Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999R1260

Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen

OJ L 161, 26.6.1999, p. 1–42 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Estonian: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Latvian: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Lithuanian: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Hungarian Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Maltese: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Polish: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Slovak: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72
Special edition in Slovene: Chapter 14 Volume 001 P. 31 - 72

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006; opgeheven door 32006R1083

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/1260/oj

31999R1260

Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen

Publicatieblad Nr. L 161 van 26/06/1999 blz. 0001 - 0042


VERORDENING (EG) Nr. 1260/1999 VAN DE RAAD

van 21 juni 1999

houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 161,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien de instemming van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de regio's(4),

(1) Overwegende dat in artikel 158 van het Verdrag wordt bepaald dat de Gemeenschap zich met het oog op de versterking van de economische en sociale samenhang ten doel stelt, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen, en dat in artikel 159 wordt bepaald, dat de verwezenlijking van dat doel wordt ondersteund door het optreden van de Gemeenschap via de Structuurfondsen, de Europese Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten;

(2) Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten(5) krachtens artikel 19 ervan uiterlijk 31 december 1999 door de Raad, op voorstel van de Commissie, aan een heronderzoek moet worden onderworpen; dat het met het oog op een grotere doorzichtigheid van de Gemeenschapswetgeving wenselijk is, dat de bepalingen inzake de Structuurfondsen in één verordening worden samengebracht en dat Verordening (EEG) nr. 2052/88 en Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds(6), bijgevolg moeten worden ingetrokken;

(3) Overwegende dat op grond van artikel 5 van het bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden gevoegde Protocol nr. 6 betreffende bijzondere bepalingen voor doelstelling 6 in het kader van de Structuurfondsen in Finland en Zweden, het bepaalde in dit Protocol in 1999 samen met Verordening (EEG) nr. 2052/88 moet worden herzien;

(4) Overwegende dat met het oog op een grotere concentratie en op vereenvoudiging van het optreden van de Structuurfondsen het aantal prioritaire doelstellingen ten opzichte van die van Verordening (EEG) nr. 2052/88 moet worden verminderd; dat als doelstellingen moeten worden gesteld, de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand, de economische en sociale omschakeling van de zones die in structurele moeilijkheden verkeren, en de aanpassing en modernisering van het beleid en de stelsels op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid;

(5) Overwegende dat de Gemeenschap bij haar optreden met het oog op versterking van de economische en sociale samenhang ook streeft naar bevordering van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteiten, een hoog werkgelegenheidspeil, gelijke behandeling van mannen en vrouwen en een hoge mate van bescherming en verbetering van het milieu; dat voor dit optreden bij de vaststelling en de uitvoering van de actie van de Structuurfondsen in het bijzonder milieueisen moeten worden gesteld, en dat het moet bijdragen tot de opheffing van ongelijkheden en de bevordering van gelijke kansen van mannen en vrouwen; dat met de actie van de fondsen ook elke vorm van discriminatie bestreden kan worden naar ras, etnische oorsprong, handicap of leeftijd, met name via een evaluatie van de behoeften, financiële stimulansen en een uitgebreid partnerschap;

(6) Overwegende dat de culturele ontwikkeling, de kwaliteit van de natuurlijke en de bebouwde omgeving, de kwalitatieve en de culturele dimensie van het leefklimaat en de ontwikkeling van het toerisme ertoe bijdragen dat de regio's economisch en sociaal aantrekkelijker worden, voor zover zij het scheppen van duurzame banen bevorderen;

(7) Overwegende dat het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) hoofdzakelijk bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake ontwikkeling en structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand en economische en sociale omschakeling van de zones die in structurele moeilijkheden verkeren;

(8) Overwegende dat de taken van het Europees Sociaal Fonds (ESF) in overeenstemming moeten zijn met en moeten bijdragen aan de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie;

(9) Overwegende dat de structuurmaatregelen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid sedert 1993 in de werkingssfeer van de Structuurfondsen zijn opgenomen; dat de uitvoering van de betrokken maatregelen in het kader van de Structuurfondsen via het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV) moet worden voortgezet; dat bijstand die via het FIOV in het kader van doelstelling 1 wordt verleend, deel zal uitmaken van de programmatie van deze doelstelling, terwijl de bijstand die buiten het kader van doelstelling 1 wordt verleend, in een afzonderlijk programma in elk van de betrokken lidstaten wordt opgenomen;

(10) Overwegende dat in de Gemeenschap een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gaande is, die structuurmaatregelen en begeleidende maatregelen ten behoeve van de plattelandsontwikkeling omvat; dat het Europees Orientatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, in dat verband tot de verwezenlijking van de prioritaire doelstelling inzake ontwikkeling en structurele aanpassing van regio's met een ontwikkelingsachterstand moet blijven bijdragen door verbetering van de doeltreffendheid van de structuren voor de productie, de verwerking en de afzet van landbouw- en bosbouwproducten en door ontwikkeling van het eigen potentieel van de plattelandsgebieden; dat het EOGFL, afdeling Garantie, dient bij te dragen tot de verwezenlijking van de prioritaire doelstelling inzake economische en sociale omschakeling van de zones die in structurele moeilijkheden verkeren, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het EOGFL(7);

(11) Overwegende dat de regels die op elk van de fondsen in het bijzonder van toepassing zijn, worden vastgesteld in op grond van artikel 37, 148 en 162 van het Verdrag genomen uitvoeringsbesluiten;

(12) Overwegende dat criteria moeten worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en zones in aanmerking komen; dat in dat verband voor de afbakening van de op communautair niveau als prioritair aan te merken zones gebruik moet worden gemaakt van de "Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)", de door het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek opgestelde gemeenschappelijke indeling van de regio's;

(13) Overwegende dat het wenselijk is als regio's met een ontwikkelingsachterstand aan te merken, de regio's waarvan het BBP per inwoner lager is dan 75 % van het communautaire gemiddelde; dat het om een doelmatige concentratie van de bijstandsverlening te waarborgen, noodzakelijk is dat dit criterium door de Commissie strikt wordt toegepast op basis van objectieve statistische gegevens; dat het wenselijk is dat de ultraperifere gebieden en de in de periode 1995-1999 voor de in Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden neergelegde doelstelling 6 in aanmerking komende zones met een zeer geringe bevolkingsdichtheid eveneens onder de in de onderhavige verordening neergelegde doelstelling 1 vallen;

(14) Overwegende dat het wenselijk is als zones in een proces van economische en sociale omschakeling aan te merken, de zones waar de industrie en de dienstensector ingrijpende sociaal-economische veranderingen ondergaan, de in verval geraakte plattelandszones, de in moeilijkheden verkerende stedelijke zones en de van de visserij afhankelijke zones die een crisis doormaken; dat een daadwerkelijke concentratie van de bijstandsverlening op de hardst getroffen zones van de Gemeenschap moet worden gewaarborgd; dat het dienstig is dat de betrokken zones op voorstel van en in nauw overleg met de lidstaten door de Commissie worden vastgesteld;

(15) Overwegende dat het, om het communautaire karakter van het optreden van de Fondsen te waarborgen, dienstig is dat de zones waar sociaal-economische veranderingen in de industrie plaatsvinden en de in verval geraakte plattelandszones, zoveel mogelijk worden vastgesteld aan de hand van objectieve indicatoren die op communautaire schaal worden toegepast; dat bovendien de bevolking die door deze prioritaire doelstelling wordt bestreken, op communautair niveau en bij wijze van indicatie, over het geheel genomen voor de industriezones ongeveer 10 % van de bevolking van de Gemeenschap, voor de plattelandszones 5 %, voor de stedelijke zones 2 % en voor de visserijzones 1 % moet uitmaken; dat, om te waarborgen dat elke lidstaat op billijke wijze aan de totale concentratie-inspanning bijdraagt, het deel van de bevolking dat in 2006 door de in deze verordening neergelegde doelstelling 2 wordt bestreken, ten opzichte van het in 1999 door de in Verordening (EEG) nr. 2052/88 neergelegde doelstellingen 2 en 5b bestreken deel van de bevolking niet meer dan een derde kleiner mag zijn;

(16) Overwegende dat het voor de doelmatigheid van het programma noodzakelijk is dat de regio's met een ontwikkelingsachterstand waarvan het BBP per inwoner lager is dan 75 % van het communautaire gemiddelde, dezelfde zijn als die welke steun van de lidstaten op grond van artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag ontvangen, rekening houdend met eventuele specifieke maatregelen die worden vastgesteld krachtens artikel 229, lid 2, van dat Verdrag ten behoeve van de ultraperifere gebieden (de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden); dat de gebieden die sociaal-economische veranderingen ondergaan, ook grotendeels overeen moeten stemmen met de gebieden die steun van de lidstaten krijgen op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag; dat de Gemeenschap moet streven naar een grotere coherentie aan het eind van de periode 2000-2006 doordat de lidstaten met betrekking tot hun huidige situatie de nodige inspanning leveren;

(17) Overwegende dat, uit hoofde van de doelstelling inzake aanpassing en modernisering van het beleid en de stelsels op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid, financiële bijstand wordt verleend aan de regio's en de zones die niet door doelstelling 1 worden bestreken; dat doelstelling 3 tevens een referentiekader vormt dat beoogt de samenhang met alle andere in een lidstaat ten behoeve van de menselijke hulpbronnen ondernomen acties te waarborgen;

(18) Overwegende dat de bijstandsverlening van het ESF voor doelstelling 2 betrekking moet hebben op regionale en lokale acties die beantwoorden aan de specifieke situatie van elk zone van doelstelling 2 en die worden gevoerd in coördinatie met de bijstandsverlening door andere Structuurfondsen; dat elke bijdrage van het ESF aan een enkelvoudig programmeringsdocument van doelstelling 2 een voldoende hoog bedrag moet belopen om een afzonderlijk beheer te rechtvaardigen en derhalve ten minste 5 % zou moeten bedragen van de totale bijdrage van de Structuurfondsen;

(19) Overwegende dat voor de in 1999 onder een prioritaire doelstelling vallende regio's die niet voldoen aan de bijstandscriteria, moet worden voorzien in een geleidelijk verminderende overgangssteun; dat die steun in 2000 lager moet zijn dan in 1999;

(20) Overwegende dat er een regeling moet komen voor de verdeling van de beschikbare middelen; dat deze middelen jaarlijks worden verdeeld en in een verhouding van meer dan twee derde worden geconcentreerd op de regio's met een ontwikkelingsachterstand, met inbegrip van de regio's die overgangssteun ontvangen;

(21) Overwegende dat het totale bedrag dat elke lidstaat jaarlijks uit hoofde van deze verordening van de Structuurfondsen ontvangt - samen met de bijstand van het Cohesiefonds - beperkt moet blijven tot een algemeen plafond dat afhangt van het nationale opnemingsvermogen;

(22) Overwegende dat het wenselijk is, dat de Commissie, zich daarbij baserend op adequate objectieve criteria, indicatieve verdelingen vaststelt van de vastleggingskredieten die beschikbaar zijn voor de prioritaire doelstellingen; dat 4 % van de kredieten die op die manier aan de lidstaten worden toegewezen, door de Commissie halverwege de programmeringsperiode dient te worden toegewezen; dat als blijk van erkenning voor de bijzondere inspanningen ten bate van het vredesproces in Noord-Ierland, het Peace-programma tot en met 2004 moet worden voortgezet, dat voor de periode 2000-2006 een speciaal bijstandsprogramma wordt ingesteld voor de NUTS-II-regio's in Zweden die niet in de in artikel 3, lid 2, bedoelde lijst zijn opgenomen en voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Zweden en Finland;

(23) Overwegende dat van de totale beschikbare vastleggingskredieten 5,35 % voor communautaire initiatieven en 0,65 % voor innoverende acties en technische bijstand worden gereserveerd;

(24) Overwegende dat het wenselijk is dat de beschikbare kredieten van de Structuurfondsen met het oog op de programmering forfaitair worden geïndexeerd, en dat deze indexering zo nodig vóór 31 december 2003 technisch herzien wordt;

(25) Overwegende dat de aan de hervorming van de Structuurfondsen van 1988 ten grondslag liggende beginselen tot in het jaar 2006 op het optreden van de fondsen van toepassing moeten blijven; dat uit de ervaring is gebleken dat aanpassingen nodig zijn om dit optreden eenvoudiger en doorzichtiger te maken, en dat in het bijzonder het streven naar doelmatigheid als een van de grondbeginselen moet worden aangemerkt;

(26) Overwegende dat het voor de doelmatigheid en de doorzichtigheid van het optreden van de Structuurfondsen nodig is dat de bevoegdheden van de lidstaten en van de Gemeenschap precies worden afgebakend en dat deze bevoegdheden voor elk stadium van de programmering, het toezicht, de evaluatie en de controle nader worden omschreven; dat, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, de uitvoering van en de controle op de bijstandsverlening, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel in eerste instantie bevoegdheden van de lidstaten zijn;

(27) Overwegende dat de actie van de Gemeenschap complementair is aan die van de lidstaten of deelneming aan nationale maatregelen behelst en dat het dienstig is het partnerschap te versterken teneinde een wezenlijke toegevoegde waarde te scheppen; dat dit partnerschap de regionale en lokale autoriteiten, de andere bevoegde autoriteiten, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor het milieu en voor het bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, de economische en sociale partners, en de overige betrokken instanties omvat; dat de relevante partners bij de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van de bijstand moeten worden betrokken;

(28) Overwegende dat het dienstig is de programmering van ontwerp tot eindbegunstigde, te omschrijven en de uitvoering van deze programmering in de lidstaten te vergemakkelijken door middel van door de Commissie op te stellen algemene indicatieve richtsnoeren over de relevante overeengekomen communautaire beleidsmaatregelen met betrekking tot de Structuurfondsen;

(29) Overwegende dat de programmering moet zorgen voor de coördinatie van steunverlening tussen de Structuurfondsen onderling en met die van de overige bestaande financieringsinstrumenten en van de EIB; dat deze coördinatie ook gericht moet zijn op het combineren van subsidies en leningen;

(30) Overwegende dat de activiteiten van de fondsen en de verrichtingen die zij medefinancieren, verenigbaar moeten zijn met het overige beleid en de wetgeving van de Gemeenschap; dat hiervoor bijzondere bepalingen moeten worden vastgesteld; dat in dit verband de uit hoofde van de Structuurfondsen uitgevoerde verrichtingen om de resultaten van onderzoek en technologische ontwikkeling te verspreiden en te actualiseren, de bescherming van de rechten in verband met de verwerving en verbetering van vaardigheden moeten garanderen en met inachtneming van de communautaire mededingingsregels moeten worden uitgevoerd;

(31) Overwegende dat eenvoudiger criteria en regels vastgesteld moeten worden voor de toetsing en de toepassing van het additionaliteitsbeginsel;

(32) Overwegende dat het systeem van de programmering moet worden vereenvoudigd door te werken met nog slechts een enkele programmeringstermijn van zeven jaar; dat daartoe tevens het aantal vormen van bijstandsverlening en het aantal bijstandspakketten moeten worden beperkt, door in de regel te werken met één geïntegreerd bijstandspakket per regio, door voor prioritaire doelstellingen het gebruik van enkelvoudige programmeringsdocumenten algemeen te maken en door grote projecten en globale subsidies in andere vormen van bijstandsverlening te integreren;

(33) Overwegende dat met het oog op een sterker geïntegreerde aanpak van de ontwikkeling, rekening houdend met de specifieke regionale situaties, moet worden gezorgd voor de nodige samenhang tussen de acties van de verschillende fondsen en de beleidsmaatregelen van de Gemeenschap, de werkgelegenheidsstrategie, het economische, sociale en regionale beleid van de lidstaten;

(34) Overwegende dat het, om de programmeringsprocedures sneller en eenvoudiger te laten verlopen, dienstig is de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten af te bakenen; dat te dien einde moet worden bepaald dat de Commissie, op voorstel van de lidstaten, de ontwikkelingsstrategieën en -prioriteiten van de programmering, alsmede de daarmee samenhangende financiële bijdrage van de Gemeenschap en uitvoeringsvoorwaarden vaststelt, en dat de lidstaten over de toepassing daarvan beslissen; dat het eveneens noodzakelijk is de inhoud van de verschillende vormen van bijstandsverlening nader te bepalen;

(35) Overwegende dat de gedecentraliseerde uitvoering van de acties van de Structuurfondsen door de lidstaten gepaard moet gaan met de nodige garanties inzake de wijze en de kwaliteit van uitvoering, inzake de resultaten en de evaluatie daarvan, alsmede inzake een deugdelijk financieel beheer en het toezicht daarop;

(36) Overwegende dat het wenselijk is, dat grote investeringsprojecten met een zekere financiële omvang ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Commissie, die daarbij zo nodig de EIB betrekt, om haar in staat te stellen de gevolgen van de betrokken projecten en het voorgenomen gebruik van middelen van de Gemeenschap te beoordelen;

(37) Overwegende dat de acties met een communautair belang die de Commissie op eigen initiatief neemt, de acties uit hoofde van de prioritaire doelstellingen dienen te completeren;

(38) Overwegende dat de communautaire initiatieven gericht moeten worden op zowel de bevordering van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking (Interreg) als op de economische en sociale rehabilitatie van in crisis verkerende steden en voorsteden met het oog op een duurzame stadsontwikkeling (Urban), te financieren uit het EFRO, op de plattelandsontwikkeling (Leader), te financieren uit het EOGFL, afdeling Orientatie, en op de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen met waarborging van gelijke kansen (Equal), te financieren uit het ESF; dat de bevordering van grensoverschrijdende samenwerking - inzonderheid met het oog op de uitbreiding - en van transnationale en interregionale samenwerking van bijzonder belang is; dat voldoende aandacht moet worden besteed aan de samenwerking met de ultraperifere gebieden; dat de coördinatie van de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking met de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 3906/89 van de Raad(8), Verordening (Euratom, EG) nr. 1279/96 van de Raad(9) en Verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad(10), ondernomen acties moet worden versterkt, vooral in het vooruitzicht van de uitbreiding van de Unie en met inachtneming van het Europees-mediterraan partnerschap; dat in het kader van Equal terdege rekening moet worden gehouden met de maatschappelijke en beroepsintegratie van asielzoekers;

(39) Overwegende dat bijstand uit de Structuurfondsen moet worden verleend voor studies, proefprojecten en uitwisselingen van ervaringen ter bevordering van innovatieve benaderingen en methoden in combinatie met een eenvoudige en doorzichtige uitvoering;

(40) Overwegende dat, om het hefboomeffect van de Gemeenschapsbijdrage te vergroten, daarbij zoveel mogelijk het gebruik van particuliere financieringsbronnen stimulerend en om meer rekening te houden met de rentabiliteit van de projecten, de bijstandsvormen van de Structuurfondsen moeten worden gediversifieerd en de bijstandspercentages gedifferentieerd teneinde het communautair belang te bevorderen, het gebruik van gediversifieerde financieringsbronnen aan te moedigen en de bijdrage van de Structuurfondsen te beperken door het gebruik van adequate bijstandsvormen te bevorderen; dat het te dien einde dienstig is te voorzien in kleinere bijdragepercentages voor de financiering van investeringen in ondernemingen en investeringen in infrastructuur die aanzienlijke inkomsten opleveren; dat het voor de toepassing van deze verordening dienstig is de aanzienlijke netto-inkomsten bij wijze van indicatie te definiëren als zijnde de inkomsten die 25 % of meer van de totale kosten van de betrokken investering bedragen;

(41) Overwegende dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, de relevante nationale bepalingen op de subsidiabele uitgaven van toepassing moeten zijn wanneer communautaire bepalingen ontbreken; dat dergelijke communautaire bepalingen door de Commissie kunnen worden vastgesteld indien zulks noodzakelijk blijkt om te waarborgen dat de bijstandsverlening van de Structuurfondsen in de Gemeenschap op een eenvormige en billijke wijze wordt toegepast; dat het evenwel noodzakelijk is te bepalen onder welke voorwaarden uitgaven voor financiering in aanmerking komen, met name wat betreft de uiterste data voor de subsidiabiliteit en het duurzame karakter van de investeringen; dat derhalve, om de doeltreffendheid en het blijvende effect van de actie van de fondsen te verzekeren, het geheel of een deel van de bijstand die uit de fondsen voor een verrichting wordt verleend, slechts behouden mag blijven, mits noch de aard van de verrichting noch de uitvoeringsvoorwaarden ervan een belangrijke verandering ondergaat die strijdig is met haar oorspronkelijke doel;

