden vermeld.

In het geval van (een) variant(en) overeenkomstig bijlage XI of artikel 20 kent de fabrikant een speciale code toe.

DEEL III

Typegoedkeuringsnummers

Vermeld de in onderstaande tabel gevraagde gegevens met betrekking tot de voor dit voertuig van toepassing zijnde onderwerpen (***) van bijlage IV of XI. (Alle relevante goedkeuringen voor elk onderwerp moeten worden vermeld.)

Onderwerp

Typegoedkeuringsnummer

Lidstaat of Deelnemende Partij (2) die de typegoedkeuring verleent (3)

Datum van uitbreiding

Variant(en)/uitvoering(en)

 

 

 

 

 

Handtekening:

Functie in het bedrijf:

Datum:


(1)  De tabel kan naar behoefte worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

(2)  Deelnemende Partij bij de herziene Overeenkomst van 1958.

(3)  Vermelden indien dit niet uit het EG-typegoedkeuringsnummer kan worden afgeleid.

BIJLAGE IV

Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

DEEL I

Lijst van regelgevingen

(In voorkomend geval is rekening gehouden met het toepassingsgebied en de laatste wijziging van de hierna volgende regelgevingen. Met betrekking tot de reglementen van de Ecomomische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), geeft de verwijzing naar de regelgeving de relevante serie van amendementen op de VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap is toegetreden.)

Onderwerp

Regelgeving

Publicatieblad

Van toepassing op

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

1.

Geluidsniveau

70/157/EEG

L 42 van 23.2.1970, blz. 16

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

2.

Emissies

70/220/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 1

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

3.

Brandstoftanks/beschermingsinrichtingen aan de achterzijde

70/221/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 23

X (5)

X (5)

X (5)

X (5)

X (5)

X (5)

X

X

X

X

4.

Plaats voor de achterste kentekenplaat

70/222/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 25

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

5.

Stuurinrichting

70/311/EEG

L 133 van 18.6.1970, blz. 10

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

6.

Hang- en sluitwerk van deuren

70/387/EEG

L 176 van 10.8.1970, blz. 5

X

 

 

X

X

X

 

 

 

 

7.

Geluidssignaalinrichting

70/388/EEG

L 176 van 10.8.1970, blz. 12

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

8.

Inrichtingen voor indirect zicht

2003/97/EG (8)

L 25 van 29.1.2004, blz. 1

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

9.

Reminrichtingen

71/320/EEG

L 202 van 6.9.1971, blz. 37

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

10.

Onderdrukking radiostoringen

72/245/EEG

L 152 van 6.7.1972, blz. 15

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

11.

Verontreiniging door dieselmotoren

72/306/EEG

L 190 van 20.8.1972, blz. 1

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

12.

Binneninrichting

74/60/EEG

L 38 van 11.2.1974, blz. 2

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

13.

Beveiliging tegen diefstal en startonderbrekers

74/61/EEG

L 38 van 11.2.1974, blz. 22

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

14.

Gedrag stuurinrichting bij botsingen

74/297/EEG

L 165 van 20.6.1974, blz. 16

X

 

 

X

 

 

 

 

 

 

15.

Sterkte van de zitplaatsen

74/408/EEG

L 221 van 12.8.1974, blz. 1

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

16.

Naar buiten uitstekende delen

74/483/EEG

L 256 van 2.10.1974, blz. 4

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17.

Snelheidsmeter en achteruitrijinrichtingen

75/443/EEG

L 196 van 26.7.1975, blz. 1

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

18.

Voorgeschreven platen

76/114/EEG

L 24 van 30.1.1976, blz. 1

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

19.

Bevestigingspunten veiligheidsgordels

76/115/EEG

L 24 van 30.1.1976, blz. 6

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

20.

Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen

76/756/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 1

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

21.

Retroflectoren

76/757/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 32

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

22.

Markerings-, breedte-, achter-, stop- en dagrijlichten

76/758/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 54

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

23.

Richtingaanwijzers

76/759/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 71

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

24.

Achterkentekenplaatverlichting

76/760/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 85

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

25.

Koplichten (met gloeilampen)

76/761/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 96

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

26.

Mistlichten vóór

76/762/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 122

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

27.

Sleepinrichtingen

77/389/EEG

L 145 van 13.6.1977, blz. 41

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

28.

Mistlichten achter

77/538/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 60

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

29.

Achteruitrijlichten

77/539/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 72

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

30.

Parkeerlichten

77/540/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 83

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

31.

Veiligheidsgordels en bevestigingssystemen

77/541/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 95

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

32.

Zichtveld

77/649/EEG

L 267 van 19.10.1977, blz. 1

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

33.

Identificatie van bedieningsorganen

78/316/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 3

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

34.

Ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen

78/317/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 27

X

 (1)

 (1)

 (1)

 (1)

 (1)

 

 

 

 

35.

Ruitenwissers en -sproeiers

78/318/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 49

X

 (2)

 (2)

 (2)

 (2)

 (2)

 

 

 

 

36.

Verwarmingssystemen

2001/56/EG

L 292 van 9.11.2001, blz. 21

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

37.

Wielafschermingen

78/549/EEG

L 168 van 26.6.1978, blz. 45

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

38.

Hoofdsteunen

78/932/EEG

L 325 van 20.11.1978, blz. 1

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

39.

CO2-emissies/brandstofverbruik

80/1268/EEG

L 375 van 31.12.1980, blz. 36

X

 

 

X

 

 

 

 

 

 

40.

