Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999R1257

Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen

OJ L 160, 26.6.1999, p. 80–102 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 025 P. 391 - 413
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 028 P. 134 - 156
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 028 P. 134 - 156
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 001 P. 93 - 115

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2009; opgeheven door 32005R1698

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/1257/oj

31999R1257

Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen

Publicatieblad Nr. L 160 van 26/06/1999 blz. 0080 - 0102


VERORDENING (EG) Nr. 1257/1999 VAN DE RAAD

van 17 mei 1999

inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 36 en 37,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Gezien het advies van de Rekenkamer(5),

(1) Overwegende dat een gemeenschappelijk beleid inzake plattelandsontwikkeling andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dient te begeleiden en aan te vullen en zo dient bij te dragen tot het bereiken van de doelstellingen van dit beleid zoals omschreven in artikel 33, lid 1, van het Verdrag;

(2) Overwegende dat in artikel 33, lid 2, onder a), van het Verdrag is bepaald dat bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daaronder te treffen bijzondere voorzieningen, rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden;

(3) Overwegende dat volgens artikel 159 van het Verdrag bij de tenuitvoerlegging van de takken van gemeenschappelijk beleid rekening moet worden gehouden met de doelstellingen die in de artikelen 150 en 159 voor het gemeenschappelijk beleid inzake economische en sociale samenhang zijn omschreven, en deze tenuitvoerlegging tot de verwezenlijking van deze doelstellingen moet bijdragen; dat bijgevolg de maatregelen voor plattelandsontwikkeling tot het laatstgenoemde beleid dienen bij te dragen in de regio's met een ontwikkelingsachterstand (doelstelling 1) en de regio's met structurele moeilijkheden (doelstelling 2) zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999(6);

(4) Overwegende dat al in 1972 in het gemeenschappelijk landbouwbeleid maatregelen zijn opgenomen die erop waren gericht de verbetering van de landbouwstructuur te ondersteunen; dat gedurende bijna twee decennia pogingen in het werk zijn gesteld om het landbouwstructuurbeleid te integreren in de ruimere economische en sociale context van de plattelandsgebieden; dat bij de beleidshervorming van 1992 de nadruk is gelegd op de milieudimensie van de landbouw als grootste grondgebruiker;

(5) Overwegende dat het plattelandsbeleid momenteel wordt gevoerd met behulp van complexe instrumenten;

(6) Overwegende dat in de komende jaren de landbouw zich zal moeten aanpassen aan nieuwe realiteiten en verdere veranderingen die betrekking zullen hebben op de marktontwikkeling, het marktbeleid en de handelsregelingen, de vraag bij en de voorkeuren van de consumenten en de volgende uitbreiding van de Gemeenschap; dat deze veranderingen niet alleen de landbouwmarkten zullen beïnvloeden, maar ook de plaatselijke economie in de plattelandsgebieden in het algemeen; dat een beleid inzake plattelandsontwikkeling tot doel dient te hebben het concurrentievermogen van de plattelandsgebieden te herstellen en te vergroten en aldus bij te dragen tot de instandhouding en het scheppen van werkgelegenheid in deze gebieden;

(7) Overwegende dat deze ontwikkelingen dienen te worden bevorderd en ondersteund door de bestaande instrumenten voor plattelandsontwikkeling te reorganiseren en te vereenvoudigen;

(8) Overwegende dat een dergelijke reorganisatie dient te geschieden met inachtneming van de bij de toepassing van de bestaande instrumenten opgedane ervaring, en derhalve op basis van die instrumenten, namelijk de instrumenten die worden gehanteerd in het kader van de huidige prioritaire doelstellingen waarbij de ontwikkeling van het platteland wordt bevorderd door de aanpassing van de landbouwstructuur in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bespoedigen en waarbij de ontwikkeling en de structurele aanpassing van het platteland worden vergemakkelijkt (doelstellingen 5a en 5b), zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten(7) en bij Verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Orientatie(8), en de instrumenten die bij wijze van begeleidende maatregelen bij de in 1992 doorgevoerde hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer(9), Verordening (EEG) nr. 2079/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector(10) en Verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw(11);

(9) Overwegende dat het kader voor een hervormd beleid inzake plattelandsontwikkeling betrekking dient te hebben op alle plattelandsgebieden in de Gemeenschap;

(10) Overwegende dat de bestaande drie begeleidende maatregelen die bij de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 1992 zijn ingesteld (milieumaatregelen in de landbouw, vervroegde uittreding en bebossing), dienen te worden aangevuld met de regeling voor probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied;

(11) Overwegende dat de andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling deel dienen uit te maken van de geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's voor de regio's van doelstelling 1 en deel kunnen uitmaken van de programma's voor regio's van doelstelling 2;

(12) Overwegende dat in de plattelandsgebieden maatregelen voor plattelandsontwikkeling het marktbeleid dienen te begeleiden en aan te vullen;

(13) Overwegende dat de EOGFL-steun voor plattelandsontwikkeling gebaseerd dient te zijn op een enkel wettelijk kader waarin is vastgesteld welke maatregelen voor steun in aanmerking komen, wat de doelstellingen van die maatregelen zijn en aan welke criteria moet worden voldaan om voor steun in aanmerking te komen;

(14) Overwegende dat, wegens de verscheidenheid van de plattelandsgebieden in de Europese Unie, bij het beleid inzake plattelandsontwikkeling het subsidiariteitsbeginsel moet worden gehanteerd; dat dit beleid daarom zo sterk mogelijk moet worden gedecentraliseerd en dat de nadruk dient te liggen op participatie en op een benadering van onderaf; dat bijgevolg de criteria om voor steun voor plattelandsontwikkeling in aanmerking te komen niet verder mogen gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van het beleid inzake plattelandsontwikkeling te bereiken;

(15) Overwegende dat het evenwel voor de coherentie met de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en met de andere takken van het gemeenschappelijk beleid nodig is de basissteuncriteria vast te stellen op communautair niveau, dat met name ongerechtvaardigde concurrentiedistorsies als gevolg van de maatregelen voor plattelandsontwikkeling dienen te worden voorkomen;

(16) Overwegende dat, met het oog op flexibiliteit en ter vereenvoudiging van de regelgeving, door de Raad aan de Commissie alle nodige uitvoerende bevoegdheden dienen te worden verleend overeenkomstig artikel 202, derde streepje, van het Verdrag;

(17) Overwegende dat de landbouwstructuur in de Gemeenschap wordt gekenmerkt door het feit dat op vele landbouwbedrijven de structurele voorwaarden om een redelijk inkomen en een redelijke levensstandaard voor het landbouwersgezin te bereiken niet aanwezig zijn;

(18) Overwegende dat de investeringssteun van de Gemeenschap tot doel heeft de landbouwbedrijven te moderniseren en levensvatbaarder te maken;

(19) Overwegende dat de communautaire voorwaarden om voor investeringssteun in aanmerking te komen dienen te worden vereenvoudigd vergeleken met de bestaande voorwaarden zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 950/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur(12);

(20) Overwegende dat toekenning van bijzondere voordelen aan jonge landbouwers niet alleen hun vestiging kan vergemakkelijken, maar ook de aanpassing van de structuur van hun bedrijf nadat zij zich voor het eerst hebben gevestigd;

(21) Overwegende dat in verband met de ontwikkeling en de specialisatie van de landbouw een passend niveau van algemene, technische en economische opleiding van de in de land- en bosbouw werkzame bevolking nodig is, vooral wat nieuwe methoden voor de bedrijfsvoering, de productie of de afzet betreft;

(22) Overwegende dat een bijzondere inspanning nodig is om de landbouwers op te leiden en voor te lichten op het gebied van landbouwmethoden die verenigbaar zijn met het milieu;

(23) Overwegende dat vervroegde bedrijfsbeëindiging in de landbouw moet worden bevorderd om de landbouwbedrijven levensvatbaarder te maken, zulks met inachtneming van de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van Verordening (EEG) nr. 2079/92;

(24) Overwegende dat de steun in de probleemgebieden dient bij te dragen tot het verder gebruiken van landbouwgrond, natuurbescherming, de instandhouding en bevordering van duurzame landbouwsystemen;

(25) Overwegende dat de probleemgebieden moeten worden ingedeeld op basis van gemeenschappelijke criteria;

(26) Overwegende dat op communautair niveau geen nadere indeling van de probleemgebieden hoeft te worden opgesteld;

(27) Overwegende dat voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor compenserende vergoedingen in aanmerking te komen, dienen te worden vastgesteld om voor een doelmatige toepassing van deze steunregeling te zorgen en te waarborgen dat de doelstellingen ervan worden bereikt;

(28) Overwegende dat in het in verband met beperkingen op het gebruik van landbouwgrond in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied, nodig kan zijn steun te verlenen aan de landbouwers om de specifieke problemen op te lossen die de desbetreffende beperkingen voor hen meebrengen;

(29) Overwegende dat de komende jaren aan de instrumenten op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw een voorname rol behoort te worden toebedeeld in de ondersteuning van de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden en in het voldoen aan de toenemende vraag van de samenleving naar dienstverlening op milieugebied;