(42) Overwegende dat de voorschriften en de procedures voor vastlegging en betaling moeten worden vereenvoudigd; dat het daartoe dienstig is dat de begrotingsmiddelen jaarlijks in één keer worden vastgelegd, in overeenstemming met de meerjarige financiële vooruitzichten en met het financieringsplan voor de bijstandspakketten, en dat de bijdragen worden betaald door middel van een voorschot en vervolgens vergoedingen van de gedane uitgaven; dat de eventueel door het voorschot voortgebrachte rente overeenkomstig de vaste rechtspraak moet worden aangemerkt als middelen van de betrokken lidstaat die, om het effect van de fondsen te versterken, voor dezelfde doeleinden als het voorschot zelf dienen te worden gebruikt;

(43) Overwegende dat de nodige garanties voor een deugdelijk financieel beheer moeten worden verkregen door zich ervan te vergewissen dat de uitgaven rechtmatig zijn en geldig worden verklaard, en door de betalingen afhankelijk te stellen van de nakoming van de fundamentele verplichtingen inzake toezicht op de programmering, financiële controle en toepassing van het Gemeenschapsrecht;

(44) Overwegende dat het voor een goed beheer van de middelen van de Gemeenschap noodzakelijk is dat de raming en de uitvoering van de uitgaven worden verbeterd; dat het daartoe dienstig is dat de lidstaten hun ramingen met betrekking tot het gebruik van de communautaire middelen regelmatig aan de Commissie meedelen en dat vertraging bij de financiële uitvoering aanleiding geeft tot terugbetaling van het voorschot en tot annulering van de kredieten;

(45) Overwegende dat elke verwijzing naar de euro in de overgangsperiode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 in de regel als een verwijzing naar de euro als munteenheid in de zin van artikel 2, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro(11) moet worden beschouwd;

(46) Overwegende dat één van de waarborgen voor een doeltreffende actie van de Structuurfondsen een effectief toezicht is; dat het noodzakelijk is het toezicht te verbeteren en de verantwoordelijkheden in dat verband preciezer te omschrijven; dat in het bijzonder de taken van beheer en van toezicht van elkaar moeten worden gescheiden;

(47) Overwegende dat het noodzakelijk is, voor elk bijstandspakket slechts één voor het beheer bevoegde autoriteit aan te stellen en de bevoegdheden ervan nauwkeurig te omschrijven; dat deze bevoegdheden in hoofdzaak het verzamelen en het doorgeven aan de Commissie van gegevens betreffende de bereikte resultaten, het waarborgen van een goede financiële uitvoering, het organiseren van de evaluatie en de toepassing van de verplichtingen inzake openbaarmaking en van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen behelzen; dat in het kader van het toezicht op het bijstandspakket moet worden voorzien in regelmatige ontmoetingen tussen de Commissie en de beheersautoriteit;

(48) Overwegende dat moet worden gepreciseerd dat het toezichtcomité een door de lidstaat benoemd orgaan is dat het bijstandspakket begeleidt, het beheer ervan door de beheersautoriteit controleert, de naleving van de voor de uitvoering vastgestelde richtsnoeren en voorwaarden waarborgt en de evaluatie ervan onderzoekt;

(49) Overwegende dat indicatoren en jaarverslagen over de uitvoering essentieel zijn voor het toezicht en dat het noodzakelijk is deze elementen nauwkeuriger te bepalen, opdat zij een getrouw beeld geven van de voortgang van de uitvoering van de bijstandspakketten en van de kwaliteit van de programmering;

(50) Overwegende dat het ter waarborging van een doeltreffende en regelmatige uitvoering noodzakelijk is de verplichtingen van de lidstaten inzake beheers- en controlesystemen, geldigverklaring van de uitgaven en voorkoming, opsporing en correctie van onregelmatigheden en overtredingen van het Gemeenschapsrecht nader te bepalen;

(51) Overwegende dat het, onverminderd de bevoegdheden welke de Commissie thans inzake financiele controle reeds heeft, wenselijk is de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten op dit gebied te versterken en met name te voorzien in regelmatig overleg tussen de lidstaten en de Commissie om de door de lidstaten genomen maatregelen te onderzoeken en de Commissie, in voorkomend geval, de gelegenheid te bieden, om corrigerende maatregelen te verzoeken;

(52) Overwegende dat het noodzakelijk is, de verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake vervolging van en corrigerend optreden naar aanleiding van onregelmatigheden en overtredingen af te bakenen, alsmede die van de Commissie wanneer de lidstaten in gebreke blijven;

(53) Overwegende dat de doeltreffendheid en het effect van de acties van de Structuurfondsen ook afhangen van een betere en grondiger evaluatie, en dat het dienstig is de verantwoordelijkheden van de lidstaten en die van de Commissie in dit verband, alsmede de voorwaarden die de betrouwbaarheid van de evaluatie waarborgen, nader aan te geven;

(54) Overwegende dat een evaluatie van de bijstandspakketten moet plaatsvinden ten behoeve van de voorbereiding, van de herziening halverwege de looptijd en van de effectbeoordeling, en dat de evaluatie en het toezicht op de uitvoering van de bijstandspakketten moeten worden geïntegreerd; dat te dien einde de doelstellingen en de inhoud van elke evaluatiefase nader moeten worden bepaald, en de evaluatie van de situatie op sociaal en economisch gebied, op milieugebied en op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen moet worden verdiept;

(55) Overwegende dat het verrichten van een evaluatie halfweg en het in reserve houden van een deel van de kredieten, het mogelijk maken in elke lidstaat extra middelen toe te wijzen naar gelang van de bij de uitvoering van de bijstandspakketten geleverde prestaties, en dat deze toewijzing moet plaatsvinden op basis van objectieve, eenvoudige en doorzichtige criteria die de doeltreffendheid, het beheer en de financiële uitvoering weerspiegelen;

(56) Overwegende dat driejaarlijks verslag moet worden uitgebracht over de bij de totstandbrenging van de economische en sociale samenhang geboekte vooruitgang, en dat dit verslag een analyse moet bevatten van de situatie en van de economische en sociale ontwikkeling van de regio's van de Gemeenschap;

(57) Overwegende dat het voor een doelmatige werking van het partnerschap en om de bijstandsverlening door de Gemeenschap naar behoren te bevorderen, noodzakelijk is dat hieraan via voorlichting en informatieverstrekking een zo ruim mogelijke bekendheid wordt gegeven; dat de voor het beheer van de bijstandspakketten bevoegde autoriteiten hiervoor verantwoordelijk zijn, en de Commissie op de hoogte moeten brengen van de genomen maatregelen;

(58) Overwegende dat de werkwijze van de comités die de Commissie bij de uitvoering van deze verordening zullen bijstaan, nader moet worden geregeld;

(59) Overwegende dat bijzondere overgangsbepalingen moeten worden vastgesteld, die het mogelijk maken de nieuwe programmering vanaf de inwerkingtreding van deze verordening voor te bereiden en die waarborgen dat de bijstandsverlening aan de lidstaten niet wordt onderbroken in afwachting dat de plannen en bijstandspakketten volgens de nieuwe regeling worden opgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEGINSELEN

HOOFDSTUK I

DOELSTELLINGEN EN TAKEN

Artikel 1

Doelstellingen

De actie die de Gemeenschap door middel van de Structuurfondsen, het Cohesiefonds, de afdeling Garantie van het EOGFL, de Europese Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten voert, is gericht op de verwezenlijking van de in de artikelen 158 en 160 van het Verdrag omschreven algemene doelstellingen. De Structuurfondsen, de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten dragen elk op passende wijze bij tot de verwezenlijking van de volgende drie prioritaire doelstellingen:

1) bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand, hierna "doelstelling 1" genoemd;

2) ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van de in structurele moeilijkheden verkerende zones, hierna "doelstelling 2" genoemd;

3) ondersteuning van de aanpassing en de modernisering van het beleid en de systemen op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid, hierna "doelstelling 3" genoemd. Deze doelstelling waarvoor financiële bijstand wordt verleend buiten de onder doelstelling 1 vallende regio's, dient als beleidsreferentiekader voor alle acties ten behoeve van de menselijke hulpbronnen op een nationaal grondgebied, onverminderd de specifieke regionale kenmerken.

Bij het nastreven van deze doelstellingen draagt de Gemeenschap bij tot de bevordering van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische bedrijvigheid, tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de menselijke hulpbronnen, tot de bescherming en de verbetering van het milieu en tot de opheffing van de ongelijkheden, alsmede tot de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Artikel 2

Middelen en taken

1. In deze verordening wordt onder "Structuurfondsen" verstaan het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), de afdeling Oriëntatie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV), hierna "fondsen" genoemd.

2. Overeenkomstig de artikelen 33, 146 en 160 van het Verdrag draagt elk der fondsen volgens zijn specifieke voorschriften bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen 1, 2 en 3, volgens de onderstaande taakverdeling:

a) doelstelling 1: EFRO, ESF, afdeling Oriëntatie van het EOGFL en FIOV;

b) doelstelling 2: EFRO en ESF;

c) doelstelling 3: ESF.

3. Het FIOV draagt bij tot structurele acties in de visserijsector buiten de gebieden van doelstelling 1, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1263/1999 van de Raad van 21 juni 1999 inzake structurele acties in de visserijsector(12).

De afdeling Garantie van het EOGFL draagt tot de verwezenlijking van doelstelling 2 bij overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1257/1999.

4. De fondsen dragen bij aan de financiering van communautaire initiatieven en aan de ondersteuning van innovatieve acties en de verlening van technische hulp.

De maatregelen inzake technische hulp worden uitgevoerd in het kader van de programmering zoals bedoeld in de artikelen 13 tot en met 27, of op initiatief van de Commissie overeenkomstig artikel 23.

5. De andere middelen uit de Gemeenschapsbegroting die ter verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen kunnen worden gebruikt, zijn met name de middelen die worden bestemd voor de overige structurele acties en voor het Cohesiefonds.

De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor de coherentie tussen het optreden van de Fondsen en andere beleidstakken en vormen van optreden van de Gemeenschap, in het bijzonder op het gebied van de werkgelegenheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de sociale politiek, het beleid inzake beroepsopleiding, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het gemeenschappelijk visserijbeleid, het vervoer, de energie en de trans-Europese netwerken, alsmede voor de integratie van de eisen inzake milieubescherming in de omschrijving en uitvoering van het optreden van de fondsen.

6. De EIB werkt in overeenstemming met haar statuten mee aan de verwezenlijking van de in artikel 1 omschreven doelstellingen.

De andere bestaande financieringsinstrumenten die, elk volgens zijn specifieke voorschriften, bijstand kunnen verlenen voor de verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen, zijn met name het Europese Investeringsfonds en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) (leningen, garanties), hierna "andere financieringsinstrumenten" genoemd.

HOOFDSTUK II

VOOR DE PRIORITAIRE DOELSTELLINGEN IN AANMERKING KOMENDE GEOGRAFISCHE GEBIEDEN

Artikel 3

Doelstelling 1

1. De onder doelstelling 1 vallende regio's zijn regio's van het niveau II van de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS II) met een bruto binnenlands product (BBP) per inwoner, gemeten in koopkrachtstandaard en berekend aan de hand van de communautaire gegevens over de laatste drie jaren waarvoor dergelijke gegevens beschikbaar zijn op 26 maart 1999, dat lager is dan 75 % van het communautaire gemiddelde.

Onder deze doelstelling vallen voorts de ultraperifere gebieden (de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden), die alle beneden de drempel van 75 % liggen, en de zones die in de periode 1995-1999 op grond van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, onder doelstelling 6 vielen.

2. Met strenge toepassing van het bepaalde in lid 1, eerste alinea, stelt de Commissie, onverminderd artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 4, tweede alinea, de lijst van de onder doelstelling 1 vallende regio's vast.

Deze lijst geldt voor zeven jaar met ingang van 1 januari 2000.

Artikel 4

Doelstelling 2

1. De regio's waarop doelstelling 2 betrekking heeft, zijn zones met structurele problemen, waarvan de economische en sociale omschakeling overeenkomstig artikel 1, onder 2, moet worden ondersteund en die een bevolking of oppervlakte van enige omvang hebben. Zij omvatten vooral de zones waar sociaal-economische veranderingen in de industrie en de dienstensector plaatsvinden, de plattelandszones die door achteruitgang worden getroffen, de in moeilijkheden verkerende stedelijke zones en de van de visserij afhankelijke zones die zich in een crisissituatie bevinden.

2. De Commissie en de lidstaten spannen zich in, om ervoor te zorgen dat de bijstandsverlening daadwerkelijk op de ergst getroffen zones van de Gemeenschap wordt geconcentreerd, zulks op het meest geschikte geografische niveau. De bevolking van de in lid 1 bedoelde zones maakt niet meer dan 18 % van de totale bevolking van de Gemeenschap uit. Op basis hiervan stelt de Commissie een bevolkingsplafond per lidstaat vast aan de hand van de volgende elementen:

a) de totale bevolking in de NUTS III-regio's van elke lidstaat die voldoen aan de in de leden 5 en 6 genoemde criteria;

b) de ernst van de structurele problemen op nationaal niveau in elke lidstaat in vergelijking met de andere betrokken lidstaten. Deze ernst wordt beoordeeld op basis van de totale werkloosheid en de langdurige werkloosheid buiten de regio's van doelstelling 1;

c) de noodzaak te waarborgen dat elke lidstaat op billijke wijze tot de in dit lid vastgestelde totale concentratie-inspanning bijdraagt; de onder doelstelling 2 vallende bevolking, wordt met niet meer dan één derde van de in 1999 onder de doelstellingen 2 en 5b van Verordening (EEG) nr. 2052/88 vallende bevolking verlaagd.

De Commissie verstrekt de lidstaten alle gegevens waarover zij met betrekking tot de in de leden 5 en 6 bepaalde criteria beschikt.

3. Binnen de grenzen van de in lid 2 bedoelde plafonds stellen de lidstaten aan de Commissie de lijst voor van de volgende zones van enige omvang:

a) de NUTS III-regio's die voldoen aan de in lid 5 of in lid 6 genoemde criteria, of de ergst getroffen zones binnen deze regio's;

b) zones die voldoen aan de in lid 7 of in lid 8 genoemde criteria of aan de in lid 9 genoemde specifieke criteria van de lidstaat.

De lidstaten verstrekken de Commissie de statistische en andere gegevens op het meest geschikte geografische niveau, die de Commissie voor de evaluatie van deze voorstellen nodig heeft.

4. Op basis van de in lid 3 bedoelde gegevens stelt de Commissie, onverminderd artikel 6, lid 2, in nauw overleg met de betrokken lidstaat en met inachtneming van de nationale prioriteiten de lijst van de onder doelstelling 2 vallende zones vast.

De zones die voldoen aan de criteria van de leden 5 en 6, omvatten ten minste 50 % van de in elke lidstaat onder doelstelling 2 vallende bevolking, tenzij objectieve omstandigheden voldoende gronden opleveren voor een uitzondering.

5. De in lid 1 bedoelde zones waar sociaal-economische veranderingen in de industrie plaatsvinden, moeten overeenkomen met of behoren tot een territoriale eenheid van het niveau NUTS III die voldoet aan de volgende criteria:

a) een gemiddelde werkloosheid die in de laatste drie jaren boven het communautaire gemiddelde lag;

b) een aandeel van de industrie in de totale werkgelegenheid dat in een uit de periode vanaf 1985 gekozen referentiejaar niet kleiner was dan het communautaire gemiddelde;

c) een vastgestelde achteruitgang van de werkgelegenheid in de industrie ten opzichte van het voor punt b) gekozen referentiejaar.

6. De in lid 1 bedoelde plattelandszones moeten overeenkomen met of behoren tot een territoriale eenheid van het niveau NUTS III die aan de volgende criteria voldoet:

a) hetzij een bevolkingsdichtheid van minder dan 100 inwoners/km2, hetzij een aandeel van de landbouw in de totale werkgelegenheid dat in een uit de periode vanaf 1985 gekozen referentiejaar ten minste tweemaal zo groot was als het communautaire gemiddelde;

b) hetzij een gemiddelde werkloosheid in de laatste drie jaren die in dat tijdvak boven het communautaire gemiddelde lag, hetzij een bevolking die sinds 1985 is gedaald.

7. De in lid 1 bedoelde stedelijke zones zijn dichtbevolkte zones die voldoen aan ten minste één van de onderstaande criteria:

a) een langdurige werkloosheid die hoger is dan het communautaire gemiddelde;

b) een hoog armoedepeil, welk criterium mede betrekking heeft op slechte woonomstandigheden;

c) een bijzonder slechte situatie op milieugebied;

d) een hoog misdaadcijfer;

e) een laag onderwijspeil van de bevolking.

8. De in lid 1 bedoelde van de visserij afhankelijke zones zijn kustzones waar de visserijsector een belangrijk aandeel heeft in de totale werkgelegenheid en die zich geplaatst zien voor structurele sociaal-economische problemen in verband met de herstructurering van de visserijsector waardoor het aantal arbeidsplaatsen in deze sector in belangrijke mate afneemt.

9. De bijstandsverlening van de Gemeenschap kan worden uitgebreid tot zones met een bevolking of oppervlakte van enige omvang die tot een van de volgende typen behoren:

a) de zones die aan de criteria van lid 5 voldoen en grenzen aan een industriezone; de zones die aan de criteria van lid 6 voldoen en grenzen aan een plattelandszone; de zones die voldoen aan de criteria van hetzij lid 5, hetzij lid 6 en die grenzen aan een onder doelstelling 1 vallende regio;

b) de plattelandszones die zich voor ernstige sociaal-economische problemen geplaatst zien als gevolg van hetzij de vergrijzing, hetzij de afname van de landbouwberoepsbevolking;

c) de zones waar, zoals uit relevante en verifieerbare kenmerken blijkt, ernstige structurele problemen of een hoge werkloosheid heersen of dreigen te zullen heersen als gevolg van een aan de gang zijnde of geplande herstructurering van één of meer activiteiten in de sector landbouw, industrie of diensten.

10. Een zelfde zone kan slechts voor één van de doelstellingen 1 en 2 in aanmerking komen.

11. De lijst van de zones is geldig gedurende zeven jaar met ingang van 1 januari 2000.

Op voorstel van een lidstaat kan de Commissie in 2003 in geval van een ernstige crisis in een regio de lijst van de zones overeenkomstig de leden 1 tot en met 10 wijzigen, zonder daarbij het deel van de bevolking dat in elk van de onderscheiden regio's als bedoeld in artikel 13, lid 2, wordt bestreken, te verhogen.

Artikel 5

Doelstelling 3

De regio's waar financiële bijstand uit hoofde van doelstelling 3 wordt verleend, zijn de regio's die niet onder doelstelling 1 vallen.

Artikel 6

Overgangssteun

1. Niettegenstaande artikel 3 wordt in de regio's die in 1999 op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/88 onder doelstelling 1 vallen, maar niet in de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, en lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde lijst zijn opgenomen, bij wijze van overgangsmaatregel van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005 steun uit de fondsen uit hoofde van doelstelling 1 verleend.

Bij de vaststelling van de in artikel 3, lid 2, bedoelde lijst stelt de Commissie overeenkomstig artikel 4, leden 5 en 6, de lijst vast van de tot de bovenbedoelde regio's behorende zones van het niveau NUTS III waar bij wijze van overgangsmaatregel in het jaar 2006 steun uit de fondsen uit hoofde van doelstelling 1 wordt verleend.

De Commissie kan evenwel, binnen de perken van de bevolking van de in de tweede alinea bedoelde zones en overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 4, tweede alinea, op voorstel van een lidstaat, deze zones vervangen door zones van het niveau NUTS of die onder het niveau NUTS III liggen en behoren tot die regio's die voldoen aan de criteria van artikel 4, leden 5 tot en met 9.

De tot de betrokken regio's behorende zones die niet zijn opgenomen in de in de tweede en derde alinea bedoelde lijst, blijven in 2006 alleen steun uit het ESF, het FIOV en de afdeling Oriëntatie van het EOGFL ontvangen binnen hetzelfde bijstandspakket.

2. Niettegenstaande artikel 4 wordt in de zones die in 1999 op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/88 onder doelstelling 2 of 5b vallen, maar niet in de in artikel 4, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde lijst zijn opgenomen, bij wijze van overgangsmaatregel van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005 steun uit het EFRO uit hoofde van doelstelling 2 van de onderhavige verordening verleend.

Van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006 wordt in deze zones als zijnde zones waarop doelstelling 3 betrekking heeft, steun verleend door het ESF uit hoofde van doelstelling 3 en door de afdeling Garantie van het EOGFL uit hoofde van haar steun voor de plattelandsontwikkeling en door het FIOV uit hoofde van zijn structurele acties in de visserijsector buiten doelstelling 1.

