EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R0581

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/581 van de Commissie van 9 april 2021 betreffende de situatiebeelden van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur)

C/2021/2361

OJ L 124, 12.4.2021, p. 3–39 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/581/oj

12.4.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/581 VAN DE COMMISSIE

van 9 april 2021

betreffende de situatiebeelden van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (1), en met name artikel 24, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2019/1896 wordt “situatiebeeld” gedefinieerd als een samenvoeging van gegeorefereerde bijna-realtime gegevens en informatie die zijn ontvangen van verschillende autoriteiten, sensoren, platforms en andere bronnen, die via beveiligde communicatie- en informatiekanalen worden doorgegeven en die kunnen worden verwerkt en selectief kunnen worden getoond aan en gedeeld met andere bevoegde autoriteiten om situationeel bewustzijn te creëren en het reactievermogen te ondersteunen aan, langs of nabij de buitengrenzen en in het gebied vóór de grens. Deze definitie is een ontwikkeling van het concept dat oorspronkelijk was vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2), en gaat uit van een meer “datacentrische” benadering, waardoor gebruikers de geschikte grafische weergave en gebruikersinterface kunnen selecteren, afhankelijk van de operationele situatie en hun behoeften inzake commando en controle.

(2)

Verordening (EU) 2019/1896 bepaalt dat nationale situatiebeelden, een Europees situatiebeeld en specifieke situatiebeelden worden verkregen door middel van verzameling, evaluatie, onderlinge vergelijking, analyse, interpretatie, productie, visualisatie en verspreiding van informatie. Situatiebeelden moeten bestaan uit drie afzonderlijke informatielagen, namelijk een gebeurtenissenlaag, een operationele laag en een analyselaag.

(3)

Het is noodzakelijk de nadere gegevens van elk van de informatielagen van de situatiebeelden en de regels voor het opstellen van specifieke situatiebeelden vast te stellen. Voorts moeten het soort informatie dat moet worden verstrekt en de processen voor het verstrekken van die informatie worden gespecificeerd, alsmede de mechanismen om de kwaliteitscontrole te waarborgen. Om te zorgen voor een gecoördineerde aanpak die de informatie-uitwisseling verbetert, moet de wijze waarop in het Europees grensbewakingssysteem (hierna “Eurosur” genoemd) meldingen worden gedaan, worden gespecificeerd en gestandaardiseerd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de gebeurtenissenlaag van situatiebeelden voldoende uitgebreid en gedetailleerd is, moeten de nationale coördinatiecentra en, in voorkomend geval, het Europees Grens- en kustwachtagentschap (hierna “het agentschap” genoemd) en de internationale coördinatiecentra tijdig melding maken van gebeurtenissen die een impact kunnen hebben op de buitengrenzen.

(5)

Het melden van gebeurtenissen via indicatoren en het melden van afzonderlijke gebeurtenissen zijn complementair. De indicatoren dragen bij tot de beoordeling van de algemene ontwikkeling aan een grenssegment en tot een beter situationeel bewustzijn, terwijl meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen van belang zijn voor een tijdige reactie op een bepaalde gebeurtenis.

(6)

Bij meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen kan dringend optreden nodig zijn. Daarom moet het mogelijk zijn om afzonderlijke gebeurtenissen tijdig te melden, zodat tijdig op dergelijke gebeurtenissen kan worden gereageerd. Zodra de gebeurtenis is gedetecteerd, moet een eerste melding worden gedaan, die in de overeenkomstige situatiebeelden moet worden weergegeven. Om te vermijden dat vertraging het vermogen tot snelle reactie aantast, moet het valideringsproces de verzending een gedeeltelijk gevalideerde melding mogelijk maken.

(7)

Het verzenden van meldingen in dergelijke omstandigheden kan echter tot vals alarm leiden. De bron en de eigenaar van het situatiebeeld moeten het betrouwbaarheidsniveau beoordelen en aangeven in de meldingen en in de gebeurtenissen die in het situatiebeeld worden weergegeven. De eerste melding moet worden aangevuld met andere follow-upmeldingen zodra aanvullende informatie beschikbaar is.

(8)

Het melden van gebeurtenissen in verband met documentfraude en -criminaliteit in Eurosur zal een aanvulling vormen op de verplichtingen tot informatieverstrekking uit hoofde van Verordening (EU) 2020/493 van het Europees Parlement en de Raad (3) als onderdeel van het systeem voor fraudedocumenten en authentieke documenten online (FADO).

(9)

Het melden van afzonderlijke gebeurtenissen in verband met grensoverschrijdend vervoer van goederen en daarmee verband houdende illegale handel uit hoofde van deze verordening mag geen afbreuk doen aan bestaande rapportageverplichtingen, -beperkingen of -bevoegdheden op douanegebied, noch aan systematische controlerapportage, met name in het kader van het invoercontrolesysteem 2 (“ICS2”) overeenkomstig artikel 186 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (4), of aan de uitwisseling van risicogerelateerde informatie in het kader van het douanerisicobeheersysteem (“CRMS”) overeenkomstig artikel 86 van die verordening en het douane-informatiesysteem (“DIS”) dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad (5). Het mag evenmin overlappen met bestaande mechanismen voor informatieverstrekking die door de lidstaten worden gebruikt in aangelegenheden betreffende de douane en de douanewerking. Indien beschikbaar, kan de relevante informatie worden verkregen uit bestaande bronnen van de Commissie.

(10)

Wat de operationele laag van situatiebeelden betreft, moet de eigenaar van situatiebeelden, om een voldoende uitgebreid overzicht te kunnen waarborgen, meldingen ontvangen over eigen middelen van de lidstaten, over operationele plannen en over milieu-informatie, waaronder met name meteorologische en oceanografische informatie. Ingeval het impactniveau aan een grenssegment hoog of kritiek is, vereist de behoefte aan coördinatie gedetailleerde meldingen over de operationele plannen om beter te kunnen anticiperen op de reactie van de verschillende betrokken autoriteiten.

(11)

Operationele meldingen die in het kader van een gezamenlijke grensoperatie of een snelle grensinterventie moet plaatsvinden, moeten in de operationele plannen van elke gezamenlijke grensoperatie of snelle grensinterventie worden beschreven.

(12)

De analyselaag van de situatiebeelden moet door de eigenaar ervan worden vastgesteld op basis van risicoanalysemeldingen. Deze meldingen zijn bedoeld om meer inzicht te krijgen in gebeurtenissen aan de buitengrens en zo de voorspelling van trends, de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties, en de strategische risicoanalyse te vergemakkelijken. De methoden voor het melden van risicoanalyses en de toekenning van betrouwbaarheidsniveaus moeten gebaseerd zijn op het gemeenschappelijk model voor geïntegreerde risicoanalyse (CIRAM).

(13)

Om te zorgen voor consistentie en de uitwisseling van informatie te vergemakkelijken met behoud van de veiligheid, moet het agentschap zijn verschillende risicoanalysenetwerken en -instrumenten in het kader van Eurosur integreren en ontwikkelen, zoals het Frontex-netwerk voor risicoanalyse (FRAN), het European Document Fraud Risk Analysis Network (EDF-RAN) of het Maritime Intelligence Community Risk Analysis Network (MIC-RAN).

(14)

Bij het doen van meldingen in Eurosur moet rekening worden gehouden met het specifieke karakter van bepaalde grenstoezichtactiviteiten, zoals bewaking van de lucht- of zeegrenzen, maar ook met het specifieke karakter van bepaalde gerelateerde gebeurtenissen, zoals secundaire bewegingen of opsporings- en reddingsincidenten. Het melden van dergelijke informatie draagt bij tot het opstellen van het Europees situatiebeeld, met inbegrip van risicoanalyse en de toekenning van impactniveaus. Bovendien moeten meldingen van operaties om migranten op te sporen en te redden, zowel op het land als op zee, bijdragen tot de bescherming en het redden van levens van migranten.

(15)

De eigenaar van het situatiebeeld moet het situatiebeeld beheren met het doel een duidelijk inzicht te verschaffen in de situatie aan elk buitengrenssegment en voor elk bevoegdheidsdomein, en risicoanalyses en reactievermogens op het juiste niveau te bevorderen.

(16)

Bij het opstellen van specifieke situatiebeelden met partijen die ten aanzien van Eurosur derden zijn, moeten de lidstaten en het agentschap de door het agentschap ontwikkelde technische en operationele normen voor informatie-uitwisseling naleven en bevorderen.

(17)

De operationele verantwoordelijkheden moeten worden vastgesteld voor het doen van meldingen en voor het in stand houden van situatiebeelden, in verband met de technische verantwoordelijkheden voor de exploitatie en het onderhoud van de verschillende technische systemen en netwerken die de verwerking van informatie in Eurosur ondersteunen.

(18)

Om ervoor te zorgen dat de operationele verantwoordelijkheden voor de technische uitvoering van Eurosur voldoende gedetailleerd worden omschreven, moeten de technische componenten van Eurosur worden vastgesteld. Om de aanzienlijke hoeveelheid verwerkte informatie te beheren en de werklast van de operatoren te verminderen, moet de uitwisseling van informatie in Eurosur worden geautomatiseerd. De lidstaten en het agentschap moeten technische interfaces ontwikkelen om koppelingen tussen machines te bevorderen en beslissingsondersteunende instrumenten gebruiken om de Eurosur-operatoren bij te staan bij hun taken.

(19)

Bij het bepalen van het format van meldingen die betrekking hebben op verdachte vaartuigen, als onderdeel van de technische normen voor informatie-uitwisseling, dient het agentschap, in nauwe samenwerking met de betrokken nationale autoriteiten, gebruik te maken van internationaal overeengekomen formats die voortvloeien uit de desbetreffende internationale wetgeving, in de eerste plaats het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, het gewoonterecht van de zee en de afgeleide instrumenten met name van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), alsmede de variaties daarop in de interne rechtsorde van de vlaggenstaten.