Motorvermogen

80/1269/EEG

L 375 van 31.12.1980, blz. 46

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

41.

Emissies van dieselmotoren

88/77/EEG

L 36 van 9.2.1988, blz. 33

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

42.

Zijdelingse afscherming

89/297/EEG

L 124 van 5.5.1989, blz. 1

 

 

 

 

X

X

 

 

X

X

43.

Opspatafschermingssystemen

91/226/EEG

L 103 van 23.4.1991, blz. 5

 

 

 

 

X

X

 

 

X

X

44.

Massa’s en afmetingen (personenwagens)

92/21/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 1

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

45.

Veiligheidsglas

92/22/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 11

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

46.

Banden

92/23/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 95

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

47.

Snelheidsbegrenzers

92/24/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 154

 

 

X

 

X

X

 

 

 

 

48.

Massa’s en afmetingen (andere voertuigen dan die in punt 44)

97/27/EG

L 233 van 28.8.1997, blz. 1

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

49.

Naar buiten uitstekende delen van bestuurderscabines

92/114/EEG

L 409 van 31.12.1992, blz. 17

 

 

 

X

X

X

 

 

 

 

50.

Koppelingen

94/20/EG

L 195 van 29.7.1994, blz. 1

X (3)

X (3)

X (3)

X (3)

X (3)

X (3)

X

X

X

X

51.

Ontvlambaarheid

95/28/EG

L 281 van 23.11.1995, blz. 1

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

52.

Bussen en toerbussen

2001/85/EG

L 42 van 13.2.2002, blz. 1

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

53.

Frontale botsing

96/79/EG

L 18 van 21.1.1997, blz. 7

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

54.

Zijdelingse botsing

96/27/EG

L 169 van 8.7.1996, blz. 1

X

 

 

X

 

 

 

 

 

 

55.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

56.

Voertuigen bedoeld voor het vervoer van gevaarlijke goederen

98/91/EG

L 11 van 16.1.1999, blz. 25

 

 

 

X (4)

X (4)

X (4)

X (4)

X (4)

X (4)

X (4)

57.

Beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden

2000/40/EG

L 203 van 10.8.2000, blz. 9

 

 

 

 

X

X

 

 

 

 

58.

Bescherming van voetgangers

2003/102/EG

L 321 van 6.12.2003, blz. 15

X (6)

 

 

X (6)  (7)

 

 

 

 

 

 

X

:

Regelgeving van toepassing.

Aanhangsel

Lijst van voorschriften voor de EG-typegoedkeuring van in kleine series gebouwde voertuigen die tot categorie M1 behoren

(In voorkomend geval rekening houdend met de laatste wijziging van de hierna volgende „regelgevingen”)

Onderwerp

Regelgeving

Publicatieblad

M1

1

Geluidsniveau

70/157/EEG

L 42 van 23.2.1970, blz. 16.

A

2

Emissies, met uitzondering van de volledige reeks voorschriften in verband met boorddiagnosesystemen (OBD’s)

70/220/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 1.

A

3

Brandstoftanks/beschermingsinrichtingen aan de achterzijde

70/221/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 23.

B

4

Plaats voor de achterste kentekenplaat

70/222/EEG

L 76 van 6.4.1970, blz. 25.

B

5

Stuurinrichting

70/311/EEG

L 133 van 18.6.1970, blz. 10.

C

6

Hang- en sluitwerk van deuren

70/387/EEG

L 176 van 10.8.1970, blz. 5.

C

7

Geluidssignaalinrichting

70/388/EEG

L 176 van 10.8.1970, blz. 12.

B

8

Inrichtingen voor indirect zicht

2003/97/EG (13)

L 25 van 29.1.2004, blz. 1.

X (10)

B (12)

9

Reminrichtingen

71/320/EEG

L 202 van 6.9.1971, blz. 37.

A

10

Onderdrukking radiostoringen

72/245/EEG

L 152 van 6.7.1972, blz. 15.

A (9)

C (11)

11

Verontreiniging door dieselmotoren

72/306/EEG

L 190 van 20.8.1972, blz. 1.

A

12

Binneninrichting

74/60/EEG

L 38 van 11.2.1974, blz. 2.

C

13

Beveiliging tegen diefstal en startonderbrekers

74/61/EEG

L 38 van 11.2.1974, blz. 22.

A

14

Gedrag stuurinrichting bij botsingen

74/297/EEG

L 165 van 20.6.1974, blz. 16.

C

15

Sterkte van de zitplaatsen

74/408/EEG

L 221 van 12.8.1974, blz. 1.

C

16

Naar buiten uitstekende delen

74/483/EEG

L 266 van 2.10.1974, blz. 4.

C

17

Snelheidsmeter en achteruitrij-inrichtingen

75/443/EEG

L 196 van 26.7.1975, blz. 1.

B

18

Voorgeschreven platen

76/114/EEG

L 24 van 30.1.1976, blz. 1.

B

19

Bevestigingspunten veiligheidsgordels

76/115/EEG

L 24 van 30.1.1976, blz. 6.

B

20

Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen

76/756/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 1.

B

21

Retroflectoren

76/757/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 32.

X

22

Markerings-, breedte-, achter-, stop- en dagrijlichten

76/758/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 54.

X

23

Richtingaanwijzers

76/759/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 71.

X

24

Achterkentekenplaatverlichting

76/760/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 85.

X

25

Koplichten (met gloeilampen)

76/761/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 96.

