Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02011L0093-20111217

Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/93/2011-12-17

2011L0093 — NL — 17.12.2011 — 000.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN ►C1  2011/93/EU ◄ VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011

ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad

(PB L 335, 17.12.2011, p.1)


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 018, 21.1.2012, blz. 7  (2011/93)




▼B

RICHTLIJN ►C1  2011/93/EU ◄ VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011

ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, en artikel 83, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ( 1 ),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure ( 2 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, met inbegrip van kinderpornografie, vormen ernstige schendingen van de grondrechten, in het bijzonder van de rechten van kinderen op de voor hun welzijn noodzakelijke bescherming en zorg, die zijn vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 3 ).

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin artikel 24, lid 2, bepaalt dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of private instellingen, de belangen van het kind voorop moeten staan. Bovendien maakt het Programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger ( 4 ) - de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en van kinderpornografie tot een duidelijke prioriteit.

(3)

Kinderpornografie, bestaande uit beelden van seksueel misbruik van kinderen, en andere zeer ernstige vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen nemen toe en raken steeds meer verspreid door het gebruik van nieuwe technologieën en het internet.

(4)

Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie ( 5 ) zorgt voor een onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten, om aldus de ernstigste vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen strafbaar te stellen, de nationale rechtsmacht uit te breiden en een minimaal niveau van bijstand voor de slachtoffers te waarborgen. Bij Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure ( 6 ) wordt een reeks rechten van slachtoffers in strafprocedures vastgesteld, met inbegrip van het recht op bescherming en schadevergoeding. Bovendien zal de coördinatie van de vervolging van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie worden vergemakkelijkt door de uitvoering van Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures ( 7 ).

(5)

Overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind verbinden de verdragspartijen zich ertoe kinderen tegen alle vormen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik te beschermen. Het Facultatief Protocol van de Verenigde Naties van 2000 inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en in het bijzonder het Verdrag van de Raad van Europa van 2007 inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik vormen cruciale stappen in het proces van versterking van de internationale samenwerking op dit gebied.

(6)

Ernstige misdrijven zoals de seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie vergen een integrale benadering waarbij aandacht wordt besteed aan de vervolging van daders, de bescherming van kindslachtoffers en de preventie van de bewuste praktijken. Bij de uitvoering van maatregelen ter bestrijding van deze misdrijven moeten overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind de belangen van het kind voorop staan. Om dat doel te bereiken dient Kaderbesluit 2004/68/JBZ te worden vervangen door een nieuw instrument dat in een dergelijk alomvattend rechtskader voorziet.

(7)

Deze richtlijn dient ter volledige aanvulling op Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad ( 8 ), aangezien bepaalde slachtoffers van mensenhandel ook kinderen zijn die het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting.

(8)

In het kader van de strafbaarstelling van handelingen met betrekking tot pornografische voorstellingen wordt in deze richtlijn verwezen naar die handelingen die bestaan uit een georganiseerde live voorstelling bedoeld voor een publiek; persoonlijke rechtstreekse communicatie met wederzijds goedvinden tussen gelijken of tussen kinderen die de leeftijd van seksuele meerderjarigheid hebben bereikt en hun partners valt niet onder de definitie.

(9)

Kinderpornografie bevat vaak beeldopnamen van seksueel misbruik van kinderen door volwassenen. Kinderpornografie kan tevens afbeeldingen omvatten van kinderen die betrokken zijn bij expliciete seksuele gedragingen of van hun geslachtsorganen, waarbij dergelijke afbeeldingen worden vervaardigd of gebruikt voor primair seksuele doeleinden en, met of zonder medeweten van het kind, worden geëxploiteerd. Voorts heeft het concept van kinderpornografie ook betrekking op realistische afbeeldingen van een kind dat deelneemt of wordt afgebeeld alsof het deelneemt aan expliciete seksuele gedragingen, voor primair seksuele doeleinden.

(10)

Een handicap op zichzelf leidt niet automatisch tot een onmogelijkheid om in te stemmen met seksuele betrekkingen. Niettemin moet het misbruik maken van een dergelijke handicap teneinde deel te nemen aan seksuele handelingen met een kind, strafbaar worden gesteld.

(11)

Bij het vaststellen van wetgeving inzake materieel strafrecht dient de Unie de samenhang van deze wetgeving te waarborgen, in het bijzonder voor wat betreft de strafmaat. In het licht van het Verdrag van Lissabon dient rekening te worden gehouden met de conclusies van de Raad van 24 en 25 april 2002 met betrekking tot de te volgen methode voor de harmonisatie van straffen, waarin vier strafniveaus worden aangegeven. Deze richtlijn bevat een uitzonderlijk hoog aantal verschillende strafbare feiten en vereist bijgevolg een grotere differentiatie in de strafmaat dan gebruikelijk in rechtsinstrumenten van de Unie, teneinde de ernst van de verschillende strafbare feiten te weerspiegelen.

(12)

Ernstige vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen dienen te worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen. Dit geldt met name voor diverse vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen die worden vergemakkelijkt door het gebruik van informatie- en communicatietechnologie, zoals het online benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden via sociale netwerksites en chatrooms. Voorts dient de definitie van kinderpornografie te worden verduidelijkt en beter in overeenstemming te worden gebracht met de in internationale instrumenten gehanteerde definitie.

(13)

De in deze richtlijn vastgelegde maximumgevangenisstraf voor de in deze richtlijn vermelde strafbare feiten moet ten minste gelden voor de meest ernstige vormen van deze strafbare feiten.

(14)

Om de in deze richtlijn vastgestelde maximumgevangenisstraf voor strafbare feiten met betrekking tot seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie te bereiken, mogen de lidstaten, met inachtneming van hun nationaal recht, de in de nationale wetgeving voorziene gevangenisstraffen voor die strafbare feiten, combineren.

(15)

Bij deze richtlijn worden lidstaten verplicht strafrechtelijke straffen in hun nationale wetgeving op te nemen met betrekking tot de bepalingen van het Unierecht inzake de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Deze richtlijn schept geen verplichtingen met betrekking tot de toepassing van dergelijke straffen of enig ander beschikbaar rechtshandhavingsysteem in individuele gevallen.

(16)

In het bijzonder wanneer de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten worden gepleegd met het oogmerk van financieel gewin, worden de lidstaten verzocht de mogelijkheid te overwegen om in aanvulling op gevangenisstraf tevens geldelijke straffen op te leggen.

(17)

In de context van kinderpornografie biedt de term „wederrechtelijk” de lidstaten de mogelijkheid een verweer te bieden ten aanzien van handelswijzen met betrekking tot „pornografisch materiaal” die bijvoorbeeld medische, wetenschappelijke of vergelijkbare doeleinden dienen. De term staat tevens de verrichting van onder nationale juridische bevoegdheden ressorterende activiteiten toe, zoals het rechtmatige bezit van kinderpornografie door de autoriteiten teneinde strafprocedures in te stellen of misdrijven te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken. Voorts kan deze term juridische verweermiddelen of vergelijkbare relevante beginselen omvatten die een persoon onder specifieke omstandigheden van aansprakelijkheid kunnen vrijwaren, bijvoorbeeld wanneer telefonische of internetmeldpunten activiteiten uitvoeren om dergelijke gevallen te melden.