(20)

Bij het bepalen van het format van meldingen die betrekking hebben op verdachte luchtvaartuigen, als onderdeel van de technische normen voor informatie-uitwisseling, dient het agentschap, in nauwe samenwerking met de relevante nationale autoriteiten, te trachten gebruik te maken van internationaal overeengekomen formats, zoals die welke zijn vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

(21)

De gegevensbeveiliging in Eurosur heeft tot doel de authenticiteit, beschikbaarheid, integriteit, vertrouwelijkheid en onweerlegbaarheid van de meldingen en van alle andere in Eurosur verwerkte gegevens en informatie te waarborgen.

(22)

De gegevensbeveiliging van de technische componenten van Eurosur houdt in dat de technische componenten met een bepaald betrouwbaarheidsniveau elke handeling kunnen detecteren en weerstaan die een gevaar vormt voor de veiligheid van de verwerkte gegevens en informatie of de daarmee verband houdende diensten die worden aangeboden door of toegankelijk zijn via die netwerken en informatiesystemen.

(23)

De gegevensbeveiliging van Eurosur is een collectieve verantwoordelijkheid van de lidstaten en het agentschap.

(24)

De cyberdreigingen veranderen voortdurend en worden nu steeds betaalbaarder voor criminele en terroristische netwerken. Eurosur moet zowel op EU- als op nationaal niveau zorgen voor een adequate en homogene bescherming tegen cyberdreigingen. Eurosur is een kader voor de uitwisseling van informatie dat verschillende rubriceringsgraden dekt. Bij de uitvoering van de technische componenten van Eurosur moeten de relevante nationale autoriteiten en het agentschap ervoor zorgen dat elke gebruiker naar behoren toegang heeft tot de relevante informatie die overeenstemt met zijn homologatieniveau en zijn noodzaak tot kennisname.

(25)

Bij de uitrol van het communicatienetwerk tot het niveau “CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL” moet het agentschap een tijdelijke oplossing bieden voor de nationale componenten die nog slechts zijn gehomologeerd tot het niveau “RESTREINT UE/EU RESTRICTED” of gelijkwaardige nationale rubriceringsgraden.

(26)

Als onderdeel van de regels voor gegevensbeveiliging van Eurosur en om een goede homologatieprocedure te waarborgen, wordt bij deze verordening binnen het agentschap een gezamenlijk veiligheidshomologatieorgaan (hier “homologatieorgaan” genoemd) opgericht. Overeenkomstig de bepalingen van Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (6) is een dergelijk orgaan in het geval van Eurosur nodig omdat Eurosur is samengesteld uit verschillende onderling verbonden systemen die verschillende partijen betreffen.

(27)

Het homologatieorgaan is een onafhankelijk technisch orgaan dat de functies van de raad van bestuur van het agentschap onverlet laat.

(28)

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen veiligheidshomologatiebesluiten conform de in de veiligheidshomologatiestrategie vastgestelde procedure te worden gebaseerd op lokale veiligheidshomologatiebesluiten die worden genomen door de respectieve nationale veiligheidshomologatie-instanties van de lidstaten.

(29)

Om al zijn activiteiten snel en doeltreffend te kunnen uitvoeren, dient het homologatieorgaan de nodige ondergeschikte organen te kunnen oprichten die in opdracht van het homologatieorgaan werkzaamheden verrichten. Het dient derhalve een orgaan op te richten die hem bij de voorbereiding van zijn besluiten moet bijstaan.

(30)

Veiligheidshomologatieactiviteiten moeten worden gecoördineerd met de activiteiten van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de systemen en andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de veiligheidsvoorschriften.

(31)

Gelet op het specifieke karakter en de complexiteit van Eurosur is het van cruciaal belang dat de veiligheidshomologatieactiviteiten worden uitgevoerd in een context van collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de Unie en van de lidstaten, door te streven naar consensus en alle bij de veiligheid betrokken actoren daarbij te betrekken, en dat wordt voorzien in een permanente risicomonitoring. Het is eveneens onontbeerlijk dat technische veiligheidshomologatieactiviteiten worden toevertrouwd aan vakmensen die voldoende bekwaamheid bezitten op het vlak van de homologatie van complexe systemen en over een veiligheidsverklaring van een passend niveau beschikken.

(32)

Om ervoor te zorgen dat het homologatieorgaan zijn taken kan vervullen, moet ook worden bepaald dat de lidstaten het orgaan alle nodige documentatie verstrekken, naar behoren gemachtigde personen toegang verlenen tot gerubriceerde informatie in het kader van Eurosur en ondersteunende systemen (waaronder het communicatienetwerk) en tot alle zones die onder hun jurisdictie vallen, en dat zij op lokaal niveau verantwoordelijk zijn voor de homologatie van de veiligheid van zones die zich op hun grondgebied bevinden.

(33)

Hoewel rechtstreekse toegang tot een nationaal systeem een exclusieve bevoegdheid van de betrokken lidstaat is, kan het personeel van het agentschap in het kader van Eurosur rechtstreekse toegang tot de nationale systemen worden verleend om nationale autoriteiten bij te staan bij hun taken.

(34)

De bepalingen inzake gegevensbeveiliging van de externe componenten van Eurosur moeten deel uitmaken van de bepalingen betreffende Eurosur in de overeenkomstige werkafspraken en modelstatusovereenkomsten. Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft Denemarken niet deelgenomen aan de vaststelling van Verordening (EU) 2019/817 (7) en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Omdat Verordening (EU) 2019/817 echter voortbouwt op het Schengenacquis, heeft Denemarken op 31 oktober 2019 overeenkomstig artikel 4 van dat protocol zijn besluit meegedeeld dat het Verordening (EU) 2019/817 in zijn nationale recht zal omzetten.

(35)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (8). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(36)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (9).

(37)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (10).

(38)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (11).

(39)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees comité voor de grens- en kustwacht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden vastgesteld:

a)

de regels om meldingen te doen in Eurosur, met inbegrip van het soort informatie dat moet worden verstrekt en de termijnen waarbinnen meldingen moeten plaatsvinden;

b)

de nadere gegevens van de informatielagen van de situatiebeelden;

c)

de regeling voor het opstellen van specifieke situatiebeelden;

d)

de verantwoordelijkheden in verband met de rapportage, het beheer van de situatiebeelden en de exploitatie en het onderhoud van de verschillende technische systemen en netwerken die Eurosur ondersteunen;

e)

de regels inzake gegevensbeveiliging en -bescherming van Eurosur;

f)

mechanismen om de kwaliteitscontrole te waarborgen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de informatie-uitwisseling en samenwerking in het kader van Eurosur, onder meer ten behoeve van situationeel bewustzijn en risicoanalyse, en ter ondersteuning van de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

“gebeurtenis”: een situatie die een impact kan hebben op de buitengrenzen wat betreft migratie, grensoverschrijdende criminaliteit of de bescherming en redding van de levens van migranten, met inbegrip van grensincidenten, of die gevolgen kan hebben voor de werking van Eurosur, met inbegrip van de technische componenten ervan;

2.

“beheer van een situatiebeeld”: het opstellen en in stand houden van het situatiebeeld en het verwerken van alle informatie die het bevat;

3.

“eigenaar”: de entiteit die, of het agentschap of orgaan dat het situatiebeeld en de bijbehorende meldingen beheert;

4.

“verwerking”: elke handeling met betrekking tot de gegevens, metagegevens en informatie in een melding, ongeacht of die handeling al dan niet geautomatiseerd is, met inbegrip van het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, wijzigen, raadplegen, gebruiken, doorzenden, publiceren, combineren, wissen, lager rubriceren en vernietigen van deze gegevens en metagegevens;

5.

“indicator”: een meting of waarde betreffende gebeurtenissen of taken die de situatie aan de buitengrenzen beschrijft en die bijdraagt tot situationeel bewustzijn en risicoanalyse of reactievermogens ondersteunt;

6.

“technische indicator”: een meting of waarde betreffende gebeurtenissen of taken die bijdraagt tot situationeel bewustzijn en risicoanalyse in verband met de werking van Eurosur of die overeenkomstige reactievermogens ondersteunt;

7.

“coördinatiecentrum voor redding op zee”: een centrum dat tot taak heeft een doeltreffende organisatie van de opsporings- en reddingsdiensten te bevorderen, alsmede de uitvoering te coördineren van opsporings- en reddingsoperaties binnen een opsporings- en reddingsgebied zoals bedoeld in het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee;

8.

“externe vlucht”: een vlucht van een bemand of onbemand luchtvaartuig en zijn passagiers en/of vracht naar of vanaf het grondgebied van de lidstaten, die geen interne vlucht is in de zin van artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (12);

9.

“internationaal coördinatiecentrum”: de coördinatiestructuur die is opgezet voor de coördinatie van een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie aan de buitengrenzen;

10.

“observatielijst”: een op basis van risicoanalyse opgestelde lijst van verdachte entiteiten, activa, gedragingen of profielen, teneinde de detectie- en risicoanalysevermogens van de Europese grens- en kustwacht te sturen en passende reactievermogens in gang te zetten;

11.

“de technische componenten”: de systemen en netwerken die voor Eurosur worden gebruikt, met inbegrip van de infrastructuur, de organisatie, het personeel en de informatiebronnen die nodig zijn voor de ondersteuning ervan;

12.

“hulpverlening”: hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/90/EG van de Raad (13);

13.

“weigering van toegang”: weigering van toegang aan een onderdaan van een derde land aan de buitengrenzen, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399, wegens het niet voldoen aan alle in artikel 6, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden en het niet behoren tot de in artikel 6, lid 5, van die verordening genoemde categorieën personen, en aan wie een standaardformulier voor weigering van toegang als bedoeld in bijlage V bij de Schengengrenscode is verstrekt;

14.

“mensenhandel”: een strafbaar feit als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (14);

15.

“veiligheidshomologatie”: de formele machtiging en goedkeuring die door de relevante veiligheidshomologatieautoriteit aan een Eurosursysteem of netwerk wordt verleend om Eurosur-gegevens te verwerken in zijn operationele milieu, na formele validering van een veiligheidsplan en de correcte uitvoering ervan;

16.

“operationele status”: het vermogen van een goed, eenheid, systeem of centrum om zijn operationele functie(s) te vervullen dat wordt aangemerkt als “volledig operationeel”, “beperkte operationele functies” of “niet beschikbaar”;

17.