(30) Overwegende dat de bestaande steun voor milieumaatregelen in de landbouw in het kader van Verordening (EEG) nr. 2078/92 dient te worden voortgezet voor gerichte milieumaatregelen met inachtneming van de bij de toepassing van die regeling opgedane ervaring zoals uitvoerig beschreven in het verslag dat de Commissie ter uitvoering van artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2078/92 heeft uitgebracht;

(31) Overwegende dat de steunregeling voor milieumaatregelen in de landbouw de landbouwers moet blijven stimuleren om de samenleving als geheel diensten te bewijzen door de introductie of verdere toepassing van landbouwmethoden die verenigbaar zijn met de toegenomen noodzaak van bescherming en verbetering van het milieu, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem, alsmede de genetische verscheidenheid en om het landschaps- en natuurbeheer in stand te houden;

(32) Overwegende dat verbeteringen van de verwerking en afzet van landbouwproducten dienen te worden bevorderd door investeringen daarin te ondersteunen;

(33) Overwegende dat dergelijke steun grotendeels kan worden gebaseerd op de bestaande voorwaarden zoals momenteel vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 951/97 van de Raad van 20 mei 1997 inzake de verbetering van de verwerking en de afzet van landbouwproducten(13);

(34) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat de betrokken investeringen levensvatbaar zijn en dat de landbouwers in de economische voordelen van de gevoerde actie delen;

(35) Overwegende dat de bosbouw een integrerend deel van de plattelandsontwikkeling uitmaakt en dat bosbouwmaatregelen bijgevolg in de steunregeling voor plattelandsontwikkeling dienen te worden opgenomen; dat de steun voor de bosbouw niet tot concurrentiedistorsies mag leiden en een neutraal effect op de markt moet hebben;

(36) Overwegende dat de bosbouwmaatregelen moeten worden vastgesteld in het licht van de verbintenissen die de Gemeenschap en de lidstaten op internationaal niveau hebben aangegaan, en gebaseerd dienen te zijn op de bosplannen van de lidstaten; dat bij deze maatregelen ook rekening moet worden gehouden met de specifieke problemen inzake klimaatverandering;

(37) Overwegende dat de bosbouwmaatregelen dienen te worden voortgezet met behoud van de uitgangspunten van de bestaande regelingen die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 1610/89 van de Raad van 29 mei 1989 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 4256/88 met betrekking tot de ontwikkeling en valorisatie van de bossen in de landelijke gebieden van de Gemeenschap(14) en bij Verordening (EEG) nr. 867/90 van de Raad van 29 maart 1990 betreffende de verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van bosbouwproducten(15);

(38) Overwegende dat de bebossing van landbouwgrond bijzonder belangrijk is uit het oogpunt van bodemgebruik en milieu en van de bijdrage die daardoor wordt geleverd aan een groter aanbod van bepaalde bosproducten; dat de bestaande bebossingssteun in het kader van Verordening (EEG) nr. 2080/92 derhalve dient te worden voortgezet met inachtneming van de bij de toepassing van die regeling opgedane ervaring zoals uitvoerig beschreven in het verslag dat de Commissie ter uitvoering van artikel 8, lid 3, van de genoemde verordening heeft uitgebracht;

(39) Overwegende dat betalingen dienen te worden toegekend voor de instandhouding en een beter ecologisch evenwicht van de bossen in bepaalde gebieden;

(40) Overwegende dat steun dient te worden verleend voor andere maatregelen die betrekking hebben op landbouwactiviteiten en de omschakeling daarvan; dat de lijst van deze maatregelen moet worden bepaald in het licht van de ervaring en met inachtneming van de noodzaak de plattelandsontwikkeling voor een deel op niet-agrarische activiteiten en diensten te baseren om de tendens naar economische en sociale achteruitgang en ontvolking van het platteland om te buigen; dat maatregelen om ongelijkheid tussen vrouwen en mannen weg te nemen en gelijke kansen voor hen te bevorderen dienen te worden ondersteund;

(41) Overwegende dat de consumenten steeds meer vragen naar landbouwproducten en levensmiddelen die op biologische wijze zijn geproduceerd; dat deze vraag een nieuwe markt voor landbouwproducten doet ontstaan; dat de biologische landbouw bijdraagt tot de duurzaamheid van het boerenbedrijf en dus ook tot de algemene doelstellingen van deze verordening; dat de specifieke maatregelen ter ondersteuning van de plattelandsontwikkeling betrekking kunnen hebben op de productie, de verwerking en de afzet van biologisch geproduceerde landbouwproducten;

(42) Overwegende dat de voor communautaire steun in aanmerking komende maatregelen voor plattelandsontwikkeling in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht moeten zijn en coherent dienen te zijn met de andere takken van communautair beleid en met de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

(43) Overwegende dat in het kader van deze verordening bepaalde maatregelen die in het kader van andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor steun in aanmerking komen, en met name de maatregelen die onder steunregelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen vallen, van steun dienen te worden uitgesloten, behoudens op objectieve grondslagen gebaseerde uitzonderingen;

(44) Overwegende dat, aangezien er in het kader van verscheidene gemeenschappelijke marktordeningen steunregelingen voor producentengroeperingen en unies daarvan bestaan, specifieke steunverlening aan producentengroeperingen in het kader van de plattelandsontwikkeling niet langer nodig is; dat daarom de bestaande steunregeling die is vervat in Verordening (EG) nr. 952/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen(16), niet hoeft te worden gehandhaafd;

(45) Overwegende dat de communautaire steun voor de begeleidende maatregelen en voor de andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling in de niet onder doelstelling 1 vallende gebieden moet worden gefinancierd uit de afdeling Garantie van het EOGFL; dat de financiële basisvoorschriften die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1260/1999, dienovereenkomstig zijn aangepast;

(46) Overwegende dat in de onder doelstelling 1 vallende gebieden de communautaire steun voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling verder uit de afdeling Oriëntatie van het EOGFL moet worden gefinancierd behalve wat de bestaande drie begeleidende maatregelen en de steun in probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied betreft;

(47) Overwegende dat ten aanzien van de steun voor de maatregelen voor plattelandsontwikkeling die onder de programmering voor doelstelling 1 of doelstelling 2 vallen, het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1260/1999 dient te gelden, vooral wat de geïntegreerde programmering van die maatregelen betreft; dat er echter in de financieringsvoorschriften rekening mee moet worden gehouden dat de maatregelen in de regio's van doelstelling 2 uit de afdeling Garantie worden gefinancierd;

(48) Overwegende dat de maatregelen voor plattelandsontwikkeling die niet onder de programmering voor doelstelling 1 of doelstelling 2 vallen, het voorwerp dienen te zijn van een programmering van de plattelandsontwikkeling volgens specifieke voorschriften; dat de bijstandspercentages voor deze maatregelen moeten worden gedifferentieerd volgens de algemene beginselen die zijn vastgesteld bij artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1260/1999, waarbij in voldoende mate rekening moet worden gehouden met de noodzaak van sociale en economische cohesie, en dat bijgevolg voor de bijstandspercentages in beginsel onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de onder doelstelling 1 of doelstelling 2 vallende gebieden, en anderzijds de overige gebieden; dat de bij deze verordening vastgestelde percentages maxima voor de communautaire bijstandsverlening zijn;

(49) Overwegende dat dient te worden voorzien in de mogelijkheid voor de Commissie om, ter aanvulling van de programma's voor plattelandsontwikkeling, op eigen initiatief te zorgen voor studies over plattelandsontwikkeling los van het initiatief voor plattelandsontwikkeling waarin is voorzien in de artikelen 19 en 20 van Verordening (EG) nr. 1260/1999;

(50) Overwegende dat passende voorschriften dienen te worden vastgesteld voor het toezicht op en de evaluatie van de steun voor plattelandsontwikkeling met gebruikmaking van welomschreven referentie-indicatoren die vóór de uitvoering van het programma worden overeengekomen en bepaald;

(51) Overwegende dat maatregelen voor plattelandsontwikkeling ook zonder communautaire medefinanciering in aanmerking behoren te komen voor steun van de lidstaat; dat, wegens het aanzienlijke economische effect van dergelijke steun, met het oog op coherentie met de voor communautaire steun in aanmerking komende maatregelen en ter vereenvoudiging van de procedures, specifieke staatssteunvoorschriften dienen te worden vastgesteld;

(52) Overwegende dat de mogelijkheid dient te worden geopend overgangsbepalingen vast te stellen om de overgang van de bestaande steunregelingen naar de nieuwe steunregeling voor plattelandsontwikkeling te vergemakkelijken;

(53) Overwegende dat de nieuwe steunregeling van onderhavige verordening in de plaats komt van bestaande steunregelingen, die derhalve moeten worden ingetrokken; dat dientengevolge de afwijking in de huidige regelingen ten behoeve van ultraperifere regio's en van de Egeïsche eilanden eveneens moet worden ingetrokken; dat bij de programmering van maatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling nieuwe regels zullen worden vastgesteld die voorzien in voldoende flexibiliteit, aanpassingen en afwijkingen om te voorzien in de specifieke noden van deze regio's,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

DRAAGWIJDTE EN DOELSTELLINGEN

Artikel 1

1. Bij deze verordening wordt het kader voor de door de Gemeenschap verleende steun voor duurzame plattelandsontwikkeling vastgesteld.