HOOFDSTUK III

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 7

Middelen en concentratie

1. De middelen die beschikbaar zijn voor de vastleggingen voor de Structuurfondsen, uitgedrukt in prijzen van 1999, bedragen 195 miljard euro voor de periode 2000-2006.

De verdeling van deze middelen over de betrokken jaren is opgenomen in de bijlage.

2. De verdeling van de begrotingsmiddelen over de doelstellingen geschiedt zodanig dat een aanzienlijke concentratie wordt bereikt ten gunste van de door doelstelling 1 betroffen regio's.

69,7 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 1, inclusief 4,3 % voor overgangssteun (d.w.z. in totaal 135,9 miljard euro).

11,5 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 2, inclusief 1,4 % voor overgangssteun (d.w.z. in totaal 22,5 miljard euro).

12,3 % van de Structuurfondsen wordt toegewezen aan doelstelling 3 (d.w.z. in totaal 24,05 miljard euro).

De cijfers van doelstellingen 1, 2 en 3 omvatten niet de in lid 6 bedoelde fondsmiddelen noch de financiering voor het FIOV buiten doelstelling 1.

3. De Commissie stelt volgens doorzichtige procedures indicatieve verdelingen van de vastleggingskredieten van de Structuurfondsen over de lidstaten voor de in de artikelen 13 tot en met 19 bedoelde programmering vast en houdt hierbij voor de doelstellingen 1 en 2 ten volle rekening met een of meer objectieve criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria uit de voorgaande periode krachtens Verordening (EEG) nr. 2052/88, zoals de voor steun in aanmerking komende bevolking, de regionale welvaart, de nationale welvaart en de relatieve ernst van de structurele problemen, met name van het werkloosheidsniveau.

Voor doelstelling 3 geldt een verdeling die in hoofdzaak gebaseerd is op de voor steun in aanmerking komende bevolking, de werkgelegenheidssituatie en de ernst van de problemen, zoals sociale uitsluiting, onderwijs- en opleidingsniveaus en de arbeidsparticipatie van vrouwen.

Voor de doelstellingen 1 en 2 wordt bij de verdeling onderscheid gemaakt met betrekking tot toewijzingen van kredieten aan regio's en zones die overbruggingssteun krijgen. Deze toewijzingen worden bepaald volgens de in de eerste alinea bedoelde criteria. De jaarlijkse verdeling van deze kredieten is degressief vanaf 1 januari 2000 en is in 2000 lager dan in 1999. Het patroon van de overgangssteun kan, in overleg met de Commissie, worden toegesneden op de specifieke behoeften van de individuele regio's, mits de financiële toewijzing voor elke regio wordt gerespecteerd.

Voorts stelt de Commissie volgens doorzichtige procedures indicatieve verdelingen over de lidstaten vast met betrekking tot de vastleggingskredieten voor de in artikel 2, lid 3, eerste alinea bedoelde structurele acties in de visserijsector buiten de gebieden van doelstelling 1.

4. Uit hoofde van doelstelling 1 wordt, ten behoeve van Noord-Ierland en de grensgebieden van Ierland, voor de jaren 2000-2004 een Peace-programma vastgesteld ter ondersteuning van het vredesproces in Noord-Ierland.

Uit hoofde van doelstelling 1 wordt voor de periode 2000-2006 een speciaal bijstandsprogramma vastgesteld ten behoeve van de Zweedse NUTS II-gebieden die niet voorkomen op de in artikel 3, lid 2, bedoelde lijst en die voldoen aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Zweden en Finland.

5. 4 % van de vastleggingskredieten uit hoofde van elke in lid 3 bedoelde indicatieve verdeling worden toegewezen overeenkomstig artikel 44.

6. Voor de in lid 1 bedoelde periode wordt 5,35 % van de vastleggingskredieten van de in lid 1 bedoelde fondsen gebruikt voor de financiering van communautaire initiatieven.

0,65 % van de in lid 1 bedoelde kredieten wordt gebruikt voor de financiering van innoverende acties en technische hulp als omschreven in artikel 22 en artikel 23.

7. De in lid 1 bedoelde bedragen worden met het oog op de programmering en de opvoering ervan op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen per 1 januari 2000 met 2 % per jaar geïndexeerd.

De indexering van de toewijzingen voor 2004, 2005 en 2006 wordt indien nodig uiterlijk op 31 december 2003 herzien in het kader van een technische aanpassing door de Commissie op basis van de meest recente economische gegevens. Het verschil met de oorspronkelijke programmering wordt toegevoegd aan het in lid 5 bedoelde bedrag.

8. Het totale bedrag dat elke lidstaat jaarlijks uit hoofde van deze verordening van de Structuurfondsen ontvangt - samen met de bijstand van het Cohesiefonds - blijft beperkt tot 4 % van het BBP.

HOOFDSTUK IV

ORGANISATIE

Artikel 8

Complementariteit en partnerschap

1. De communautaire actie is bedoeld als aanvulling op of bijdrage tot de overeenkomstige nationale acties. Zij komt tot stand in nauw overleg, hierna "partnerschap" genoemd, tussen de Commissie, de betrokken lidstaat en de autoriteiten en instanties die door de lidstaat zijn aangewezen in het kader van zijn nationale regels en de bestaande praktijk, met name:

- de regionale en plaatselijke autoriteiten en de andere bevoegde publieke autoriteiten;

- de economische en sociale partners;

- alle andere in dit kader relevante instanties.

Het partnerschap wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de hierboven omschreven respectieve institutionele, wettelijke en financiële bevoegdheden van elk der partners.

Bij de aanwijzing van de meest representatieve partners op nationaal, regionaal, plaatselijk of ander niveau, brengt de lidstaat een ruime en doeltreffende associatie tot stand van alle overeenkomstig de nationale regels en praktijken relevante instanties, rekening houdend met de noodzaak van bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en van duurzame ontwikkeling door de opneming van eisen op het gebied van de bescherming en verbetering van het milieu.

Alle aangewezen partijen, hierna "partners" genoemd, zijn partners die een gemeenschappelijk doel nastreven.

2. Het partnerschap heeft betrekking op de voorbereiding en de financiering van, het toezicht op en de evaluatie van de bijstandspakketten. De lidstaten zien toe op de inschakeling van de relevante partners in de verschillende stadia van de programmering, rekening houdend met de voor elk van die stadia vastgestelde termijn.

3. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel valt de uitvoering van de bijstandspakketten onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten op het, naar gelang van de specifieke situatie van elke lidstaat, passende territoriale niveau onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, met name op het gebied van het beheer van de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

4. De lidstaten werken met de Commissie samen om ervoor te zorgen dat de Gemeenschapsfondsen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

5. Elk jaar raadpleegt de Commissie de op Europees niveau georganiseerde sociale partners over het structuurbeleid van de Gemeenschap.

Artikel 9

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) programmering: het proces van organisatie, besluitvorming en financiering dat in verscheidene fasen plaatsvindt en erop gericht is, het gezamenlijke optreden van de Gemeenschap en de lidstaten voor de verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen op een meerjarenbasis ten uitvoer te leggen;

b) ontwikkelingsplan: (hierna plan genoemd) de door een lidstaat opgestelde analyse van de situatie in het licht van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen en van de prioritaire behoeften waarin voor het bereiken van deze doelstellingen moet worden voorzien, alsmede de overwogen strategie en actieprioriteiten, de specifieke doelstellingen daarvan en de bijbehorende indicatieve financiële middelen;

c) referentiekader van doelstelling 3: het document waarin de context beschreven staat van de bijstandspakketten ten behoeve van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van het menselijk potentieel op het gehele grondgebied van elke lidstaat en dat voorts aangeeft wat het verband is met de prioriteiten van het nationaal actieprogramma voor de werkgelegenheid;

d) communautair bestek: het document dat door de Commissie in overleg met de betrokken lidstaat is goedgekeurd na beoordeling van het door de lidstaat ingediende plan, en waarin de strategie en de prioriteiten voor het optreden van de fondsen en van de lidstaat zijn opgenomen, alsmede de specifieke doelstellingen ervan, de bijdrage van de fondsen en de overige financiële middelen. Dit document wordt ingedeeld in prioritaire zwaartepunten en wordt door middel van één of meer operationele programma's ten uitvoer gelegd;

e) bijstandspakket: de vorm van bijstandsverlening van de fondsen, waarbij worden onderscheiden:

i) het operationele programma of het enkelvoudig programmeringsdocument;

ii) het programma in het kader van een communautair initiatief;

iii) de steun voor maatregelen op het gebied van technische hulp en voor innoverende acties;

f) operationeel programma: het door de Commissie goedgekeurde document dat erop is gericht een communautair bestek ten uitvoer te leggen en waarin een coherent geheel van prioritaire zwaartepunten is opgenomen die bestaan uit meerjarenmaatregelen en voor de uitvoering waarvan een beroep kan worden gedaan op één of meer fondsen en op één of meer andere bestaande financieringsinstrumenten alsmede op de EIB. Een geïntegreerd operationeel programma is een operationeel programma dat wordt gefinancierd door verscheidene fondsen;

g) enkelvoudig programmeringsdocument: één enkel document dat door de Commissie is goedgekeurd en waarin de in een communautair bestek op te nemen gegevens en de in een operationeel programma op te nemen gegevens zijn samengebracht;

h) prioritair zwaartepunt: één van de prioriteiten van de strategie die is bepaald in een communautair bestek of in een bijstandspakket. Bij een prioritair zwaartepunt horen een bijdrage van de fondsen en van de andere financieringsinstrumenten en de daartegenover te stellen financiële middelen van de lidstaat, alsmede specifieke doelstellingen;

i) globale subsidies: het gedeelte van een bijstandsverlening waarvan de uitvoering en het beheer kan worden toevertrouwd aan bemiddelende instanties die erkend zijn overeenkomstig artikel 27, lid 1, met inbegrip van lokale autoriteiten, maatschappijen voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties, en bij voorkeur aangewend ten behoeve van initiatieven voor plaatselijke ontwikkeling. Het besluit om gebruik te maken van globale subsidies wordt door de lidstaat genomen met instemming van de Commissie of, met instemming van de lidstaat, door de beheersautoriteit.

In het geval van programma's in het kader van een communautair initiatief en van innovatieve acties kan de Commissie besluiten om voor het hele bijstandspakket of een deel ervan met een globale subsidie te werken. In het geval van de communautaire initiatieven mag dit besluit alleen met instemming van de betrokken lidstaat worden genomen;

j) maatregel: het middel waarmee een prioritair zwaartepunt in een meerjarenaanpak wordt vertaald en dat het mogelijk maakt verrichtingen te financieren. Elke steunmaatregel in de zin van artikel 87 van het Verdrag en elke steunverlening door een instantie die door de lidstaat is aangewezen, alsook elk steunmaatregelen- of steunverleningspakket of combinatie daarvan, met hetzelfde doel wordt aangemerkt als een maatregel;

k) verrichting: elk project of elke actie uitgevoerd door de eindbegunstigden van de bijstandspakketten;

l) eindbegunstigde: de instantie die, of het overheids- of privé-bedrijf dat verantwoordelijk is voor het geven van de opdracht tot de verrichting. In het geval van een steunmaatregel in de zin van artikel 87 van het Verdrag en in het geval van steunverlening door instanties die door de lidstaat zijn aangewezen, is de eindbegunstigde de instantie die de steun verleent;

m) programmacomplement: het document voor de uitvoering van de strategie en de prioritaire zwaartepunten van het bijstandspakket, met de in artikel 18, lid 3, bedoelde gedetailleerde gegevens inzake de maatregelen, dat door de lidstaat of de beheersautoriteit is opgesteld en overeenkomstig artikel 34, lid 3, aangepast wordt; dit document wordt ter informatie aan de Commissie toegezonden;

n) beheersautoriteit: door de lidstaat aangewezen nationale, regionale of plaatselijke publieke of particuliere autoriteit of instantie of de lidstaat, wanneer die deze functie zelf vervult, voor het beheer van een bijstandspakket in de zin van deze verordening. Indien de lidstaat een andere beheersautoriteit aanwijst dan zichzelf, stelt hij alle voorwaarden vast voor zijn betrekkingen met deze autoriteit en voor de betrekkingen van de beheersautoriteit met de Commissie. Indien de lidstaat daartoe besluit, kan de beheersautoriteit ook de instantie zijn die voor het betrokken bijstandspakket als betalingsautoriteit fungeert;

o) betalingsautoriteit: één of meer plaatselijke, regionale of nationale instanties of autoriteiten die door de lidstaten aangewezen zijn voor het opstellen en toezenden van de betalingsaanvragen en voor het ontvangen van de betalingen van de Commissie. De lidstaat stelt alle voorwaarden vast voor zijn betrekkingen met de betalingsautoriteit en voor de betrekkingen van die autoriteit met de Commissie.

Artikel 10

Coördinatie

1. De coördinatie tussen de verschillende fondsen vindt met name plaats door middel van:

a) de plannen, communautaire bestekken, de operationele programma's en de enkelvoudige programmeringsdocumenten (zoals omschreven in artikel 9), in voorkomend geval met inbegrip van het referentiekader overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder c);

b) het toezicht op en de evaluatie van de bijstandspakketten in het kader van een doelstelling;

c) de in lid 3 bedoelde richtsnoeren.

2. De Commissie en de lidstaten dragen, op een wijze die verenigbaar is met het partnerschapsbeginsel, zorg voor de onderlinge coördinatie van de bijstandsverlening van de onderscheiden fondsen en voor de coördinatie met de bijstandsverlening door de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten.

Om het stimuleringseffect van de aangewende begrotingsmiddelen met gebruikmaking van de passende financieringsinstrumenten zo groot mogelijk te maken, kan de communautaire bijstandsverlening in de vorm van subsidies op passende wijze worden gecombineerd met leningen en garanties. Die combinatie kan met medewerking van de EIB worden bepaald bij de opstelling van het communautaire bestek of van het enkelvoudige programmeringsdocument. Daarbij kan rekening worden gehouden met het evenwicht in het voorgestelde financieringsplan, met de bijdrage van de fondsen en met de ontwikkelingsdoelstellingen.

3. Uiterlijk één maand na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens vóór de in artikel 42 bedoelde evaluatie halverwege, en telkens na raadpleging van alle lidstaten, maakt de Commissie voor elk van de in artikel 1 bedoelde instellingen algemene indicatieve richtsnoeren bekend die gebaseerd zijn op de relevante overeengekomen communautaire beleidsmaatregelen, teneinde de bevoegde nationale en regionale autoriteiten bij te staan bij de opstelling van de plannen en de eventuele herziening van de bijstandspakketten. Deze richtsnoeren worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 11

Additionaliteit

1. Om een reëel economisch effect te waarborgen, mogen de kredieten van de fondsen niet in de plaats komen van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven van de lidstaten.

2. Te dien einde stellen de Commissie en de betrokken lidstaat het peil van de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven vast dat de lidstaat gedurende de programmeringsperiode in alle onder doelstelling 1 vallende regio's dient te handhaven.

Voor de doelstellingen 2 en 3 samen, stellen de Commissie en de betrokken lidstaat het peil vast van de uitgaven voor het actieve arbeidsmarktbeleid alsook, in met redenen omklede gevallen, voor andere acties ter verwezenlijking van de met die twee doelstellingen beoogde resultaten, dat de lidstaat op nationaal niveau tijdens de programmeringsperiode dient te handhaven.

Deze uitgaven worden door de Commissie en de lidstaat vastgesteld overeenkomstig de vierde alinea, voordat de Commissie haar besluit neemt tot goedkeuring van een communautair bestek of enkelvoudig programmeringsdocument dat op deze lidstaat betrekking heeft. Zij worden verwerkt in die documenten.

Normaliter is het uitgavenpeil zoals bedoeld in de eerste en de tweede alinea ten minste gelijk aan het bedrag van de jaarlijkse gemiddelde uitgaven in reële termen dat in de voorgaande programmeringsperiode is bereikt en wordt het vastgesteld in het licht van de algemene macro-economische omstandigheden waarin de financiering plaatsvindt, met dien verstande dat eveneens rekening wordt gehouden met een aantal specifieke economische situaties, zoals privatiseringen, een uitzonderlijk peil van de structurele inspanningen van de overheid of daarmee gelijk te stellen inspanningen van de lidstaat tijdens de vorige programmeringsperiode en de nationale conjuncturele ontwikkelingen.

Ook wordt rekening gehouden met de eventuele verlagingen van de uitgaven uit de Structuurfondsen ten opzichte van de periode 1994-1999.

3. In de loop van de programmeringsperiode vinden op het in lid 2 bedoelde geografische niveau drie additionaliteitstoetsingen plaats:

a) een voorafgaande toetsing als bedoeld in lid 2, derde alinea, die voor de gehele programmeringsperiode als referentiekader zal dienen;

b) een toetsing halverwege uiterlijk drie jaar na de goedkeuring van het communautair bestek of van de enkelvoudige programmeringsdocumenten en normaliter uiterlijk op 31 december 2003, waarna de Commissie en de lidstaat een herziening van het te bereiken peil van de structurele uitgaven kunnen overeenkomen indien de economische situatie heeft geleid tot een ontwikkeling van de overheidsontvangsten of de werkgelegenheid in de lidstaat die aanzienlijk verschilt van die waarop bij de toetsing vooraf was gerekend;

c) een toetsing vóór 31 december 2005.

Te dien einde verstrekt de lidstaat de Commissie passende informatie bij de indiening van de plannen, bij de toetsing halverwege en bij de toetsing die vóór 31 december 2005 plaatsvindt. Waar nodig zal gebruik worden gemaakt van methoden voor statistische ramingen.

Los van deze toetsingen stelt de lidstaat de Commissie op ieder tijdstip van de programmeringsperiode in kennis van de ontwikkelingen die zijn vermogen om het in lid 2 bedoelde uitgavenpeil te handhaven, in gevaar kunnen brengen.

Artikel 12

Verenigbaarheid

De door de fondsen of door de EIB of een ander financieringsinstrument gefinancierde verrichtingen, moeten in overeenstemming zijn met het Verdrag en de op grond van het Verdrag vastgestelde besluiten, alsmede met het communautair beleid, met inbegrip van het beleid inzake de mededingingsregels, het beleid inzake de plaatsing van overheidsopdrachten, het beleid inzake milieubescherming en -verbetering en het beleid inzake het wegnemen van discriminatie, en de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

TITEL II

PROGRAMMERING

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE DOELSTELLINGEN 1, 2 EN 3

Artikel 13

Geografische werkingssfeer

1. De uit hoofde van doelstelling 1 ingediende plannen moeten opgesteld worden op het geografische niveau dat de betrokken lidstaat het meest geschikt acht, maar moeten in de regel een regio van het niveau NUTS II bestrijken. De lidstaten kunnen evenwel een algemeen ontwikkelingsplan dat betrekking heeft op sommige of alle van hun in de in artikel 3, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 4, bedoelde lijst opgenomen regio's indienen, mits dit plan de in artikel 16 bedoelde elementen bevat.

2. De uit hoofde van doelstelling 2 ingediende plannen worden opgesteld op het geografische niveau dat de betrokken lidstaat het meest geschikt acht, maar moeten in de regel alle binnen eenzelfde regio van het niveau NUTS II gelegen zones bestrijken die in de in artikel 4, lid 4, en in artikel 6, lid 2, bedoelde lijst zijn opgenomen. De lidstaten kunnen evenwel een plan indienen dat sommige of al hun in de in artikel 4, lid 4, en artikel 6, lid 2, bedoelde lijst opgenomen regio's bestrijkt, op voorwaarde dat dit plan de in artikel 16 bedoelde elementen bevat. In plannen waarin andere zones opgenomen zijn dan die welke voor doelstelling 2 in aanmerking komen, moet onderscheid worden gemaakt tussen de acties die in regio's of zones van doelstelling 2 worden ondernomen, en die welke elders worden ondernomen.

3. De uit hoofde van doelstelling 3 ingediende plannen bestrijken het grondgebied van een lidstaat voor financieringen buiten de onder doelstelling 1 vallende regio's en vormen, rekening houdend met de algemene behoeften van de zones met structurele problemen in verband met economische en sociale omschakeling, voor het hele nationale grondgebied een referentiekader op het gebied van ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen.

Artikel 14

Geldigheidsduur en herziening

1. Elk plan, communautair bestek, operationeel programma en enkelvoudig programmeringsdocument bestrijkt een periode van zeven jaar, onverminderd artikel 6.

De programmeringsperiode begint op 1 januari 2000.

