Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32002L0024

Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 124, 9.5.2002, p. 1–44 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 029 P. 399 - 442
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 035 P. 245 - 288
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 035 P. 245 - 288
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 021 P. 61 - 104

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2015; opgeheven door 32013R0168

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/24/oj

32002L0024

Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 124 van 09/05/2002 blz. 0001 - 0044


Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 18 maart 2002

betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen(4) legt de communautaire goedkeuringsprocedures vast voor motorvoertuigen op twee of drie wielen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig de technische eisen van de bijzondere richtlijnen zijn vervaardigd.

(2) Inmiddels zijn alle bijzondere richtlijnen vastgesteld die voorkomen op de uitputtende lijst van systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor op communautair niveau voorschriften moeten worden gegeven.

(3) De goedkeuringsprocedure kan volledig worden toegepast, nu Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen(5) van toepassing is geworden.

(4) Met het oog op de goede werking van het goedkeuringsstelsel is het noodzakelijk sommige bestuursrechtelijke voorschriften te verduidelijken en de voorschriften van de bijlagen bij Richtlijn 92/61/EEG aan te vullen. Het is derhalve van belang geharmoniseerde voorschriften in te voeren, in het bijzonder betreffende de nummering van de goedkeuringsformulieren en betreffende ontheffingen voor restantvoorraden van voertuigen en voor voertuigen, onderdelen en technische eenheden waarin technologieën zijn toegepast die nog niet worden gedekt door communautaire voorschriften, naar analogie van de voorschriften van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan(6).

(5) Een onderzoek van de onderdelen en kenmerken van deze voertuigen bij de huidige stand van de technologie voor regelgevende doeleinden heeft slechts die onderdelen en kenmerken die in bijlage I van deze richtlijn zijn opgenomen als daarvoor geëigend aangemerkt. In het licht van de technologische vooruitgang en ontwikkeling zal evenwel moeten worden nagegaan welke andere elementen en kenmerken aan die van genoemde bijlage I zullen dienen te worden toegevoegd.

(6) Deze procedure dient elke lidstaat de mogelijkheid te bieden voor elk type voertuig vast te stellen dat de door de bijzondere richtlijnen voorgeschreven en op het goedkeuringscertificaat vermelde verificaties zijn geschied. Zij dient de fabrikanten tevens in staat te stellen voor alle, met het goedgekeurde type overeenstemmende voertuigen een certificaat van overeenstemming op te stellen. Een van dit certificaat vergezeld voertuig mag in de handel worden gebracht en mag worden verkocht en ingeschreven om op het gehele grondgebied van de Gemeenschap te worden gebruikt.

(7) De doelstelling van een betere werking van de communautaire typegoedkeuring van voertuigen kan niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kan derhalve, wegens de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als bedoeld in dat artikel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(8) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7).

(9) Omwille van de duidelijkheid verdient het aanbeveling Richtlijn 92/61/EEG in te trekken en te vervangen door de onderhavige richtlijn,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Toepassingsgebied en definities

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle motorvoertuigen op twee of op drie wielen, al dan niet met dubbellucht, die bestemd zijn om aan het wegverkeer deel te nemen, alsmede op de onderdelen en technische eenheden daarvan.

Deze richtlijn geldt niet voor:

a) voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h,

b) voertuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd,

c) voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten,

d) voertuigen die bestemd zijn voor deelneming aan wedstrijden op de weg of als terreinvoertuigen,

e) voertuigen die reeds in gebruik zijn vóór het tijdstip waarop Richtlijn 92/61/EEG van toepassing wordt,

f) trekkers en andere voertuigen die bestemd zijn voor de landbouw of voor soortgelijke doeleinden,

g) voertuigen die voornamelijk ontworpen zijn voor vrijetijdsgebruik niet op de weg, met drie symmetrisch geplaatste wielen, te weten één aan de voorzijde en twee aan de achterzijde,

h) rijwielen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/h bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen,

noch voor onderdelen of technische eenheden daarvan, voorzover deze niet bestemd zijn om op onder deze richtlijn vallende voertuigen te worden gemonteerd.

Zij is niet van toepassing op de goedkeuring van afzonderlijke voertuigen, doch de lidstaten die een dergelijke goedkeuring verlenen moeten elke goedkeuring van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden die is verleend krachtens deze richtlijn in plaats van krachtens de nationale voorschriften, aanvaarden.

2. De in lid 1 bedoelde voertuigen worden onderverdeeld in:

a) bromfietsen, d.w.z. tweewielige (categorie L1e) of driewielige (categorie L2e) voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende kenmerken:

i) bij tweewielige voertuigen, een motor met

- een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of

- een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;

ii) bij driewielige voertuigen, een motor met

- een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of

- een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of

- een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;

b) motorfietsen, d.w.z. tweewielige voertuigen zonder zijspanwagen (categorie L3e) of met zijspanwagen (categorie L4e), uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm3, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;

c) driewielers, d.w.z. voertuigen op drie symmetrisch geplaatste wielen (categorie L5e), met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm3 bedraagt indien het een motor met inwendige verbranding betreft, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.

3. Deze richtlijn is ook van toepassing op vierwielers, d.w.z. vierwielige motorvoertuigen met onderstaande kenmerken:

a) lichte vierwielers met een lege massa van ten hoogste 350 kg (categorie L6e), exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h en

i) een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 voor motoren met een elektrische ontsteking, of

ii) een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of

iii) een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.

