Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 01976L0211-20090411

Richtlijn van de Raad van 20 januari 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde produkten in voorverpakkingen (76/211/EEG)

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1976/211/2009-04-11

1976L0211 — NL — 11.04.2009 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 20 januari 1976

betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde produkten in voorverpakkingen

(76/211/EEG)

(PB L 046, 21.2.1976, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

►M1

RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE 78/891/EEG van 28 september 1978

  L 311

21

4.11.1978

►M2

RICHTLIJN 2007/45/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 5 september 2007

  L 247

17

21.9.2007


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 006, 10.1.1979, blz. 28  (78/891)




▼B

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 20 januari 1976

betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het voorverpakken naar gewicht of volume van bepaalde produkten in voorverpakkingen

(76/211/EEG)



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Overwegende dat in de meeste Lid-Staten de voorwaarden waaraan in tevoren gereedgemaakte en gesloten verpakkingen ten verkoop aangeboden produkten moeten voldoen, zijn geregeld in een aantal dwingende voorschriften die van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen en derhalve een belemmering vormen voor de handel in deze voorverpakkingen; dat deze bepalingen bijgevolg onderling dienen te worden aangepast;

Overwegende dat ten behoeve van een juiste voorlichting van de consumenten dient te worden aangegeven op welke wijze de aanduidingen betreffende de nominale hoeveelheid of het nominale volume van het produkt dat zich in de voorverpakking bevindt, op deze verpakking moeten worden aangebracht;

Overwegende dat het tevens noodzakelijk is de op de inhoud der voorverpakkingen maximaal toelaatbare fouten aan te geven en dat ter vergemakkelijking van de controle of de voorverpakkingen in overeenstemming zijn met genoemde bepalingen, voor deze controle een referentiemethode dient te worden vastgesteld;

Overwegende dat in artikel 16 van Richtlijn nr. 71/316/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende voor meetmiddelen en metrologische controlemethoden geldende algemene bepalingen ( 3 ), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding ( 4 ), wordt bepaald dat bijzondere richlijnen de harmonisatie ten doel kunnen hebben van de voorschriften volgens welke sommige produkten worden verhandeld, met name wat het meten en het merken van vooraf voor de verkoop gereedgemaakte hoeveelheden betreft;

Overwegende dat voor sommige Lid-Staten een spoedige wijziging van het in hun nationale wetgeving vastgelegde beginsel met betrekking tot het vullen en het organiseren van de nieuwe controlemethoden, alsook het veranderen van het meeteenhedenstelsel moeilijkheden opleveren; dat derhalve voor deze Lid-Staten in een overgangsperiode dient te worden voorzien, die evenwel geen bijkomende belemmering voor de intracommunautaire handel in de bedoelde produkten mag vormen en die de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn in de overige Lid-Staten niet in gevaar mag brengen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Deze richtlijn is van toepassing op voorverpakkingen die producten bevatten, ►M2  ————— ( 5 )————— ◄ met het oog op de verkoop in constante uniforme nominale hoeveelheden,

 gelijk aan tevoren door het vulbedrijf gekozen waarden,

 uitgedrukt in gewichts- of volume-eenheden,

 van ten minste 5 g of 5 ml en ten hoogste 10 kg of 10 l.

Artikel 2

1.  Onder voorverpakking in de zin van deze richtlijn wordt verstaan het geheel van het product en de individuele verpakking waarin het is voorverpakt.

2.  Een product is voorverpakt indien het in afwezigheid van de koper in een verpakking, van welke aard dan ook, is verpakt op een zodanige wijze dat de hoeveelheid van het product dat in de verpakking aanwezig is, een vooraf gekozen waarde heeft en niet kan worden gewijzigd zonder een opening of aantoonbare verandering in de verpakking aan te brengen.

Artikel 3

1.  De voorverpakkingen die van het in punt 3.3 van bijlage I bedoelde E.E.G-teken mogen worden voorzien, zijn die welke voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en van bijlage I.

2.  Zij zijn onderworpen aan de metrologische controles onder de in bijlage I, punt 5, en in bijlage II genoemde voorwaarden.

Artikel 4

1.  Op alle voorverpakkingen als bedoeld in artikel 3, dient het gewicht of het volume — nominaal gewicht of nominaal volume genoemd — van het product te zijn vermeld dat zij overeenkomstig bijlage I moeten bevatten.