(18)

Het zich, door middel van informatie- en communicatietechnologie, welbewust toegang verschaffen tot kinderpornografie, moet strafbaar worden gesteld. De betrokkene is pas aansprakelijk wanneer hij van plan is een website te bezoeken waarop kinderpornografie beschikbaar is en tevens weet dat dergelijke afbeeldingen daar te vinden zijn. Er moeten geen straffen worden opgelegd wanneer iemand onopzettelijk op een website met kinderpornografie terechtkomt. De opzettelijke aard van het strafbare feit kan met name worden afgeleid uit de omstandigheid dat het feit zich herhaaldelijk voordoet of dat het feit tegen betaling via een dienst werd gepleegd.

(19)

In het kader van het internet vormt het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden een bedreiging met specifieke kenmerken, aangezien internet de gebruiker een ongekende anonimiteit biedt omdat hij zijn identiteit en persoonlijke kenmerken, zoals zijn leeftijd, kan verhullen. Tegelijkertijd erkennen de lidstaten dat het van groot belang is de benadering van kinderen voor seksuele doeleinden buiten de context van internet eveneens te bestrijden, in het bijzonder wanneer een dergelijke benadering plaatsvindt zonder gebruik van informatie- en communicatietechnologie. De lidstaten worden aangespoord om gedragingen waarbij de benadering van een kind om de dader te ontmoeten voor seksuele doeleinden plaatsvindt in de aanwezigheid of de nabijheid van het kind, strafbaar te stellen, bijvoorbeeld in de vorm van een strafbare voorbereiding van een misdrijf, een poging tot het plegen van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten of een bijzondere vorm van seksueel misbruik. Ongeacht welke juridische oplossing wordt gekozen om het offline benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden („offline grooming”) strafbaar te stellen, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de plegers van dergelijke strafbare feiten op enigerlei wijze worden vervolgd.

(20)

Deze richtlijn is niet van toepassing op het beleid van de lidstaten betreffende seksuele handelingen met onderlinge instemming waarbij kinderen betrokken kunnen zijn en die kunnen worden beschouwd als uiting van de normale ontdekking van de seksualiteit in het kader van de persoonlijke ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende culturele en juridische tradities en met nieuwe vormen van het aanknopen en onderhouden van betrekkingen tussen kinderen en adolescenten, onder meer via informatie- en communicatietechnologie. Deze kwesties vallen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn. lidstaten die gebruikmaken van de in deze richtlijn geboden mogelijkheden, zullen dit doen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.

(21)

De lidstaten moeten in hun nationaal recht verzwarende omstandigheden opnemen overeenkomstig de toepasselijke regels in hun rechtsstelsels inzake verzwarende omstandigheden. Zij dienen ervoor te zorgen dat rechters deze verzwarende omstandigheden bij de veroordeling van daders kunnen laten meewegen, ofschoon rechters niet tot de toepassing ervan verplicht zijn. De lidstaten hoeven verzwarende omstandigheden niet in hun recht op te nemen wanneer zij, gezien de aard van het specifieke strafbare feit, irrelevant zijn. De relevantie van de diverse in deze richtlijn vastgelegde verzwarende omstandigheden moet op nationaal niveau worden beoordeeld voor elk van de in deze richtlijn genoemde strafbare feiten.

(22)

In het kader van deze richtlijn dient onder lichamelijk of geestelijk onvermogen tevens het lichamelijk of geestelijk onvermogen te worden verstaan dat wordt veroorzaakt door de invloed van drugs en alcohol.

(23)

Bij de bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen dient ten volle gebruik te worden gemaakt van bestaande instrumenten inzake de inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van misdrijven, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de protocollen daarbij, het Verdrag van de Raad van Europa van 1990 inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven ( 9 ), en Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen ( 10 ). Het in deze richtlijn bedoelde gebruik van in beslag genomen en geconfisqueerde hulpmiddelen en de opbrengsten van strafbare feiten om slachtoffers bij te staan en te beschermen, moet worden aangemoedigd.

(24)

Secundaire victimisatie moet worden vermeden bij slachtoffers van in deze richtlijn genoemde strafbare feiten. In lidstaten waar prostitutie of het verschijnen in pornografie op grond van het nationale strafrecht strafbaar is, dient het mogelijk te zijn niet tot vervolging over te gaan of geen straffen op te leggen conform dat recht, wanneer het kind in kwestie deze daden heeft gepleegd omdat het een slachtoffer was van seksuele uitbuiting of omdat het gedwongen was deel te nemen aan kinderpornografie.

(25)

Als instrument voor de onderlinge afstemming van het strafrecht voorziet deze richtlijn in strafmaten die moeten gelden zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het specifieke strafrechtelijke beleid van de lidstaten jegens kinderen die strafbare feiten plegen.

(26)

Het onderzoek naar strafbare feiten en het instellen van de strafvordering dienen te worden ondersteund, in aanmerking genomen hoe moeilijk het voor kindslachtoffers is om seksueel misbruik aan te geven en hoe gemakkelijk daders in cyberspace anoniem kunnen blijven. Met het oog op het slagen van het onderzoek en de vervolging van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, mag het instellen ervan in principe niet afhankelijk zijn van een aangifte of klacht van het slachtoffer of zijn vertegenwoordiger. De duur van een voldoende lange periode voor vervolging dient te worden vastgesteld overeenkomstig het nationale recht.

(27)

De personen die belast zijn met het onderzoek en de vervolging van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten moeten kunnen beschikken over doeltreffende onderzoeksmiddelen. Het kan daarbij onder meer gaan om het onderscheppen van gesprekken, geheime observatie, onder meer met elektronische middelen, toezicht op bankrekeningen of andere financiële onderzoeken, daarbij rekening houdend met, onder andere, het evenredigheidsbeginsel en de aard en ernst van de onderzochte strafbare feiten. Wanneer dit gepast is, en overeenkomstig het nationale recht moeten dergelijke onderzoeksmiddelen de rechtshandhavingsinstanties tevens de mogelijkheid bieden om een verhulde identiteit te gebruiken op internet.

(28)

De lidstaten moeten ieder persoon die op de hoogte is of een vermoeden heeft van het seksuele misbruik of de seksuele uitbuiting van een kind, aanmoedigen dit te melden bij de bevoegde diensten. Het is de verantwoordelijkheid van elke lidstaat om te bepalen bij welke bevoegde autoriteiten dergelijke vermoedens kunnen worden gemeld. Die bevoegde autoriteiten mogen niet beperkt zijn tot diensten voor kinderbescherming of relevante sociale diensten. De vereiste dat een melding te goeder trouw moet gebeuren, heeft tot doel te voorkomen dat de bepaling wordt ingeroepen om met kwade opzet zuiver denkbeeldige of niet op waarheid berustende feiten aan te geven.

