EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004R0882R(01)

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004)

OJ L 191, 28.5.2004, p. 1–52 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/882/corrigendum/2004-05-28/oj

28.5.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 191/1


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn

( Publicatieblad van de Europese Unie L 165 van 30 april 2004 )

Verordening (EG) nr. 882/2004 moet als volgt worden gelezen:

VERORDENING (EG) Nr. 882/2004 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 april 2004

inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, artikel 95 en artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Diervoeders en levensmiddelen moeten veilig en gezond zijn. De communautaire wetgeving bevat een stelsel van voorschriften die moeten verzekeren dat deze doelstelling wordt verwezenlijkt. Deze voorschriften bestrijken ook de productie en het in de handel brengen van diervoeders en levensmiddelen.

(2)

De basisregels met betrekking tot wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (4).

(3)

Naast deze basisvoorschriften is er ook een meer specifieke wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, die verschillende terreinen bestrijkt, zoals diervoeding (ook met medicinale werking), diervoeder- en voedselhygiëne, zoönosen, dierlijke bijproducten, residuen en verontreinigende stoffen, controle en uitroeiing van dierziekten die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid, etikettering van diervoeders en levensmiddelen, pesticiden, diervoeder- en levensmiddelenadditieven, vitaminen, minerale zouten, sporenelementen en andere additieven, materiaal dat met levensmiddelen in aanraking is geweest, kwaliteit en eisen betreffende de samenstelling, drinkwater, ionisering, nieuwe levensmiddelen en genetisch gemodificeerde organismen (GGO's).

(4)

De communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen is gebaseerd op het beginsel dat de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat de diervoeders en levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de diervoeder- en levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid.

(5)

Diergezondheid en dierenwelzijn zijn belangrijke factoren die bijdragen tot de kwaliteit en de veiligheid van levensmiddelen, het voorkomen van de verspreiding van dierenziekten en een humane behandeling van dieren. De daarop van toepassing zijnde voorschriften zijn neergelegd in verschillende rechtsbesluiten. Daarin wordt bepaald aan welke verplichtingen inzake diergezondheid en dierenwelzijn natuurlijke en rechtspersonen moeten voldoen, alsook welke taken de bevoegde autoriteiten hebben.

(6)

De lidstaten handhaven de diervoeder- en levensmiddelenwetgeving en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn en gaan na of de exploitanten van bedrijven de toepasselijke bepalingen daarvan in alle stadia van de productie, verwerking en distributie naleven. Daartoe moeten officiële controles worden uitgevoerd.

(7)

Op communautair niveau dient derhalve een geharmoniseerd kader van algemene voorschriften voor de organisatie van die controles gecreëerd te worden. In het licht van de ervaring moet worden nagegaan of dat algemene kader naar behoren functioneert, met name op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn. De Commissie zou derhalve een verslag moeten voorleggen, zo nodig vergezeld van een voorstel.

(8)

In het algemeen moet dit communautaire kader geen officiële controles omvatten met betrekking tot voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, aangezien deze controles reeds voldoende bestreken worden door Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organisme (5). Bepaalde aspecten van deze verordening moeten echter ook van toepassing zijn op de sector gezondheid van planten, in het bijzonder aspecten die verband houden met het opstellen van meerjarige nationale controleplannen en het opzetten van communautaire inspecties in de lidstaten en in derde landen. Derhalve is het aangewezen Richtlijn 2000/29/EG dienovereenkomstig aan te passen.

(9)

Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (6), Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (7) en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen (8) bevatten specifieke maatregelen voor het toezicht op de naleving van de erin vervatte vereisten. Deze vereisten van deze verordening moeten flexibel genoeg zijn om rekening te houden met de specifieke aard van deze gebieden.

(10)

Voor het toezicht op de naleving van de regelgeving die in het kader van de gemeenschappelijke landbouwmarkt (bv. voor landbouwgewassen, wijn, olijfolie, groenten en fruit, hopplanten, melk en zuivelproducten, rund- en kalfsvlees, schapenvlees, geitenvlees en honing) van kracht is, bestaat reeds een goed functionerend specifiek controlesysteem. Om die reden moet deze verordening niet op die gebieden van toepassing zijn, temeer daar deze verordening andere doelstellingen heeft dan de controlemechanismen die van toepassing zijn op de gemeenschappelijke landbouwmarkt.

(11)

De voor officiële controles bevoegde autoriteiten moeten aan een aantal operationele criteria voldoen die hun doeltreffendheid en onpartijdigheid moeten garanderen. Zij dienen over voldoende goed opgeleide en ervaren medewerkers te beschikken, alsmede over de nodige faciliteiten en uitrusting om hun taken naar behoren te kunnen vervullen.

(12)

De officiële controles moeten worden uitgevoerd met aangepaste, daartoe ontwikkelde methoden en zij omvatten de controles in het kader van de normale bewaking en meer intensieve controles zoals inspecties, verificaties, audits, bemonstering en onderzoek van monsters. De correcte toepassing van deze methoden vereist een aangepaste opleiding van het met de officiële controles belaste personeel. Opleiding is ook noodzakelijk om te verzekeren dat de bevoegde autoriteiten op uniforme wijze beslissingen nemen, in het bijzonder inzake de toepassing van de HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points)-beginselen.

(13)

De frequentie van de officiële controles moet regelmatig zijn en in verhouding staan tot het risico, rekening houdende met de resultaten van de controles van exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven in het kader van op HACCP-gebaseerde controleprogramma's of programma's voor kwaliteitsborging, voorzover deze bedoeld zijn voor de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. Indien er een vermoeden bestaat dat de wetgeving niet wordt nageleefd, moeten er ad-hoccontroles worden uitgevoerd. Voorts kunnen ad-hoccontroles op ieder moment worden uitgevoerd, ook als er geen vermoeden bestaat dat de wetgeving niet wordt nageleefd.

(14)

De officiële controles moeten plaatsvinden op basis van gedocumenteerde procedures met het oog op uniformiteit en een constante hoge kwaliteit ervan.

(15)

De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat, wanneer, bij het uitvoeren van de controles, meer diensten betrokken zijn, gezorgd wordt voor adequate coördinatieprocedures.

(16)

De bevoegde autoriteiten moeten er ook voor zorgen dat er, waar de bevoegdheid tot het uitvoeren van officiële controles door het centrale niveau aan een regionaal of lokaal niveau is gedelegeerd, een doeltreffende en efficiënte coördinatie plaatsvindt tussen het centrale niveau en het regionale of lokale niveau.

(17)

Laboratoria die betrokken zijn bij de analyse van officiële monsters, dienen internationaal goedgekeurde procedures of op criteria gebaseerde prestatienormen te volgen en zo veel mogelijk gevalideerde analysemethoden te gebruiken. Die laboratoria moeten met name over een uitrusting beschikken die een correcte bepaling van de in de communautaire wetgeving vervatte normen, zoals maximumgehalten aan residuen, mogelijk maakt.

(18)

De aanwijzing van communautaire en nationale referentielaboratoria moet bijdragen tot een hoge kwaliteit en uniformiteit van de analyseresultaten. Dit doel kan worden bereikt door de toepassing van gevalideerde analysemethoden, door te zorgen voor referentiemateriaal, het opzetten van vergelijkende tests en de opleiding van laboratoriumpersoneel.

(19)

De activiteiten van de referentielaboratoria moeten alle aspecten van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen alsook inzake diergezondheid en dierenwelzijn beslaan, in het bijzonder die gebieden waar behoefte is aan precieze analytische en diagnostische resultaten.

(20)

Voor een aantal activiteiten die verband houden met officiële controles, heeft de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN) Europese normen (EN) ontwikkeld die geschikt zijn voor de doeleinden van deze verordening. Deze Europese normen (EN) hebben voornamelijk betrekking op de werking en de evaluatie van de onderzoekslaboratoria en op de werking en de erkenning van de controleorganen. Ook door de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) en de Internationale Vereniging voor Theoretische en Toegepaste Scheikunde (IUPAC) zijn internationale normen opgesteld. Deze normen kunnen in bepaalde goed gedefinieerde gevallen passen voor de doelstellingen van deze verordening, rekening houdend met het feit dat in de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen criteria voor de prestaties zijn vastgesteld om flexibiliteit en kosteneffectiviteit te verzekeren.

(21)

Er dienen regelingen getroffen te worden voor het delegeren van bevoegdheden inzake het verrichten van specifieke controleopdrachten van de bevoegde autoriteit naar een controleorgaan, en betreffende de voorwaarden waaronder deze delegatie kan plaatsvinden.

(22)

Er dienen passende procedures te zijn voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten, met name indien bij officiële controles blijkt dat diervoeder- en levensmiddelenproblemen zich tot meerdere lidstaten uitstrekken. Om deze samenwerking te vergemakkelijken, dienen de lidstaten één of meer contactinstanties aan te wijzen die tot taak hebben het doorgeven en behandelen van verzoeken om bijstand te coördineren.

(23)

Overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EG) nr. 178/2002 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van elke beschikbare informatie inzake een ernstig direct of indirect risico voor de gezondheid van de mens verband houdend met levensmiddelen of diervoeders.

(24)

Het is van belang uniforme procedures in te stellen voor de controle van de invoer naar het grondgebied van de Gemeenschap van diervoeders en levensmiddelen uit derde landen, rekening houdende met het feit dat er reeds geharmoniseerde invoerprocedures bestaan voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong die vallen onder Richtlijn 97/78/EG van de Raad (9) en levende dieren die vallen onder Richtlijn 91/496/EEG van de Raad (10).

Deze bestaande procedures functioneren goed en dienen gehandhaafd te blijven.

(25)

De in Richtlijn 97/78/EG bedoelde controles op diervoeders en levensmiddelen uit derde landen beperken zich tot de veterinaire aspecten. Het is noodzakelijk deze controles aan te vullen met officiële controles die niet-veterinaire aspecten bestrijken, zoals controles van additieven, etikettering, traceerbaarheid, bestraling van levensmiddelen en van materiaal dat met levensmiddelen in aanraking is geweest.

(26)

De communautaire wetgeving voorziet ook in procedures voor de controle van geïmporteerde diervoeders krachtens Richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding (11). Deze richtlijn omvat beginselen en procedures die door de lidstaten voor het in het vrije verkeer brengen van geïmporteerde diervoeders moeten worden toegepast.

(27)

Het is passend om communautaire voorschriften op te stellen om te verzekeren dat diervoeders en levensmiddelen uit derde landen officieel gecontroleerd worden voordat zij in de Gemeenschap vrij op de markt komen. Er dient speciaal aandacht te worden besteed aan invoercontroles op diervoeders en levensmiddelen waarvoor eventueel een verhoogd besmettingsrisico bestaat.

(28)

Er dient ook te worden voorzien in de organisatie van officiële controles van diervoeders en levensmiddelen die naar het grondgebied van de Gemeenschap worden ingevoerd onder andere douaneprocedures dan vrij verkeer, en in het bijzonder onder de douaneprocedures die vermeld worden in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (12), of die in vrije zones of vrije entrepots worden ingevoerd. Hieronder valt ook de invoer van diervoeders en levensmiddelen uit derde landen door passagiers van internationale vervoermiddelen en door pakjes die per post zijn verzonden.

(29)

Voor officiële controles van diervoeders en levensmiddelen moet het grondgebied van de Gemeenschap worden gedefinieerd waarbinnen de regelgeving van toepassing is, zodat wordt gegarandeerd dat diervoeders en levensmiddelen die naar dat grondgebied worden ingevoerd, onderworpen worden aan de in deze verordening voorgeschreven controles. Dit grondgebied is niet noodzakelijk identiek met het grondgebied zoals bedoeld in artikel 299 van het Verdrag, of zoals bedoeld in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

(30)

Om een meer efficiënte organisatie van de officiële controles van diervoeders en levensmiddelen uit derde landen te verzekeren en om de handelsstromen te vergemakkelijken kan het nodig zijn specifieke punten van binnenkomst aan te wijzen voor diervoeders en levensmiddelen uit derde landen die naar het grondgebied van de Gemeenschap worden ingevoerd. Zo kan het ook noodzakelijk zijn voorafgaande kennisgeving te verlangen van de aankomst van goederen op het grondgebied van de Gemeenschap. Gewaarborgd moet worden dat elk specifiek punt van binnenkomst toegang heeft tot adequate faciliteiten om controles binnen een redelijke tijdslimiet te verrichten.

(31)

Bij het vaststellen van regelgeving voor de officiële controles van diervoeders en levensmiddelen uit derde landen moet worden verzekerd dat de bevoegde autoriteiten en de douaneautoriteiten samenwerken, rekening houdend met de terzake reeds bestaande regelgeving van Verordening (EEG) nr. 339/93 van de Raad van 8 februari 1993 betreffende controles op de overeenstemming van uit derde landen ingevoerde producten met de op het gebied van de productveiligheid toepasselijke voorschriften (13).

(32)

Voor de organisatie van officiële controles moeten passende financiële middelen ter beschikking worden gesteld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten derhalve vergoedingen of kostenbijdragen kunnen innen ter dekking van de kosten van die officiële controles. Daarbij staat het de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vrij de vergoedingen en kostenbijdragen vast te stellen als vaste bedragen op basis van de gedragen kosten en rekening houdend met de specifieke situatie van de inrichtingen. Indien een vergoeding wordt gevraagd van exploitanten, moeten daarvoor gemeenschappelijke criteria worden toegepast. Het is derhalve passend criteria vast te stellen voor het bepalen van de hoogte van de inspectievergoeding. Wat de vergoedingen voor invoercontroles betreft, is het met het oog op een uniforme toepassing en om handelsverstoringen te vermijden noodzakelijk voor de voornaamste invoerproducten de tarieven rechtstreeks vast te stellen.

(33)

De communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen voorziet in de registratie of erkenning van bepaalde diervoeder- en levensmiddelenbedrijven door de bevoegde autoriteit. Dit geldt met name voor Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (14), Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (14), Richtlijn 95/69/EG van de Raad van 22 december 1995 houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen voor de erkenning en registratie van bedrijven en tussenpersonen in de sector diervoeding (15) en de toekomstige verordening inzake diervoederhygiëne.

Er moet worden gezorgd voor procedures om deze registratie en erkenning van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven op een efficiënte en transparante manier te laten gebeuren.

(34)

Om een globale en uniforme aanpak van officiële controles te verzekeren, moeten de lidstaten aan de hand van de algemene richtsnoeren die op communautair niveau zijn opgesteld, meerjarige nationale controleplannen instellen en toepassen. Deze richtsnoeren moeten een samenhangende nationale aanpak bevorderen, in het licht van de risico's prioriteiten vaststellen en de meest efficiënte controleprocedures bepalen. Een communautaire strategie moet een alomvattende, geïntegreerde aanpak van de uitvoering van de controles mogelijk maken. Gezien het niet-bindende karakter van sommige technische richtsnoeren is het passend deze via de procedure van een raadgevend comité vast te stellen.

(35)

De meerjarige nationale controleplannen moeten de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen bestrijken en ook de wetgeving inzake diergezondheid en dierenwelzijn.

(36)

De meerjarige nationale controleplannen moeten een solide basis bieden voor de inspecties in de lidstaten door de inspectiediensten van de Commissie. Deze controleplannen moeten de inspectiediensten van de Commissie in staat stellen na te gaan of de officiële controles in de lidstaten georganiseerd zijn overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde criteria. Waar nodig, en met name in gevallen waar de audits van de lidstaten tekortkomingen of fouten in de meerjarige nationale controleplannen aan het licht brengen, moeten gedetailleerde inspecties en audits worden verricht.

(37)

De lidstaten dienen jaarlijks bij de Commissie een verslag in met informatie over de uitvoering van de meerjarige nationale controleplannen. Dit verslag dient de resultaten van de officiële controles en de audits van het voorafgaande jaar te bevatten en, indien nodig, de aanpassingen van het oorspronkelijke controleprogramma naar aanleiding van deze resultaten.

(38)

De communautaire controles in de lidstaten moeten de inspectiediensten van de Commissie in staat stellen na te gaan of de diervoeder- en levensmiddelenwetgeving en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn in heel de Gemeenschap op een uniforme en correcte manier worden uitgevoerd.

(39)

Communautaire controles in derde landen zijn vereist om na te gaan of de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en, in voorkomend geval, dierenwelzijn, of wetgeving van een vergelijkbaar niveau, worden nageleefd. Derde landen kan tevens worden verzocht informatie te verstrekken over hun controlesystemen. Deze informatie, die overeenkomstig de communautaire richtsnoeren moet worden opgesteld, moet de basis vormen voor de daaropvolgende inspecties door de Commissie, die moeten worden uitgevoerd in een multidisciplinair kader dat de voornaamste naar de Europese Unie exporterende sectoren bestrijkt. Deze ontwikkeling moet een vergemakkelijking van de huidige regeling mogelijk maken, een efficiënte samenwerking voor de controle bevorderen en daardoor de handelsstromen begunstigen.

(40)

Om voor geïmporteerde goederen de naleving van of de gelijkwaardigheid met de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen te verzekeren, zijn procedures nodig om invoervoorwaarden en, indien nodig, certificeringsvereisten vast te stellen.

(41)

Inbreuken op de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en op de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn kunnen een bedreiging vormen voor de gezondheid van mens en dier en voor het dierenwelzijn. In deze gevallen moeten daarom in heel de Gemeenschap doeltreffende, afschrikkende en evenredige strafmaatregelen worden getroffen op nationaal niveau.

(42)

Deze maatregelen moeten administratieve maatregelen van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten omvatten die daarvoor over de passende procedures moeten beschikken. Deze procedures hebben het voordeel dat snelle actie mogelijk is om de situatie weer in orde te brengen.

(43)

Exploitanten moeten het recht hebben beroep aan te tekenen tegen de beslissingen die de bevoegde autoriteit op grond van de officiële controles neemt; zij moeten van dit recht in kennis worden gesteld.

(44)

Het is passend om speciaal rekening te houden met de problemen van ontwikkelingslanden, en in het bijzonder van de minst ontwikkelde landen, en dienovereenkomstig maatregelen te treffen. De Commissie moet de ontwikkelingslanden steunen wat betreft de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen, die een belangrijk aspect van de volksgezondheid en handelsontwikkeling vormt. Die steun moet georganiseerd worden in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Gemeenschap.

(45)

De in deze verordening opgenomen voorschriften onderbouwen de geïntegreerde en horizontale benadering die noodzakelijk is voor de uitvoering van een coherent controlebeleid inzake de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn. Er moet evenwel enige ruimte worden gelaten voor de vaststelling van eventueel noodzakelijke specifieke controlevoorschriften, bijvoorbeeld wat betreft het op communautair niveau bepalen van maximumgehaltes aan residuen voor bepaalde verontreinigende stoffen. Evenzo dienen de meer specifieke voorschriften die op het gebied van de controle van diervoeders en levensmiddelen alsmede diergezondheid en dierenwelzijn bestaan, te worden gehandhaafd.