Deze voertuigen dienen te voldoen aan de technische eisen voor bromfietsen op drie wielen van categorie L2e, tenzij anders bepaald in een van de bijzondere richtlijnen;

b) andere vierwielers dan bedoeld onder a) met een lege massa van ten hoogste 400 kg (categorie L7e) (550 kg voor voertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer), exclusief de massa van de accu's in elektrische voertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW. Deze voertuigen worden als driewielers beschouwd en zij dienen te voldoen aan de technische eisen voor driewielers van categorie L5e, tenzij anders bepaald in een van de bijzondere richtlijnen.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1. "type voertuig": voertuig of groep voertuigen (varianten):

a) behorend tot één enkele categorie (bromfietsen op twee wielen L1e, bromfietsen op drie wielen L2e enz., als gedefinieerd in artikel 1);

b) vervaardigd door dezelfde fabrikant;

c) met hetzelfde chassis, frame, subframe dan wel dezelfde bodemplaat of structuur waaraan de belangrijkste onderdelen zijn bevestigd;

d) met een motor met hetzelfde werkingsprincipe (inwendige verbranding, elektrisch, hybride enz.);

e) met dezelfde door de fabrikant toegekende typeaanduiding.

Een type voertuig kan verschillende varianten en uitvoeringen omvatten;

2. "variant": voertuig of groep voertuigen (uitvoeringen) van hetzelfde type met de volgende kenmerken:

a) identieke vorm van de carrosserie (basiskenmerken);

b) het verschil in massa in rijklare toestand tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 20 % van de laagste waarde;

c) het verschil in de toelaatbare maximummassa tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 20 % van de laagste waarde;

d) identiek werkingsprincipe (twee- of viertakt, elektrische of compressieontsteking);

e) het verschil in cilinderinhoud van de motor (bij een motor met inwendige verbranding) tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) bedraagt ten hoogste 30 % van de laagste waarde;

f) hetzelfde aantal cilinders in dezelfde opstelling;

g) waarvan het verschil in motorvermogen tussen de laagste waarde en de hoogste waarde binnen de groep voertuigen (uitvoeringen) ten hoogste 30 % van de laagste waarde bedraagt;

h) hetzelfde werkingsprincipe (bij een elektromotor);

i) hetzelfde type versnellingsbak (handgeschakeld, automatisch enz);

3. "uitvoering": voertuig van hetzelfde type en dezelfde variant, dat echter uitrusting, onderdelen of systemen, genoemd in het inlichtingenformulier van bijlage II, kan hebben, mits slechts

a) één waarde wordt opgegeven voor:

i) de massa in rijklare toestand;

ii) de toelaatbare maximummassa;

iii) het motorvermogen;

iv) de cilinderinhoud van de motor; en

b) een reeks testresultaten overeenkomstig bijlage VII;

4. "systeem": ieder voertuigsysteem, zoals remmen, inrichtingen voor emissiebeperking enz., dat aan de voorschriften van een bijzondere richtlijn moet voldoen;

5. "technische eenheid": een als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, zoals een vervangende uitlaatgeluiddemper, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn moet voldoen en waarvoor afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk is, maar alleen in samenhang met een of meer welbepaalde voertuigtypen, indien de bijzondere richtlijn daarin uitdrukkelijk voorziet;

6. "onderdeel": een als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, zoals een lamp, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn moet voldoen en waarvoor afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk is, indien de bijzondere richtlijn daarin uitdrukkelijk voorziet;

7. "typegoedkeuring": de handeling waarbij door een lidstaat wordt verklaard dat een type voertuig, systeem, technische eenheid of onderdeel voldoet aan de technische voorschriften van deze richtlijn of van de bijzondere richtlijnen, alsmede de controles van de juistheid van de gegevens van de fabrikant, die voorkomen op de uitputtende lijst van bijlage I;

8. "dubbellucht": twee op dezelfde as gemonteerde wielen indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm. In dit geval wordt dubbellucht als één enkel wiel beschouwd;

9. "voertuigen met dubbele aandrijving": een voertuig met twee verschillende aandrijfsystemen: bijvoorbeeld een elektrisch aandrijfsysteem en een verbrandingsmotor;

10. "fabrikant": de persoon of organisatie die tegenover de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de overeenstemming van de productie. Het is niet noodzakelijk dat hij rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van het voertuig of de fabricage van het onderdeel of de technische eenheid waarop de goedkeuringsprocedure betrekking heeft;

11. "technische dienst": de organisatie of instantie die is aangewezen om als keuringslaboratorium namens de goedkeuringsinstantie van een lidstaat keuringen of inspecties te verrichten. Deze functie kan ook door de goedkeuringsinstantie zelf worden vervuld.

HOOFDSTUK II

Procedures voor het verlenen van typegoedkeuring

Artikel 3

Aanvragen om typegoedkeuring worden door de fabrikant ingediend bij de goedkeuringsinstantie van een lidstaat. Zij gaan vergezeld van een inlichtingenformulier, alsmede van de in dit inlichtingenformulier genoemde documenten; een model van het inlichtingenformulier voor de typegoedkeuring van voertuigen is weergegeven in bijlage II, een model voor de typegoedkeuring van systemen, technische eenheden en onderdelen is opgenomen in een bijlage of aanhangsel van de desbetreffende richtlijn. Aanvragen voor een bepaald type voertuig, systeem, technische eenheid of onderdeel mogen slechts in één lidstaat ingediend worden.