“sublaag”: een informatielaag onder de gebeurtenissenlaag, de operationele laag of de risicoanalyselaag van een situatiebeeld.

HOOFDSTUK I

BEGINSELEN INZAKE MELDINGEN IN EUROSUR

AFDELING 1

Algemene beginselen

Artikel 4

Meldingen in Eurosur

1.   Tussen twee of meer entiteiten, eenheden, organen of agentschappen worden meldingen gedaan om de verschillende situatiebeelden te helpen opstellen, teneinde bij te dragen aan de risicoanalyse of het reactievermogen te ondersteunen.

2.   Meldingen bestaan uit:

a)

gegevens met de basisinformatie;

b)

metagegevens die aanvullende informatie bevatten die bijdraagt tot een beter inzicht in de dataset in een bredere context, en de verwerking ervan in Eurosur ondersteunt.

3.   Meldingen kunnen de vorm aannemen van:

a)

indicatoren als bedoeld in artikel 8;

b)

meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen als bedoeld in artikel 9;

c)

meldingen over eigen middelen als bedoeld in artikel 10;

d)

meldingen over operationele plannen als bedoeld in artikel 11;

e)

meldingen over milieu-informatie als bedoeld in artikel 12;

f)

meldingen over risicoanalyse als bedoeld in artikel 13;

g)

verzoeken om informatie als bedoeld in artikel 14;

h)

observatielijsten als bedoeld in artikel 15.

Artikel 5

Meldingstaken

1.   De nationale coördinatiecentra, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, hierna “agentschap” genoemd, en de entiteiten die de specifieke situatiebeelden beheren, hierna “meldingsbronnen” genoemd, doen meldingen in Eurosur.

2.   De meldingen worden ontvangen door de eigenaars van de situatiebeelden, hierna “eigenaars” genoemd, die verantwoordelijk zijn voor de verwerking ervan overeenkomstig de toepasselijke regels.

3.   Meldingen in Eurosur kunnen afkomstig zijn van de in artikel 25, lid 2, en artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1896 bedoelde nationale bronnen of uit eigen bronnen van het agentschap.

Artikel 6

Koppelingen

1.   Wanneer de meldingsbron vaststelt dat de melding een verband vertoont met een andere melding of met andere elementen van het situatiebeeld dat het inzicht in de algemene situatie en context kan vergemakkelijken, koppelt zij deze melding met de relevante elementen.

2.   De eigenaars van een situatiebeeld kunnen koppelingen die verband houden met het door hen beheerde situatiebeeld toevoegen of wijzigen.

AFDELING 2

Melding van gebeurtenissen

Artikel 7

Melding van gebeurtenissen in Eurosur

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum zorgt ervoor dat de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer, met inbegrip van de kustwachten voor zover deze grenstoezichttaken uitvoeren, in de gebeurtenissenlaag van relevante situatiebeelden melding maken van alle gebeurtenissen die tijdens de uitvoering van grenstoezichtactiviteiten zijn gedetecteerd en bijdragen aan het situationeel bewustzijn en risicoanalyse, alsook, indien beschikbaar, van gebeurtenissen in verband met niet-toegestane secundaire bewegingen.

2.   Bij de uitvoering van grenstoezichttaken zijn het agentschap en, in voorkomend geval, de internationale coördinatiecentra onderworpen aan de in lid 1 bedoelde verplichting.

3.   Gebeurtenissen in Eurosur worden gemeld hetzij als indicatoren, hetzij als afzonderlijke gebeurtenissen, hetzij als beide.

Artikel 8

Indicatoren van gebeurtenissen aan de buitengrenzen

1.   De nationale coördinatiecentra en, indien relevant en zoals bepaald in de operationele plannen, de internationale coördinatiecentra, melden indicatoren over gebeurtenissen aan de buitengrenzen aan het agentschap, zoals bepaald in bijlage 1 en op de in die bijlage gespecificeerde tijdstippen.

2.   De met de indicatoren overeenkomende gegevens kunnen worden afgeleid uit informatie en statistieken waarover de nationale autoriteiten beschikken, onder meer door het doorzoeken van relevante databanken en grootschalige informatiesystemen van de Unie, overeenkomstig het rechtskader dat op die databanken en systemen van toepassing is.

3.   Indicatoren met betrekking tot het illegale grensoverschrijdende vervoer van goederen en daarmee verband houdende illegale handel worden verkregen in samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten, waarbij terdege rekening wordt gehouden met andere meldingsverplichtingen of -beperkingen en met de rol van de Commissie.

4.   Naast de in lid 1 bedoelde meldingsverplichting kan een meldingsbron een specifieke melding doen:

a)

om te waarschuwen voor een abnormale verandering van de waargenomen waarden;

b)

om kennis te geven van een gedetecteerde specifieke modus operandi of een gedetecteerd specifiek patroon;

c)

en deze te koppelen met een specifieke risicoanalyse in het geval van situaties als bedoeld in punt b).

5.   Wanneer het agentschap een van de in lid 1 bedoelde indicatoren verkrijgt met eigen bewakingsmiddelen of door samenwerking van het agentschap met instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties, of door samenwerking van het agentschap met derde landen, meldt het de indicatoren in het Europees situatiebeeld en stelt het de nationale coördinatiecentra daarvan in kennis. In dat geval en voor die indicatoren is de meldingsverplichting van artikel 7, lid 1, niet van toepassing.

Artikel 9

Meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen

1.   De nationale coördinatiecentra en, indien relevant en zoals bepaald in de operationele plannen, de internationale coördinatiecentra, melden de afzonderlijke gebeurtenissen aan het agentschap.

2.   Afzonderlijke gebeurtenissen worden in Eurosur gemeld wanneer:

a)

een tijdige reactie nodig is voor de afzonderlijke gebeurtenis;

b)

de specifieke gebeurtenis een grote of zeer grote impact heeft op de buitengrenzen, of

c)

de gebeurtenis is opgenomen in bijlage 2.

3.   Tenzij anders bepaald in bijlage 2, verzendt de meldingsbron de eerste melding van de gebeurtenis uiterlijk 24 uur nadat de relevante bevoegde autoriteit kennis heeft gekregen van het feit dat een gebeurtenis zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

4.   In voorkomend geval doet de meldingsbron aanvullende meldingen ter aanvulling of actualisering van een melding van een afzonderlijke gebeurtenis. Deze worden gekoppeld met de oorspronkelijke melding van een afzonderlijke gebeurtenis en met de in het situatiebeeld gemelde gebeurtenis.

5.   De uit hoofde van dit artikel opgestelde meldingen bevatten een beschrijving van de reactie van de autoriteiten op de gemelde gebeurtenissen, met inbegrip van alle genomen of geplande maatregelen.

6.   Onverminderd de eerste operationele reactie kunnen de eigenaar van de melding en de meldingsbron om nadere informatie en risicoanalyse verzoeken als bedoeld in artikel 14, teneinde:

a)

de informatie over de gebeurtenis aan te vullen;

b)

het in artikel 16 bedoelde betrouwbaarheidsniveau te verhogen;

c)

het toegekende impactniveau te actualiseren;

d)

de situatie in verband met de gebeurtenis te actualiseren.

7.   Op basis van de ontvangen meldingen kan de eigenaar van het situatiebeeld de gebeurtenis afsluiten wanneer wordt geoordeeld dat:

a)

de vermoede gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden;

b)

de verwachte impact van de gebeurtenis de melding niet rechtvaardigt;

c)

de in de gebeurtenis beschreven situatie is beëindigd.

Wanneer een gebeurtenis wordt afgesloten, worden de gebeurtenis en de verschillende daarmee gekoppelde meldingen opgeslagen en blijven deze toegankelijk in het situatiebeeld ten behoeve van risicoanalyse.

8.   Wanneer het agentschap voldoende informatie over afzonderlijke gebeurtenissen verkrijgt met eigen bewakingsmiddelen of door samenwerking van het agentschap met instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties, of door samenwerking van het agentschap met derde landen, meldt het deze informatie in het Europees situatiebeeld en stelt het de nationale coördinatiecentra daarvan in kennis. In dat geval is de meldingsverplichting van lid 1 niet van toepassing.

9.   Het agentschap neemt deze gebeurtenissen op of actualiseert ze in het Europees situatiebeeld, naargelang van het geval.

AFDELING 3

Operationele meldingen

Artikel 10

Meldingen over eigen middelen

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum en, in voorkomend geval, het betrokken internationale coördinatiecentrum, alsmede het agentschap zorgen ervoor dat hun aan grenstoezichtoperaties deelnemende eenheden in het Europees situatiebeeld melding doen over eigen middelen.

2.   De meldingen over eigen middelen in Eurosur omvatten:

a)

de operationele status van de nationale coördinatiecentra, met inbegrip van hun vermogen om de in artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1896 genoemde taken uit te voeren en, in voorkomend geval, de operationele status van de internationale coördinatiecentra. Elke significante wijziging in de operationele status van het nationale coördinatiecentrum wordt realtime aan het agentschap gemeld;

b)

de positie en operationele status van de commando- en controlecentra die voor grenstoezichtoperaties worden gebruikt;

c)

de bevoegdheidsdomeinen voor grensbewaking en voor de controles aan de grensdoorlaatposten;

d)

het type en de verdeling van de grenstoezichteenheden en hun status.

Artikel 11

Meldingen over operationele plannen

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum zorgt ervoor dat de aan grenstoezichtoperaties deelnemende eenheden hun operationele plannen in de nationale situatiebeelden kunnen melden.

2.   De nationale coördinatiecentra en, in voorkomend geval, de internationale coördinatiecentra, melden de operationele plannen in het Europees situatiebeeld wanneer de impactniveaus aan de grenssegmenten hoog of kritiek zijn of in het geval van gezamenlijke grensoperaties/snelle grensinterventies.

