Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999R1784

Verordening (EG) nr. 1784/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 betreffende het Europees Sociaal Fonds

OJ L 213, 13.8.1999, p. 5–8 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Estonian: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Latvian: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Lithuanian: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Hungarian Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Maltese: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Polish: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Slovak: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109
Special edition in Slovene: Chapter 14 Volume 001 P. 106 - 109

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006; opgeheven door 32006R1081

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/1784/oj

31999R1784

Verordening (EG) nr. 1784/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 betreffende het Europees Sociaal Fonds

Publicatieblad Nr. L 213 van 13/08/1999 blz. 0005 - 0008


VERORDENING (EG) Nr. 1784/1999 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 juli 1999

betreffende het Europees Sociaal Fonds(1)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 148,

Gezien het voorstel van de Commissie(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(5),

(1) Overwegende dat Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen(6) in de plaats komt van Verordening (EEG) nr. 2052/88(7) en Verordening (EEG) nr. 4253/88(8); dat het ook nodig is Verordening (EEG) nr. 4255/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88(9) met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds, te vervangen;

(2) Overwegende dat Verordening (EG) nr. 1260/1999 de algemene regels voor de Structuurfondsen in hun geheel vaststelt en dat het nodig is de voor steun in aanmerking komende activiteiten vast te stellen die het Europees Sociaal Fonds (hierna "het Fonds" te noemen) kan financieren uit hoofde van de in artikel 1, eerste alinea, punten 1, 2 en 3, van die verordening bedoelde doelstellingen 1, 2 en 3 (hierna "de doelstellingen 1, 2 en 3" te noemen), in het kader van het communautair initiatief ter bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsmarkt, alsmede in het kader van innoverende acties en technische hulp;

(3) Overwegende dat het nodig is de opdracht van het Fonds te omschrijven ten aanzien van de in het Verdrag voorgeschreven taken en in de context van de door de Gemeenschap overeengekomen prioriteiten op het gebied van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en van de werkgelegenheid;

(4) Overwegende dat de conclusies van de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997 en diens resolutie over groei en werkgelegenheid van 16 juni 1997(10) de aanzet hebben gegeven tot de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie en de jaarlijkse werkgelegenheidsrichtsnoeren, alsmede tot de vaststelling van nationale actieplannen voor de werkgelegenheid;

(5) Overwegende dat het nodig is de werkingssfeer van het Fonds opnieuw vast te stellen, met name als gevolg van de herstructurering en vereenvoudiging van de doelstellingen van de Structuurfondsen, teneinde de Europese werkgelegenheidsstrategie en de daarmee verband houdende nationale actieplannen voor de werkgelegenheid te ondersteunen;

(6) Overwegende dat het nodig is een gemeenschappelijk kader voor de bijstandsverlening uit het Fonds in het kader van de drie doelstellingen van de Structuurfondsen vast te stellen om op die manier de onderlinge samenhang en complementariteit van de acties uit hoofde van deze doelstellingen te garanderen, teneinde de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren en de menselijke hulpbronnen te ontwikkelen;

(7) Overwegende dat de lidstaten en de Commissie ervoor zorgen dat de programmering en de uitvoering van de door het Fonds in de context van alle doelstellingen gefinancierde acties bijdragen tot de bevordering van gelijke kansen voor vrouwen en mannen en tot het behoud van arbeidsplaatsen voor en de integratie van kansarme groepen en personen op de arbeidsmarkt;

(8) Overwegende dat de lidstaten en de Commissie er eveneens voor zorgen dat bij de uitvoering van de door het Fonds gefinancierde acties naar behoren rekening wordt gehouden met de sociale dimensie van de informatiemaatschappij en het werkgelegenheidsaspect daarvan;

(9) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat de activiteiten in verband met de industriële aanpassing tegemoet komen aan de algemene behoeften van werknemers, die voortvloeien uit actuele of voorzienbare economische veranderingen en veranderingen in de productiesystemen, en dat zij niet worden opgezet ten behoeve van één enkele onderneming of een bepaalde bedrijfstak; dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan kleine en middelgrote ondernemingen, aan een grotere toegankelijkheid van opleidingen en aan de verbetering van de organisatie van het werk;

(10) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat het Fonds de werkgelegenheid en de beroepskwalificaties blijft verbeteren door het steunen van activiteiten op het gebied van anticipatie - voorzover mogelijk -, voorlichting, de ontwikkeling van netwerken en opleiding in de gehele Gemeenschap en dat de gesteunde activiteiten daarom horizontaal moeten zijn en de gehele economie moeten bestrijken zonder dat a priori wordt verwezen naar specifieke industrieën of sectoren;