2. De communautaire bestekken, operationele programma's en enkelvoudige programmeringsdocumenten worden overeenkomstig deze titel opnieuw besproken en, indien nodig, aangepast op initiatief van de lidstaat of van de Commissie, in overleg met de betrokken lidstaat, naar aanleiding van de in artikel 42 bedoelde evaluatie halverwege de looptijd en de in artikel 44 bedoelde toewijzing van de prestatiereserve.

Zij kunnen bij belangrijke veranderingen van de sociaal-economische situatie, inclusief de arbeidsmarkt, ook op een ander moment worden herzien.

Artikel 15

Voorbereiding en goedkeuring

1. Voor de doelstellingen 1, 2 en 3 dienen de lidstaten een plan in bij de Commissie. Dat plan wordt opgesteld door de bevoegde autoriteiten die de lidstaat op nationaal of regionaal of op een ander niveau heeft aangewezen. Indien de bijstand de vorm moet krijgen van een enkelvoudig programmeringsdocument, wordt dat plan behandeld als een ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument.

Voor alle onder doelstelling 1 vallende regio's worden communautaire bestekken gebruikt; wanneer de communautaire toewijzing echter minder of niet veel meer bedraagt dan 1 miljard euro, waarbij de lidstaten in de regel een ontwerp van enkelvoudig programmeringsdocument indienen.

Voor de doelstellingen 2 en 3 worden in de regel de enkelvoudige programmeringsdocumenten gebruikt; de lidstaten hebben evenwel de mogelijkheid om een communautair bestek op te stellen.

2. De plannen worden door de lidstaat bij de Commissie ingediend, nadat er overleg is gepleegd met de partners, die binnen een termijn die het mogelijk maakt de in de tweede alinea bedoelde termijn in acht te nemen, hun oordeel geven.

Tenzij anders geregeld met de betrokken lidstaat worden de plannen uiterlijk vier maanden na de vaststelling van de in artikel 3, lid 2, en in artikel 4, lid 4, bedoelde lijsten van in aanmerking komende zones ingediend.

3. De Commissie beoordeelt de plannen in het licht van de vraag of zij stroken met de doelstellingen van deze verordening, rekening houdend met het in artikel 9, lid 1, onder c), bedoelde referentiekader, het overige communautair beleid en artikel 41, lid 2.

Bovendien beoordeelt de Commissie elk plan voor doelstelling 3 in het licht van de samenhang tussen de voorgenomen acties en het nationale plan voor de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder b), alsmede in het licht van de manier waarop en de mate waarin rekening is gehouden met de algemene behoeften van de zones die met structurele problemen van economische en sociale omschakeling te kampen hebben.

4. Indien lid 1 van toepassing is, stelt de Commissie in overeenstemming met de betrokken lidstaat en volgens de procedure van de artikelen 48 tot en met 51 de communautaire bestekken vast. De EIB kan bij de uitwerking van de communautaire bestekken betrokken worden. Uiterlijk vijf maanden nadat de Commissie het betrokken plan of de betrokken plannen heeft ontvangen, geeft zij, indien in dat plan of die plannen alle in artikel 16 bedoelde elementen zijn opgenomen, een beschikking over de bijdrage van de fondsen.

De Commissie beoordeelt de door de lidstaat ingediende voorstellen voor operationele programma's in het licht van de vraag of deze voorstellen stroken met de doelstellingen van het desbetreffende communautaire bestek en of zij verenigbaar zijn met andere communautaire beleidsmaatregelen. In overleg met de betrokken lidstaat geeft zij overeenkomstig artikel 28, lid 1, een beschikking over de bijdrage van de fondsen, voorzover de voorstellen alle in artikel 18, lid 2, bedoelde elementen bevatten.

De lidstaten kunnen hun plannen vergezeld doen gaan van ontwerpen van operationele programma's teneinde het onderzoek van de aanvragen en de uitvoering van de programma's te bespoedigen. Bij de beschikking over het communautaire bestek keurt de Commissie tevens, overeenkomstig artikel 28, lid 1, de tegelijk met de plannen ingediende operationele programma's goed, voorzover deze programma's alle in artikel 18, lid 2, bedoelde elementen bevatten.

5. In de gevallen bedoeld in lid 1 neemt de Commissie, op basis van de plannen, in overleg met de betrokken lidstaat en volgens de procedure van de artikelen 48 tot en met 51 een besluit over de enkelvoudige programmeringsdocumenten. De EIB kan bij de uitwerking van de enkelvoudige programmeringsdocumenten betrokken worden. Uiterlijk vijf maanden nadat de Commissie het desbetreffende plan heeft ontvangen, geeft zij, indien dit plan alle in artikel 19, lid 3, bedoelde elementen bevat, overeenkomstig artikel 28, lid 1, een enkelvoudige beschikking over het enkelvoudige programmeringsdocument en de bijdrage van de fondsen.

6. De lidstaat of de beheersautoriteit stelt het in artikel 9, onder m), omschreven programmacomplement vast na instemming van het comité van toezicht indien het programmacomplement wordt opgesteld nadat de Commissie het besluit tot deelneming van de fondsen heeft genomen, of na raadpleging van de betrokken partners indien het wordt opgesteld voordat het besluit tot deelneming van de fondsen wordt genomen. In het laatste geval bevestigt het comité van toezicht het programmacomplement of verzoekt het om een aanpassing overeenkomstig artikel 34, lid 3.

De lidstaat doet dit programmacomplement uiterlijk drie maanden nadat de Commissie de beschikking tot goedkeuring van een operationeel programma of een enkelvoudig programmeringsdocument heeft gegeven, aan de Commissie toekomen.

7. De beschikkingen van de Commissie over een communautair bestek of een enkelvoudig programmeringsdocument worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De Commissie verstrekt het Europees Parlement op zijn verzoek deze beschikkingen, de communautaire bestekken en de enkelvoudige programmeringsdocumenten die zij heeft goedgekeurd.

HOOFDSTUK II

INHOUD VAN DE PROGRAMMERING VOOR DE DOELSTELLINGEN 1, 2 EN 3

Artikel 16

Plannen

1. De voor de doelstellingen 1, 2 en 3 ingediende plannen zijn gebaseerd op de passende nationale en regionale prioriteiten en houden rekening met de in artikel 10, lid 3, bedoelde indicatieve richtsnoeren; deze plannen bevatten:

a) een beschrijving (gekwantificeerd indien het plan zich daarvoor leent) van de huidige situatie op het gebied van hetzij ontwikkelingsverschillen, -achterstanden en -mogelijkheden in de regio's van doelstelling 1, hetzij omschakeling in de regio's van doelstelling 2, hetzij de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaat en in de regio's van doelstelling 3; daarnaast een beschrijving van de in de voorgaande programmeringsperiode aangewende financiële middelen en de voornaamste resultaten die in die periode zijn geboekt, mede gelet op de beschikbare resultaten van de evaluaties;

b) de beschrijving van een passende strategie ter verwezenlijking van de in artikel 1 vermelde doelstellingen en van de zwaartepunten die zijn gekozen voor de duurzame ontwikkeling en omschakeling van de regio's en zones, waaronder de plattelandszones, alsmede voor de bijbehorende ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen en de aanpassing en de modernisering van het beleid en het bestel op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid.

Naast de in dit punt genoemde elementen, tonen de lidstaten in elk plan voor doelstelling 3 ook aan dat de voorgenomen prioriteiten samenhangen met het bestaande nationale werkgelegenheidsplan, gelet op de beschrijving van de belangrijkste doelstellingen van deze strategie en de voornaamste middelen om deze doelstellingen te bereiken.

De lidstaten dienen tevens aan te tonen dat de in elk plan van doelstelling 2 geplande activiteiten op het gebied van menselijke hulpbronnen en werkgelegenheid waaraan het ESF bijstand verleent, die zijn welke in de omschakelingsstrategie geïntegreerd zijn en gecoördineerd zijn met de andere fondsen en die stroken met de evaluatie vooraf inzake de menselijke hulpbronnen en de werkgelegenheid als bedoeld in artikel 41, lid 2. Indien deze behoeften niet tot een significant bedrag leiden worden deze gefinancierd uit hoofde van doelstelling 3;

c) indicatieve gegevens over de voorgenomen aanwending en vorm van de financiële bijdrage van de fondsen, en in voorkomend geval van de EIB en de andere financieringsinstrumenten - met inbegrip van ter informatie het totaalbedrag van het EOGFL afdeling Garantie voor de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) beoogde maatregelen; de overwogen behoeften op het gebied van technische hulp; indicatieve gegevens over de additionaliteit overeenkomstig artikel 11, lid 2, hetgeen bij doelstelling 1 de vorm moet krijgen van een indicatief financieel overzicht dat een samenvatting behelst van de openbare of daarmee gelijk te stellen middelen en eventueel de geraamde particuliere middelen alsook de communautaire structurele uitgaven voor elk van de in het plan voorgestelde prioriteiten.

In ieder geval wordt er in de plannen onderscheid gemaakt tussen de financiële middelen voor de zones die overgangssteun genieten en die voor de andere zones welke onder doelstelling 1 of 2 vallen.

In geval van bijstand door het ESF uit hoofde van doelstelling 2 of 3 kunnen de procentuele bijdragen in de zones van doelstelling 2 hoger zijn dan buiten die zones.

In het geval van doelstelling 3 wordt in dit financieringsplan de concentratie van de kredieten aangegeven die zijn uitgetrokken voor de zones die geconfronteerd worden met structurele problemen in verband met de economische en sociale omschakeling;

d) een overzicht van de regelingen die getroffen zijn om de partners te raadplegen.

2. Voor de regio's van doelstelling 1 worden in de plannen alle relevante maatregelen voor de economische en sociale omschakeling, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen met inachtneming van het in artikel 9, lid 1, onder c), bedoelde referentiekader en voor de plattelandsontwikkeling en structuur van de visserij opgenomen.

Voor lidstaten die in hun geheel onder doelstelling 1 vallen, worden in de plannen de in lid 1, onder b), tweede alinea, bedoelde elementen opgenomen.

3. De lidstaten vermelden de voor elk fonds specifieke elementen, met inbegrip van de omvang van de gevraagde financiële bijdrage, en geven tevens een overzicht van de geplande operationele programma's, waarbij met name de specifieke doelstellingen ervan en de voornaamste soorten overwogen maatregelen worden vermeld.

Artikel 17

Communautaire bestekken

1. Het communautair bestek voor doelstelling 1 verzekert de coördinatie van alle structurele steun van de Gemeenschap in de betrokken regio's, met inbegrip van de steun voor de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen overeenkomstig artikel 1, punt 3.

2. Elk communautair bestek bevat:

a) de voor het gezamenlijke optreden van de Gemeenschap en de betrokken lidstaat gekozen strategie en prioriteiten; de specifieke doelstellingen ervan, gekwantificeerd indien de aard van deze doelstellingen zich daarvoor leent; een evaluatie van het verwachte effect overeenkomstig artikel 41, lid 2; alsmede informatie over de mate waarin zij rekening houden met de in artikel 10, lid 3, bedoelde indicatieve richtsnoeren, het economische beleid, de strategie voor de ontwikkeling van werkgelegenheid door verbetering van het aanpassingsvermogen en de vaardigheden van de mensen en, in voorkomend geval, het regionale beleid van de betrokken lidstaat;

b) een overzicht van de aard en de duur van de operationele programma's die niet tegelijk met het communautaire bestek worden vastgesteld, waarin met name de specifieke doelstellingen ervan en de gekozen prioriteiten worden vermeld;

c) een indicatief financieringsplan waarin, overeenkomstig de artikelen 28 en 29, voor elke prioriteit worden vermeld het voor elk jaar beoogde totaalbedrag van de bijdrage van elk fonds, in voorkomend geval van de EIB en van de andere financieringsinstrumenten - met inbegrip van ter informatie het totaalbedrag van het EOGFL afdeling Garantie voor de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) beoogde maatregelen indien deze rechtstreeks tot het financieringsplan bijdragen, alsmede het tegenover de bijdragen van elk fonds te stellen totale bedrag van de subsidiabele financiële middelen van de overheid en van de geraamde financiële middelen van de particuliere sector.

In het geval van doelstelling 3 wordt in dit financieringsplan de concentratie van de kredieten aangegeven die zijn uitgetrokken voor de zones die geconfronteerd worden met structurele problemen in verband met de economische en sociale omschakeling.

In dit financieringsplan worden de geplande kredieten voor de regio's waar overgangssteun wordt verleend, afzonderlijk vermeld.

De totale bijdrage van de fondsen die per jaar voor elk communautair bestek wordt gepland, moet verenigbaar zijn met de van toepassing zijnde financiele vooruitzichten, rekening houdend met de in artikel 7, lid 3, derde alinea, bedoelde degressieve ontwikkeling van kredieten;

d) de voorzieningen voor de tenuitvoerlegging van het communautaire bestek, die bestaan uit:

- de aanwijzing door de lidstaat van een voor het beheer van het communautaire bestek verantwoordelijke beheersautoriteit in de zin van artikel 9, onder n), overeenkomstig artikel 34;

- de voorzieningen voor de inschakeling van de partners in het in artikel 35 bedoelde toezichtcomité;

e) in voorkomend geval, informatie over de benodigde kredieten voor maatregelen op het gebied van de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van de bijstandspakketten.

Overeenkomstig artikel 11 bevatten de communautaire bestekken de voorafgaande additionaliteitstoetsing en de nodige informatie over de doorzichtigheid van de geldstromen, in het bijzonder van de betrokken lidstaat naar de begunstigde regio's.

Artikel 18

Operationele programma's

1. De bijstandsverlening in het kader van een communautair bestek wordt in de regel uitgevoerd in de vorm van één geïntegreerd operationeel programma per regio, zoals omschreven in artikel 9.

2. Elk operationeel programma bevat

a) de prioriteiten van het programma, gegevens over de coherentie ervan met het desbetreffende communautaire bestek, de specifieke doelstelling van deze prioriteiten (gekwantificeerd als zij zich daarvoor lenen), en de evaluatie van het verwachte effect overeenkomstig artikel 41, lid 2;

b) een samenvatting van de beschrijving van de maatregelen die worden overwogen voor de tenuitvoerlegging van de prioritaire zwaartepunten, met inbegrip van de elementen die nodig zijn om te beoordelen of zij overeenkomen met de steunregelingen in de zin van artikel 87 van het Verdrag; in voorkomend geval de aard van de maatregelen die nodig zijn voor de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van het operationele programma;

c) een indicatief financieringsplan waarin, overeenkomstig artikel 28 en artikel 29, voor elk prioritair zwaartepunt en voor elk jaar worden vermeld het beoogde totaalbedrag van de bijdrage van elk fonds, in voorkomend geval van de EIB, en van de andere financieringsinstrumenten - met inbegrip van ter informatie het totaalbedrag van het EOGFL afdeling Garantie voor de in artikel 33 van Verordennig (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) beoogde maatregelen in de mate waarin deze rechtstreeks aan het financieringsplan bijdragen, alsmede de tegenover de bijdrage van elk fonds te stellen subsidiabele nationale totaalbedragen van de overheid en de geraamde bedragen van de particuliere sector.

In dit financieringsplan worden de geplande kredieten voor de regio's waar overgangssteun wordt verleend, afzonderlijk vermeld als onderdeel van de totale bijdrage van de verschillende fondsen.

De per jaar geplande totale bijdrage van de fondsen moet verenigbaar zijn met de dan geldende financiële vooruitzichten, rekening houdend met de in artikel 7, lid 3, derde alinea, bedoelde degressieve ontwikkeling van kredieten;

d) de voorzieningen voor de uitvoering van het operationele programma, omvattend:

i) de aanwijzing door de lidstaat van een voor het beheer van het operationele programma verantwoordelijke beheersautoriteit in de zin van artikel 9, onder n), overeenkomstig artikel 34;

ii) een beschrijving van de wijze van beheer van het operationele programma;

iii) een beschrijving van het toezicht- en evaluatiesysteem, met inbegrip van de rol van het toezichtcomité;

iv) de bepaling van procedures voor de beschikbaarstelling en de overmaking van de financiële middelen, teneinde de doorzichtigheid van deze geldstromen te verzekeren;

v) de beschrijving van de specifieke controlevoorschriften en -procedures voor het operationele programma.

3. Het programmacomplement bevat:

a) de maatregelen voor de uitvoering van de desbetreffende prioritaire zwaartepunten van het operationele programma; de voorafgaande evaluatie overeenkomstig artikel 41, lid 3, van de gekwantificeerde maatregelen indien deze zich daarvoor lenen; de desbetreffende toezichtindicatoren overeenkomstig artikel 36;

b) de bepaling van de categorieën van eindbegunstigden van de maatregelen;

c) het financieringsplan waarin, overeenkomstig de artikelen 28 en 29, voor elke maatregel zijn vermeld het beoogde totaalbedrag van de bijdrage van het betrokken fonds, in voorkomend geval de EIB en de andere financieringssinstrumenten, alsmede het tegenover de bijdrage van de fondsen te stellen subsidiabele totaalbedrag aan openbare en daaraan gelijk te stellen middelen en aan geraamde particuliere middelen; de procentuele bijdrage van een fonds voor een maatregel wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 29 en in overeenstemming met de totale communautaire kredieten die voor het betrokken prioritaire zwaartepunt toegekend zijn.

In dit financieringsplan worden de geplande kredieten voor de regio's waar overgangssteun wordt verleend, afzonderlijk vermeld.

Het financieringsplan gaat vergezeld van een beschrijving van de regelingen voor de medefinanciering van de maatregelen, rekening houdend met de institutionele, wettelijke en financiële systemen van de betrokken lidstaat;

d) de maatregelen waarmee, overeenkomstig artikel 46, bekendheid aan het operationeel programma wordt gegeven;

e) een overzicht van de tussen de Commissie en de betrokken lidstaat getroffen regelingen voor de geautomatiseerde uitwisseling van de gegevens waarmee voldaan kan worden aan de in deze verordening gestelde eisen inzake beheer, toezicht en evaluatie.

Artikel 19

Enkelvoudige programmeringsdocumenten

1. Bijstandspakketten voor de doelstellingen 2 en 3, en voor doelstelling 1 als bedoeld in artikel 15, lid 1, zijn in de regel enkelvoudige programmeringsdocumenten. Wat de doelstellingen 2 en 3 betreft, is artikel 15, lid 1, onder c), van toepassing.

2. Het enkelvoudig programmeringsdocument voor doelstelling 1 bevat alle relevante maatregelen voor economische en sociale omschakeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid door verbetering van het aanpassingsvermogen en de vaardigheden van mensen met inachtneming van het in artikel 9, lid 1, onder c), bedoelde referentiekader, en voor plattelandsontwikkeling en de structuur van de visserij.

Het enkelvoudig programmeringsdocument voor doelstelling 2 verzekert, in alle zones van doelstelling 2, de coördinatie van alle structurele steun van de Gemeenschap, waaronder - overeenkomstig artikel 41, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) de coördinatie van de maatregelen op het gebied van de plattelandsontwikkeling uit hoofde van artikel 33 van die verordening, maar met uitzondering van de steun voor de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen in het kader van doelstelling 3.

Het enkelvoudig programmeringsdocument voor doelstelling 3 verzekert de coördinatie van alle structurele steun van de Gemeenschap voor de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen in de zones van artikel 5, met uitzondering van de steun die op dat gebied uit hoofde van doelstelling 2 wordt verleend.

3. Elk enkelvoudig programmeringsdocument bevat de volgende elementen:

a) de voor het gezamenlijke optreden van de Gemeenschap en de betrokken lidstaat gekozen strategie en prioriteiten; de specifieke doelstellingen ervan, gekwantificeerd indien de aard van deze doelstellingen zich daartoe leent; de evaluatie van het verwachte effect, met name voor het milieu, overeenkomstig artikel 41, lid 2; alsmede informatie over de mate waarin deze strategie en prioriteiten rekening houden met de in artikel 10, lid 3, bedoelde indicatieve richtsnoeren, het economische beleid, de strategie voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid door verbetering van het aanpassingsvermogen en de vaardigheden van mensen en, in voorkomend geval, het regionale beleid van de betrokken lidstaat;

b) een beknopte beschrijving van de maatregelen die worden overwogen voor de uitvoering van de prioriteiten, met inbegrip van de informatie die nodig is om te beoordelen of een en ander in overeenstemming is met de steunregelingen uit hoofde van artikel 87 van het Verdrag; in voorkomend geval de aard van de maatregelen die nodig zijn voor de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van het enkelvoudige programmeringsdocument;

c) een indicatief financieringsplan waarin, overeenkomstig de artikelen 28 en 29, voor elk prioritair zwaartepunt en voor elk jaar worden vermeld het beoogde totaalbedrag van de bijdrage van elk fonds, in voorkomend geval van de EIB en van de andere financieringsinstrumenten - met inbegrip van ter informatie het totaalbedrag van het EOGFL afdeling Garantie voor de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) beoogde maatregelen voor zover deze rechtstreeks aan het financieringsplan bijdragen, alsmede het tegenover de bijdrage van elk fonds te stellen totale bedrag van de subsidiabele overheidsfinancieringen of daarmee gelijk te stellen financieringen en de geraamde bedragen van de particuliere sector van de lidstaat.