2.  Op voorverpakkingen met vloeibare producten moet het nominale volume en op voorverpakkingen met andere producten het nominale gewicht zijn vermeld, behalve indien het handelsgebruik of de nationale voorschriften in alle lidstaten hiermee gelijkelijk in strijd zijn of indien er communautaire voorschriften bestaan die hiermee in strijd zijn.

3.  Indien voor een categorie producten of een model voorverpakkingen het handelsgebruik of de nationale voorschriften niet in alle lidstaten dezelfde zijn, moeten deze voorverpakkingen ten minste voorzien zijn van de metrologische vermeldingen die in overeenstemming zijn met het handelsgebruik of de nationale voorschriften in het land van bestemming.

4.  Tot aan het einde van de overgangsperiode waarin het gebruik van de meeteenheden van het imperiale stelsel vermeld in bijlage II van Richtlijn 71/354/EEG van de Raad van 18 oktober 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden ( 6 ), gewijzigd bij de Akte van Toetreding, in de Gemeenschap is toegestaan, moet de aanduiding van het nominale gewicht en/of het nominale volume, die overeenkomstig punt 3.1 van bijlage I van deze richtlijn in SI-eenheden worden uitgedrukt, op verzoek van het Verenigd Koninkrijk of van Ierland op hun nationale grondgebied vergezeld gaan van de aanduiding van het resultaat van de omrekening in meeteenheden van het imperiale stelsel (Verenigd Koninkrijk), verkregen met behulp van onderstaande omrekeningscoëfficiënten:

1 g = 0,0353 ounces (avoirdupois),

1 kg = 2,205 pounds,

1 ml = 0,0352 fluid ounces,

1 l = 1,760 pints of 0,220 gallons.

Artikel 5

De lidstaten mogen het in de handel brengen van voorverpakkingen die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en de daarin beschreven controles met goed gevolg hebben doorstaan niet weigeren, verbieden of beperken op grond van redenen die verband houden met de opschriften die daarop krachtens deze richtlijn dienen voor te komen, met de bepaling van hun volume of hun gewicht of met de methodes volgens welke zij zijn gemeten of gecontroleerd.

Artikel 6

De wijzigingen die nodig zijn om de in de bijlagen I en II van deze richtlijn vermelde voorschriften aan de technische vooruitgang aan te passen, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van de artikelen 18 en 19 van Richtlijn 71/316/EEG.

Artikel 7

1.  Binnen achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn voeren de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in om aan het bepaalde in deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

2.  In afwijking van lid 1 mogen België, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en van haar bijlagen uiterlijk tot en met 31 december 1979 uitstellen.

3.  Gedurende de periode waarin de richtlijn in een lidstaat niet van toepassing is, maakt deze lidstaat de controlemaatregelen, die betrekking hebben op de hoeveelheid die aanwezig is in de in deze richtlijn bedoelde en uit andere lidstaten afkomstige voorverpakkingen, niet strenger dan deze zijn op de datum waarop de richtlijn wordt aangenomen.

4.  Gedurende deze zelfde periode aanvaarden de lidstaten die de richtlijn ten uitvoer hebben gelegd, de voorverpakkingen die afkomstig zijn uit de lidstaten voor welke de in lid 2 bedoelde afwijking geldt, en die met de bepalingen van bijlage I, punt 1, overeenstemmen, ook al dragen zij niet het in punt 3.3 van bijlage I bedoelde E.E.G.-teken, een en ander op dezelfde voet en onder dezelfde voorwaarden als de voorverpakkingen die met alle bepalingen van de richtlijn in overeenstemming zijn.

5.  De in punt 5 van bijlage I bedoelde controle wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming wanneer het voorverpakkingen betreft die buiten de Gemeenschap zijn vervaardigd en op het grondgebied van de Gemeenschap worden ingevoerd in een lidstaat die de richtlijn nog niet volgens de voorschriften van dit artikel ten uitvoer heeft gelegd.

6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat de tekst van alle belangrijke nationale wettelijke bepalingen, die zij aanvaarden op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, ter kennis van de Commissie wordt gebracht.

Artikel 8

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE I

1.   DOELSTELLINGEN

De in deze richtlijn bedoelde voorverpakkingen dienen zodanig te zijn vervaardigd dat de voltooide voorverpakkingen aan de volgende voorwaarden voldoen:

1.1. de werkelijke inhoud van de voorverpakkingen mag gemiddeld niet kleiner zijn dan de nominale hoeveelheid;

1.2. het aantal voorverpakkingen met een fout in minus welke groter is dan de maximaal toelaatbare fout als bepaald in punt 2.4, dient naar verhouding zo gering te zijn dat de partijen voorverpakkingen aan de in bijlage II omschreven controles kunnen voldoen;

1.3. het in punt 3.3 bedoelde E.E.G.-teken mag op geen enkele voorverpakking met een fout in minus welke groter is dan tweemaal de maximaal toelaatbare fout als aangegeven in de tabel van punt 2.4 worden aangebracht.