2. De maatregelen voor plattelandsontwikkeling begeleiden de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en vullen deze aan en dragen zo bij tot het bereiken van de in artikel 33 van het Verdrag vastgestelde doelstellingen.

3. De maatregelen voor plattelandsontwikkeling:

- worden geïntegreerd in de maatregelen ter bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand (doelstelling 1) en

- begeleiden de maatregelen ter ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van de gebieden met structurele moeilijkheden (doelstelling 2)

in de betrokken regio's, met inachtneming van de specifieke oogmerken van de communautaire steunverlening in het kader van de bovengenoemde doelstellingen zoals vastgesteld bij de artikelen 158 en 160 van het Verdrag en bij Verordening (EG) nr. 1260/1999, en overeenkomstig het bepaalde in de onderhavige verordening.

Artikel 2

De steun voor plattelandsontwikkeling dient verband te houden met landbouwactiviteiten en de omschakeling daarvan en kan betrekking hebben op:

- de verbetering van de structuur op de landbouwbedrijven en de structuur voor de verwerking en afzet van landbouwproducten,

- de omschakeling en heroriëntering van het agrarische productiepotentieel, de invoering van nieuwe technologieën en de verbetering van de productkwaliteit,

- het stimuleren van de productie van niet-voedingsgewassen,

- duurzame bosontwikkeling,

- diversificatie van de bedrijvigheid die erop is gericht aanvullende of alternatieve activiteiten te ontplooien,

- de instandhouding en versterking van een levensvatbare maatschappelijke structuur in de plattelandsgebieden,

- de ontwikkeling van economische bedrijvigheid en de instandhouding en het scheppen van werkgelegenheid om een betere benutting van het bestaande eigen potentieel te waarborgen,

- verbetering van de arbeids- en levensomstandigheden,

- de instandhouding en bevordering van weinig productiemiddelen vergende landbouwsystemen,

- de instandhouding en bevordering van een landbouw die een hoge natuurwaarde bezit, duurzaam is en aan de milieueisen voldoet,

- het wegnemen van de ongelijkheid tussen het bevorderen van gelijke kansen voor vrouwen en mannen, vooral door steun te verlenen voor projecten waartoe het initiatief wordt genomen en die worden uitgevoerd door vrouwen.

Artikel 3

Voor de in titel II omschreven maatregelen voor plattelandsontwikkeling wordt steun verleend op de aldaar vastgestelde voorwaarden.

TITEL II

MAATREGELEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING

HOOFDSTUK I

INVESTERINGEN IN LANDBOUWBEDRIJVEN

Artikel 4

De steun voor investeringen in landbouwbedrijven draagt bij tot de verbetering van de landbouwinkomens en van de levens-, arbeids- en productieomstandigheden.

Deze investeringen zijn gericht op één of meer van de volgende doelstellingen:

- verlaging van de productiekosten,

- verbetering en omschakeling van de productie,

- verhoging van de kwaliteit,

- instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen op het gebied van dierenwelzijn,

- bevordering van de diversificatie van landbouwactiviteiten.

Artikel 5

De investeringssteun wordt toegekend aan landbouwbedrijven:

- waarvoor kan worden aangetoond dat zij economisch levensvatbaar zijn,

- die voldoen aan minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn en

- waar de landbouwer over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid beschikt.

Artikel 6

Er wordt geen steun toegekend voor investeringen die zijn gericht op een productieverhoging waarvoor op de markt geen normale afzetmogelijkheden kunnen worden gevonden.

Artikel 7

De lidstaten stellen limieten vast voor het totale investeringsbedrag dat voor steun in aanmerking komt.

Het totale steunbedrag, uitgedrukt in procenten van het in aanmerking komende investeringsvolume, bedraagt maximaal 40 % en in probleemgebieden maximaal 50 %. Indien het gaat om investeringen door jonge boeren in de zin van hoofdstuk II, mogen deze percentages maximaal 45 % en in de probleemgebieden maximaal 55 % bedragen.

HOOFDSTUK II

VESTIGING VAN JONGE LANDBOUWERS

Artikel 8

1. Op de volgende voorwaarden wordt vestigingssteun verleend om de vestiging van jonge landbouwers te vergemakkelijken:

- de landbouwer is jonger dan 40 jaar,

- de landbouwer beschikt over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid,

- de landbouwer vestigt zich voor het eerst op een landbouwbedrijf waarvoor geldt dat

i) de economische levensvatbaarheid ervan kan worden aangetoond, en

ii) wordt voldaan aan de minimumnormen inzake milieu, hygiëne en dierenwelzijn,

en

- de landbouwer vestigt zich als bedrijfshoofd.

Er kunnen specifieke voorwaarden worden toegepast in het geval dat een jonge landbouwer zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt. Deze voorwaarden moeten gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor een jonge landbouwer die zich als enig bedrijfshoofd vestigt.

2. De vestigingssteun kan omvatten:

- een eenmalige premie tot het in de bijlage vermelde voor financiering in aanmerking komend maximumbedrag,

- een rentesubsidie voor leningen ter dekking van de met de vestiging gemoeide kosten; de gekapitaliseerde waarde van de rentesubsidie mag niet hoger zijn dan de waarde van de premie.

HOOFDSTUK III

OPLEIDING

Artikel 9

De steun voor beroepsopleiding draagt ertoe bij de vakbekwaamheid en deskundigheid te verbeteren van landbouwers en andere personen die betrokken zijn bij landbouwactiviteiten en bij bosbouwactiviteiten en de omschakeling daarvan.

De opleiding is er in het bijzonder op gericht:

- de landbouwers voor te bereiden op een kwalitatieve heroriëntering van de productie en op de toepassing van productiemethoden die verenigbaar zijn met landschapsbehoud en landschapsverbetering, milieubescherming, hygiënische normen en dierenwelzijn, alsmede hen de vaardigheden te laten verwerven die nodig zijn om hen in staat te stellen een economisch levensvatbaar landbouwbedrijf te beheren, en

- de boseigenaren en andere personen die bij bosbouwactiviteiten betrokken zijn, te bekwamen in de toepassing van bosbeheerpraktijken ter verbetering van de economische, de ecologische en/of de maatschappelijke functies van bossen.

HOOFDSTUK IV

VERVROEGDE UITTREDING

Artikel 10

1. De steun voor vervroegde uittreding uit de landbouw draagt bij tot:

- het verschaffen van een inkomen aan oudere landbouwers die besluiten hun landbouwactiviteit te beëindigen,

- het bevorderen van de vervanging van deze oudere landbouwers door landbouwers die indien nodig in staat zijn de economische levensvatbaarheid van de resterende landbouwbedrijven te verbeteren,

- de bestemming van landbouwgrond voor niet-agrarische doeleinden als het gaat om grond waarop landbouw niet onder bevredigende omstandigheden qua economische levensvatbaarheid kan worden beoefend.

2. De steunverlening bij vervroegde uittreding kan maatregelen behelzen om een inkomen te verschaffen aan werknemers in de landbouw.

Artikel 11

1. Een cedent:

- beëindigt definitief alle commerciële landbouwactiviteiten, maar mag doorgaan met niet-commerciële landbouw en verder de beschikking hebben over de gebouwen,

- is op het tijdstip van de overdracht ten minste 55 jaar oud zonder evenwel de normale pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt, en

- heeft in de aan de overdracht voorafgaande tien jaar de landbouw beoefend.

2. Een overnemer-landbouwer:

- volgt de cedent aan het hoofd van het landbouwbedrijf op of neemt de vrijgekomen grond geheel of gedeeltelijk over. De economische levensvatbaarheid van het bedrijf van de overnemer moet worden verbeterd binnen een termijn en met inachtneming van voorwaarden die nog moeten worden bepaald en die in het bijzonder betrekking hebben op de vakbekwaamheid en deskundigheid van de overnemer, de oppervlakte en de hoeveelheid werk of het inkomen, overeenkomstig de regio en het productietype,

- beschikt over voldoende vakbekwaamheid en deskundigheid, en

- verbindt zich ertoe om op het landbouwbedrijf gedurende ten minste vijf jaar de landbouw te beoefenen.

3. Een werknemer:

- beëindigt definitief alle werkzaamheden op landbouwbedrijven,

- is ten minste 55 jaar oud zonder evenwel de normale pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt,

- heeft in de voorafgaande vijf jaar ten minste de helft van zijn arbeidstijd als meewerkend gezinslid of werknemer in de landbouw aan werkzaamheden op landbouwbedrijven besteed,

- heeft in de vier jaar vóór de vervroegde uittreding van de cedent ten minste het equivalent van twee voltijdjaren op diens landbouwbedrijf gewerkt en

- valt onder een socialezekerheidsstelsel.

4. Een overnemer-niet-landbouwer kan elke andere persoon of instelling zijn die vrijgekomen grond voor niet-agrarische doeleinden, zoals bosbouw of de aanleg van ecologische reservaten, gebruikt op een wijze die verenigbaar is met de bescherming of verbetering van de kwaliteit van milieu en natuur.

5. De in dit artikel vastgestelde voorwaarden worden toegepast gedurende de gehele periode waarin de cedent steun voor vervroegde uittreding ontvangt.