(11) Overwegende dat de voor steun in aanmerking komende acties opnieuw moeten worden omschreven om de uitvoering van de beleidsdoeleinden, in het kader van alle doelstellingen waaraan het Fonds bijdraagt, doeltreffender te maken; dat moet worden vastgesteld welke uitgaven in het kader van het partnerschap voor bijstand uit het Fonds in aanmerking komen;

(12) Overwegende dat met name als gevolg van de nieuwe omschrijving van doelstelling 3, de inhoud van de plannen en de vormen van bijstandsverlening moeten worden aangevuld en gespecificeerd;

(13) Overwegende dat bij de uitvoering van de bijstandsverlening uit het Fonds op alle niveaus rekening moet worden gehouden met de prioriteiten van het sociaal en werkgelegenheidsbeleid van de Gemeenschap en de prioriteiten van de nationale actieprogramma's;

(14) Overwegende dat er bepalingen kunnen worden opgenomen waardoor plaatselijke groeperingen, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties, op eenvoudige en snelle wijze toegang kunnen krijgen tot bijstandsverlening uit het Fonds, zodat zij hun capaciteit tot het voeren van actie op dit gebied kunnen vergroten;

(15) Overwegende dat de op initiatief van de Commissie uitgevoerde maatregelen die van groot belang voor de Gemeenschap zijn, een belangrijke rol moeten spelen bij de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van de actie van de Gemeenschap op structuurgebied, zoals bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1260/1999; dat dergelijke initiatieven in de eerste plaats de grensoverschrijdende samenwerking en de vernieuwing van het beleid moeten bevorderen;

(16) Overwegende dat het Fonds ook bijdraagt aan de ondersteuning van technische hulp, innoverende acties en voorbereidings-, toezicht- en evaluatiemaatregelen en controle, overeenkomstig de artikelen 22 en 23, van Verordening (EG) nr. 1260/1999;

(17) Overwegende dat de bevoegdheden voor de aanneming van de uitvoeringsbepalingen moeten worden vastgesteld en dat in bepaalde overgangsbepalingen moet worden voorzien;

(18) Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 4255/88 moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Taak

ln het kader van de bij artikel 146 van het Verdrag aan het Europees Sociaal Fonds (hierna "het Fonds" te noemen) opgedragen taak, alsmede van de taken die de Structuurfondsen uit hoofde van artikel 159 van het Verdrag en van Verordening (EG) nr. 1260/1999 zijn opgedragen, ondersteunt het Fonds maatregelen ter voorkoming van en bestrijding van werkloosheid en maatregelen inzake de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en de sociale integratie in de arbeidsmarkt ter bevordering van een hoog peil van werkgelegenheid, gelijke kansen voor mannen en vrouwen, duurzame ontwikkeling en economische en sociale samenhang. In het bijzonder draagt het Fonds bij aan acties die uit hoofde van de Europese werkgelegenheidsstrategie en de jaarlijkse richtsnoeren voor de werkgelegenheid worden ondernomen.

Artikel 2

Werkingssfeer

1. Het Fonds zorgt voor de ondersteuning en de aanvulling van de activiteiten van de lidstaten op het gebied van de arbeidsmarkt en van de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen op de volgende beleidsterreinen, in het bijzonder in het kader van hun meerjarige nationale actieplannen voor de werkgelegenheid:

a) ontwikkeling en bevordering van een actief arbeidsmarktbeleid ter bestrijding en voorkoming van werkloosheid, ter voorkoming van langdurige werkloosheid van vrouwen en van mannen, ter vergemakkelijking van de herintegratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt en ter ondersteuning van de integratie in het beroepsleven van jongeren, herintreders en herintreedsters op de arbeidsmarkt;

b) bevordering van gelijke kansen voor allen bij de toegang tot de arbeidsmarkt, met bijzondere aandacht voor degenen die met sociale uitsluiting worden bedreigd;

c) bevordering en verbetering van

- opleiding

- onderwijs en

- studie- en beroepskeuzevoorlichting

als onderdeel van een beleid van levenslang leren om

- de toegang tot en de integratie op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en te verbeteren,

- de inzetbaarheid te verbeteren en in stand te houden,

- de beroepsmobiliteit te bevorderen;

d) bevordering van goed geschoolde en opgeleide arbeidskrachten met een groot aanpassingsvermogen, van de innovatie en het aanpassingsvermogen wat de organisatie van het werk betreft, van de ontwikkeling van de ondernemingsgeest, van maatregelen die het scheppen van arbeidsplaatsen vergemakkelijken en van de kwalificatie en de versterking van het menselijk potentieel in onderzoek, wetenschap en technologie;

e) specifieke maatregelen ter verbetering van de toegang tot en de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, waaronder de verbetering van hun carrièreperspectieven, hun toegang tot nieuwe arbeidsmogelijkheden en tot het ondernemerschap, en ter vermindering van de genderspecifieke verticale en horizontale scheiding van de arbeidsmarkt.