X

26

Mistlichten vóór

76/762/EEG

L 262 van 27.9.1976, blz. 122.

X

27

Sleepinrichtingen

77/389/EEG

L 145 van 13.6.1977, blz. 41.

B

28

Mistlichten achter

77/538/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 60.

X

29

Achteruitrijlichten

77/539/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 72.

X

30

Parkeerlichten

77/540/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 83.

X

31

Veiligheidsgordels en bevestigingssystemen

77/541/EEG

L 220 van 29.8.1977, blz. 95.

A (10)

B (12)

32

Zichtveld

77/649/EEG

L 267 van 19.10.1977, blz. 1.

A

33

Identificatie van bedieningsorganen

78/316/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 3.

X

34

Ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen

78/317/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 27.

C

35

Ruitenwissers en -sproeiers

78/318/EEG

L 81 van 28.3.1978, blz. 49.

C

36

Verwarmingssystemen

2001/56/EG

L 292 van 9.11.2001, blz. 21.

C

37

Wielafschermingen

78/549/EEG

L 168, 26.6.1978, p. 45.

B

39

Brandstofverbruik

80/1268/EEG

L 375 van 31.12.1980, blz. 36.

A

40

Motorvermogen

80/1269/EEG

L 375 van 31.12.1980, blz. 46.

C

41

Emissies van dieselmotoren

88/77/EEG

L 36 van 9.2.1988, blz. 33.

A

44

Massa’s en afmetingen (personenwagens)

92/21/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 1.

C

45

Veiligheidsglas

92/22/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 11.

X (10)

B (12)

46

Banden

92/23/EEG

L 129 van 14.5.1992, blz. 95.

X (10)

B (12)

50

Koppelingen

94/20/EG

L 195 van 29.7.1994, blz. 1.

X (10)

A (12)

53

Frontale botsing

96/79/EG

L 18 van 21.1.1997, blz. 7.

n.v.t.

54

Zijdelingse botsing

96/27/EG

L 169 van 8.7.1996, blz. 1.

n.v.t.

58

Bescherming van voetgangers

2003/102/EG

L 321 van 6.12.2003, blz. 15.

n.v.t.

X

:

Volledige naleving van de regelgeving vereist; EG-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven; overeenstemming van de productie wordt gegarandeerd.

A

:

Geen ontheffingen toegestaan, behalve die welke in de regelgeving zijn vermeld. Typegoedkeuringscertificaat en typegoedkeuringsmerk zijn niet vereist. Testrapporten moeten door een aangewezen technische dienst worden opgesteld.

B

:

Aan de technische voorschriften van de regelgeving moet zijn voldaan. De tests waarin de regelgeving voorziet, moeten volledig worden uitgevoerd; als de goedkeuringsinstantie hiermee instemt, mag de fabrikant zelf deze tests uitvoeren; hij kan ook toestemming krijgen om het technisch rapport op te stellen; er moet geen goedkeuringscertificaat worden afgegeven en typegoedkeuring is niet vereist.

C

:

De fabrikant moet tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie aantonen dat aan de essentiële voorschriften van de regelgeving is voldaan.

n.v.t.

:

Deze regelgeving is niet van toepassing (geen voorschriften).

DEEL II

Indien naar een bijzondere richtlijn of verordening wordt verwezen, wordt een goedkeuring volgens onderstaande reglementen van de VN/ECE (naar gelang van hun toepassingsgebied (14) en de wijziging van elk onderstaand VN/ECE-reglement) erkend als een alternatief voor een EG-typegoedkeuring volgens de in de tabel van deel I voor het betrokken onderwerp vermelde bijzondere richtlijn of verordening.

Het gaat om die VN/ECE-reglementen waartoe de Gemeenschap als partij bij de „herziene overeenkomst van Genève van 1958” van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties krachtens Besluit 97/836/EG van de Raad of latere besluiten van de Raad zoals bepaald in artikel 3, lid 3, van voornoemd besluit, is toegetreden.

Latere wijzigingen van onderstaande VN/ECE-reglementen moeten eveneens als gelijkwaardig worden beschouwd, mits de Gemeenschap hierover een besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Besluit 97/836/EG (15).

Onderwerp

Nummer VN/ECE-basisreglement

Wijzigingenreeks

1.

Geluidsniveau

51

02

1.

Dempersystemen als reserveonderdeel

59

00

2.

Emissies

83

03

2.

Katalysatoren als reserveonderdeel

103

00

3.

Beschermingsinrichtingen aan de achterzijde

58

01

3.

Brandstoftanks

34

01

3.

Brandstoftanks

67

01

3.

Brandstoftanks

110

00

5.

Stuurinrichting

79

01

6.

Hang- en sluitwerk van deuren

11

02

7.

Geluidssignaalinrichting

28

00

8.

Achteruitkijkspiegels

46

01

8A.

A. Inrichtingen voor indirect zicht

46

02

9.

Reminrichtingen

13

09

9.

Reminrichtingen

13H

00

9.

Remvoering

90

01

10.

Onderdrukking radiostoringen

10

02

11.

Verontreiniging door dieselmotoren

24

03

12.

Binneninrichting

21

01

13.

Beveiliging tegen diefstal

18

02

13.

Startonderbrekers

97

00

13.

Alarmsystemen

97

00

13.

Gebruik door onbevoegden

116

00

14.

Gedrag stuurinrichting bij botsingen

12

03

15.