2.   DEFINITIES EN BASISVOORSCHRIFTEN

2.1. De nominale hoeveelheid (nominaal gewicht of nominaal volume) van de inhoud van een voorverpakking is het op deze voorverpakking aangegeven gewicht of volume; dit is de hoeveelheid van het product die de voorverpakking geacht wordt te bevatten.

2.2. De werkelijke inhoud van een voorverpakking is de hoeveelheid (gewicht of volume) van het product die deze werkelijk bevat. Bij alle controleverrichtingen betreffende de producten waarvan de hoeveelheid in volume-eenheden wordt uitgedrukt, is de in aanmerking genomen waarde van de werkelijke inhoud de waarde van deze inhoud bij een temperatuur van 20 °C, ongeacht bij welke temperatuur het vullen of de controle plaatsvindt. Deze regel is evenwel niet van toepassing op diepgevroren en bevroren producten, waarvan de hoeveelheid in volume-eenheden wordt uitgedrukt.

2.3. De fout in minus van een voorverpakking is het verschil in negatieve zin tussen de werkelijke inhoud van deze voorverpakking en de nominale hoeveelheid.

▼M1

2.4. De maximaal toelaatbare fout in minus op de inhoud van een voorverpakking wordt vastgesteld overeenkomstig de onderstaande tabel:



►C1  Nominale hoeveelheid Qn in gram of milliliter ◄

Maximaal toelaatbare fouten in minus

in % van Qn

in g of ml

van 5 tot 50

9

van 50 tot 100

4,5

van 100 tot 200

4,5

van 200 tot 300

9

van 300 tot 500

3

van 500 tot 1 000

15

van 1 000 t/m 10 000

1,5

Bij toepassing van de tabel dienen de waarden, berekend in massa- of volume-eenheden op basis van de in % aangegeven maximaal toelaatbare fouten, naar boven te worden afgerond op een tiende gram of milliliter.

▼M1 —————

▼B

3.   OPSCHRIFTEN EN MERKTEKENS

Op elke voorverpakking die overeenkomstig deze richtlijn is vervaardigd en die zich bevindt in de staat waarin deze verpakkingen gewoonlijk ten verkoop worden aangeboden, moeten de volgende opschriften onuitwisbaar, goed leesbaar en zichtbaar zijn aangebracht:

▼M1

3.1. de nominale hoeveelheid (nominale massa of nominaal volume) uitgedrukt in kilogram of gram, liter, centiliter of milliliter, aangegeven in cijfers met een hoogte van ten minste

6 mm bij een nominale hoeveelheid van meer dan 1 000 g of 100 cl,

4 mm bij een nominale hoeveelheid van meer dan 200 g of 20 cl, doch niet meer dan 1 000 g of 100 cl,

3 mm bij een nominale hoeveelheid van meer dan 50 g of 5 cl doch niet meer dan 200 g of 20 cl,

2 mm bij een nominale hoeveelheid van 50 g of 5 cl, of minder

gevolgd door het symbool of eventueel de naam van de gebruikte meeteenheid, overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 71/354/EEG, gewijzigd bij Richtlijn 76/770/EEG.

De vermeldingen in „imperial units” (VK) moeten worden aangebracht in tekens waarvan de afmetingen ten hoogste gelijk zijn aan die van de overeenkomstige vermelding in SI-eenheden;

▼B

3.2. een merkteken of opschrift aan de hand waarvan de bevoegde dienst de in de Gemeenschap gevestigde vulbedrijven, bedrijven die de vulling laten uitvoeren of importeurs kan identificeren;

3.3. de kleine letter „e” met een hoogte van ten minste 3 mm, aangebracht in hetzelfde gezichtsveld als de aanduiding van het nominale gewicht of volume, als waarborg, onder verantwoordelijkheid van het vulbedrijf of van de importeur, dat de voorverpakking aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet.

Deze letter moet de vorm hebben die voorkomt op de tekening, gevoegd bij punt 3 van bijlage II van Richtlijn 71/316/EEG.

Artikel 12 van die richtlijn is van overeenkomstige toepassing.