Artikel 4

1. Iedere lidstaat verleent typegoedkeuring voor alle typen voertuigen, systemen, technische eenheden en onderdelen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) het type voertuig is in overeenstemming met de technische voorschriften van de bijzondere richtlijnen en is, als beschreven door de fabrikant in overeenstemming met de gegevens van de limitatieve lijst in bijlage I;

b) het systeem, de technische eenheid of het onderdeel is in overeenstemming met de technische voorschriften van de relevante bijzondere richtlijn en is, als beschreven door de fabrikant in overeenstemming met de gegevens van de limitatieve lijst in bijlage I.

2. Alvorens tot typegoedkeuring over te gaan, treffen de bevoegde uitvoerende instanties van de lidstaat de nodige maatregelen om zich ervan te vergewissen, zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de lidstaat waarin de productie of de invoer in de Gemeenschap is geschied, dat de bepalingen van bijlage VI worden nageleefd teneinde ervoor te zorgen dat de geproduceerde, in de handel gebrachte, in de verkoop of in het verkeer gebrachte nieuwe voertuigen, systemen, technische eenheden of onderdelen overeenstemmen met het goedgekeurde type.

3. De in lid 2 bedoelde bevoegde instanties zien erop toe, zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de lidstaat waarin de productie of de invoer in de Gemeenschap is geschied, dat de bepalingen van bijlage VI toegepast blijven.

4. Wanneer een aanvraag om goedkeuring van een type voertuig vergezeld gaat van een of meer typegoedkeuringsverklaringen voor een systeem, technische eenheid of onderdeel, afgegeven door een of meer lidstaten, is de lidstaat die tot keuring van een type voertuig overgaat, verplicht die verklaringen te aanvaarden en voert hij niet de in lid 1, onder b), genoemde controles uit voor de systemen, technische eenheden en/of onderdelen waarvoor typegoedkeuring is verleend.

5. Elke lidstaat is verantwoordelijk voor de door hem verleende typegoedkeuring van een systeem, een technische eenheid of een onderdeel. De bevoegde instanties van de lidstaat die goedkeuring voor een type voertuig verlenen, oefenen op de overeenstemming van de productie controle uit, zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de andere lidstaten die typegoedkeuringsverklaringen voor systemen, technische eenheden of onderdelen hebben afgegeven.

6. Indien een lidstaat evenwel constateert dat een voertuig, systeem, technische eenheid of onderdeel voldoet aan de bepalingen van lid 1 doch niettemin de verkeersveiligheid ernstig in gevaar brengt, kan hij de goedkeuring weigeren. Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan terstond in kennis onder opgave van de redenen voor zijn besluit.

Artikel 5

1. De bevoegde instantie van een lidstaat vult voor ieder type voertuig dat wordt goedgekeurd, het in bijlage III opgenomen goedkeuringsformulier in en vermeldt de keuringsresultaten in de betrokken rubriek van het blad waarvan in bijlage VII een model staat en dat aan het goedkeuringsformulier wordt gehecht.

2. De bevoegde instantie van een lidstaat vult voor ieder type systeem, technische eenheid of onderdeel waarvoor zij typegoedkeuring verleent, het goedkeuringsformulier in, dat in een bijlage of aanhangsel van de desbetreffende bijzondere richtlijn is weergegeven.

3. De goedkeuringsverklaringen van een systeem, technische eenheid of onderdeel worden genummerd volgens de methode van bijlage V, deel A.

Artikel 6

1. De bevoegde instanties van iedere lidstaat zenden de bevoegde instanties van de overige lidstaten binnen één maand een afschrift van de goedkeuringsverklaring met de bijlagen voor elk type voertuig dat zij goedkeuren of weigeren goed te keuren.

2. De bevoegde instanties van iedere lidstaat zenden de bevoegde instanties van de overige lidstaten maandelijks een lijst van de in die maand verleende en geweigerde goedkeuringen van systemen, technische eenheden en onderdelen toe.

Op verzoek van de bevoegde instanties van een andere lidstaat zenden zij voorts onverwijld een afschrift van de goedkeuringsverklaring met de bijlagen voor elk type systeem, technische eenheid of onderdeel.

Artikel 7

1. Voor ieder overeenkomstig het goedgekeurde type gebouwd voertuig wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming opgesteld waarvan het model in bijlage IV, deel A, is weergegeven. Ieder voertuig gaat vergezeld van zulk een certificaat. De lidstaten mogen evenwel, na de overige lidstaten en de Commissie hiervan ten minste drie maanden van tevoren in kennis te hebben gesteld, in verband met de heffing van de motorrijtuigenbelasting of de opstelling van het kentekenbewijs verlangen dat andere dan de in bijlage IV, deel A, bedoelde inlichtingen in het certificaat van overeenstemming worden opgenomen, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk in het inlichtingenformulier staan vermeld.

Het certificaat van overeenstemming moet zodanig zijn vervaardigd dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt het gedrukt op papier, beschermd door een beeldmerk in kleur of een watermerk met het identificatiemerkteken van de voertuigfabrikant.

2. Voor alle niet-oorspronkelijke, overeenkomstig het goedgekeurde type gebouwde technische eenheden of onderdelen wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming ingevuld, waarvan het model in bijlage IV, deel B, is weergegeven. Dit certificaat is niet vereist voor oorspronkelijke technische eenheden of onderdelen.

3. Wanneer een goed te keuren technische eenheid of onderdeel zijn functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en derhalve de overeenstemming met een of meer voorschriften slechts kan worden gecontroleerd indien die technische eenheid of dat onderdeel samen met andere, echte of gesimuleerde, onderdelen van het voertuig functioneert, moet de draagwijdte van de typegoedkeuring van die technische eenheid of dat onderdeel dienovereenkomstig worden beperkt. In de goedkeuringsverklaring voor de technische eenheid of het onderdeel worden dan de eventuele beperkingen van het gebruik en de montagevoorschriften vermeld. Bij de typekeuring van het voertuig wordt nagegaan of deze beperkingen en voorschriften in acht zijn genomen.