Artikel 12

1. De maximumbedragen die voor communautaire steun in aanmerking komen, staan in de bijlage.

2. De steun bij vervroegde uittreding mag niet worden verleend gedurende meer dan in totaal 15 jaar voor de cedent en tien jaar voor een werknemer. De steun mag niet worden voortgezet nadat de cedent 75 jaar is geworden of de werknemer de normale pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

In de gevallen waarin aan een cedent door de lidstaat een normaal ouderdomspensioen wordt betaald, wordt de steun bij vervroegde uittreding toegekend als aanvulling met inachtneming van het bedrag van het nationale ouderdomspensioen.

HOOFDSTUK V

PROBLEEMGEBIEDEN EN GEBIEDEN MET SPECIFIEKE BEPERKINGEN OP MILIEUGEBIED

Artikel 13

De steun in probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied dient tot:

a) compensatie voor gebieden met natuurlijke handicaps, teneinde

- het verdere gebruik van landbouwgrond te waarborgen en zo bij te dragen tot de instandhouding van een levensvatbare plattelandsgemeenschap,

- de natuur in stand te houden,

- duurzame landbouwsystemen, waarin met name rekening wordt gehouden met milieubeschermingsbelangen, in stand te houden en te bevorderen;

b) compensatie voor gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied, teneinde

- aan de milieueisen te voldoen en de landbouw in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied veilig te stellen.

Artikel 14

1. De landbouwers in de probleemgebieden kunnen worden ondersteund door middel van compenserende vergoedingen.

2. De compenserende vergoedingen worden per hectare gebruikte landbouwgrond toegekend aan landbouwers die:

- de landbouw beoefenen op een nader te bepalen minimumoppervlakte grond,

- zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in een probleemgebied voort te zetten gedurende ten minste vijf jaar vanaf de eerste betaling van een compenserende vergoeding, en

- methoden gebruiken die als goede landbouwpraktijken in de gebruikelijke zin van het woord kunnen worden bestempeld en die verenigbaar zijn met de noodzaak het milieu te beschermen en de natuur te behouden, met name door duurzame landbouw te beoefenen.

3. Wanneer residuen van stoffen die ingevolge Richtlijn 96/22/EEG(17) verboden zijn of residuen van stoffen die ingevolge de genoemde richtlijn zijn toegestaan maar op illegale wijze zijn gebruikt, met toepassing van de relevante bepalingen van Richtlijn 96/23/EG(18) worden aangetroffen bij een dier dat behoort tot het rundveebeslag van een producent, dan wel wanneer een niet toegestane stof of een niet toegestaan product of een ingevolge de eerstgenoemde richtlijn toegestane stof of toegestaan product die/dat evenwel illegaal voorhanden is, in welke vorm ook op het bedrijf van een producent wordt aangetroffen, wordt de betrokken producent voor het kalenderjaar waarin een en ander is vastgesteld, uitgesloten van het ontvangen van compenserende vergoedingen.

In geval van recidive kan de uitsluitingsperiode naargelang van de ernst van de overtreding worden verlengd tot vijf jaar, te rekenen vanaf het jaar waarin de recidive is geconstateerd.

Indien de eigenaar of houder van de dieren zich verzet tegen de uitvoering van de inspecties en monsternemingen die voor de toepassing van de nationale programma's inzake toezicht op residuen nodig zijn, of tegen de onderzoekingen en controles die op grond van Richtlijn 96/23/EG worden verricht, gelden de in de eerste alinea bedoelde sancties.

Artikel 15

1. De compenserende vergoedingen worden vastgesteld op een niveau:

- dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen, en

- waarbij overcompensatie wordt voorkomen.

2. De compenserende vergoedingen worden op passende wijze gedifferentieerd met inachtneming van:

- de situatie en ontwikkelingsdoelstellingen die voor een regio kenmerkend zijn,

- de ernst van welke permanente natuurlijke belemmering voor landbouwactiviteiten dan ook,

- de specifieke milieuproblemen die in voorkomend geval moeten worden opgelost,

- het type productie op en in voorkomend geval de economische structuur van de bedrijven.

3. De compenserende vergoedingen worden vastgesteld op een niveau tussen het minimumbedrag en het maximumbedrag die in de bijlage zijn vastgesteld.

Compenserende vergoedingen die hoger zijn dan het maximumbedrag, mogen worden toegekend op voorwaarde dat het gemiddelde van alle op het betreffende programmeringsniveau toegekende compenserende vergoedingen dit maximumbedrag niet overschrijdt. In deugdelijk gemotiveerde objectieve omstandigheden mogen de lidstaten voor de berekening van het gemiddelde bedrag een combinatie van regionale programma's voorleggen.

Artikel 16

1. Landbouwers kunnen financiële compensatie krijgen voor kosten en inkomensverlies die zich in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied voordoen ten gevolge van de omzetting van op communautaire milieuvoorschriften gebaseerde beperkende maatregelen in de landbou, indien en voor zover deze compensatie nodig is om een oplossing te vinden voor de specifieke problemen die door deze voorschriften worden veroorzaakt.

2. Bij de bepaling van het compensatiebedrag wordt overcompensatie voorkomen, vooral wanneer het compensatie voor probleemgebieden betreft.

3. Het maximumbedrag dat voor communautaire steun in aanmerking komt, staat in de bijlage.

Artikel 17

De probleemgebieden omvatten:

- bergstreken (artikel 18),

- andere probleemgebieden (artikel 19), en

- gebieden die met specifieke belemmeringen te kampen hebben (artikel 20).

Artikel 18

1. Bergstreken zijn gebieden die worden gekenmerkt door in aanzienlijke mate beperkte mogelijkheden voor grondgebruik en veel hogere kosten van werkzaamheden als gevolg van:

- hetzij met de hoogteligging samenhangende zeer ongunstige klimatologische omstandigheden die de groeiperiode sterk bekorten,

- hetzij, op geringere hoogte, over het grootste gedeelte van de betrokken oppervlakte voorkomende hellingen die te steil zijn om er machines te kunnen gebruiken of die het gebruik van zeer duur speciaal materieel vereisen,

- hetzij een combinatie van deze twee factoren als elke factor afzonderlijk een minder groot nadeel oplevert, maar de combinatie een nadeel van vergelijkbare omvang veroorzaakt.

2. Gebieden ten noorden van 62° noorderbreedte en sommige aangrenzende gebieden worden op dezelfde wijze als bergstreken behandeld.

Artikel 19

Probleemgebieden waar vormen van grondgebied dreigen te worden opgegeven en natuurbeheer noodzakelijk is, bestaan uit landbouwgebieden die homogeen zijn wat de natuurlijke productieomstandigheden betreft en alle hierna genoemde kenmerken vertonen:

- de niet erg productieve grond in het gebied is moeilijk te bewerken, biedt slechts beperkte mogelijkheden die alleen tegen buitensporige kosten kunnen worden vergroot, en is voornamelijk geschikt voor extensieve veeteelt,

- de geringe productiviteit van het natuurlijke milieu leidt tot een productie die veel lager dan gemiddeld scoort wat de belangrijkste indicatoren van de economische prestaties in de landbouw betreft,

- de in overwegende mate van de landbouw afhankelijke bevolking is klein of neemt af en een versnelde vermindering ervan zou de levensvatbaarheid van het betrokken gebied en de verdere bewoning ervan in gevaar brengen.

Artikel 20

Tot de probleemgebieden kunnen andere gebieden behoren die te kampen hebben met specifieke belemmeringen en waar voortzetting van de landbouw, indien nodig op bepaalde voorwaarden, noodzakelijk is voor het behoud of de verbetering van het milieu, het natuurbeheer en de handhaving van de toeristische mogelijkheden van het gebied of voor de kustbescherming.

Artikel 21

De totale oppervlakte van de gebieden bedoeld in artikel 16 en 20 mag per lidstaat niet meer bedragen dan 10 % van de totale oppervlakte van de lidstaat in kwestie.

HOOFDSTUK VI

MILIEUMAATREGELEN IN DE LANDBOUW

Artikel 22

Door steunverlening voor landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op milieubescherming en natuurbeheer (milieumaatregelen in de landbouw), wordt ertoe bijgedragen de communautaire beleidsdoelstellingen op het gebied van landbouw en milieu te bereiken.

Deze steun wordt verleend ter bevordering van:

- wijzen van gebruik van landbouwgrond die verenigbaar zijn met de bescherming en verbetering van het milieu, het landschap en de kenmerkende elementen daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem en de genetische verscheidenheid,

- een voor het milieu gunstige extensivering van de landbouw, en beheer van niet erg intensieve graslandsystemen,

- de instandhouding van milieuvormen met een grote natuurwaarde waar landbouw wordt beoefend en die worden bedreigd,

- de instandhouding van landschapselementen en van historische elementen op landbouwgrond,

- de toepassing van milieuplanning bij de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 23

1. Steun wordt toegekend aan landbouwers die verbintenissen aangaan op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw die zij voor een periode van ten minste vijf jaar aangaan. Zo nodig wordt voor bepaalde typen verbintenissen een langere periode bepaald in verband met de milieueffecten van die verbintenissen.