4.   VERANTWOORDELIJKHEID VAN HET VULBEDRIJF OF VAN DE IMPORTEUR

Het vulbedrijf of de importeur is er verantwoordelijk voor dat de voorverpakkingen voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn.

De hoeveelheid van een product die zich in een voorverpakking bevindt (of vulhoeveelheid), werkelijke inhoud genaamd, moet worden gemeten of gecontroleerd (in gewicht of volume) onder verantwoordelijkheid van het vulbedrijf en/of van de importeur. De meting of controle geschiedt met behulp van een voor het gebruiksdoel geschikt wettig meetmiddel.

De controle kan door middel van steekproeven geschieden.

Indien de werkelijke inhoud niet gemeten wordt, dient de controle door het vulbedrijf dusdanig te geschieden dat de waarde van deze inhoud werkelijk gegarandeerd is.

Aan deze voorwaarde is voldaan indien het vulbedrijf bedrijfscontroles uitoefent op een door de bevoegde diensten van de lidstaat erkende wijze en de documenten waarin de resultaten van deze controles zijn vermeld, ter beschikking van deze diensten houdt, om aan te tonen dat de controles, alsmede de correcties en aanpassingen waarvan zij de noodzaak hebben aangetoond, regelmatig en op juiste wijze zijn verricht.

In geval van invoer uit derde landen kan de importeur in plaats van de meting te verrichten of de controle uit te oefenen, het bewijs leveren dat hij zich omringd heeft met alle garanties die hem in staat stellen zijn verantwoordelijkheid te dragen.

Voor producten waarvan de hoeveelheid in volume-eenheden wordt uitgedrukt, is een van de manieren om bij de vervaardiging van de voorverpakking aan de verplichting tot het meten of controleren te voldoen, het gebruik van een tapmaatfles als in de desbetreffende richtlijn omschreven, die volgens de voorschriften van die richtlijn en van de onderhavige richtlijn is gevuld.

▼M1

5.   DOOR DE BEVOEGDE DIENSTEN BIJ HET VULBEDRIJF, DE IMPORTEUR OF DIENS IN DE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE GEMACHTIGDE TE VERRICHTEN CONTROLES

De bevoegde diensten van de lidstaten controleren door steekproeven bij het vulbedrijf dan wel, indien zulks in de praktijk onmogelijk is, bij de importeur of bij diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, of de voorverpakkingen in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze richtlijn.

Deze statistische controle door middel van steekproeven geschiedt overeenkomstig de regels die op het gebied van de kwaliteitscontrole gelden. De controle dient een doeltreffendheid te hebben die vergelijkbaar is met die van de in bijlage II beschreven referentiemethode.

Voor wat betreft het criterium van de minimaal toelaatbare inhoud wordt een steekproefschema dat door een lidstaat wordt gebruikt, vergelijkbaar verklaard met de in bijlage II aanbevolen proeven, indien de abscis van het ordinaatspunt 0,10 van de keuringskarakteristiek van het eerste schema (goedkeurkans van de partij = 0,10) minder dan 15 % afwijkt van de abscis van het overeenkomstige punt van de keuringskarakteristiek van het steekproefschema dat in bijlage II wordt aanbevolen.

Voor het criterium van het gemiddelde, vastgesteld met behulp van de methode van de standaardafwijking, wordt een door een lidstaat gebruikt steekproefschema vergelijkbaar verklaard met de in bijlage II aanbevolen proeven indien, rekening houdend met de keuringskarakteristieken van deze beide schema's, met als variabele op de abscis

image

, de abscis van het ordinaatspunt 0,10 van de keuringskarakteristiek van het eerste schema (goedkeurkans van de partij = 0,10) minder dan 0,05 afwijkt van de abscis van het overeenkomstige punt van de keuringskarakteristiek van het steekproefschema dat in bijlage II wordt aanbevolen.

▼B

6.   ANDERE CONTROLES DOOR DE BEVOEGDE DIENSTEN

Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de controles die in alle stadia van de handel door de bevoegde diensten in de lidstaten kunnen worden uitgeoefend, met name om na te gaan of de voorverpakkingen in overeenstemming zijn met de voorschriften van de richtlijn.

Artikel 15, lid 2, van Richtlijn 71/316/EEG is van overeenkomstige toepassing.




▼M1

BIJLAGE II

Deze bijlage bepaalt de regels voor de referentiemethode voor de statistische controle van partijen voorverpakkingen overeenkomstig de voorschriften van artikel 3 van de richtlijn en van punt 5 van bijlage I.