3.   De meldingen over operationele plannen bevatten:

a)

een beschrijving van de situatie;

b)

het operationele doel en de verwachte duur van de operatie;

c)

het geografisch gebied waarin de operatie plaatsvindt;

d)

een beschrijving van de taken, verantwoordelijkheden en speciale instructies voor de deelnemende teams en eenheden, met modus operandi en doelstellingen van de inzet;

e)

de samenstelling van het ingezette personeel, met inbegrip van het aantal ingezette personeelsleden en hun profielen;

f)

commando- en controleplannen, met inbegrip van de operationele status van de commando- en controlecentra, de uitgeoefende functie en de bijbehorende systemen en communicatiemiddelen;

g)

de in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten;

h)

het schema van grensbewakingspatrouilles, met inbegrip van het patrouillegebied en de ingezette middelen;

i)

gedetailleerde procedures betreffende melding van gebeurtenissen.

Artikel 12

Meldingen over milieu-informatie

1.   De relevante autoriteiten, diensten, agentschappen en programma’s op nationaal en EU-niveau kunnen milieu-informatie melden in de operationele laag van de relevante situatiebeelden.

2.   Meldingen over milieu-informatie in Eurosur kunnen het volgende omvatten:

a)

realtime beelden geleverd door videocamera’s, radarsystemen en andere detectieapparatuur;

b)

meteorologische waarnemingen en weersvoorspellingen;

c)

oceanografische informatie en aan driftmodellen ontleende gegevens;

d)

geospatiale producten;

e)

andere operationele beelden die kunnen helpen inzicht te krijgen in de situatie aan de buitengrenzen of een specifieke grensoperatie te monitoren.

AFDELING 4

Meldingen over risicoanalyse

Artikel 13

Meldingen in verband met risicoanalyse

1.   De nationale coördinatiecentra, het agentschap en, in voorkomend geval, de internationale coördinatiecentra zorgen ervoor dat risicoanalysemeldingen worden gedaan met het oog op de actualisering van de analyselagen van de situatiebeelden.

2.   De risicoanalysemeldingen bevatten een of meer van de volgende elementen: analytische producten zoals briefingnota’s, analytische verslagen, analyses en risicoprofielen van derde landen, en specifieke aardobservatieverslagen met behulp van geospatiale informatiesystemen.

3.   De risicoanalysemeldingen worden gebruikt om:

a)

het inzicht in gebeurtenissen en incidenten aan de buitengrenzen en, in voorkomend geval, het verband met niet-toegestane secundaire bewegingen en de analyse en voorspelling van daarmee verband houdende trends te faciliteren;

b)

de gerichte planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties te faciliteren;

c)

strategische risicoanalyse uit te voeren.

Artikel 14

Verzoek om informatie

1.   Wanneer het nodig is verdere meldingen over een specifieke gebeurtenis te ontvangen of het situatiebeeld te actualiseren, kunnen het agentschap of de entiteiten die de specifieke situatiebeelden beheren, een verzoek om informatie richten tot een of meer bronnen als bedoeld in artikel 25, lid 2, en artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1896.

2.   Een verzoek om informatie overeenkomstig lid 1 kan onderworpen zijn aan een rubriceringsgraad of andere specifieke beperkingen in verband met het gegevensbeleid.

3.   De risicoanalysemeldingen naar aanleiding van een verzoek om informatie worden gekoppeld met het oorspronkelijke verzoek om informatie.

4.   Het beginsel inzake toestemming van de bron geldt zowel voor de verzoeken om informatie als voor de meldingen die naar aanleiding daarvan plaatsvinden.

Artikel 15

Observatielijsten

1.   Het agentschap stelt observatielijsten op en actualiseert deze met het oog op het verbeteren van de detectie- en risicoanalysecapaciteiten van de Europese grens- en kustwacht en het in gang zetten van passende reactievermogens.

2.   Meldingen bestaan uit:

a)

entiteiten, middelen, gedragingen of profielen waarvan op basis van een risicoanalyse wordt vermoed dat zij verband houden met illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit, of die de beveiliging van het leven van migranten in gevaar kunnen brengen;

b)

een voorgestelde reactie in het geval van detectie, met inbegrip van beperkingen in verband met het gegevensbeleid die van toepassing zijn op de meldingen.

3.   Observatielijsten kunnen het volgende omvatten:

a)

verdachte vaartuigen;

b)

verdachte luchtvaartuigen;

c)

verdachte luchthavens van herkomst en andere plaatsen waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij plaatsen van herkomst van externe vluchten zijn;

d)

verdachte havens van herkomst, ankerplaatsen, aanlegplaatsen en andere plaatsen waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij plaatsen van oorsprong van scheepvaartverkeer zijn;

e)

verdachte operatoren.

AFDELING 5

Gemeenschappelijke bepalingen voor de “gebeurtenissenlaag” en de “risicoanalyselaag”

Artikel 16

Betrouwbaarheidsniveaus

1.   De bron van een melding van een gebeurtenis of van een risicoanalysemelding beoordeelt het betrouwbaarheidsniveau van de gemelde informatie als onderdeel van de metagegevens die deel uitmaken van de melding.

2.   Het betrouwbaarheidsniveau wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

a)

de geloofwaardigheid van de gemelde informatie;

b)

de betrouwbaarheid van de informatiebron:

c)

de valideringsstatus van de melding.

3.   De eigenaar houdt rekening met het aan de melding verbonden betrouwbaarheidsniveau om het situatiebeeld dienovereenkomstig te actualiseren.

Artikel 17

Toekenning van impactniveaus

1.   De bron van een melding van een gebeurtenis of van een risicoanalysemelding beoordeelt het impactniveau van de gemelde informatie als onderdeel van de metagegevens die deel uitmaken van de melding.

2.   Het impactniveau weerspiegelt de algemene impact van de gemelde informatie op:

a)

de opsporing, preventie en bestrijding van illegale immigratie;

b)

de opsporing, preventie en bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

c)

de bescherming van en het redden van de levens van migranten.

3.   De in lid 1 bedoelde meldingsbronnen kennen aan elke melding van een gebeurtenis en aan elke risicoanalysemelding een impactniveau toe.

4.   Wanneer een melding betrekking heeft op een gebeurtenis die reeds in het situatiebeeld is gemeld, koppelt de bron de melding aan die gebeurtenis.

5.   Eigenaars kennen aan de gebeurtenissen een impactniveau toe of wijzigen het op basis van de ontvangen meldingen en hun eigen risicoanalyse.

AFDELING 6

Meldingen in het kader van specifieke grenstoezichtactiviteiten

Artikel 18

Meldingen in verband met niet-toegestane secundaire bewegingen

Wanneer deze informatie beschikbaar is:

a)

laten de lidstaten de analyse met betrekking tot niet-toegestane secundaire bewegingen op hun grondgebied zien in een specifieke sublaag van het nationale situatiebeeld. Deze specifieke sublaag wordt gedeeld met het agentschap;

b)

melden de lidstaten afzonderlijke gebeurtenissen in verband met niet-toegestane secundaire bewegingen als bedoeld in artikel 9, overeenkomstig hun nationale procedures;

c)

melden de lidstaten specifieke indicatoren in verband met niet-toegestane secundaire bewegingen.

Artikel 19

Meldingen in verband met de bewaking van de zeegrenzen

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum zorgt ervoor dat de aan de bewaking van de zeegrenzen deelnemende eenheden melding doen van vaartuigen:

a)

die ervan verdacht worden personen te vervoeren die de controles aan de grensdoorlaatposten omzeilen of voornemens zijn te omzeilen, wanneer die omzeiling verband houdt met illegale migratie;

b)

die ervan verdacht worden betrokken te zijn bij smokkelactiviteiten over zee of andere grensoverschrijdende activiteiten in verband met criminaliteit;

c)

in gevallen waarin het leven van migranten gevaar loopt;

d)

die op de observatielijsten staan of die het voorwerp uitmaken van verzoeken om informatie. In het geval van meldingen als bedoeld in punt d) wordt bij de melding rekening gehouden met de beperkingen van het gegevensbeleid als bedoeld in artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, punt b).

2.   De deelnemende eenheid zendt de informatie door aan haar eigen nationaal coördinatiecentrum en, in het geval van een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, aan het overeenkomstige internationale coördinatiecentrum overeenkomstig het operationeel plan.

3.   De nationale coördinatiecentra en, in voorkomend geval, de internationale coördinatiecentra actualiseren hun respectieve situatiebeelden en melden deze informatie aan het agentschap met het oog op de actualisering van het Europees situatiebeeld.

Artikel 20

Gebeurtenissen in verband met opsporing en redding op zee

1.   Bij het uitvoeren van de bewaking van de zeegrenzen houden de autoriteiten van de lidstaten die hulp verlenen aan schepen of mensen in nood op zee, overeenkomstig hun verplichting naar internationaal zeerecht, rekening met alle relevante informatie en opmerkingen betreffende een mogelijk opsporings- en reddingsincident, zenden zij deze door aan het respectieve verantwoordelijke coördinatiecentrum voor redding op zee en stellen zij hun nationale coördinatiecentrum daarvan in kennis met het oog op het actualiseren van die gebeurtenis in de betrokken situatiebeelden.

2.   Indien de autoriteiten van de lidstaten duidelijk vaststellen dat het opsporings- en reddingsincident geen verband houdt met het beschermen en het redden van de levens van migranten of met grensoverschrijdende criminaliteit, kunnen zij besluiten het nationale coördinatiecentrum daarvan niet in kennis te stellen.

3.   Bij het uitvoeren van operaties ter bewaking van de zeegrenzen en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement (15) is het agentschap aan dezelfde verplichting onderworpen als de in lid 1 bedoelde verplichting.

4.   Tijdens een opsporings- en reddingsoperatie actualiseert het bevoegde nationale coördinatiecentrum het nationaal situatiebeeld en meldt het deze informatie aan het agentschap met het oog op de actualisering van het Europees situatiebeeld.

5.   De situatiebeelden worden regelmatig geactualiseerd:

a)

om de planning en uitvoering van de volgende operationele fase te ondersteunen zodra de opsporings- en reddingsoperatie is afgerond;

b)

om de impactniveaus te beoordelen die worden toegekend aan het desbetreffende incident en aan het zeegrenssegment in het algemeen;

c)

om de in artikel 8 bedoelde relevante indicatoren te actualiseren;

6.   Het bevoegde nationale coördinatiecentrum meldt het einde van een opsporings- en reddingsoperatie uiterlijk 24 uur nadat de operatie is beëindigd, aan het agentschap.

