Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31988R4253

Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds

OJ L 374, 31.12.1988, p. 1–14 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/1999; afgeschaft en vervangen door 399R1260

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1988/4253/oj

31988R4253

Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds

Publicatieblad Nr. L 374 van 31/12/1988 blz. 0001 - 0014


VERORDENING ( EEG ) Nr . 4253/88 VAN DE RAAD van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot de cooerdinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 130 E en 153,

Gezien het voorstel van de Commissie(1 ) In samenwerking met het Europese Parlement(2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3 ),

Overwegende dat de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht aan Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de cooerdinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten(4 );

Overwegende dat de verdubbeling van de Structuurfondsen tussen 1987 en 1993 onder het Interinstitutioneel Akkoord van 29 juni 1988 valt; dat de uitvoeringsbepalingen van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 gepreciseerd moeten worden opdat de aan de Fondsen toegewezen nieuwe financië - le middelen worden gebruikt met inachtneming van de in die verordening vervatte nieuwe voorschriften en in over - eenstemming met de beleidslijnen van de Europese Raad;

Overwegende dat in artikel 3, lid 5, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 is bepaald dat de Raad op de grondslag van artikel 130 E van het Verdrag de nodige bepalingen vaststelt om de cooerdinatie tussen de bijstandsverlening van de verschillende Fondsen onderling en met die van de Europese Investeringsbank ( EIB ) en de andere bestaande financieringsinstrumenten te verzekeren;

Overwegende dat de cooerdinatie tussen de Structuurfondsen onderling en met de EIB en de overige financieringsinstrumenten van de Gemeenschap moet worden versterkt met inachtneming van het partnerschap, opdat zij doelmatiger kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 genoemde doelstellingen; dat de Commissie in deze een belangrijke rol heeft te vervullen;

Overwegende dat de Commissie, indien nodig, de EIB bij de voorbereiding van haar besluiten dient te betrekken; dat de Bank bereid is om, met inachtneming van haar eigen bevoegdheden, mee te werken aan de tenuitvoerlegging van die verordening;

Overwegende dat in de artikelen 8 tot en met 11 van bovengenoemde verordening is bepaald dat de in artikel 130 E van het Verdrag bedoelde voorschriften in de toepassingsbesluiten van de eerstgenoemde artikelen zullen voorzien; dat de criteria dienen te worden omschreven die door de Commissie zullen worden gehanteerd bij de keuze van de plattelandsgebieden die buiten de voor bijstand van de Fondsen in het kader van doelstelling 1 aangewezen regio's zijn gelegen maar die in aanmerking kunnen komen voor bijstand in het kader van de in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 omschreven doelstelling 5 b ); dat deze criteria ertoe moeten leiden dat de steun op doelmatige wijze wordt geconcentreerd op gebieden met de ernstigste ontwikkelingsproblemen, een en ander met inachtneming van de problemen in andere landbouwgebieden in de regio's van de Lid-Staten die worden gekenmerkt door een zodanig gebrek aan sociaal-economisch evenwicht dat hun ontwikkeling erdoor wordt bedreigd;

Overwegende dat het toepassingsgebied, de duur en de inhoud van de door de Lid-Staten in te dienen programma's, alsmede de indieningstermijnen daarvoor, dienen te worden vastgesteld;

Overwegende dat, ten einde de Lid-Staten bij de voorbereiding van de plannen behulpzaam te zijn, de Commissie de nodige technische bijstand moet kunnen verlenen;

Overwegende dat richtsnoeren dienen te worden gegeven voor de inhoud en de duur van de door de Commissie op te stellen communautaire bestekken en voor de termijn waarbinnen deze moeten worden opgesteld;

Overwegende dat er bij de opstelling en tenuitvoerlegging van communautaire bestekken op moet worden toegezien dat de verhoging van de kredieten van de Fondsen in de betrokken regio's een grotere reële economische impact heeft;

Overwegende dat de Commissie in staat moet zijn om in overleg met de Lid-Staten de communautaire bestekken aan te passen, rekening houdend met acties die niet in de door de Lid-Staten ingediende programma's zijn opgenomen en vooral met acties die uit nieuwe initiatieven van de Gemeenschap voortvloeien;

Overwegende dat de in de communautaire bestekken beoogde bijstandsverlening door de Fondsen voornamelijk de vorm van medefinanciering van operationele programma's moet aannemen;

Overwegende dat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de operationele programma's in het kader van de geïntegreerde benadering dienen te worden bepaald;

Overwegende dat de algemene voorwaarden voor het in behandeling nemen van de verzoeken om financiële bijstand van de Structuurfondsen moeten worden bepaald;

Overwegende dat financiële bijstand van de Fondsen in het kader van de doelstellingen 1 tot en met 4 en van doelstelling 5 b ) in de regel slechts mag worden toegekend voor acties die in de communautaire bestekken zijn opgenomen en voor de uitgaven die na de indiening van een verzoek om bijstand van de Fondsen zijn verricht; dat evenwel moet worden bepaald dat uitgaven, vóór die datum verricht voor de medefinanciering van projecten en steunregelingen, wel voor bijstand in aanmerking komen;

Overwegende dat de voorwaarden voor toekenning van globale subsidies en voor medefinanciering van belangrijke projecten door de Structuurfondsen moeten worden bepaald;

Overwegende dat moet worden geregeld op welke wijze de financiering kan plaatsvinden van studies en technische bijstand die met het gezamenlijke of gecooerdineerde gebruik van de Structuurfondsen, de EIB en de overige financieringsinstrumenten zijn verbonden;

Overwegende dat erop moet worden toegezien dat de moeilijkheden van technische en administratieve aard die de tenuitvoerlegging van de hervorming van de Structuurfondsen zouden kunnen belemmeren, met name in de regio's met een ontwikkelingsachterstand, niet tot onvoldoende benutting van de begrotingsmiddelen leiden noch de daadwerkelijke verdubbeling van die middelen in het geding brengen;

Overwegende dat, ter wille van een zekere souplesse bij de tenuitvoerlegging van de hervorming van de Fondsen, de percentages van de bijstand van de Fondsen moeten worden vastgesteld op basis van artikel 13 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 en onder de voorwaarden vastgelegd in de onderhavige verordening, in het kader van het partnerschap voor de doelstellingen 1, 2, 3, 4 en 5 b ) enerzijds en bij latere besluiten van de Raad voor doelstelling 5 a ) anderzijds;

Overwegende dat, ten einde een doelmatig en gecooerdineerd beheer van de financiële middelen van de Fondsen mogelijk te maken, gemeenschappelijke regels en procedures voor het aangaan van betalingsverplichtingen, het verrichten van betalingen en het uitvoeren van controles moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat het in kader van een ruimer gebruik van de Ecu bij de financiële transacties van de Gemeenschap en in het bijzonder bij de uitvoering van de begroting van de Gemeenschap van belang is dat de vorderingen van de Gemeenschap op en haar schulden aan de Structuurfondsen overeenkomstig het Financieel Reglement eveneens in Ecu worden uitgedrukt;