(29)

De regels inzake rechtsmacht dienen te worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat personen uit de Unie die kinderen seksueel misbruiken of uitbuiten worden vervolgd, zelfs wanneer zij hun misdrijven buiten de Unie plegen, met name in het kader van het zogeheten sekstoerisme. Onder „kindersekstoerisme” moet de seksuele uitbuiting van kinderen worden verstaan door een persoon of personen die vanuit hun gebruikelijke omgeving naar een bestemming in het buitenland reizen waar zij seksuele contacten met kinderen hebben. Wanneer kindersekstoerisme buiten de Unie plaatsvindt, worden de lidstaten aangemoedigd ernaar te streven de samenwerking met derde landen en internationale organisaties te intensiveren door middel van de beschikbare nationale en internationale instrumenten, met inbegrip van bilaterale of multilaterale verdragen inzake uitlevering, wederzijdse bijstand of overdracht van procedures, teneinde sekstoerisme te bestrijden. De lidstaten moeten een open dialoog en communicatie met landen buiten de Unie bevorderen, teneinde op grond van de relevante nationale wetgeving daders te kunnen vervolgen die met het oog op kindersekstoerisme buiten de grenzen van de Unie reizen.

(30)

Bij maatregelen om kindslachtoffers te beschermen moeten de belangen van het kind voorop staan en moet rekening worden gehouden met hun behoeften. Kindslachtoffers dienen gemakkelijk toegang te hebben tot rechtsmiddelen en maatregelen voor het oplossen van belangenconflicten in het geval van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting van een kind in het gezin of de familie. Wanneer in een strafonderzoek of een strafproces een bijzondere vertegenwoordiger voor een kind moet worden aangewezen, kan deze rol ook door een rechtspersoon, een instelling of een autoriteit worden vervuld. Kindslachtoffers moeten ook worden beschermd tegen straffen, bijvoorbeeld krachtens de nationale wetgeving inzake prostitutie, wanneer zij hun situatie bij de bevoegde instanties onder de aandacht brengen. Voorts mag de deelname van kindslachtoffers aan een strafprocedure, voor zover mogelijk, geen verdere trauma's veroorzaken door ondervragingen of oogcontact met daders. Een goed begrip van kinderen en de manier waarop zij reageren op traumatische ervaringen maakt het mogelijk de kwaliteit van de bewijsverzameling te waarborgen en ervoor te zorgen dat het kind zo weinig mogelijk onder druk staat wanneer de noodzakelijke maatregelen worden genomen.

(31)

Lidstaten moeten overwegen om kindslachtoffers zowel op korte als lange termijn bijstand te verlenen. Elk leed als gevolg van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van een kind is aanzienlijk en moet worden aangepakt. Gezien de aard van het leed ten gevolge van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, moet dergelijke bijstand zo lang worden voortgezet als nodig is voor het lichamelijke en psychische herstel van het kind en kan hij indien noodzakelijk worden gecontinueerd wanneer het kind volwassen is. Er moet worden overwogen bijstand en advies uit te breiden tot ouders of voogden van kindslachtoffers indien zij niet van deelname aan het misdrijf worden verdacht, om hen in staat te stellen kindslachtoffers tijdens de procedure te kunnen bijstaan.

(32)

Kaderbesluit 2001/220/JBZ stelt een aantal rechten van het slachtoffer in de strafprocedure vast, waaronder het recht op bescherming en schadevergoeding. Voorts dienen kinderen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting en kinderpornografie toegang te krijgen tot juridisch advies en, overeenkomstig de rol die het toepasselijke rechtsstelsel aan het slachtoffer toebedeelt, tot vertegenwoordiging in rechte, ook voor het vorderen van een schadevordering. Dit juridische advies en deze vertegenwoordiging zouden ook door de bevoegde autoriteiten kunnen worden verleend in het geval de schadevergoeding van de staat wordt gevorderd. Het juridische advies heeft ten doel slachtoffers in staat te stellen informatie en advies te krijgen over de verschillende mogelijkheden waarover zij beschikken. Juridisch advies dient te worden verstrekt door iemand die een passende juridische opleiding heeft genoten, maar dit hoeft niet noodzakelijk een jurist te zijn. Juridisch advies en, overeenkomstig de rol die het toepasselijke rechtsstelsel aan het slachtoffer toebedeelt, vertegenwoordiging in rechte moeten kosteloos zijn, in elk geval wanneer het slachtoffer over onvoldoende financiële middelen beschikt, en conform de nationale procedures van de lidstaten beschikbaar zijn.

(33)

De lidstaten dienen maatregelen te nemen om handelingen die verband houden met de bevordering van seksueel misbruik van kinderen en kindersekstoerisme te voorkomen of te verbieden. Er kan aan verschillende preventiemaatregelen worden gedacht, zoals de opstelling en aanscherping van een gedragscode en zelfreguleringsmechanismen in de toeristische sector, het invoeren van een ethische code of „kwaliteitslabels” voor toeristische organisaties die kindersekstoerisme bestrijden of het ontwikkelen van uitdrukkelijk beleid om kindersekstoerisme aan te pakken.

(34)

De lidstaten moeten beleid ontwikkelen en/of hun beleid aanscherpen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen, onder meer met maatregelen om de vraag die de voedingsbodem is voor alle vormen van seksuele uitbuiting van kinderen, te ontmoedigen en te doen afnemen, en maatregelen om het risico dat kinderen slachtoffer worden in te perken door middel van informatie- en bewustmakingscampagnes, en onderzoeks- en educatieve programma's. Bij dergelijke initiatieven dienen de lidstaten oog te hebben voor de bevordering van de rechten van het kind. Er dient met name voor te worden gezorgd dat bewustmakingscampagnes die op kinderen zijn gericht, geschikt en eenvoudig te begrijpen zijn. Ook de instelling van hulplijnen of meldpunten moet worden overwogen.

(35)

Wat betreft het stelsel voor het doen van een aangifte van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en het bijstaan van kinderen in nood, moet het gebruik van de telefonische meldpunten onder de nummers 116 000 voor vermiste kinderen, 116 006 voor slachtoffers van een misdrijf en 116 111 voor kinderen, zoals ingevoerd bij Beschikking van de Commissie 2007/116/EG van 15 februari 2007 inzake het reserveren van de nationale nummerreeks die begint met 116 voor geharmoniseerde nummers voor geharmoniseerde diensten met een maatschappelijke waarde ( 11 ), worden bevorderd en moet rekening worden gehouden met de ervaringen met het functioneren van deze nummers.

(36)

Professionele dienstverleners die mogelijk in contact komen met kinderen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, dienen adequaat te worden opgeleid om dergelijke slachtoffers te herkennen en met hen om te gaan. Dergelijke opleiding moet worden aangemoedigd voor leden van de onderstaande categorieën die met kindslachtoffers in aanraking kunnen komen: politiebeambten, openbare aanklagers, advocaten, leden van de rechterlijke macht en gerechtsambtenaren, kinderverzorgings- en gezondheidswerkers, maar ook andere groepen mensen die in het kader van hun werkzaamheden mogelijk met kinderen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting te maken kunnen krijgen.

(37)

Om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen, moeten zedendelinquenten specifieke interventieprogramma's of op hen toegespitste maatregelen krijgen aangeboden. Die interventieprogramma's of -maatregelen moeten berusten op een brede, flexibele aanpak die is gericht op de medische en psychosociale aspecten en zij moeten een niet-verplicht karakter hebben. Genoemde interventieprogramma's of -maatregelen laten de door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten opgelegde interventieprogramma's of -maatregelen onverlet.

(38)

Interventieprogramma's of -maatregelen worden niet als automatisch recht verleend. Het is aan de lidstaat om te bepalen welke interventieprogramma's of -maatregelen geschikt zijn.