4. Onverminderd lid 2 is de houder van een overeenkomstig artikel 4 verleende typegoedkeuring van een technische eenheid of onderdeel verplicht op alle overeenkomstig het goedgekeurde type vervaardigde technische eenheden en onderdelen zijn fabrieks- of handelsmerk, een typeaanduiding, en, indien de bijzondere richtlijn dit voorschrijft, het in artikel 8 bedoelde goedkeuringsmerk aan te brengen. In het laatste geval behoeft hij het in lid 2 bedoelde certificaat niet in te vullen.

5. De houder van een goedkeuringsverklaring voor een technische eenheid of onderdeel waarin overeenkomstig lid 3 beperkingen van het gebruik zijn opgenomen, verstrekt bij alle vervaardigde technische eenheden en onderdelen uitvoerige inlichtingen over die beperkingen en vermeldt de eventuele montagevoorschriften.

6. Iedere houder van een, in verband met een of meer voertuigtypen afgegeven, goedkeuringsverklaring voor een niet-originele technische eenheid verstrekt bij ieder van die technische eenheden uitvoerige inlichtingen aan de hand waarvan die voertuigen geïdentificeerd kunnen worden.

Artikel 8

1. Elk voertuig dat met het goedgekeurde type in overeenstemming is, moet voorzien zijn van een goedkeuringsmerk, bestaande uit de delen 1, 3 en 4 van het goedkeuringsnummer in overeenstemming met bijlage V, deel A.

2. Technische eenheden en onderdelen die met het goedgekeurde type in overeenstemming zijn, moeten van een aan de voorschriften van bijlage V, deel B, beantwoordend goedkeuringsmerk zijn voorzien, voorzover dit in de bijzondere richtlijn betreffende deze technische eenheden of onderdelen is bepaald. Het in bijlage V, deel B, punt 1.2, bedoelde goedkeuringsnummer wordt samengesteld in overeenstemming met het in bijlage V, deel A, deel 4, bedoelde goedkeuringsnummer.

Aan de in het goedkeuringsmerk opgenomen vermeldingen mogen aanvullende aanduidingen worden toegevoegd waaruit bepaalde, aan de betrokken technische eenheid of het betrokken onderdeel verbonden kenmerken kunnen worden afgeleid. Deze aanvullende aanduidingen worden zo nodig in de bijzondere richtlijnen betreffende deze technische eenheden of onderdelen gespecificeerd.

Artikel 9

1. De fabrikant is ervoor verantwoordelijk dat alle voertuigen, systemen, technische eenheden of onderdelen overeenkomstig het goedgekeurde type vervaardigd worden. Bij definitieve stopzetting van de productie of bij wijziging van de gegevens in het inlichtingenformulier stelt de houder van de typegoedkeuring de bevoegde instanties van de lidstaat die de typegoedkeuring verleend hebben daarvan in kennis.

2. Indien de bevoegde instanties van de lidstaat bedoeld in lid 1 van oordeel zijn dat voor een dergelijke wijziging de bestaande goedkeuringsverklaring niet gewijzigd hoeft te worden en er geen nieuwe goedkeuringsverklaring hoeft te worden opgesteld, stellen zij de fabrikant daarvan in kennis.

3. Indien de bevoegde instanties van de in lid 1 bedoelde lidstaat vaststellen dat op grond van een wijziging van de gegevens op het inlichtingenformulier nieuwe controles of nieuwe proeven zijn gerechtvaardigd, stellen zij de fabrikant hiervan in kennis en voeren zij de proeven uit. Als op grond van deze controles of proeven een wijziging in de bestaande goedkeuringsverklaring moet worden aangebracht of een nieuwe goedkeuringsverklaring moet worden opgesteld, stellen de genoemde instanties de bevoegde instanties van de overige lidstaten daarvan overeenkomstig artikel 6 in kennis.

4. In geval van wijziging van gegevens van het inlichtingenformulier dient de fabrikant bij de goedkeuringsinstantie herziene bladzijden in waarop de aard en de datum van wijziging duidelijk is aangegeven. Het referentienummer van het inlichtingenformulier behoeft alleen te worden veranderd, indien de veranderingen in het inlichtingenformulier ook een wijziging van een of meer van de gegevens in het certificaat van overeenstemming in bijlage IV (met uitzondering van de punten 19.1 en 45 tot en met 51) met zich brengen.

5. Indien een goedkeuringsverklaring niet meer geldig is wegens definitieve stopzetting van de productie van de/het goedgekeurd(e) type voertuig, systeem, technische eenheid of onderdeel, stellen de bevoegde instanties van de lidstaat die de typegoedkeuring hebben verleend de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten daarvan binnen een maand in kennis.

Artikel 10

1. Indien de lidstaat die de typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat voertuigen, systemen, technische eenheden of onderdelen niet met het goedgekeurde type overeenstemmen, neemt hij de nodige maatregelen teneinde de productie weer met het goedgekeurde type in overeenstemming te brengen. De bevoegde instanties van deze lidstaat stellen de bevoegde instanties van de overige lidstaten in kennis van de genomen maatregelen, die eventueel intrekking van de typegoedkeuring kunnen inhouden.