Overwegende dat voor het toezicht en de evaluatie van de structurele acties van de Gemeenschap nadere regels moeten worden gesteld om de doelmatigheid van de methoden van bijstandsverlening ter verwezenlijking van de doelstellingen te verhogen en de invloed ervan te beoordelen;

Overwegende dat de werkwijze van de comités die de Commissie bij de tenuitvoerlegging van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 zullen bijstaan, nader moet worden geregeld;

Overwegende dat de inhoud van het jaarlijkse verslag bedoeld in artikel 16 van die verordening, nader dient te worden bepaald;

Overwegende dat een regeling moet worden getroffen om aan de bijstand die de Gemeenschap in het kader van specifieke acties heeft toegekend, een passende publiciteit te geven;

Overwegende dat de overgangsbepalingen voor de bijstandsverlening uit de Fondsen die vóór het van kracht worden van de in artikel 130 E van het Verdrag bedoelde toepassingsbesluiten zijn goedgekeurd of aangevraagd, nader dienen te worden vastgesteld en dat het voor de continuïteit van de acties van de Fondsen tevens nodig kan zijn bepaalde acties goed te keuren alvorens de Commissie ten aanzien van de communautaire bestekken besluiten heeft genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

TITEL I COORDINATIE Artikel 1 Algemene bepalingen Met toepassing van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 draagt de Commissie, met inachtneming van het partnerschap, zorg voor de cooerdinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Fondsen, enerzijds, en van die bijstandsverlening met die van de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten, anderzijds .

Artikel 2 Cooerdinatie tussen de Fondsen De cooerdinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Fondsen vindt met name plaats op het niveau :

-van de communautaire bestekken;

-van de budgettaire meerjarenplanning;

-van de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde operationele programma's, als zulks dienstig blijkt;

-van het toezicht op en de evaluatie van de acties van de Fondsen in het kader van één enkele doelstelling of in dat van verscheidene doelstellingen op een zelfde grondgebied .

Artikel 3 Cooerdinatie tussen de Fondsen, de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten 1 . Bij de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 1 van Verordening ( EEG) nr . 2052/88, draagt de Commissie, in het kader van het partnerschap, zorg voor de cooerdinatie en de samenhang tussen de bijstand uit de Fondsen en die :

-van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ( wederaanpassingssteun, leningen, rentesubsidies, garanties );

-van de EIB, het Nieuw Communautair Instrument en Euratom ( leningen, garanties );

-uit middelen uit de communautaire begroting die aan de andere acties met een structureel karakter zijn toegewezen;

-uit middelen uit de communautaire begroting voor "onderzoek ''.

Deze cooerdinatie geschiedt met inachtneming van de eigen bevoegdheden van de EIB en de doelstellingen van de andere betrokken instrumenten .

2 . De Commissie betrekt de EIB bij het gebruik van de Fondsen of de andere bestaande financieringsinstrumenten voor medefinanciering van die investeringsprojecten welke door de EIB kunnen worden gefinancierd overeenkomstig haar statuten .

Artikel 4 Selectie van de plattelandszones buiten de regio's van doelstelling 1 ( doelstelling 5 b )) 1 . De voor steunverlening van de Gemeenschap in het kader van doelstelling 5 b ) in aanmerking komende plattelandszones voldoen, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, aan elk van de volgende criteria :

a)hoog aandeel van de landbouw in de totale werkgelegenheid;

b)laag inkomen in de landbouw, uitgedrukt met name in toegevoegde waarde per arbeidseenheid in de landbouw ( AEL );

c)laag sociaal-economisch ontwikkelingspeil, beoordeeld aan de hand van het bruto binnenlands produkt per inwoner .

Bij de selectie van de zone die op basis van de bovengenoemde drie criteria voor bijstandsverlening in aanmerking komen, wordt rekening gehouden met de sociaal-economische parameters waarmee de ernst van de algemene toestand van de betrokken zones en de ontwikkeling van die toestand kunnen worden geconstateerd .

2 . Voorts kan de communautaire bijstand, op met redenen omkleed verzoek van de Lid-Staat, zich ook uitstrekken tot andere plattelandszones die gekenmerkt worden door een laag sociaal-economisch ontwikkelingsniveau, voor zover deze aan een of meer van de volgende criteria voldoen :

-geringe bevolkingsdichtheid en/of tendens tot sterke ontvolking van de zones;

-perifeer karakter van de zones of eilanden ten opzichte van de grote, economische en handelscentra van de Gemeenschap;

-gevoeligheid van de zone voor de ontwikkeling van de landbouwsector, in het bijzonder in het vooruitzicht van de hervorming van het gemeenschappelijk land - bouwbeleid, beoordeeld aan de hand van de ontwikkeling van het landbouwinkomen en het percentage van de actieve landbouwbevolking;

-structuur van de landbouwbedrijven en leeftijdsopbouw van de actieve landbouwbevolking;

-druk waaraan het milieu en het platteland blootstaan;

-ligging van de zones in de bergstreken of de probleemgebieden die krachtens artikel 3 van Richtlijn 75/268/EEG(5 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 797/85(6 ), als zodanig worden aangemerkt .

3 . De Lid-Staten verstrekken de Commissie, voor de zones die volgens hen in aanmerking moeten komen voor de actie uit hoofde van doelstelling 5 b ), gegevens die voor de Commissie van nut kunnen zijn bij de bepaling van de in aanmerking komende zones . Op basis van deze gegevens en haar algemene beoordeling van de ingediende voorstellen bepaalt de Commissie, volgens de procedures van titel VIII, welke zones in aanmerking komen en verzoekt zij de Lid-Staten haar de nodige plannen toe te zenden .

4 . Bij de selectie van de plattelandszones en de vaststelling van de in artikel 11, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 genoemde communautaire bestekken, ziet de Commissie er met het oog op de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op toe dat de bijstand op doeltreffende wijze wordt geconcentreerd op de zones die de ernstigste problemen op het gebied van plattelandsontwikkeling ondervinden .

TITEL II PLANNEN Artikel 5 Toepassingsgebied en inhoud 1 . Onder voorbehoud van de in dit artikel gegeven richtsnoeren worden de onder de doelstellingen 1 tot en met 4 en doelstelling 5 b ) vallende plannen opgesteld voor die territoriale eenheid welke het meest geschikt wordt geacht . Zij worden uitgewerkt door de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde nationale, regionale of andere instanties en worden door de Lid-Staat bij de Commissie ingediend .

Plannen in het kader van doelstelling 1 dienen in de regel een regio van het niveau NUTS II te bestrijken . Uit hoofde van artikel 8, lid 4, tweede alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 kunnen de Lid-Staten evenwel een plan in - dienen voor verscheidene van hun regio's die op de in lid 2 van dat artikel bedoelde lijst zijn opgenomen, mits dat plan de in de eerste alinea van genoemd lid 4 bedoelde elementen omvat .