2. De verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw moeten verder gaan dan de toepassing van de gebruikelijke goede landbouwmethoden.

Zij moeten betrekking hebben op dienstverlening waarin niet is voorzien in andere steunregelingen zoals die betreffende marktsteun of de compenserende vergoedingen.

Artikel 24

1. De steun voor verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw wordt jaarlijks toegekend en wordt berekend op basis van:

- de gederfde inkomsten,

- de extra kosten die met de verbintenis zijn gemoeid, en

- de noodzaak een stimulans te geven.

De kosten van niet-productieve investeringen die noodzakelijk zijn voor de nakoming van de verbintenissen, kunnen eveneens in aanmerking worden genomen bij de berekening van het niveau van de jaarlijkse steun.

2. De maximumbedragen per jaar die voor communautaire steunverlening in aanmerking komen, zijn vastgesteld in de bijlage. Deze bedragen hebben betrekking op de oppervlakte van het bedrijf waarvoor de verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw gelden.

HOOFDSTUK VII

VERBETERING VAN DE VERWERKING EN AFZET VAN LANDBOUWPRODUCTEN

Artikel 25

1. Er wordt investeringssteun toegekend om de verwerking en de afzet van landbouwproducten te verbeteren en te rationaliseren en er daardoor toe bij te dragen dat landbouwproducten beter kunnen concurreren en een hogere toegevoegde waarde hebben.

2. Deze steun draagt bij tot het bereiken van één of meer van de volgende doelstellingen:

- sturing van de productie in overeenstemming met de te verwachten marktontwikkeling of bevordering van de ontwikkeling van nieuwe afzetmogelijkheden voor landbouwproducten,

- verbetering of rationalisatie van de afzetkanalen of van de verwerkingsprocédés,

- verbetering van de wijze waarop producten worden aangeboden en verkoopklaar worden gemaakt, of bevordering van een betere benutting of verwijdering van bijproducten of afval,

- toepassing van nieuwe technologieën,

- bevordering van innovatieve investeringen,

- verbetering en bewaking van de kwaliteit,

- verbetering en bewaking van de omstandigheden op het gebied van gezondheid,

- milieubescherming.

Artikel 26

1. De steun wordt toegekend aan die personen die uiteindelijk de verantwoordelijkheid dragen voor de financiering van de investeringen in bedrijven

- waarvan de economische levensvatbaarheid kan worden aangetoond, en

- die voldoen aan de minimumnormen op het gebied van milieu, hygiëne en dierenwelzijn.

2. De investeringen moeten bijdragen tot de verbetering van de situatie van de betrokken sector van de agrarische basisproductie. Zij moeten de producenten van de betrokken basisproducten een passend aandeel in de eruit voortvloeiende economische voordelen waarborgen.

3. Er moet afdoende worden aangetoond dat er voor de betrokken producten normale afzetmogelijkheden op de markt kunnen worden gevonden.

Artikel 27

1. De investeringen hebben betrekking op de verwerking en afzet van de in bijlage I van het Verdrag opgenomen producten met uitzondering van visserijproducten.

2. De investeringen voldoen aan selectiecriteria waarin prioriteiten worden vastgesteld en wordt aangegeven welke soorten investeringen niet voor steun in aanmerking komen.

Artikel 28

1. De volgende investeringen worden van steunverlening uitgesloten:

- investeringen op het niveau van de detailhandel,

- investeringen in de verwerking of afzet van producten uit derde landen.

2. Het totale steunbedrag, uitgedrukt in procenten van het in aanmerking komende investeringsvolume, bedraagt maximaal

a) 50 % in de regio's van doelstelling 1;

b) 40 % in de overige regio's.

HOOFDSTUK VIII

BOSBOUW

Artikel 29

1. De steun voor de bosbouw draagt bij tot de instandhouding en de ontwikkeling van de economische, ecologische en maatschappelijke functies van bossen in plattelandsgebieden.

2. Deze steun draagt in het bijzonder bij tot het bereiken van één of meer van de volgende doelstellingen:

- duurzaam beheer van de bossen en duurzame ontwikkeling van de bosbouw,

- onderhoud en verbetering van de bosrijkdommen,

- de uitbreiding van de oppervlakten bos.

3. Deze steun wordt slechts verleend voor bossen en gronden die eigendom zijn van particuliere personen of verenigingen daarvan, of van gemeenten of verenigingen daarvan. Deze beperking geldt niet voor de in artikel 30, lid 1, zesde streepje, bedoelde maatregelen.

4. Deze steun draagt bij tot de nakoming van de verbintenissen die de Gemeenschap en de lidstaten op internationaal niveau zijn aangegaan. Deze steun wordt gebaseerd op de nationale of subnationale bosplannen of gelijkwaardige instrumenten waarin rekening wordt gehouden met de verbintenissen die zijn aangegaan tijdens de ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa.

5. Krachtens deze verordening voorgestelde maatregelen in gebieden die bij Verordening (EEG) nr. 2158/92(19) zijn ingedeeld bij de klasse zeer brandgevaarlijk of middelmatig brandgevaarlijk, moeten in overeenstemming zijn met de krachtens Verordening (EEG) nr. 2158/92 door de lidstaten ingediende plannen voor de bescherming van de bossen.

Artikel 30

1. De steun voor de bosbouw heeft betrekking op één of meer van de volgende maatregelen:

- bebossing van daarvoor niet krachtens artikel 31 in aanmerking komende grond, mits de betreffende aanplant is aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en verenigbaar is met het milieu;

- investeringen in bossen, in het bijzonder om de economische, ecologische of maatschappelijke waarde van die bossen te vergroten,

- investeringen om de oogst, verwerking en afzet van bosproducten te verbeteren en te rationaliseren; voor investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof geldt een beperking tot alle handelingen die aan industriële verwerking voorafgaan,

- de bevordering van nieuwe afzet- en gebruiksmogelijkheden voor bosbouwproducten,

- de instelling van verenigingen van boseigenaren, opgericht om de leden van die verenigingen te helpen bij een duurzamer en doelmatiger beheer van hun bossen,

- het herstel van het productiepotentieel van bossen die door een natuurramp of brand zijn beschadigd, en het treffen van passende preventieve voorzieningen.

2. De bepalingen van de hoofdstukken I en VII, met uitzondering van artikel 7, tweede alinea, zijn al naargelang het geval, van toepassing op investeringssteun.

Artikel 31

1. Er wordt steun toegekend voor de bebossing van landbouwgrond, mits de aanplant is aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en verenigbaar is met het milieu.

Behalve uit steun ter dekking van de aanplantkosten kan deze steun tevens bestaan uit:

- een jaarlijkse premie per beboste hectare ter dekking van de onderhoudskosten gedurende een periode van maximaal vijf jaar,

- een jaarlijkse premie per hectare ter dekking van de door de bebossing gederfde inkomsten gedurende een periode van maximaal 20 jaar voor de landbouwers of verenigingen van landbouwers die de grond vóór de bebossing ervan bewerkten, of voor welke andere privaatrechtelijke persoon ook.

2. Steun voor de bebossing van landbouwgrond door de overheidsinstanties wordt alleen toegekend ter dekking van de aanlegkosten.

3. Er wordt geen steun voor de bebossing van landbouwgrond toegekend:

- aan landbouwers die steun voor vervroegde uittreding ontvangen,

- voor de aanplant van kerstbomen.

In het geval van snelgroeiende soorten met korte omlooptijd wordt de steun voor bebossing alleen toegekend ter dekking van aanplantkosten.

4. De voor communautaire steunverlening in aanmerking komende maximumbedragen per jaar van de jaarlijkse premie ter dekking van gederfde inkomsten zijn vastgesteld in de bijlage.

Artikel 32

1. Met het oog op:

- De handhaving en verbetering van de ecologische stabiliteit van bossen in gebieden waar de door de betrokken bossen vervulde beschermde en ecologische rol het openbaar belang dient en de kosten van maatregelen voor het behoud en de verbetering van de bossen de inkomsten uit exploitatie overtreffen, of

- de instandhouding van brandstroken door middel van landbouwmaatregelen,

worden betalingen toegekend voor maatregelen die de begunstigden in verband daarmee hebben genomen, op voorwaarde dat de beschermende en ecologische rol van deze bossen op duurzame wijze wordt verzekerd en de uit te voeren maatregelen contractueel worden vastgelegd, waarbij de kosten ervan worden gespecificeerd.

2. De betalingen worden vastgesteld op een niveau tussen het minimumbedrag en het maximumbedrag die in de bijlage zijn vastgesteld, op basis van de werkelijke kosten van de genomen maatregelen, zoals die in de eerder genoemde contractuele overeenkomst zijn vastgelegd.

HOOFDSTUK IX

BEVORDERING VAN DE AANPASSING EN DE ONTWIKKELING VAN PLATTELANDSGEBIEDEN

Artikel 33

Er wordt steun verleend voor met landbouwactiviteiten en de omschakeling daarvan en met plattelandsactiviteiten verband houdende maatregelen die buiten de werkingssfeer van de overige in deze titel bedoelde maatregelen vallen.