2. In het kader van de in lid 1 genoemde beleidsterreinen houdt het Fonds rekening met:

a) de bevordering van plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven, met name van territoriale werkgelegenheidsafspraken;

b) de sociale dimensie van de informatiemaatschappij en het werkgelegenheidsaspect daarvan, met name door het ontwikkelen van een beleid en programma's om de sociale dimensie van de informatiemaatschappij en het werkgelegenheidsaspect daarvan te benutten en om te zorgen voor gelijke toegang tot de voorzieningen en de voordelen daarvan;

c) gelijke kansen voor vrouwen en mannen als onderdeel van de mainstreaming.

Artikel 3

Voor steun in aanmerking komende activiteiten

1. De financiële steun van het Fonds wordt vooral toegekend in de vorm van bijstand aan personen voor de volgende activiteiten ter ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen, die deel kunnen uitmaken van een op integratie in de arbeidsmarkt gerichte aanpak:

a) onderwijsberoepsopleiding - met inbegrip van beroepsopleiding in het kader van de leerplicht -, leerlingwezen, vooropleiding, waaronder verwerving en verbetering van basisvaardigheden, beroepsrevalidatie, maatregelen ter bevordering van de inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt, studie- en beroepskeuzevoorlichting en bijscholing;

b) werkgelegenheidssteun en steun voor zelfstandigen;

c) op het gebied van onderzoek, wetenschap en technologische ontwikkeling, postdoctorale opleiding en opleiding van managers en technici in onderzoekinstellingen en ondernemingen;

d) ontwikkeling van nieuwe bronnen van werkgelegenheid, onder andere in de sector van de sociale economie (derde stelsel).

2. Ter verbetering van de efficiëntie van de in lid 1 omschreven activiteiten kan tevens steun worden gegeven voor de volgende maatregelen:

a) structuren en stelsels:

i) ontwikkeling en verbetering van de beroepsopleiding, het onderwijs en het verwerven van kwalificaties, waaronder de opleiding van docenten, opleiders en overig personeel, en verbetering van de toegang van de werknemers tot opleiding en kwalificaties;

ii) modernisering en verbetering van de doeltreffendheid van de diensten voor arbeidsvoorziening;

iii) totstandbrenging van banden tussen de arbeidswereld en onderwijs-, opleidings- en onderzoekinstellingen;

iv) ontwikkeling - voorzover mogelijk - van systemen voor prospectief onderzoek naar veranderingen op het gebied van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van vaardigheden, in het bijzonder in verband met nieuwe arbeidspatronen en nieuwe vormen van werkorganisatie, met inachtneming van de noodzaak om gezin en beroep te kunnen combineren en oudere werknemers in staat te stellen tot hun pensioen een bevredigende bezigheid uit te oefenen. De financiering van regelingen voor vervroegd pensioen is evenwel uitgesloten;

b) begeleidende maatregelen:

i) bijstand bij de verlening van diensten aan begunstigden, waaronder de verlening van zorgvoorzieningen voor zorgafhankelijken;

ii) bevordering van de sociaal-pedagogische ontwikkeling om de integratie in de arbeidsmarkt te vergemakkelijken;

iii) bewustmaking, voorlichting en publiciteit.

3. Het Fonds kan activiteiten financieren overeenkomstig artikel 2, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

Artikel 4

Concentratie van de bijstandsverlening

1. Terdege rekening houdend met de met name in de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid bepaalde nationale prioriteiten en met voorafgaande evaluaties, wordt een strategie uitgewerkt die alle betrokken beleidsterreinen omvat en waarin vooral aandacht wordt besteed aan de in artikel 2, lid 1, onder d) en e), genoemde terreinen. Om de doeltreffendheid van de steun van het Fonds te maximaliseren zal de bijstandsverlening binnen deze strategie en rekening houdend met de in artikel 2, lid 1, bedoelde prioritaire beleidsterreinen op een beperkt aantal gebieden of thema's worden toegespitst en worden gericht op de belangrijkste behoeften en de meest effectieve acties.

Bij de besteding van de voor een bepaalde bijstand beschikbare kredieten van het Fonds wordt in onderling overleg bepaald aan welke beleidsterreinen prioriteit wordt gegeven. Naargelang de nationale prioriteiten wordt daarbij rekening gehouden met maatregelen uit hoofde van artikel 2, lid 1, van deze verordening.

2. Bij de programmering van de bijstandsverlening van het Fonds wordt bepaald dat een redelijk bedrag van de voor de betreffende bijstandsverlening in het kader van de doelstellingen 1 en 3 beschikbare kredieten van het Fonds overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 beschikbaar wordt gesteld voor de toekenning van kleine subsidies, eventueel met speciale toegangsregelingen voor niet-gouvernementele organisaties en plaatselijke partnerschappen. De lidstaten kunnen verkiezen om dit lid ten uitvoer te leggen overeenkomstig de financieringsregelingen vervat in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

Artikel 5

Communautair initiatief

1. Ter uitvoering van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 draagt het Fonds overeenkomstig artikel 21, lid 2 van die verordening bij aan de uitvoering van het communautair initiatief ter bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijkheid wat de arbeidsmarkt betreft (Equal).