Plannen in het kader van de doelstellingen 2 en 5 b ) dienen in de regel een of meer zones van het niveau NUTS III te bestrijken .

De Lid-Staten mogen plannen indienen die een groter gebied dan de in aanmerking komende regio's of zones bestrijken, op voorwaarde dat onderscheid wordt gemaakt tussen acties in die regio's of zones en acties daarbuiten .

2 . Regionale ontwikkelingsplannen voor de regio's van doelstelling 1 omvatten alle maatregelen voor de omschakeling van in verval geraakte industriegebieden en de ontwikkeling van plattelandszones, alsmede alle werkgelegenheids - en beroepsopleidingsmaatregelen, met uitzondering van die welke in de plannen voor de doelstellingen 3 en 4 zijn opgenomen .

De regionale en sociale omschakelingsplannen van doelstelling 2 en de rurale ontwikkelingsplannen van doelstelling 5 b ) omvatten eveneens alle werkgelegenheids - en beroepsopleidingsmaatregelen, met uitzondering van die welke in de plannen van de doelstellingen 3 en 4 zijn opgenomen .

In de plannen van de doelstellingen 3 en 4 wordt onderscheid gemaakt tussen uitgaven voor de regio's van de doelstellingen 1, 2 en 5 b ) en die voor de andere regio's .

Gegevens betreffende de maatregelen uit hoofde van doelstelling 5 a ) worden in voorkomend geval in de plannen voor de doelstellingen 1 en 5 b ) vermeld .

In hun plannen vermelden de Lid-Staten de elementen die aan de onderscheiden Fondsen eigen zijn en het bedrag van de gevraagde steun . Overeenkomstig de artikelen 8, 9, 10 en 11 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 kunnen zij hun plannen vergezeld doen gaan van de aanvragen om bijstand voor de operationele programma's om behandeling van de aanvragen en bijstandsverlening te bespoedigen .

3 . De Lid-Staten zorgen bij de opstelling van de plannen voor samenhang tussen de plannen voor een zelfde doelstelling binnen een Lid-Staat en tussen die voor verscheidene doelstellingen binnen een zelfde geografische zone .

4 . De Lid -Staten dragen er bij de opstelling van hun plannen zorg voor dat rekening wordt gehouden met het communautaire beleid .

31 . 12 . 88Nr . L 374 / Artikel 6 Duur en tijdschema Ieder plan bestrijkt een periode van tussen de drie en vijf jaar . De plannen kunnen in de regel jaarlijks, alsmede bij belangrijke wijzigingen van de sociaal-economische situatie en van de arbeidsmarkt worden herzien .

Voor de vóór 31 januari 1989 vastgestelde regio's en zones bestrijken de eerste plannen uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5 b ) een periode die begint op 1 januari 1989; deze plannen worden uiterlijk op 31 maart 1989 ingediend . De plannen voor de doelstellingen 3 en 4 worden uiterlijk ingediend vier maanden na de publikatie van de in arti - kel 4, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 4255/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds(7 ) bedoelde richtsnoeren door de Commissie .

De data voor de indiening van de latere plannen worden door de Commissie vastgesteld in overleg met de betrokken Lid-Staat .

Artikel 7 Voorbereiding 1 . De Commissie kan de Lid-Staten op hun verzoek bij de voorbereiding van de plannen alle nodige technische bijstand verlenen .

2 . De plannen bevatten informatie op grond waarvan de samenhang tussen de structurele acties en het sociaal-economisch beleid van de Lid-Staat kan worden beoordeeld .

TITEL III COMMUNAUTAIRE BESTEKKEN Artikel 8 Opstelling, toepassingsgebied en inhoud 1 . De communautaire bestekken voor de doelstellingen 1 tot en met 4 en voor doelstelling 5 b ) worden voor het desbetreffende gebied overeenkomstig de in titel VIII vervatte procedures op grondslag van een akkoord met de betrokken Lid-Staat in het kader van het partnerschap en bij beschikking van de Commissie vastgesteld . De EIB wordt bij de opstelling van de communautaire bestekken betrokken .

Onverminderd artikel 8, lid 5, eerste alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 zal de Commissie in voorko - mend geval bij de opstelling van de communautaire bestekken voor de doelstellingen 1 en 5 b ) rekening houden met de gegevens betreffende het effect van de uit hoofde van doelstelling 5 a ) ondernomen acties die bijdragen tot de ontwikkeling van de betrokken regio's of zones .

2 . Een communautair bestek bestrijkt een periode van drie tot en met vijf jaar .

3 . Elk communautair bestek behelst :

-de voor de gezamenlijke actie van de Gemeenschap en de betrokken Lid-Staat in verband met de in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 genoemde doelstellingen in aanmerking genomen prioritaire zwaartepunten, alsmede gegevens over de samenhang met het sociaal -economisch beleid van de Lid-Staat,

-een overzicht van de toe te passen vormen van bijstandsverlening, met vermelding, voor de operationele programma's, van de specifieke doelstellingen en de voornaamste soorten voorgenomen maatregelen,

-een indicatief financieringsprogramma met de voor de diverse vormen van bijstandsverlening uit te trekken middelen, alsmede de duur van de bijstandsverlening, met inbegrip van die van de Fondsen, de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 3, lid 1, wanneer deze rechtstreeks bijdragen aan het betrokken financieringsprogramma,

-eventueel, gegevens over de terbeschikkingstelling van middelen voor studies of technische bijstand voor de voorbereiding, de tenuitvoerlegging of de aanpassing van de betrokken acties .

Artikel 9 Effect van de acties Bij de opstelling en de tenuitvoerlegging van de communautaire bestekken dragen de Commissie en de Lid-Staten er zorg voor dat de verhoging van de middelen van de Fondsen, als bedoeld in artikel 12, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, in de betrokken regio's een versterkt reëel economisch effect heeft en tot een ten minste overeenkomstige verhoging van de totale ( communautaire en nationale ) overheidsfinanciering of daarmee gelijkgestelde financieringen met structurele strekking in de betrokken Lid-Staat leidt; hierbij houden zij rekening met de macro-economische omstandigheden waarin deze financieringen geschieden .

Artikel 10 Goedkeuring en tenuitvoerlegging 1 . Behoudens een met de betrokken Lid-Staat getroffen afwijkende regeling, stelt de Commissie uiterlijk zes maan - den na ontvangst van het ( de ) desbetreffende plan(nen ) bij beschikking een communautair bestek vast .

Om de tenuitvoerlegging van de in een communautair bestek opgenomen maatregelen te bespoedigen, kunnen de Lid-Staten om bijstand verzoeken; dit moet geschieden binen een termijn die de Commissie de gelegenheid biedt de goedkeuring van die verzoeken te doen samenvallen met de vaststelling van de beschikking over het communautaire bestek . In dit geval mogen de operationele programma's onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd .

2 . De beschikking van de Commissie over het communautaire bestek wordt als verklaring van intentie aan de Lid-Staat en de andere bevoegde instanties toegezonden . Deze verklaring van intentie wordt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt .

De Commissie en de Lid-Staten zorgen ervoor dat maatregelen waarmee ten minste twee derde van de bijstand van de Fondsen voor het eerste jaar van het communautaire bestek gemoeid is, binnen twee maanden na vaststelling van de beschikking over het communautaire bestek door de Commissie worden goedgekeurd .

Artikel 11 Initiatieven van de Gemeenschap Met toepassing van artikel 5, lid 5, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 kan de Commissie op eigen initiatief en volgens de in titel VIII vastgelegde procedures besluiten de Lid-Staten voor te stellen steunaanvragen in te dienen voor acties die van bijzonder belang voor de Gemeenschap zijn maar die niet in de in titel II bedoelde plannen zijn opgenomen . Bij de opstelling of de herziening van het desbetreffende communautaire bestek wordt met de op grond van deze bepaling goedgekeurde bijstandsverlening rekening gehouden .

Artikel 12 Vormen van bijstandsverlening Bijstand in het kader van een communautair bestek wordt overwegend in de vorm van operationele programma's verleend, die in een geïntegreerde vorm ten uitvoer kunnen worden gelegd indien aan de voorwaarden van artikel 13 is voldaan .

Artikel 13 Geintegreerde benadering 1 . Op initiatief van een Lid-Staat of van de Commissie, uit hoofde van artikel 11, in overleg met de betrokken Lid - Staat, kan een operationeel programma op geïntegreerde wijze worden uitgevoerd als :

a)het wordt gefinancierd door verscheidene Fondsen of althans door één Fonds en een financieringsinstrument dat geen leningsinstrument is;

b)de door verscheidene Fondsen of financieringsinstrumenten te financieren maatregelen elkaar versterken en nauwe cooerdinatie tussen alle betrokken partijen belangrijke voordelen kan opleveren;

c)nationaal, regionaal en plaatselijk de gepaste administratieve voorzieningen voor de geïntegreerde tenuitvoerlegging van het programma worden getroffen .

2 . Bij de opstelling of de herziening van een communautair bestek wordt nagegaan of het wenselijk is acties ten uitvoer te leggen op basis van een geïntegreerde aanpak .

3 . De Commissie ziet er bij de tenuitvoerlegging van een geïntegreerde aanpak op toe, dat de communautaire bijstand op zo doeltreffend mogelijke wijze wordt verleend, rekening houdend met de vereiste bijzondere cooerdinatie-inspanning .

TITEL IV BIJSTAND VAN DE FONDSEN Artikel 14 Behandeling van de bijstandsaanvragen 1 . De aanvragen om bijstand van de Structuurfondsen worden opgesteld door de bevoegde instanties die door de Lid-Staten op nationaal, regionaal, plaatselijk of ander niveau zijn aangewezen, en worden bij de Commissie ingediend door de Lid-Staten of een orgaan dat deze daartoe eventueel aanwijst . Iedere aanvraag moet betrekking hebben op één van de in artikel 5 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 genoemde vormen van bijstandsverlening .

2 . In de aanvragen worden de inlichtingen vermeld die de Commissie voor haar beoordeling nodig heeft, met name een beschrijving van de voorgestelde actie, het toepassingsgebied, ook in geografisch opzicht, en de specifieke doelstellingen ervan, de voor de uitvoering van de actie verantwoordelijke instellingen en de begunstigden, het voorgestelde tijdschema en financieringsplan, alsmede alle gegevens die nodig zijn om na te kunnen gaan of de maatregel verenigbaar is met de wetgeving en het beleid van de Gemeenschap .

3 . De Commissie onderzoekt de aanvragen om :

-na te gaan of de voorgestelde acties en maatregelen in overeenstemming zijn met de desbetreffende commu - nautaire wetgeving en, in voorkomend geval, met het communautaire bestek;

-de bijdrage van de voorgestelde actie tot de verwezenlijking van haar specifieke doelstellingen te beoordelen en, als het een operationeel programma betreft, na te gaan of de daarin opgenomen maatregelen een coherent geheel vormen;

-zich ervan te verzekeren dat de administratieve en financiële mechanismen een doeltreffende uitvoering van de actie mogelijk maken;

-de exacte bijzonderheden van de bijstandsverlening door het ( de ) betrokken Fonds(en ) vast te stellen, eventueel op basis van gegevens die reeds voor een desbetreffend communautair bestek zijn verstrekt .

Voor zover aan de in dit artikel vereiste voorwaarden is voldaan, besluit de Commissie in het algemeen binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag over de bijstand van de Fondsen . De toekenning van de bijstand van alle Fondsen en van de andere bestaande financiële instrumenten, waarmee een operationeel programma wordt gefinancierd, met inbegrip van de operationele programma's in de vorm van een geïntegreerde aanpak, wordt in één enkele beschikking van de Commissie geregeld . Deze bepaling vormt geen beletsel voor de eventuele toepassing van kortere termijnen uit hoofde van artikel 7 van Verordening ( EEG ) nr . 4255/88 .

4 . De respectieve verbintenissen van de partners, welke zijn aangegaan in het kader van een contract binnen het partnerschap, worden weergegeven in de beschikkingen van de Commissie inzake de verlening van bijstand .

Artikel 15 Ontvankelijkheid 1 . Onverminderd artikel 33 komen uitgaven voor acties in het kader van de doelstellingen 1 tot en met 4 en 5 b ) slechts voor financiële bijstand van de Structuurfondsen in aanmerking als die acties deel uitmaken van het communautaire bestek .

2 . Onverminderd de bepalingen van artikel 33 van deze verordening, artikel 9 van Verordening ( EEG ) nr . 4255/88 en artikel 2, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot het EOGFL, Afdeling Oriëntatie(8 ), komt een uitgave niet voor bijstand van de Fondsen in aanmerking indien zij is verricht vóór de datum waarop de Commissie de desbetreffende aanvraag heeft ontvangen .

Voor de medefinanciering van projecten en steunregelingen komen uitgaven echter wel in aanmerking voor bijstand uit de Fondsen, als zij zijn verricht binnen zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de Commissie de desbetreffende aanvraag heeft ontvangen .

Artikel 16 Specifieke bepalingen 1 . Bij de toekenning van globale subsidies moeten de bemiddelende instanties die door de betrokken Lid-Staat in overleg met de Commissie worden aangewezen, passende solvabiliteitsgaranties geven en over de noodzakelijke administratieve capaciteit beschikken voor het beheer van de door de Commissie beoogde bijstand . De bemiddelende instanties worden tevens uitgekozen op grond van de bijzondere toestand in de Lid-Staten of de betrokken zones . Onverminderd artikel 23 wordt het beheer van de globale subsidies gecontroleerd door de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde instanties .