In dit financieringsplan worden de geplande kredieten voor de regio's waar overgangssteun wordt verleend, afzonderlijk vermeld.

De per jaar geplande totale bijdrage van de fondsen is verenigbaar met de van toepassing zijnde financiële vooruitzichten, rekening houdend met de in artikel 7, lid 3, derde alinea, bedoelde degressieve ontwikkeling van kredieten.

In het geval van doelstelling 3 wordt in dit financieringsplan de concentratie van de kredieten aangegeven die zijn uitgetrokken voor de zones die geconfronteerd worden met structurele problemen in verband met de economische en sociale omschakeling;

d) de voorzieningen voor de uitvoering van het enkelvoudige programmeringsdocument, die bestaan uit:

i) de aanwijzing door de lidstaat van een voor het beheer van het enkelvoudige programmeringsdocument verantwoordelijke beheersautoriteit in de zin van artikel 9, overeenkomstig artikel 34;

ii) een beschrijving van de wijze van beheer van het enkelvoudige programmeringsdocument;

iii) een beschrijving van de toezicht- en evaluatiesystemen, met name de taak van het toezichtcomité;

iv) de bepaling van procedures voor de beschikbaarstelling en de overmaking van de financiële middelen, teneinde de doorzichtigheid van deze geldstromen te verzekeren;

v) de beschrijving van de specifieke controlevoorschriften en -procedures voor het enkelvoudige programmeringsdocument;

e) in voorkomend geval, informatie over de benodigde kredieten voor de voorbereiding van, het toezicht op en de evaluatie van de bijstandspakketten.

Overeenkomstig artikel 11 bevat het enkelvoudige programmeringsdocument de voorafgaande additionaliteitstoetsing voor de relevante doelstelling of doelstellingen die de lidstaat en de Commissie overeengekomen zijn en de passende informatie over de doorzichtigheid van de geldstromen, in het bijzonder van de betrokken lidstaat naar de begunstigde regio's.

4. Elk enkelvoudig programmeringsdocument gaat vergezeld van een programmacomplement als gedefinieerd in artikel 9, onder m), en beschreven in artikel 18, lid 3.

HOOFDSTUK III

COMMUNAUTAIRE INITIATIEVEN

Artikel 20

Inhoud

1. De communautaire initiatieven hebben betrekking op de volgende gebieden:

a) grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking ter stimulering van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de ruimtelijke ordening in Europa ("Interreg");

b) stadsvernieuwing met het oog op een duurzame stadsontwikkeling ("Urban");

c) plattelandsontwikkeling ("Leader");

d) transnationale samenwerking voor de bevordering van nieuwe praktijken voor de bestrijding van discriminaties en ongelijkheden van welke aard ook wat de arbeidsmarkt betreft ("Equal").

2. Ten minste 2,5 % van de in artikel 7, lid 1, bedoelde vastleggingskredieten van de Structuurfondsen worden toegewezen aan Interreg, waarbij passende aandacht moet worden besteed aan grensoverschrijdende activiteiten, met name in het vooruitzicht van de uitbreiding, en ten behoeve van lidstaten die lange grenzen hebben met de kandidaat-lidstaten, alsmede aan een betere coördinatie met de programma's Phare, Tacis en Meda. De nodige aandacht gaat ook uit naar samenwerking met de ultraperifere gebieden.

In het kader van Equal zal terdege rekening worden gehouden met de maatschappelijke en beroepsintegratie van asielzoekers.

3. De programma's die in het kader van de communautaire initiatieven worden goedgekeurd, kunnen betrekking hebben op andere zones dan die welke in de artikelen 3 en 4 zijn bedoeld.

Artikel 21

Uitwerking, goedkeuring en uitvoering

1. Volgens de procedures van artikel 48 tot en met 51 stelt de Commissie, na mededeling ter informatie aan het Europees Parlement, richtsnoeren vast waarin voor elk initiatief de doelstellingen, het toepassingsgebied en passende uitvoeringsbepalingen worden beschreven. De richtsnoeren worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

2. Elk gebied als bedoeld in artikel 20, lid 1, wordt gefinancierd door één enkel fonds, namelijk het onder a) bedoelde gebied door het EFRO, het onder b) bedoelde gebied door de afdeling Oriëntatie van het EOGFL en het onder c) bedoelde gebied door het ESF. Om de maatregelen te bestrijken die voor de uitvoering van het betrokken programma in het kader van een communautair initiatief nodig zijn, kan bij de beschikking over de bijdragen van de fondsen het in de specifieke verordening betreffende elk fonds vastgestelde toepassingsgebied worden verruimd, zonder dat daarbij verder kan worden gegaan dan op grond van die specifieke bepalingen mogelijk is.

3. Op basis van overeenkomstig de in lid 1 en in artikel 41, lid 2, bedoelde richtsnoeren uitgewerkte voorstellen die door de lidstaat zijn ingediend, beslist de Commissie overeenkomstig artikel 28 over de programma's in het kader van een communautair initiatief.

4. De programma's in het kader van een communautair initiatief worden naar aanleiding van de in artikel 42 bedoelde evaluatie halverwege de looptijd opnieuw onderzocht en op initiatief van de betrokken lidstaat of van de Commissie in overeenstemming met die lidstaat, indien nodig, aangepast.

5. De programma's in het kader van een communautair initiatief bestrijken een periode van zeven jaar vanaf 1 januari 2000.

HOOFDSTUK IV

INNOVATIEVE ACTIES EN TECHNISCHE HULP

Artikel 22

Innovatieve acties

1. Op initiatief van de Commissie kunnen uit de fondsen, na advies van de comités van de artikelen 48 tot en met 51 over de richtsnoeren voor de verschillende soorten innovatieve acties, binnen de grens van 0,7 % van hun respectieve jaarlijkse toewijzing, innovatieve acties op communautair niveau worden gefinancierd. Deze acties omvatten studies, proefprojecten en uitwisselingen van ervaring.

De innoverende acties dragen bij tot de uitwerking van innovatieve methoden en praktijken die tot doel hebben de kwaliteit van de bijstandspakketten in het kader van de doelstellingen 1, 2 en 3 te verbeteren. Zij worden op een eenvoudige en doorzichtige wijze en in overeenstemming met een goed financieel beheer uitgevoerd.

2. Elk actieterrein voor proefprojecten wordt door één enkel fonds gefinancierd. Om de maatregelen te bestrijken die voor de uitvoering van het betrokken proefproject nodig zijn, kan bij de beschikking over de bijdrage van de fondsen het in de specifieke verordening betreffende elk fonds vastgestelde toepassingsgebied worden verruimd, zonder dat daarbij verder kan worden gegaan dan op grond van die specifieke bepalingen mogelijk is.

Artikel 23

Technische hulp

Op initiatief of voor rekening van de Commissie kunnen de fondsen, in het licht van de adviezen van de comités bedoeld in de artikelen 48 tot en met 51 over de verschillende soorten maatregelen binnen de grens van 0,25 % van hun respectieve jaarlijkse toewijzing, de voorbereidings-, toezicht-, evaluatie- en controlemaatregelen financieren die voor de uitvoering van deze verordening nodig zijn. Deze omvatten met name:

a) studies, waaronder algemene studies over het optreden van de fondsen;

b) acties op het gebied van technische hulp en in de vorm van uitwisselingen van ervaring en informatie die zijn bedoeld voor de partners, de eindbegunstigden van de bijstandspakketten van de fondsen en het grote publiek;

c) het opzetten, het doen functioneren en het onderling koppelen van de computersystemen voor het beheer, het toezicht en de evaluatie;

d) de verbetering van de evaluatiemethoden en de uitwisseling van informatie over de praktijken op dit gebied.

Artikel 24

Goedkeuring van de innovatieve acties en van technische hulp

1. Na de betrokken lidstaten te hebben ingelicht over de innovatieve acties beoordeelt de Commissie de in het kader van de artikelen 22 en 23 ingediende aanvragen om een bijdrage van de fondsen aan de hand van de volgende elementen:

a) een beschrijving van het voorgestelde bijstandspakket, van het toepassingsgebied ervan, met inbegrip van de geografische werkingssfeer, en van de specifieke doelstellingen ervan,

b) de voor de uitvoering van het bijstandspakket verantwoordelijke instanties en de begunstigden,

c) het tijdschema en het financieringsplan, inclusief de bijdrage uit andere communautaire financieringsbronnen,

d) de voorzieningen die een doeltreffende uitvoering in overeenstemming met de voorschriften garanderen,

e) alle elementen die nodig zijn om de verenigbaarheid met de takken van communautair beleid en met de indicatieve richtsnoeren overeenkomstig artikel 10, lid 3, te verifiëren.

De Commissie keurt de bijdrage van de fondsen goed wanneer deze gegevens het mogelijk maken de aanvraag te beoordelen.

2. Wanneer een aanvraag wordt goedgekeured, stelt de Commissie de betrokken lidstaten daar onverwijld van in kennis.

3. De financiële verantwoordelijkheid van de lidstaten in de zin van deze verordening geldt niet voor de in artikel 22 bedoelde innovatieve acties en de in artikel 23 bedoelde maatregelen met betrekking tot technische hulp, onverminderd hun verplichtingen die voortvloeien uit de specifieke institutionele regelingen van de afzonderlijke lidstaten.

HOOFDSTUK V

GROTE PROJECTEN

Artikel 25

Begripsomschrijving

Binnen een bijstandspakket kunnen de fondsen uitgaven in verband met grote projecten financieren, waarbij onder groot project wordt verstaan:

a) een geheel van economisch onscheidbare werkzaamheden die een precieze technische functie vervullen en op duidelijk omschreven doelstellingen zijn gericht, en

b) waarvan de totale voor de bepaling van de bijdrage van de fondsen in aanmerking genomen kosten hoger zijn dan 50 miljoen euro.

Artikel 26

Goedkeuring en uitvoering

1. Indien de lidstaat of de beheersautoriteit gedurende de uitvoering van de bijstandspakketten een bijdrage van de fondsen voor een groot project beoogt, stelt hij of zij de Commissie hiervan vooraf in kennis, en verstrekt daarbij de volgende gegevens:

a) de voor de uitvoering verantwoordelijke instantie;

b) de aard en een beschrijving van de investering, alsmede de kosten en de plaats van uitvoering;

c) het tijdschema voor de uitvoering van het project;

d) een kosten-batenanalyse, die mede betrekking heeft op de financiële kosten en baten, risicobeoordeling, alsmede informatie over de economische levensvatbaarheid van het project;

e) voorts:

- voor infrastructuurinvesteringen: een analyse van de sociaal-economische kosten en baten van het project, inclusief een opgave van de beoogde benuttingsgraad, de verwachte effecten op de ontwikkeling of omschakeling van de betreffende regio, alsmede de toepassing van de communautaire voorschriften voor openbare aanbestedingen;

- voor productieve investeringen: de analyse van de marktvooruitzichten in de betrokken sector en van de beoogde rentabiliteit van het project;

f) de directe en indirecte effecten op de werkgelegenheid, zo mogelijk op communautair niveau;

g) de elementen om zich een oordeel te kunnen vormen over de gevolgen voor het milieu en over de toepassing van het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt, alsmede over de toepassing van de communautaire milieuvoorschriften;

h) de elementen die nodig zijn om te kunnen beoordelen of de mededingingsregels, onder andere de bepalingen inzake overheidssteun, in acht worden genomen;

i) informatie over de gevolgen van de bijdrage van de fondsen voor de uitvoering van het project;

j) het financieringsplan en de totale financiële middelen die als bijdrage van de fondsen en uit welke andere communautaire financieringsbron ook worden beoogd.

2. De Commissie beoordeelt het project, waarbij zij zo nodig de EIB raadpleegt, aan de hand van de volgende elementen:

a) het overwogen type investering en, in voorkomend geval, de verwachte ontvangsten;

b) de resultaten van de kosten-batenanalyse;

c) het resultaat van de milieu-effectbeoordeling;

d) de coherentie van het project met de prioritaire zwaartepunten van het betrokken bijstandspakket;

e) de vraag of het project in overeenstemming is met de andere takken van communautair beleid;

f) de verwachte economische en sociale voordelen, met name op het gebied van werkgelegenheid, bezien in verhouding tot de aan te wenden financiele middelen;

g) de coördinatie van de financieringsinstrumenten en de in artikel 10, lid 2, bedoelde combinatie van subsidies en leningen.

3. Binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 1 bedoelde gegevens, of binnen drie maanden indien de EIB moet worden geraadpleegd, besluit de Commissie het communautaire bijdragepercentage te bevestigen of te wijzigen. Indien de Commissie van mening is dat het project geen rechtvaardiging lijkt te vormen voor een deel van de bijdrage van de fondsen of voor deze bijdrage in haar geheel, kan zij besluiten deze bijdrage met opgave van redenen volledig of gedeeltelijk te weigeren.

HOOFDSTUK VI

GLOBALE SUBSIDIE

Artikel 27

Globale subsidie

1. Indien de uitvoering en het beheer van een deel van de bijstand overeenkomstig artikel 9, onder i), is toevertrouwd aan bemiddelende instanties, moeten deze garanties verstrekken omtrent hun solvabiliteit en hun erkende competentie en ervaring inzake beheer en financiën. Zij moeten normaliter gevestigd of vertegenwoordigd zijn in de betrokken regio's, maar zij mogen, in beperkte en gerechtvaardigde gevallen, daarbuiten zijn gevestigd. Zij moeten meerjarige ervaring op het desbetreffende gebied hebben, met een opdracht van openbaar nut zijn belast en zorgen voor een adequate inschakeling van de sociaal-economische kringen die rechtstreeks belang bij de uitvoering van de geplande maatregelen hebben.

2. De toepassing van een globale subsidie wordt in de desbetreffende beschikking over de bijdrage van de fondsen vermeld als bijzondere voorziening voor de uitvoering van het bijstandspakket zoals bedoeld in artikel 18, lid 2, onder d), en artikel 19, lid 3, onder d). De nadere regels voor het gebruik van de globale subsidie worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de lidstaat, of de beheersautoriteit en de bemiddelende instantie die hierbij betrokken zijn.

Voor programma's in het kader van een communautair initiatief en voor innovatieve acties worden de nadere regels voor het gebruik van de globale subsidie vastgelegd in een overeenkomst tussen de Commissie en de betrokken bemiddelende instantie. Voor programma's in het kader van een communautair initiatief is ook de instemming van de betrokken lidstaten met deze nadere regels vereist. Het in artikel 18 bedoelde programmacomplement betreft niet het gedeelte van het bijstandspakket dat over de globale subsidie gaat.

3. In de nadere regels voor het gebruik van de globale subsidie worden met name gepreciseerd:

a) de uit te voeren maatregelen,

b) de criteria voor de selectie van de begunstigden,

c) de toekenningsvoorwaarden voor en de percentages van de bijstand van de fondsen, met inbegrip van het gebruik dat van eventueel verkregen rente moet worden gemaakt,

d) de nadere regels voor het toezicht op en de evaluatie en de financiële controle van de globale subsidie,

e) eventueel het gebruik van een bankgarantie, waarvan de Commissie in kennis moet worden gesteld.

TITEL III

BIJDRAGE EN FINANCIEEL BEHEER VAN DE FONDSEN

HOOFDSTUK I

FINANCIËLE BIJDRAGE VAN DE FONDSEN

Artikel 28

Beschikking tot vaststelling van de bijdrage van de fondsen

1. Voorzover aan alle in deze verordening vereiste voorwaarden is voldaan, stelt de Commissie binnen vijf maanden na ontvangst van de bijstandsaanvraag de bijdrage van alle fondsen in een enkele beschikking vast. In voorkomend geval worden in de beschikking duidelijk de kredieten aangegeven die worden toegewezen aan de regio's of de zones die overgangssteun ontvangen.

Voor elk van de prioritaire zwaartepunten van het bijstandspakket wordt de maximumbijdrage van de fondsen vastgesteld.

Een maatregel kan tijdens een bepaalde periode slechts uit één Structuurfonds tegelijk financiële bijstand ontvangen.

Een maatregel of een verrichting kan slechts in aanmerking komen voor bijstand uit een Structuurfonds voor één van de in artikel 1 genoemde doelstellingen tegelijk.

Eenzelfde verrichting kan niet tegelijkertijd bijstand uit een fonds ontvangen uit hoofde van doelstelling 1, 2 of 3, èn uit hoofde van een communautair initiatief.

Eenzelfde verrichting kan niet tegelijkertijd bijstand uit een fonds ontvangen uit hoofde van doelstelling 1, 2 of 3, èn uit hoofde van het EOGFL-garantie.

Eenzelfde verrichting kan niet tegelijkertijd bijstand uit een fonds ontvangen uit hoofde van een communautair initiatief èn uit hoofde van het EOGFL-garantie.

2. De bijdrage van de fondsen aan operationele programma's die worden uitgevoerd in het kader van een communautair bestek moet verenigbaar zijn met het in het overeenkomstige communautaire bestek opgenomen financieringsplan, zoals aangegeven in artikel 17, lid 2, onder c).

3. De bijdrage van de fondsen aan de uitvoering van de maatregelen geschiedt vooral in de vorm van niet-terugvorderbare directe steun (hierna "directe steun" te noemen), maar ook in andere vormen, met name terugvorderbare steun, rentesubsidie, garantie, participatie, participatie in het risicodragend kapitaal of een andere financieringsvorm.

De aan de beheersautoriteit of aan een andere openbare autoriteit teruggestorte steunbedragen worden door de betrokken autoriteit voor dezelfde doeleinden hergebruikt.

Artikel 29

Differentiatie van de bijdragepercentages

1. De bijdrage van de fondsen wordt gedifferentieerd op grond van de volgende elementen:

a) de ernst van de specifieke, met name regionale of sociale, problemen waarop de bijstandspakketten zijn gericht;

b) de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat, met name rekening houdend met de relatieve welvaart van die lidstaat en met de noodzaak een buitensporige toename van de begrotingsuitgaven te vermijden;

c) in het kader van de in artikel 1 uiteengezette doelstellingen van de fondsen, het belang dat de bijstandspakketten en de prioritaire zwaartepunten uit communautair oogpunt hebben, in voorkomend geval voor het opheffen van ongelijkheden en het bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, en voor de bescherming en de verbetering van het milieu, met name door de toepassing van de beginselen van voorzorg en preventief optreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt;

d) het belang dat de bijstandspakketten en de prioritaire zwaartepunten uit regionaal en nationaal oogpunt hebben;

e) de specifieke kenmerken van het betrokken type bijstandspakket en het betrokken prioritaire zwaartepunt, om rekening te houden met de behoeften die door de evaluatie ex ante zijn vastgesteld, in het bijzonder op het gebied van menselijke hulpbronnen en werkgelegenheid;

f) een optimaal gebruik van de financiële middelen in de financieringsplannen, met inbegrip van een combinatie van openbare en particuliere middelen, het gebruik van adequate financiële instrumenten overeenkomstig artikel 10, lid 2, en de keuze van de financieringsvormen zoals bedoeld in artikel 28, lid 3.

Indien de bijdrage van het EFS overeenkomstig artikel 16, lid 1, gedifferentieerd wordt, dient dit te gebeuren met inachtneming van de behoeften die door de evaluatie ex ante zijn vastgesteld, met name op het gebied van menselijke hulpbronnen en werkgelegenheid.

2. De bijdrage van de fondsen wordt berekend in verhouding tot de totale in aanmerking komende kosten, of de totale in aanmerking komende uitgaven van de overheid of daaraan gelijkgestelde (nationale, regionale, communautaire) uitgaven voor elk bijstandspakket.