(39)

Om recidive te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, moeten daders worden beoordeeld op het gevaar dat zij vormen en het mogelijke risico op herhaling van zedendelicten tegen kinderen. De bijzonderheden van een dergelijke beoordeling, zoals het soort autoriteit dat bevoegd is om de beoordeling te gelasten en te verrichten of het moment tijdens of na de strafprocedure waarop die beoordeling moet plaatsvinden, alsook de bijzonderheden van doeltreffende interventieprogramma's of -maatregelen die naar aanleiding van die beoordeling worden aangeboden, moeten stroken met de nationale procedures van de lidstaten. Eveneens ter voorkoming en beperking van recidive moeten daders ook op vrijwillige basis kunnen deelnemen aan doeltreffende interventieprogramma's of -maatregelen. Die interventieprogramma's of -maatregelen mogen geen afbreuk doen aan nationale regelingen die zijn opgezet met het oog op de behandeling van personen die lijden aan een geestesziekte.

(40)

Wanneer dit wenselijk is vanwege het gevaar dat daders vormen en het mogelijke risico op herhaling van de strafbare feiten, dient aan veroordeelde daders tijdelijk of permanent een verbod te worden opgelegd dat ten minste betrekking heeft op het uitoefenen van beroepsactiviteiten waarbij zij rechtstreeks en geregeld in aanraking komen met kinderen. Werkgevers die personeel aanwerven voor een baan die rechtstreeks en regelmatig contact met kinderen behelst, hebben het recht op de hoogte te worden gebracht van in het strafregister opgenomen bestaande veroordelingen voor zedendelicten ten koste van kinderen, of van reeds opgelegde verboden. Voor de toepassing van deze richtlijn dient het begrip „werkgevers” tevens personen te omvatten die een organisatie leiden op het gebied van vrijwilligerswerk dat in verband staat met het toezicht op en/of de verzorging van kinderen en waarbij sprake is van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen. De wijze van informatieverstrekking, bijvoorbeeld via de betrokken persoon, en de exacte inhoud van die informatie, de definitie van georganiseerde vrijwilligersactiviteiten en van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen, moeten overeenkomstig het nationale recht worden bepaald.

(41)

Met inachtneming van de verschillende rechtstradities van de lidstaten wordt in de bepalingen van deze richtlijn rekening gehouden met het feit dat toegang tot strafregisters uitsluitend is voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten ofwel aan de betrokken persoon. Deze richtlijn stelt geen verplichting in om de nationale regelingen met betrekking tot strafregisters of de wijze van toegang tot deze registers aan te passen.

(42)

Deze richtlijn beoogt geen harmonisatie van de regels inzake de toestemming van de betrokkene bij uitwisseling van informatie uit strafregisters, d.w.z. inzake de vraag of deze toestemming vereist is of niet. Met betrekking tot de vraag of toestemming krachtens het nationale recht vereist is of niet wordt in deze richtlijn geen enkele nieuwe verplichting opgelegd om het nationale recht en de nationale procedures in dit opzicht aan te passen.

(43)

De lidstaten kunnen overwegen aanvullende bestuursrechtelijke maatregelen te nemen met betrekking tot daders, zoals opname van personen die veroordeeld zijn wegens in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten in registers van zedendelinquenten. De toegang tot deze registers moet worden beperkt overeenkomstig de nationale grondwettelijke beginselen en de vigerende normen voor gegevensbescherming, bijvoorbeeld door de toegang te beperken tot leden van de rechterlijke macht en/of rechtshandhavinginstanties.

(44)

De lidstaten worden aangemoedigd mechanismen voor gegevensverzameling tot stand te brengen of contactpunten te creëren, op nationaal of lokaal niveau en in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, voor de observatie en evaluatie van het verschijnsel van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen. Om de resultaten van acties ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie naar behoren te kunnen beoordelen, dient de Unie de ontplooiing voort te zetten van haar werkzaamheden op het gebied van methodologieën en methoden voor gegevensverzameling om vergelijkbare statistieken te produceren.

(45)

De lidstaten dienen passende maatregelen te nemen om voorlichtingsdiensten te voorzien teneinde informatie te verstrekken over hoe de signalen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting kunnen worden herkend.

(46)

Kinderpornografie bestaat uit beelden van het seksuele misbruik van kinderen en kan onder geen enkele voorwaarde worden beschouwd als een meningsuiting. Om kinderpornografie te bestrijden moet de verspreiding van materiaal betreffende seksueel misbruik van kinderen worden beperkt door het voor daders moeilijker te maken om de inhoud op het publiek toegankelijke internet te uploaden. Er moet derhalve worden opgetreden om de desbetreffende inhoud te verwijderen en degenen die zich schuldig maken aan het vervaardigen, verspreiden of downloaden van beelden van seksueel misbruik van kinderen aan te houden. Om de inspanningen van de Unie met betrekking tot de bestrijding van kinderpornografie te ondersteunen, dienen de lidstaten zo goed mogelijk samen te werken met derde landen teneinde ervoor te zorgen dat dergelijke inhoud van de op hun grondgebied opererende servers wordt verwijderd.

(47)

Ondanks deze inspanningen is het evenwel vaak niet mogelijk de inhoud met kinderpornografie bij de bron te verwijderen wanneer het originele materiaal zich buiten de Unie bevindt, hetzij omdat de staat waar de servers worden gehost weigert mee te werken, hetzij omdat het bekomen van de verwijdering van het materiaal door de betrokken staat bijzonder lang blijkt te duren. Er mogen tevens mechanismen worden gecreëerd om toegang vanaf het grondgebied van de Unie tot webpagina's waarvan is vastgesteld dat ze kinderpornografie bevatten of verspreiden, te blokkeren. De maatregelen die door de lidstaten in overeenstemming met deze richtlijn worden genomen om websites die kinderpornografie bevatten te verwijderen of, indien nodig, te blokkeren, kunnen worden gebaseerd op verschillende soorten overheidsoptreden zoals wetgevend, niet-wetgevend, gerechtelijk en ander optreden. In die context doet deze richtlijn geen afbreuk aan vrijwillige maatregelen die door de internetindustrie worden genomen om verkeerd gebruik van haar diensten te voorkomen, noch aan de eventuele steun voor dergelijke maatregelen van de lidstaten. Ongeacht de rechtsgrond of methode die wordt gekozen, dienen de lidstaten te zorgen voor een adequaat niveau van rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor gebruikers en dienstverleners. Om inhoud met kindermisbruik te verwijderen en te blokkeren moet samenwerking tussen de overheidsinstanties tot stand worden gebracht en versterkt, vooral om ervoor te zorgen dat nationale lijsten van webpagina's die kinderpornografisch materiaal bevatten zo volledig mogelijk zijn en om dubbele inspanningen te voorkomen. Bij al deze ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de rechten van de eindgebruikers, moeten de bestaande wettelijke en gerechtelijke procedures, het Europese Verdrag voor de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden nageleefd. Als onderdeel van het Actieplan voor een veiliger internet is een netwerk van telefonische meldpunten opgezet voor het verzamelen van informatie en het opstellen en uitwisselen van verslagen over de belangrijkste vormen van illegale inhoud online.

(48)

Deze richtlijn beoogt de bepalingen van Kaderbesluit 2004/68/JBZ te wijzigen en uit te breiden. Aangezien de aan te brengen wijzigingen talrijk en ingrijpend zijn, dient het kaderbesluit, met het oog op de duidelijkheid, volledig te worden vervangen voor wat de lidstaten betreft die deelnemen aan de vaststelling van deze richtlijn.