2 . De Fondsen kunnen financiële bijstand voor grote projecten verlenen als de totale kosten die voor de vaststelling van de communautaire bijstand in aanmerking worden genomen als algemene regel meer dan 15 miljoen Ecu voor investeringen in infrastructuur of 10 miljoen Ecu voor produktieve investeringen bedragen .

In de visserijsector kunnen evenwel projecten van lagere totale kosten worden gefinancierd als zij door een door de Commissie op grond van Verordening ( EEG ) nr . 4028/86(9 ) goedgekeurd meerjarig oriëntatieprogramma worden bestreken .

3 . Naast een met de bijstand van de onderscheiden Fondsen verbonden analoge bijstand kan de Commissie bij gezamenlijk of gecooerdineerd gebruik van de Structuurfondsen, de EIB en de andere financieringsinstrumenten, studies en technische bijstand financieren tot een bedrag ten belope van 0,3 % van de totale toewijzing van de Fondsen :

-om de opstelling van de plannen voor te bereiden,

-om het effect en de doelmatigheid van de steun die in het kader van de overeenkomstige communautaire bestekken is verleend, te beoordelen,

-in verband met geïntegreerde operationele programma's .

4 . Voor de regio's waarvoor doelstelling 1 geldt moeten de totale kosten van een operationeel programma, waaraan het EFRO deelneemt, als algemene regel 100 miljoen Ecu bedragen, met dien verstande dat de gemiddelde jaarlijkse kosten van het programma niet minder dan 15 miljoen Ecu mogen bedragen .

31 . 12 . 88Nr . L 374/TITEL V VARIATIE VAN DE HOOGTE VAN DE COMMUNAUTAIRE BIJSTAND Artikel 17 Financiele participatie van de Fondsen 1 . Met toepassing van artikel 13, lid 5, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 worden de percentages van de bijstand van het Fonds voor de financiering van de acties uit hoofde van de doelstellingen 1, 2, 3, 4 en 5 b ) door de Commissie in het kader van het partnerschap vastgesteld aan de hand van het bepaalde in artikel 13, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, binnen de in lid 3 van dat artikel gestelde grenzen en volgens de in dat artikel vervatte procedures .

De percentages die gelden voor doelstelling 5 a ) worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 1, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 4256/88 .

2 . De financiële participatie van de Fondsen wordt uitgedrukt in een percentage van de totale in aanmerking komende kosten of van de totale in aanmerking komende uitgaven van de overheid of daaraan gelijkgestelde ( nationale, regionale, plaatselijke, communautaire ) uitgaven voor iedere actie ( operationeel programma, steunregeling, globale subsidie, project, technische bijstand of studie ).

3 . Als het betrokken project als kenmerk heeft dat de gefinancierde investeringen inkomsten zullen opleveren, stelt de Commissie in het kader van het partnerschap aan de hand van artikel 13, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 en overeenkomstig de criteria van lid 1 van hetzelfde artikel vast wat het participatiepercentage van de Fondsen in deze investeringen zal zijn; zij houdt daarbij rekening met een specifiek kenmerk van deze investeringen, namelijk de hoogte van de bruto autofinancieringsmarge op de normaliter te verwachten inkomsten, en dit afhankelijk van de macro-economische omstandigheden waarin met deze investeringen moet worden gewerkt en zonder dat de deelneming van de Fondsen leidt tot een verhoging van de nationale begrotingsuitgaven .

In ieder geval bedraagt de participatie van de Fondsen in het kader van de inspanningen voor de ontwikkeling van de betrokken regio's ten behoeve van investeringen in de ondernemingen maximaal 50 % van de totale investerings - kosten in de regio's van doelstelling 1 en maximaal 30 % in de overige regio's .

4 . De particpatiepercentages die worden toegepast op individuele maatregelen binnen de operationele programma's, kunnen worden gedifferentieerd op basis van in het kader van het parnterschap af te sluiten overenkomsten .

Artikel 18 Combinatie van subsidies en leningen De combinatie van leningen en subsidies als bedoeld in artikel 5, lid 4, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, wordt met medewerking van de EIB bij het opstellen van het communautaire bestek vastgesteld . Daarbij wordt gelet op de evenwichtigheid van het voorgestelde financieringsplan, de overeenkomstig artikel 18 vastgestelde participatie van de Fondsen en de nagestreefde ontwikkelingsdoelstellingen .

TITEL VI FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 19 Algemene bepalingen 1 . De financiële bijstand van de Structuurfondsen wordt verleend overeenkomstig de in toepassing van het Financieel Reglement vastgestelde voorschriften voor de Fondsen en naar gelang van de beschikbare begrotingsmiddelen .

2 . De financiële bijstand voor specifieke acties in toepassing van een communautair bestek moet in overeenstemming zijn met het in dat bestek opgenomen financieringsschema .

3 . Ten einde aan het einde van het jaar administratieve vertragingen te voorkomen, dragen de Lid-Staten zorg voor een zo evenwichtig mogelijke verdeling van de betalingsaanvragen over het gehele jaar .

Artikel 20 Betalingsverplichtingen 1 . De betalingsverplichtingen worden aangegaan op de grondslag van beschikkingen van de Commissie tot goedkeuring van de betrokken maatregelen . Zij gelden voor een beperkte duur, welke afhankelijk is van de aard en de bijzondere uitvoeringsvoorwaarden van de betrokken acties .

2 . Betalingsverplichtingen voor zich over een periode van twee jaar of langer uitstrekkende acties worden in de regel in jaartranches aangegaan . De betalingsverplichtingen voor de eerste tranche worden aangegaan nadat de Commissie een besluit tot goedkeuring van de actie heeft genomen .

De betalingsverplichtingen voor de latere tranches worden aangegaan volgens het financieringsplan en de stand van uitvoering van de actie .

3 . Bij acties die zich over een periode van minder dan twee jaar uitstrekken, worden de betalingsverplichtingen voor het totale bedrag van de communautaire bijstand aangegaan nadat de Commissie een besluit tot goedkeuring van de actie heeft genomen .

Artikel 21 Betalingen 1 . De financiële bijstand wordt overeenkomstig de aangegane betalingsverplichtingen aan de hiertoe door de betrokken Lid-Staat in zijn aanvraag aangewezen instantie uitbetaald . Dit kan geschieden hetzij in de vorm van voorschotten, hetzij in de vorm van een definitieve betaling die betrekking heeft op daadwerkelijk verrichte uitgaven . Voor acties die zich over een periode van twee jaar of langer uitstrekken, zijn de betalingen gerelateerd aan de jaartranches van de in artikel 20, lid 2, bedoelde verplichtingen .

2 . Nadat een betalingsverplichting is aangegaan, kan een voorschot worden uitbetaald van maximaal 50 % daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de betrokken actie .