3. Voor de bijdrage van de fondsen gelden de volgende maxima:

a) ten hoogste 75 % van de totale subsidiabele kosten, en als algemene regel, ten minste 50 % van de subsidiabele overheidsuitgaven, voor maatregelen in regio's van doelstelling 1. Indien deze regio's in een voor bijstand uit het Cohesiefonds in aanmerking komende lidstaat liggen, kan de bijdrage van de Gemeenschap in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen ten hoogste 80 % van de totale subsidiabele kosten bedragen, en ten hoogste 85 % van de totale subsidiabele kosten voor de ultraperifere regio's alsmede voor de Griekse perifere eilanden waarvan de afgelegenheid een handicap vormt;

b) ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten en, als algemene regel, ten minste 25 % van de subsidiabele overheidsuitgaven voor maatregelen in de zones van doelstelling 2 of doelstelling 3.

In het geval van investeringen in ondernemingen worden voor de bijdrage van de fondsen de maxima gerespecteerd die inzake steunintensiteit en cumulering voor overheidssteun zijn vastgesteld.

4. Indien bij het betrokken bijstandspakket investeringen worden gefinancierd die inkomsten zullen opleveren, wordt de bijdrage van de fondsen aan deze investeringen vastgesteld rekening houdende met de specifieke kenmerken ervan, waaronder de hoogte van de bruto autofinancieringsmarge waarvan normaliter wordt uitgegaan bij deze categorie investeringen, afhankelijk van de macro-economische omstandigheden waarin deze investeringen geschieden, en met dien verstande dat de bijdrage van de fondsen niet tot een verhoging van de nationale begrotingsuitgaven mag leiden.

Voor de bijdrage van de fondsen gelden hoe dan ook de volgende maxima:

a) in het geval van investeringen in infrastructuur die aanzienlijke netto inkomsten opleveren, gaat het bijstandspakket ten hoogste over:

i) 40 % van de totale subsidiabele kosten in de regio's van doelstelling 1, eventueel verhoogd met maximaal 10 % voor de lidstaten die bijstand uit het Cohesiefonds ontvangen;

ii) 25 % van de totale subsidiabele kosten in de zones van doelstelling 2;

iii) deze percentages kunnen worden verhoogd waarbij deze verhoging bestemd is voor andere financieringsvormen dan directe steun, met dien verstande dat de verhoging in geen geval meer dan 10 % van de totale subsidiabele kosten mag bedragen;

b) in het geval van investeringen in ondernemingen bedraagt het bijstandspakket ten hoogste:

i) 35 % van de totale subsidiabele kosten in de regio's van doelstelling 1;

ii) 15 % van de totale subsidiabele kosten in de zones van doelstelling 2;

iii) in het geval van investeringen in kleine en middelgrote ondernemingen kunnen deze percentages worden verhoogd waarbij deze verhoging bestemd is voor andere financieringsvormen dan directe steun, met dien verstande dat de verhoging in geen geval meer dan 10 % van de totale subsidiabele kosten mag bedragen.

5. De verwijzingen naar de regio's en de zones van doelstelling 1 en doelstelling 2 in lid 3 en lid 4 hebben mede betrekking op de regio's en de zones waar, enerzijds, op grond van artikel 6, lid 1, overgangssteun en op grond van artikel 7, lid 4, steun, en, anderzijds, op grond van artikel 6, lid 2, steun wordt verleend.

6. Maatregelen die op initiatief van de Commissie worden uitgevoerd, zoals bedoeld in de artikelen 22 en 23, kunnen voor 100 % van de totale kosten gefinancierd worden. De maatregelen die voor rekening van de Commissie worden uitgevoerd, zoals bedoeld in artikel 23, worden voor 100 % van de totale kosten gefinancierd.

7. Voor de maatregelen op het gebied van technische hulp in het kader van de programmering en voor de communautaire initiatieven gelden de in dit artikel vermelde percentages.

Artikel 30

Subsidiabiliteit

1. De uitgaven voor verrichtingen komen slechts voor financiering uit de fondsen in aanmerking indien de verrichtingen een integrerend deel van het betrokken bijstandspakket uitmaken.

2. Een uitgave komt niet voor financiering uit de fondsen in aanmerking indien zij daadwerkelijk door de eindbegunstigde is betaald vóór de datum waarop de Commissie de bijstandsaanvraag heeft ontvangen. Deze datum is de begindatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven.

De einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven wordt bepaald in de beschikking inzake de bijdrage van de fondsen. Deze datum heeft betrekking op de door de eindbegunstigden verrichte betalingen. De subsidiabele periode kan door de Commissie op naar behoren gemotiveerd verzoek van de lidstaten worden verlengd overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 en artikel 15.

3. De relevante nationale bepalingen zijn van toepassing op de subsidiabele uitgaven, tenzij de Commissie, indien zulks nodig is, zelf gemeenschappelijke subsidiabiliteitsregels vaststelt volgens de procedures van artikel 53, lid 2.

4. De lidstaten zien erop toe dat de bijdrage van de fondsen slechts wordt gehandhaafd indien de verrichting waarop zij betrekking heeft binnen vijf jaar na het besluit van de bevoegde nationale autoriteit of de beheersautoriteit over de bijdrage van de fondsen, geen belangrijke verandering ondergaat:

a) die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden, of een onderneming of een publiekrechtelijk collectief lichaam een onrechtmatig voordeel oplevert, en

b) die voortvloeit hetzij uit een wijziging in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij uit de beëindiging of de overbrenging naar een andere plaats van een productieve activiteit.

De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van iedere wijziging van dien aard; in geval van zo'n wijziging is artikel 39 van toepassing.

HOOFDSTUK II

FINANCIEEL BEHEER

Artikel 31

Betalingsverplichtingen

1. De betalingsverplichtingen van de Gemeenschap worden aangegaan op grond van de beschikking van de Commissie waarbij de bijdrage van de fondsen wordt vastgesteld.

2. Betalingsverplichtingen voor bijstandspakketten met een duur van twee jaar of langer worden per jaar aangegaan. De betalingsverplichtingen voor het eerste jaar worden aangegaan wanneer de Commissie de beschikking tot goedkeuring van de bijstand geeft. De betalingsverplichtingen voor de volgende jaren worden in de regel tegen uiterlijk 30 april aangegaan.

Het gedeelte van een betalingsverplichting waarvoor op het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de betalingsverplichting is aangegaan, of, in voorkomend geval, en voor de betreffende bedragen na de datum van een latere beschikking van de Commissie die nodig was om een maatregel of een verrichting toe te staan of op de uiterste datum voor de indiening van het in artikel 37, lid 1, bedoelde eindverslag geen voorschot is betaald of waarvoor geen enkele ontvankelijke betalingsaanvraag als omschreven in artikel 32, lid 3, bij de Commissie is ingediend, wordt ambtshalve door de Commissie geannuleerd; de bijdrage van de fondsen aan het betrokken bijstandspakket wordt met dat bedrag verminderd.

De in de tweede alinea bedoelde termijn voor de ambtshalve annulering houdt op te lopen voor het gedeelte van de betalingsverplichting dat overeenstemt met de verrichtingen die op de geplande datum van annulering het voorwerp van een rechterlijke procedure of administratief beroep met opschortend effect uitmaken, mits de Commissie daarvan vooraf door de betrokken lidstaat in kennis is gesteld onder opgave van de redenen, en de Commissie een kennisgeving heeft gezonden.

De Commissie licht hoe dan ook de lidstaat en de betalingsautoriteit te gelegener tijd in, telkens wanneer het in de tweede alinea bedoelde risico van toepassing van de ambtshalve annulering zich voordoet.

Wanneer de verordening na 1 januari 2000 in werking treedt, wordt de in de tweede alinea bedoelde termijn voor de ambtshalve annulering voor de eerste betalingsverplichting verlengd met het aantal maanden dat 1 januari 2000 scheidt van de in artikel 28 bedoelde datum van de beschikking tot vaststelling van de bijdrage van de fondsen.

3. Bij bijstandspakketten met een duur van minder dan twee jaar worden de betalingsverplichtingen voor het totale bedrag van de bijdrage van de fondsen aangegaan wanneer de Commissie de beschikking tot vaststelling van de bijdrage van de fondsen geeft.

Artikel 32

Betalingen

1. De bijdrage van de fondsen wordt door de Commissie overeenkomstig de aangegane betalingsverplichtingen aan de in artikel 9, onder o), omschreven betalingsautoriteit uitbetaald.

De betalingen worden afgeboekt op de vroegste openstaande betalingsverplichtingen die op grond van artikel 31 zijn aangegaan.

De uitbetaling kan geschieden in de vorm van voorschotten, van tussentijdse betalingen of van saldobetalingen. De tussentijdse of saldobetalingen hebben betrekking op daadwerkelijk verrichte uitgaven, welke moeten overeenkomen met door de eindbegunstigden gedane en met voldane facturen of boekingsbescheiden met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde betalingen.

Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen voert de Commissie de tussentijdse betalingen uit binnen een termijn van ten hoogste twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van een ontvankelijke aanvraag als bedoeld in lid 3.

De betalingsautoriteit ziet erop toe, dat de eindbegunstigden de bedragen waarop zij uit hoofde van de bijdrage van de fondsen recht hebben, zo spoedig mogelijk en integraal ontvangen. Er mogen geen sommen, heffingen of bijzondere kosten worden ingehouden waardoor deze bedragen worden verlaagd.

2. Nadat de eerste betalingsverplichting is aangegaan, maakt de Commissie een voorschot aan de betalingsautoriteit over. Dit voorschot bedraagt tot 7 % van de bijdrage van de fondsen in het betrokken bijstandspakket en kan in beginsel over twee begrotingsjaren worden gespreid, afhankelijk van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen.

Gedurende de gehele looptijd van het bijstandspakket gebruikt de betalingsautoriteit het voorschot ter betaling van de communautaire bijdrage in de uitgaven met betrekking tot het bijstandspakket.

Naarmate het bijstandspakket wordt uitgevoerd, betaalt de betalingsautoriteit het voorschot geheel of gedeeltelijk terug aan de Commissie indien 18 maanden nadat de beschikking tot vaststelling van de bijdrage van de fondsen is gegeven, geen betalingsaanvragen bij de Commissie zijn ingediend. Eventuele renteopbrengst van het voorschot wordt door de betalingsautoriteit aan de middelen voor het bijstandspakket toegevoegd.

3. De Commissie doet tussentijdse betalingen om de daadwerkelijk in het kader van de actie van de fondsen verrichte en door de betalingsautoriteit gecertificeerde uitgaven te vergoeden. Zij worden uitgevoerd op het niveau van elk bijstandspakket en worden berekend op het niveau van de maatregelen van het financieringsplan van het programmacomplement. Zij moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) het programmacomplement waarin de in artikel 18, lid 3, genoemde elementen zijn opgenomen, is bij de Commissie ingediend;

b) het jongste in te dienen jaarverslag over de uitvoering in het voorgaande jaar, dat alle in artikel 37 genoemde elementen bevat, is aan de Commissie verstrekt;

c) de bij artikel 42 voorziene evaluatie halverwege de looptijd van het bijstandspakket is, indien nodig, aan de Commissie medegedeeld;

d) de besluiten van de beheersautoriteit en het toezichtcomité komen overeen met het totale bedrag van de bijdrage van de fondsen dat aan de betrokken prioritaire zwaartepunten is toegewezen;

e) er is binnen de gestelde termijn gevolg gegeven aan de in artikel 34, lid 2, bedoelde aanbevelingen, of de lidstaat heeft meegedeeld om welke reden geen enkele maatregel is genomen, wanneer deze aanbevelingen tot doel hebben ernstige onregelmatigheden in het follow-up- of beheerssysteem die het goede financiële beheer van het bijstandspakket in het gedrang brengen op te vullen; er is voldaan aan de in artikel 38, lid 4, bedoelde verzoeken om corrigerende maatregelen, indien de aanvraag betrekking heeft op de beoogde maatregel(en);

f) de betalingen voor de maatregel(en) waarop de aanvraag betrekking heeft, zijn niet geschorst op grond van artikel 39, lid 2, eerste alinea, en de Commissie heeft geen besluit genomen om een inbreukprocedure in te stellen op grond van artikel 226 van het Verdrag.

De lidstaat en de betalingsautoriteit worden er door de Commissie onmiddellijk van in kennis gesteld dat niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat de betalingsaanvraag derhalve niet ontvankelijk is; zij treffen de nodige maatregelen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvragen voor tussentijdse betalingen, zoveel mogelijk gegroepeerd, drie keer per jaar, voor het laatst uiterlijk op 31 oktober, bij de Commissie worden ingediend.

In de aanvragen voor tussentijdse betalingen worden de naar prioritair zwaartepunt uitgesplitste uitgaven in de regio's of zones die overgangssteun ontvangen, van de overige uitgaven afgezonderd.

De som van de in lid 2 en in dit lid bedoelde betalingen voor een bijstandspakket bedraagt ten hoogste 95 % van de bijdrage van de fondsen aan dat bijstandspakket.

4. De betaling van het saldo van de bijstand vindt plaats mits:

a) de betalingsautoriteit binnen zes maanden na de uiterste datum voor de betaling die is vermeld in de beschikking waarbij de bijdrage van de fondsen wordt vastgesteld, een gecertificeerde verklaring betreffende de daadwerkelijk verrichte uitgaven bij de Commissie heeft ingediend,

b) het eindverslag over de uitvoering bij de Commissie is ingediend en door haar is goedgekeurd,

c) de lidstaat de in artikel 38, lid 1, onder f), bedoelde verklaring aan de Commissie heeft medegedeeld.

5. De definitieve saldobetaling is niet meer voor herziening op verzoek van de lidstaat vatbaar indien de betalingsautoriteit geen daartoe strekkend verzoek aan de Commissie heeft gericht binnen een termijn van negen maanden ingaande op de datum waarop dit saldo wordt overgemaakt.

6. De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om de in de leden 3 en 4 bedoelde certificeringen en verklaringen af te geven.

7. Tegen uiterlijk 30 april van elk jaar doen de lidstaten de Commissie een geactualiseerde raming toekomen van de betalingsaanvragen voor het lopende begrotingsjaar en voor het volgende begrotingsjaar.

8. Voor innovatieve acties als bedoeld in artikel 22 en maatregelen als bedoeld in artikel 23 stelt de Commissie adequate betalingsprocedures vast die stroken met de doelstellingen van deze bepalingen; zij stelt de in de artikelen 48 tot en met 51 bedoelde comités van deze procedures in kennis.

Artikel 33

Gebruik van de euro

De bedragen van de beschikkingen, van de betalingsverplichtingen en van de betalingen van de Commissie luiden in euro's en worden in euro's overgemaakt, overeenkomstig de regels die de Commissie volgens de in artikel 53, lid 2, bedoelde procedures dient vast te stellen.

TITEL IV

DOELTREFFENDHEID VAN DE BIJSTANDSVERLENING VAN DE FONDSEN

HOOFDSTUK I

TOEZICHT

Artikel 34

Beheer door de beheersautoriteit

1. Onverminderd artikel 8, lid 3, is de beheersautoriteit zoals omschreven in artikel 9, onder n), verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en de deugdelijkheid van het beheer en de uitvoering en in het bijzonder voor:

a) de totstandbrenging van een systeem voor de verzameling van betrouwbare financiële en statistische gegevens over de uitvoering, de in artikel 36 bedoelde indicatoren voor het toezicht en de evaluatie in overeenstemming met de artikelen 42 en 43, alsmede de toezending van deze gegevens op de tussen de lidstaat en de Commissie overeengekomen wijze, voorzover mogelijk met gebruikmaking van computersystemen waarmee de uitwisseling van gegevens met de Commissie volgens artikel 18, lid 3, onder e), mogelijk is;

b) de aanpassing overeenkomstig lid 3 en de uitvoering van het programmacomplement, als bedoeld in artikel 18, lid 3, zulks onverminderd artikel 35;

c) de opstelling en, na de goedkeuring van het toezichtcomité verkregen te hebben, de indiening bij de Commissie van het jaarverslag;

d) de organisatie van de evaluatie halverwege de looptijd zoals bedoeld in artikel 42, waarbij de beheersautoriteit samenwerkt met de Commissie en de lidstaat;

e) het voeren van een afzonderlijke boekhouding, dan wel het hanteren van een adequate boekhoudkundige codering van alle verrichtingen in het kader van het bijstandspakket door de instanties die deelnemen aan het beheer en de uitvoering van het bijstandspakket;

f) de regelmatigheid van de uit hoofde van het bijstandspakket gefinancierde verrichtingen, met name de toepassing van interne controlemethoden die beantwoorden aan de beginselen van deugdelijk financieel beheer en de reactie op eventuele overeenkomstig artikel 38, lid 4, eerste alinea, aangenomen opmerkingen of verzoeken om correctiemaatregelen of op eventuele aanbevelingen tot aanpassing uit hoofde van lid 2 van het onderhavige artikel, zulks overeenkomstig het bepaalde in die artikelen;

g) de overeenstemming met het door de Gemeenschap gevoerde beleid zoals bedoeld in artikel 12; in het kader van de toepassing van de communautaire voorschriften inzake overheidsopdrachten worden in de berichten die bestemd zijn voor bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, de referenties vermeld van de projecten waarvoor een bijdrage van de fondsen is aangevraagd of vastgesteld;

h) het nakomen van de in artikel 46 bedoelde verplichtingen inzake voorlichting en publiciteit.

Onverminderd het in deze verordening bepaalde handelt de beheersautoriteit bij de uitvoering van haar taken in volledige overeenstemming met de institutionele, wettelijke en financiële systemen van de betrokken lidstaat.

2. De Commissie en de beheersautoriteit onderwerpen jaarlijks, naar aanleiding van de indiening van het in artikel 37 bedoelde jaarverslag over de uitvoering, de belangrijkste in het voorgaande jaar geboekte resultaten aan een onderzoek waarvan de voorwaarden met instemming van de betrokken lidstaat en de betrokken beheersautoriteit worden vastgesteld.

Na afloop daarvan kan de Commissie opmerkingen formuleren die aan de lidstaat en de beheersautoriteit worden gericht. De lidstaat deelt de Commissie mee welk gevolg er aan die opmerkingen is gegeven. Indien de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen van mening is dat de genomen maatregelen niet voldoende zijn, kan zij de lidstaat of de beheersautoriteit aanbevelingen doen om aanpassingen aan te brengen ter verbetering van de doeltreffendheid van de regelingen voor het toezicht op of het beheer van het bijstandspakket, samen met de motivering van deze aanbevelingen. Wanneer zij aanbevelingen ontvangt, geeft de beheersautoriteit aan welke stappen zij heeft ondernomen ter verbetering van de regelingen voor het toezicht of het beheer, of licht zij toe waarom zij daarvan heeft afgezien.

3. De beheersautoriteit past, op verzoek van het toezichtcomité of op eigen initiatief, het programmacomplement aan, zonder het totale bedrag van de bijdrage van de fondsen voor het betrokken prioritaire zwaartepunt of de specifieke doelstellingen ervan te wijzigen. Na goedkeuring door het toezichtcomité brengt zij de Commissie binnen één maand op de hoogte van deze aanpassing.

Eventuele wijzigingen die betrekking hebben op de elementen van de beschikking tot vaststelling van de bijdragen van de fondsen, worden door de Commissie in overleg met de betrokken lidstaat vastgesteld binnen vier maanden nadat het toezichtcomité advies heeft uitgebracht.

Artikel 35

Toezichtcomités

1. Elk communautair bestek of enkelvoudig programmeringsdocument en elk operationeel programma wordt door een toezichtcomité begeleid.

De toezichtcomités worden door de lidstaat ingesteld in overleg met de beheersautoriteit en na raadpleging van de partners. De partners zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.

De toezichtcomités worden samengesteld binnen een termijn van ten hoogste drie maanden nadat de beschikking tot vaststelling van de bijdragen van de fondsen is gegeven. Het toezichtcomité valt onder de bevoegdheid en de jurisdictie van de lidstaat.

2. Een vertegenwoordiger van de Commissie en, in voorkomend geval, van de EIB neemt met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.

Het toezichtcomité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast binnen het institutionele, wettelijke en financiële kader van de betrokken lidstaat en in overleg met de beheersautoriteit.

Het toezichtcomité wordt in beginsel voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of de beheersautoriteit.