1.   VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE METING VAN DE WERKELIJKE INHOUD VAN VOORVERPAKKINGEN

De werkelijke inhoud van voorverpakkingen kan rechtstreeks worden gemeten met behulp van weegwerktuigen of van meetmiddelen voor inhoudsmeting of, bij een vloeistof, indirect door weging van het voorverpakte product en bepaling van de volumieke massa daarvan.

Ongeacht de toegepaste methode mag de meetfout bij de bepaling van de werkelijke inhoud van een voorverpakking ten hoogste gelijk zijn aan een vijfde van de maximaal toelaatbare fout in minus geldend voor de nominale hoeveelheid van de inhoud van de voorverpakking. Elke lidstaat kan eigen voorschriften uitvaardigen met betrekking tot de werkwijze voor deze meting.

2.   VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE CONTROLE VAN PARTIJEN VOORVERPAKKINGEN

De controle van voorverpakkingen geschiedt door middel van steekproeven en bestaat uit twee gedeelten:

 de werkelijke inhoud van elke voorverpakking van de steekproef wordt gecontroleerd,

 de gemiddelde werkelijke inhoud van de voorverpakkingen van de steekproef wordt gecontroleerd.

Een partij voorverpakkingen wordt aanvaardbaar geacht indien de resultaten van beide controles tezamen aan de goedkeurcriteria voldoen.

Voor elk van deze controles heeft men de keuze uit twee steekproefschema's:

 één voor niet-destructieve controle, dat wil zeggen een controle waarbij de verpakking niet wordt geopend,

 het andere voor de destructieve controle, dat wil zeggen een controle waarbij de verpakking wordt geopend of vernield.

Laatstgenoemde controle wordt om economische en praktische redenen tot het strikt noodzakelijke beperkt en is minder doeltreffend dan de niet-destructieve controle.

Destructieve controle mag derhalve alleen worden toegepast wanneer niet-destructieve controle praktisch niet uitvoerbaar blijkt. In het algemeen is zij niet van toepassing op partijen van minder dan honderd voorverpakkingen.

2.1.   Partij voorverpakkingen

2.1.1.

De partij omvat alle voorverpakkingen van dezelfde nominale hoeveelheid, van hetzelfde model, van dezelfde fabricage en op dezelfde plaats gevuld, die aan controle worden onderworpen. De grootte van de partij is beperkt tot de hierna genoemde waarden.

2.1.2.

Indien de controle van voorverpakkingen aan het einde van de vulketen plaatsvindt, is de grootte van de partij gelijk aan de maximale uurproductie van de vulinstallatie, zonder beperking van het aantal. In de overige gevallen wordt de grootte van de partij beperkt tot 10 000 voorverpakkingen.

2.1.3.

Partijen met een grootte van minder dan 100 voorverpakkingen worden in voorkomend geval voor 100 % op niet-destructieve wijze gecontroleerd.

2.1.4.

Voorafgaand aan de in de punten 2.2 en 2.3 bedoelde controles dient men een voldoende aantal voorverpakkingen willekeurig uit de partij te lichten teneinde de controle te kunnen verrichten waarvoor de grootste steekproef is vereist.

Voor de andere controle zal het benodigde monster willekeurig uit de eerste steekproef worden getrokken en worden gemerkt.

Dit merken dient vóór de aanvang van de metingen te zijn verricht.

2.2.   Controle van de werkelijke inhoud van een voorverpakking

De minimaal toelaatbare inhoud wordt verkregen door van de nominale hoeveelheid van de voorverpakking de met die hoeveelheid overeenkomende maximaal toelaatbare fout in minus af te trekken.

De voorverpakkingen van een partij met een kleinere werkelijke inhoud dan de minimaal toelaatbare inhoud worden ondeugdelijk genoemd.

2.2.1.   Niet-destructieve controle

De niet-destructieve controle wordt verricht volgens een dubbel steekproefschema weergegeven in onderstaande tabel.

Het eerste aantal gecontroleerde voorverpakkingen moet gelijk zijn aan de grootte van de eerste in het schema vermelde steekproef:

 Indien het aantal ondeugdelijke voorverpakkingen uit de eerste steekproef kleiner is dan of gelijk is aan het eerste goedkeurcriterium, wordt de partij voor deze controle als aanvaardbaar beschouwd.

 Indien het aantal ondeugdelijke voorverpakkingen uit de eerste steekproef groter is dan of gelijk is aan het eerste afkeurcriterium, wordt de partij afgekeurd.