(49)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de bestrijding van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door lidstaten en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen dus beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(50)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, inzonderheid het recht op bescherming van de menselijke waardigheid, het verbod op folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, de rechten van het kind, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, alsmede het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake misdrijven en straffen. Deze richtlijn beoogt de volledige eerbiediging van die rechten en beginselen te waarborgen en zij moet dienovereenkomstig worden toegepast.

(51)

Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland kennis gegeven van hun wens om aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn deel te nemen.

(52)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn en is het dus niet gebonden door, noch onderworpen aan de toepassing van deze richtlijn,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze richtlijn stelt minimumregels vast voor de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, kinderpornografie en het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden. Zij voert tevens bepalingen in om de preventie van die misdrijven en de bescherming van slachtoffers daarvan te versterken.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

kind : een persoon die jonger is dan achttien jaar;

b)

seksuele meerderjarigheid : de leeftijd beneden dewelke het overeenkomstig het nationale recht verboden is met een kind seksuele handelingen aan te gaan;

c)

kinderpornografie :

i) alle materiaal dat de visuele weergave behelst van een kind dat deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele handelingen;

ii) elke weergave voor primair seksuele doeleinden van de geslachtsorganen van een kind;

iii) alle materiaal dat de visuele weergave behelst van een persoon die er als een kind uitziet en die deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen of elke weergave voor primair seksuele doeleinden van de geslachtsorganen van een persoon die er als een kind uitziet, of

iv) realistische afbeeldingen van een kind dat deelneemt aan expliciete seksuele gedragingen, of realistische afbeeldingen voor primair seksuele doeleinden van de geslachtsorganen van een kind;

d)

kinderprostitutie : het gebruiken van een kind voor seksuele handelingen, waarbij geld of een andere vorm van beloning of vergoeding wordt gegeven of beloofd in ruil voor seksuele handelingen van het kind, ongeacht of die betaling, belofte of vergoeding aan het kind of aan een derde wordt gegeven of gedaan;

e)

pornografische voorstelling :

het live vertonen, bedoeld voor een publiek, onder meer door gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie:

i) van een kind dat deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen, of

ii) van de geslachtsorganen van een kind voor primair seksuele doeleinden;

f)

rechtspersoon : een entiteit met rechtspersoonlijkheid krachtens het toepasselijke recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties bij de uitoefening van hun openbare macht en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

Artikel 3

Strafbare feiten op het gebied van seksueel misbruik

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de leden 2 tot en met 6 bedoelde opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld.

2.  Het voor seksuele doeleinden bewerkstelligen dat een kind dat nog niet seksueel meerderjarig is, getuige is van seksuele handelingen, ook zonder dat het daaraan hoeft deel te nemen, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste één jaar.

3.  Het voor seksuele doeleinden bewerkstelligen dat een kind dat nog niet seksueel meerderjarig is, getuige is van seksueel misbruik, ook zonder dat het daaraan hoeft deel te nemen, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste twee jaar.

4.  Het aangaan van seksuele handelingen met een kind dat nog niet seksueel meerderjarig is, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste vijf jaar.

5.  Het aangaan van seksuele handelingen met een kind, waarbij:

i) misbruik wordt gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het kind wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste drie jaar indien het kind seksueel meerderjarig is;

ii) misbruik wordt gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind, in het bijzonder als gevolg van een geestelijke of lichamelijke handicap of een situatie van afhankelijkheid, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste drie jaar indien het kind seksueel meerderjarig is, of

iii) gebruik wordt gemaakt van dwang, geweld of bedreigingen, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste vijf jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

6.  Een kind middels dwang, geweld of bedreigingen aanzetten tot seksuele handelingen met een derde wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste vijf jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

Artikel 4

Strafbare feiten op het gebied van seksuele uitbuiting

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de leden 2 tot en met 7 genoemde opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld.

2.  Het bewerkstelligen van de deelname van een kind aan pornografische voorstellingen, of het werven van een kind hiervoor of het profiteren of anderszins uitbuiten van een kind voor dergelijke doeleinden, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste vijf jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste twee jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

3.  Het onder dwang of met geweld bewerkstelligen dat een kind deelneemt aan pornografische voorstellingen of het bedreigen van een kind voor dergelijke doeleinden, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is of van ten minste vijf jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

4.  Het welbewust bijwonen van pornografische voorstellingen waaraan een kind deelneemt, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste twee jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste één jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

5.  Het bewerkstelligen dat een kind deelneemt aan kinderprostitutie, het werven van een kind voor dit doel of het profiteren of anderszins uitbuiten van een kind voor dergelijke doeleinden, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste acht jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste vijf jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

6.  Een kind dwingen tot prostitutie of het kind met dat doel bedreigen wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste vijf jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

7.  Het aangaan van seksuele handelingen met een kind, waarbij een beroep wordt gedaan op kinderprostitutie, wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste vijf jaar indien het kind nog niet seksueel meerderjarig is en van ten minste twee jaar indien het kind seksueel meerderjarig is.

Artikel 5

Strafbare feiten op het gebied van kinderpornografie

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de leden 2 tot en met 6 genoemde opzettelijke gedragingen, indien wederrechtelijk gepleegd, strafbaar worden gesteld.

2.  Het verwerven of in bezit hebben van kinderpornografie wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste één jaar.

3.  Het zich door middel van informatie- en communicatietechnologie welbewust toegang verschaffen tot kinderpornografie wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste één jaar.

4.  De distributie, verspreiding of uitzending van kinderpornografie wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste twee jaar.

5.  Het aanbieden, leveren of ter beschikking stellen van kinderpornografie wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste twee jaar.

6.  Het vervaardigen van kinderpornografie wordt gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste drie jaar.

7.  Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of dit artikel van toepassing is op gevallen van kinderpornografie als bedoeld in artikel 2, onder c), punt iii), waarin de persoon die op een kind lijkt, in werkelijkheid 18 jaar of ouder was op het moment dat de weergave werd gemaakt.

8.  Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of de leden 2 en 6 van dit artikel van toepassing zijn op gevallen waarin is vastgesteld dat pornografisch materiaal volgens de definitie van artikel 2, onder c), punt iv), door de maker uitsluitend voor eigen gebruik is vervaardigd en in bezit gehouden, mits voor de vervaardiging ervan geen gebruik is gemaakt van pornografisch materiaal zoals bedoeld in artikel 2, onder c), punten i), ii) of iii), en op voorwaarde dat de handeling geen gevaar inhoudt dat het materiaal wordt verspreid.

Artikel 6

Benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld:

het doen van een voorstel door middel van informatie- en communicatietechnologie, door een volwassene aan een kind dat nog niet seksueel meerderjarig is, tot ontmoeting met het oogmerk om een van de in artikel 3, lid 4, en artikel 5, lid 6, genoemde strafbare feiten te plegen, wordt, voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden, gestraft met een maximumgevangenisstraf van ten minste één jaar.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging door middel van informatie- en communicatietechnologie om de in artikel 5, leden 2 en 3, genoemde strafbare feiten te plegen, door een volwassene die een kind benadert dat nog niet seksueel meerderjarig is met het oogmerk kinderpornografie te verschaffen waarin dat kind wordt afgebeeld, stafbaar wordt gesteld.