Hiermee worden onder meer de volgende rechtsinstrumenten bedoeld: Richtlijn 96/22/EG (16), Richtlijn 96/23/EG (17), Verordening (EG) nr. 854/2004 (18), Verordening (EG) nr. 999/2001 (19), Verordening (EG) nr. 2160/2003 (20), Richtlijn 86/362/EEG (21), Richtlijn 90/642/EEG (22) en de uitvoeringsbepalingen daarvan, Richtlijn 92/1/EEG (23), Richtlijn 92/2/EEG (24) en regelingen inzake de controle van dierziekten zoals mond- en klauwzeer, varkenspest, enz. alsmede vereisten voor de officiële controles op dierenwelzijn.

(46)

Deze verordening omvat gebieden die reeds in bepaalde momenteel van kracht zijnde rechtsbesluiten worden bestreken. Het is daarom zinvol in het bijzonder de hierna genoemde rechtsinstrumenten inzake controles op diervoeders en levensmiddelen in te trekken en te vervangen door de voorschriften van deze verordening: Richtlijn 70/373/EEG (25); Richtlijn 85/591/EEG (26); Richtlijn 89/397/EEG (27); Richtlijn 93/99/EEG (28); Beschikking 93/383/EEG (29); Richtlijn 95/53/EG; Richtlijn 96/43/EG (30); Beschikking 98/728/EG (31) en Beschikking 1999/313/EG (32).

(47)

De Richtlijnen 96/23/EG, 97/78/EG en 2000/29/EG moeten in het licht van deze verordening worden aangepast.

(48)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening (een geharmoniseerde aanpak van controles) niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege zijn complexe aard en zijn grensoverschrijdend en (met betrekking tot de invoer van diervoeders en levensmiddelen) internationaal karakter beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(49)

De maatregelen die voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijk zijn, moeten overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdhede (33) worden getroffen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP, WERKINGSSFEER, DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   In deze verordening worden algemene voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van officiële controles op de naleving van voorschriften die in het bijzonder zijn gericht op:

a)

het voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen van rechtstreekse of door het milieu veroorzaakte risico's voor mens en dier,

en

b)

het zorgen voor eerlijke praktijken in de handel in levensmiddelen en diervoeders en het beschermen van de belangen van de consument, onder meer door de etikettering van diervoeders en levensmiddelen en andere vormen van consumentenvoorlichting.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op officiële controles op de naleving van de voorschriften inzake de gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwproducten.

3.   Deze verordening laat specifieke communautaire bepalingen betreffende officiële controles onverlet.

4.   De uitvoering van officiële controles overeenkomstig deze verordening doet geen afbreuk aan de primaire wettelijke verantwoordelijkheid van exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven voor de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen bedoeld in Verordening (EG) nr. 178/2002, noch aan de burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit het niet nakomen van hun verplichtingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van de artikelen 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1.

„officiële controle”: elke vorm van controle die door de bevoegde autoriteit of door de Gemeenschap wordt uitgevoerd om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn worden nageleefd;

2.

„verificatie”: toetsen, via onderzoek en het in aanmerking nemen van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan;

3.

„diervoederwetgeving”: de wetten, verordeningen en administratieve bepalingen met betrekking tot diervoeders in het algemeen, en de veiligheid van diervoeders in het bijzonder, zowel op communautair als nationaal niveau; zij bestrijkt elk stadium van de productie, de verwerking, de distributie en het gebruik van diervoeders;

4.

„bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is officiële controles te organiseren, of elke andere autoriteit waaraan die bevoegdheid is gedelegeerd; dit begrip omvat tevens, in voorkomend geval, de overeenkomstige autoriteit van een derde land;

5.

„controleorgaan”: een onafhankelijke derde partij waaraan de bevoegde autoriteit bepaalde controletaken heeft gedelegeerd;

6.

„audit”: een systematisch en onafhankelijk onderzoek om te bepalen of de activiteiten en de resultaten daarvan aansluiten bij de gemaakte plannen en of deze plannen op een doeltreffende manier worden uitgevoerd en geschikt zijn om de gestelde doelen te bereiken;

7.

„inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

8.

„monitoring”: het uitvoeren van een gestructureerde reeks waarnemingen of metingen teneinde een overzicht te krijgen van de mate waarin de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn worden nageleefd;

9.

„bewaking”: een nauwkeurige waarneming van één of meer diervoeder- of levensmiddelenbedrijven, van de exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven of van hun activiteiten;

10.

„niet-naleving”: niet-naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, en de voorschriften inzake de bescherming van de diergezondheid en het dierenwelzijn;

11.

„bemonstering voor analyse”: het wegnemen van een diervoeder of een levensmiddel of een andere stof (ook uit het milieu) die van belang is voor de productie, verwerking of distributie van diervoeders of levensmiddelen dan wel voor de gezondheid van dieren, teneinde aan de hand van een analyse na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen dan wel de voorschriften inzake diergezondheid wordt nageleefd;

12.

„officiële certificering”: de procedure waarmee de bevoegde autoriteit of de controleorganen die bevoegd zijn in die hoedanigheid op te treden, een schriftelijke, elektronische of gelijkwaardige verzekering aangaande de naleving geeft/geven;

13.

„officiële inbewaringneming”: de procedure die de bevoegde autoriteit volgt om te verhinderen dat diervoeders of levensmiddelen worden verplaatst of dat ermee wordt geknoeid in afwachting van het besluit over de verdere bestemming ervan; deze procedure omvat de opslag van de diervoeders of levensmiddelen door de exploitant van het betrokken diervoeder- of levensmiddelenbedrijf overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit;

14.

„gelijkwaardigheid”: de mogelijkheid van verschillende methoden of maatregelen om er dezelfde doelstellingen mee te bereiken; verschillende systemen of maatregelen zijn „gelijkwaardig” als daarmee dezelfde doelstellingen bereikt kunnen worden;

15.

„invoer”: het in het vrije verkeer brengen van diervoeders of levensmiddelen, dan wel het voornemen om diervoeders of levensmiddelen in het vrije verkeer te brengen, in de zin van artikel 79 van Verordening (EEG) nr. 2913/92, op een van de in bijlage I genoemde grondgebieden;

16.

„binnenbrengen”: betekent zowel „invoer” zoals gedefinieerd in punt 15, als het onderwerpen van goederen aan de douaneprocedures van artikel 4, punt 16, onder b) tot en met f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, alsook het binnenbrengen in vrije zones of vrije entrepots;

17.

„documentencontrole”: een onderzoek van de handelsdocumenten en, indien daar aanleiding toe is, van de documenten die overeenkomstig de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen de zending moeten vergezellen;

18.

„overeenstemmingscontrole”: een visuele inspectie om na te gaan of de certificaten of andere begeleidende documenten wel degelijk overeenstemmen met de etikettering en de inhoud van de zending;

19.

„materiële controle”: controle van de diervoeders of levensmiddelen zelf, die controles van de transportmiddelen, verpakking, etikettering, temperatuur, bemonstering voor analyse en laboratoriumonderzoek kan omvatten, en alle overige controles die nodig zijn om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen wordt nageleefd;

20.

„controleplan”: een beschrijving opgesteld door de bevoegde autoriteit met algemene informatie over de structuur en de organisatie van haar officiële controlesystemen.

TITEL II

OFFICIËLE CONTROLES DOOR DE LIDSTATEN

HOOFDSTUK I

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 3

Algemene verplichtingen met betrekking tot de organisatie van officiële controles

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële controles regelmatig en op basis van een risicobeoordeling worden uitgevoerd om de doelstellingen van deze verordening te bereiken, rekening houdend met:

a)

vastgestelde risico's die verband houden met dieren, diervoeders of levensmiddelen, diervoeder- of levensmiddelenbedrijven, het gebruik van diervoeders of levensmiddelen, of processen, materialen, substanties, activiteiten of werkzaamheden die invloed kunnen hebben op de veiligheid van diervoeders of levensmiddelen, de diergezondheid of het dierenwelzijn;

b)

de antecedenten van de exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven wat betreft de naleving van de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen en van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

c)

de betrouwbaarheid van de eigen controles die reeds zijn uitgevoerd,

en

d)

alle informatie die zou kunnen wijzen op niet-naleving.

2.   De officiële controles worden uitgevoerd zonder voorafgaande waarschuwing, behalve in gevallen zoals audits waarvoor een voorafgaande kennisgeving aan de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf noodzakelijk is. De officiële controles kunnen ook op een ad-hocbasis worden uitgevoerd.

3.   De officiële controles worden uitgevoerd in elk stadium van de productie, verwerking en distributie van diervoeders of levensmiddelen en van dieren en dierlijke producten. Zij omvatten controles van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven, het gebruik van diervoeders en levensmiddelen, de opslag van diervoeders en levensmiddelen, processen, materialen of substanties, activiteiten of werkzaamheden, waaronder het vervoer, die voor de verwezenlijking van de doelen van deze verordening worden toegepast op diervoeders of levensmiddelen en op levende dieren.

4.   De officiële controles bestrijken, met dezelfde zorg, zowel uitvoer uit de Gemeenschap, als het in de handel brengen binnen de Gemeenschap en binnenbrengen uit derde landen naar het grondgebied van de in bijlage I genoemde grondgebieden.

5.   De lidstaten nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat voor verzending naar een andere lidstaat bestemde producten met dezelfde zorg worden gecontroleerd als producten die bestemd zijn om op hun eigen grondgebied in de handel te worden gebracht.

6.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming kan door middel van niet-discriminerende controles nagaan of de diervoeders en levensmiddelen voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen. Voorzover dit strikt nodig is voor de organisatie van de officiële controles, kunnen de lidstaten de exploitanten die goederen van een andere lidstaat aan hen hebben geleverd, verzoeken de aankomst van die goederen te melden.

7.   Indien een lidstaat bij een controle op de plaats van bestemming of tijdens de opslag of het transport vaststelt dat niet aan de voorschriften is voldaan, neemt hij passende maatregelen, die onder andere terugzending naar de lidstaat van oorsprong kunnen inhouden.

HOOFDSTUK II

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 4

Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en operationele criteria

1.   De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de in deze verordening vastgestelde taken en officiële controles.

2.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat:

a)

de doeltreffendheid en relevantie van de officiële controles van levende dieren, diervoeders en levensmiddelen in alle stadia van de productie, de verwerking en de distributie en van het gebruik van diervoeders gegarandeerd is;

b)

het personeel dat de officiële controles verricht vrij is van elke belangenverstrengeling;

c)

zij over een aangepaste laboratoriumcapaciteit voor tests en over voldoende personeel met passende kwalificaties en ervaring beschikken, of daarop een beroep kunnen doen, om de officiële controles en controletaken doelmatig en correct te kunnen uitvoeren;

d)

zij over passende en goed onderhouden inrichtingen en uitrustingen beschikken, opdat het personeel de officiële controles doelmatig en correct kan uitvoeren;

e)

zij over de nodige wettelijke bevoegdheden beschikken om de officiële controles uit te voeren en de maatregelen te nemen waarin deze verordening voorziet;

f)

zij over uitgewerkte rampenplannen beschikken en gereed zijn die in noodsituaties uit te voeren;

g)

de exploitanten van diervoeders- en levensmiddelenbedrijven alle overeenkomstig deze verordening uitgevoerde inspecties ondergaan en het personeel van de bevoegde autoriteit in de uitvoering van hun taken bijstaan.

3.   Indien een lidstaat de bevoegdheid tot het uitvoeren van officiële controles heeft overgedragen aan één of meer andere autoriteiten dan de centrale bevoegde autoriteit, in het bijzonder op regionaal of lokaal niveau, moet worden gezorgd voor een efficiënte en doeltreffende coördinatie tussen alle betrokken bevoegde autoriteiten, waar nodig ook op het gebied van de bescherming van volksgezondheid en milieu.

4.   De bevoegde autoriteiten verzekeren de onpartijdigheid, kwaliteit en de consistentie van de officiële controles op elk niveau. De in lid 2 genoemde criteria moeten volledig gerespecteerd worden door elke autoriteit waaraan bevoegdheid is overgedragen om officiële controles uit te voeren.

5.   Indien binnen een bevoegde autoriteit meer dan één eenheid bevoegd is om officiële controles uit te voeren, moet een efficiënte en doeltreffende coördinatie en samenwerking tussen de verschillende eenheden bestaan.

6.   De bevoegde autoriteiten voeren interne audits uit of kunnen externe audits laten uitvoeren en nemen op basis van de resultaten daarvan passende maatregelen om ervoor te zorgen dat zij de doelstellingen van deze verordening bereiken. Deze audits moeten aan een onafhankelijke controle worden onderworpen en op een transparante manier worden uitgevoerd.

7.   De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

Artikel 5

Delegatie van specifieke taken in verband met de officiële controle

1.   De bevoegde autoriteit kan specifieke taken in verband met officiële controles delegeren aan een of meer controleorganen, overeenkomstig de leden 2 tot en met 4.

Een lijst van taken die al dan niet kunnen worden gedelegeerd, kan worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

De bevoegdheid tot het uitvoeren van de in artikel 54 bedoelde activiteiten kan echter niet worden gedelegeerd.

2.   De bevoegde autoriteit mag specifieke taken alleen op de volgende voorwaarden aan een specifiek controleorgaan delegeren:

a)

er is een nauwkeurige beschrijving voorhanden van de taken die het controleorgaan mag uitvoeren, en ook van de voorwaarden waaronder die taken kunnen worden uitgevoerd;

b)

het bewijs is geleverd dat het controleorgaan:

i)

over de nodige deskundigheid, uitrusting en infrastructuur beschikt om de gedelegeerde taken te vervullen;

ii)

beschikt over een voldoende aantal goed gekwalificeerde en ervaren personeelsleden;

iii)

onafhankelijk is en vrij van elke belangenverstrengeling wat betreft de uitoefening van de gedelegeerde taken;

c)

het controleorgaan verricht zijn werkzaamheden en is geaccrediteerd overeenkomstig de Europese norm EN 45004 (algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren) en/of een andere norm indien deze een grotere relevantie heeft voor de gedelegeerde taken;

d)

bij het verrichten van hun taken nemen de laboratoria de in artikel 12, lid 2, genoemde normen in acht;

e)

het controleorgaan meldt de resultaten van de verrichte controles regelmatig aan de bevoegde autoriteit, en wanneer deze daarom verzoekt. Indien de resultaten van de controles wijzen op niet-naleving of op waarschijnlijke niet-naleving, stelt het controleorgaan de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis;

f)

er is een efficiënte en doelmatige coördinatie tussen de delegerende bevoegde autoriteit en het controleorgaan.

3.   De bevoegde autoriteiten die specifieke taken delegeren aan controleorganen, organiseren waar nodig audits of inspecties van de controleorganen. Indien bij een dergelijke audit of inspectie blijkt dat deze organen de hun gedelegeerde taken niet naar behoren vervullen, kan de delegerende bevoegde autoriteit de gedelegeerde bevoegdheid weer intrekken; de bevoegdheid wordt onverwijld ingetrokken indien het controleorgaan niet tijdig passende maatregelen treft.

4.   Elke lidstaat die een specifieke controletaak aan een controleorgaan wil delegeren, stelt de Commissie daarvan in kennis. Deze kennisgeving omvat een gedetailleerde beschrijving van:

a)

de bevoegde autoriteit die de taak delegeert;

b)

de taak die zij delegeert;

en

c)

het controleorgaan waaraan de taak wordt gedelegeerd.

Artikel 6

Met officiële controles belast personeel

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat al haar medewerkers die officiële controles uitvoeren:

a)

voor hun bevoegdheidsgebied een passende opleiding ontvangen, die hen in staat stelt om hun taken op bekwame wijze en de officiële controles op consequente wijze uit te voeren. Deze opleiding dient, waar nodig, de in bijlage II, hoofdstuk I, genoemde terreinen te bestrijken;

b)

op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het terrein dat onder hun bevoegdheid valt, en, waar nodig, geregeld bijscholing ontvangen;

en

c)

in staat zijn tot multidisciplinaire samenwerking.

Artikel 7

Transparantie en geheimhouding

1.   De bevoegde autoriteiten garanderen dat zij hun activiteiten uitvoeren met een hoog niveau van transparantie. Daartoe maken zij de relevante informatie waarover zij beschikken, zo spoedig mogelijk openbaar.

In het algemeen heeft het publiek toegang tot:

a)

informatie over de controleactiviteiten van de bevoegde autoriteiten en de doeltreffendheid daarvan, alsmede;

b)

informatie op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

2.   De bevoegde autoriteit treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat haar personeelsleden de bij de officiële controles verkregen informatie die in naar behoren gemotiveerde gevallen, gezien de aard ervan, onder het beroepsgeheim valt, niet openbaar maken. De bescherming van het beroepsgeheim belet niet dat de in lid 1, onder b), bedoelde informatie door de bevoegde autoriteiten wordt doorgegeven. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (34) blijft onverlet.

3.   Het beroepsgeheim geldt inzonderheid voor het volgende:

het vertrouwelijke karakter van een vooronderzoek of van een lopende juridische procedure;

persoonlijke gegevens;

documenten die vallen onder een uitzondering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (35);

informatie die beschermd is op grond van de nationale en communautaire wetgeving betreffende, met name, het beroepsgeheim, het vertrouwelijke karakter van beraadslagingen, internationale betrekkingen en nationale defensieaangelegenheden.

Artikel 8

Controle- en verificatieprocedures

1.   De bevoegde autoriteiten voeren de officiële controles uit volgens schriftelijk vastgelegde procedures. Die procedures omvatten informatie en instructies voor het personeel dat de officiële controles uitvoert, inclusief over onder meer de in bijlage II, hoofdstuk II, vermelde gebieden.

2.   De lidstaten zorgen voor de wettelijke procedures voor toegang tot de gebouwen en tot documentatie van exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven waarop de personeelsleden van de bevoegde autoriteiten een beroep kunnen doen zodat zij hun taken naar behoren kunnen verrichten.

3.   De bevoegde autoriteiten beschikken over procedures om:

a)

de doeltreffendheid te toetsen van de officiële controles die zij uitvoeren;

en

b)

ervoor te zorgen dat corrigerend wordt opgetreden waar nodig en dat de in lid 1 bedoelde documentatie naar behoren bijgehouden wordt.

4.   De Commissie kan richtsnoeren voor officiële controles vaststellen volgens de procedure van artikel 62, lid 2.

De richtsnoeren kunnen in het bijzonder aanbevelingen bevatten voor officiële controles:

a)

op de tenuitvoerlegging van de HACCP-beginselen;

b)

van de beheerssystemen die de exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven toepassen om aan de eisen van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen te voldoen;

c)

van de microbiologische, fysische en chemische veiligheid van diervoeders en levensmiddelen.