Sterkte van de zitplaatsen

17

06

15.

Sterkte van de zitplaatsen (bussen en toerbussen)

80

01

16.

Naar buiten uitstekende delen

26

02

17.

Snelheidsmeter

39

00

19.

Bevestigingspunten veiligheidsgordels

14

04

20.

Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen

48

01

21.

Retroflectoren

3

02

22.

Markerings-, breedte-, achter- en stoplichten

7

02

22.

Dagrijlichten

87

00

22.

Zijmarkeringslichten

91

00

23.

Richtingaanwijzers

6

01

24.

Achterkentekenplaatverlichting

4

00

25.

Koplichten (R2 en HS1)

1

01

25.

Koplichten (sealed beam)

5

02

25.

Koplichten (H1, H2, H3, HB3, HB4, H7 en/of H8)

8

04

25.

Koplichten (H4)

20

02

25.

Halogeenkoplichten (sealed beam)

31

02

25.

Gloeilampen voor gebruik in goedgekeurde lichteenheden

37

03

25.

Koplichten met gasontladingslichtbronnen

98

00

25.

Gasontladingslichtbronnen voor gebruik in goedgekeurde gasontladingslichteenheden

99

00

26.

Mistlichten vóór

19

02

28.

Mistlichten achter

38

00

29.

Achteruitrijlichten

23

00

30.

Parkeerlichten

77

00

31.

Veiligheidsgordels

16

04

31.

Kinderbeveiligingsmiddelen

44

03

38.

Hoofdsteunen (met zitplaatsen gecombineerd)

17

06

38.

Hoofdsteunen

25

04

39.

Brandstofverbruik

101

00

40.

Motorvermogen

85

00

41.

Emissies van dieselmotoren

49

02

42.

Zijdelingse afscherming

73

00

45.

Veiligheidsglas

43

00

46.

Banden (voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan)

30

02

46.

Banden (voor vrachtwagens en aanhangwagens daarvan)

54

00

46.

Reservewielen/banden voor tijdelijk gebruik

64

00

46.

Rolgeluid

117

00

47.

Snelheidsbegrenzers

89

00

50.

Koppelingen

55

01

51.

Ontvlambaarheid

118

00

52.

Sterkte van de bovenbouw (bussen)

66

00

53.

Frontale botsing

94

01

54.

Zijdelingse botsing

95

02

55.

Beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden

93

00


(1)  Voertuigen van deze categorie moeten zijn voorzien van een geschikte ontdooiings- en ontwasemingsinrichting.

(2)  Voertuigen van deze categorie moeten zijn voorzien van geschikte ruitensproei- en ruitenwisinrichtingen.

(3)  De voorschriften van Richtlijn 94/20/EG zijn alleen van toepassing op voertuigen die zijn uitgerust met koppelingen.

(4)  De voorschriften van Richtlijn 98/91/EG zijn alleen van toepassing indien de fabrikant een EG-typegoedkeuring aanvraagt voor een voertuig dat bedoeld is voor het vervoer van gevaarlijke goederen.

(5)  Voor voertuigen op LPG of gecomprimeerd aardgas (CNG) is een goedkeuring overeenkomstig VN/ECE-reglement nr. 67-01 of 110 vereist in afwachting van de goedkeuring van de wijziging van Richtlijn 70/221/EEG met het oog op de opname van LPG- en CNG-tanks.

(6)  Met een maximummassa van 2,5 t.

(7)  Afgeleid van voertuigen van categorie M1.

(8)  Goedkeuringen die zijn verleend overeenkomstig Richtlijn 71/127/EEG blijven geldig voor de typegoedkeuring van een compleet voertuig tot de in artikel 2 van Richtlijn 2003/97/EG vermelde data.

(9)  Elektronisch deel van een samenstel.

(10)  Onderdeel.

(11)  Voertuig.

(12)  Montagevoorschriften.

(13)  Tot en met 26 januari 2006 worden goedkeuringen overeenkomstig Richtlijn 71/127/EEG aanvaard als alternatief.

Verklaring:

X

:

Volledige naleving van de regelgeving vereist; EG-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven; overeenstemming van de productie wordt gegarandeerd.

A

:

Geen ontheffingen toegestaan, behalve die welke in de regelgeving zijn vermeld. Typegoedkeuringscertificaat en typegoedkeuringsmerk zijn niet vereist. Testrapporten moeten door een aangewezen technische dienst worden opgesteld.

B

:

Aan de technische voorschriften van de regelgeving moet zijn voldaan. De tests waarin de regelgeving voorziet, moeten volledig worden uitgevoerd; als de goedkeuringsinstantie hiermee instemt, mag de fabrikant zelf deze tests uitvoeren; hij kan ook toestemming krijgen om het technisch rapport op te stellen; er moet geen goedkeuringscertificaat worden afgegeven en typegoedkeuring is niet vereist.

C

:

De fabrikant moet tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie aantonen dat aan de essentiële voorschriften van de regelgeving is voldaan.

n.v.t.

:

Deze regelgeving is niet van toepassing (geen voorschriften).

(14)  Indien in de bijzondere richtlijnen of verordeningen montagevoorschriften zijn opgenomen, zijn deze eveneens van toepassing op overeenkomstig de VN/ECE-reglementen goedgekeurde onderdelen en technische eenheden.

(15)  Voor latere wijzigingen: zie de laatste versie van UNECE TRANS/WP.29/343.