Artikel 7

Uitlokking, hulp en aanzetting, en poging

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitlokking van of de hulp bij en de aanzetting tot het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 genoemde strafbare feiten strafbaar worden gesteld.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging tot het plegen van één van de strafbare feiten genoemd in artikel 3, leden 4, 5, en 6, artikel 4, leden 2, 3, 5, 6 en 7, en artikel 5, leden 4, 5 en 6, strafbaar wordt gesteld.

Artikel 8

Consensuele seksuele handelingen

1.  Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of artikel 3, leden 2 en 4, van toepassing is op consensuele seksuele handelingen tussen gelijken, nabij in leeftijd en in psychologische en lichamelijke ontwikkeling of maturiteit, mits de handelingen niet met misbruik gepaard gingen.

2.  Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of artikel 4, lid 4, van toepassing is op een pornografische voorstelling die plaatsvindt in de context van een consensuele relatie waarbij het kind seksueel meerderjarig is of tussen gelijken, nabij in leeftijd en in psychologische en lichamelijke ontwikkeling of maturiteit, mits de handelingen niet met misbruik of uitbuiting gepaard gingen en er geen geld of andere vormen van beloning of vergoeding worden gegeven als betaling in ruil voor de pornografische voorstelling.

3.  Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of artikel 5, leden 2 en 6, van toepassing is op het vervaardigen, verwerven of in bezit hebben van materiaal waarbij kinderen zijn betrokken die seksueel meerderjarig zijn, wanneer dit materiaal is vervaardigd en in bezit wordt gehouden met de toestemming van die kinderen en uitsluitend voor persoonlijk gebruik van de betrokkenen, voor zover het niet met misbruik gepaard ging.

Artikel 9

Verzwarende omstandigheden

Voor zover de hierna genoemde omstandigheden niet reeds tot de wezenlijke bestanddelen van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten behoren, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende omstandigheden, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nationale recht, kunnen worden beschouwd als verzwarende omstandigheden met betrekking tot de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde relevante strafbare feiten:

a) het strafbare feit werd gepleegd jegens een kind in een bijzonder kwetsbare situatie, zoals een kind met een geestelijke of lichamelijke handicap, in een toestand van afhankelijkheid of in een staat van lichamelijk of geestelijk onvermogen;

b) het strafbare feit werd gepleegd door een gezins- of familielid van het kind, een persoon die met het kind samenwoont of een persoon die misbruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen of gezag;

c) het strafbare feit werd gepleegd door meerdere personen samen;

d) het strafbare feit werd gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit ( 12 );

e) de dader is al eerder voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld;

f) de dader heeft het leven van het kind opzettelijk of door roekeloosheid in gevaar gebracht, of

g) het strafbare feit ging gepaard met ernstige geweldpleging of heeft het kind ernstige schade berokkend.

Artikel 10

Verbod voortvloeiend uit een veroordeling

1.  Om het risico op herhaling van strafbare feiten te voorkomen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan een natuurlijk persoon die voor een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten is veroordeeld, een tijdelijk of permanent verbod kan worden opgelegd dat ten minste betrekking heeft op het uitoefenen van beroepsactiviteiten waarbij hij rechtstreeks en geregeld in aanraking komt met kinderen.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat werkgevers bij de aanwerving van personeel voor beroepsactiviteiten of georganiseerde vrijwilligersactiviteiten die rechtstreeks en geregeld contact met kinderen behelzen, het recht hebben om overeenkomstig het nationale recht op passende wijze, zoals toegang op verzoek of via de betrokken persoon, informatie te vragen met betrekking tot het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen voor één van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten die zijn opgenomen in het strafregister, of van verboden tot het uitoefenen van activiteiten die rechtstreeks en geregeld contact met kinderen behelzen, als gevolg van dergelijke strafrechtelijke veroordelingen.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, met het oog op toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel, informatie met betrekking tot het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen voor één van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten of van verboden tot het uitoefenen van activiteiten die rechtstreeks en geregeld contact met kinderen behelzen als gevolg van dergelijke strafrechtelijke veroordelingen, wordt doorgegeven overeenkomstig Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten ( 13 ), wanneer daartoe op grond van artikel 6 van dat kaderbesluit een verzoek wordt ingediend met instemming van de betrokkene.

Artikel 11

Inbeslagneming en confiscatie

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten hulpmiddelen en opbrengsten van de in de artikelen 3, 4 en 5 genoemde strafbare feiten in beslag kunnen nemen en kunnen confisqueren.

Artikel 12

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor elk van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten wanneer die feiten tot hun voordeel zijn gepleegd door een persoon die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreedt en bij de rechtspersoon een leidende functie bekleedt op grond van:

a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c) de bevoegdheid om bij de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

2.  De lidstaten nemen tevens de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 bedoelde persoon een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten kon worden gepleegd, ten voordele van die rechtspersoon door een persoon die onder diens gezag staat.

3.  De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 sluit strafvervolging niet uit van natuurlijke personen die de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten plegen, daartoe aanzetten of daaraan medeplichtig zijn.

Artikel 13

Sancties tegen rechtspersonen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen een rechtspersoon die uit hoofde van artikel 12, lid 1, aansprakelijk is gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties kunnen worden getroffen, waaronder strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes en eventueel andere sancties, zoals:

a) uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;

b) een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

c) plaatsing onder toezicht van de rechter;

d) gerechtelijke ontbinding, of

e) tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen een rechtspersoon die uit hoofde van artikel 12, lid 2, aansprakelijk is gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties of maatregelen kunnen worden getroffen.

Artikel 14

Niet-vervolging of niet-bestraffing van het slachtoffer

De lidstaten nemen, in overeenstemming met de grondbeginselen van hun rechtsorde, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten gerechtigd zijn kindslachtoffers van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting niet te vervolgen of te bestraffen wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten, wanneer deze betrokkenheid rechtstreeks voortvloeit uit het feit dat ze slachtoffer zijn van een van de in artikel 4, leden 2, 3, 5 en 6 en in artikel 5, lid 6, bedoelde handelingen.

Artikel 15

Onderzoek en vervolging

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat onderzoek naar of vervolging van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten niet afhankelijk is van de door het slachtoffer of diens vertegenwoordiger gedane aangifte of klacht, en dat de strafprocedure kan worden voortgezet zelfs wanneer die persoon zijn verklaring intrekt.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om vervolging gedurende een voldoende lange periode nadat het slachtoffer de meerderjarigheid heeft bereikt, en die in verhouding staat tot de ernst van het strafbare feit, mogelijk te maken voor een van de in artikel 3, artikel 4, leden 2, 3, 5, 6 en 7, bedoelde strafbare feiten en voor een van de in artikel 5, lid 6, bedoelde ernstige strafbare feiten wanneer kinderpornografie zoals bedoeld in artikel 2, onder c), punten i) en ii), is gebruikt.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende onderzoekmiddelen, zoals die welke worden gebruikt bij georganiseerde of andere zware criminaliteit, ter beschikking staan van personen, eenheden of diensten die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om onderzoekeenheden en -diensten in staat te stellen de slachtoffers van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten te identificeren, in het bijzonder door de analyse van kinderpornografisch materiaal, zoals foto's en audiovisuele opnames die door middel van informatie- en communicatietechnologie worden doorgegeven of ter beschikking gesteld.