Artikel 21

Meldingen in verband met de bewaking van de luchtgrenzen

1.   Elk nationaal coördinatiecentrum zorgt ervoor dat de bij de bewaking van de luchtgrenzen betrokken nationale agentschappen en organen melding doen van externe vluchten:

a)

die ervan verdacht worden personen te vervoeren die de controles aan de grensdoorlaatposten omzeilen of voornemens zijn te omzeilen, wanneer het incident verband houdt met illegale migratie;

b)

die ervan verdacht worden betrokken te zijn bij smokkelactiviteiten door de lucht of andere grensoverschrijdende activiteiten in verband met criminaliteit;

c)

die het leven van migranten in gevaar kunnen brengen;

d)

die op de observatielijsten staan of die het voorwerp uitmaken van verzoeken om informatie. In het geval van meldingen als bedoeld in punt d) wordt bij de melding rekening gehouden met de beperkingen van het gegevensbeleid als bedoeld in artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, punt b).

2.   De bij de bewaking van de luchtgrenzen betrokken nationale agentschappen en organen zenden die informatie door aan hun eigen nationaal coördinatiecentrum of, in het geval van een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, aan het overeenkomstige internationale coördinatiecentrum overeenkomstig het operationeel plan.

3.   Het nationale coördinatiecentrum of het internationaal coördinatiecentrum actualiseert zijn respectieve situatiebeeld en meldt deze informatie aan het agentschap met het oog op de actualisering van het Europees situatiebeeld.

AFDELING 7

Meldingen over kwaliteitscontrole in Eurosur

Artikel 22

Meldingen over de kwaliteit van de gegevens in Eurosur

Om de kwaliteit van de gegevens in Eurosur te monitoren, stelt het agentschap de volgende indicatoren vast en houdt deze in stand:

a)

het aantal en de frequentie van de ontvangen meldingen per grenssegment en per grensdoorlaatpost;

b)

de tijdigheid van de meldingen;

c)

de volledigheid en consistentie van de meldingen.

Artikel 23

Meldingen over de kwaliteit van de dienstverlening in Eurosur

1.   Bij de monitoring van de technische en operationele werking van Eurosur overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) 2019/1896 kan het agentschap, in nauwe samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten, technische indicatoren en de vereisten voor meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen vaststellen, teneinde toezicht te houden op de operationele status en de kwaliteit van de dienstverlening die wordt aangeboden door de verschillende systemen en netwerken van de lidstaten en van het agentschap die gekoppeld zijn met en deel uitmaken van de technische component van Eurosur als omschreven in artikel 27.

2.   De indicatoren worden gebruikt:

a)

om de status van de verschillende technische componenten van Eurosur realtime te monitoren;

b)

om de identificatie van en de respons op incidenten en storingen in de werking van Eurosur te ondersteunen;

c)

om de gegevensbeveiliging van Eurosur te waarborgen.

3.   De lidstaten en het agentschap melden elk afzonderlijk incident dat gevolgen heeft voor de technische componenten van Eurosur of de gegevensbeveiliging van Eurosur.

HOOFDSTUK II

SITUATIEBEELDEN

Artikel 24

Structuur van de situatiebeelden

1.   De gebeurtenissenlaag en de analyselaag van het Europees situatiebeeld bevatten een sublaag voor niet-toegestane secundaire bewegingen. Indien beschikbaar, bevatten de gebeurtenissenlaag en de analyselaag van het nationale situatiebeeld en van het specifieke situatiebeeld ook sublagen voor niet-toegestane secundaire bewegingen, teneinde inzicht te krijgen in migratietrends, -omvang en -routes.

2.   De operationele laag van het Europees situatiebeeld bevat sublagen voor de technische werking van Eurosur. Deze sublagen beschrijven:

a)

de operationele status van de nationale coördinatiecentra en de internationale coördinatiecentra;

b)

de belangrijkste technische elementen die bijdragen tot de werking van Eurosur en de status ervan;

c)

de kwaliteit van de gegevens en de kwaliteit van de dienstverlening in Eurosur;

d)

de incidenten en gebeurtenissen die van invloed zijn op de technische werking van Eurosur;

e)

de incidenten op het gebied van gegevensbeveiliging.

3.   Het situatiebeeld omvat andere specifieke sublagen van informatie om de weergave van informatie voor de gebruikers te vergemakkelijken.

4.   Elk situatiebeeld wordt opgesteld in een document waarin de laag en de sublagen en het toepasselijke gegevensbeleid worden gespecificeerd.

Artikel 25

Beheer van de situatiebeelden

De eigenaar van het situatiebeeld:

a)

verwerkt de ontvangen meldingen;

b)

stelt de gebeurtenissenlaag van het situatiebeeld vast en houdt deze in stand, genereert en actualiseert de gebeurtenissen in de gebeurtenissenlaag van het situatiebeeld en kent overeenkomstige impactniveaus en betrouwbaarheidsniveaus toe;

c)

stelt de operationele laag van het situatiebeeld vast en houdt deze in stand op basis van de meldingen over eigen middelen en de meldingen over operationele plannen;

d)

stelt de analyselaag van het situatiebeeld vast en houdt deze in stand op basis van de risicoanalysemeldingen en kent overeenkomstige impactniveaus en betrouwbaarheidsniveaus toe;

e)

stelt de koppelingen tussen de verschillende elementen van het situatiebeeld vast en houdt deze in stand, rekening houdend met de koppelingen in de meldingen;

f)

beheert de toegang van gebruikers tot het situatiebeeld en draagt bij aan de gegevensbeveiliging van Eurosur;

g)

zendt de relevante meldingen en noodzakelijke informatie aan de eigenaars van andere situatiebeelden, overeenkomstig hoofdstuk I;

h)

archiveert en verwijdert de relevante informatie in overeenstemming met het toepasselijke gegevensbeleid.

Artikel 26

Regels voor het opstellen en delen van een specifiek situatiebeeld

1.   Bij het opstellen van een specifiek situatiebeeld overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) 2019/1896 zorgen de lidstaten en het agentschap ervoor dat dit in overeenstemming is met:

a)

de beginselen inzake meldingen van hoofdstuk I;

b)

de vereisten met betrekking tot de structuur en het beheer van situatiebeelden van de artikelen 24 en artikel 25;

c)

de algemene bepalingen van hoofdstuk III.

2.   De regels voor het opstellen en delen van een specifiek situatiebeeld bevatten:

a)

de inhoud en reikwijdte van het specifieke situatiebeeld, met inbegrip van:

i)

het doel van het specifieke situatiebeeld;

ii)

de informatielagen en sublagen;

iii)

het soort informatie dat moet worden gemeld in het specifieke situatiebeeld, met inbegrip van meldingen van gebeurtenissen, operationele meldingen en risicoanalysemeldingen;

b)

het beheer van het specifieke situatiebeeld, met inbegrip van:

i)

de eigenaar;

ii)

de organen, instanties en agentschappen die meldingen kunnen doen;

iii)

de regels om meldingen te doen;

iv)

bepalingen met betrekking tot gegevensbeveiliging, met inbegrip van gebruikerstoegang;

c)

de regels voor informatie-uitwisseling met de andere gebruikers van Eurosur, met inbegrip van:

i.

de mechanismen voor informatie-uitwisseling met nationale en Europese situatiebeelden en de mechanismen om de toestemming van de bron te waarborgen;

ii.

de regels voor het verstrekken van Fusion Services van Eurosur als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) 2019/1896 en de overeenkomstige procedures;

iii.

andere aspecten in verband met de technische werking van Eurosur, met inbegrip van de koppeling van de externe component die het opstellen van het specifieke situatiebeeld ondersteunt, met de relevante nationale of Europese componenten van Eurosur.

HOOFDSTUK III

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1

Entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de technische aspecten

Artikel 27

Technische componenten van Eurosur

1.   De technische componenten van Eurosur omvatten nationale componenten en een Europese component.

2.   Elke nationale component bestaat uit de nationale systemen en netwerken die door de lidstaten worden gebruikt voor het opstellen van situatiebeelden, het doen van meldingen, situationeel bewustzijn, risicoanalyse en voor het ondersteunen van de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties, met inbegrip van de infrastructuur, de organisatie, het personeel en de informatiebronnen die nodig zijn om die component te ondersteunen. De koppelingen tussen componenten binnen een lidstaat en tussen lidstaten maken deel uit van de nationale componenten.

3.   De Europese component vormt een aanvulling op de nationale componenten. De Europese component omvat de koppeling met de nationale componenten. Hij omvat het communicatienetwerk en de systemen en netwerken die door het agentschap worden gebruikt voor het opstellen van situatiebeelden, meldingen, situationeel bewustzijn, risicoanalyse en voor het ondersteunen van de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties.

Artikel 28

Technische verantwoordelijkheden van het agentschap

Het agentschap is verantwoordelijk voor het beheer van de Europese component, waaronder:

a)

de vaststelling van technische normen voor de koppeling van netwerken, systemen, toepassingen en apparatuur van de nationale en externe componenten met die van de Europese component;

b)

het certificeringsproces van de netwerken, systemen, toepassingen en apparatuur met het oog op de koppeling ervan met Eurosur, in nauwe samenwerking met de verantwoordelijke autoriteiten;

c)

het servicebeheer van de systemen en netwerken die door het agentschap worden gebruikt voor het opstellen van situatiebeelden, meldingen, situationeel bewustzijn en risicoanalyse, en voor het ondersteunen van de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties;

d)

de meldingen over aspecten van de werking, de kwaliteit van de dienstverlening en het servicebeheer van de in punt c) bedoelde systemen en netwerken, zoals bepaald in artikel 23;

e)

de gegevensbeveiliging van de Europese component.

Artikel 29

Technische verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   Elke lidstaat is verantwoordelijk voor:

a)

het beheer van zijn nationale component, met inbegrip van het servicebeheer, en de coördinatie van de koppeling van nationale systemen en netwerken die worden gebruikt voor het opstellen van situatiebeelden, meldingen, situationeel bewustzijn en risicoanalyse, en voor het ondersteunen van de planning en uitvoering van grenstoezichtoperaties;

b)

de meldingen over aspecten van de werking, de kwaliteit van de dienstverlening en het servicebeheer van de in punt a) bedoelde systemen en netwerken, zoals bepaald in artikel 23;

c)

de naleving van de door het agentschap vastgestelde technische normen;

d)

de gegevensbeveiliging van de nationale component.