3 . Een tweede voorschot, dat zodanig is berekend dat de twee voorschotten samen maximaal 80 % van de aangegane betalingsverplichtingen belopen, wordt overgemaakt zodra de verantwoordelijke instantie officieel heeft verklaard dat het eerste voorschot ten minste voor de helft is besteed en de actie in een bevredigend tempo en overeenkomstig de doelstellingen wordt uitgevoerd .

4 . Betaling van het saldo van iedere betalingsverplichting geschiedt indien :

-de in lid 1 bedoelde aangewezen instantie binnen de zes maanden na het betrokken jaar of daadwerkelijke verwezenlijking van de actie bij de Commissie een betalingsaanvraag indient,

-de in artikel 25, lid 4, bedoelde verslagen bij de Commissie zijn ingediend,

-de Lid-Staat bij de Commissie een verklaring indient, waarbij de in de betalingsaanvraag en de verslagen verstrekte gegevens worden bevestigd .

5 . De Lid-Staten wijzen de autoriteiten aan die gemachtigd zijn de in de leden 3 en 4 bedoelde verklaringen af te geven en zien erop toe dat de begunstigden de bedragen van de voorschotten en van de betalingen zo spoedig mogelijk ontvangen .

6 . Voor maatregelen tot ondersteuning van het landbouwinkomen, zoals de compensatie voor de natuurlijke nadelen in probleemgebieden of bergstreken, welke worden beheerst door de in artikel 11, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde bepalingen, worden de voorwaarden en de nadere regels voor de voorschotten of definitieve betalingen vastgesteld bij de desbetreffende beschikking van de Commissie overeenkomstig de bijzondere aard van deze maatregelen .

7 . Voor studies en voor innovatiemaatregelen stelt de Commissie de geëigende procedures vast .

Artikel 22 Gebruik van de Ecu De bedragen van de beschikkingen, van de betalingsverplichtingen en van de betalingen van de Commissie luiden in Ecu, overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en volgens de regels die de Commissie volgens de in titel VIII bedoelde procedures dient vast te stellen .

Dit artikel is van toepassing zodra het in de eerste alinea bedoelde besluit van de Commissie is vastgesteld .

Artikel 23 Financiele controle 1 . Ten einde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om :

-regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd,

-onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,

-door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren . Behalve indien de Lid-Staat en/of de tussenpersoon en/of de projectontwikkelaar het bewijs leveren/levert dat het misbruik of de nalatigheid hun/hem niet kan worden aangerekend, is de Lid-Staat subsidiair aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen .

De Lid -Staten houden de Commissie op de hoogte van de daartoe genomen maatregelen en in het bijzonder van het verloop van de bestuursrechtelijke en gerechtelijke procedures .

Bij de indiening van hun betalingsaanvragen stellen de Lid-Staten de Commissie alle dienstige nationale verslagen over de controle op de in de betrokken programma's of acties opgenomen maatregelen ter beschikking .

2 . Onverminderd de controles van de Lid-Staten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en onverminderd het bepaalde in artikel 206 van het Verdrag en alle inspecties op grond van artikel 209, onder c ), van het Verdrag, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de Structuurfondsen gefinancierde acties ter plaatse, onder meer door middel van steekproeven, controleren .

De Commissie stelt de betrokken Lid-Staat vooraf in kennis van een controle ter plaatse ten einde de nodige medewerking te verkrijgen . De uitvoering door de Commissie van eventuele controles ter plaatse zonder aanzegging wordt beheerst door overeenkomsten die in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement zijn gesloten in het kader van het partnerschap . Ambtenaren of andere personeelsleden van de Lid-Staat mogen aan de controles deelnemen .

De Commissie kan de betrokken Lid-Staat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van het betalingsverzoek na te gaan . Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controle deelnemen en zijn verplicht dit te doen indien de betrokken Lid-Staat hierom verzoekt .

De Commissie ziet erop toe dat de controles die zij verricht, zodanig gecooerdineerd worden uitgevoerd dat een zelfde zaak in een zelfde periode niet meer dan eenmaal wordt gecontroleerd . De betrokken Lid-Staat en de Commissie stellen elkaar onverwijld op de hoogte van alle passende informatie betreffende de resultaten van de uitgevoerde controles .

3 . Gedurende drie jaren na de laatste betaling voor een actie houden de verantwoordelijke instantie en de verantwoordelijke autoriteiten alle bewijsstukken van de met de actie gemoeide uitgaven ter beschikking van de Commissie .

Artikel 24 Vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand 1 . Indien slechts een gedeelte van de toegekende financiële bijstand door de stand van uitvoering van een actie of maatregel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de Lid-Staat of aan de andere autoriteiten die door die Lid-Staat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mede te delen .

2 . Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of opschorten indien het onderzoek een onregelmatigheid en met name een belangrijke wijziging bevestigt die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maat - regel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht .

3 . Ieder bedrag dat voorwerp is van een terugvordering wegens onverschuldigde betaling moet aan de Commissie worden terugbetaald . Bij uitblijvende terugbetaling kan in overeenstemming met de bepalingen van het Financieel Reglement en volgens de regels die de Commissie volgens de in titel VIII bedoelde procedures dient vast te stellen, rente voor te late betaling worden geëist .

TITEL VII TOEZICHT EN EVALUATIE Artikel 25 Toezicht 1 . In het kader van het partnerschap zorgen de Commissie en de Lid-Staten voor een doeltreffend toezicht op het gebruik van de bijstand van de Fondsen in het kader van het communautaire bestek en de specifieke acties ( programma's en dergelijke ). Dit toezicht geschiedt door middel van verslagen, die volgens een in onderlinge overeenstemming vastgestelde procedure worden opgesteld, en steekproefcontroles en door middel van daartoe ingestelde comités .

De Commissie brengt jaarlijks bij de in titel VIII bedoelde comités verslag uit over de tenuitvoerlegging van de bijstand van de Fondsen en met name over het gebruik van de kredieten overeenkomstig de in de communautaire bestekken vermelde gegevens . De conclusies van dit verslag en de adviezen van de comités worden ter informatie aan het Europese Parlement gezonden .

2 . Bij het toezicht wordt gebruik gemaakt van materiële en financiële indicatoren, welke in de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van de betrokken acties worden omschreven . De indicatoren hebben betrekking op het specifieke karakter van de betrokken actie, de doelstellingen en de vorm van de bijstandsverlening, alsmede op de sociaal-economische en structurele en de macro-economische situatie van de landen waar de bijstand ten uitvoer dient te worden gelegd . Deze indicatoren moeten zodanig worden opgebouwd dat zij voor de betrokken acties een duidelijk beeld geven van :

-de vordering van de actie;

-het verloop van het beheer en de eventuele problemen die zich daarbij kunnen voordoen .

3 . De toezichtcomités worden, in het kader van het partnerschap, krachtens een overeenkomst tussen de betrokken Lid-Staat en de Commissie ingesteld .

De Commissie en, in voorkomend geval, de EIB kunnen zich in deze comités laten vertegenwoordigen .