Artikel 16

Aangifte van een vermoeden van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheidsregels die op grond van het nationale recht gelden voor bepaalde beroepsbeoefenaars die als hoofdtaak hebben met kinderen te werken, voor die beroepsbeoefenaars geen belemmering vormen om bij de diensten voor kinderbescherming melding te maken van iedere situatie waarin ze redelijke gronden hebben om aan te nemen dat een kind het slachtoffer is van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ieder persoon die op de hoogte is van of te goeder trouw het vermoeden heeft van het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, aan te moedigen om dit bij de bevoegde diensten te melden.

Artikel 17

Rechtsmacht en coördinatie van vervolging

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om hun rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten die:

a) geheel of gedeeltelijk op hun grondgebied zijn gepleegd, of

b) zijn gepleegd door een eigen onderdaan.

2.  Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht tevens te vestigen over een strafbaar feit in de zin van de artikelen 3 tot en met 7 dat buiten zijn grondgebied is gepleegd, onder andere indien:

a) het strafbare feit is gepleegd tegen een eigen onderdaan of tegen een persoon die zijn vaste woon- of verblijfplaats op het grondgebied ervan heeft;

b) het strafbare feit is gepleegd ten voordele van een rechtspersoon die is gevestigd op het grondgebied ervan, of

c) de dader zijn vaste woon- of verblijfplaats op het grondgebied ervan heeft.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun rechtsmacht zich uitstrekt tot situaties waarin een in de artikelen 5 en 6 en, indien van toepassing, in de artikelen 3 en 7 genoemd strafbaar feit is gepleegd door middel van informatie- en communicatietechnologie waartoe toegang werd verkregen vanaf hun grondgebied, ongeacht of de informatie- en communicatietechnologie zich op hun grondgebied bevindt.

4.  Met het oog op de vervolging van een van de in artikel 3, leden 4, 5 en 6, artikel 4, leden 2, 3, 5, 6 en 7, en artikel 5, lid 6, genoemde strafbare feiten die buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gepleegd, neemt elke lidstaat met betrekking tot lid 1, onder b), van dit artikel, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn rechtsmacht niet afhangt van de voorwaarde dat de handelingen een strafbaar feit vormen op de plaats waar ze zijn gepleegd.

5.  Met het oog op de vervolging van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten die buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gepleegd, neemt elke lidstaat met betrekking tot lid 1, onder b), van dit artikel de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn rechtsmacht niet afhangt van de voorwaarde dat vervolging slechts kan worden ingesteld indien het slachtoffer aangifte heeft gedaan op de plaats waar het strafbare feit is gepleegd of na een aanklacht door de staat van de plaats waar het strafbare feit is gepleegd.

Artikel 18

Algemene bepalingen inzake bijstand aan en ondersteuning en bescherming van kindslachtoffers

1.  Kindslachtoffers van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten ontvangen overeenkomstig de artikelen 19 en 20 bijstand, ondersteuning en bescherming, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van het kind.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een kind bijstand en ondersteuning ontvangt zodra de bevoegde autoriteiten over een op redelijke gronden gebaseerde aanwijzing beschikken dat een kind slachtoffer geworden zou kunnen zijn van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de leeftijd van een persoon die het slachtoffer is van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, niet vaststaat en er redenen zijn om aan te nemen dat het om een kind gaat, deze persoon als een kind wordt beschouwd en dus overeenkomstig de artikelen 19 en 20 onmiddellijk toegang krijgt tot bijstand, ondersteuning en bescherming.

Artikel 19

Bijstand en ondersteuning van slachtoffers

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de slachtoffers voor, tijdens en gedurende een passende periode na de strafprocedure bijstand en ondersteuning ontvangen zodat zij in staat worden gesteld de rechten uit te oefenen die bij Kaderbesluit 2001/220/JBZ en bij deze richtlijn zijn vastgesteld. De lidstaten nemen met name de nodige maatregelen om bescherming te waarborgen van kinderen die melding maken van gevallen van misbuik binnen hun familie.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verlening van bijstand en ondersteuning aan een kind niet afhangen van diens bereidheid om mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek, de vervolging of het proces.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de specifieke acties om kindslachtoffers bij te staan en te ondersteunen bij het uitoefenen van hun uit deze richtlijn voortvloeiende rechten, worden uitgevoerd op basis van een individuele beoordeling van de bijzondere omstandigheden van ieder individueel kindslachtoffer, waarbij rekening wordt gehouden met de meningen, behoeften en zorgen van het kind.

4.  Kinderen die slachtoffer zijn van een van de in de artikelen 3 tot 7 genoemde strafbare feiten worden aangemerkt als bijzonder kwetsbare slachtoffers in de zin van artikel 2, lid 2, artikel 8, lid 4, en artikel 14, lid 1, van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad.

5.  De lidstaten nemen, indien passend en mogelijk, maatregelen om het gezin van het kindslachtoffer bij te staan en te ondersteunen bij de uitoefening van de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten, wanneer het gezin op het grondgebied van de lidstaten verblijft. Meer in het bijzonder nemen de lidstaten, indien passend en mogelijk, maatregelen om artikel 4 van Kaderbesluit 2001/220/JBZ op de familie van het kindslachtoffer toe te passen.

Artikel 20

Bescherming van kindslachtoffers tijdens het strafonderzoek en het strafproces

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, overeenkomstig de rol die het desbetreffende rechtsstelsel aan het slachtoffer toebedeelt, de bevoegde autoriteiten met het oog op het strafonderzoek en het strafproces een bijzondere vertegenwoordiger van het kindslachtoffer aanwijzen, wanneer de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, het kind krachtens het nationale recht niet mogen vertegenwoordigen omdat tussen hen en het kindslachtoffer een belangenconflict bestaat, of wanneer het kind niet begeleid is of van zijn gezin is gescheiden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat kindslachtoffers, onverwijld, toegang hebben tot juridisch advies en, overeenkomstig de rol die het desbetreffende rechtsstelsel aan het slachtoffer toebedeelt, vertegenwoordiging in rechte, onder meer om schadevergoeding te eisen. Juridisch advies en vertegenwoordiging in rechte moeten kosteloos zijn wanneer het slachtoffer niet over voldoende financiële middelen beschikt.

3.  Onverminderd de rechten van de verdediging nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in elk strafonderzoek met betrekking tot een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten:

a) ondervragingen van het kindslachtoffer plaatsvinden zonder ongerechtvaardigde vertraging nadat de feiten bij de bevoegde autoriteiten zijn aangegeven;

b) ondervragingen van het kindslachtoffer indien nodig plaatsvinden in lokalen die daarvoor zijn ontworpen of aangepast;

c) ondervragingen van het kindslachtoffer worden verricht door beroepsmensen die daarvoor zijn opgeleid;

d) indien mogelijk en wenselijk, alle ondervragingen van het kindslachtoffer door dezelfde personen worden verricht;

e) het aantal ondervragingen zo beperkt mogelijk wordt gehouden en ondervragingen alleen plaatsvinden wanneer ze strikt noodzakelijk zijn voor het strafonderzoek en de strafprocedure;

f) het kindslachtoffer steeds vergezeld mag worden door zijn wettelijke vertegenwoordiger of, in voorkomend geval, een volwassene van zijn keuze, tenzij met betrekking tot die persoon een gemotiveerde beslissing in tegengestelde zin is genomen.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in elk strafonderzoek naar een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, van alle ondervragingen van het kindslachtoffer of, in voorkomend geval, van een kindgetuige audiovisuele opnamen kunnen worden gemaakt en dat deze audiovisuele opnamen in overeenstemming met het nationale recht als bewijs in het strafproces kunnen worden aanvaard.