2.   Het nationaal coördinatiecentrum:

a)

ondersteunt de coördinatie, planning en uitvoering van de nationale component;

b)

draagt bij tot de regelmatige monitoring van de kwaliteit van de dienstverlening en de kwaliteit van de gegevens, en doet daarvan melding aan het agentschap;

c)

zorgt voor de operationele meldingen over de systemen en netwerken van de Europese component.

Artikel 30

Externe componenten

1.   Een externe component van Eurosur bestaat uit de systemen en netwerken, met inbegrip van de infrastructuur, de organisatie, het personeel en de informatiebronnen die nodig zijn voor de ondersteuning ervan, die geen deel uitmaken van Eurosur en door middel waarvan:

a)

gegevens en informatie worden uitgewisseld met Eurosur;

b)

het opstellen van een specifiek situatiebeeld wordt ondersteund.

2.   De koppeling van een externe component met Eurosur behoort tot de externe component. Dit wordt gespecificeerd in de regels voor het opstellen van het betrokken specifieke situatiebeeld.

AFDELING 2

Regels inzake gegevensbeveiliging en -bescherming voor Eurosur

Artikel 31

Algemene beginselen van de gegevensbeveiliging van Eurosur

1.   De gegevensbeveiliging van Eurosur omvat het beheer en de technische activiteiten die nodig zijn om een passend beschermingsniveau te bereiken voor de verwerking van Eurosur-gegevens en -informatie, het hoofd te bieden aan de veranderende dreigingsomgeving en de verschillende nationale organen en agentschappen die bij Eurosur en het agentschap betrokken zijn, in staat te stellen hun opdracht te vervullen. De gegevensbeveiliging van Eurosur bestaat uit informatieborging, fysieke beveiliging, persoonlijke beveiliging en industriële beveiliging.

2.   De gegevensbeveiliging van Eurosur omvat:

a)

het beheer van beveiligingsrisico’s, met inbegrip van beveiligingscontroles en -plannen, en de bijbehorende monitoring, evaluatie, actualisering, verbetering, rapportage, bewustmaking en opleiding;

b)

de bedrijfscontinuïteit en het herstel na rampen, met inbegrip van effectbeoordeling, continuïteits- en herstelcontroles en -plannen, en de bijbehorende monitoring, evaluatie, actualisering, verbetering, rapportage, bewustmaking en opleiding;

c)

de respons op beveiligingsincidenten en de gezamenlijke respons van het agentschap en de lidstaten op beveiligingsincidenten;

d)

de veiligheidshomologatie;

e)

de gebruikerstoegangscontrole;

f)

de gegevensbeveiligingsaspecten van de planning van grensoperaties en van de planning van informatiesystemen;

g)

de beveiligingsaspecten van de onderlinge verbindingen van componenten;

h)

de verwerking van gerubriceerde informatie ten behoeve van Eurosur.

Artikel 32

Beheer van de gegevensbeveiliging van Eurosur

1.   Het agentschap zorgt voor de algemene beveiliging van Eurosur, terdege rekening houdend met het belang van toezicht op en integratie in beveiligingsgebonden vereisten in elk onderdeel van Eurosur.

2.   Het agentschap is verantwoordelijk voor de gegevensbeveiliging van de Europese component.

3.   Elke lidstaat is verantwoordelijk voor de gegevensbeveiliging van zijn nationale component.

4.   Het agentschap en de lidstaten zorgen ervoor dat de controles, de procedures en de plannen op elkaar worden afgestemd, zodat de gegevensbeveiliging van Eurosur horizontaal en doeltreffend wordt gewaarborgd, op basis van een algemene procedure voor het beheer van beveiligingsrisico’s.

5.   De verantwoordelijkheden voor de gegevensbeveiliging van de externe component worden vastgelegd in de overeenkomsten, regelingen en operationele plannen tot vaststelling van het specifieke situatiebeeld, als bedoeld in artikel 26.

6.   Het agentschap stelt normen vast met de functionele beveiligingseisen en de eisen inzake beveiligingsborging voor het controleren van de toegang tot en het gebruik van technologieën ter beveiliging van Eurosur.

7.   Alle lidstaten en het agentschap zorgen ervoor dat de nodige stappen worden ondernomen om te voldoen aan de in lid 6 bedoelde normen, dat de naleving van de eisen en de beheersing van de risico’s met afdoende motivering worden gestaafd, en dat aan alle verdere eisen in verband met de beveiliging van de systemen wordt voldaan, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met deskundig advies.

8.   Alle lidstaten en het agentschap melden in Eurosur elk beveiligingsincident dat gevolgen heeft voor de gegevensbeveiliging van Eurosur, als onderdeel van de meldingen over de kwaliteit van de gegevens en van de dienstverlening.

9.   Wanneer de veiligheid van de Unie of haar lidstaten door de werking van Eurosur in het gedrang kan komen:

a)

stelt het agentschap de betrokken nationale coördinatiecentra daarvan onmiddellijk in kennis;

b)

kan de uitvoerend directeur van het agentschap, in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaten, besluiten passende maatregelen te nemen om de situatie te verhelpen, met inbegrip van het loskoppelen van bepaalde systemen en netwerken van de Europese component van Eurosur.

Artikel 33

Toepassing van veiligheidsregels in Eurosur

1.   Bij de verwerking van Eurosur-gegevens en -informatie zorgen alle lidstaten en het agentschap ervoor dat er veiligheidscontroles, -procedures en -plannen voorhanden zijn, waarbij een niveau van bescherming wordt gewaarborgd dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat wordt gewaarborgd door de veiligheidsvoorschriften van de Commissie die zijn vastgesteld in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 en Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie (16).

2.   De lidstaten stellen de Commissie en het agentschap onmiddellijk in kennis van de vaststelling van nationale veiligheidsvoorschriften die relevant zijn voor Eurosur, zoals bedoeld in lid 1.

3.   Natuurlijke personen die ingezetene zijn van een derde land en juridische entiteiten die in een derde land zijn gevestigd, mogen alleen Eurosur-gegevens verwerken indien zij in dat land onderworpen zijn aan veiligheidsvoorschriften die een niveau van bescherming waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat wordt gewaarborgd door de gelijkwaardige veiligheidsvoorschriften van de Commissie.

4.   De gelijkwaardigheid van de veiligheidsvoorschriften die in een derde land worden toegepast, kan worden erkend in een overeenkomst met dat land.

5.   In het kader van de uitvoering van de Europese component van Eurosur ondersteunt het agentschap de overeenkomstige uitwisseling van Eurosur-meldingen en de onderlinge koppeling van nationale componenten, zowel op niet-gerubriceerd niveau als op gerubriceerd niveau.

Artikel 34

Beginselen van veiligheidshomologatie in Eurosur

De veiligheidshomologatieactiviteiten worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:

a)

veiligheidshomologatieactiviteiten en -besluiten worden uitgevoerd in een context van collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de Unie en de lidstaten;

b)

er wordt naar gestreefd besluiten bij consensus vast te stellen en alle bij de veiligheid betrokken actoren daarbij te betrekken;

c)

taken worden uitgevoerd met inachtneming van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften en homologatienormen die van toepassing zijn op het agentschap, de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie;

d)

een permanent monitoringproces zorgt ervoor dat veiligheidsrisico’s bekend zijn, dat er veiligheidsmaatregelen worden vastgesteld om deze risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken conform de grondbeginselen en minimumnormen die zijn opgenomen in de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, en dat deze maatregelen worden toegepast overeenkomstig het begrip “verdediging in de diepte”. De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt constant geëvalueerd;

e)

veiligheidshomologatiebesluiten worden conform de in de veiligheidshomologatiestrategie vastgestelde procedure gebaseerd op lokale veiligheidshomologatiebesluiten die worden genomen door de respectieve nationale veiligheidshomologatieautoriteiten van de lidstaten;

f)

de technische veiligheidshomologatieactiviteiten worden toevertrouwd aan vakmensen die voldoende bekwaamheid bezitten op het vlak van de homologatie van complexe systemen en over een veiligheidsverklaring op passend niveau beschikken, en op objectieve wijze optreden;

g)

veiligheidshomologatiebesluiten worden genomen onafhankelijk van het agentschap en van de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de nationale componenten van Eurosur. De veiligheidshomologatieautoriteit voor Eurosur is binnen het agentschap een autonoom orgaan dat onafhankelijk besluiten neemt;

h)

bij de uitvoering van de veiligheidshomologatieactiviteiten wordt de eis van onafhankelijkheid in overeenstemming gebracht met de noodzaak van adequate coördinatie tussen het agentschap en de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de veiligheidsvoorschriften in de lidstaten.

Artikel 35

Veiligheidshomologatieorgaan voor Eurosur

1.   Binnen het agentschap wordt een veiligheidshomologatieorgaan voor Eurosur (hierna “homologatieorgaan” genoemd) opgericht.