 Indien het aantal ondeugdelijke voorverpakkingen uit de eerste steekproef ligt tussen het eerste goedkeurcriterium en het eerste afkeurcriterium, moet ter controle een tweede steekproef worden genomen waarvan de grootte in het schema is aangegeven.

De aantallen ondeugdelijke voorverpakkingen uit de eerste en uit de tweede steekproef moeten bij elkaar worden opgeteld:

 Indien het opgetelde aantal ondeugdelijke voorverpakkingen minder bedraagt dan of gelijk is aan het tweede goedkeurcriterium, wordt de partij voor deze controle als aanvaardbaar beschouwd.

 Indien het opgetelde aantal ondeugdelijke voorverpakkingen groter is dan of gelijk is aan het tweede afkeurcriterium, wordt de partij afgekeurd.



TABEL

Grootte van de partij

Steekproef

Aantal ondeugdelijke voorverpakkingen

Volgorde

Steekproefgrootte

Steekproefgrootte na optelling

Goedkeurcriterium

Afkeurcriterium

100 t/m 500

1.

30

30

1

3

2.

30

60

4

5

501 t/m 3 200

1.

50

50

2

5

2.

50

100

6

7

3 201 en meer

1.

80

80

3

7

2.

80

160

8

9

2.2.2.   Destructieve controle

De destructieve controle wordt verricht volgens onderstaand enkelvoudig steekproefschema en mag slechts worden toegepast bij partijen met een grootte van meer dan of gelijk aan 100 voorverpakkingen.

Het aantal gecontroleerde voorverpakkingen is gelijk aan 20.

 Indien het aantal ondeugdelijke voorverpakkingen uit de steekproef kleiner is dan of gelijk is aan het goedkeurcriterium, wordt de partij als aanvaardbaar beschouwd.

 Indien het aantal ondeugdelijke voorverpakkingen uit de steekproef groter is dan of gelijk is aan het afkeurcriterium, wordt de partij afgekeurd.



Grootte van de partij

Steekproefgrootte

Aantal ondeugdelijke voorverpakkingen

Goedkeurcriterium

Afkeurcriterium

Ongeacht de grootte (≥ 100)

20

1

2

▼B

2.3.   Controle van de gemiddelde werkelijke inhoud van de afzonderlijke eenheden van een partij voorverpakkingen

2.3.1.

Een partij voorverpakkingen wordt voor deze controle als aanvaardbaar beschouwd indien het gemiddelde

image

van de werkelijke inhouden xi van n voorverpakkingen van een steekproef meer bedraagt dan:

image

In deze formule is:

Qn : de nominale hoeveelheid van de voorverpakking,

n : het aantal voorverpakkingen waaruit de steekproef voor deze controle bestaat,

s : de schatting van de standaardafwijking van de werkelijke inhouden van de partij,

t(1 — α) : de stochastische variabele van de Studentverdeling, functie van het aantal vrijheidsgraden ν = n — 1 van de betrouwbaarheidsgrens (1 — α) = 0,995.

2.3.2.

Is xi het resultaat van de meting van de werkelijke inhoud van de i-de eenheid van een steekproef met n eenheden, dan verkrijgt men:

2.3.2.1.

het steekproefgemiddelde door berekening van:

image

2.3.2.2.

de schatting van de standaardafwijking s door berekening van:

 de som van de kwadraten der meetresultaten:

image

 het kwadraat van de som der meetresultaten:

image

 vervolgens:

image

 de gecorrigeerde som:

image

 de schatting van de variantie:

image

 de schatting van de standaardafwijking is:

image

2.3.3.

Goed- of afkeurcriteria voor de partij voorverpakkingen voor deze controle:

2.3.3.1.

Criteria voor niet-destructieve controle



Grootte van de partij

Steekproefgrootte

Criteria

Goedkeuring

Afkeuring

100 t/m 500

30

image

image

> 500

50

image

image

2.3.3.2.

Criteria voor destructieve controle



Grootte van de partij

Steekproefgrootte

Criteria

Goedkeuring

Afkeuring

ongeacht de grootte (≥ 100)

20

image

image



( 1 ) PB nr. C 48 van 25.4.1974, blz. 21.

( 2 ) PB nr. C 109 van 19.9.1974, blz. 16.

( 3 ) PB nr. L 202 van 6.9.1971, blz. 1.

( 4 ) PB nr. L 73 van 27.3.1972, blz. 14.

( 5 ) PB nr. L 42 van 15.2.1975, blz. 1.

( 6 ) PB nr. L 243 van 29.10.1971, blz. 29.

Top