4 . Voor iedere meerjarenactie zendt de daartoe door de Lid-Staat aangewezen autoriteit de Commissie uiterlijk zes maanden na afloop van ieder volledig jaar van tenuitvoerlegging voortgangsrapporten . Na voltooiing van de actie wordt binnen zes maanden eveneens een eindverslag aan de Commissie gezonden .

Over iedere actie met een duur van minder dan twee jaar dient de daartoe door de Lid-Staat aangewezen autoriteit uiterlijk zes maanden na de voltooiing ervan bij de Commissie een verslag in .

5 . Na advies van het Toezichtcomité past de Commissie, indien nodig, in samenwerking met de Lid-Staat, de omvang of de toekenningsvoorwaarden van de aanvankelijk goedgekeurde financiële bijstand, alsmede het geplande tijdschema van de betalingen, aan .

6 . Ten einde de doelmatigheid van de Fondsen te vergroten, zal de Commissie erop toezien dat speciale aandacht wordt besteed aan de doorzichtigheid in het beheer ervan .

7 . Indien deze verordening of Verordening ( EEG ) nr . 4254/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling(10 ) en de Verordeningen ( EEG ) nr . 4255/88 en ( EEG ) nr . 4256/88 bepalen dat de Commissie nadere uitvoeringsbepalingen zal vaststellen, zullen de vast te stellen bepalingen worden medegedeeld aan de Lid-Staten en vervolgens worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Artikel 26 Evaluatie 1 . De evaluatie vindt plaats in het kader van het partnerschap . De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten leveren in voorkomend geval een bijdrage opdat de evaluatie zo doelmatig mogelijk geschiedt . Bij de evaluatie worden in dit verband de verschillende elementen die het toezichtsysteem kan opleveren, gebruikt om het sociaal-economische effect van de acties te beoordelen, in voorkomend geval in nauwe samenwerking met de toezichtcomités .

2 . Door evaluatie vooraf en achteraf van de acties van de Gemeenschap met structurele doelstellingen wordt de doeltreffendheid daarvan in drieërlei opzicht gemeten :

-het algehele effect van de acties op de in artikel 130 A van het Verdrag genoemde doelstellingen, inzonderheid de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap;

-het effect van de in elk communautair bestek ondernomen actie;

-het effect van de operationele bijstandsverlening ( programma's en dergelijke ).

De evaluatie wordt, al naar gelang van het geval, uitgevoerd aan de hand van op regionale en nationale, statistische gegevens gebaseerde macro-economische indicatoren, de uitkomsten van beschrijvende analytische studies en onderzoekingen van kwalitatieve aard .

3 . Bij de opstelling van de communautaire bestekken en de behandeling van de individuele steunaanvragen houdt de Commissie rekening met de uitkomsten van de volgens dit artikel uitgevoerde evaluaties .

4 . Het grondbeginsel van en de werkwijze bij de evaluatie worden nader omschreven in de communautaire bestekken .

5 . De resultaten van de evaluaties worden aan het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité voorgelegd in het kader van het in artikel 16 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde jaarverslag .

TITEL VIII COMITÉS Artikel 27 Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's Met toepassing van artikel 17 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 wordt bij de Commissie een Raadgevend Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio's opgericht, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie . De EIB wijst een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt . Het Europese Parlement wordt regelmatig op de hoogte gesteld van de werkzaamheden van het comité .

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen . Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie over dit ontwerp advies uit, zo nodig door middel van een stemming .

Het advies wordt in de notulen opgenomen . Voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen .

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies . Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij met zijn advies rekening heeft gehouden .

Het comité brengt advies uit over de ontwerp-beschikkingen van de Commissie met betrekking tot de communautaire bestekken bedoeld in artikel 8, lid 5, en in artikel 9, lid 9, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, over de periodieke verslagen als bedoeld in artikel 8 van Verordening ( EEG ) nr . 4254 /88, alsmede over de opstelling en de herziening van de lijst van de in het kader van doelstelling 2 in aanmerking genomen zones . Bovendien kan de Commissie aan het comité de in artikel 10 van Verordening ( EEG ) nr . 4254/88 bedoelde vraagstukken voorleggen .

De adviezen van het comité worden ter kennis gebracht van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29 .

Het comité stelt zijn reglement van orde vast .

Artikel 28 Comité bedoeld in artikel 124 van het Verdrag Met toepassing van artikel 17 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 wordt het in artikel 124 van het Verdrag bedoelde comité samengesteld uit twee vertegenwoordigers van de Regering, twee vertegenwoordigers van de vakbonden en twee vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties per Lid-Staat . Het lid van de Commissie dat met het voorzitterschap is belast, kan deze functie aan een hoge ambtenaar van de Commissie delegeren .

Voor iedere Lid-Staat wordt per vermelde categorie een plaatsvervanger benoemd . Bij afwezigheid van een of van beide leden neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel .

De leden en hun plaatsvervangers worden op voordracht van de Commissie door de Raad voor een periode van drie jaar benoemd . Zij zijn herbenoembaar . De Raad streeft bij de samenstelling van het comité naar een evenwichtige vertegenwoordiging van alle betrokken groepen . De EIB wijst, voor de haar betreffende agendapunten, een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt .

Het comité brengt advies uit over de ontwerp-besluiten van de Commissie met betrekking tot de richtsnoeren voor de actie uit hoofde van de doelstellingen 3 en 4, over de communautaire bestekken uit hoofde van deze doelstellingen, alsmede over de communautaire bestekken uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5 b ), als het aangelegenheden betreft voor de ondersteuning waarvan het Europees Sociaal Fonds zorgdraagt .

De instemming van het comité wordt geacht te zijn verkregen bij absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen . De Commissie licht het comité in over de wijze waarop zij met de adviezen rekening heeft gehouden .

De adviezen van het comité worden ter kennis gebracht van de in de artikelen 27 en 29 bedoelde comités .

Het comité stelt zijn reglement van orde vast .

Artikel 29 Comité landbouwstructuur en plattelandsontwikkeling Met toepassing van artikel 17 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 wordt bij de Commissie een Comité landbouwstructuur en plattelandsontwikkeling opgericht dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie . De EIB wijst een vertegenwoordiger aan, die niet aan de stemming deelneemt .

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor . Het comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter naar gelang van de urgentie van de materie kan vaststellen . Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen; bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten overeenkomstig genoemd artikel gewogen . De voorzitter neemt niet aan de stemming deel .

De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn . Indien deze maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht . In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, voor ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen .

Binnen de in de derde alinea genoemde termijn kan de Raad met gekwalificeerde meederheid van stemmen een andersluidend besluit nemen .

Het comité brengt advies uit over de ontwerp-besluiten van de Commissie :

-met betrekking tot de gemeenschappelijke acties uit hoofde van doelstelling 5 a );

-met betrekking tot de communautaire bestekken uit hoofde van doelstelling 5 b ).