2. Bij de beschikkingen over de bijdrage van het Fonds aan het communautair initiatief kunnen overeenkomstig artikel 21, lid 2 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 de in artikel 3 van de onderhavige verordening bedoelde voor steun in aanmerking komende activiteiten worden uitgebreid tot maatregelen die in het kader van Verordening (EG) nr. 1783/1999(11), (EG) nr. 1257/1999(12) en (EG) nr. 1263/1999(13) kunnen worden gefinancierd, teneinde aldus de uitvoering mogelijk te maken van alle maatregelen waarin het initiatief voorziet.

Artikel 6

Innovatieve acties en technische hulp

1. Overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 kan de Commissie in de lidstaten of op communautair niveau voorbereidings-, toezicht- en evaluatiemaatregelen financieren die nodig zijn voor de uitvoering van de in de onderhavige verordening bedoelde activiteiten. Deze kunnen omvatten:

a) maatregelen van innovatieve aard en proefprojecten op het gebied van arbeidsmarkt, werkgelegenheid en beroepsopleiding;

b) studies, technische hulp en de uitwisseling van ervaring met een multiplicatoreffect;

c) technische hulp in verband met de voorbereiding en uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van, alsmede de controle van de door het Fonds gefinancierde maatregelen;

d) maatregelen die in het kader van de sociale dialoog zijn gericht op het personeel van ondernemingen in twee of meer lidstaten en betrekking hebben op de overdracht van speciale kennis op de gebieden waarop door het Fonds bijstand wordt verleend;

e) voorlichting van de betrokken partners, de uiteindelijke begunstigden van de bijstandsverlening uit het Fonds en het grote publiek.

2. Bij de beschikking betreffende de deelneming van het Fonds wordt, overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999, het terrein van de in lid 1, onder a), bedoelde projecten uitgebreid tot maatregelen die in het kader van Verordening (EG) nr. 1783/1999, (EG) nr. 1257/1999 en (EG) nr. 1263/1999 kunnen worden gefinancierd, teneinde alle maatregelen uit te voeren waarin in de betrokken innovatieve acties wordt voorzien.

Artikel 7

Aanvragen voor bijstandsverlening

Aanvragen voor een bijdrage uit het Fonds gaan vergezeld van een geautomatiseerd formulier dat door de Commissie in overleg met de lidstaten is opgesteld, en waarin de activiteiten voor elke vorm van bijstandsverlening worden vermeld, zodat deze vanaf het aangaan van de betalingsverplichting tot en met de laatste betaling gevolgd kan worden.

Artikel 8

Uitvoeringsbepalingen

Elke uitvoeringsbepaling van deze verordening wordt volgens de procedure van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 door de Commissie vastgesteld.

Artikel 9

Overgangsbepalingen

De in artikel 52 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 genoemde overgangsbepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op deze verordening.

Artikel 10

Herziening

Het Europees Parlement en de Raad gaan op voorstel van de Commissie uiterlijk 31 december 2006 over tot een herziening van deze verordening.

Zij besluiten over dit voorstel volgens de procedure van artikel 148 van het Verdrag.

Artikel 11

Intrekking

Verordening (EEG) nr. 4255/88 wordt met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 1999.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De voorzitter

S. NIINISTÖ

(1) Deze publicatie vernietigt en vervangt de publicatie verschenen in PB L 161 van 26.6.1999, blz. 48.

(2) PB C 176 van 9.6.1998, blz. 39 en

PB C 74 van 18.3.1999, blz. 7.

(3) PB C 407 van 28.12.1998, blz. 74.

(4) PB C 51 van 22.2.1999, blz. 48.

(5) Advies van het Europees Parlement van 19 november 1998 (PB C 379 van 7.12.1998, blz. 186), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 14 april 1999 (PB C 134 van 14.5.1999, blz. 9) en besluit van het Europees Parlement van 6 mei 1999 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt). Besluit van de Raad van 21 juni 1999.

(6) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(7) PB L 185 van 15.7.1988, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94 (PB L 337 van 24.12.1994, blz. 11).

(8) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94.

(9) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2084/93 (PB L 193 van 31.7.1993, blz. 39).

(10) PB C 236 van 2.8.1997, blz. 3.

(11) Zie blz. 1 van dit Publicatieblad.

(12) Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).

(13) Verordening (EG) nr. 1263/1999 van de Raad van 21 juni 1999 betreffende het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 54).

Top