Artikel 9

Verslagen

1.   De bevoegde autoriteit stelt verslagen op over de officiële controles die zij heeft verricht.

2.   Deze verslagen omvatten een beschrijving van de doelstellingen van de officiële controle, van de toegepaste controlemethoden, de geboekte resultaten en, indien toepasselijk, de corrigerende maatregelen die door het betrokken bedrijf moeten worden getroffen.

3.   De bevoegde autoriteit verstrekt de exploitant van het betrokken bedrijf een kopie van het in lid 2 bedoelde verslag, en dit in elk geval telkens wanneer er sprake is van niet-naleving.

Artikel 10

Controleactiviteiten, -methoden en -technieken

1.   Voor taken in verband met officiële controles wordt in de regel gebruik gemaakt van passende controlemethoden en -technieken, zoals monitoring, bewaking, verificatie, audits, inspectie, bemonstering en analyse.

2.   Officiële controles van diervoeders en levensmiddelen omvatten onder meer de volgende activiteiten:

a)

analyse van de controlesystemen die de diervoeder- en levensmiddelenbedrijven al hebben ingesteld en van de geboekte resultaten;

b)

inspectie van:

i)

installaties van primaire producenten, diervoeder- en levensmiddelenbedrijven, inclusief de omgeving daarvan, gebouwen, kantoren, uitrusting, installaties, machines, vervoer, diervoeders en levensmiddelen;

ii)

grondstoffen, ingrediënten, hulpmiddelen bij de verwerking en andere producten die gebruikt worden bij de bereiding en productie van diervoeders en levensmiddelen;

iii)

halffabrikaten;

iv)

materialen en artikelen die bestemd zijn om met levensmiddelen in aanraking te komen;

v)

schoonmaak- en onderhoudsproducten en -processen en pesticiden;

vi)

etikettering, presentatie en reclame;

c)

controles van de hygiënetoestand in de diervoeder- en levensmiddelenbedrijven;

d)

evaluatie van de procedures inzake goede fabricagepraktijken, goede hygiënepraktijken, goede landbouwpraktijken, en HACCP, rekening houdende met het gebruik van richtsnoeren die daartoe in overeenstemming met de communautaire wetgeving zijn opgesteld;

e)

onderzoek van schriftelijk bewijsmateriaal en andere documentatie die van belang kunnen zijn om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen is nageleefd;

f)

gesprekken met de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven en met hun personeel;

g)

aflezen van de door meetinstrumenten van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf geregistreerde waarden;

h)

controles door de bevoegde autoriteit, met eigen instrumenten, van de door de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf verrichte metingen;

i)

elke andere activiteit die wordt verricht om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening worden bereikt.

HOOFDSTUK III

BEMONSTERING EN ANALYSE

Artikel 11

Methoden van bemonstering en analyse

1.   De bemonsterings- en analysemethoden die in het kader van de officiële controles worden gebruikt, moeten in overeenstemming zijn met de desbetreffende communautaire voorschriften of,

a)

bij gebreke hiervan, met internationaal erkende regels of protocollen, bijvoorbeeld die welke door de CEN zijn goedgekeurd of die welke deel uitmaken van de nationale wetgeving,

of

b)

als deze evenmin bestaan, met andere, voor het gestelde doel geschikte of overeenkomstig wetenschappelijke protocollen ontwikkelde methoden.

2.   Indien lid 1 niet van toepassing is, kunnen de analysemethoden binnen één laboratorium gevalideerd worden overeenkomstig een internationaal aanvaard protocol.

3.   Waar mogelijk, maken de analysemethoden gebruik van de in bijlage III opgenomen criteria.

4.   Volgens de procedure van artikel 62, lid 3, kunnen de volgende uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld:

a)

de bemonsterings- en analysemethoden, inclusief de bevestigings- of referentiemethoden die bij betwistingen moeten worden gebruikt,

b)

de prestatiecriteria, de bij de analyse gebruikte parameters, de foutenmarge voor de metingen en de procedures voor de validering van de onder a) bedoelde methoden, en de voorschriften met betrekking tot de interpretatie van de resultaten.

5.   De bevoegde autoriteiten stellen passende procedures vast om ervoor te zorgen dat exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven wier producten bemonsterd en geanalyseerd worden, het recht hebben om een aanvullende expertise aan te vragen, onverminderd de verplichting van de bevoegde autoriteiten om in noodsituaties onmiddellijk in actie te komen.

6.   Zij zorgen er in het bijzonder voor dat de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven te dien einde voldoende aantallen monsters voor een aanvullende expertise kunnen verkrijgen, tenzij dit in het geval van zeer bederfelijke producten of een zeer kleine hoeveelheid beschikbaar materiaal onmogelijk is.

7.   De monsters moeten zo behandeld en geëtiketteerd worden dat hun rechtsgeldigheid en bruikbaarheid voor de analyse gewaarborgd is.

Artikel 12

Officiële laboratoria

1.   De bevoegde autoriteit wijst de laboratoria aan die gemachtigd zijn analyses van in het kader van officiële controles genomen monsters uit te voeren.

2.   De bevoegde autoriteiten mogen evenwel alleen laboratoria aanwijzen die opereren, geëvalueerd zijn en geaccrediteerd zijn overeenkomstig de volgende Europese normen:

a)

EN ISO/IEC 17025 „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria”;

b)

EN 45002 „Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria”;

c)

EN 45003 „Accreditatiesystemen voor kalibratie- en beproevingslaboratoria - Algemene eisen voor bedrijf en erkenning”,

waarbij rekening wordt gehouden met de criteria voor verschillende testmethoden zoals vastgesteld in de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen.

3.   De accreditering en evaluatie van testlaboratoria zoals bedoeld in lid 2 kan gelden voor individuele tests of voor een groep tests.

4.   De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde aanwijzing intrekken als de voorwaarden van lid 2 niet langer vervuld zijn.

HOOFDSTUK IV

CRISISMANAGEMENT

Artikel 13

Rampenplannen voor diervoeders en levensmiddelen

1.   Voor de uitvoering van het algemene plan voor crisismanagement zoals bedoeld in artikel 55 van Verordening (EG) nr. 178/2002, stelt iedere lidstaat een operationeel rampenplan op, waarin wordt aangegeven welke maatregelen onverwijld genomen moeten worden wanneer wordt geconstateerd dat diervoeders of levensmiddelen een ernstig risico opleveren voor mens of dier, hetzij rechtstreeks, hetzij door het milieu.

2.   In die rampenplannen wordt gespecificeerd:

a)

welke administratieve overheden erbij betrokken zijn;

b)

hoe de bevoegdheden en verantwoordelijkheden verdeeld zijn;

en

c)

welke de kanalen en procedures zijn voor het delen van informatie door de betrokken partijen.

3.   De lidstaten toetsen deze rampenplannen, indien nodig, met name in het licht van reorganisaties van de bevoegde autoriteit en van de opgedane ervaring, ook ervaring bij oefeningen.

4.   Waar nodig, kunnen volgens de procedure van artikel 62, lid 3, uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld. In die maatregelen worden, voorzover nodig, geharmoniseerde regels voor rampenplannen opgenomen, teneinde te verzekeren dat deze plannen verenigbaar zijn met het algemene plan voor crisismanagement als bedoeld in artikel 55 van Verordening (EG) nr. 178/2002. Voorts wordt in die maatregelen de rol van de belanghebbenden in het bedrijf en de werking van de rampenplannen bepaald.

HOOFDSTUK V

OFFICIËLE CONTROLES OP HET BINNENBRENGEN VAN DIERVOEDERS EN LEVENSMIDDELEN UIT DERDE LANDEN

Artikel 14

Officiële controles van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de eisen inzake veterinaire controles van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong van Richtlijn 97/78/EG. De overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG aangewezen bevoegde autoriteit voert echter ook officiële controles uit om na te gaan of, in voorkomend geval, de niet onder die richtlijn vallende aspecten van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen worden nageleefd, inclusief de aspecten waarnaar in titel VI, hoofdstuk II, van deze verordening wordt verwezen.

2.   De algemene regels van de artikelen 18 tot en met 25 van deze verordening gelden tevens voor de officiële controles van alle diervoeders en levensmiddelen, met inbegrip van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

3.   Goede controleresultaten voor goederen:

a)

die vallen onder één van de douaneregelingen van artikel 4, punt 16, onder b) tot en met f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92,

of

b)

die moeten worden behandeld in vrije zones of vrije entrepots als bedoeld in artikel 4, punt 15, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92,

doen geen afbreuk aan de verplichting voor de exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven om ervoor te zorgen dat de diervoeders en levensmiddelen, zodra ze in het vrije verkeer worden gebracht, voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en beletten niet dat er verdere officiële controles van de betrokken diervoeders of levensmiddelen worden verricht.

Artikel 15

Officiële controles van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

1.   De bevoegde autoriteit verricht op gezette tijden officiële controles van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die in de in bijlage I genoemde grondgebieden worden binnengebracht en die niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 97/78/EG vallen. Zij organiseert deze controles op basis van het overeenkomstig de artikelen 41 tot en met 43 opgestelde meerjarige nationale controleplan en in het licht van de potentiële risico's. De controles bestrijken alle aspecten van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen.

2.   Deze controles moeten plaatsvinden op een geschikte plaats, met inbegrip van het punt van binnenkomst van de goederen op een van de in bijlage I genoemde grondgebieden, op de plaats waar ze in het vrije verkeer worden gebracht, in magazijnen, op het bedrijf dat de diervoeders of levensmiddelen invoert, of op andere punten van de diervoeder- en levensmiddelenketen.

3.   Deze controles kunnen ook worden uitgevoerd op goederen:

a)

die vallen onder één van de douaneregelingen van artikel 4, punt 16, onder b) tot en met f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92,

of

b)

die moeten worden binnengebracht in vrije zones of vrije entrepots als omschreven in artikel 4, punt 15, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

4.   Goede controleresultaten zoals bedoeld in lid 3 doen geen afbreuk aan de verplichting voor de exploitanten van diervoeder- of levensmiddelenbedrijven om ervoor te zorgen dat de diervoeders en levensmiddelen, zodra ze in het vrije verkeer worden gebracht, voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en beletten ook niet dat er verdere officiële controles van de betrokken diervoeders of levensmiddelen worden verricht.

5.   Volgens de procedure van artikel 62, lid 3, wordt een lijst opgesteld en bijgewerkt van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die op basis van bekende of nieuwe risico’s aan meer uitgebreide officiële controles moeten worden onderworpen op het punt van binnenkomst op de in bijlage I vermelde grondgebieden. De frequentie en aard van deze controles worden volgens dezelfde procedure vastgesteld. Tegelijkertijd kunnen volgens dezelfde procedure de vergoedingen voor dergelijke controles worden vastgesteld.

Artikel 16

Soorten controles op diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

1.   De in artikel 15, lid 1, bedoelde officiële controles omvatten ten minste een stelselmatige documentencontrole, een steekproefsgewijze overeenstemmingscontrole en, waar nodig, een materiële controle.

2.   De materiële controles worden verricht met een frequentie die afhangt van de volgende factoren:

a)

de risico's die zijn verbonden aan de verschillende types diervoeders en levensmiddelen;

b)

de manier waarop in het verleden aan de eisen voor het betrokken product uit het derde land is voldaan door de inrichting van oorsprong van het product, en door de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf dat het product invoert of uitvoert;

c)

de controles die zijn verricht door het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf dat het product invoert;

d)

de waarborgen die zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële controles worden uitgevoerd onder passende omstandigheden en op een plaats die voorzien is van geschikte controlefaciliteiten, waar het onderzoek correct kan worden verricht, een op het risicobeheer afgestemd aantal monsters kan worden genomen en de diervoeders en levensmiddelen op een hygiënische manier kunnen worden gehanteerd. De monsters moeten zo worden behandeld dat hun rechtsgeldigheid en bruikbaarheid voor de analyse gewaarborgd is. De lidstaten zorgen ervoor dat de apparatuur en methoden geschikt zijn om de op grond van de communautaire of nationale wetgeving vastgestelde grenswaarden te meten.

Artikel 17

Punten van binnenkomst en voorafgaande kennisgeving

1.   Voor de organisatie van de in artikel 15, lid 5, bedoelde officiële controles moeten de lidstaten:

specifieke punten van binnenkomst op hun grondgebied aanwijzen die toegang hebben tot de passende controlefaciliteiten voor de verschillende soorten diervoeders en levensmiddelen;

en

van de exploitanten van de diervoeder- en levensmiddelenbedrijven die verantwoordelijk zijn voor de zendingen, een voorafgaande kennisgeving eisen van elke aankomende zending en van de aard daarvan.

De lidstaten kunnen dezelfde regels toepassen voor andere diervoeders van niet-dierlijke oorsprong.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten in kennis van alle maatregelen die zij overeenkomstig lid 1 treffen.

Die maatregelen worden zo opgezet dat er geen onnodige verstoringen van de handel optreden.

Artikel 18

Maatregelen bij vermoeden van niet- naleving

Indien de verdenking bestaat dat er sprake is van niet-naleving, of indien er twijfel is gerezen over de identiteit of de werkelijke bestemming van de zending, of over de overeenstemming tussen de zending en de gecertificeerde garanties ervan, voert de bevoegde autoriteit officiële controles uit om die verdenking of twijfel te bevestigen of te weerleggen. De bevoegde autoriteit plaatst de zending in officiële inbewaringneming totdat zij de resultaten van die officiële controles heeft ontvangen.

Artikel 19

Maatregelen naar aanleiding van officiële controles van diervoeders en levensmiddelen uit derde landen

1.   De bevoegde autoriteit plaatst diervoeders of levensmiddelen uit derde landen die niet voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen in officiële inbewaringneming en neemt, gehoord hebbende de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf die voor de zending verantwoordelijk is, de volgende maatregelen ten aanzien van deze diervoeders of levensmiddelen:

a)

opdragen dat de diervoeders of levensmiddelen worden vernietigd, overeenkomstig artikel 20 aan een speciale behandeling worden onderworpen, of overeenkomstig artikel 21 worden teruggestuurd uit de Gemeenschap; ook kunnen andere passende maatregelen worden genomen, zoals de diervoeders en levensmiddelen aanwenden voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk waren bedoeld;

b)

indien de diervoeders of levensmiddelen al in de handel zijn gebracht, monitoren of, indien nodig, opdracht geven tot het terugroepen, uit de handel nemen of vernietigen ervan, alvorens een van de bovengenoemde maatregelen te nemen;

c)

nagaan of de diervoeders of levensmiddelen geen negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier, hetzij rechtstreeks, hetzij via het milieu, gedurende de looptijd of in afwachting van de implementatie van de in onder a) en b) bedoelde maatregelen.

2.   Indien evenwel:

a)

de in de artikelen 14 en 15 bedoelde officiële controles uitwijzen dat een zending negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier of onveilig is, wordt de betrokken zending door de bevoegde autoriteit in officiële inbewaringneming geplaatst in afwachting van vernietiging of elke andere passende maatregel om de gezondheid van mens en dier te beschermen;

b)

diervoeders of levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die overeenkomstig artikel 15, lid 5, het voorwerp zijn van versterkte controles, niet ter officiële controle worden aangeboden of niet worden aangeboden overeenkomstig de eventuele specifieke eisen van artikel 17, draagt de bevoegde autoriteit op dat zij onverwijld worden teruggeroepen en in officiële inbewaringneming geplaatst en vervolgens worden vernietigd of teruggestuurd overeenkomstig artikel 21.

3.   Indien de bevoegde autoriteit niet toestaat dat diervoeders of levensmiddelen worden binnengebracht, stelt zij de Commissie en de andere lidstaten volgens de procedure van artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 in kennis van haar bevindingen en van de identificatie van de betrokken producten, en deelt zij haar besluiten aan de douanediensten mee, alsook de informatie over de eindbestemming.

4.   Tegen besluiten betreffende zendingen kan overeenkomstig artikel 54, lid 3, beroep worden aangetekend.

Artikel 20

Speciale behandeling

1.   De in artikel 19 bedoelde speciale behandeling kan het volgende omvatten:

a)

een behandeling of verwerking om de diervoeders of levensmiddelen in overeenstemming te brengen met de eisen van de communautaire wetgeving, of met de eisen van een derde land in geval van terugsturen, met inbegrip van desinfectering, indien noodzakelijk, maar met uitsluiting van verdunning;

b)

verwerking op enige andere passende manier voor andere doeleinden dan menselijke of dierlijke consumptie.

2.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de speciale behandeling plaatsvindt in inrichtingen die onder haar toezicht of onder toezicht van een andere lidstaat staan en in overeenstemming met voorwaarden die volgens de procedure van artikel 62, lid 3, zijn vastgesteld dan wel, bij gebreke van zulke voorwaarden, in overeenstemming met de nationale voorschriften.

Artikel 21

Terugsturen van zendingen

1.   De bevoegde autoriteit staat terugsturen van zendingen alleen toe indien:

a)

de bestemming overeengekomen is met de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf die voor de zending verantwoordelijk is,

en

b)

de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf eerst de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong, of het derde land van bestemming, indien verschillend, in kennis heeft gesteld van de redenen en omstandigheden waarom de betrokken diervoeders of levensmiddelen niet in de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht,

en

c)

het derde land van bestemming niet het derde land van oorsprong is, de bevoegde autoriteit van het derde land van bestemming de bevoegde autoriteit heeft meegedeeld bereid te zijn de zending te aanvaarden.

2.   Onverminderd de toepasselijke nationale bepalingen inzake de termijnen voor het aanvragen van een aanvullende expertise, dient het terugsturen, indien dit niet uitgesloten is op grond van de resultaten van de officiële controles, bij wijze van algemene regel binnen zestig dagen te gebeuren nadat de bevoegde autoriteit een besluit heeft genomen over de bestemming van de zending, tenzij er juridische stappen zijn ondernomen. Indien na het verstrijken van de termijn van zestig dagen het terugsturen niet heeft plaatsgevonden, wordt de zending vernietigd, behoudens in geval van vertraging met een geldige reden.

3.   In afwachting van het terugsturen van de zendingen of van de bevestiging van de redenen voor afwijzing, plaatst de bevoegde autoriteit de betrokken zendingen in officiële inbewaringneming.

4.   De bevoegde autoriteit stelt de Commissie en de overige lidstaten volgens de procedure van artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 in kennis, en deelt haar besluiten mee aan de douanediensten. De bevoegde autoriteiten treffen overeenkomstig titel IV samen alle verdere maatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat de afgewezen zendingen niet opnieuw in de Gemeenschap kunnen worden ingevoerd.

Artikel 22

Kosten

De exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf die voor de zending verantwoordelijk is, of diens vertegenwoordiger, draagt de kosten die de bevoegde autoriteiten moeten maken voor de in de artikelen 18, 19, 20 en 21 bedoelde activiteiten.