3. Het toezichtcomité vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het bijstandspakket. Daartoe:

a) wordt het programmacomplement, met inbegrip van de materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op het programma, door het comité bevestigd of aangepast overeenkomstig artikel 15;

b) worden de criteria voor de selectie van de in het kader van elk van de maatregelen te financieren acties binnen zes maanden na de goedkeuring van het bijstandspakket door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd;

c) gaat het toezichtcomité regelmatig na of vooruitgang is geboekt met de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het bijstandspakket;

d) onderzoekt het toezichtcomité de met de uitvoering bereikte resultaten, met name ten aanzien van de doelstellingen op het niveau van de maatregelen, en de in artikel 42 bedoelde evaluatie halverwege de looptijd;

e) worden het jaarverslag en het eindverslag over de uitvoering door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd, voordat zij aan de Commissie worden toegezonden;

f) worden eventuele voorstellen tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Commissie betreffende de bijdrage van de fondsen door het toezichtcomité onderzocht en goedgekeurd;

g) kan het toezichtcomité in elk geval aan de beheersautoriteit alle aanpassingen of herzieningen van het bijstandspakket voorstellen die ertoe bijdragen dat de in artikel 1 bedoelde doelstellingen worden bereikt of die het beheer van het bijstandspakket verbeteren, ook wat het financieel beheer betreft. Het bijstandspakket kan worden aangepast overeenkomstig artikel 34, lid 3.

Artikel 36

Indicatoren voor het toezicht

1. De beheersautoriteit en het toezichtcomité maken voor de uitoefening van het toezicht gebruik van materiële en financiële indicatoren die in het operationele programma, het enkelvoudig programmeringsdocument, of het programmacomplement worden bepaald. Bij het opstellen van deze indicatoren moet rekening worden gehouden met de indicatieve methodologie en de lijst van voorbeelden van indicatoren die door de Commissie worden bekendgemaakt, en met een categorisatie van de bijstandsgebieden die de Commissie bij de inwerkingtreding van de verordening zal voorstellen. Deze indicatoren hebben betrekking op het specifieke karakter en de doelstellingen van het betrokken bijstandspakket, alsmede op de sociaal-economische, structurele en milieusituatie van de betrokken lidstaat en eventueel de regio's van die lidstaat, in voorkomend geval rekening houdende met de aanwezigheid van regio's of zones die overgangssteun ontvangen. Deze indicatoren omvatten in het bijzonder die welke worden gebruikt voor de toewijzing voor de in artikel 44 bedoelde reserve.

2. Deze indicatoren geven, wat het bijstandspakket in kwestie betreft, een duidelijk beeld van:

a) de specifieke doelstellingen, gekwantificeerd voorzover zij zich daartoe lenen, van de maatregelen en de prioritaire zwaartepunten, en hun onderlinge samenhang;

b) de voortgang bij de uitvoering van het bijstandspakket, vanuit het oogpunt van materiële resultaten en, zodra het mogelijk is, de impact op het passende niveau (prioritaire zwaartepunten of maatregelen);

c) de voortgang bij de uitvoering van het financieringsplan.

Indien het gezien de aard van het bijstandspakket mogelijk is, worden de statistische gegevens uitgesplitst naar geslacht en, voor ondernemingen, naar grootteklasse van de begunstigde ondernemingen.

3. De financiële en voortgangsindicatoren zijn van dien aard dat de in lid 2, onder a), b) en c), bedoelde informatie voor grote projecten afzonderlijk geïdentificeerd kan worden.

Artikel 37

Jaarverslag en eindverslag over de uitvoering

1. Voor meerjarige bijstandspakketten legt de beheersautoriteit de Commissie overeenkomstig artikel 34, lid 1, onder c), uiterlijk zes maanden na afloop van ieder volledig kalenderjaar van uitvoering een uitvoeringsjaarverslag voor. Uiterlijk zes maanden na de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven wordt een eindverslag bij de Commissie ingediend.

Over ieder bijstandspakket met een duur van minder dan twee jaar dient de beheersautoriteit alleen een eindverslag bij de Commissie in. Dit verslag wordt ingediend uiterlijk zes maanden nadat de laatste betaling is verricht door de betalingsautoriteit.

Voordat dit verslag bij de Commissie wordt ingediend, moet het door het bedoelde toezichtcomité zijn onderzocht en goedgekeurd.

Nadat de Commissie een uitvoeringsjaarverslag heeft ontvangen, geeft zij binnen twee maanden een met redenen omkleed advies indien het verslag onbevredigend wordt geacht; in het tegenovergestelde geval wordt het uitvoeringsverslag geacht te zijn aanvaard. Wanneer het een eindverslag betreft, antwoordt de Commissie binnen vijf maanden na ontvangst van het verslag.

2. Ieder jaarlijks uitvoeringsverslag en ieder eindverslag over de uitvoering bevat de volgende gegevens:

a) eventuele wijzigingen van de algemene voorwaarden die van belang zijn voor de uitvoering van het bijstandspakket, met name de voornaamste sociaal-economische ontwikkelingen, de wijzigingen van nationale, regionale of sectoriële beleidsmaatregelen, van het in artikel 9, onder c), bedoelde referentiekader, en in voorkomend geval de gevolgen voor de samenhang van de bijstandsverlening van de verschillende fondsen onderling en met de bijstandsverlening van andere financieringsinstrumenten;

b) de voortgang bij de uitvoering van de prioritaire zwaartepunten en maatregelen voor elk fonds in het licht van hun specifieke doelstellingen, door middel van kwantificering, voorzover en wanneer zij zich daartoe lenen, van de in artikel 36 bedoelde materiële resultaten en van de impact op het passende niveau (prioritaire zwaartepunten of maatregelen);

c) de financiële uitvoering van het bijstandspakket op het niveau van de maatregelen, een opgave van alle daadwerkelijk door de betalingsautoriteit verrichte uitgaven, alsmede een opgave van alle van de Commissie ontvangen betalingen, door middel van kwantificering van de in artikel 36, lid 2, onder c), bedoelde financiële indicatoren; de financiële uitvoering in de zones die overgangssteun ontvangen, wordt voor elk prioritair zwaartepunt afzonderlijk vermeld; de financiële uitvoering van het EOGFL afdeling Garantie wordt voor de maatregelen als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (EOGFL) vermeld bij het totaalbedrag van de financiële uitvoering;

d) de door de beheersautoriteit en door het toezichtcomité getroffen voorzieningen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering te waarborgen, in het bijzonder met betrekking tot:

i) de werkzaamheden op het gebied van toezicht, financiële controle en evaluatie, met inbegrip van regelingen voor gegevensverzameling;

ii) een overzicht van alle problemen van betekenis die bij het beheer van de bijstand werden ondervonden, en van eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen, met inbegrip van de reacties op de in artikel 34, lid 2, bedoelde aanbevelingen voor aanpassingen en de in artikel 38, lid 4, bedoelde verzoeken om correctiemaatregelen;

iii) het gebruik van technische bijstand;

iv) de maatregelen die zijn genomen om de voorlichtings- en publiciteitsverplichtingen van artikel 46 na te komen;

e) de maatregelen die zijn genomen om overeenstemming met ander beleid van de Gemeenschap te waarborgen zoals bepaald in artikel 12, alsook de coördinatie van alle structurele steun van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 17, lid 1, en in artikel 19, lid 2, tweede alinea;

f) in voorkomend geval, een afzonderlijk hoofdstuk over de voortgang en de financiering van de grote projecten en over de globale subsidies.

HOOFDSTUK II

FINANCIËLE CONTROLE

Artikel 38

Algemene bepalingen

1. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen dragen de lidstaten in eerste instantie de verantwoordelijkheid voor de financiële controle van de bijstandspakketten. Te dien einde dragen de lidstaten met name zorg voor het volgende:

a) zij gaan na of er beheers- en controlesystemen zijn opgezet om te zorgen voor een doeltreffend en regelmatig gebruik van het Gemeenschapsgeld en of deze systemen goed functioneren;

b) zij verstrekken de Commissie een beschrijving van deze systemen;

c) zij zien erop toe, dat de bijstandspakketten in overeenstemming met alle toepasselijke communautaire bepalingen worden beheerd en dat de hun ter beschikking gestelde middelen overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer worden gebruikt;

d) zij verklaren, dat de aangiften van uitgaven die bij de Commissie worden ingediend, juist zijn en zien erop toe dat deze afkomstig zijn van op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudsystemen;

e) zij doen het nodige om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te herstellen; overeenkomstig de geldende wetgeving stellen zij de Commissie in kennis van onregelmatigheden, en zij houden haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures;

f) bij de afsluiting van elk bijstandspakket dienen zij bij de Commissie een verklaring in die is opgesteld door een persoon of dienst die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit. In de verklaring worden de conclusies van de verrichte controles samengevat en wordt een oordeel gegeven over de deugdelijkheid van de aanvraag om de saldobetaling, alsmede over de wettigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen waarop het eindcertificaat over de uitgaven betrekking heeft. De lidstaten laten deze verklaring vergezeld gaan van hun zienswijze indien zij zulks nodig achten;

g) zij werken samen met de Commissie om te garanderen dat de middelen van de Gemeenschap overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt;

h) zij vorderen de middelen terug die ten gevolge van geconstateerde onregelmatigheden verloren zijn gegaan, in voorkomend geval verhoogd met moratoire rente.

2. Als voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen verantwoordelijke instelling zorgt de Commissie ervoor dat er in de lidstaten goed functionerende beheers- en controlesystemen bestaan, zodat de Gemeenschapsfondsen doeltreffend en correct worden aangewend.

Daartoe mogen ambtenaren of functionarissen van de Commissie, onverminderd de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de uit de fondsen gefinancierde verrichtingen en de beheers- en controlesystemen in overeenstemming met de regelingen die in het kader van de in lid 3 bedoelde samenwerking zijn overeengekomen, ter plaatse controleren, met name door middel van steekproeven; die controles moeten ten minste één werkdag van te voren worden aangekondigd. De Commissie stelt de betrokken lidstaat vooraf in kennis van een controle ter plaatse teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. Ambtenaren of functionarissen van de lidstaat mogen aan de controles deelnemen.

De Commissie kan de betrokken lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van een of meerdere verrichtingen na te gaan. Ambtenaren of functionarissen van de Commissie mogen aan de controles deelnemen.

3. De Commissie en de lidstaten werken op basis van bilaterale bestuursrechtelijke regelingen samen om plannen, methoden en uitvoering van controles te coördineren om het nut daarvan zo groot mogelijk te maken. Zij wisselen de resultaten van de verrichte controles terstond uit.

Ten minste jaarlijks, en in elk geval vóór het jaarlijks onderzoek als bedoeld in artikel 34, lid 2, worden de volgende elementen onderzocht en geëvalueerd:

a) de resultaten van de door de lidstaat en de Commissie verrichte controles;

b) eventuele opmerkingen van andere controle-instanties van de lidstaat of de Gemeenschap;

c) de financiële effecten van de vastgestelde onregelmatigheden, de voor het herstel ervan reeds genomen of nog noodzakelijke maatregelen en, in voorkomend geval, de wijzigingen van de beheers- en controlesystemen.

4. Onverminderd de met name overeenkomstig dit artikel en artikel 39 onverwijld door de lidstaat te nemen maatregelen, kan de Commissie na dit onderzoek en deze evaluatie opmerkingen maken, die met name betrekking hebben op het financiële effect van de eventueel geconstateerde onregelmatigheden. De opmerkingen worden toegezonden aan de lidstaat en aan de autoriteit die het betrokken bijstandspakket beheert. In voorkomend geval gaan de opmerkingen vergezeld van verzoeken om correctiemaatregelen die erop gericht zijn de tekortkomingen van het beheer te verhelpen en de ontdekte onregelmatigheden die nog niet zijn gecorrigeerd, alsnog te corrigeren. De lidstaat heeft de gelegenheid op deze opmerkingen te reageren.

Wanneer de Commissie na het commentaar van de lidstaat of bij gebreke van reacties conclusies aanneemt, doet de lidstaat binnen de gestelde termijn het nodige om gevolg te geven aan de verzoeken van de Commissie en stelt hij de Commissie van zijn optreden in kennis.

5. Onverminderd het bepaalde in dit artikel, kan de Commissie, na passende controle, een tussentijdse betaling geheel of gedeeltelijk opschorten indien zij vaststelt dat de betrokken uitgaven het voorwerp uitmaken van een belangrijke onregelmatigheid die niet is gecorrigeerd en oordeelt dat onmiddellijk optreden vereist is. Zij brengt de betrokken lidstaat op de hoogte van haar optreden en de motieven ervoor. Indien na vijf maanden de motieven voor de opschorting blijven bestaan of de betrokken lidstaat de Commissie niet in kennis heeft gesteld van de maatregelen die zijn genomen om de belangrijke onregelmatigheid te corrigeren, is het bepaalde in artikel 39 van toepassing.

6. Tenzij in de bilaterale bestuursrechtelijke regelingen anders is overeengekomen, houden de verantwoordelijke autoriteiten gedurende drie jaren na de betaling door de Commissie van het eindsaldo voor een bijstandspakket alle bewijsstukken (hetzij de originele stukken, hetzij voor authentiek gewaarmerkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers) van de met het bijstandspakket verband houdende uitgaven en controles ter beschikking van de Commissie. In geval van gerechtelijke vervolging of op een met redenen omkleed verzoek van de Commissie wordt deze termijn geschorst.

Artikel 39

Financiële correcties

1. De lidstaten zijn in eerste instantie belast met het onderzoek naar onregelmatigheden en laten zich daarbij leiden door de vaststelling van elke belangrijke wijziging die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van een bijstandspakket beïnvloedt, en het verrichten van de nodige financiële correcties.

De lidstaat verricht de financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheid geboden zijn. De door de lidstaat verrichte correcties behelzen een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De aldus vrijgekomen communautaire middelen kunnen door de lidstaat ten behoeve van het betrokken bijstandspakket worden hergebruikt, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 53, lid 2, vast te stellen voorwaarden.

2. Indien de Commissie na de nodige verificatie constateert:

a) dat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van lid 1 niet is nagekomen, of

b) dat om redenen die met een geheel bijstandspakket of een deel ervan verband houden, de bijdrage van de fondsen niet of slechts voor een deel gerechtvaardigd is, of

c) dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen die tot onregelmatigheden met een systematisch karakter kunnen leiden,

schorst de Commissie de betrokken tussentijdse betalingen en verzoekt zij de lidstaat, onder opgave van haar redenen, binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken en, voorzover nodig, correcties aan te brengen.

Indien de lidstaat bezwaar maakt tegen de opmerkingen van de Commissie, wordt de lidstaat door de Commissie gehoord en trachten beide partijen middels samenwerking op grond van het partnerschap overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.

3. Na afloop van de door de Commissie gestelde termijn kan de Commissie wanneer geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat geen correcties heeft aangebracht, rekening houdend met de opmerkingen van de lidstaat, binnen een termijn van drie maanden besluiten:

a) het in artikel 32, lid 2, bedoelde voorschot te verminderen, of

b) de vereiste financiële correcties te verrichten door de bijdrage van de fondsen aan het betrokken bijstandspakket geheel of gedeeltelijk in te trekken.

De Commissie houdt bij het vaststellen van het bedrag van een correctie, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, rekening met de aard van de onregelmatigheid of de wijziging, alsmede met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in de beheers- of controlesystemen van de lidstaten zijn geconstateerd.

Indien na afloop van de gestelde termijn niet besloten wordt tot de onder a) of b) bedoelde maatregel, komt de opschorting van de tussentijdse betalingen onmiddellijk te vervallen.

4. Elk bedrag dat wegens onverschuldigde betaling wordt teruggevorderd, moet aan de Commissie worden terugbetaald. Een dergelijk bedrag wordt met moratoire rente verhoogd.

5. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 32.

HOOFDSTUK III

EVALUATIE

Artikel 40

Algemene bepalingen

1. Ter beoordeling van de doeltreffendheid van de structurele bijstandsverlening wordt de actie van de Gemeenschap aan een evaluatie vooraf, een evaluatie halverwege de looptijd en een evaluatie achteraf onderworpen, teneinde de impact ervan in het licht van de doelstellingen van artikel 1 te beoordelen en het effect op de specifieke structurele problemen te analyseren.

2. De doeltreffendheid van de actie van de fondsen wordt gemeten aan de hand van de volgende criteria:

a) de algehele impact van de acties op de in artikel 158 van het Verdrag genoemde doelstellingen, inzonderheid de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap;

b) de impact van de in de plannen en de prioritaire zwaartepunten voorgestelde en binnen elk communautair bestek alsmede in elk bijstandspakket opgenomen prioriteiten.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie treffen adequate voorzieningen en verzamelen de benodigde gegevens voor een zo doeltreffend mogelijke evaluatie. Daartoe wordt gebruik gemaakt van de verschillende elementen die het toezichtsysteem kan opleveren, zo nodig aangevuld met gegevens die de relevantie ervan vergroten.

Op initiatief van de lidstaten of van de Commissie - na kennisgeving aan de betrokken lidstaat - kunnen aanvullende, in voorkomend geval thematische, evaluaties worden verricht om ervaringen te identificeren die elders herhaald kunnen worden.

4. De resultaten van de evaluatie worden op verzoek ter beschikking van het publiek gesteld. Voor de resultaten van de in artikel 42 bedoelde evaluatie is daarvoor de toestemming van het toezichtcomité nodig, overeenkomstig de institutionele bepalingen van iedere lidstaat.

5. De werkwijze bij de evaluatie wordt nader omschreven in de communautaire bestekken en de bijstandspakketten.

Artikel 41

Evaluatie vooraf

1. De evaluatie vooraf dient als grondslag voor de voorbereiding van de plannen, de bijstandspakketten en het programmacomplement, waarin zij geïntegreerd is.

De evaluatie vooraf valt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten die bevoegd zijn voor de voorbereiding van de plannen, de bijstandspakketten en het programmacomplement.

2. Tijdens de voorbereiding van de plannen en bijstandspakketten worden vooraf de sterke en de zwakke punten en het potentieel van de betrokken lidstaat, regio of sector geanalyseerd. Voorts worden, in het licht van de in artikel 40, lid 2, onder a), genoemde criteria de coherentie van de gekozen strategie en doelstellingen met de kenmerken van de betrokken regio's of zones, waaronder hun demografische ontwikkeling, en de verwachte impact van de voorgenomen prioritaire acties onderzocht, waarbij de specifieke doelstellingen in het licht van de uitgangssituatie worden gekwantificeerd indien de aard ervan zulks mogelijk maakt.

De evaluatie vooraf houdt met name rekening met de situatie met betrekking tot concurrentievermogen en innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen, werkgelegenheid en de arbeidsmarkt met het oog op de Europese werkgelegenheidsstrategie, milieu en gelijke kansen voor mannen en vrouwen en omvat in het bijzonder:

a) een evaluatie vooraf van de sociaal-economische situatie, waarin de nadruk ligt op de tendensen op de arbeidsmarkt, met inbegrip van de regio's die specifieke werkgelegenheidsproblemen hebben, en van de algemene strategie op het gebied van de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen, evenals van de wijze waarop deze strategie aansluit op de nationale werkgelegenheidsstrategie zoals omschreven in de nationale actieplannen;

b) een evaluatie vooraf van de milieusituatie in de betrokken regio, met name de milieuaspecten die door het bijstandspakket vermoedelijk aanzienlijk beïnvloed zullen worden; van de voorzieningen om de milieudimensie in het bijstandspakket te integreren, en van de samenhang daarvan met op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau vastgestelde doelstellingen voor de korte en de lange termijn (bijvoorbeeld milieubeheersplannen); van de voorzieningen om de naleving van de communautaire regelgeving op milieugebied te waarborgen. De evaluatie vooraf geeft een - voorzover mogelijk - gekwantificeerde beschrijving van de bestaande milieusituatie en een raming van de impact op de milieusituatie die van de strategie en de bijstandspakketten wordt verwacht;

c) een evaluatie vooraf van de situatie op het gebied van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en gelijke behandeling op het werk, onder andere van de specifieke problemen van elke groep; een raming van de impact die van de strategie en de bijstandspakketten wordt verwacht, met name voor de doorstroming van vrouwen en mannen naar de arbeidsmarkt, voor het onderwijs en de beroepsopleiding, voor het ondernemerschap van vrouwen en voor het combineren van beroepsloopbaan en gezinsleven.

In het kader van de evaluatie vooraf worden de relevantie van de beoogde uitvoerings- en toezichtsvoorzieningen en de coherentie met het Gemeenschapsbeleid op andere terreinen en de mate waarin rekening is gehouden met de in artikel 10, lid 3, bedoelde indicatieve richtsnoeren onderzocht.

Bij de evaluatie vooraf wordt rekening gehouden met de resultaten van evaluaties van voorgaande programmeringsperiodes.

3. De evaluatie van de in het programmacomplement opgenomen maatregelen is gericht op het onderzoeken van de coherentie met de doelstellingen van de overeenkomstige prioritaire zwaartepunten, op het kwantificeren van de specifieke doelstellingen van de maatregelen, voorzover die zich daartoe lenen en later als bedoeld in artikel 35, lid 3, onder b), alsmede op het onderzoek van de relevantie van de selectiecriteria.