2. Indien een lidstaat vaststelt dat voertuigen, systemen, technische eenheden of onderdelen niet overeenstemmen met het goedgekeurde type, kan deze lidstaat aan de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, verzoeken de vastgestelde verschillen te controleren. De lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, voert binnen zes maanden na ontvangst van dit verzoek de gevraagde controle op de overeenstemming van de productie uit. Indien een gebrek aan overeenstemming wordt vastgesteld, nemen de bevoegde instanties van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend de in lid 1 bedoelde maatregelen.

3. De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar binnen een maand van de intrekking van een goedkeuring en van de redenen daarvoor in kennis.

4. Indien de lidstaat die de typegoedkeuring heeft verleend het hem ter kennis gebrachte gebrek aan overeenstemming betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig overleg om tot een oplossing te komen.

Artikel 11

De Raad kan op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gelijkwaardigheid erkennen van de voorwaarden of bepalingen inzake de goedkeuring van voertuigen, systemen, technische eenheden en onderdelen die bij deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen zijn vastgesteld met de procedures die in het kader van multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen bij internationale reglementen of reglementeringen van derde landen zijn vastgesteld.

Artikel 12

Indien een lidstaat constateert dat voertuigen, systemen, technische eenheden of onderdelen, ondanks het feit dat ze tot een goedgekeurd type behoren, een ernstig gevaar betekenen voor de verkeersveiligheid, dan mag hij voor een periode van ten hoogste zes maanden de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik daarvan op zijn grondgebied verbieden. Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van zijn besluit en de redenen daarvoor.

Artikel 13

Elk besluit tot weigering of intrekking van een typegoedkeuring, een verbod op de verkoop of het gebruik van een voertuig, genomen uit hoofde van de bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn, wordt nauwkeurig met redenen omkleed. Het wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover deze krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de lidstaten beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

Artikel 14

1. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten in kennis van de namen en de adressen van:

a) de typegoedkeuringsinstanties en, indien van toepassing, de gebieden waarvoor deze instanties verantwoordelijk zijn; en

b) de door hen erkende technische diensten, met vermelding van de testprocedures waarvoor elk van deze diensten is erkend. De erkende diensten moeten voldoen aan de geharmoniseerde normen inzake de werking van testlaboratoria (EN 45001), onder de volgende voorwaarden:

i) een fabrikant kan niet als technische dienst worden erkend, tenzij een bijzondere richtlijn uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt;

ii) in deze richtlijn wordt het niet als uitzonderlijk beschouwd wanneer een technische dienst met toestemming van de goedkeuringsinstantie apparatuur van derden gebruikt.

2. Een aangemelde instantie wordt geacht aan de geharmoniseerde norm te voldoen, maar de Commissie kan lidstaten zo nodig verzoeken het bewijs daarvan te leveren.

Diensten in derde landen kunnen alleen als erkende technische dienst worden aangemeld in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen.

HOOFDSTUK III

Eisen ten aanzien van het vrije verkeer, overgangsbepalingen, ontheffingen en andere procedures

Artikel 15

1. De lidstaten mogen het in de handel brengen, de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik van nieuwe voertuigen die aan deze richtlijn voldoen niet verbieden. Slechts voertuigen die aan deze richtlijn beantwoorden mogen voor eerste registratie worden aangemeld.

2. De lidstaten verbieden niet het in de handel brengen, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van nieuwe technische eenheden of nieuwe onderdelen die aan deze richtlijn voldoen. Alleen technische eenheden en onderdelen die aan deze richtlijn voldoen mogen in de handel worden gebracht en voor het eerst worden verkocht voor gebruik in de lidstaten.

3. Afwijkingen van de leden 1 en 2:

a) de lidstaten mogen voor voertuigen, systemen, technische eenheden en onderdelen die:

i) hetzij in kleine series tot 200 exemplaren per jaar per voertuigtype of per type systeem, onderdeel of technische eenheid worden geproduceerd,

ii) hetzij bestemd zijn voor het leger, de ordehandhavingsdiensten, de bescherming van de burgerbevolking, de brandweer of openbare werken,

ontheffing verlenen van een of meer voorschriften van de bijzondere richtlijnen.

De overige lidstaten moeten binnen een maand nadat deze ontheffingen zijn verleend, van deze ontheffingen in kennis worden gesteld. Die lidstaten besluiten binnen drie maanden of zij de typegoedkeuring aanvaarden van voertuigen die op hun grondgebied zullen worden geregistreerd. Het goedkeuringsformulier mag niet als titel hebben "EG-goedkeuringsformulier voor een type voertuig".

b) Nationale goedkeuringen die zijn verleend vóór 17 juni 1999, blijven in de lidstaten die deze goedkeuringen verlenen geldig voor een periode van vier jaar, ingaand op de datum waarop de nationale wetgevingen in overeenstemming dienen te zijn met de corresponderende richtlijnen.

In de lidstaten die andere wettelijke stelsels toepasten dan dat van de goedkeuring, geldt dezelfde periode van vier jaar eveneens voor typen voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in overeenstemming zijn met de nationale voorschriften die van kracht waren vóór het van toepassing worden van de desbetreffende richtlijnen.

Voertuigen waarop deze afwijking van toepassing is, mogen gedurende deze periode in de handel worden gebracht, worden verkocht en in het verkeer worden gebracht zonder dat aan het gebruik ervan een termijn verbonden is.

Het in de handel brengen, de verkoop en het gebruik van systemen, technische eenheden en onderdelen die voor deze voertuigen zijn bestemd, wordt niet aan een termijn gebonden.

4. Deze richtlijn laat de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om - met inachtneming van het Verdrag - de voorschriften vast te stellen die zij noodzakelijk achten om de gebruikers bij het gebruik van de betrokken voertuigen de nodige bescherming te bieden, voorzover dit geen wijziging van de voertuigen met zich brengt.