Het in dit artikel bedoelde comité treedt in de plaats van het bij artikel 1 van de beschikking van de Raad van 4 december 1962 betreffende de cooerdinatie van het structuurbeleid in de landbouw(11 ) ingestelde Permanent Comité voor de landbouwstructuur in alle krachtens die beschikking of krachtens artikel 6 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70(12 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2048/88(13 ), opgedragen functies .

De adviezen van het comité worden ter kennis van de in de artikelen 27 en 28 bedoelde comités gebracht .

Het comité stelt zijn reglement van orde vast .

Artikel 30 Overige bepalingen 1 . De Commissie legt op geregelde tijdstippen aan de in de artikelen 27, 28 en 29 genoemde comités de in artikel 16 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde verslagen voor . Zij kan deze comités om advies verzoeken over iedere andere aangelegenheid dan die bedoeld in deze titel met betrekking tot de bijstandsverlening door de Fondsen, met name in verband met de uitoefening van haar initiatiefrecht, als bedoeld in artikel 5, lid 5, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 .

De comités worden voorts geraadpleegd in alle specifieke gevallen die zijn omschreven in Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 en in alle in artikel 130 E van het Verdrag bedoelde toepassingsverordeningen .

2 . Bij deze worden Besluit 75/185/EEG(14 ) en Besluit 83/517/EEG(15 ) ingetrokken en zijn, wat het EOGFL, afdeling Oriëntatie, betreft, de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 15 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 met betrekking tot het Comité van het EOGFL ( afdeling Oriëntatie ) niet meer van toepassing .

TITEL IX VERSLAGEN EN PUBLICITEIT Artikel 31 Verslagen 1 . De in artikel 16 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 bedoelde jaarverslagen behelzen onder meer :

-een balans van de inspanningen van alle Fondsen, van de EIB en van de overige bestaande financieringsinstrumenten voor de verwezenlijking van de in artikel 1 van bovengenoemde verordening bedoelde prioritaire doelstellingen;

-een balans van de activiteiten van ieder Fonds, van de besteding van hun begrotingsmiddelen en de concentratie van de bijstand in de zin van artikel 12 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, alsmede een balans van het gebruik van de overige, onder de bevoegdheid van de Commissie vallende financieringsinstrumenten en van de concentratie van de middelen van deze instrumenten;

-een balans van de cooerdinatie van steunverlening tussen de Fondsen onderling en met die van de EIB en de overige bestaande financieringsinstrumenten;

-de resultaten van de evaluaties waarvan sprake is in artikel 26;

-de resultaten van de analyse van de weerslag van de steunmaatregelen en van het communautaire beleid ten opzichte van de doelstellingen genoemd in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88, met name hun weerslag op de sociaal-economische ontwikkeling van de regio's .

2 . Elk jaar raadpleegt de Commissie de op Europees vlak georganiseerde sociale partners over het structuurbeleid van de Gemeenschap .

3 . In het jaarverslag van het jaar dat voorafgaat aan de voltooiing van de interne markt, vermeldt de Commissie het niveau van samenhang van de Gemeenschap en de uitwerking van de uitvoering van het Gemeenschapsbeleid .

Artikel 32 Voorlichting en publiciteit 1 . De instantie die voor de uitvoering van een door de Gemeenschap financieel gesteunde actie verantwoordelijk is, zorgt voor passende publiciteit ten einde :

-potentiële begunstigden en de beroepsorganisaties van de door de actie geboden mogelijkheden bewust te maken;

-het publiek bewust te maken van de rol die door de Gemeenschap in verband met de actie wordt vervuld .

De Lid-Staten raadplegen de Commissie en stellen haar van de ter zake genomen initiatieven in kennis .

TITEL X SLOTBEPALINGEN Artikel 33 Overgangsbepalingen 1 . Krachtens artikel 15, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 moeten aanvragen voor meerjarenacties die na de goedkeuring van genoemde verordening maar vóór het van kracht worden van alle, in artikel 130 E van het Verdrag bedoelde toepassingsverordeningen worden ingediend, aan de in artikel 1 van genoemde verordening vervatte doelstellingen voldoen en in een van de in artikel 5 van genoemde verordening bedoelde vormen van bijstandsverlening ten uitvoer worden gelegd .

2 . Bij de opstelling van de communautaire bestekken houdt de Commissie rekening met elke, door de Raad of door haar vóór het van kracht worden van de in artikel 130 E van het Verdrag bedoelde toepassingsbesluiten goedgekeurde meerjarenacties die een financiële weerslag hebben in de loop van de door de bestekken bestreken periode .

3 . De Commissie kan de betrokken Lid-Staat voorstellen de bepalingen van de verordeningen voor de Fondsen die op 1 januari 1989 in werking treden, op de reeds vóór die datum goedgekeurde acties toe te passen .

4 . Ten einde de continuïteit van de actie van de Fondsen in de periode van 1 januari tot 1 oktober 1989 te waarbor - gen, is de inwilliging door de Commissie van de nieuwe aanvragen die tijdens dat tijdvak worden ingediend, niet afhankelijk van de naleving van het bepaalde in artikel 15 . Dergelijke acties worden vermeld in de later volgende beschikking over het betrokken communautair bestek .

5 . Krachtens artikel 15, lid 4, van Verordening ( EEG ) nr . 2052/88 kunnen de aanvragen betreffende niet over verscheidene jaren verspreide acties die vóór de inwerkingtreding van deze verordening werden ingediend, na die datum worden goedgekeurd op grond van de regelgeving die op het ogenblik van de indiening van die aanvragen van toepassing was .

Artikel 34 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1989 .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel, 19 december 1988 .

Voor de RaadDe VoorzitterTh . PANGALOS ( 1)PB nr . C 256 van 3 . 10 . 1988, blz . 1 .

( 2)PB . nr . C 326 van 19 . 12 . 1988 en besluit van 14 december 1988 ( nog niet verschenen in het Publikatieblad ).

( 3)PB nr . C 337 van 31 . 12. 1988 .

( 4)PB nr . L 185 van 15 . 7 . 1988, blz . 9 .

( 5)PB nr . L 128 van 19 . 5 . 1975, blz . 1 .

( 6)PB nr . L 93 van 30 . 3 . 1985, blz . 1 .

( 7)Zie bladzijde 21 van dit Publikatieblad .

( 8)Zie bladzijde 25 van dit Publikatieblad .

( 9)PB nr . L 376 van 31. 12 . 1986, blz . 7 .

( 10)Zie bladzijde 15 van dit Publikatieblad .

( 11)PB nr . 136 van 17 . 12 . 1962, blz . 2892/62 .

( 12)PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970, blz . 13 .

( 13)PB nr . L 185 van 15 . 7 . 1988, blz . 1 .

( 14)PB nr . L 73 van 21 . 3 . 1975, blz . 47 .

( 15)PB nr . L 289 van 22 . 10 . 1983, blz . 42 .

Top