2.   Als veiligheidshomologatieautoriteit is het homologatieorgaan met betrekking tot de veiligheidshomologatie voor Eurosur verantwoordelijk voor:

a)

het vaststellen en goedkeuren van een veiligheidshomologatiestrategie voor Eurosur, met inbegrip van de Europese component;

b)

het nemen van relevante koppelingsbesluiten, waartoe de lidstaten het homologatieorgaan informeren over de homologatie van hun nationale componenten;

c)

het nemen van veiligheidshomologatiebesluiten voor de Europese component, rekening houdend met het advies van de nationale entiteiten die bevoegd zijn op het gebied van veiligheid en de algemene veiligheidsrisico’s;

d)

het goedkeuren van relevante documentatie met betrekking tot veiligheidshomologatie;

e)

het verstrekken, binnen zijn bevoegdheidsgebied, van advies aan het agentschap en de lidstaten bij de vaststelling van operationele beveiligingsprocedures (“SecOps”) en het verstrekken van een verklaring met zijn afsluitend standpunt;

f)

het bestuderen en goedkeuren van de beveiligingsrisicobeoordeling in samenwerking met het agentschap, de lidstaten en de Commissie teneinde risicobeperkende maatregelen vast te stellen;

g)

het controleren van de tenuitvoerlegging van beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidshomologatie van de Europese component via het uitvoeren of steunen van beveiligingsbeoordelingen, -inspecties of -toetsingen;

h)

het bekrachtigen van de selectie van goedgekeurde producten en maatregelen, en van goedgekeurde encryptieproducten die worden gebruikt voor de beveiliging van de Europese component van Eurosur en van koppelingen;

i)

het goedkeuren of, in voorkomend geval, samen met de voor beveiligingsaangelegenheden bevoegde entiteit deelnemen aan de gezamenlijke goedkeuring van:

i.

de koppeling van de Europese component met nationale componenten;

ii.

de koppeling van de externe componenten aan Eurosur;

j)

het met de betrokken lidstaat overeenkomen van de procedures voor toegangscontrole;

k)

het op basis van de beveiligingsrisicoverslagen informeren van het agentschap over zijn risicobeoordeling en het verstrekken van advies aan het agentschap over opties voor de behandeling van residuele beveiligingsrisico’s voor een bepaald veiligheidshomologatiebesluit;

l)

het verrichten van de raadplegingen die nodig zijn voor het uitvoeren van zijn taken.

3.   In de in lid 2, punt a), bedoelde veiligheidshomologatiestrategie stelt het homologatieorgaan het volgende vast:

a)

de reikwijdte van de activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering en het behoud van de homologatie van de Europese component van Eurosur, en de mogelijke koppeling ervan met andere componenten;

b)

een veiligheidshomologatieprocedure voor de Europese component met een mate van gedetailleerdheid die in verhouding staat tot het vereiste niveau van zekerheid en waarin duidelijk de goedkeuringsvoorwaarden zijn vermeld;

c)

de rol van de bij de homologatieprocedure betrokken relevante belanghebbenden;

d)

een tijdschema voor homologatie dat overeenstemt met toepassing van de Eurosur-normen, met name wat de stationering van infrastructuur, de dienstverlening en de evolutie betreft;

e)

de beginselen van de veiligheidshomologatie van de nationale componenten die moeten worden uitgevoerd door de nationale entiteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor veiligheidsaangelegenheden;

f)

de bepalingen betreffende gegevensbeveiliging van de externe componenten van Eurosur.

4.   Het homologatieorgaan voert zijn taken onafhankelijk uit bij het behandelen van dossiers, het uitvoeren van systeembeveiligingsaudits, het voorbereiden van besluiten en het organiseren van zijn vergaderingen.

Artikel 36

Werking van het veiligheidshomologatieorgaan

1.   Het homologatieorgaan bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie.

2.   de beveiligingsfunctionaris van het agentschap is de aangewezen secretaris van het homologatieorgaan.

3.   Het homologatieorgaan stelt zijn reglement van orde vast en benoemt zijn voorzitter.

4.   Indien er geen consensus is, besluit het homologatieorgaan bij meerderheid van stemmen.

5.   Het homologatieorgaan kan subgroepen oprichten om technische kwesties te onderzoeken.

6.   Het homologatieorgaan houdt de raad van bestuur van het agentschap en de uitvoerend directeur van het agentschap en de Commissie op de hoogte van zijn besluiten.

Artikel 37

Rol van de lidstaten en het agentschap ten aanzien van het homologatieorgaan

De lidstaten en de uitvoerend directeur van het agentschap:

a)

zenden het homologatieorgaan alle gegevens toe die zij van belang achten met het oog op de veiligheidshomologatie;

b)

verlenen naar behoren gemachtigde personen die door het homologatieorgaan zijn afgevaardigd, toegang tot gerubriceerde informatie en tot voor de veiligheid van systemen relevante plaatsen/locaties die onder hun rechtsmacht vallen, overeenkomstig hun nationale wetten en bestuursrechtelijke bepalingen en zonder discriminatie op grond van nationaliteit, mede met het oog op veiligheidsaudits en -tests waartoe het homologatieorgaan heeft besloten;

c)

zijn verantwoordelijk voor de homologatie van hun componenten van Eurosur en brengen daartoe verslag uit aan het homologatieorgaan.

Artikel 38

Toegang voor gebruikers

1.   Onverminderd artikel 35 beheert de entiteit die verantwoordelijk is voor een component van Eurosur de toegang van gebruikers tot haar systeemnetwerken en -toepassingen.

2.   Indien een nationaal personeelslid rechtstreeks toegang krijgt tot systemen of toepassingen van het agentschap die voor Eurosur worden gebruikt, coördineert het agentschap de toegangsrechten met het betrokken nationale coördinatiecentrum.

3.   Indien een personeelslid van het agentschap rechtstreeks toegang krijgt tot nationale systemen of toepassingen die voor Eurosur worden gebruikt, coördineert de verantwoordelijke lidstaat de toegangsrechten met de uitvoerend directeur van het agentschap.

Artikel 39

Gegevensbeveiliging van de externe componenten van Eurosur

1.   De externe componenten mogen alleen aan Eurosur worden gekoppeld als hun gegevensbeveiliging gelijkwaardig is aan de gegevensbeveiliging van Eurosur.

2.   De regels voor het opstellen en delen van een specifiek situatiebeeld als bedoeld in artikel 26 omvatten bepalingen inzake gegevensbeveiliging, waarin het soort informatie dat mag worden uitgewisseld en de rubriceringsgraad worden gespecificeerd.

3.   Voor elke koppeling van een externe component met Eurosur is de voorafgaande goedkeuring van het homologatieorgaan vereist.

Artikel 40

Gegevensbeschermingsregels voor Eurosur

1.   Hoewel de door Eurosur verwerkte gegevens bij wijze van uitzondering informatie kunnen bevatten over indirect identificeerbare natuurlijke personen, worden deze gegevens niet in het kader van Eurosur verwerkt om deze natuurlijke personen te identificeren.

2.   Wanneer de verwerking van gegevens in Eurosur bij wijze van uitzondering de verwerking van andere persoonsgegevens dan identificatienummers van schepen en luchtvaartuigen vereist, worden deze persoonsgegevens gewist zodra het doel waarvoor zij zijn verzameld, is bereikt.

Artikel 41

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 9 april 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 11).

(3)  Verordening (EU) 2020/493 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 over het systeem voor fraudedocumenten en authentieke documenten online (FADO) en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad (PB L 107 van 6.4.2020, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).

(5)  Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1).

(6)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(7)  Verordening (EU) 2019/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad (PB L 135 van 22.5.2019, blz. 27).

(8)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(9)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(10)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(11)  2011/350/EU: Besluit van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(12)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(13)  Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17).

(14)  Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).

(15)  Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).

(16)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).


BIJLAGE 1

Lijst van indicatoren

1.   INDICATOR VOOR WEIGERINGEN VAN TOEGANG

Elk nationaal coördinatiecentrum meldt op de vijftiende dag van elke maand per grensdoorlaatpost het aantal weigeringen van toegang gedurende de afgelopen maand.

Deze indicator wordt uitgesplitst in de volgende subindicatoren:

a)

nationaliteit van de betrokken onderdanen van derde landen;

b)

land van herkomst;

c)

laatste land van inscheping (voor havens en luchthavens, doorreis niet meegerekend);

d)

leeftijdscategorie;

e)

geslacht;

f)

uitsplitsing van de redenen voor weigering overeenkomstig bijlage V, deel B, bij Verordening (EU) 2016/399;

g)

gronden voor weigering, intrekking of nietigverklaring van een Etias-reisautorisatie;

h)

aantal besluiten tot weigering van toegang die zijn uitgevaardigd ten aanzien van dezelfde personen met dezelfde identiteit;

i)

aantal besluiten tot weigering van toegang die zijn uitgevaardigd ten aanzien van dezelfde personen die meerdere identiteiten gebruiken.

2.   Indicator voor illegaal verblijf

Elk nationaal coördinatiecentrum meldt op de vijftiende dag van elke maand het aantal onderdanen van derde landen dat de afgelopen maand door de nationale autoriteiten is aangetroffen terwijl zij niet of niet langer voldeden aan de voorwaarden voor verblijf of vestiging in de lidstaat, ongeacht of zij in het binnenland zijn aangetroffen dan wel tijdens een poging het grondgebied te verlaten.

Deze indicator wordt uitgesplitst in de volgende subindicatoren:

a)

nationaliteit van de betrokken onderdanen van derde landen;

b)

leeftijdscategorie;

c)

geslacht;

d)

aantal niet-begeleide minderjarigen;

e)

reden (bv. overschrijding verblijfstermijn visum, verlopen verblijfsvergunning enz.);

f)

soort controle waarbij de betrokkenen werden aangetroffen (grenstoezicht; binnenlandse politiecontrole; criminaliteitspreventie; verkeerscontrole),

g)

belangrijkste gebieden waar de betrokkenen werden aangetroffen.

Wanneer deze informatie beschikbaar is; meldt elk nationaal coördinatiecentrum de overeenkomstige indicatoren met betrekking tot niet-toegestane secundaire bewegingen.

3.   Indicator voor verkeersstromen

1.

Elk nationaal coördinatiecentrum meldt op de vijftiende dag van elke maand per grensdoorlaatpost het aantal passagiers gedurende de afgelopen maand.

Wanneer deze informatie beschikbaar is, wordt deze indicator uitgesplitst in de volgende subindicatoren:

a)

nationaliteit;

b)

bestemming: Schengengebied binnenkomen of verlaten.

2.

Elk nationaal coördinatiecentrum meldt op de vijftiende dag van elke maand:

a)

het aantal voertuigen per doorlaatpost aan de landgrens;

b)

het aantal vaartuigen per doorlaatpost aan de zeegrens (havens);

c)

het aantal externe vluchten per doorlaatpost aan de luchtgrens (luchthavens).

Wanneer deze informatie beschikbaar is, worden deze indicatoren uitgesplitst naar bestemming: Schengengebied binnenkomen of verlaten.

