Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993R0315

Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen

OJ L 37, 13.2.1993, p. 1–3 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 012 P. 78 - 80
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 012 P. 78 - 80
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 002 P. 204 - 206
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 002 P. 189 - 191
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 002 P. 189 - 191
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 020 P. 9 - 11

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1993/315/oj

31993R0315

Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen

Publicatieblad Nr. L 037 van 13/02/1993 blz. 0001 - 0003
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 12 blz. 0078
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 12 blz. 0078


VERORDENING (EEG) Nr. 315/93 VAN DE RAAD van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat maatregelen dienen te worden vastgesteld voor de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat de verschillen in de door de Lid-Staten vastgestelde voorschriften een belemmering dreigen te vormen voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt en dat een communautaire procedure moet worden ingevoerd voor het vaststellen van geharmoniseerde communautaire voorschriften;

Overwegende dat verontreinigingen in levensmiddelen kunnen optreden in alle stadia tussen produktie en consumptie;

Overwegende dat het met het oog op de bescherming van de volksgezondheid van essentieel belang is dat deze verontreinigingen worden beperkt tot gehalten die toxicologisch aanvaardbaar zijn;

Overwegende dat verdere beperkingen moeten worden gerealiseerd wanneer zij door middel van goede beroepspraktijken tot stand kunnen worden gebracht; dat de inachtneming van dergelijke goede praktijken doeltreffend door de overheid kan worden gecontroleerd, gelet op de beroepsopleiding en de ervaring van overheidsfunctionarissen;

Overwegende dat deze verordening van toepassing moet zijn onverminderd de bepalingen die in het kader van meer specifieke communautaire regelingen zijn vastgesteld;

Overwegende dat op het niveau van de gezondheidsbescherming bij voorkeur dient te worden gestreefd naar een allesomvattende aanpak van het vraagstuk van de verontreinigingen in de voeding;

Overwegende dat het bij Besluit 74/234/EEG (4) ingestelde Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding moet worden geraadpleegd omtrent alle vraagstukken die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze verordening heeft betrekking op verontreinigingen in levensmiddelen.

Onder "verontreiniging" wordt verstaan elke stof die niet opzettelijk aan levensmiddelen is toegevoegd, doch daarin niettemin voorkomt als residu van de produktie (met inbegrip van de op gewassen en vee en in de diergeneeskundige praktijk toegepaste behandelingen), de fabricage, de verwerking, de bereiding, de behandeling, de verpakking, het transport of de opslag van genoemde levensmiddelen, of ten gevolge van verontreiniging door het milieu. Vreemde stoffen, zoals bij voorbeeld resten van insekten, haren van dieren, vallen niet onder deze definitie.

2. Deze verordening is niet van toepassing op verontreinigingen waarvoor meer specifieke communautaire regelingen bestaan.

Zodra deze verordening in werking is getreden, maakt de Commissie in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen ter informatie een lijst van deze regelingen bekend. Deze lijst wordt zo nodig door de Commissie bijgewerkt.

3. De bepalingen inzake verontreinigingen worden overeenkomstig deze verordening vastgesteld met uitzondering van de bepalingen uit hoofde van de in lid 2 bedoelde regelingen.

Artikel 2

1. Levensmiddelen met een gehalte aan een verontreiniging dat toxicologisch onaanvaardbaar is, mogen niet in de handel worden gebracht.

2. Verontreinigingen dienen voorts beperkt te worden tot het laagst mogelijke gehalte dat redelijkerwijs tot stand kan worden gebracht door middel van goede praktijken in alle in artikel 1 vermelde stadia.

3. Ter bescherming van de volksgezondheid en uit hoofde van lid 1 moeten waar nodig maximale toleranties voor bepaalde verontreinigingen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 8.

Deze toleranties moeten worden vastgesteld in de vorm van een niet-exhaustieve communautaire lijst met onder meer:

- grenswaarden voor een zelfde verontreiniging in verschillende levensmiddelen,

- grenswaarden voor analytische opsporing,

- een verwijzing naar de toe te passen methoden voor monsterneming en analyse.

Artikel 3

Voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid moeten worden vastgesteld na overleg met het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding.

Artikel 4

1. Indien een Lid-Staat, op basis van nieuwe gegevens of wegens een nieuwe beoordeling van bestaande gegevens, grond heeft om te vermoeden dat een verontreiniging in levensmiddelen, ofschoon voldaan is aan de bepalingen van deze verordening of van krachtens deze verordening vastgestelde specifieke verordeningen, een gezondheidsrisico oplevert, kan deze Lid-Staat de toepassing van de betrokken bepalingen op zijn grondgebied tijdelijk schorsen of beperken. Hij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis onder vermelding van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid.

2. De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk de door de in lid 1 bedoelde Lid-Staat opgegeven redenen in het kader van het bij Besluit 69/314/EEG (5) ingestelde Permanent Comité voor levensmiddelen; zij brengt onverwijld advies uit en neemt de nodige maatregelen overeenkomstig de procedure van artikel 8.

Artikel 5

1. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen van levensmiddelen die aan deze verordening of aan de krachtens deze verordening vastgestelde specifieke bepalingen voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren, om redenen in verband met het gehalte aan verontreinigingen in die levensmiddelen.

2. Voor zover de communautaire bepalingen inzake de in artikel 2, lid 3, bedoelde maximale toleranties niet zijn aangenomen, zijn de nationale bepalingen dienaangaande van toepassing met inachtneming van het bepaalde in het Verdrag.

3. a) Wanneer een Lid-Staat zijn nationale wettelijke bepalingen handhaaft, stelt hij de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan in kennis binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop deze verordening wordt aangenomen.

b) Wanneer een Lid-Staat het nodig acht een nieuwe wetgeving vast te stellen, deelt hij de beoogde maatregelen met de motivering daarvan aan de Commissie en aan de andere Lid-Staten mede. De Commissie raadpleegt de Lid-Staten in het Permanent Comité voor levensmiddelen, wanneer zij zulks nuttig acht of wanneer een Lid-Staat daarom verzoekt.

De Lid-Staat kan de beoogde maatregelen pas treffen drie maanden nadat hij deze mededeling heeft gedaan en op voorwaarde dat hij van de Commissie geen andersluidend advies heeft ontvangen.

In het laatste geval leidt de Commissie, vóór het einde van de in de eerste alinea bedoelde termijn, de procedure van artikel 8 in, ten einde te besluiten of de beoogde maatregelen, zo nodig na passende wijzigingen, kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 6

De Commissie legt elk jaar aan het Permanent Comité voor levensmiddelen een verslag voor over de algemene ontwikkeling van de communautaire wetgeving op het gebied van verontreinigingen.

Artikel 7

De Commissie laat vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de Raad een verslag over de opgedane ervaring toekomen, eventueel samen met passende voorstellen.

Artikel 8

De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor levensmiddelen, hierna "Comité" te noemen.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies wordt uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op 1 maart 1993.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 8 februari 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. TROEJBORG

(1) PB nr. C 57 van 4. 3. 1992, blz. 11.

(2) PB nr. C 129 van 20. 5. 1991, blz. 104, en besluit van 20 januari 1993 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3) PB nr. C 223 van 31. 8. 1992, blz. 24.

(4) PB nr. L 136 van 20. 5. 1974, blz. 1.

(5) PB nr. L 291 van 19. 11. 1969, blz. 9.

Top