Deze maatregelen hebben betrekking op:

- grondverbetering,

- herverkaveling,

- de oprichting van bedrijfsverzorgingsdiensten en diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer voor de landbouw,

- de afzet van kwaliteitslandbouwproducten,

- dienstverlenende instanties voor de basiszorg voor de plattelandseconomie en -bevolking,

- dorpsvernieuwing en -ontwikkeling en de bescherming en instandhouding van het landelijke erfgoed,

- de diversificatie van de bedrijvigheid in de landbouw en in verwante activiteiten, gericht op het combineren van verscheidene activiteiten of het aanboren van alternatieve inkomstenbronnen,

- het waterbeheer in de landbouw,

- de ontwikkeling en verbetering van de met de ontwikkeling van de landbouw samenhangende infrastructuur,

- de bevordering van toeristische en ambachtelijke activiteiten,

- milieubehoud in samenhang met land- en bosbouw en landschapsbeheer, en met verbetering van het welzijn van dieren,

- het herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel en het treffen van passende preventieve voorzieningen,

- financiële instrumentering.

HOOFDSTUK X

UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 34

Uitvoeringsbepalingen van deze titel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

In deze uitvoeringsbepalingen kunnen met name worden vastgesteld:

- voorwaarden voor de steun voor investeringen in landbouwbedrijven (artikelen 4 tot en met 7) inclusief de noodzakelijke beperkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 6,

- de termijn voor en de voorwaarden inzake de verbetering van de economische levensvatbaarheid van een landbouwbedrijf en voorwaarden inzake het gebruik van vrijgekomen grond in geval van vervroegde uittreding (artikel 11, lid 2),

- voorwaarden inzake de toekenning en de berekening van de compenserende vergoedingen in probleemgebieden, ook bij gezamenlijke exploitatie van landbouwgronden (artikelen 14 en 15), en de compenserende betalingen in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied (artikel 16),

- voorwaarden inzake de verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw (artikelen 23 en 24),

- selectiecriteria voor investeringen ter verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten (artikel 27, lid 2),

- voorwaarden inzake bosbouwmaatregelen (hoofdstuk VIII).

Volgens dezelfde procedure kan de Commissie voor de ultraperifere regio's afwijken van het bepaalde in artikel 28, tweede streepje, op voorwaarde dat de verwerkte producten bestemd zijn voor de markt van de betrokken regio.

TITEL III

ALGEMENE BEGINSELEN, ADMINISTRATIEVE EN FINANCIËLE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEGINSELEN

Afdeling I

Steun uit het EOGFL

Artikel 35

1. De communautaire steun voor vervroegde uittreding (artikelen 10 tot en met 12), probleemgebieden en gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied (artikelen 13 tot en met 21), milieumaatregelen in de landbouw (artikel 22 tot en met 24) en bebossing (artikel 31) wordt in de hele Gemeenschap gefinancierd uit de afdeling Garantie van het EOGFL.

2. De communautaire steun voor de andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling

- wordt in de gebieden van doelstelling 1 gefinancierd uit de afdeling Oriëntatie van het EOGFL,

- wordt in de niet onder doelstelling 1 vallende gebieden gefinancierd uit de afdeling Garantie van het EOGFL.

3. De steun voor de in artikel 33, zesde, zevende en negende streepje, bedoelde maatregelen wordt in de onder doelstelling 1 of doelstelling 2 vallende gebieden en in gebieden in een overgangssituatie gefinancierd uit het EOGFL voor zover niet is voorzien in financiering ervan uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Artikel 36

1. Ten aanzien van de steun voor de in artikel 35, lid 2, bedoelde maatregelen voor plattelandsontwikkeling geldt

- in de gebieden van doelstelling 1 Verordening (EG) nr. 1260/1999 zoals aangevuld door de in de onderhavige verordening opgenomen specifieke bepalingen,

- in de gebieden van doelstelling 2 Verordening (EG) nr. 1260/1999 zoals aangevuld door de in de onderhavige verordening opgenomen specifieke bepalingen, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

2. Ten aanzien van de uit de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde steun voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling gelden de specifieke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999(20) en de ter uitvoering van die verordening vastgestelde bepalingen, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Afdeling II

Verenigbaarheid en coherentie

Artikel 37

1. De steun voor plattelandsontwikkeling wordt uitsluitend toegekend voor maatregelen die in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht.

2. Deze maatregelen moeten coherent zijn met de andere takken van communautair beleid en met de in het kader van die beleidstakken ten uitvoer gelegde maatregelen.

Met name kan elke maatregel die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, slechts dan voor steun in het kader van andere communautaire steunregelingen in aanmerking komen, als die maatregel niet onverenigbaar is met welke in deze verordening vastgestelde specifieke voorwaarde ook.

3. Ook de coherentie met de maatregelen die ten uitvoer worden gelegd in het kader van de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet zijn gewaarborgd. Met name dient zorg te worden gedragen voor de coherentie tussen enerzijds de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling, en anderzijds de maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen en de maatregelen inzake de kwaliteit van landbouwproducten en de gezondheid, alsmede de verschillende steunregelingen voor plattelandsontwikkeling.

Hiertoe kan in het kader van deze verordening geen steun worden toegekend voor:

- maatregelen die binnen de werkingssfeer van steunregelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen vallen, behoudens de op objectieve criteria berustende uitzonderingen die op grond van artikel 50 kunnen worden vastgesteld;

- maatregelen om onderzoekprojecten te ondersteunen, promotieactiviteiten voor landbouwproducten te ontplooien of dierziekten uit te roeien.

4. De lidstaten kunnen verdere of restrictievere voorwaarden voor de toekenning van communautaire steun voor plattelandsontwikkeling vaststellen, mits die voorwaarden coherent zijn met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en eisen.

Artikel 38

1. Voor dezelfde maatregel kan niet tegelijk steun in het kader van deze verordening en steun in het kader van welke andere communautaire steunregeling dan ook worden verleend.

2. Steunbedragen voor verscheidene maatregelen in het kader van deze verordening kunnen slechts dan worden gecombineerd als die maatregelen onderling coherent en verenigbaar zijn. Zo nodig wordt het steunniveau aangepast.

Artikel 39

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling voor de verenigbaarheid en coherentie van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling te zorgen.

2. De door de lidstaten ingediende plannen voor plattelandsontwikkeling houden een beoordeling in van de verenigbaarheid en coherentie van de voorgenomen steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling en een opgave van de met het oog op die verenigbaarheid en coherentie getroffen maatregelen.

3. Als dat voor de verenigbaarheid en coherentie nodig is, worden de steunmaatregelen later herzien.

HOOFDSTUK II

PROGRAMMERING

Artikel 40

1. De uit de afdeling Oriëntatie van het EOGFL gefinancierde maatregelen voor plattelandsontwikkeling maken deel uit van de programmering voor de regio's van doelstelling 1 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1260/1999.

2. De andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling dan die welke in artikel 35, lid 1, worden bedoeld, kunnen deel uitmaken van de programmering voor de regio's van doelstelling 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1260/1999.

3. De overige maatregelen voor plattelandsontwikkeling die niet overeenkomstig de leden 1 en 2 deel uitmaken van de programmering zijn het voorwerp van een programmering van de plattelandsontwikkeling overeenkomstig de artikelen 41 tot en met 44.

4. Voor passende maatregelen voor de plattelandsontwikkeling mogen de lidstaten ook ter goedkeuring algemene bepalingen voorleggen die overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 onder de programmering vallen, voorzover dit te verenigen is met de handhaving van uniforme voorwaarden.

Artikel 41

1. De plannen voor plattelandsontwikkeling worden opgesteld op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht. Zij worden uitgewerkt door de bevoegde autoriteiten die door de lidstaat zijn aangewezen, en worden door de lidstaat bij de Commissie ingediend na raadpleging van de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende territoriale niveau.

2. De in een en hetzelfde gebied toe te passen steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling worden in een enkel plan geïntegreerd telkens wanneer dat mogelijk is. Telkens wanneer het noodzakelijk is verscheidene plannen vast te stellen, wordt de onderlinge verhouding tussen de in die plannen beoogde maatregelen aangegeven en wordt zorg gedragen voor de verenigbaarheid en coherentie ervan.

Artikel 42

De plannen voor plattelandsontwikkeling bestrijken een periode van zeven jaar, die ingaat op 1 januari 2000.