BIJLAGE V

Procedures voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen

1.   Bij indiening van een aanvraag voor een typegoedkeuring van een geheel voertuig gaat de EG-typegoedkeuringsinstantie als volgt te werk:

a)

zij controleert of alle EG-typegoedkeuringscertificaten die zijn afgegeven op grond van de regelgevingen die van toepassing zijn op de typegoedkeuring van voertuigen, het voertuigtype omvatten en aan de voorschriften voldoen;

b)

zij vergewist zich er met betrekking tot de verstrekte documenten van dat de voertuigspecificatie(s) en gegevens van deel 1 van het inlichtingenformulier voor het voertuig ook in de informatiepakketten en de EG-typegoedkeuringscertificaten in verband met de desbetreffende regelgevingen zijn opgenomen. Wanneer een nummer van een punt van deel I van het inlichtingenformulier niet voorkomt in het informatiepakket bij een regelgevingshandeling, vergewist zij zich ervan dat het desbetreffende onderdeel of kenmerk overeenkomt met de gegevens van het informatiedossier;

c)

zij verricht inspecties, of laat deze verrichten, van onderdelen en systemen van een aantal representatieve exemplaren van het goed te keuren type voertuig om te controleren of het (de) voertuig(en) gebouwd is (zijn) overeenkomstig de desbetreffende gegevens in het gewaarmerkte informatiepakket met betrekking tot de relevante EG-typegoedkeuringscertificaten;

d)

zij verricht, indien van toepassing, relevante controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de installatie van technische eenheden;

e)

zij verricht, indien van toepassing, de noodzakelijke controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de aanwezigheid van inrichtingen zoals bedoeld in de voetnoten (1) en (2) van bijlage IV, deel I.

2.   Het aantal in de zin van punt 1, onder c), te inspecteren voertuigen moet voldoende zijn om een behoorlijke controle volgens de hiernavolgende criteria mogelijk te maken van de verschillende goed te keuren combinaties:

Voertuigcategorie

M1

M2

M3

N1

N2

N3

O1

O2

O3

O4

Criteria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Motor

X

X

X

X

X

X

Versnellingsbak

X

X

X

X

X

X

Aantal assen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbindingen)

X

X

X

X

X

X

Gestuurde assen (aantal en plaats)

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Carrosserievormen

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Aantal deuren

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Kant van het stuur

X

X

X

X

X

X

Aantal zitplaatsen

X

X

X

X

X

X

Uitrustingsniveau

X

X

X

X

X

X

3.   Als er geen goedkeuringscertificaat overeenkomstig een van de relevante regelgevingen beschikbaar is, gaat de EG-typegoedkeuringsinstantie als volgt te werk:

a)

zij zorgt ervoor dat de nodige tests en controles volgens de voorschriften van elk van de relevante regelgevingen plaatsvinden;

b)

zij controleert of het voertuig in overeenstemming is met de gegevens van het informatiedossier van het voertuig en of het voldoet aan de technische voorschriften van elk van de relevante regelgevingen;

c)

zij verricht, indien van toepassing, relevante controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de installatie van technische eenheden;

d)

zij verricht, indien van toepassing, de noodzakelijke controles, of laat deze verrichten, met betrekking tot de aanwezigheid van inrichtingen zoals bedoeld in de voetnoten (1) en (2) van bijlage IV, deel I.

Aanhangsel 1

Normen waaraan de in artikel 41 bedoelde entiteiten moeten voldoen

Activiteiten in verband met tests voor typegoedkeuring die moeten worden verricht overeenkomstig de in bijlage IV bij deze richtlijn opgesomde regelgevingen:

1.1.   Categorie A (tests verricht in eigen voorzieningen):

EN ISO/IEC 17025: 2005 betreffende de algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria;

Een technische dienst die is aangewezen voor activiteiten van categorie A mag de in de regelgevingen bedoelde tests waarvoor hij is aangewezen, in de voorzieningen van een fabrikant of een derde partij verrichten of daar toezicht op houden.

1.2.   Categorie B (toezicht houden op tests die in de voorzieningen van een fabrikant of van een derde partij worden verricht):

EN ISO/IEC 17020: 2004 betreffende de algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.

Vóór het verrichten van of toezicht houden op tests in de voorzieningen van een fabrikant of een derde partij controleert de technische dienst of de testvoorzieningen en meetinstrumenten voldoen aan de ter zake geldende voorschriften van de in punt 1.1 vermelde norm.

Activiteiten in verband met de overeenstemming van de productie

2.1.   Categorie C (procedure voor de eerste beoordeling en de controles in het kader van het toezicht op het systeem voor kwaliteitszorg van de fabrikant):

EN 45012: 1998 betreffende de algemene eisen voor instellingen die beoordeling en certificatie/registratie van kwaliteitssystemen uitvoeren.

2.2.   Categorie D (keuren of testen van productiemonsters of het toezicht houden op het keuren of testen):

EN ISO/IEC 17020: 2004 betreffende de algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.

Aanhangsel 2

Procedure voor de beoordeling van de technische diensten

1.   DOELSTELLING VAN DIT AANHANGSEL

1.1.   In dit aanhangsel worden de voorschriften bepaald voor de procedure voor de beoordeling van de technische diensten door de in artikel 42 van deze richtlijn bedoelde bevoegde instantie.

1.2.   Deze voorschriften zijn van dienovereenkomstige toepassing op alle technische diensten, ongeacht hun juridische status (onafhankelijke organisatie, fabrikant of goedkeuringsinstantie die als technische dienst optreedt).