Artikel 42

Evaluatie halverwege de looptijd

1. De evaluatie halverwege de looptijd heeft betrekking op de eerste resultaten van de bijstandspakketten, de relevantie ervan en de manier waarop de doelstellingen worden verwezenlijkt en geschiedt met inachtneming van de evaluatie vooraf. Voorts worden het gebruik van de financiële middelen en het verloop van het toezicht en van de uitvoering beoordeeld.

2. De evaluatie halverwege de looptijd vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit, die daarbij samenwerkt met de Commissie en de lidstaat. De evaluatie wordt verricht voor elk communautair bestek en voor elk bijstandspakket. Zij wordt uitgevoerd door een onafhankelijke beoordelaar, overeenkomstig artikel 35, lid 3, voorgelegd aan het toezichtcomité voor het communautair bestek of voor het bijstandspakket, en vervolgens doorgaans drie jaar na de goedkeuring van het communautair bestek of van het bijstandspakket en uiterlijk op 31 december 2003 aan de Commissie gezonden met het oog op de herziening als bedoeld in artikel 14, lid 2.

3. De Commissie onderzoekt de relevantie en de kwaliteit van de evaluatie aan de hand van vooraf in onderling overleg door de Commissie en de lidstaat vastgestelde criteria, met het oog op de herziening van het bijstandspakket en de toewijzing van de in artikel 44 bedoelde reserve.

4. In aansluiting op de evaluatie halverwege de looptijd wordt voor elk communautair bestek en elk bijstandspakket een bijgewerkte versie opgesteld. Met het oog op de uitwerking van latere bijstandspakketten wordt de evaluatie uiterlijk op 31 december 2005 afgerond.

Artikel 43

Evaluatie achteraf

1. De evaluatie achteraf is erop gericht met inachtneming van de reeds beschikbare evaluatieresultaten verslag uit te brengen over het gebruik van de middelen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bijstandspakketten en de impact ervan, alsmede conclusies te trekken wat het beleid inzake de economische en sociale samenhang betreft. In de evaluatie dienen de factoren die tot het welslagen of het mislukken van de uitvoering hebben bijgedragen, alsmede de verwezenlijkingen en de resultaten, en de duurzaamheid ervan, aan bod te komen.

2. De evaluatie achteraf vindt plaats onder de bevoegdheid van de Commissie, die daarbij samenwerkt met de lidstaat en de beheersautoriteit. Zij heeft betrekking op de bijstandspakketten en wordt uitgevoerd door onafhankelijke beoordelaars. Zij moet uiterlijk drie jaar na het einde van de programmeringsperiode zijn afgerond.

HOOFDSTUK IV

PRESTATIERESERVE

Artikel 44

Toewijzing van de prestatiereserve

1. Elke lidstaat beoordeelt, in nauw overleg met de Commissie, voor elke doelstelling uiterlijk op 31 december 2003 de prestaties in het kader van elk van zijn operationele programma's of enkelvoudige programmeringsdocumenten aan de hand van een beperkt aantal toezichtindicatoren die een beeld geven van de doeltreffendheid, het beheer en de financiële uitvoering, en die de halverwege de looptijd bereikte resultaten meten en deze toetsen aan de initiële specifieke doelstellingen ervan.

Deze indicatoren worden door elke lidstaat vastgesteld in nauw overleg met de Commissie, geheel of gedeeltelijk rekening houdend met een door de Commissie voorgestelde indicatieve lijst van indicatoren, en worden gekwantificeerd in de bestaande verschillende jaarverslagen over de uitvoering alsook in het verslag van de evaluatie halverwege de looptijd. De lidstaten dragen zorg voor de toepassing ervan.

2. Halverwege de looptijd en uiterlijk op 31 maart 2004, wijst de Commissie in nauw overleg met de betrokken lidstaten op basis van de voorstellen van elke lidstaat en rekening houdend met diens specifieke institutionele kenmerken en de daarmee overeenstemmende programmering, voor elke doelstelling de in artikel 7, lid 5, bedoelde vastleggingskredieten toe aan de operationele programma's of enkelvoudige programmeringsdocumenten of hun prioriteiten met een toereikend geacht prestatieniveau. De operationele programma's of enkelvoudige programmeringsdocumenten worden overeenkomstig de artikelen 14 en 15 aangepast.

TITEL V

VERSLAGEN EN PUBLICITEIT

Artikel 45

Verslagen

1. Overeenkomstig artikel 159 van het Verdrag brengt de Commissie om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang, alsmede over de wijze waarop de Structuurfondsen, het Cohesiefonds, de EIB en de andere financieringsinstrumenten daartoe hebben bijgedragen. Dit verslag omvat met name:

a) een balans van de bij de verwezenlijking van de economische en sociale samenhang gemaakte vorderingen, met inbegrip van de situatie en de ontwikkeling op sociaal-economisch gebied van de regio's, alsmede een analyse van de rechtstreekse investeringsstromen en het effect daarvan op de werkgelegenheidssituatie op communautair niveau;

b) een balans van de wijze waarop de Structuurfondsen, het Cohesiefonds, de EIB en de andere financieringsinstrumenten en het beleid van de Gemeenschap of de lidstaten op andere terreinen tot de verwezenlijking van dit proces hebben bijgedragen;

c) eventuele voorstellen voor communautaire acties en beleidsmaatregelen die dienen te worden aangenomen om de economische en sociale samenhang te versterken.

2. Vóór 1 november van ieder jaar brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's verslag uit over de toepassing van deze verordening tijdens het voorafgaande jaar. Dit verslag omvat met name:

a) een balans van de activiteiten van ieder fonds, van de besteding van hun begrotingsmiddelen en de concentratie van de bijstandspakketten, alsmede een balans van het gebruik van de overige, onder de bevoegdheid van de Commissie vallende financieringsinstrumenten en van de concentratie van de middelen van deze instrumenten; deze balans bevat:

- voor iedere lidstaat een verdeling op jaarbasis van de kredieten uit alle fondsen waarvoor betalingsverplichtingen zijn aangegaan en betalingen zijn verricht, inclusief uit hoofde van communautaire initiatieven,

- een evaluatie op jaarbasis van de innovatieve acties en technische hulp;

b) een balans van de coördinatie van bijstandsverlening tussen de fondsen onderling en met die van de EIB en de overige financieringsinstrumenten;

c) zodra zij beschikbaar zijn, de resultaten van de evaluatie als bedoeld in artikel 42, inclusief de gegevens betreffende de herziening van de bijstandspakketten, en in artikel 43, alsmede een evaluatie van de coherentie van de acties van de fondsen met het Gemeenschapsbeleid als bedoeld in artikel 12;

d) een lijst van de grote projecten die een bijdrage uit de fondsen hebben ontvangen;

e) de resultaten van de door de Commissie overeenkomstig artikel 38, lid 2, uitgevoerde controles, en de lering die uit deze controles is getrokken, waaronder gegevens over het aantal en het bedrag van de geconstateerde onregelmatigheden en de financiele correcties die overeenkomstig artikel 39, lid 2, zijn aangebracht;

f) informatie over de adviezen van de comités op grond van het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 51.

Artikel 46

Voorlichting en publiciteit

1. Met het oog op het inwinnen van het advies als bedoeld in artikel 15, lid 1, zorgen de lidstaten ervoor dat aan de plannen bekendheid wordt gegeven.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, is de beheersinstantie er verantwoordelijk voor dat bekendheid aan het bijstandspakket wordt gegeven, en met name dat:

a) de potentiële eindbegunstigden, de beroepsorganisaties, de economische en sociale partners, de organisaties voor de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en de betrokken niet-gouvernementele organisaties over de door het bijstandspakket geboden mogelijkheden worden geïnformeerd;

b) het publiek wordt geïnformeerd over de rol die de Gemeenschap in verband met het betrokken bijstandspakket en de resultaten ervan speelt.

3. De lidstaten raadplegen de Commissie en informeren haar overeenkomstig artikel 37, lid 2, jaarlijks over de in het kader van de leden 1 en 2 van onderhavig artikel genomen initiatieven.

TITEL VI

COMITOLOGIE

Artikel 47

Algemene bepalingen

1. De Commissie wordt bij de uitvoering van deze verordening bijgestaan door vier comités:

a) het Comité voor de ontwikkeling en de omschakeling van de regio's;

b) het Comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag;

c) het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling;

d) het Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur.

2. Wanneer de in lid 1, onder a), c) en d), genoemde comités uit hoofde van respectievelijk de artikelen 48, 50 en 51 de bevoegdheden uitoefenen van een raadgevend comité, is onderstaande procedure van toepassing:

- de vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregel;

- het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming;

- die adviezen worden in de notulen opgenomen. Voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen;

- de Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met de door het comité uitgebrachte adviezen. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.

3. Wanneer de in lid 1, onder a), c) en d), genoemde comités uit hoofde van respectievelijk de artikelen 48, 50 en 51 de bevoegdheden uitoefenen van een beheerscomité, is onderstaande procedure van toepassing:

- de vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregel;

- het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 205, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel;

- de Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval:

- kan de Commissie de toepassing van de maatregel waartoe zij heeft besloten voor ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen,

- kan de Raad binnen de in het derde streepje genoemde termijn met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

4. De Commissie legt de in artikel 45 bedoelde verslagen aan de comités voor. Zij kan een comité om advies verzoeken over iedere aangelegenheid met betrekking tot andere bijstandsverlening door de fondsen dan bepaald in deze titel. Daar vallen ook aangelegenheden onder die in de eerste plaats door andere comités worden behandeld.

5. De adviezen van ieder comité worden ter kennis van de andere in deze titel bedoelde comités gebracht.

6. Ieder comité stelt zijn reglement van orde vast.

7. Het Europees Parlement wordt regelmatig op de hoogte gesteld van de werkzaamheden van de comités.

Artikel 48

Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's

1. Bij de Commissie wordt een Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's opgericht, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. De EIB wijst een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt.

2. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een beheerscomité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 3, wanneer het de volgende aangelegenheden behandelt:

a) de in artikel 53, lid 2, bedoelde uitvoeringsbepalingen.

Voorzover van toepassing, worden andere comités op grond van hun raadgevende bevoegdheid over bovengenoemde uitvoeringsbepalingen geraadpleegd;

b) de in artikel 5 van Verordennig (EG) nr. 1261/1999 (EFRO)(13) bedoelde uitvoeringsbepalingen;

c) de richtsnoeren voor de in artikel 20, lid 1, onder a), (Interreg) en artikel 20, lid 1, onder b), (Urban), bedoelde communautaire initiatieven;

d) de richtsnoeren voor de verschillende soorten innovatieve maatregelen in het kader van artikel 22, voorzover daarvoor in een bijdrage van het EFRO is voorzien.

3. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een raadgevend comité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 2, wanneer het onderstaande vraagstukken behandelt:

a) opstelling en herziening van de lijst van de in het kader van doelstelling 2 in aanmerking komende zones;

b) de communautaire bestekken en de bijbehorende informatie in de enkelvoudige programmeringsdocumenten, in het kader van de doelstellingen 1 en 2;

c) de onder artikel 23 vallende soorten maatregelen inzake technische hulp, voorzover daarvoor in een bijdrage van het EFRO is voorzien;

d) eventuele andere vraagstukken in verband met de artikelen 20 tot en met 22.

Artikel 49

Comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag

1. Het comité uit hoofde van artikel 147 van het Verdrag is samengesteld uit twee vertegenwoordigers van de regering, twee vertegenwoordigers van de vakbonden en twee vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties per lidstaat. Het lid van de Commissie dat met het voorzitterschap is belast, kan deze functie aan een hoge ambtenaar van de Commissie delegeren.

Voor iedere lidstaat wordt voor elke in de eerste alinea genoemde categorie een plaatsvervanger benoemd. Bij afwezigheid van een of van beide leden neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.

De leden en hun plaatsvervangers worden op voordracht van de Commissie door de Raad benoemd voor een periode van drie jaar. Zij zijn herbenoembaar. De Raad streeft bij de samenstelling van het comité naar een redelijke vertegenwoordiging van alle betrokken groepen. De EIB wijst, voor de haar betreffende agendapunten, een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt.

2. Het comité:

a) brengt advies uit over de ontwerpbeschikkingen van de Commissie inzake de enkelvoudige programmeringsdocumenten en de communautaire bestekken in het kader van doelstelling 3, alsmede inzake de communautaire bestekken en de bijbehorende informatie in de enkelvoudige programmeringsdocumenten, in het kader van de doelstellingen 1 en 2, voorzover daarvoor in een bijdrage van het ESF is voorzien;

b) brengt advies uit over de in artikel 53, lid 2, bedoelde uitvoeringsbepalingen;

c) wordt geraadpleegd over de in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1262/1999 (ESF)(14) bedoelde uitvoeringsbepalingen;

d) brengt advies uit over de ontwerprichtsnoeren van de Commissie betreffende het in artikel 20, lid 1, onder d), bedoelde communautaire initiatief (Equal), en over de verschillende soorten innovatieve acties in het kader van artikel 22, voorzover daarvoor in een bijdrage van het ESF is voorzien. De Commissie kan ook andere onder de artikelen 20 tot en met 22 vallende vraagstukken aan het comité voorleggen;

e) wordt geraadpleegd over de onder artikel 23 vallende soorten maatregelen inzake technische hulp, voorzover daarvoor in een bijdrage van het ESF is voorzien.

3. De adviezen van het comité worden aangenomen met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. De Commissie licht het comité in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.

Artikel 50

Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling

1. Bij de Commissie wordt een Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling opgericht, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. De EIB wijst een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt.

2. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een beheerscomité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 3, wanneer het de volgende aangelegenheden behandelt:

a) de in de artikelen 34, 50 en 53 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (plattelandsontwikkeling) bedoelde uitvoerings- en overgangsbepalingen;

b) de richtsnoeren voor het in artikel 20, lid 1, onder c), bedoelde communautaire initiatief (Leader).

3. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een raadgevend comité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 2, wanneer het onderstaande vraagstukken behandelt:

a) opstelling en herziening van de lijst van de in het kader van doelstelling 2 in aanmerking komende zones;

b) de interventieonderdelen met betrekking tot de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling die zijn opgenomen in de ontwerprichtsnoeren van de Commissie inzake de communautaire bestekken en de bijbehorende informatie in de enkelvoudige programmeringsdocumenten, in het kader van de doelstellingen 1 en 2;

c) de in artikel 53, lid 2, bedoelde uitvoeringsbepalingen;

d) de onder artikel 23 vallende soorten maatregelen inzake technische hulp, voorzover daarvoor in een bijdrage van het EOGFL is voorzien;

e) eventuele andere onderwerpen in verband met de artikelen 20 tot en met 22.

Artikel 51

Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur

1. Bij de Commissie wordt een Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur opgericht, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. De EIB wijst een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt.

2. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een beheerscomité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 3, wanneer het de volgende aangelegenheden behandelt:

a) de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1263/1999 bedoelde uitvoeringsbepalingen;

b) de richtsnoeren voor de verschillende soorten innovatieve acties in het kader van artikel 22, voorzover daarvoor in een bijdrage van het FIOV is voorzien.

3. Het comité oefent de bevoegdheden uit van een raadgevend comité overeenkomstig de procedure van artikel 47, lid 2, wanneer het onderstaande vraagstukken behandelt:

a) opstelling en herziening van de lijst van de in het kader van doelstelling 2 in aanmerking komende zones;

b) de interventieonderdelen met betrekking tot de visserijstructuur die zijn opgenomen in de ontwerpbeschikkingen van de Commissie inzake de communautaire bestekken en de bijbehorende informatie in de enkelvoudige programmeringsdocumenten, in het kader van doelstelling 1;

c) de in artikel 53, lid 2, bedoelde uitvoeringsbepalingen;

d) de onder artikel 23 vallende soorten maatregelen inzake technische hulp, voorzover daarvoor in een bijdrage uit het FIOV is voorzien;

e) alle andere vraagstukken met betrekking tot artikel 22.

TITEL VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 52

Overgangsbepalingen

1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gedeeltelijke of volledige intrekking, van bijstandspakketten die de Raad of de Commissie hebben goedgekeurd op grond van Verordening (EEG) nr. 2052/88 en Verordening (EEG) nr. 4253/88 of van enige andere wetgeving die op 31 december 1999 op de betrokken bijstandspakketten van toepassing is.

2. Aanvragen voor een bijdrage van de fondsen voor bijstandspakketten die worden ingediend uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 2052/88 en van Verordening (EEG) nr. 4253/88 worden door de Commissie uiterlijk op 31 december 1999 op grond van die verordeningen onderzocht en goedgekeurd.

3. Bij de opstelling van de communautaire bestekken en de bijstandspakketten houdt de Commissie rekening met elke, door de Raad of door de Commissie vóór het van kracht worden van deze verordening goedgekeurde actie die een financiële weerslag heeft in de loop van de door de bestekken en bijstandspakketten bestreken periode. Het bepaalde in artikel 30, lid 2, is op de betrokken acties niet van toepassing.

4. In afwijking van de datum in artikel 30, lid 2, kunnen daadwerkelijk betaalde uitgaven waarvoor de Commissie tussen 1 januari en 30 april 2000 een aanvraag voor een bijstandspakket heeft ontvangen die aan alle in deze verordening gestelde voorwaarden voldoet, met ingang van 1 januari 2000 voor een bijdrage van de fondsen in aanmerking worden genomen.

5. De delen van de bedragen die zijn vastgelegd voor verrichtingen of programma's die door de Commissie vóór 1 januari 1994 zijn goedgekeurd en waarvoor uiterlijk op 31 maart 2001 geen aanvraag voor een eindbetaling bij de Commissie is ingediend, worden door de Commissie uiterlijk op 30 september 2001 ambtshalve geannuleerd en geven aanleiding tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, onverminderd de behandeling van de verrichtingen of programma's waarvoor in verband met een gerechtelijke procedure een schorsing geldt.

De delen van de bedragen die zijn vastgelegd voor programma's die door de Commissie tussen 1 januari 1994 en 31 december 1999 zijn goedgekeurd en waarvoor uiterlijk op 31 maart 2003 geen aanvraag voor de eindbetaling bij de Commissie is ingediend, worden door de Commissie uiterlijk op 30 september 2003 ambtshalve geannuleerd en geven aanleiding tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, onverminderd de behandeling van de verrichtingen of programma's waarvoor in verband met een gerechtelijke procedure een schorsing geldt.

Artikel 53

Uitvoeringsbepalingen

1. De Commissie is belast met de uitvoering van deze verordening.

2. De uitvoeringsbepalingen voor de artikelen 30, 33, 38, 39 en 46 worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 48, lid 2, onder a). Tevens zal zij volgens dezelfde procedure en wanneer dat in onvoorziene omstandigheden nodig blijkt andere bepalingen voor de uitvoering van deze verordening aannemen.

Artikel 54

Intrekking

Verordening (EEG) nr. 2052/88 en Verordening (EEG) nr. 4253/88 worden met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken, onverminderd artikel 53, lid 1.

De verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 55

Nieuw onderzoek

Op voorstel van de Commissie beziet de Raad deze verordening vóór 31 december 2006 opnieuw.

Hij besluit over dit voorstel volgens de procedure van artikel 161 van het Verdrag.

Artikel 56

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De artikelen 28, 31 en 32 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2000.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 1999.

Voor de Raad

De voorzitter

G. VERHEUGEN

(1) PB C 176 van 9.6.1998, blz. 1.

(2) Instemming van 6 mei 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB C 407 van 28.12.1998, blz. 74.

(4) PB C 373 van 2.12.1998, blz. 1.

(5) PB L 185 van 15.7.1988, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94 (PB L 337 van 24.12.1994, blz. 11).

(6) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94.

(7) PB L 160 van 26.6.1999, blz 80.

(8) PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11 (Phare). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 753/96 (PB L 103 van 26.4.1996).

(9) PB L 165 van 4.7.1996, blz. 1 (Tacis).

(10) PB L 189 van 30.7.1996, blz. 1 (Meda). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 780/98 (PB L 113 van 15.4.1998, blz. 2).

(11) PB L 139 van 11.5.1998, blz. 1.

(12) Zie blz. 54 van dit Publicatieblad.

(13) Zie bladzijde 43 van dit Publicatieblad.

(14) Zie bladzijde 48 van dit Publicatieblad.

BIJLAGE

STRUCTUURFONDSEN

Jaarlijkse verdeling van de vastleggingskredieten 2000-2006

(bedoeld in artikel 7, lid 1)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top