Artikel 43

1. De plannen voor plattelandsontwikkeling bevatten:

- een gekwantificeerde beschrijving van de bestaande situatie waarin aandacht wordt besteed aan de verschillen, achterstanden en ontwikkelingsmogelijkheden, en een overzicht van de in de voorgaande programmeringsperiode aangewende financiële middelen en van de voornaamste resultaten van de in die periode ondernomen acties, mede op basis van de beschikbare evaluatieresultaten,

- een beschrijving van de voorgestelde strategie, de gekwantificeerde doelstellingen van die strategie, de gekozen prioriteiten inzake plattelandsontwikkeling en het bestreken geografische gebied,

- een beoordeling waarin wordt aangegeven welke economische, milieu- en sociale effecten, met inbegrip van de werkgelegenheidseffecten, worden verwacht,

- een indicatieve algemene financiële tabel waarin voor elke in het kader van het plan voorgestelde prioriteit inzake plattelandsontwikkeling een samenvattend overzicht wordt gegeven van de uit te trekken nationale en communautaire financiële middelen en, wanneer het plan betrekking heeft op plattelandsgebieden van doelstelling 2, de indicatieve bedragen van maatregelen voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van artikel 33 in deze gebieden,

- een beschrijving van de maatregelen die voor de uitvoering van de plannen worden overwogen, en in het bijzonder van de steunregelingen, met inbegrip van de elementen die nodig zijn voor de beoordeling in het licht van de mededingingsregels,

- in voorkomend geval, informatie over de behoeften op het gebied van studies, demonstratieprojecten, opleiding of technische bijstand met betrekking tot de voorbereiding, uitvoering of aanpassing van de betrokken maatregelen,

- de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en verantwoordelijke instanties,

- de regelingen om voor een doeltreffende en correcte tenuitvoerlegging van de plannen te zorgen, met inbegrip van de regelingen inzake toezicht en evaluatie waarin gekwantificeerde indicatoren voor de evaluatie zijn bepaald, de controle- en sanctieregelingen en de regelingen om voor passende publiciteit te zorgen,

- de resultaten van het overleg dat is gepleegd en de nodige informatie over de betrokken autoriteiten en instanties en de economische en sociale partners op de passende niveaus.

2. De lidstaten moeten in hun plannen

- milieumaatregelen in de landbouw opnemen voor hun hele grondgebied in overeenstemming met hun specifieke behoeften,

- het nodige evenwicht tussen de verschillende steunmaatregelen in acht nemen.

Artikel 44

1. De plannen voor plattelandsontwikkeling worden binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening ingediend.

2. De Commissie beoordeelt de voorgestelde plannen om uit te maken of zij stroken met deze verordening. Op basis van de plannen keurt de Commissie binnen zes maanden na de indiening ervan volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 programmeringsdocumenten voor plattelandsontwikkeling goed.

HOOFDSTUK III

AANVULLENDE MAATREGELEN EN INITIATIEF VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 45

1. Overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 kan de Commissie volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van die verordening besluiten de bijstandsverlening uit de afdeling Oriëntatie van het EOGFL een ruimere werkingssfeer te geven dan die welke is vastgesteld in artikel 35, lid 2, van de onderhavige verordening en de financiering van maatregelen die op grond van de Verordeningen (EG) nr. 1262/1999(21), (EG) nr. 1261/1999(22) en (EG) nr. 1263/1999(23)van de Raad kunnen worden gefinancierd, teneinde uitvoering te geven aan alle maatregelen van het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling.

2. Op initiatief van de Commissie kunnen uit de afdeling Garantie van het EOGFL studies met betrekking tot de programmering van de plattelandsontwikkeling worden gefinancierd.

HOOFDSTUK IV

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 46

1. De communautaire steun voor plattelandsontwikkeling uit de afdeling Garantie van het EOGFL is het voorwerp van een financiële planning en een boekhouding op jaarbasis. De financiële planning maakt deel uit van de programmering van de plattelandsontwikkeling (artikel 40, lid 3) of van de programmering voor doelstelling 2.

2. De Commissie verricht aanvankelijke toewijzingen aan de lidstaten, uitgesplitst op jaarbasis, aan de hand van objectieve criteria, daarbij in het bijzonder rekening houdend met specifieke situaties en behoeften en met bijzondere inspanningen die moeten worden geleverd, vooral op het gebied van het milieu, het scheppen van arbeidsplaatsen en het landschapsonderhoud.

3. De aanvankelijke toewijzingen worden aangepast in het licht van de werkelijke uitgaven en op basis van herziene uitgavenramingen die de lidstaten met inachtneming van de doelstellingen van de programma's indienen, voorzover de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn; de aanpassing dient in de regel coherent te zijn met de steunintensiteit voor de onder doelstelling 2 vallende plattelandszones.

Artikel 47

1. De financiële bepalingen die zijn vastgesteld bij artikel 31, artikel 32 met uitzondering van het bepaalde in lid 1, vijfde alinea, en de artikelen 34, 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999, zijn niet van toepassing op de steun voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling die verband houden met doelstelling 2.

De Commissie onderneemt de voor een doelmatige en coherente tenuitvoerlegging van die maatregelen benodigde actie, die er ten minste toe moet leiden dat wordt voldaan aan dezelfde normen als die welke zijn aangelegd in de in de eerste alinea genoemde bepalingen, met inbegrip van het beginsel van een enkele beheersautoriteit.

2. Voor de maatregelen die vallen onder de programmering van de plattelandsontwikkeling neemt de Gemeenschap in de financiering deel overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

In dit verband:

- beloopt de bijdrage van de Gemeenschap in de gebieden die niet onder doelstelling 1 of doelstelling 2 vallen, maximaal 50 % van de totale subsidiabele kosten en in de regel minimaal 25 % van de subsidiabele overheidsuitgaven,

- gelden voor inkomsten genererende investeringen de steunpercentages die zijn vastgesteld bij artikel 29, lid 4, onder a), punten ii) en iii), en onder b), punten ii) en iii), van Verordening (EG) nr. 1260/1999. Land- en bosbouwbedrijven en ondernemingen die land- en bosbouwproducten verwerken en afzetten, gelden als onderneming in de zin van artikel 29, lid 4, onder b), punt iii),

- bedraagt het medefinancieringspercentage van de Gemeenschap bij de programmering van maatregelen overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van deze verordening, 75 % in de gebieden van doelstelling 1, en 50 % in de overige gebieden.

Het bepaalde in artikel 32, lid 1, vijfde alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 is op de betrokken betalingen van toepassing.

3. De financiële bijstand uit de afdeling Garantie van het EOGFL kan worden overgemaakt in de vorm van voorschotten voor de tenuitvoerlegging van programma's en van betalingen terzake van gedane uitgaven.

HOOFDSTUK V

TOEZICHT EN EVALUATIE

Artikel 48

1. De Commissie en de lidstaten dragen zorg voor een doeltreffend toezicht op de tenuitvoerlegging van de programmering van de plattelandsontwikkeling.

2. Dit toezicht wordt uitgeoefend volgens gezamenlijk overeengekomen procedures.

Het toezicht vindt plaats aan de hand van specifieke fysieke en financiële indicatoren die van tevoren zijn overeengekomen en vastgesteld.

De lidstaten dienen jaarlijkse voortgangsverslagen in bij de Commissie.

3. Zo nodig worden toezichtcomités opgericht.

Artikel 49

1. De maatregelen die vallen onder de programmering van de plattelandsontwikkeling, worden geëvalueerd op basis van de beginselen die zijn vastgesteld in de artikelen 40 tot en met 43 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

2. Het EOGFL, afdeling Garantie, kan, binnen het kader van de aan de programma's toegekende financiele middelen, deelnemen aan de financiering van evaluaties inzake de plattelandsontwikkeling in de lidstaten. Het EOGFL, afdeling Garantie, kan eveneens op instigatie van de Commissie evaluaties op communautair niveau financieren.

HOOFDSTUK VI

UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 50

De uitvoeringsbepalingen van deze titel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

In deze uitvoeringsbepalingen kunnen met name nadere voorschriften worden vastgesteld voor:

- de indiening van de plannen voor plattelandsontwikkeling (artikelen 41 tot en met 44),

- de herziening van de programmeringsdocumenten voor plattelandsontwikkeling,

- de financiële planning, in het bijzonder met het oog op handhaving van de begrotingsdiscipline (artikel 46), en de deelneming in de financiering (artikel 47, lid 2),

- het toezicht en de evaluatie (artikelen 48 en 49),

- het waarborgen van de coherentie tussen de maatregelen voor plattelandsontwikkeling en de steunmaatregelen in het kader van gemeenschappelijke marktordeningen (artikel 37).

TITEL IV

STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN

Artikel 51

1. Tenzij in deze titel anders is bepaald, zijn de artikelen 87 tot en met 89 van het Verdrag van toepassing voor steun die door de lidstaten wordt verleend voor maatregelen ter ondersteuning van plattelandsontwikkeling.

De artikelen 87 tot en met 89 van het Verdrag zijn evenwel niet van toepassing op de financiële bijdragen die de lidstaten binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag en overeenkomstig deze verordening leveren voor door de Gemeenschap ondersteunde maatregelen.

2. Investeringssteun voor landbouwbedrijven die de in artikel 7 genoemde percentages overschrijdt, is verboden.

Dit geldt niet voor steun voor

- investeringen die overwegend het openbaar belang dienen in verband met het behoud van het traditionele landschap dat door land- en bosbouw tot stand is gekomen, dan wel de verplaatsing van bedrijfsgebouwen,

- investeringen ten behoeve van milieuverbetering en -bescherming,

- investeringen ter verbetering van de hygiënische omstandigheden in de veehouderij en met het oog op het welzijn van dieren.

3. Steunmaatregelen van de staten die ter compensering van natuurlijke handicaps aan landbouwers in probleemgebieden worden toegekend, zijn verboden indien zij niet voldoen aan de in de artikelen 14 en 15 genoemde eisen.