2.   BEGINSELEN VAN DE BEOORDELING

De beoordeling is gebaseerd op een aantal beginselen:

het beginsel van de onafhankelijkheid, dat de basis vormt voor de onpartijdigheid en de objectiviteit van de conclusies,

het beginsel dat de aanpak gebaseerd moet zijn op feiten, wat garant staat voor betrouwbare en reproduceerbare conclusies.

Controleurs moeten blijk geven van betrouwbaarheid en integriteit, en moeten de vertrouwelijkheid en geheimhouding eerbiedigen. Zij moeten resultaten en conclusies waarheidsgetrouw en accuraat weergeven.

3.   VEREISTE VAARDIGHEDEN VAN DE CONTROLEURS

3.1.   De beoordelingen mogen uitsluitend worden verricht door controleurs die daartoe de nodige technische en administratieve kennis hebben.

3.2.   De controleurs moeten een specifieke opleiding voor beoordelingsactiviteiten hebben gekregen. Zij moeten bovendien over specifieke kennis beschikken van de technische sector waarin de technische dienst zijn activiteiten zal verrichten.

3.3.   Onverminderd de bepalingen van punt 3.1. en 3.2. dient de in artikel 42, lid 4, bedoelde beoordeling te worden verricht door controleurs die geen belang hebben bij de activiteiten waarvoor de beoordeling wordt verricht.

4.   AANVRAAG TOT AANWIJZING

4.1.   Een gemachtigde vertegenwoordiger van de aanvragende technische dienst dient bij de bevoegde instantie een formele aanvraag in, die de volgende gegevens bevat:

a)

algemene kenmerken van de technische dienst, onder meer ondernemingsvorm, naam, adressen, juridische status en personele en technische middelen;

b)

algemene informatie over de technische dienst, bijvoorbeeld over de activiteiten ervan, de verhouding tot een ruimer ondernemingsverband, indien van toepassing, en de adressen van alle fysieke locaties die onder het toepassingsgebied van de aanwijzing moeten vallen;

c)

een verklaring van de technische dienst dat aan alle voorschriften voor de aanwijzing en de andere verplichtingen wordt voldaan, zoals bepaald in de toepasselijke richtlijnen;

d)

een beschrijving van de diensten voor overeenstemmingsbeoordeling die de technische dienst verricht in het kader van de toepasselijke richtlijnen, en een lijst van de richtlijnen waarvoor de technische dienst om aanwijzing verzoekt, met inbegrip van beperkingen van de mogelijkheden, indien van toepassing;

e)

een exemplaar van het kwaliteitshandboek van de technische dienst.

4.2.   De bevoegde instantie dient na te gaan of de door de technische dienst verstrekte informatie adequaat is.

5.   BEOORDELING VAN DE MIDDELEN

De bevoegde instantie dient na te gaan of zij de technische dienst kan beoordelen, rekening houdend met haar eigen beleid, haar competentie en de beschikbaarheid van geschikte controleurs en deskundigen.

6.   UITBESTEDEN VAN DE BEOORDELING

6.1.   De bevoegde instantie kan gedeelten van de beoordeling aan een andere aanwijzende instantie uitbesteden of de hulp inroepen van technische deskundigen van andere bevoegde instanties. De onderaannemers en de deskundigen moeten door de aanvragende technische dienst worden aanvaard.

6.2.   De bevoegde instantie dient rekening te houden met erkenningsattesten van passende reikwijdte om de algemene beoordeling van de technische dienst te voltooien.

7.   VOORBEREIDING VOOR DE BEOORDELING

7.1.   De bevoegde instantie wijst formeel een beoordelingsteam aan. De bevoegde instantie ziet erop toe dat bij elke opdracht de passende expertise beschikbaar is. Het team als geheel moet in het bijzonder de volgende kenmerken hebben:

a)

het moet over de passende kennis beschikken van het specifieke toepassingsgebied waarvoor om aanwijzing wordt verzocht, en

b)

het moet voldoende kennis hebben om een betrouwbare beoordeling te kunnen verrichten van de competentie van de technische dienst om binnen het toepassingsgebied van de aanwijzing te functioneren.

7.2.   De bevoegde instantie moet de opdracht die aan het beoordelingsteam wordt gegeven, duidelijk omschrijven. De opdracht van het beoordelingsteam bestaat erin de documenten die de aanvragende technische dienst heeft ingediend, te beoordelen en de beoordeling ter plaatse te verrichten.

7.3.   De bevoegde instantie maakt met de technische dienst en het aangewezen beoordelingsteam afspraken over de datum en het tijdschema voor de beoordeling. De bevoegde instantie dient hierbij evenwel te streven naar een datum die in overeenstemming is met het plan voor controle en herbeoordeling.

7.4.   De bevoegde instantie zorgt ervoor dat het beoordelingsteam over de passende documenten met voorschriften, de vorige beoordelingsverslagen en de passende documenten en stukken van de technische dienst beschikt.

8.   BEOORDELING TER PLAATSE

Het beoordelingsteam verricht de beoordeling van de technische dienst op de locatie van de technische dienst waarvandaan één of meer sleutelactiviteiten worden verricht, en woont in voorkomend geval activiteiten bij op andere geselecteerde locaties waar de technische dienst werkzaam is.