Artikel 23

Goedkeuring van aan de uitvoer voorafgaande controles door derde landen

1.   Overeenkomstig de in artikel 62, lid 3, bedoelde procedure kunnen er specifieke controles worden goedgekeurd die derde landen verrichten op diervoeders en levensmiddelen onmiddellijk vóór de uitvoer ervan naar de Gemeenschap om na te gaan of de geëxporteerde producten voldoen aan de communautaire eisen. De goedkeuring mag alleen betrekking hebben op diervoeders en levensmiddelen uit het betrokken derde land en kan voor een of meer producten worden verleend.

2.   Indien deze goedkeuring wordt verleend, kan de frequentie van de invoercontroles voor diervoeders of levensmiddelen worden verlaagd. De lidstaten verrichten evenwel officiële controles van diervoeders en levensmiddelen die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde goedkeuring worden ingevoerd, teneinde te garanderen dat de in het derde land verrichte controles voorafgaand aan de uitvoer doeltreffend blijven.

3.   De in lid 1 bedoelde goedkeuring kan aan een derde land alleen worden verleend indien:

a)

uit een communautaire audit is gebleken dat de naar de Gemeenschap uitgevoerde diervoeders of levensmiddelen voldoen aan de communautaire of daaraan gelijkwaardige vereisten;

b)

de in het derde land vóór de verzending verrichte controles als voldoende doeltreffend en efficiënt worden beschouwd om de door de communautaire wetgeving voorgeschreven documenten, overeenstemming en materiële controle te vervangen of te beperken.

4.   In de in lid 1 bedoelde goedkeuring moet worden aangegeven onder welke bevoegde autoriteit van het derde land de controles voorafgaand aan de uitvoer worden verricht en, indien van toepassing, aan welk controleorgaan die bevoegde autoriteit een aantal taken kan delegeren. Deze delegatie van taken is alleen toelaatbaar indien aan de in artikel 5 genoemde voorwaarden, of aan daaraan gelijkwaardige voorwaarden, is voldaan.

5.   De bevoegde autoriteit en het eventuele controleorgaan die in de goedkeuring worden vermeld, zijn verantwoordelijk voor de contacten met de Gemeenschap.

6.   De bevoegde autoriteit of het controleorgaan van het derde land zorgt voor de officiële certificering van elke zending die wordt onderzocht alvorens zij één van de in bijlage I bedoelde grondgebieden binnenkomt. In de in lid 1 bedoelde goedkeuring is een model van een dergelijk certificaat opgenomen.

7.   Onverminderd artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 stelt de lidstaat, wanneer uit officiële controles op de invoer waarvoor de procedure van lid 2 geldt, blijkt dat er sprake is van een ernstig geval van niet-naleving, de Commissie, de andere lidstaten en de betrokken exploitanten daarvan onmiddellijk in kennis volgens de procedure van titel IV van deze verordening; de lidstaten verhogen het aantal zendingen dat wordt onderzocht, en, waar dit noodzakelijk is voor een gedegen analyse van de situatie, slaan zij een voldoende aantal monsters op onder passende opslagvoorwaarden.

8.   Indien blijkt dat in een significant aantal zendingen de goederen niet overeenstemmen met de gegevens van de certificaten die door de bevoegde autoriteit of het controleorgaan van het derde land zijn afgegeven, is de in lid 2 bedoelde verlaagde frequentie niet langer van toepassing.

Artikel 24

Bevoegde autoriteiten en douanediensten

1.   Voor de organisatie van de in dit hoofdstuk bedoelde officiële controles werken de bevoegde autoriteiten en de douanediensten nauw samen.

2.   Met betrekking tot zendingen van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong en van diervoeders en levensmiddelen als bedoeld in artikel 15, lid 5, staan de douanediensten alleen met toestemming van de bevoegde autoriteit toe dat zij in vrije zones of vrije entrepots binnengebracht of behandeld worden.

3.   Indien er een monsterneming plaatsvindt, informeert de bevoegde autoriteit de douanediensten en de betrokken exploitanten en geeft zij aan of de betrokken goederen al dan niet kunnen worden vrijgegeven voordat de analyseresultaten van de monsters beschikbaar zijn, mits de zending getraceerd kan worden.

4.   Indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, werken de bevoegde autoriteiten en de douanediensten samen overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 339/93.

Artikel 25

Uitvoeringsmaatregelen

1.   De maatregelen die nodig zijn om een uniforme toepassing van de officiële controles van binnenkomende diervoeders en levensmiddelen te waarborgen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

2.   In het bijzonder kunnen nadere regels worden vastgesteld voor:

a)

diervoeders en levensmiddelen die worden ingevoerd of vallen onder een van de douaneregelingen van in artikel 4, punt 16, onder b) tot en met f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, of die worden behandeld in vrije zones of vrije entrepots zoals bedoeld in artikel 4, punt 15, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

b)

levensmiddelen voor de bevoorrading van de bemanning en de passagiers van internationale vervoermiddelen;

c)

diervoeders en levensmiddelen die op afstand worden besteld (bijvoorbeeld per post, per telefoon of via het internet) en die aan de consument worden geleverd;

d)

diervoeders voor huisdieren en paarden en levensmiddelen die passagiers en bemanning van internationale vervoermiddelen bij zich hebben;

e)

specifieke voorwaarden of uitzonderingen voor bepaalde grondgebieden zos bedoeld in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2913/92, om rekening te houden met de natuurlijke beperkingen die deze grondgebieden eigen zijn;

f)

de consistentie van de besluiten van de bevoegde autoriteiten betreffende diervoeders en levensmiddelen uit derde landen in het kader van artikel 19;

g)

zendingen van oorsprong uit de Gemeenschap die uit een derde land worden teruggestuurd;

h)

documenten waarvan de zendingen vergezeld moeten gaan indien er monsters zijn genomen.

HOOFDSTUK VI

FINANCIERING VAN OFFICIËLE CONTROLES

Artikel 26

Algemeen beginsel

De lidstaten zorgen, op een wijze die zij passend achten, inclusief door algemene belastingen of door het vaststellen van vergoedingen of heffingen, voor voldoende financiële middelen voor het nodige personeel en andere middelen voor officiële controles.

Artikel 27

Vergoedingen of heffingen

1.   De lidstaten kunnen vergoedingen of heffingen innen ter dekking van de kosten van officiële controles.

2.   Waar het evenwel gaat om activiteiten als bedoeld in bijlage IV, afdeling A, en bijlage V, afdeling A, verzekeren de lidstaten dat een vergoeding wordt geïnd.

3.   Onverminderd de leden 4 en 6 mogen vergoedingen die voor de in bijlage IV, afdeling A, en bijlage V, afdeling A, genoemde activiteiten worden geïnd, niet lager zijn dan de in bijlage IV, afdeling B, en bijlage V, afdeling B, gespecificeerde minima. Voor de in bijlage IV, afdeling A, genoemde activiteiten mogen de lidstaten evenwel gedurende een overgangsperiode tot 1 januari 2008 de bedragen hanteren die momenteel op grond van Richtlijn 85/73/EEG van toepassing zijn.

De bedragen in bijlage IV, afdeling B, en bijlage V, afdeling B, worden ten minste om de twee jaar bijgewerkt volgens de procedure van artikel 62, lid 3, in het bijzonder ter compensatie van de inflatie.

4.   Vergoedingen die overeenkomstig lid 1 of lid 2 ten behoeve van officiële controles worden geïnd:

a)

mogen niet hoger zijn dan de door de verantwoordelijke bevoegde autoriteiten gedragen kosten in verband met de in bijlage VI vermelde zaken;

en

b)

kunnen op vaste bedragen worden vastgesteld op basis van de door de bevoegde autoriteiten gedurende een bepaalde periode gedragen kosten of, indien van toepassing, de bedragen die zijn vastgesteld in bijlage IV, afdeling B, of in bijlage V, afdeling B.

5.   Bij de vaststelling van de vergoedingen houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:

a)

het type bedrijf en de daaraan verbonden risicofactoren;

b)

de belangen van bedrijven met een geringe productie;

c)

de traditionele methoden die worden gebruikt voor de productie, -verwerking en -distributie;

d)

de behoeften van bedrijven die gelegen zijn in gebieden met bijzondere geografische beperkingen.

6.   Wanneer in verband met zelfcontrole, door het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf toegepaste traceerbaarheidssystemen en het niveau van de tijdens officiële controles geconstateerde naleving, voor een bepaald type diervoeder of levensmiddelen of voor bepaalde activiteiten officiële controles met een lagere frequentie plaatsvinden, dan wel om rekening te houden met de criteria van lid 5, onder b) tot en met d), kunnen de lidstaten een vergoeding voor officiële controles vaststellen die lager ligt dan het in lid 4, onder b), bedoelde minimumbedrag, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat bij de Commissie een verslag indient waarin vermeld zijn:

a)

het betrokken type diervoeder of levensmiddelen of de betrokken activiteit;

b)

de controles die in het betrokken diervoeder- of levensmiddelenbedrijf worden uitgevoerd,

en

c)

welke methode voor de berekening van de vergoeding is toegepast.

7.   Indien de bevoegde autoriteit in één inrichting tegelijkertijd diverse officiële controles van diervoeders en levensmiddelen uitvoert, moeten deze controles als één activiteit worden beschouwd en mag hiervoor maar één vergoeding worden gevraagd.

8.   Vergoedingen betreffende invoercontroles worden door de exploitant van het bedrijf of zijn vertegenwoordiger betaald aan de met de invoercontroles belaste bevoegde autoriteit.

9.   Geïnde vergoedingen worden rechtstreeks noch onrechtstreeks terugbetaald, tenzij zij ten onrechte waren geïnd.

10.   Afgezien van de kosten die voortvloeien uit de in artikel 28 genoemde uitgaven, mogen de lidstaten in het kader van de uitvoering van de onderhavige verordening geen andere vergoedingen innen dan die bedoeld in onderhavig artikel.

11.   De exploitanten van bedrijven, andere betrokken bedrijven, of hun vertegenwoordigers ontvangen een betalingsbewijs voor de vergoedingen.

12.   De lidstaten publiceren de methode van berekening van de vergoedingen en delen deze aan de Commissie mee. De Commissie onderzoekt of de vergoedingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze verordening.

Artikel 28

Uitgaven die voortvloeien uit aanvullende officiële controles

Indien de vaststelling van niet-naleving aanleiding geeft tot officiële controles die verder gaan dan de gewone controleactiviteiten van de bevoegde autoriteit, worden de uitgaven voor deze aanvullende officiële controles door de bevoegde autoriteit verhaald op de exploitanten die verantwoordelijk zijn voor de niet-naleving of kan zij deze aanrekenen aan de eigenaar of degene die de producten ten tijde van de aanvullende officiële controles onder zijn hoede had. De gewone controleactiviteiten zijn de controleactiviteiten met een routinekarakter waarin de communautaire of de nationale wetgeving voorziet en in het bijzonder die welke zijn beschreven in het in artikel 42 bedoelde plan. Activiteiten die verder gaan dan de gewone controleactiviteiten, omvatten het nemen en analyseren van monsters, alsook andere controles die nodig zijn om de omvang van een probleem vast te stellen en na te gaan of er corrigerende maatregelen zijn genomen, dan wel om niet-naleving op te sporen en/of te bewijzen.

Artikel 29

Hoogte van de uitgaven

Bij het bepalen van de hoogte van de in artikel 28 bedoelde uitgaven wordt rekening gehouden met de beginselen van artikel 27.

HOOFDSTUK VII

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 30

Officiële certificering

1.   Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen inzake de officiële certificering met het oog op de diergezondheid of het dierenwelzijn, kunnen volgens de procedure van artikel 62, lid 3, eisen worden vastgesteld voor:

a)

de omstandigheden waarin officiële certificering vereist is;

b)

de modellen van de certificaten;

c)

de kwalificaties van de certificerende ambtenaren;

d)

de principes die in acht moeten worden genomen om een betrouwbare certificering te waarborgen, met inbegrip van elektronische certificering;

e)

de procedures die gevolgd dienen te worden bij het intrekken van certificaten en het afgeven van vervangende certificaten;

f)

zendingen die in kleinere eenheden worden gesplitst of met andere zendingen worden vermengd;

g)

de documenten die de goederen moeten vergezellen na het beëindigen van de officiële controles.

2.   Wanneer officiële certificering vereist is, wordt ervoor gezorgd dat:

a)

er een verband bestaat tussen het certificaat en de zending;

b)

de gegevens op het certificaat juist en authentiek zijn.

3.   De bepalingen inzake de officiële certificering van diervoeders en levensmiddelen worden, waar nodig, in één certificaatmodel met andere bepalingen inzake officiële certificering gecombineerd.

Artikel 31

Registratie/erkenning van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven

1.

a)

De bevoegde autoriteiten stellen de procedures vast die door de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven moeten worden gevolgd voor de registratie van hun inrichtingen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004, Richtlijn 95/69/EG, of overeenkomstig de toekomstige verordening inzake diervoederhygiëne.

b)

Zij stellen een lijst op van de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven die zij geregistreerd hebben, en houden die bij. Indien dergelijke lijsten reeds voor andere doeleinden voorhanden zijn, mogen zij ook voor de toepassing van deze verordening worden gebruikt.

2.

a)

De bevoegde autoriteiten stellen procedures vast die door de exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven moeten worden gevolgd voor de erkenning van hun inrichtingen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004, Verordening (EG) nr. 854/2004 of Richtlijn 95/69/EG of de toekomstige verordening inzake diervoederhygiëne.

b)

Indien een verzoek tot erkenning van een exploitant van een diervoeder- of levensmiddelenbedrijf wordt ontvangen, legt de bevoegde autoriteit een bezoek ter plaatse af.

c)

Zij erkent een inrichting alleen voor de betrokken activiteiten indien de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf heeft aangetoond dat de inrichting voldoet aan de desbetreffende eisen van de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen.

d)

De bevoegde autoriteit kan een voorwaardelijke erkenning geven, als blijkt dat de inrichting voldoet aan alle eisen inzake infrastructuur en uitrusting. Definitieve erkenning kan alleen worden verleend, als bij een nieuwe officiële controle binnen drie maanden na de voorlopige erkenning blijkt dat de inrichting voldoet aan alle overige voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen. Indien er veel vooruitgang is geboekt, maar de betrokken inrichting nog steeds niet voldoet aan alle eisen, kan de bevoegde autoriteit de voorlopige erkenning verlengen. Een voorlopige erkenning kan in totaal echter maar zes maanden geldig zijn.

e)

Bij haar officiële controles toetst de bevoegde autoriteit de erkenning van inrichtingen. Wanneer de bevoegde autoriteit ernstige tekortkomingen vaststelt of de productie in een inrichting meermalen dient stil te leggen, en de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf niet voldoende garanties kan bieden met betrekking tot de toekomstige productie, start de bevoegde autoriteit de procedures om de erkenning van de inrichting in te trekken. De bevoegde autoriteit kan evenwel de erkenning van een inrichting opschorten, indien de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf kan garanderen de gebreken binnen een redelijke termijn te zullen verhelpen.

f)

De bevoegde autoriteiten houden geactualiseerde lijsten van erkende inrichtingen bij en stellen deze ter beschikking van de overige lidstaten en van het publiek op een wijze die kan worden bepaald volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

TITEL III

REFERENTIELABORATORIA

Artikel 32

Communautaire referentielaboratoria

1.   De in bijlage VII bedoelde communautaire referentielaboratoria voor diervoeders en voedingsmiddelen zijn belast met:

a)

het verstrekken van inlichtingen over de analysemethoden, met inbegrip van de referentiemethoden, aan de nationale referentielaboratoria;

b)

het coördineren van de toepassing door de nationale referentielaboratoria van de onder a) bedoelde methoden, in het bijzonder door het organiseren van vergelijkende tests en door te zorgen voor een passende follow-up daarvan, zo mogelijk overeenkomstig internationaal erkende protocollen;

c)

het coördineren, op hun bevoegdheidsterrein, van de praktische regelingen die nodig zijn voor de toepassing van nieuwe analysemethoden en om de nationale referentielaboratoria op de hoogte te houden van de ter zake geboekte vooruitgang;

d)

het organiseren van opleidings- en bijscholingscursussen voor het personeel van de nationale referentielaboratoria en voor deskundigen uit ontwikkelingslanden;

e)

het verlenen van technische en wetenschappelijke bijstand aan de Commissie, met name wanneer lidstaten de resultaten van de analysen betwisten;

f)

de samenwerking met laboratoria die in derde landen belast zijn met de analyse van diervoeders en levensmiddelen.

2.   De communautaire referentielaboratoria in de sector diergezondheid zijn belast met:

a)

coördinatie van de in de lidstaten toegepaste methoden voor de diagnose van de ziekten;

b)

actieve steun bij het diagnosticeren van ziekten die in de lidstaten uitbreken door het onderzoeken van geïsoleerde ziekteverwekkers die worden toegezonden voor bevestiging van de diagnose, karakterisering en epizoötiologisch onderzoek;

c)

bevordering van de opleiding en de na- en bijscholing van de deskundigen op het gebied van laboratoriumdiagnose met het oog op de harmonisatie van de diagnosetechnieken in de hele Gemeenschap;

d)

samenwerking op het gebied van diagnosemethoden voor onder hun bevoegdheid vallende dierziekten met de bevoegde laboratoria in de derde landen waar die ziekten heersen;

e)

organisatie van opleidings- en bijscholingscursussen voor het personeel van de nationale referentielaboratoria en voor deskundigen uit ontwikkelingslanden.

3.   Artikel 12, leden 2 en 3, zijn van toepassing op de communautaire referentielaboratoria.

4.   De communautaire referentielaboratoria moeten aan de volgende eisen voldoen:

a)

beschikken over gekwalificeerd personeel met voldoende kennis van de op hun bevoegdheidsdomein toegepaste diagnose- en analytische technieken;

b)

beschikken over de apparatuur en producten die nodig zijn voor het uitvoeren van de hun toegewezen taken;

c)

beschikken over een adequate administratieve infrastructuur;

d)

ervoor instaan dat hun personeel het vertrouwelijk karakter van bepaalde onderwerpen, resultaten en mededelingen eerbiedigt;

e)

voldoende kennis bezitten van de internationale normen en praktijken;

f)

indien nodig, beschikken over een bijgewerkte lijst van de beschikbare referentiestoffen en reagentia, en een bijgewerkte lijst van de producenten en leveranciers daarvan;

g)

rekening houden met de onderzoeksactiviteiten op nationaal en communautair niveau;

h)

opgeleid personeel ter beschikking hebben voor noodsituaties in de Gemeenschap.

5.   Andere communautaire referentielaboratoria die van belang zijn voor de in artikel 1 genoemde gebieden, kunnen volgens de procedure van artikel 62, lid 3, worden opgenomen in bijlage VII. Bijlage VII kan volgens dezelfde procedure worden bijgewerkt.