5.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in elk strafproces over een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, de rechter kan bevelen dat:

a) de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt;

b) het kindslachtoffer in de rechtszaal kan worden gehoord zonder daar aanwezig te zijn, met name door middel van geschikte communicatietechnologieën.

6.  De lidstaten nemen, wanneer dit in het belang is van de kindslachtoffers en rekening houdend met andere doorslaggevende belangen, de nodige maatregelen om hun privacy, hun identiteit en hun beeltenis te beschermen, en om de publieke verspreiding van elke informatie die tot hun identificatie zou kunnen leiden, te voorkomen.

Artikel 21

Maatregelen tegen het reclame maken voor de mogelijkheden tot misbruik en kindersekstoerisme

De lidstaten nemen passende maatregelen om de volgende zaken te voorkomen of te verbieden:

a) de verspreiding van materiaal waarin reclame wordt gemaakt voor de mogelijkheid tot het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 genoemde strafbare feiten, en

b) de organisatie voor anderen, al dan niet voor commerciële doeleinden, van reizen met het oog op het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 5 genoemde strafbare feiten.

Artikel 22

Preventieve interventieprogramma's of -maatregelen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat personen die vrezen dat zij een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten zouden kunnen plegen, in voorkomend geval toegang kunnen krijgen tot doeltreffende interventieprogramma's of -maatregelen die erop zijn gericht het risico te beoordelen en te voorkomen dat dergelijke strafbare feiten worden gepleegd.

Artikel 23

Preventie

1.  De lidstaten nemen passende maatregelen, onder meer op het gebied van onderwijs en opleiding, om de vraag die de voedingsbodem is voor alle vormen van seksuele uitbuiting van kinderen, te ontmoedigen en te doen afnemen.

2.  De lidstaten nemen passende maatregelen, onder meer via het internet, zoals het opzetten, in voorkomend geval in samenwerking met relevante organisaties uit het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden, van informatie- en bewustwordingscampagnes en onderzoeks- en opleidingsprogramma's die erop zijn gericht het bewustzijn te vergroten en het risico dat kinderen slachtoffer worden van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting, te beperken.

3.  Elke lidstaat bevordert regelmatige opleiding voor ambtenaren, met inbegrip van eerstelijnspolitieagenten, die mogelijk in aanraking komen met kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting; deze opleiding moet hen in staat stellen kinderen die slachtoffer zijn of kunnen worden van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting, te herkennen en met hen om te gaan.

Artikel 24

Interventieprogramma's of -maatregelen op vrijwillige basis tijdens of na de strafprocedure

1.  Zonder afbreuk te doen aan door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten op grond van het nationale recht opgelegde interventieprogramma's of -maatregelen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende interventieprogramma's of -maatregelen beschikbaar worden gesteld met het oog op het voorkomen en het tot een minimum terugbrengen van het risico op herhaling van zedendelicten tegen kinderen. Die programma's of maatregelen dienen op elk ogenblik tijdens de strafprocedure zowel binnen als buiten de gevangenis beschikbaar te zijn, overeenkomstig het nationale recht.

2.  De in lid 1 bedoelde interventieprogramma's of -maatregelen voldoen aan de specifieke ontwikkelingsbehoeften van kinderen die zedendelicten plegen.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende personen toegang kunnen hebben tot de in lid 1 bedoelde interventieprogramma's of -maatregelen:

a) personen tegen wie een strafprocedure loopt voor een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, onder voorwaarden die geen negatieve gevolgen hebben voor of in strijd zijn met de rechten van de verdediging of de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces, en in het bijzonder met inachtneming van het beginsel van het vermoeden van onschuld, en

b) personen die voor een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten zijn veroordeeld.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 3 bedoelde personen worden beoordeeld met betrekking tot het gevaar dat zij inhouden en de mogelijke risico's op herhaling van een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde strafbare feiten, teneinde passende interventieprogramma's of -maatregelen vast te stellen.

5.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 3 bedoelde personen aan wie overeenkomstig lid 4 interventieprogramma's of -maatregelen zijn voorgesteld:

a) volledig worden geïnformeerd over de redenen voor het voorstel;

b) met volledige kennis van de feiten instemmen met hun deelname aan de programma's of maatregelen;

c) het aanbod mogen weigeren en, in het geval van veroordeelde personen, op de hoogte worden gesteld van de mogelijke gevolgen van deze weigering.

Artikel 25

Maatregelen tegen websites die kinderpornografie bevatten of verspreiden

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor de onverwijlde verwijdering van webpagina's die kinderpornografie bevatten of verspreiden en die op hun grondgebied worden gehost, en om de verwijdering te verkrijgen van dergelijke webpagina's die buiten hun grondgebied worden gehost.

2.  De lidstaten kunnen maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat webpagina's die kinderpornografie bevatten of verspreiden worden geblokkeerd voor internetgebruikers op hun grondgebied. Deze maatregelen moeten via transparante procedures worden vastgesteld en voldoende waarborgen bieden, met name om zeker te stellen dat de beperking niet verder gaat dan nodig en proportioneel is en dat gebruikers worden geïnformeerd over de reden van de beperking. Die waarborgen dienen tevens de mogelijkheid van een rechtsmiddel te bevatten.

Artikel 26

Vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ

Kaderbesluit 2004/68/JBZ wordt vervangen voor wat betreft de lidstaten die deelnemen aan de vaststelling van deze richtlijn, onverminderd de verplichtingen van die lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting van het kaderbesluit in het nationale recht.

Voor de lidstaten die aan de vaststelling van deze richtlijn deelnemen, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2004/68/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 27

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 december 2013 aan deze richtlijn te voldoen.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie de tekst van de bepalingen waarmee zij hun uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen in nationaal recht omzetten.

3.  Wanneer de lidstaten die maatregelen vaststellen, wordt in de maatregelen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor een dergelijke verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 28

Rapportage

1.  Uiterlijk op 18 december 2015 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

2.  Uiterlijk op 18 december 2015 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de tenuitvoerlegging van de in artikel 25 genoemde maatregelen wordt beoordeeld.

Artikel 29

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 30

Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.



( 1 ) PB C 48 van 15.2.2011, blz. 138.

( 2 ) Standpunt van het Europees Parlement van 27 oktober 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 15 november 2011.

( 3 ) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

( 4 ) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

( 5 ) PB L 13 van 20.1.2004, blz. 44.

( 6 ) PB L 82 van 22.3.2001, blz. 1.

( 7 ) PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42.

( 8 ) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

( 9 ) PB L 182 van 5.7.2001, blz. 1.

( 10 ) PB L 68 van 15.3.2005, blz. 49.

( 11 ) PB L 49 van 17.2.2007, blz. 30.

( 12 ) PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.

( 13 ) PB L 93 van 7.4.2009, blz. 23.

Top