9.   ANALYSE VAN DE BEVINDINGEN EN BEOORDELINGSVERSLAG

9.1.   Het beoordelingsteam analyseert alle relevante gegevens en bewijzen die zijn verzameld tijdens de beoordeling van documenten en stukken en tijdens de beoordeling ter plaatse. Deze analyse moet het team voldoende mogelijkheden bieden om te bepalen in hoeverre de technische dienst competent is en aan de voorwaarden voor aanwijzing voldoet.

De procedures voor verslaglegging van de bevoegde instantie moeten garanderen dat aan de hiernavolgende voorschriften wordt voldaan.

9.2.1.   Het beoordelingsteam en een vertegenwoordiging van de technische dienst komen bijeen vooraleer het team de locatie verlaat. Het beoordelingsteam brengt bij die gelegenheid schriftelijk en/of mondeling verslag uit over de uitslag van de analyse. De technische dienst moet de gelegenheid krijgen om vragen te stellen over de uitslag, onder meer over eventuele onvolkomenheden, alsmede over de gegevens waarop de uitslag is gebaseerd.

9.2.2.   Voorts moet onverwijld een schriftelijk verslag over het resultaat van de beoordeling aan de technische dienst worden voorgelegd. Dit beoordelingsverslag bevat opmerkingen over de competentie en de conformiteit, en geeft eventuele onvolkomenheden aan die moeten worden verholpen teneinde aan alle voorschriften voor aanwijzing te voldoen.

9.2.3.   De technische dienst wordt verzocht te reageren op het beoordelingsverslag en om de specifieke maatregelen te omschrijven die zijn genomen of binnen een welbepaalde termijn zullen worden genomen om aangegeven onvolkomenheden te verhelpen.

9.3.   De bevoegde instantie zorgt ervoor dat de maatregelen van de technische dienst met het oog op het verhelpen van onvolkomenheden worden getoetst teneinde te bepalen of die maatregelen toereikend en doelmatig zijn. Indien de maatregelen van de technische dienst ontoereikend worden geacht, moet om nadere informatie worden verzocht. Bovendien kan worden verzocht om het bewijs te leveren van de daadwerkelijke uitvoering van de genomen maatregelen, of kan een follow-up-beoordeling worden verricht om de daadwerkelijke uitvoering van corrigerende maatregelen na te gaan.

9.4.   Het beoordelingsverslag omvat ten minste de volgende elementen:

a)

de unieke identificatie van de technische dienst;

b)

de datum of de data van de beoordeling ter plaatse;

c)

de naam van de bij de beoordeling betrokken controleur(s) en/of deskundige(n);

d)

de unieke identificatie van alle beoordeelde locaties;

e)

het voorgestelde toepassingsgebied voor aanwijzing dat werd beoordeeld;

f)

een verklaring betreffende de doelmatigheid van de interne organisatie en procedures van de technische dienst die het vertrouwen in de competentie van de dienst bevestigt, in samenhang met het voldoen aan de eisen voor aanwijzing;

g)

informatie over het verhelpen van alle onvolkomenheden;

h)

een aanbeveling om de aanvrager al dan niet aan te wijzen of te bevestigen als technische dienst, zo ja, het toepassingsgebied van de aanwijzing.

10.   TOEKENNEN/BEVESTIGEN VAN EEN AANWIJZING

10.1.   De goedkeuringsinstantie neemt zo snel mogelijk een besluit over de toekenning, bevestiging of verlenging van een aanwijzing op basis van het verslag (de verslagen) en alle andere relevante informatie.

10.2.   De goedkeuringsinstantie geeft een certificaat af aan de technische dienst. Dit certificaat bevat de volgende gegevens:

a)

de identificatiegegevens en het logo van de goedkeuringsinstantie;

b)

de unieke identificatiegegevens van de aangewezen technische dienst;

c)

de werkelijke datum van toekenning van de aanwijzing en de datum waarop de aanwijzing verstrijkt;

d)

een korte omschrijving of een verwijzing naar het toepassingsgebied van de aanwijzing (toepasselijke richtlijnen, verordeningen of gedeelten ervan);

e)

een verklaring van conformiteit en een verwijzing naar de onderhavige richtlijn.

11.   HERBEOORDELING EN CONTROLE

11.1.   Een herbeoordeling is vergelijkbaar met een eerste beoordeling, met dien verstande dat tevens rekening wordt gehouden met de ervaringen tijdens voorgaande beoordelingen. Controlebeoordelingen ter plaatse zijn minder uitgebreid dan herbeoordelingen.

11.2.   De bevoegde instantie moet haar plan voor herbeoordeling en controle van elke aangewezen technische dienst zodanig opstellen dat regelmatig representatieve steekproeven van het toepassingsgebied voor aanwijzing worden beoordeeld.

De tijd tussen beoordelingen ter plaatse in het kader van herbeoordeling of controle, hangt af van de gelijkmatigheid waarvan de technische dienst blijk heeft gegeven.

11.3.   Wanneer bij een controle of herbeoordeling onvolkomenheden worden vastgesteld, stelt de bevoegde instantie strikte termijnen vast voor de uitvoering van corrigerende maatregelen.

11.4.   Wanneer de maatregelen ter correctie of verbetering niet binnen de afgesproken termijn zijn genomen of ontoereikend worden geacht, neemt de bevoegde instantie de passende maatregelen, zoals het verrichten van een bijkomende beoordeling of de schorsing/intrekking van de aanwijzing voor een of meer van de activiteiten waarvoor de technische dienst is aangewezen.