6.   Aanvullende verantwoordelijkheden en taken van de communautaire referentielaboratoria kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

7.   Aan de communautaire referentielaboratoria kan een financiële bijdrage van de Gemeenschap worden toegekend overeenkomstig artikel 28 van Beschikking 90/424/EEG van de Raad van26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (36).

8.   De communautaire referentielaboratoria kunnen worden onderworpen aan communautaire controles, om na te gaan of voldaan wordt aan de in deze verordening vastgelegde eisen. Indien uit deze controles blijkt dat een laboratorium niet voldoet aan deze eisen of aan de taken waarvoor het is aangewezen, kunnen volgens de procedure van artikel 62, lid 3, de nodige maatregelen worden genomen.

9.   De leden 1 tot en met 7 zijn van toepassing onverminderd meer specifieke voorschriften, in het bijzonder hoofdstuk VI van Verordening (EG) nr. 999/2001 en artikel 14 van Richtlijn 96/23/EG.

Artikel 33

Nationale referentielaboratoria

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor elk communautair referentielaboratorium zoals bedoeld in artikel 32 één of meer nationale referentielaboratoria worden aangewezen. Een lidstaat kan een laboratorium in een andere lidstaat of in een lid van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) aanwijzen en één laboratorium kan voor meer dan één lidstaat als nationaal referentielaboratorium fungeren.

2.   Deze nationale referentielaboratoria moeten:

a)

op hun bevoegdheidsterrein samenwerken met het communautaire referentielaboratorium;

b)

voor hun bevoegdheidsterrein de werkzaamheden van de officiële laboratoria die overeenkomstig artikel 11 belast zijn met de analyse van monsters coördineren;

c)

indien nodig, vergelijkende tests tussen de officiële nationale laboratoria organiseren en zorgen voor een passend vervolgtraject voor die vergelijkende tests;

d)

ervoor zorgen dat de door het communautaire referentielaboratorium verstrekte informatie aan de bevoegde autoriteit en de officiële nationale laboratoria wordt doorgegeven;

e)

wetenschappelijke en technische steun verlenen aan de bevoegde autoriteit voor de uitvoering van de gecoördineerde controleplannen die overeenkomstig artikel 53 zijn aangenomen;

f)

zorgen voor de uitvoering van andere specifieke taken waartoe is besloten volgens de procedure van artikel 62, lid 3, onverminderd bestaande aanvullende verplichtingen op nationaal niveau.

3.   Artikel 12, leden 2 en 3, is van toepassing op de nationale referentielaboratoria.

4.   De lidstaten brengen naam en adres van elk nationaal referentielaboratorium ter kennis van de Commissie, het bevoegde communautaire referentielaboratorium en de overige lidstaten.

5.   De lidstaten met meer dan één nationaal referentielaboratorium per communautair referentielaboratorium moeten ervoor zorgen dat deze laboratoria nauw samenwerken met het oog op een doeltreffende coördinatie, zowel onderling als met de andere nationale laboratoria en met het communautaire referentielaboratorium.

6.   Aanvullende verantwoordelijkheden en taken voor de nationale referentielaboratoria kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

7.   De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing onverminderd meer specifieke voorschriften, en in het bijzonder hoofdstuk VI van Verordening (EG) nr. 999/2001 en artikel 14 van Richtlijn 96/23/EG.

TITEL IV

ADMINISTRATIEVE BIJSTAND EN SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DIERVOEDERS EN VOEDINGSMIDDELEN

Artikel 34

Algemene beginselen

1.   Wanneer op grond van de resultaten van officiële controles van diervoeders en voedingsmiddelen een optreden in meer dan één lidstaat vereist is, verlenen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten elkaar administratieve bijstand.

2.   De bevoegde autoriteiten verlenen administratieve bijstand op verzoek of op eigen initiatief, wanneer een onderzoek zulks vereist. Deze administratieve bijstand kan, indien nodig, worden uitgebreid tot deelname aan controles ter plaatse die door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat worden uitgevoerd.

3.   De artikelen 35 tot en met 40 doen geen afbreuk aan nationale regelingen die van toepassing zijn op de vrijgave van documenten die het voorwerp uitmaken van of verband houden met gerechtelijke procedures, of aan regelingen die de bescherming van de commerciële belangen van natuurlijke of rechtspersonen beogen.

Artikel 35

Contactinstanties

1.   Elke lidstaat wijst één of meer contactinstanties aan om, indien nodig, contacten te onderhouden met de contactinstanties van de andere lidstaten. De contactinstanties hebben tot taak te assisteren bij en te zorgen voor de coördinatie van de communicatie tussen bevoegde autoriteiten, en met name ook verzoeken om bijstand te verzenden en in ontvangst te nemen.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle relevante gegevens met betrekking tot hun contactinstanties, alsmede van de eventuele wijzigingen van die gegevens.

3.   Onverminderd lid 1 betekent de aanwijzing van contactinstanties niet dat er geen directe contacten, uitwisseling van informatie of samenwerking tussen het personeel van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten kunnen plaatsvinden.

4.   De bevoegde autoriteiten waarop Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving (37) van toepassing is, kunnen, indien nodig, fungeren als contactinstanties voor de op grond van deze titel handelende autoriteiten.

Artikel 36

Bijstand op verzoek

1.   Na ontvangst van een met redenen omkleed verzoek om bijstand zorgt de aangezochte bevoegde autoriteit ervoor dat de verzoekende bevoegde autoriteit alle noodzakelijke informatie en documenten krijgt die haar in staat stellen na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen binnen haar bevoegdheidsterrein is nageleefd. Te dien einde verricht de aangezochte bevoegde autoriteit de nodige administratieve onderzoeken om die informatie en documenten te verkrijgen.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie en documenten worden onverwijld toegezonden. De documenten kunnen als originelen of als kopieën worden toegezonden.

3.   In onderling akkoord tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit, kan het door de verzoekende autoriteit aangewezen personeel aanwezig zijn bij de administratieve onderzoeken.

Deze onderzoeken worden steeds verricht door personeel van de aangezochte autoriteit.

Het personeel van de verzoekende autoriteit kan niet op eigen initiatief de onderzoeksbevoegdheden van het personeel van de aangezochte autoriteit uitoefenen. Het moet echter wel toegang krijgen tot dezelfde plaatsen en documenten als personeel van de aangezochte autoriteit, door bemiddeling van dit laatste, en met als enig doel ervoor te zorgen dat het administratief onderzoek wordt uitgevoerd.

4.   Het personeel van de verzoekende autoriteit dat zich overeenkomstig lid 3 in een andere lidstaat bevindt, moet op elk ogenblik in staat zijn schriftelijke bewijzen te leveren van zijn identiteit en officiële hoedanigheid.

Artikel 37

Bijstand op eigen initiatief

1.   Wanneer een bevoegde autoriteit kennis neemt van niet-naleving, en wanneer deze niet-naleving ook gevolgen kan hebben voor één of meer andere lidstaten, geeft zij de betreffende informatie onverwijld op eigen initiatief door aan de andere lidstaat/lidstaten.

2.   De lidstaten die dergelijke informatie ontvangen, moeten de zaak onderzoeken en de lidstaat die de informatie verstrekt heeft, op de hoogte brengen van de resultaten van dit onderzoek en, in voorkomend geval, van de getroffen maatregelen.

Artikel 38

Bijstand in geval van niet-naleving

1.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming tijdens een officiële controle op de plaats van bestemming van de goederen of tijdens het transport vaststelt dat de goederen niet voldoen aan de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen zodat er een risico bestaat voor de gezondheid van mens of dier of dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen, neemt zij onverwijld contact op met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending onderzoekt de aangelegenheid, treft alle nodige maatregelen en stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis van de aard van het onderzoek en van de verrichte officiële controles, de genomen beslissingen en de redenen daarvoor.

3.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming redenen heeft om aan te nemen dat die maatregelen ontoereikend zijn, zoeken de bevoegde autoriteiten van beide lidstaten naar wegen en middelen om de situatie te verhelpen, zo nodig ook door een gezamenlijk inspectiebezoek ter plaatse uit te voeren overeenkomstig artikel 36, leden 3 en 4. Indien zij geen overeenstemming bereiken over passende maatregelen, brengen zij de Commissie daarvan op de hoogte.

Artikel 39

Betrekkingen met derde landen

1.   Indien een bevoegde autoriteit informatie uit een derde land ontvangt die wijst op niet-naleving en/of een risico voor de gezondheid van mens of dier, brengt die autoriteit de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten daarvan op de hoogte, indien zij van mening is dat deze autoriteiten daarin geïnteresseerd kunnen zijn of indien zij daarom verzoeken. Zij deelt dergelijke informatie ook mee aan de Commissie indien die op communautair niveau relevant is.

2.   Indien het derde land wettelijk kan garanderen dat het de bijstand die nodig is om bewijsmateriaal te verzamelen inzake klaarblijkelijke of vermeende inbreuken op de relevante wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, kan bieden, kan de informatie die in de context van deze verordening is verzameld, aan dat derde land worden medegedeeld, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben verstrekt, daarvoor toestemming geven, in overeenstemming met de wetgeving inzake het verstrekken van persoonsgegevens aan derde landen.

Artikel 40

Gecoördineerde bijstand en follow-up door de Commissie

1.   De Commissie moet zo snel mogelijk de door de lidstaten getroffen maatregelen coördineren, indien zij, door informatie van de lidstaten of uit andere bronnen, kennis krijgt van activiteiten die strijdig zijn of lijken te zijn met de wetgeving inzake diervoeders of levensmiddelen en die op communautair niveau van bijzonder belang zijn, en met name:

a)

wanneer deze activiteiten in verscheidene lidstaten vertakkingen hebben of zouden kunnen hebben;

b)

wanneer soortgelijke activiteiten klaarblijkelijk al in verscheidene lidstaten hebben plaatsgevonden,

of

c)

wanneer de lidstaten geen overeenstemming kunnen bereiken over passende maatregelen om de niet-naleving aan te pakken.

2.   Wanneer uit de officiële controles op de plaats van bestemming blijkt dat er bij herhaling sprake is van niet-naleving of van andere risico's voor mens, plant of dier ten gevolge van diervoeders of levensmiddelen, hetzij rechtstreeks, hetzij via het milieu, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis.

3.   De Commissie kan:

a)

in samenwerking met de betrokken lidstaat een inspectieteam sturen voor een officiële controle ter plaatse;

b)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending verzoeken haar officiële controles terzake op te voeren en te rapporteren over de getroffen maatregelen.

4.   Indien de maatregelen zoals bedoeld in de leden 2 en 3 worden getroffen tegen herhaaldelijke niet-naleving van een diervoeder- of levensmiddelenbedrijf, verhaalt de bevoegde autoriteit alle kosten in verband met deze maatregelen op het bedrijf in kwestie.

TITEL V

CONTROLEPLANNEN

Artikel 41

Meerjarige nationale controleplannen

Met het oog op een efficiënte uitvoering van artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002, van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn en van artikel 45 van deze verordening, stelt elke lidstaat één enkel geïntegreerd meerjarig nationaal controleplan op.

Artikel 42

Beginselen voor het opstellen van de meerjarige nationale controleplannen

1.   De lidstaten:

a)

voeren het in artikel 41 genoemde plan uiterlijk 1 januari 2007 voor de eerste maal uit,

en

b)

stellen het in het licht van de ontwikkelingen regelmatig bij,

en

c)

leggen desgevraagd de meest recente versie van dit plan aan de Commissie voor.

2.   Elk meerjarig nationaal controleplan bevat algemene informatie over de structuur en organisatie van de systemen inzake de controle van diervoeders en levensmiddelen, alsmede van diergezondheid en dierenwelzijn in de betrokken lidstaat, meer bepaald over:

a)

de strategische doeleinden van het plan en de manier waarop deze tot uiting komen in de prioriteiten van de controle en de toewijzing van middelen;

b)

de indeling in risicocategorieën van de betrokken activiteiten;

c)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en hun taken op centraal, regionaal en lokaal niveau, en de ter beschikking van deze autoriteiten staande middelen;

d)

de algemene organisatie en het beheer van de systemen voor officiële controles op nationaal, regionaal en lokaal niveau, met inbegrip van officiële controles in afzonderlijke inrichtingen;

e)

de controlesystemen voor de verschillende sectoren en de coördinatie tussen de verschillende diensten van de bevoegde autoriteiten die belast zijn met de officiële controles in deze sectoren;

f)

indien van toepassing, het delegeren van taken aan controle-organen;

g)

de methoden om de naleving van de in artikel 4, lid 2, bedoelde operationele criteria te garanderen;

h)

de opleiding van het met de officiële controles belaste personeel zoals bedoeld in artikel 6;

i)

de in de artikelen 8 en 9 bedoelde schriftelijk vastgelegde procedures;

j)

de organisatie en werking van de rampenplannen bij het uitbreken van een door dieren of levensmiddelen overgedragen ziekte, gevallen van diervoeder- en levensmiddelenbesmetting en andere risico's voor de menselijke gezondheid;

k)

de organisatie van samenwerking en wederzijdse bijstand.

3.   De meerjarige nationale controleplannen kunnen tijdens de uitvoering worden aangepast. De wijzigingen kunnen worden aangebracht in het licht van of in verband met de volgende factoren:

a)

nieuwe wettelijke bepalingen;

b)

het verschijnen van nieuwe ziekten en andere risico's voor de gezondheid;

c)

belangrijke veranderingen in de structuur, het beheer of de werking van de nationale bevoegde autoriteiten;

d)

de resultaten van door de lidstaten verrichte officiële controles;

e)

de resultaten van de overeenkomstig artikel 45 verrichte communautaire controles;

f)

wijzigingen van de in artikel 43 bedoelde richtsnoeren;

g)

wetenschappelijke bevindingen;

h)

de resultaten van door een derde land in een lidstaat uitgevoerde audits.

Artikel 43

Richtsnoeren voor meerjarige nationale controleplannen

1.   De in artikel 41 bedoelde meerjarige nationale controleplannen houden rekening met de richtsnoeren die de Commissie zal opstellen volgens de procedure van artikel 62, lid 2. Die richtsnoeren dienen met name:

a)

een consistente, alomvattende en geïntegreerde aanpak te bevorderen van officiële controles op de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, die alle productiesectoren en alle schakels van de diervoeders- en de levensmiddelenketen bestrijkt, met inbegrip van de invoer en het binnenbrengen;

b)

op risico's gebaseerde prioriteiten en criteria voor de indeling in risicocategorieën van de betrokken activiteiten vast te stellen, alsmede de meest doeltreffende controleprocedures;

c)

andere prioriteiten en de meest doeltreffende controleprocedures vast te stellen;

d)

de fasen tijdens de productie, verwerking en distributie van diervoeders en levensmiddelen, en tijdens het gebruik van diervoeders aan te wijzen die de meest betrouwbare en duidelijke informatie kunnen bieden om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen wordt nageleefd;

e)

de toepassing van optimale praktijken op alle niveaus van het controlesysteem aan te moedigen;

f)

de ontwikkeling van doeltreffende controles van traceerbaarheidssystemen te stimuleren;

g)

advies te verstrekken over het opzetten van systemen om de goede werking en de resultaten van controleacties te registreren;

h)

de neerslag te vormen van normen en aanbevelingen van de bevoegde internationale organen met betrekking tot de organisatie en werking van officiële diensten;

i)

criteria vast te stellen voor het uitvoeren van de in artikel 4, lid 6, bedoelde audits;

j)

de structuur van en de informatie voor de in artikel 44 bedoelde jaarverslagen vast te stellen;

k)

aan te geven welke voornaamste prestatie-indicatoren moeten worden toegepast bij de beoordeling van de meerjarige nationale controleplannen.

2.   Indien nodig, worden de richtsnoeren aangepast in het licht van de analyse van de jaarverslagen die de lidstaten indienen overeenkomstig artikel 44, of van de overeenkomstig artikel 45 uitgevoerde communautaire controles.

Artikel 44

Jaarverslagen

1.   Een jaar na het begin van de uitvoering van de meerjarige nationale controleplannen, en vervolgens ieder jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in met:

a)

alle wijzigingen die zijn aangebracht in de meerjarige nationale controleplannen om rekening te houden met de in artikel 42, lid 3, bedoelde factoren;

b)

de resultaten van de controles en audits die in het voorgaande jaar overeenkomstig de voorschriften van het meerjarig nationale controleplan zijn verricht;

c)

het soort en aantal overtredingen die zijn vastgesteld;

d)

de maatregelen om ervoor te zorgen dat de meerjarige nationale controleplannen doeltreffend functioneren, met inbegrip van maatregelen met het oog op de handhaving en de resultaten daarvan.

2.   Om een consistente presentatie van dit verslag, en met name van de resultaten van de officiële controles, te bevorderen, dient de in lid 1 bedoelde informatie rekening te houden met de richtsnoeren die de Commissie opstelt volgens de procedure van artikel 62, lid 2.

3.   De lidstaten ronden hun verslagen af en zenden die toe aan de Commissie binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop het betrekking heeft.

4.   In het licht van de in lid 1 bedoelde verslagen, de resultaten van de overeenkomstig artikel 45 uitgevoerde communautaire controles en eventuele andere informatie, stelt de Commissie jaarlijks een verslag op over de algemene werking van de officiële controles in de lidstaten. Dit verslag kan, indien nodig, aanbevelingen bevatten betreffende:

a)

mogelijke verbeteringen van de officiële controle- en auditsystemen in de lidstaten, met inbegrip van hun reikwijdte, beheer en uitvoering,

b)

specifieke controlemaatregelen met betrekking tot sectoren en activiteiten die door de meerjarige nationale controleplannen al dan niet worden bestreken,

c)

gecoördineerde plannen om vraagstukken van bijzonder belang aan te pakken.

5.   De meerjarige nationale controleplannen en de desbetreffende richtsnoeren worden, waar nodig, op basis van de conclusies en de aanbevelingen van dit verslag aangepast.

6.   De Commissie legt haar verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad en maakt het toegankelijk voor het publiek.

TITEL VI

ACTIVITEITEN VAN DE GEMEENSCHAP

HOOFDSTUK I

COMMUNAUTAIRE CONTROLES

Artikel 45

Communautaire controles in de lidstaten

1.   Deskundigen van de Commissie verrichten algemene en specifieke audits in de lidstaten. De Commissie kan deskundigen uit de lidstaten aanwijzen om haar eigen deskundigen bij te staan. De algemene en de specifieke audits worden georganiseerd in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De audits worden regelmatig uitgevoerd. De voornaamste doelstelling is na te gaan of de officiële controles in de lidstaten over het algemeen in overeenstemming met de in artikel 41 bedoelde meerjarige nationale controleplannen en met de communautaire wetgeving worden uitgevoerd. Te dien einde, en met het oog op een grotere efficiëntie en effectiviteit van de audits, kan de Commissie, voordat deze audits worden uitgevoerd, vragen dat de lidstaten haar zo spoedig mogelijk de bijgewerkte versie van de nationale controleplannen ter beschikking stellen.