Artikel 16

1. In afwijking van artikel 15, leden 1 en 2, mogen de lidstaten, gedurende een beperkte periode binnen de in bijlage VIII aangegeven grenzen, nieuwe voertuigen die overeenstemmen met een type voertuig waarvan de goedkeuring niet langer geldig is, registreren en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan toestaan. Deze mogelijkheid blijft beperkt tot twaalf maanden nadat de goedkeuring haar geldigheid heeft verloren.

De eerste alinea geldt slechts voor voertuigen die zich op het grondgebied van de Europese Gemeenschap bevonden, en vergezeld gingen van een geldig certificaat van overeenstemming dat was afgegeven toen de goedkeuring van het betrokken type voertuig nog geldig was, maar die nog niet geregistreerd of in het verkeer gebracht waren toen die goedkeuring haar geldigheid verloor.

2. Om voor een of meer typen van een bepaalde categorie van de door lid 1 geboden mogelijkheid gebruik te kunnen maken, moet de fabrikant bij de bevoegde instanties van elke lidstaat waarin deze voertuigen in gebruik worden genomen, een verzoek indienen. In het verzoek worden de technische en/of economische redenen vermeld waarop het is gebaseerd.

Die lidstaten besluiten binnen drie maanden of en voor welk aantal eenheden zij de registratie van het type voertuig op hun grondgebied toestaan. Elke lidstaat waarin deze typen voertuigen in gebruik worden genomen, draagt er zorg voor dat de fabrikant de voorschriften van bijlage VIII naleeft. De lidstaten doen de Commissie jaarlijks een lijst van de verleende ontheffingen toekomen.

3. Met betrekking tot voertuigen, onderdelen of technische eenheden waarin technologieën of concepten zijn verwerkt die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van een of meer bijzondere richtlijnen kunnen voldoen, geldt artikel 8, lid 2, onder c), van Richtlijn 70/156/EEG.

HOOFDSTUK IV

Procedure voor de aanpassing aan de technische vooruitgang

Artikel 17

Wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen bij deze richtlijn en de bepalingen van de in bijlage I bedoelde bijzondere richtlijnen aan de technische vooruitgang aan te passen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18, lid 2.

Artikel 18

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang, ingesteld bij artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG (hierna "het comité" genoemd).

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De termijn bedoeld in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG is vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 19

Richtlijn 92/61/EEG van de Raad wordt met ingang van 9 november 2003 ingetrokken. Verwijzingen naar Richtlijn 92/61/EEG worden beschouwd als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en gelezen overeenkomstig de correspondentietabel in bijlage IX.

Artikel 20

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 9 mei 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten passen de in lid 1, eerste alinea, bedoelde bepalingen met ingang van 9 november 2003 toe. Op verzoek van de fabrikant mag het vroegere model van het certificaat van overeenstemming na die datum echter nog twaalf maanden lang worden gebruikt.

3. Vanaf 9 mei 2003 mogen de lidstaten het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen die aan deze richtlijn voldoen niet verbieden.

4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

Deze richtlijn laat goedkeuringen die vóór 9 november 2003 zijn verleend, onverlet en vormt geen belemmering voor de uitbreiding van dergelijke goedkeuringen krachtens de richtlijn overeenkomstig welke zij oorspronkelijk zijn verleend. Na 9 november 2004 moeten alle door de fabrikant afgegeven certificaten van overeenstemming evenwel overeenkomen met het in bijlage IV beschreven model.

Artikel 22

In afwachting van de onderlinge aanpassing van de registratie- en belastingheffingstelsels in de lidstaten voor onder deze richtlijn vallende voertuigen kunnen de lidstaten nationale coderingssystemen gebruiken ten behoeve van de registratie en belastingheffing op hun grondgebied. De lidstaten kunnen tevens voorschrijven dat het nationale codenummer op het certificaat van overeenstemming moet worden vermeld.

Artikel 23

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 24

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 18 maart 2002.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

M. Arias Cañete

(1) PB C 307 E van 26.10.1999, blz. 1.

(2) PB C 368 van 20.12.1999, blz. 1.

(3) Advies van het Europees Parlement van 27 oktober 1999 (PB C 154 van 5.6.2000, blz. 50), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 29 oktober 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) en besluit van het Europees Parlement van 5 februari 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB L 225 van 10.8.1992, blz. 72. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 106 van 3.5.2000, blz. 1).

(5) PB L 226 van 18.8.1997, blz. 1.

(6) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 203 van 10.8.2000, blz. 9).

(7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

LIJST VAN BIJLAGEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE I

LIJST VAN VOORSCHRIFTEN VOOR DE TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN

Achter onderstaande rubrieken van voertuigelementen en -kenmerken (limitatieve lijst) staat de aanduiding "OR" indien moet worden nagegaan of deze gegevens in overeenstemming zijn met de door de fabrikant verschafte inlichtingen en de aanduiding "BR" indien moet worden nagegaan of deze gegevens in overeenstemming zijn met de in communautaire wetgeving vastgestelde voorschriften.

(Waar nodig wordt rekening gehouden met het toepassingsgebied en de meest recente wijziging van ondergenoemde bijzondere richtlijnen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerking

In de bijzondere richtlijnen zullen specifieke voorschriften worden opgenomen voor bromfietsen met een klein vermogen, te weten bromfietsen met pedalen, een hulpmotor van 1 kW of minder en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/h of minder. Deze bijzondere voorschriften zullen met name betrekking hebben op de in de rubrieken nrs. 18, 19, 29, 32, 33, 34, 41, 43 en 46 van deze bijlage bedoelde onderdelen en kenmerken.