11.5.   Wanneer de bevoegde instantie besluit om de aanwijzing van een technische dienst te schorsen of in te trekken, brengt zij de technische dienst daarvan per aangetekend schrijven op de hoogte. De bevoegde instantie neemt in ieder geval alle nodige maatregelen om de continuïteit te waarborgen van de activiteiten waarmee de technische dienst reeds een aanvang heeft gemaakt.

12.   REGISTERS BETREFFENDE AANGEWEZEN TECHNISCHE DIENSTEN

12.1.   De bevoegde instantie houdt registers van technische diensten bij, ten bewijze dat daadwerkelijk aan de eisen voor aanwijzing, onder meer qua competentie, is voldaan.

12.2.   De bevoegde instantie beveiligt de registers betreffende de technische diensten teneinde de vertrouwelijkheid te waarborgen.

12.3.   De registers betreffende de technische diensten omvatten ten minste de volgende elementen:

a)

relevante correspondentie;

b)

stukken en verslagen betreffende de beoordelingen;

c)

afschriften van aanwijzingscertificaten.

BIJLAGE VI

MODEL A

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

Stempel van de EG-typegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende:

van een:

EG-typegoedkeuring (1)

compleet voertuig (1)

uitbreiding van de EG-typegoedkeuring (1)

voltooid voertuig (1)

weigering van de EG-typegoedkeuring (1)

incompleet voertuig (1)

intrekking van de EG-typegoedkeuring (1)

voertuig met complete en incomplete varianten (1)

voertuig met voltooide en incomplete varianten (1)

met betrekking tot Richtlijn 2007/46/EG

EG-typegoedkeuringsnummer:

Reden voor uitbreiding:

DEEL I

0.1.   Merk (firmanaam):

Type:

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (2):

Middel tot identificatie van het type, indien op het voertuig aangegeven:

0.3.1.   Plaats van dat merkteken:

0.4.   Categorie waartoe het voertuig behoort (3):

0.5.   Naam en adres van de fabrikant van het complete voertuig (1):

Naam en adres van de fabrikant van het basisvoertuig (1)  (4):

Naam en adres van de fabrikant van de recentste bouwfase van het incomplete voertuig (1)  (4):

Naam en adres van de fabrikant van het voltooide voertuig (1)  (4):

0.8.   Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

DEEL II

Hierbij verklaart ondergetekende dat de door de fabrikant in bijgevoegd inlichtingenformulier gegeven beschrijving van het (de) hierboven beschreven voertuig(en) correct is (een of meer exemplaren zijn door de EG-typegoedkeuringsinstantie geselecteerd en door de fabrikant ter beschikking gesteld als prototype(s) van het voertuigtype) en dat de bijgevoegde testresultaten betrekking hebben op het voertuigtype.

1.   Voor complete en voltooide voertuigen/varianten (1):

Het voertuigtype voldoet/voldoet niet (1) aan de technische voorschriften van alle relevante regelgeving die in de bijlagen IV en XI (1)  (4) bij Richtlijn 2007/46/EG staan vermeld.

2.   Voor incomplete voertuigen/varianten (1):

Het voertuigtype voldoet/voldoet niet (1) aan de technische voorschriften van de regelgevingen die in de tabel op bladzijde 2 staan vermeld.

3.   De goedkeuring is verleend/geweigerd/ingetrokken (1).

4.   De goedkeuring is overeenkomstig artikel 20 verleend en de geldigheid van de goedkeuring is derhalve beperkt tot (dd/mm/jj).

(Plaats)

(Handtekening)

(Datum)


Bijlagen:

Informatiepakket.

Testresultaten (zie bijlage VIII).

Naam en handtekening (specimens) van de personen die gemachtigd zijn certificaten van overeenstemming te tekenen en een verklaring omtrent hun functie in het bedrijf.

NB: Indien dit model wordt gebruikt voor de typegoedkeuring overeenkomstig artikel 20, 22 of 23 mag het opschrift „EG-typegoedkeuringscertificaat” niet worden gebruikt, behalve

in het in artikel 20 genoemde geval dat de Commissie heeft besloten een lidstaat een typegoedkeuring overeenkomstig deze richtlijn te verlenen;

in het geval van voertuigen van categorie M1 waaraan volgens de in artikel 22 beschreven procedure typegoedkeuring is verleend.

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR VOERTUIGEN

Bladzijde 2

Deze EG-typegoedkeuring is voor wat incomplete en voltooide voertuigen of varianten betreft, gebaseerd op de goedkeuring(en) voor de onderstaande incomplete voertuigen:

Fase 1: Fabrikant van het basisvoertuig:

EG-typegoedkeuringsnummer:

Datum:

Van toepassing op varianten:

Fase 2: Fabrikant:

EG-typegoedkeuringsnummer:

Datum:

Van toepassing op varianten:

Fase 3: Fabrikant:

EG-typegoedkeuringsnummer:

Datum:

Van toepassing op varianten:

Wanneer de goedkeuring betrekking heeft op een of meer incomplete varianten, aangeven welke varianten compleet of voltooid zijn.

Complete/voltooide variant(en):

Lijst van voorschriften die van toepassing zijn op het goedgekeurde incomplete voertuigtype of de goedgekeurde incomplete variant, al naar gelang het geval, waarbij rekening wordt gehouden met het toepassingsgebied en de laatste wijziging van elk van onderstaande regelgevingen.

Punt

Onderwerp

Regelgevingsreferentie

Laatste wijziging

Van toepassing op varianten