2.   De algemene audits kunnen worden aangevuld met specifieke audits en inspecties op één of meer specifieke terreinen. Deze specifieke audits en inspecties beogen met name:

a)

de uitvoering te verifiëren van het meerjarige nationale controleplan, van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, alsmede van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn; zij kunnen eventueel inspectiebezoeken ter plaatse van de officiële diensten en van de voorzieningen die met de gecontroleerde sector verband houden, omvatten;

b)

de werking en organisatie van de bevoegde autoriteiten te controleren;

c)

ernstige of herhaaldelijk optredende problemen in de lidstaten te onderzoeken;

d)

noodsituaties, opkomende problemen of nieuwe ontwikkelingen in de lidstaten te onderzoeken.

3.   De Commissie stelt voor elke verrichte controle een verslag op met haar bevindingen. Indien nodig, bevat haar verslag aanbevelingen voor de lidstaten met het oog op een betere naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. De Commissie maakt haar verslagen openbaar. Indien de verslagen betrekking hebben op controles die in een lidstaat zijn uitgevoerd, zendt de Commissie de betrokken bevoegde autoriteit een ontwerp-verslag voor opmerkingen toe, houdt zij bij de opstelling van het eindverslag rekening met die opmerkingen en publiceert zij de opmerkingen van de bevoegde autoriteit samen met het eindverslag.

4.   De Commissie stelt jaarlijks een controleprogramma op, brengt de lidstaten ervan vooraf op de hoogte en brengt verslag uit over de resultaten. Dit programma kan door de Commissie worden aangepast om rekening te houden met de ontwikkelingen inzake diervoeder- en voedselveiligheid, en met de situatie op het gebied van diergezondheid, dierenwelzijn en de gezondheid van planten.

5.   De lidstaten:

a)

zorgen voor een correcte follow-up van de aanbevelingen die voortvloeien uit de communautaire controles;

b)

verstrekken de nodige bijstand, alsook alle documentatie en technische hulp waarom de deskundigen van de Commissie verzoeken om de controles doelgericht en doeltreffend te kunnen uitvoeren;

c)

zien erop toe dat de deskundigen van de Commissie toegang hebben tot alle gebouwen of delen van gebouwen en tot alle informatie, met inbegrip van computersystemen, die relevant zijn voor het uitvoeren van hun taken.

6.   Gedetailleerde regels betreffende de communautaire controles in de lidstaten kunnen worden vastgesteld of gewijzigd volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

Artikel 46

Communautaire controles in derde landen

1.   Deskundigen van de Commissie kunnen officiële controles in derde landen verrichten om, op basis van de in artikel 47, lid 1, bedoelde informatie, na te gaan of de wetgeving en systemen van derde landen overeenstemmen of gelijkwaardig zijn met de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en met de communautaire voorschriften inzake diergezondheid. De Commissie kan deskundigen uit de lidstaten aanwijzen om haar eigen deskundigen bij te staan. Bij dergelijke officiële controles wordt in het bijzonder rekening gehouden met:

a)

de wetgeving van het derde land;

b)

de organisatie van de bevoegde autoriteiten van het derde land, hun bevoegdheden en onafhankelijkheid, het toezicht dat erop wordt uitgeoefend, en het gezag dat zij hebben om de toepasselijke wetgeving daadwerkelijk te handhaven;

c)

de opleiding van het personeel dat belast is met de uitvoering van officiële controles;

d)

de voorzieningen waarover de bevoegde autoriteiten beschikken, met inbegrip van keuringsinstallaties;

e)

het bestaan en de werking van schriftelijk vastgelegde controleprocedures en op prioriteiten gebaseerde controlesystemen;

f)

indien van toepassing, de situatie met betrekking tot diergezondheid, zoönosen en plantengezondheid, en de procedures voor kennisgeving, aan de Commissie en de bevoegde internationale organen, van uitbraken van dieren- en plantenziekten;

g)

de reikwijdte en werking van officiële controles op de invoer van dieren, planten en daarvan afgeleide producten;

h)

de garanties die het derde land kan geven ten aanzien van de naleving van of de gelijkwaardigheid met de communautaire vereisten.

2.   Om efficiënte en doeltreffende controles in derde landen mogelijk te maken, kan de Commissie de derde landen vooraf verzoeken om het in artikel 47, lid 1, bedoelde informatie voor te leggen, alsmede, waar nodig, schriftelijke documentatie over de uitvoering van deze controles.

3.   De frequentie van de communautaire controles in derde landen wordt bepaald op basis van de volgende elementen:

a)

een risico-evaluatie van de producten die naar de Gemeenschap worden uitgevoerd;

b)

het bepaalde in de communautaire wetgeving;

c)

de hoeveelheid en aard van de invoer uit het betrokken derde land;

d)

de resultaten van de controles die de Commissie of andere inspectieorganen al hebben uitgevoerd;

e)

de resultaten van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verrichte invoercontroles of andere controles;

f)

informatie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid of vergelijkbare organen;

g)

informatie van internationaal erkende organen zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Commissie van de Codex Alimentarius en de Wereldorganisatie voor de gezondheid van dieren (IOE), of van andere bronnen;

h)

aanwijzingen van nieuwe ziektesituaties of andere omstandigheden die zouden kunnen betekenen dat uit derde landen ingevoerde levende dieren, levende planten, diervoeder of levensmiddelen een gezondheidsrisico's vormen;

i)

de noodzaak om onderzoek te verrichten over of te reageren op een noodsituatie in bepaalde derde landen.

De criteria voor het bepalen van risico's met het oog op de onder a) genoemde risico-evaluatie worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

4.   De procedures en nadere regels voor de controles in derde landen kunnen worden vastgesteld of gewijzigd volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

Een en ander omvat in het bijzonder procedures en nadere regels voor:

a)

de controles in derde landen in het kader van een bilaterale overeenkomst;

b)

de controles in andere derde landen.

Op basis van dezelfde procedure kunnen vergoedingen voor bovengenoemde controles op basis van wederkerigheid worden vastgesteld.

5.   Indien tijdens een communautaire controle een ernstig risico voor de gezondheid van mens of dier wordt vastgesteld, neemt de Commissie onverwijld de nodige noodmaatregelen overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 178/2002 of overeenkomstig de vrijwaringsbepalingen van andere toepasselijke communautaire wetgeving.

6.   De Commissie stelt over de resultaten van elke communautaire controle een verslag op. Zo nodig, bevat haar verslag aanbevelingen. De Commissie maakt haar verslagen openbaar.

7.   De Commissie stelt de lidstaten van tevoren in kennis van haar controleprogramma in derde landen en brengt verslag uit over de resultaten. Dit programma kan door de Commissie worden aangepast om rekening te houden met de ontwikkelingen inzake diervoeder- en voedselveiligheid, alsmede met de situatie op het gebied van de gezondheid van dieren en planten.

HOOFDSTUK II

INVOERVOORWAARDEN

Artikel 47

Algemene invoervoorwaarden

1.   De Commissie verzoekt derde landen die voornemens zijn goederen naar de Gemeenschap uit te voeren de volgende correcte, geactualiseerde informatie te verstrekken over de algemene organisatie en het beheer van de sanitaire controlesystemen:

a)

alle sanitaire of fytosanitaire maatregelen die op het grondgebied van het derde land zijn genomen of gepland;

b)

de controle- en inspectieprocedures, productie- en quarantainebehandeling, tolerantie voor bestrijdingsmiddelen, procedures voor de goedkeuring van levensmiddelenadditieven die op het grondgebied van het derde land gelden;

c)

procedures voor risico-evaluatie, factoren waarmee rekening wordt gehouden, alsook de vaststelling van het passende niveau van sanitaire of fytosanitaire bescherming;

d)

waar nodig, follow-up van de aanbevelingen naar aanleiding van de in artikel 46 genoemde controles.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie staat in verhouding tot de aard van de goederen en kan rekening houden met de specifieke situatie en structuur van het derde land en de aard van de naar de Gemeenschap uitgevoerde producten. Het plan moet ten minste de goederen bestrijken die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn bestemd.

3.   De in de artikelen 1 en 2 bedoelde gegevens kunnen ook betrekking hebben op:

a)

de resultaten van de nationale controles die zijn verricht op de goederen die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn bestemd;

b)

belangrijke wijzigingen die zijn aangebracht in de structuur en werking van de controlesystemen, in het bijzonder om tegemoet te komen aan de communautaire eisen en aanbevelingen.

4.   Indien een derde land deze informatie niet verstrekt of de verstrekte informatie niet toereikend is, kunnen, na overleg met het betrokken derde land, voor ieder geval afzonderlijk en uitsluitend op tijdelijke basis, specifieke invoervoorwaarden worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

5.   Richtsnoeren voor het opstellen en presenteren aan de Commissie van de gegevens en de in de leden 1, 2 en 3 vermelde documentatie, alsook overgangsmaatregelen die derde landen in staat moeten stellen deze gegevens voor te bereiden en uit te voeren, worden volgens de procedure van artikel 62, lid 2, opgesteld.

Artikel 48

Specifieke invoervoorwaarden

1.   Voorzover de voorwaarden en gedetailleerde procedures die bij de invoer van goederen uit derde landen of uit regio's daarvan moeten worden nageleefd, niet in de communautaire wetgeving, en in het bijzonder Verordening (EG) nr. 854/2004, zijn opgenomen, worden zij, indien nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

2.   De in lid 1 bedoelde voorwaarden en gedetailleerde procedures kunnen het volgende omvatten:

a)

de opstelling van een lijst van derde landen waaruit specifieke producten mogen worden ingevoerd in één van de in de bijlage I bedoelde grondgebieden;

b)

de opstelling van modellen van certificaten die de zendingen vergezellen;

c)

speciale invoervoorwaarden, naar gelang van het product of het dier en de eventueel daaraan verbonden risico's.

3.   Derde landen kunnen alleen op de in lid 2, onder a), genoemde lijsten voorkomen, indien de bevoegde autoriteiten van die landen afdoende garanties bieden voor de naleving van of de gelijkwaardigheid met de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid.

4.   Bij de opstelling of bijwerking van de lijsten wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

de wetgeving van het derde land voor de betrokken sector;

b)

de structuur en organisatie van de bevoegde autoriteit van het derde land en van de controlediensten, alsook de bevoegdheden die zij hebben en de garanties die zij kunnen bieden inzake de toepassing van de betreffende wetgeving;

c)

het bestaan van adequate officiële controles;

d)

de regelmaat en spoed waarmee het derde land informatie verstrekt over het bestaan van risico's in verband met diervoeders, levensmiddelen en levende dieren;

e)

de waarborgen die het derde land biedt dat:

i)

de voorwaarden waaronder de inrichtingen die diervoeders en levensmiddelen naar de Gemeenschap mogen uitvoeren, voldoen aan de communautaire of daaraan gelijkwaardige normen van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen;

ii)

er een lijst van dergelijke inrichtingen wordt opgesteld en regelmatig wordt bijgewerkt;

iii)

dergelijke bijgewerkte lijsten van inrichtingen onverwijld aan de Commissie worden medegedeeld;

iv)

de inrichtingen geregeld en doeltreffend worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteit van het derde land.

5.   Bij de vaststelling van de in lid 2, onder c), bedoelde speciale invoervoorwaarden wordt rekening gehouden met de informatie die door de betrokken derde landen is ingediend en, indien nodig, met de bevindingen van de communautaire controles die in deze derde landen zijn uitgevoerd. Deze speciale invoervoorwaarden kunnen worden vastgesteld per product of per productgroep. Zij kunnen van toepassing zijn op één enkel derde land, op bepaalde regio's van een derde land, of op een groep derde landen.

Artikel 49

Gelijkwaardigheid

1.   Ingevolge de uitvoering van een gelijkwaardigheidsovereenkomst of een bevredigende audit kan volgens de procedure van artikel 62, lid 3, in een besluit worden erkend dat de maatregelen die derde landen of regio's daarvan op specifieke terreinen toepassen, waarborgen bieden die gelijkwaardig zijn aan de normen die de Gemeenschap hanteert, indien het derde land hiervan het objectieve bewijs levert.

2.   In het in lid 1 bedoelde besluit worden de voorwaarden gespecificeerd voor de invoer uit dat derde land of die regio van een derde land.

Die voorwaarden kunnen slaan op de volgende elementen:

a)

de aard en inhoud van de certificaten waarvan de producten vergezeld moeten gaan;

b)

specifieke vereisten voor invoer in de Gemeenschap;

c)

indien nodig, de procedures voor de opstelling en aanpassing van de lijsten van regio's of inrichtingen van waaruit invoer is toegestaan.

3.   Het in lid 1 bedoelde besluit wordt volgens dezelfde procedure onverwijld ingetrokken, wanneer een voorwaarde voor erkenning van de gelijkwaardigheid, zoals bij de aanneming van het besluit vastgesteld, niet langer is vervuld.

Artikel 50

Steun voor ontwikkelingslanden

1.   Volgens de procedure van artikel 62, lid 3, kunnen de volgende maatregelen worden aangenomen en worden gehandhaafd, zolang zij een aantoonbaar effect hebben om ervoor te zorgen dat de ontwikkelingslanden deze verordening kunnen naleven:

a)

de invoering in fasen van de in de artikelen 47 en 48 bedoelde voorschriften voor naar de Gemeenschap uitgevoerde producten. De vorderingen in de naleving van deze voorschriften worden beoordeeld en er wordt rekening mee gehouden wanneer wordt bepaald of gespecificeerde, in de tijd beperkte uitzonderingen op het geheel of een deel van de voorschriften nodig zijn. Bij de invoering in fasen wordt ook rekening gehouden met de vorderingen in de opbouw van de in lid 2 bedoelde institutionele capaciteit;

b)

bijstand bij het opstellen van de in artikel 47 genoemde gegevens, indien nodig door deskundigen van de Gemeenschap;

c)

de bevordering van gezamenlijke projecten tussen ontwikkelingslanden en de lidstaten;

d)

het uitwerken van richtsnoeren om de ontwikkelingslanden te helpen bij het organiseren van officiële controles van producten die naar de Gemeenschap worden uitgevoerd;

e)

het sturen van deskundigen van de Gemeenschap naar de ontwikkelingslanden, om aldaar te assisteren bij de organisatie van officiële controles;

f)

deelname van de controleurs van ontwikkelingslanden aan de in artikel 51 bedoelde opleidingen.

2.   De Commissie zal in de context van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Gemeenschap steun aan ontwikkelingslanden bevorderen in verband met de veiligheid van diervoeders en levensmiddelen in het algemeen en de naleving van diervoeder- en voedingsnormen in het bijzonder, zulks met het oog op de opbouw van de institutionele capaciteit die nodig is om aan de in de artikelen 5, 12, 47 en 48 genoemde eisen te voldoen.

HOOFDSTUK III

OPLEIDING VAN CONTROLEURS

Artikel 51

Opleiding van controleurs

1.   De Commissie kan opleidingen organiseren voor het personeel van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten dat belast is met de in deze verordening bedoelde officiële controles. Deze opleidingen dragen bij tot een geharmoniseerde aanpak van de officiële controles in de lidstaten. Zij omvatten met name:

a)

de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

b)

controlemethoden en -technieken zoals de beoordeling van systemen die de exploitanten opzetten om de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn na te leven;

c)

controles van goederen die in de Gemeenschap worden ingevoerd;

d)

methoden en technieken voor de productie, verwerking en afzet van diervoeders en levensmiddelen.

2.   Aan de in lid 1 bedoelde opleidingen kan worden deelgenomen door controlepersoneel uit derde landen, met name uit ontwikkelingslanden.

3.   De nadere regels betreffende de organisatie van opleidingen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

HOOFDSTUK IV

ANDERE ACTIVITEITEN VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 52

Controles door derde landen in de lidstaten

1.   Deskundigen van de Commissie kunnen, op verzoek van en in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, deze laatste bijstaan bij controles door derde landen.

2.   In dat geval stellen de lidstaten op het grondgebied waarvan door een derde land een controle zal worden verricht, de Commissie op de hoogte van de planning, de omvang, de documentatie en alle andere informatie die de Commissie nodig heeft om op efficiënte wijze aan de controle mee te kunnen werken.

3.   De bijstand van de Commissie is met name gericht op:

a)

het verduidelijken van de communautaire wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

b)

het verstrekken van op communautair niveau beschikbare informatie en gegevens die nuttig kunnen zijn voor de controle die het derde land verricht;

c)

het verzekeren van de uniformiteit van de door derde landen verrichte controles.

Artikel 53

Gecoördineerde controleplannen

De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 62, lid 2, gecoördineerde plannen aanbevelen. Deze plannen worden:

a)

jaarlijks georganiseerd overeenkomstig een programma,

en

b)

indien nodig geacht, op een ad-hocbasis georganiseerd, in het bijzonder om de ruime aanwezigheid van risico's in diervoeders, levensmiddelen of dieren vast te stellen.

TITEL VII

HANDHAVINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

NATIONALE HANDHAVINGSMAATREGELEN

Artikel 54

Actie in geval van niet- naleving

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit een geval van niet-naleving constateert, treft zij maatregelen om ervoor te zorgen dat de exploitant de situatie rechtzet. In haar besluit over die maatregelen houdt de bevoegde autoriteit rekening met de aard van de niet-naleving en met de desbetreffende antecedenten van de exploitant.

2.   Indien nodig, behelzen deze maatregelen het volgende:

a)

de invoering van hygiëneprocedures of andere noodzakelijk geachte maatregelen om de veiligheid van diervoeders of levensmiddelen, dan wel de naleving van de desbetreffende wetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn te garanderen;

b)

het beperken of verbieden van het op de markt brengen, invoeren of uitvoeren van diervoeders, levensmiddelen of dieren;

c)

monitoring en, waar nodig, het terugroepen, uit de handel nemen en/of vernietigen van diervoeders of levensmiddelen;

d)

de machtiging om de diervoeders en levensmiddelen aan te wenden voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk waren bedoeld;

e)

schorsing of sluiting van het betrokken bedrijf, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, voor een bepaalde periode;

f)

schorsing of intrekking van de erkenning van de inrichting;

g)

de in artikel 19 bedoelde maatregelen inzake zendingen uit derde landen;

h)

een andere maatregel die de bevoegde autoriteit passend acht.

3.   De bevoegde autoriteit verschaft de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger:

a)

een schriftelijke kennisgeving van haar besluit met betrekking tot de overeenkomstig lid 1 te nemen maatregelen en de redenen daarvoor,

en

b)

informatie over de rechtsmiddelen die voor hem openstaan en over de terzake geldende procedures en termijnen.