BIJLAGE II

>PIC FILE= "L_2002124NL.001402.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.001501.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.001601.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.001701.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.001801.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.001901.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002001.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002101.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002201.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002301.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002401.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002501.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002601.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002701.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002801.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.002901.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003001.TIF">

BIJLAGE III

>PIC FILE= "L_2002124NL.003102.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003201.TIF">

BIJLAGE IV

>PIC FILE= "L_2002124NL.003302.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003401.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003501.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003601.TIF">

>PIC FILE= "L_2002124NL.003701.TIF">

BIJLAGE V

NUMMERING EN MERKTEKENS

A. NUMMERING VAN TYPEGOEDKEURINGSFORMULIEREN

(artikel 5, lid 3)

1. Het typegoedkeuringsnummer bestaat uit

- vier delen bij typegoedkeuring van voertuigen en

- vijf delen bij typegoedkeuring van systemen, onderdelen en technische eenheden, zoals hieronder aangegeven. De delen worden gescheiden door het teken "*".

Deel 1: de kleine letter "e", gevolgd door het kengetal van de lidstaat die de typegoedkeuring verleent: 1 voor Duitsland; 2 voor Frankrijk; 3 voor Italië; 4 voor Nederland; 5 voor Zweden; 6 voor België; 9 voor Spanje; 11 voor het Verenigd Koninkrijk; 12 voor Oostenrijk; 13 voor Luxemburg; 17 voor Finland; 18 voor Denemarken; 21 voor Portugal; 23 voor Griekenland; 24 voor Ierland.

Deel 2: het nummer van de basisrichtlijn.

Deel 3: het nummer van de laatste wijzigingsrichtlijn die van toepassing is op de typegoedkeuring.

Bij typegoedkeuringen van een voertuigtype is dit de laatste richtlijn waarbij een of meer artikelen van deze richtlijn zijn gewijzigd.

Bij typegoedkeuringen van een systeem, onderdeel en technische eenheid is dit de laatste bijzondere richtlijn waarin de bepalingen zijn opgenomen waaraan het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voldoet.

Wanneer de basisrichtlijn echter niet is gewijzigd, wordt in deel 3 het nummer van de basisrichtlijn herhaald.

Indien in een richtlijn verschillende data van toepassing voorkomen voor verschillende technische normen, dan wordt een letterteken toegevoegd om aan te geven op grond van welke specifieke norm de goedkeuring is verleend.

In geval van typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die verleend worden volgens hoofdstukken of delen van dezelfde bijzondere richtlijn wordt het nummer van de bijzondere richtlijn gevolgd door het nummer van hoofdstuk (1), bijlage (2) en aanhangsel (3) om het onderwerp van de typegoedkeuring aan te geven. Deze cijfers worden gescheiden door het teken "/".

(1) In Arabische tekens.

(2) In Romeinse tekens.

(3) In Arabische tekens en hoofdletters, indien van toepassing.

Deel 4: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (eventueel beginnend met nullen) ter aanduiding van basistypegoedkeuringsnummer. De reeks volgnummers begint voor iedere basisrichtlijn bij 0001.

Deel 5: een uit twee cijfers bestaand volgnummer (eventueel beginnend met een nul) om de uitbreiding aan te geven. De reeks volgnummers begint voor ieder basistypegoedkeuringsnummer bij 00.

2. Bij EG-typegoedkeuring van een volledig voertuig wordt deel 2 weggelaten.

3. Alleen op de voorgeschreven plaat van het voertuig wordt deel 5 weggelaten.

4. Voorbeeld van de tweede typegoedkeuring die volgens Richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 5, bijlage II, door Nederland is verleend:

e4*97/24*97/24/5/II*0002*00

5. Voorbeeld van de derde typegoedkeuring (uitbreiding 1) die volgens Richtlijn 95/1/EG, bijlage I, door Italië is verleend:

e3*95/1*95/1/I*0003*01

6. Voorbeeld van de negende typegoedkeuring (uitbreiding 4) die volgens Richtlijn 93/29/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 2000/74/EG, door het Verenigd Koninkrijk is verleend:

e11*93/29*2000/74*0009*04

7. Voorbeeld van de vierde typegoedkeuring (uitbreiding 2) van een voertuigtype die volgens Richtlijn 92/61/EEG door Duitsland is verleend:

e1*92/61*0004*02

8. Voorbeeld van het typegoedkeuringsnummer van een voertuig dat op het identificatieplaatje van het voertuig wordt gestanst:

e1*92/61*0004

B. TYPEGOEDKEURINGSMERK

1. Het typegoedkeuringsmerk van een onderdeel of een technische eenheid bestaat uit:

1.1. een rechthoek met daarin de kleine letter "e", gevolgd door de kenletters of het kengetal van de lidstaat die de typegoedkeuring verleent:

- 1 voor Duitsland

- 3 voor Frankrijk

- 3 voor Italië

- 4 voor Nederland

- 5 voor Zweden

- 6 voor België

- 9 voor Spanje

- 11 voor het Verenigd Koninkrijk

- 12 voor Oostenrijk

- 13 voor Luxemburg

- 17 voor Finland

- 18 voor Denemarken

- 21 voor Portugal

- 23 voor Griekenland

- 24 voor Ierland.