4. Steunmaatregelen van de staten die ertoe strekken landbouwers te steunen in verband met door hen aangegane verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw, maar niet voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 vastgestelde voorwaarden, zijn verboden. Er kan echter aanvullende steun boven de in artikel 22, lid 2, bedoelde maximumbedragen worden toegekend, indien deze op grond van lid 1 van dat artikel gerechtvaardigd is. In met redenen omklede uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de minimale duur van dergelijke verbintenissen overeenkomstig artikel 23, lid 1.

Artikel 52

Binnen de werkingssfeer van artikel 36 van het Verdrag vallende steunmaatregelen van de staten die tot doel hebben te voorzien in aanvullende financiering voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling waarvoor communautaire steun wordt verleend, worden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening door de lidstaten gemeld en door de Commissie goedgekeurd als onderdeel van de in artikel 40 bedoelde programmering. Op de aldus gemelde steunmaatregelen is het bepaalde in artikel 93, lid 3, eerste zin, van het Verdrag niet van toepassing.

TITEL V

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 53

1. Mochten specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang van de geldende regeling naar de bij deze verordening vastgestelde regeling te vergemakkelijken, dan worden die maatregelen door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

2. Dergelijke maatregelen worden met name vastgesteld om bestaande communautaire steunacties die de Commissie voor een na 1 januari 2000 eindigende periode of zonder beperking in de tijd heeft goedgekeurd, te integreren in de steun voor plattelandsontwikkeling waarin deze verordening voorziet.

Artikel 54

1. Artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 1696/71 van de Raad van 26 juli 1971 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector hop(24) wordt vervangen door:

"Artikel 17

1. De bepalingen betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van de in deze verordening bedoelde regeling van toepassing op de markt van de in artikel 1, lid 1, bedoelde producten.

2. De in artikel 8 bedoelde steun wordt door de Gemeenschap medegefinancierd.

3. De lidstaten keren de in artikel 12 bedoelde steun aan de producenten uit tussen 16 oktober en 31 december van het verkoopseizoen waarvoor de steunaanvraag is ingediend.

4. De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van dit artikel vast volgens de procedure van artikel 20.".

2. Artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen(25) wordt vervangen door:

"Artikel 6

1. De lidstaten kennen telersverenigingen gedurende vijf jaar na de datum van hun erkenning steun toe om de oprichting van dergelijke verenigingen te bevorderen en hun administratieve werking te vergemakkelijken.

2. Deze steun:

- bedraagt respectievelijk voor het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar ten hoogste 5 %, 5 %, 4 %, 3 % en 2 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie waarop de werkzaamheden van de telersvereniging betrekking hebben,

- mag niet hoger zijn dan de werkelijke kosten van de oprichting en de administratieve werking van de betrokken vereniging,

- wordt uitgekeerd in jaarlijkse tranches, gedurende ten hoogste een periode van zeven jaar na de datum van erkenning.

Voor elk jaar wordt de waarde van de productie berekend op basis van:

- de jaarlijks werkelijk in de handel gebrachte hoeveelheden,

- de verkregen gemiddelde producentenprijzen.

3. Telersverenigingen die zijn ontstaan uit verenigingen die reeds grotendeels voldoen aan de eisen van deze verordening, komen slechts voor de in dit artikel bedoelde steun in aanmerking wanneer zij zijn ontstaan door een fusie die het mogelijk maakt de in artikel 5 bedoelde doelstellingen beter te bereiken. In dit geval wordt de steun evenwel slechts toegekend naar rato van de kosten in verband met de oprichting (kosten voor de voorbereidende werkzaamheden en de opstelling van de oprichtingsakte en de statuten).

4. De in dit artikel bedoelde steunmaatregelen worden ter kennis van de Commissie gebracht door middel van een verslag dat de lidstaten haar aan het einde van elk begrotingsjaar toezenden.."

3. Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit(26) wordt als volgt gewijzigd:

a) Artikel 15, lid 6, wordt vervangen door:

"6. In die regio's van de Gemeenschap waar de telers bijzonder zwak georganiseerd zijn, kunnen de lidstaten, op grond van een naar behoren gemotiveerd verzoek, toestemming krijgen om de telersverenigingen nationale financiële steun toe te kennen voor een bedrag van ten hoogste de helft van de financiële bijdragen van de telers. Die steun komt bovenop het actiefonds.

In de lidstaten waar minder dan 15 % van de productie van groenten en fruit door telersverenigingen in de handel wordt gebracht en waar de productie van groenten en fruit minstens 15 % van de totale landbouwproductie bedraagt, kan de in de eerste alinea bedoelde steun op verzoek van de betrokken lidstaat gedeeltelijk door de Gemeenschap worden vergoed.";

b) artikel 52 wordt vervangen door:

"Artikel 52

1. De uitgaven in verband met de betaling van de communautaire ophoudvergoeding en de financiering van het actiefonds door de Gemeenschap, de in de artikelen 17, 53, 54 en 55 bedoelde specifieke maatregelen en de controles door de deskundigen van de lidstaten die ter toepassing van artikel 40, lid 1, bij de Commissie zijn gedetacheerd, worden beschouwd als interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1257/1999(27).

2. De uitgaven in verband met de door de lidstaten overeenkomstig artikel 14 en artikel 15, lid 6, tweede alinea, toegekende steun worden beschouwd als interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1257/1999. Zij komen in aanmerking voor medefinanciering door de Gemeenschap.

3. De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van lid 2 van dit artikel vast volgens de procedure van artikel 46.

4. Het bepaalde in titel VI geldt onverminderd de tenuitvoerlegging van Verordening (EEG) nr. 4045/89 van de Raad van 21 december 1989 inzake de door de lidstaten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en houdende intrekking van Richtlijn 77/435/EEG(28).".

Artikel 55

1. De volgende verordeningen worden ingetrokken:

- Verordening (EEG) nr. 4256/88,

- de Verordeningen (EG) nr. 950/97, (EG) nr. 951/97, (EG) nr. 952/97 en (EEG) nr. 867/90,

- de Verordeningen (EEG) nr. 2078/92, (EEG) nr. 2079/92 en (EEG) nr. 2080/92,

- Verordening (EEG) nr. 1610/89.

2. De volgende bepalingen worden geschrapt:

- artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 3763/91(29),

- artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 1600/92(30),

- artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 1601/92(31),

- artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2019/93(32).

3. De bij lid 1 ingetrokken verordeningen en de bij lid 2 geschrapte bepalingen blijven van toepassing voor de acties die de Commissie vóór 1 januari 2000 in het kader van die verordeningen heeft goedgekeurd.

4. De richtlijnen van de Raad en de Commissie tot vaststelling of wijziging van de lijsten van de probleemgebieden overeenkomstig artikel 21, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 950/97 blijven van kracht tenzij zij in het kader van de programma's verder worden gewijzigd.

Artikel 56

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met betrekking tot communautaire steun vanaf 1 januari 2000.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 1999.

Voor de Raad

De voorzitter

K.-H. FUNKE

(1) PB C 170 van 4.6.1998, blz. 7.

(2) Advies uitgebracht op 6.5.1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB C 407 van 28.12.1998, blz. 210.

(4) PB C 93 van 6.4.1999, blz. 1.

(5) PB C 401 van 22.12.1998, blz. 3.

(6) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(7) PB L 185 van 15.7.1988, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94 (PB L 337 van 24.12.1994, blz. 11).

(8) PB L 374 van 31.12.1988, blz. 25. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2085/93 (PB L 193 van 31.7.1993, blz. 44).

(9) PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2272/95 van de Commissie (PB L 288 van 1.12.1995, blz. 35). Verordening gerectificeerd bij Verordening (EG) nr. 1962/96 van de Commissie (PB L 259 van 12.10.1996, blz. 7).

(10) PB L 215 van 30.7.1992, blz. 91. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2773/95 van de Commissie (PB L 288 van 1.12.1995, blz. 37).

(11) PB L 215 van 30.7.1992, blz. 96. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 231/96 van de Commissie (PB L 30 van 8.2.1996, blz. 33).

(12) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2331/98 (PB L 291 van 30.10.1998, blz. 10).

(13) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 22.

(14) PB L 165 van 15.6.1989, blz. 3.

(15) PB L 91 van 6.4.1990, blz. 7.

(16) PB L 142 van 2.6.1997, blz. 30.

(17) PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3.

(18) PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(19) PB L 217 van 31.7.1992, blz. 3. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 308/97 (PB L 51 van 21.2.1997, blz. 2).

(20) Zie bladzijde 103 van dit Publicatieblad.

(21) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 48.

(22) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 43.

(23) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 54.

(24) PB L 175 van 4.8.1971, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1554/97 (PB L 208 van 2.8.1997, blz. 1).

(25) PB L 47 van 25.2.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1637/98 (PB L 210 van 28.7.1998, blz. 28).

(26) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 847/99 (PB L 108 van 27.4.1999, blz. 7).

(27) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(28) PB L 388 van 30.12.1989, blz. 17. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3235/94 (PB L 338 van 28.12.1994, blz. 16).

(29) PB L 356 van 24.12.1991, blz. 1.

(30) PB L 173 van 27.6.1992, blz. 1.

(31) PB L 173 van 27.6.1992, blz. 13.

(32) PB L 184 van 27.7.1993, blz. 1.

BIJLAGE

TABEL MET BEDRAGEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top