4.   Voorzover nodig, stelt de bevoegde autoriteit tevens de bevoegde autoriteit van de lidstaat van verzending in kennis van haar besluit.

5.   Alle uit hoofde van dit artikel gemaakte kosten worden gedragen door de verantwoordelijke exploitant van het levensmiddelen- of diervoederbedrijf.

Artikel 55

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake sancties op overtredingen van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en van andere communautaire bepalingen betreffende de bescherming van diergezondheid en dierenwelzijn, en nemen de nodige maatregelen om de uitvoering daarvan te waarborgen. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de bepalingen inzake overtredingen van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en eventueel daarin aangebrachte wijzigingen.

HOOFDSTUK II

COMMUNAUTAIRE HANDHAVINGSMAATREGELEN

Artikel 56

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Er worden maatregelen genomen volgens de procedures van artikel 53 van Verordening (EG) nr. 178/2002 indien:

a)

de Commissie beschikt over bewijzen van een ernstige tekortkoming in de controlesystemen van een lidstaat,

en

b)

deze tekortkomingen mogelijk een aanzienlijk risico inhouden voor de gezondheid van mens en dier of voor het dierenwelzijn, hetzij rechtstreeks, hetzij via het milieu.

2.   Dergelijke maatregelen kunnen alleen worden getroffen nadat:

a)

communautaire controles hebben aangetoond en gerapporteerd is dat de communautaire wetgeving niet is nageleefd,

en

b)

de betrokken lidstaat na een verzoek daartoe de situatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn heeft rechtgezet.

TITEL VIII

AANPASSING VAN DE COMMUNAUTAIRE WETGEVING

Artikel 57

Wijziging van Richtlijn 96/23/EG

Richtlijn 96/23/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 14, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst:

„2.   De communautaire referentielaboratoria zijn de laboratoria genoemd in het betreffende deel van bijlage VII van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (38)

2.

In artikel 30 wordt dat deel van lid 1 dat begint met de woorden: „Wanneer uit deze nieuwe controles…” en eindigt met de woorden: „… of gebruik ervan voor andere, door de communautaire wetgeving toegestane doeleinden, en dit zonder enige vergoeding of compensatie”, vervangen door de volgende tekst:

„Wanneer uit controles de aanwezigheid van niet-toegestane stoffen of producten blijkt, of wanneer de maximale grenswaarden zijn overschreden, zijn de bepalingen van de artikelen 19 tot en met 22 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van toepassing.”.

3.

Bijlage V wordt geschrapt.

Artikel 58

Wijziging van Richtlijn 97/78/EG

Richtlijn 97/78/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

De tekst van artikel 1 wordt vervangen door:

„De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (39).

2.

Artikel 2, lid 2, onder a), wordt vervangen door:

„a)

„producten”: producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG en 90/425/EEG, in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (40), in Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (41) en in Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften inzake de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (42), alsmede de in artikel 19 bedoelde plantaardige producten.

3.

In artikel 7, lid 3, worden de woorden „de in Richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles van dierlijke producten zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (gewijzigd en gecodificeerd) bedoelde inspectiekosten” vervangen door:

„de in Verordening (EG) nr. 882/2004”.

4.

In artikel 10, lid 1, onder b), worden de volgende woorden geschrapt: „of, in geval van overeenkomstig Beschikking 95/408/EG van de Raad van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen, voor een overgangsperiode, van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lidstaten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren, goedgekeurde inrichtingen, uit een inrichting die een nationale of een communautaire inspectie heeft ondergaan.”

5.

In artikel 12 wordt lid 9 geschrapt.

6.

In artikel 15 wordt lid 5 geschrapt.

7.

Aan artikel 16 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

„4.   Gedetailleerde regels voor het binnenbrengen van producten van dierlijke oorsprong ten behoeve van de bemanning en de passagiers van internationale vervoermiddelen, en van producten van dierlijke oorsprong die op afstand worden besteld (bijvoorbeeld per post, per telefoon of via het internet) en die aan de consument worden geleverd, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 882/2004.”

8.

Artikel 21 wordt geschrapt.

9.

Artikel 23 wordt geschrapt.

10.

In artikel 24, lid 1, tweede streepje, worden de woorden: „overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a) en b),” vervangen door: „overeenkomstig artikel 17”.

Artikel 59

Wijziging van Richtlijn 2000/29/EG

In Richtlijn 2000/29/EG wordt het volgende artikel ingevoegd:

„Artikel 27 bis

Voor de doeleinden van deze richtlijn en onverminderd artikel 21 zijn de artikelen 41 tot en met 46 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (43) van toepassing.

Artikel 60

Wijziging van Verordening (EG) nr. 854/2004

Verordening (EG) nr. 854/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan artikel 1 wordt het volgende lid 1 bis toegevoegd:

„1 bis.   Deze verordening is van toepassing naast Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (44).

2.

In artikel 2:

a)

worden in lid 1 de punten a), b), d) en e) geschrapt,

en

b)

wordt lid 2 aangevuld met het volgende punt b bis):

„b bis)

Verordening (EG) nr. 882/2004;”

3.

In artikel 3:

a)

wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De bevoegde autoriteiten erkennen inrichtingen onder de voorwaarden en op de wijze die is gespecificeerd in artikel 31, lid 2, van Verordening (EG) nr. 882/2004.”

b)

en worden lid 4, onder a) en b), en lid 6 geschrapt.

4.

Artikel 9 wordt geschrapt.

5.

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

Om ervoor te zorgen dat de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 178/2002 en in titel VI, hoofdstuk II, van Verordening (EG) nr. 882/2004 vervatte beginselen en voorwaarden op uniforme wijze worden toegepast, zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde procedures van toepassing.”.

6.

In artikel 11:

a)

wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Een derde land wordt alleen op dergelijke lijsten geplaatst als er een communautaire controle in dat land heeft plaatsgevonden die uitwijst dat de bevoegde autoriteit passende garanties biedt zoals gespecificeerd in artikel 48, lid 3, van Verordening (EG) nr. 882/2004. Een derde land kan echter op een dergelijke lijst geplaatst worden zonder dat er een communautaire controle plaatsgevonden heeft, indien:

a)

het overeenkomstig artikel 46, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 882/2004 bepaalde risico zulks niet vereist,

en

b)

bij het besluit om een bepaald derde land overeenkomstig lid 1 aan een lijst toe te voegen, wordt vastgesteld dat andere informatie aangeeft dat de bevoegde autoriteit de vereiste garanties biedt.”

b)

wordt in lid 4 de aanhef vervangen door:

„4.   Bij de opstelling of bijwerking van de lijsten wordt met name rekening gehouden met de criteria van artikel 46 en artikel 48, lid 3, van Verordening (EG) nr. 882/2004. Tevens zal rekening worden gehouden met:”

c)

en worden in lid 4 de punten b) tot en met h) geschrapt.

7.

Artikel 14, lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

specifieke invoervoorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EG) nr. 882/2004.”

8.

In artikel 18 worden de punten 17 tot en met 20 geschrapt.

Artikel 61

Intrekking van communautaire wetgeving

1.   De Richtlijnen 70/373/EEG, 85/591/EEG, 89/397/EEG, 93/99/EEG en 95/53/EG en de Beschikkingen 93/383/EEG, 98/728/EG en 1999/313/EG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2006. Richtlijn 85/73/EEG wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2008.

2.   De op basis van deze wetgeving aangenomen uitvoeringsbepalingen, en met name de in bijlage VIII vermelde uitvoeringsbepalingen, blijven echter van kracht voorzover zij niet in strijd zijn met deze verordening, in afwachting van de aanneming van de nodige bepalingen op grond van deze verordening.

3.   Verwijzingen naar de ingetrokken wetgeving worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

TITEL IX

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 62

Comitologie

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid dat is ingesteld bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002, of, wanneer het gaat om aangelegenheden die hoofdzakelijk verband houden met de gezondheid van planten, door het Permanent Plantenziektenkundig Comité dat is ingesteld bij Besluit 76/894/EEG van de Raad (45).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

4.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 63

Uitvoeringsbesluiten en overgangsmaatregelen

1.   Om de uniforme toepassing van deze verordening te waarborgen, kunnen, indien nodig, uitvoeringsbesluiten en overgangsmaatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 62, lid 3.

Dat is met name van toepassing op:

a)

het delegeren van controletaken aan in artikel 5 bedoelde controleorganen, indien het controleorganen betreft die al voor de inwerkingtreding van deze verordening werkzaam waren;

b)

elke wijziging van de in artikel 12, lid 2, bedoelde normen;

c)

niet-naleving zoals bedoeld in artikel 28 welke aanleiding geeft tot uitgaven die voortvloeien uit aanvullende officiële controles;

d)

uitgaven die uit hoofde van artikel 54 zijn gedaan;

e)

voorschriften inzake microbiologische, fysieke en/of chemische analyses bij officiële controles, met inbegrip van microbiologische, fysieke en/of chemische veiligheid van uit een derde land ingevoerde producten;

f)

het bepalen van de diervoeders die in het kader van deze richtlijn als voeders van dierlijke oorsprong moeten worden beschouwd.

2.   Om rekening te houden met de specifieke aard van de Verordeningen (EEG) nr. 2092/91, (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92, kunnen volgens de procedure van artikel 62, lid 3, aan te nemen specifieke maatregelen de mogelijkheid bieden tot de noodzakelijke afwijkingen van en aanpassingen aan de bij deze verordening vastgestelde regels.

Artikel 64

Wijziging van bijlagen en van verwijzingen naar Europese normen

Volgens de procedure van artikel 62, lid 3, kunnen:

1.

de bijlagen bij deze verordening, met uitzondering van de bijlagen I, IV en V, onverminderd artikel 27, lid 3, bijgewerkt worden, met name om rekening te houden met administratieve wijzigingen en de wetenschappelijke en/of technische vooruitgang;

2.

de verwijzingen naar de Europese normen in deze verordening bijgewerkt worden, indien deze door het CEN worden gewijzigd.

Artikel 65

Verslag aan het Europees Parlement en de Raad

1.   Uiterlijk op 20 mei 2007 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit.

2.   In het verslag wordt in het bijzonder de bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring geëvalueerd en worden de volgende punten in overweging genomen:

a)

herevaluatie van de werkingssfeer met betrekking tot diergezondheid en dierenwelzijn;

b)

ervoor zorgen dat ook andere sectoren officiële controles mee financieren, door uitbreiding van de lijst van activiteiten in bijlage IV, afdeling A, en bijlage V, afdeling A, en met name rekening houdend met de impact van de communautaire diervoeders- en levensmiddelenhygiënewetgeving na de aanneming ervan;

c)

actualiseren van de in bijlage IV, afdeling B, en bijlage V, afdeling B bedoelde minimumvergoedingen, met name rekening houdend met de risicofactoren.

3.   De Commissie laat dit verslag, zo nodig, vergezeld gaan van passende voorstellen.

Artikel 66

Financiële steun van de Gemeenschap

1.   De vereiste kredieten voor:

a)

de reis- en verblijfskosten die de deskundigen van de lidstaten maken ten gevolge van hun aanwijzing door de Commissie om haar deskundigen bij te staan, overeenkomstig artikel 45, lid 1, en artikel 46, lid 1;

b)

de opleiding van controleurs overeenkomstig artikel 51;

c)

de financiering van andere maatregelen om de toepassing van deze verordening te garanderen,

worden elk jaar toegestaan in het kader van de begrotingsprocedure.

2.   De in lid 1, onder c), bedoelde maatregelen omvatten in het bijzonder de organisatie van conferenties, het opzetten van gegevensbanken, de publicatie van informatie, het verrichten van onderzoek en het beleggen van vergaderingen om de zittingen van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid voor te bereiden.

3.   Binnen de perken van de personele en financiële middelen van de Commissie kan technische steun en financiële bijstand van de Gemeenschap worden verleend voor de organisatie van de in artikel 50 bedoelde activiteiten.

TITEL X

SLOTBEPALING

Artikel 67

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2006.

De artikelen 27 en 28 zijn evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 29 april 2004.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. COX

Voor de Raad

De voorzitter

M. McDOWELL

BIJLAGE I

GRONDGEBIEDEN BEDOELD IN ARTIKEL 2, PUNT 15

1.

Het grondgebied van het Koninkrijk België.

2.

Het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de Faeröer-eilanden en Groenland.

3.

Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.

4.

Het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van Ceuta en Melilla.

5.

Het grondgebied van de Helleense Republiek.

6.

Het grondgebied van de Franse Republiek.

7.

Het grondgebied van Ierland.

8.

Het grondgebied van de Italiaanse Republiek.

9.

Het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg.

10.

Het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

11.

Het grondgebied van de Portugese Republiek.

12.

Het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

13.

Het grondgebied van de Republiek Oostenrijk.

14.

Het grondgebied van de Republiek Finland.

15.

Het grondgebied van het Koninkrijk Zweden.

BIJLAGE II

BEVOEGDE AUTORITEITEN

HOOFDSTUK I: ONDERWERPEN VOOR DE OPLEIDING VAN PERSONEEL DAT OFFICIËLE CONTROLES VERRICHT

1.

Diverse controletechnieken, zoals auditing, bemonstering, inspectie.

2.

Controleprocedures.

3.

De wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen.

4.

De verschillende stadia van de productie, de verwerking en de distributie, alsmede de mogelijke risico's voor de menselijke gezondheid en, waar van toepassing, voor de gezondheid van dieren, planten en milieu.

5.

Evaluatie van de niet-naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen.

6.

Gevaren bij het fokken van dieren en de productie van diervoeders en levensmiddelen.

7.

De evaluatie van de toepassing van de HACCP-procedures.

8.

Beheerssystemen zoals kwaliteitsborgingsprogramma's die door de diervoeder- en levensmiddelenbedrijven worden toegepast en de beoordeling daarvan, voorzover deze programma's relevant zijn voor de eisen van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen.

9.

Officiële certificeringssystemen.

10.

Plannen voor noodsituaties, inclusief de communicatie tussen de lidstaten en de Commissie.

11.

Wettelijke procedures en implicaties van de officiële controle.

12.

Onderzoek van schriftelijk bewijsmateriaal en andere documentatie, met inbegrip van documentatie inzake het testen van de deskundigheid, de accreditering en de risico-evaluatie, die van belang kunnen zijn om na te gaan of de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen is nageleefd; hieronder kunnen financiële en commerciële aspecten vallen.

13.

Ieder ander thema, inclusief diergezondheid en dierenwelzijn, dat noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de officiële controles worden uitgevoerd overeenkomstig deze verordening.

HOOFDSTUK II: ONDERWERPEN VOOR CONTROLEPROCEDURES

1.

De organisatie van de bevoegde autoriteit en de verhouding tussen de centrale bevoegde autoriteiten en de autoriteiten waaraan deze de opdracht voor het verrichten van officiële controles hebben gedelegeerd.

2.

De verhouding tussen de bevoegde autoriteiten en de controle-instanties waaraan deze de opdracht voor het verrichten van bepaalde taken in verband met officiële controles hebben gedelegeerd.

3.

Een verklaring over de te bereiken doelstellingen.

4.

Taken, verantwoordelijkheden en plichten van het personeel.

5.

Bemonsteringsprocedures, controlemethoden en -technieken, interpretatie van resultaten en aansluitende beslissingen.

6.

Monitorings- en bewakingsprogramma's.

7.

Wederzijdse bijstand ingeval voor de officiële controles maatregelen van meer dan één lidstaat zijn vereist.

8.

Naar aanleiding van officiële controles te ondernemen actie.

9.

Samenwerking met andere diensten of departementen die terzake wellicht verantwoordelijkheden hebben.

10.

Verificatie van de geschiktheid van bemonsteringmethoden, analysemethoden en detectietests.

11.

Elke andere activiteit of informatie die nodig is voor een efficiënte werking van de officiële controles.

BIJLAGE III

KENMERKEN VAN ANALYSEMETHODEN

1.

Bij analysemethoden moeten de volgende criteria gehanteerd worden:

a)

nauwkeurigheid;

b)

toepasbaarheid (matrix en concentratiebereik);

c)

aantoonbaarheidsgrens;

d)

bepaalbaarheidsgrens;

e)

precisie;

f)

herhaalbaarheid;

g)

reproduceerbaarheid;

h)

terugvinding;

i)

selectiviteit;

j)

gevoeligheid;

k)

lineariteit;

l)

onzekerheid van metingen;

m)

andere criteria die naar gelang van de behoefte kunnen worden bepaald.

2.

De in punt 1, onder e), bedoelde precisiewaarden worden ofwel verkregen aan de hand van een ringonderzoek, uitgevoerd volgens een internationaal erkend protocol inzake ringonderzoeken (bv. ISO 5725: 1994 of het International Harmonised Protocol van de IUPAC (Internationale Unie voor zuivere en toegepaste chemie)), ofwel, wanneer voor analysemethoden criteria voor de prestaties zijn vastgesteld, op basis van proeven op het naleven van de criteria. De waarden voor de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid worden uitgedrukt in een internationaal erkende vorm (bv. 95 %-betrouwbaarheidsintervallen, zoals gedefinieerd in ISO 5725: 1994 of de IUPAC). De resultaten van het ringonderzoek worden gepubliceerd en zijn voor iedereen vrij toegankelijk.

3.

Aan analysemethoden die uniform van toepassing zijn op verschillende groepen producten, wordt de voorkeur gegeven boven methoden die slechts op individuele producten kunnen worden toegepast.

4.

In situaties waar analysemethoden in slechts één laboratorium gevalideerd kunnen worden, dient dat te gebeuren overeenkomstig de geharmoniseerde richtsnoeren van bijvoorbeeld de IUPAC, ofwel, wanneer voor analysemethoden criteria voor de prestaties zijn vastgesteld, op basis van proeven op het naleven van de criteria.

5.

De op grond van deze verordening vastgestelde analysemethoden moeten worden geformuleerd conform de genormaliseerde presentatie van analysemethoden die is aanbevolen door de ISO.

BIJLAGE IV

ACTIVITEITEN EN MINIMUMVERGOEDINGEN EN -HEFFINGEN MET BETREKKING TOT OFFICIËLE CONTROLES VAN INRICHTINGEN IN DE GEMEENSCHAP

AFDELING A: ACTIVITEITEN

1.

De onder de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 93/119/EG en 96/23/EG vallende activiteiten waarvoor de lidstaten op grond van Richtlijn 85/73/EEG thans vergoedingen innen.

2.

De erkenning van inrichtingen voor diervoerders.