1.2. het uit vier cijfers bestaand nummer van deel 4 van het goedkeuringsnummer, zoals vermeld op het voor de technische eenheid of het onderdeel in kwestie opgestelde typegoedkeuringsformulier. Het nummer wordt vlak onder de in punt 1.1 bedoelde rechthoek geplaatst. De cijfers van het nummer moeten met dezelfde oriëntatie aan dezelfde zijde van de letter "e" worden geplaatst. Er mogen geen Romeinse cijfers voor het typegoedkeuringsnummer worden gebruikt teneinde verwarring met andere symbolen uit te sluiten.

2. Het typegoedkeuringsmerk wordt zodanig op de technische eenheid of het onderdeel aangebracht dat het duidelijk leesbaar en onuitwisbaar is, ook wanneer de technische eenheid of het onderdeel op het voertuig is gemonteerd.

3. Een voorbeeld van een typegoedkeuringsmerk is opgenomen in het aanhangsel.

Aanhangsel

Voorbeeld van een typegoedkeuringsmerk

>PIC FILE= "L_2002124NL.004002.TIF">

Verklaring:

Dit typegoedkeuringsmerk van een onderdeel of een technische eenheid is afgegeven door Ierland (e24) onder nummer 0676.

BIJLAGE VI

CONTROLEBEPALINGEN BETREFFENDE DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

1. Teneinde na te gaan of de voertuigen, systemen, technische eenheden en onderdelen zodanig worden vervaardigd dat zij in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type, worden de volgende bepalingen toegepast.

1.1. De houder van de goedkeuringsverklaring dient:

1.1.1. erop toe te zien dat er voorzieningen zijn getroffen voor een doeltreffende controle op de kwaliteit van de producten;

1.1.2. te kunnen beschikken over de controleapparatuur die nodig is voor de controle op de overeenstemming met het goedgekeurde type voertuig, systeem, technische eenheid of onderdeel;

1.1.3. erop toe te zien dat de resultaten van de proeven worden geregistreerd en dat de bijbehorende documenten worden bewaard voor een periode van twaalf maanden na het stopzetten van de productie;

1.1.4. de resultaten van elk type proef te analyseren teneinde te controleren en te garanderen dat het product constante kenmerken vertoont, rekening houdend met de bij industriële vervaardiging toelaatbare variaties;

1.1.5. ervoor te zorgen dat bij elk type product de proeven worden uitgevoerd die worden voorgeschreven door de desbetreffende bijzondere richtlijn;

1.1.6. ervoor te zorgen dat er opnieuw monsters worden genomen en een nieuwe keuring plaatsvindt, indien uit de keuring van monsters of proefstukken blijkt dat het product voor dit type proef niet in overeenstemming is met het goedgekeurde type. Er moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de overeenstemming van de productie te herstellen.

1.2. De bevoegde instanties die de goedkeuringsverklaring hebben afgegeven, mogen op elk moment de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle op de overeenstemming verifiëren.

1.2.1. Bij elke inspectie moeten de logboeken betreffende de proeven en de productie aan de inspecteur worden overhandigd.

1.2.2. De inspecteur mag de monsters die in het laboratorium van de fabrikant zullen worden beproefd naar willekeur selecteren. Het minimumaantal monsters kan worden vastgesteld op basis van de resultaten van de eigen controles van de fabrikant.

1.2.3. Indien de kwaliteit onvoldoende blijkt of indien het noodzakelijk lijkt de geldigheid van de krachtens punt 1.2.2 uitgevoerde proeven te controleren, moet de inspecteur monsters nemen die zullen worden toegestuurd aan de technische dienst die de goedkeuringsproeven heeft verricht.

1.2.4. De bevoegde instanties mogen alle proeven verrichten die worden voorgeschreven door de bijzondere richtlijn(en) inzake het (de) betrokken product(en).

1.2.5. De bevoegde instanties staan één inspectie per jaar toe; indien een ander aantal inspecties noodzakelijk is, wordt dat in de bijzondere richtlijn vermeld. Indien de resultaten van een van deze inspecties negatief uitvallen, dient de bevoegde instantie erop toe te zien dat de nodige voorzieningen worden getroffen om de overeenstemming van de productie zo snel mogelijk te herstellen.

BIJLAGE VII

>PIC FILE= "L_2002124NL.004202.TIF">

BIJLAGE VIII

RESTANTVOORRADEN VAN VOERTUIGEN

(artikel 16 bis, leden 1 en 2)

Het maximumaantal voertuigen dat in een lidstaat uit hoofde van de in artikel 16, leden 1 en 2, bedoelde procedure in het verkeer mag worden gebracht, wordt beperkt door een van beide volgende regels, naar keuze van de lidstaat:

hetzij

a) het maximumaantal voertuigen van één of meer typen mag niet meer bedragen dan 10 % van alle voertuigen van de betrokken typen die in die lidstaat in het voorgaande jaar in het verkeer zijn gebracht. Mocht 10 % overeenkomen met minder dan 100 voertuigen, dan mag de lidstaat toestemming geven om ten hoogste 100 voertuigen in het verkeer te brengen;

hetzij

b) het aantal voertuigen van een bepaald type is beperkt tot het aantal waarvoor op of na de fabricagedatum een geldig certificaat van overeenstemming is afgegeven, dat geldig was voor ten minste drie maanden na de datum van afgifte maar vervolgens zijn geldigheid heeft verloren ten gevolge van de inwerkingtreding van een bijzondere richtlijn.

Op het certificaat van overeenstemming van de volgens deze procedure in het verkeer gebrachte voertuigen wordt een speciale vermelding aangebracht.

BIJLAGE IX

CORRESPONDENTIETABEL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 19

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top