AFDELING B: MINIMUMBEDRAGEN

De lidstaten innen voor controles in verband met de volgende lijst producten ten minste de volgende minimumvergoedingen en –heffingen:

HOOFDSTUK I

Minimumvergoedingen en –heffingen voor inspecties bij het slachten

a)   

Rundvlees

— Volwassen runderen:

5 EUR/dier

— Jonge runderen:

2 EUR/dier

b)

Eenhoevigen (equidae):

3 EUR/dier

c)   

Varkensvlees: dieren met een slachtgewicht

— van minder dan 25 kg:

0,5 EUR/dier

— van 25 kg of meer:

1 EUR/dier

d)   

Schapen- en geitenvlees: dieren met een slachtgewicht

— van minder dan 12 kg:

0,15 EUR/dier

— van 12 kg of meer:

0,25 EUR/dier

e)   

Pluimveevlees

— Gallus en parelhoen:

0,005 EUR/dier

— Eenden en ganzen:

0,01 EUR/dier

— Kalkoenen:

0,025 EUR/dier

— Gefokte konijnen:

0,005 EUR/dier.

HOOFDSTUK II

Minimumvergoedingen en -heffingen voor controles in uitsnijderijen

Per ton vlees:

Rund, kalf, varken, eenhoevigen (equidae), schaap en geit:

2 EUR

Pluimvee en gefokt konijn:

1,5 EUR

—   

Gekweekt wild en vrij wild:

— klein vederwild en haarwild:

1,5 EUR

— loopvogels (struisvogel, emoe, nandoe):

3 EUR

— zwijnen en herkauwers:

2 EUR.

HOOFDSTUK III

Minimumvergoedingen en –heffingen voor wildverwerkingsinrichtingen

a)

Klein vederwild:

0,005 EUR/dier

b)

Klein haarwild:

0,01 EUR/dier

c)

Loopvogels:

0,5 EUR/dier

d)   

Landzoogdieren:

— zwijnen:

1,5 EUR/dier

— herkauwers

0,5 EUR/dier.

HOOFDSTUK IV

Minimumvergoedingen en –heffingen voor de melkproductie

1 EUR/t voor de eerste 30 t

en

0,5 EUR voor elke volgende ton.

HOOFDSTUK V

Minimumvergoedingen en –heffingen voor de productie en het in de handel brengen van visserijproducten en aquacultuurproducten

a)

Voor het eerst op de markt brengen van visserij- en aquacultuurproducten:

1 EUR/t voor de eerste 50 t van de maand;

0,5 EUR voor elke volgende ton;

b)

eerste verkoop op de vismarkt:

0,5 EUR/t voor de eerste 50 t van de maand;

0,25 EUR voor elke volgende ton;

c)

eerste verkoop bij ontbreken van of met een ontoereikende aanduiding voor versheid en/of grootte overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 103/76 en (EEG) nr. 104/76:

1 EUR/ton voor de eerste 50 t van de maand;

0,5 EUR voor elke volgende ton.

De vergoedingen die geïnd worden voor de soorten genoemd in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3703/85 van de Commissie mogen ten hoogste 50 EUR per zending bedragen.

De lidstaten innen 0,5 EUR/t voor de verwerking van visserij- en aquacultuurproducten.

BIJLAGE V

ACTIVITEITEN EN MINIMUMVERGOEDINGEN EN -HEFFINGEN MET BETREKKING TOT DE OFFICIËLE CONTROLE VAN GOEDERENEN LEVENDE DIEREN DIE IN DE GEMEENSCHAP WORDEN INGEVOERD

AFDELING A: ACTIVITEITEN EN CONTROLES

De onder de Richtlijnen 97/78/EG en 91/496/EEG vallende activiteiten waarvoor de lidstaten op grond van Richtlijn 85/73/EEG thans vergoedingen innen.

AFDELING B: VERGOEDINGEN EN HEFFINGEN

HOOFDSTUK I

Vergoedingen voor ingevoerd vlees

De minimumvergoeding voor de officiële controle op de invoer van een zending vlees wordt vastgesteld op:

55 EUR per zending tot 6 t,

en

9 EUR voor elke volgende ton tot 46 t,

of

420 EUR per zending van meer dan 46 t.

HOOFDSTUK II

Vergoedingen voor ingevoerde visserijproducten

1.

De minimumvergoeding voor de officiële controle op de invoer van een zending visserijproducten wordt vastgesteld op:

55 EUR per zending tot 6 t,

en

9 EUR voor elke volgende ton tot 46 t,

of

420 EUR per zending van meer dan 46 t.

2.

Bovenstaand maximumbedrag voor de officiële controle op de invoer van een zending visserijproducten, vervoerd als break-bulklading, bedraagt:

600 EUR per vaartuig, met een lading visserijproducten tot 500 t,

1 200 EUR per vaartuig, met een lading visserijproducten tot 1 000 t,

2 400 EUR per vaartuig, met een lading visserijproducten tot 2 000 t,

3 600 EUR per vaartuig, met een lading visserijproducten tot 2 000 t.

3.

Op visserijproducten die in hun natuurlijke milieu zijn gevangen en direct zijn aangeland door een vissersvaartuig dat de vlag van een derde land voert, zijn de bepalingen van bijlage IV, afdeling B, hoofdstuk V, onder a), van toepassing.

HOOFDSTUK III

Vergoedingen en heffingen voor vleesproducten, vlees van pluimvee, vrij wild, konijnen, gekweekt wild, alsmede bijproducten en diervoeders van dierlijke oorsprong

1.

De minimumvergoeding voor de officiële controle op de invoer van een zending andere dan de in de hoofdstukken I en II genoemde producten van dierlijke oorsprong of een zending bijproducten van dierlijke oorsprong of een zending diervoeders is vastgesteld op:

55 EUR per zending tot 6 t,

en

9 EUR voor elke volgende ton tot 46 t,

of

420 EUR per zending van meer dan 46 t.

2.

Bovenstaand bedrag voor de officiële controle op de invoer van een zending andere dan de in de hoofdstukken I en II genoemde producten van dierlijke oorsprong of een zending bijproducten van dierlijke oorsprong of een zending diervoeders, vervoerd als break-bulklading, bedraagt:

600 EUR per vaartuig, met een lading producten tot 500 t,

1 200 EUR per vaartuig, met een lading producten tot 1 000 t,

2 400 EUR per vaartuig, met een lading producten tot 2 000 t,

3 600 EUR per vaartuig, met een lading producten tot 2 000 t.

HOOFDSTUK IV

Vergoedingen voor de doorvoer van goederen en levende dieren

door de Gemeenschap Het bedrag van de vergoedingen en heffingen voor de officiële controle op de doorvoer van goederen en levende dieren door de Gemeenschap, wordt vastgesteld op minimaal 30 EUR, vermeerderd met 20 EUR per kwartier per persoon die voor de controle wordt ingezet.

HOOFDSTUK V

Vergoedingen voor ingevoerde levende dieren

1.

De vergoeding voor de officiële controle op de invoer van een zending levende dieren wordt als volgt vastgesteld:

a)

voor runderen, eenhoevigen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, konijnen en klein vederwild of haarwild en de volgende landzoogdieren: wilde everzwijnen en herkauwers, op:

55 EUR per zending tot 6 t,

en

9 EUR voor elke volgende ton tot 46 t,

of

420 EUR per zending van meer dan 46 t;

b)

voor dieren van andere soorten: de daadwerkelijke kosten van de inspectie, berekend per dier of per ingevoerde ton, op:

55 EUR per zending tot 46 t,

of

420 EUR per zending van meer dan 46 t,

met dien verstande dat dit minimum niet geldt voor invoer van in Beschikking 92/432/EEG van de Commissie bedoelde soorten.

2.

Op verzoek van een lidstaat kan voor de invoer uit bepaalde derde landen een lagere vergoeding worden aangerekend, mits het verzoek vergezeld gaat van deugdelijke ondersteunende documentatie en de procedure van artikel 18 van Richtlijn 89/662/EEG wordt gevolgd.

BIJLAGE VI

CRITERIA VOOR DE BEREKENING VAN VERGOEDINGEN

1.

De salarissen van het personeel dat betrokken is bij de officiële controles.

2.

De kosten voor het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de officiële controles, inclusief kosten voor installaties, instrumenten, uitrusting, opleiding, alsmede reis- en daarmee verband houdende kosten.

3.

De kosten voor bemonstering en laboratoriumonderzoek.

BIJLAGE VII

COMMUNAUTAIRE REFERENTIELABORATORIA

I.   Communautaire referentielaboratoria voor diervoeders en levensmiddelen

1.

Communautair referentielaboratorium voor melk en zuivelproducten

Afssa-Lerhqa

94700 Maisons-Alfort

Frankrijk

2.

Communautaire referentielaboratoria voor de analyse en de controle van zoönosen (Salmonella)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

3720 BA Bilthoven

Nederland

3.

Communautair referentielaboratorium voor de controle op mariene biotoxines

Ministerio de Sanidad y Consumo

Vigo

Spanje

4.

Communautair referentielaboratorium voor de controle op bacteriologische en virale besmettingen bij tweekleppige weekdieren

Het laboratorium van het Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science, Weymouth, Verenigd Koninkrijk

5.

Communautaire referentielaboratoria voor residuen

a)

Voor de residuen genoemd in bijlage I, groep A, punten 1, 2, 3 en 4, groep B, punt 2, onder d), en groep B, punt 3, onder d), van Richtlijn 96/23/EG van de Raad:

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

3720 BA Bilthoven

Nederland

b)

Voor de residuen genoemd in bijlage I, groep B, punt 1 en punt 3, onder e), van Richtlijn 96/23/EG en voor carbadox en olaquindox:

Laboratoire d'études et de recherches sur les médicaments vétérinaires et les désinfectants

Afssa - Site de Fougères

BP 90203

Frankrijk

c)

Voor de residuen genoemd in bijlage I, groep A, punt 5, en groep B, punt 2, onder a), b) en e), van Richtlijn 96/23/EG van de Raad:

Bundesamt für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheid (BVL)

Postfach 140162

53056 Bonn

Duitsland

d)

Voor de residuen genoemd in bijlage I, groep B, punt 2, onder c), en groep B, punt 3, onder a), b) en c), van Richtlijn 96/23/EG

Istituto Superiore di Sanità

00161 Rome

Italië

6.

Communautair referentielaboratorium voor overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's)

Het laboratorium bedoeld in bijlage X, hoofdstuk B, van Verordening (EG) nr. 999/2001.

7.

Communautair referentielaboratorium voor in diervoeding gebruikte toevoegingsmiddelen

Het laboratorium bedoeld in bijlage II van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (46).

8.

Communautair referentielaboratorium voor genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)

Het laboratorium bedoeld in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (47).

9.

Communautair referentielaboratorium voor materiaal dat bestemd is om in contact te komen met levensmiddelen

Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie

II.   Communautaire referentielaboratoria voor diergezondheid

BIJLAGE VIII

UITVOERINGSBEPALINGEN DIE UIT HOOFDE VAN ARTIKEL 61 VAN KRACHT BLIJVEN

1.

Uitvoeringsbepalingen gebaseerd op Richtlijn 70/373/EEG betreffende de invoering van gemeenschappelijke bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders.

a)

Eerste Richtlijn 71/250/EEG van de Commissie van 15 juni 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders (48)

b)

Tweede Richtlijn 71/393/EEG van de Commissie van 18 november 1971 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor officiële controle van veevoeders (49)

c)

Derde Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie van 27 april 1972 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders (50)

d)

Vierde Richtlijn 73/46/EEG van de Commissie van 5 december 1972 houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders (51)

e)

Eerste Richtlijn 76/371/EEG van de Commissie van 1 maart 1976 houdende vaststelling van gemeenschappelijke bemonsteringsmethoden voor de officiële controle van diervoeders (52)

f)

Zevende Richtlijn 76/372/EEG van de Commissie van 1 maart 1976 houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (53)

g)

Achtste Richtlijn 78/663/EEG van de Commissie van 15 juni 1978 houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (54)

h)

Negende Richtlijn 81/715/EEG van de Commissie van 31 juli 1981 houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (55)

i)

Tiende Richtlijn 84/425/EEG van de Commissie van 25 juli 1984 houdende vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (56)

j)

Elfde Richtlijn 93/70/EEG van de Commissie van 28 juli 1993 tot vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (57)

k)

Twaalfde Richtlijn 93/117/EG van de Commissie van 17 december 1993 tot vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (58)

l)

Richtlijn 98/64/EG van de Commissie van 3 september 1998 tot vaststelling van communautaire analysemethoden voor de bepaling van aminozuren, ruwvet en olaquindox in diervoeders en houdende wijziging van Richtlijn 71/393/EEG (59)

m)

Richtlijn 2003/126/EG van de Commissie van 23 december 2003 inzake de analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de officiële controle van diervoeders van dierenvoeders (60)

n)

Richtlijn 1999/27/EG van de Commissie van 20 april 1999 tot vaststelling van communautaire analysemethoden voor de bepaling van amprolium, diclazuril en carbadox in dierenvoeders (61)

o)

Richtlijn 1999/76/EG van de Commissie van 23 juli 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de bepaling van het gehalte aan lasalocide-natrium van diervoeders (62)

p)

Richtlijn 2000/45/EG van de Commissie van 6 juli 2000 tot vaststelling van communautaire analysemethoden voor de bepaling van vitamine A, vitamine E en tryptofaan in diervoeders (63)

q)

Richtlijn 2002/70/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot vaststelling van voorschriften voor de gehaltebepaling van dioxinen en dioxineachtige PCB's in diervoeders (64).

2.

Uitvoeringsbepalingen gebaseerd op Richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding

Richtlijn 98/68/EG van de Commissie van 10 september 1998 tot vaststelling van het in artikel 9, lid 1, van Richtlijn 95/53/EG van de Raad bedoelde modeldocument en van controlevoorschriften bij de invoer van diervoeder uit derde landen in de Gemeenschap (65).


(1)  PB C 234 van 30.9.2003, blz. 25.

(2)  PB C 23 van 27.1.2004, blz. 14.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 9 maart 2004 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 26 april 2004.

(4)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

(5)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/31/EG van de Commissie (PB L 85 van 23.3.2004, blz. 18).

(6)  PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 392/2004 (PB L 65 van 3.3.2004, blz. 1).

(7)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(8)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(9)  Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9).

(10)  Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/43/EG (PB L 162 van 1.7.1996, blz. 1).

(11)  PB L 265 van 8.11.1995, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 234 van 1.9.2001, blz. 55).

(12)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 12.12.2000, blz. 17).

(13)  PB L 40 van 17.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(14)  PB L 139 van 30.4.2004.

(15)  PB L 332 van 30.12.1995, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(16)  Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/74/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 262 van 14.10.2003, blz. 17).

(17)  Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(18)  Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004).

(19)  Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening nr. 2245/2003 van de Commissie (PB L 333 van 20.12.2003, blz. 28).

(20)  Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1).

(21)  Richtlijn 86/362/EEG van de Raad van 24 juli 1986 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op granen (PB L 221 van 7.8.1986, blz. 37). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/2/EG van de Commissie (PB L 14 van 21.1.2004, blz. 10).

(22)  Richtlijn 90/642/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op bepaalde producten van plantaardige oorsprong, met inbegrip van groenten en fruit (PB L 350 van 14.12.1990, blz. 71). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/2/EG.

(23)  Richtlijn 92/1/EEG van de Commissie van 13 januari 1992 betreffende de temperatuurcontrole in vervoermiddelen en in opslagruimten van voor menselijke voeding bestemde diepvriesproducten (PB L 34 van 11.2.1992, blz. 28).

(24)  Richtlijn 92/2/EEG van de Commissie van 13 januari 1992 tot vaststelling van de monsternemingsprocedure en de communautaire analysemethode voor de officiële controle van de temperatuur van diepvriesproducten die voor de menselijke voeding zijn bestemd (PB L 34 van 11.2.1992, blz. 30).

(25)  Richtlijn 70/373/EEG van de Raad van 20 juli 1970 betreffende de invoering van gemeenschappelijke bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders (PB L 170 van 3.8.1970, blz. 2). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(26)  Richtlijn 85/591/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de invoering van communautaire bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de controle van voor menselijke voeding bestemde levensmiddelen (PB L 372 van 31.12.1985, blz. 50). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(27)  Richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen (PB L 186 van 30.6.1989, blz. 23).

(28)  Richtlijn 93/99/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende aanvullende maatregelen inzake de officiële controle op levensmiddelen (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 14). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(29)  Beschikking 93/383/EEG van de Raad van 14 juni 1993 met betrekking tot de referentielaboratoria voor de controle op mariene biotoxines (PB L 166 van 8.7.1993, blz. 31). Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 1999/312/EG (PB L 120 van 8.5.1999, blz. 37).

(30)  Richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van Richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen (PB L 162 van 1.7.1996, blz. 1).

(31)  Beschikking 98/728/EG van de Raad van 14 december 1998 betreffende een communautaire regeling inzake retributies in de sector diervoeding (PB L 346 van 22.12.1998, blz. 51).

(32)  Beschikking 1999/313/EG van de Raad van 29 april 1999 met betrekking tot de referentielaboratoria voor de controle op bacteriologische en virale besmettingen bij tweekleppige weekdieren (PB L 120 van 8.5.1999, blz. 40).

(33)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(34)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(35)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(36)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(37)  PB L 351 van 2.12.1989, blz. 34.

(38)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.”

(39)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.”

(40)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 808/2003 van de Commissie (PB L 117 van 13.5.2003, blz. 1).

(41)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(42)  PB L 139 van 30.4.2004.”

(43)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.”

(44)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.”

(45)  PB L 340 van 9.12.1976, blz. 25.

(46)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(47)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(48)  PB L 155 van 12.7.1971, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/27/EG (PB L 118 van 6.5.1999, blz. 36).

(49)  PB L 279 van 20.12.1971, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/64/EG (PB L 257 van 19.9.1998, blz. 14).

(50)  PB L 123 van 29.5.1972, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/79/EG (PB L 209 van 7.8.1999, blz. 23).

(51)  PB L 83 van 30.3.1973, blz. 21. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/27/EG.

(52)  PB L 102 van 15.4.1976, blz. 1.

(53)  PB L 102 van 15.4.1976, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/14/EG (PB L 94 van 13.4.1994, blz. 30).

(54)  PB L 206 van 29.7.1978, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 84/4/EEG (PB L 15 van 18.1.1984, blz. 28).

(55)  PB L 257 van 10.9.1981, blz. 38.

(56)  PB L 238 van 6.9.1984, blz. 34.

(57)  PB L 234 van 17.9.1993, blz. 17.

(58)  PB L 329 van 30.12.1993, blz. 54.

(59)  PB L 257 van 19.9.1998, blz. 14.

(60)  PB L 339 van 24.12.2003, blz. 78.

(61)  PB L 118 van 6.5.1999, blz. 36.

(62)  PB L 207 van 6.8.1999, blz. 13.

(63)  PB L 174 van 13.7.2000, blz. 32.

(64)  PB L 209 van 6.8.2002, blz. 15.

(65)  PB L 261 van 24.9.1998, blz. 32.


Top