4.   Indicatoren voor de smokkel van goederen

4.1.   Drugs

In beslag genomen drugs worden onderverdeeld in de volgende categorieën:

1)

Cannabis

2)

Heroïne

3)

Andere opioïden

4)

Cocaïne

5)

Amfetaminederivaten (met inbegrip van amfetamine en methamfetamine)

6)

MDMA (ecstasy)

7)

Nieuwe psychoactieve stoffen

8)

Andere illegale drugs.

Op de vijftiende dag van elke maand meldt het nationaal coördinatiecentrum voor elk grenssegment, voor de afgelopen maand:

a)

de totale in beslag genomen hoeveelheid per categorie;

b)

het aantal inbeslagnamen per categorie;

c)

de uitsplitsing naar oorsprong, indien vastgesteld;

d)

de uitsplitsing naar herkomst, indien vastgesteld;

e)

de uitsplitsing naar bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend) en naar categorie;

f)

de uitsplitsing naar soort grenstoezichtactiviteit (grensbewaking of controle aan een grensdoorlaatpost) en naar categorie;

g)

de nationale autoriteit die de drugs heeft aangetroffen;

h)

het totale aantal aangehouden daders;

i)

de waarde van de in beslag genomen stoffen.

4.2.   Illegale handel in voertuigen

De illegale handel in voertuigen wordt onderverdeeld in de volgende categorieën:

1)

Gestolen personenauto’s

2)

Gestolen bestelwagens

3)

Gestolen vrachtwagens

4)

Gestolen bouw- en landbouwmachines

5)

Andere gestolen voertuigen

6)

Gestolen voertuigonderdelen

7)

Vervalste kentekenbewijzen.

Op de vijftiende dag van elke maand meldt het nationaal coördinatiecentrum voor elk grenssegment:

a)

het aantal inbeslagnamen per categorie;

b)

de totale in beslag genomen hoeveelheid per categorie;

c)

de uitsplitsing naar oorsprong, indien vastgesteld;

d)

de uitsplitsing naar bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend) en naar categorie;

e)

de uitsplitsing naar soort grenstoezichtactiviteit (grensbewaking of controle aan een grensdoorlaatpost) en naar categorie;

f)

het totale aantal aangehouden daders.

4.3.   Wapens en explosieven

De indicatoren voor wapens en explosieven worden onderverdeeld in de volgende categorieën:

1)

Vuurwapens (1)

Vuurwapens kunnen worden onderverdeeld in de volgende subcategorieën, voor zover beschikbaar:

a)

Handvuurwapen: revolver

b)

Handvuurwapen: pistool

c)

Lang vuurwapen: geweer

d)

Lang vuurwapen: hagelgeweer

e)

Lang vuurwapen: machinegeweer/100 % automatisch

f)

Lang vuurwapen: ander

g)

Zwaar vuurwapen (antitankwapen, raketwerper, mortier enz.)

2)

Essentiële onderdelen van vuurwapens

3)

Niet-dodelijke wapens: alarm- en seinwapens (niet om te bouwen tot vuurwapens)

4)

Niet-dodelijke wapens: airsoft-wapens

5)

Niet-dodelijke wapens: onbruikbaar gemaakte vuurwapens

6)

Explosieven

7)

Munitie

8)

Andere wapens.

Op de vijftiende dag van elke maand meldt het nationaal coördinatiecentrum voor elk grenssegment:

a)

het aantal inbeslagnamen per categorie;

b)

de totale in beslag genomen hoeveelheid per categorie;

c)

de uitsplitsing naar oorsprong, indien vastgesteld;

d)

de uitsplitsing naar bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend) en naar categorie;

e)

de uitsplitsing naar soort grenstoezichtactiviteit (grensbewaking of controle aan een grensdoorlaatpost) en naar categorie;

f)

de uitsplitsing naar vervoerswijze:

1)

container,

2)

vrachtwagen of bedrijfsvoertuig,

3)

personenauto,

4)

autobus of touringcar,

5)

trein,

6)

commerciële luchtvaart,

7)

algemene luchtvaart,

8)

vracht en postpakketten,

9)

voetganger;

g)

de nationale autoriteiten die de wapens en/of explosieven hebben aangetroffen;

h)

het totale aantal aangehouden daders.

4.4.   Andere goederen

De indicatoren voor andere goederen kunnen worden onderverdeeld in de volgende categorieën:

1)

Tabak

2)

Sigaretten

3)

Alcohol

4)

Energieproducten (brandstoffen)

5)

Illegale handel in cultuurgoederen

6)

Andere goederen.

Op de vijftiende dag van elke maand meldt het nationaal coördinatiecentrum voor elk grenssegment:

a)

het aantal inbeslagnamen per categorie;

b)

de totale in beslag genomen hoeveelheid per categorie;

c)

de uitsplitsing naar oorsprong en naar categorie, indien vastgesteld;

d)

de uitsplitsing naar herkomst, indien vastgesteld;

e)

de uitsplitsing naar bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend) en naar categorie;

f)

de uitsplitsing naar soort grenstoezichtactiviteit (controle aan een grensdoorlaatpost, grensbewaking) en naar categorie;

g)

de nationale autoriteit die de goederen heeft aangetroffen;

h)

het totale aantal aangehouden daders;

i)

de waarde van de in beslag genomen goederen.

5.   Indicator voor andere grensoverschrijdende criminaliteit

Andere grensoverschrijdende criminaliteit wordt onderverdeeld in de volgende categorieën:

1)

Ontvoering van een minderjarige

2)

Aanslagen op en bedreigingen van het personeel van de Europese grens- en kustwacht (personeel van nationale autoriteiten of van het agentschap)

3)

Kaping van vervoermiddelen

4)

Andere.

Op de vijftiende dag van elke maand meldt het nationaal coördinatiecentrum voor elk grenssegment:

a)

het aantal gevallen per categorie;

b)

de uitsplitsing naar soort grenstoezichtactiviteit (controle aan een grensdoorlaatpost, grensbewaking) en naar categorie;

c)

de nationale autoriteiten die het geval hebben vastgesteld;

d)

het totale aantal aangehouden daders.

6.   Andere indicatoren die zijn afgeleid van meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen

Op de vijftiende dag van elke maand stelt het agentschap voor elk grenssegment maandelijkse indicatoren vast.

Deze indicatoren hebben betrekking op:

1)

onrechtmatige grensoverschrijdingen, op basis van de in bijlage 2, punt 1, bedoelde meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen;

2)

opsporings- en reddingsacties, op basis van de in bijlage 2, punt 8, bedoelde meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen;

3)

hulpverlening en mensenhandel, op basis van de in bijlage 2, punt 2, bedoelde meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen;

4)

documentfraude op basis van de in bijlage 2, punt 4, bedoelde meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen.

Het agentschap kan op basis van beschikbare informatie andere indicatoren vaststellen die relevant worden geacht voor risicoanalyse of situationeel bewustzijn.


(1)  Inclusief wapens voor saluutschoten en akoestische signalen, en om te bouwen alarm- en seinwapens.


BIJLAGE 2

Meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen en bijbehorende informatie

Het melden van afzonderlijke gebeurtenissen in Eurosur bestaat uit het koppelen van verschillende hieronder opgesomde informatiebouwstenen die helpen de situatie aan de buitengrenzen van de EU te beschrijven.

De eerste melding bevat de reeks gegevens die zijn verzameld om de eerste reactie in gang te zetten. Op basis van deze eerste melding trachten de verschillende partijen bij Eurosur deze informatie aan te vullen zoals bepaald in deze bijlage.

1.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE ONRECHTMATIGE GRENSOVERSCHRIJDING, OF VERMOEDEN VAN POGING TOT ONRECHTMATIGE GRENSOVERSCHRIJDING

Het nationale coördinatiecentrum meldt elke gebeurtenis in verband met onrechtmatige grensoverschrijding. De melding van een onrechtmatige grensoverschrijding kan worden gekoppeld met hulpverlening of mensenhandel als bedoeld in punt 2 en met opsporings- en reddingsacties overeenkomstig punt 8.

De eerste melding van de gebeurtenis wordt uiterlijk 24 uur na de vaststelling ervan verzonden.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

1.1.   Soort gebeurtenis

a)

poging tot of daadwerkelijke illegale grensoverschrijding;

b)

open of clandestiene overschrijding.

1.2.   Omstandigheden van de gebeurtenis

a)

tijd en plaats;

b)

bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend);

c)

laatste land van inscheping (alleen van toepassing bij binnenkomst, voor havens en luchthavens aan zee- en luchtgrenssegmenten);

d)

land van bestemming;

e)

doel van de illegale grensoverschrijding;

f)

omstandigheden waarin de betrokkenen werden aangetroffen:

1)

tijdens een controle aan een grensdoorlaatpost,

2)

tijdens een grensbewakingsoperatie,

3)

andere (secundaire bewegingen, gebied vóór de grens);

g)

pogingen om zich aan het grenstoezicht te onttrekken;

h)

vervoermiddelen:

1)

vlucht (een melding van een vlucht wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 7),

2)

vaartuig (een melding van een vaartuig wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 1 of met de opsporings- en reddingsactie als bedoeld in punt 6),

3)

container,

4)

vrachtwagen of bedrijfsvoertuig,

5)

personenauto,

6)

autobus of touringcar,

7)

trein,

8)

voetganger.

1.3.   Betrokken personen

a)

totaal aantal betrokken personen;

b)

aantal minderjarigen;

c)

aantal personen dat internationale bescherming nodig heeft;

d)

uitgesplitst naar nationaliteit (verondersteld/bevestigd), staatsburgerschap;

e)

leeftijdscategorie.

2.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE HULPVERLENING OF MENSENHANDEL, OF VERMOEDEN VAN POGING TOT HULPVERLENING OF MENSENHANDEL

Het nationale coördinatiecentrum meldt elke gebeurtenis in verband met hulpverlening of vermoeden van poging tot hulpverlening, en mensenhandel of vermoeden van poging tot mensenhandel.

De eerste melding van de gebeurtenis wordt uiterlijk 24 uur na de vaststelling ervan verzonden.

De gebeurtenis kan worden gekoppeld met een gebeurtenis in verband met onrechtmatige grensoverschrijding.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

2.1.   Soort gebeurtenis

a)

hulpverlening, mensenhandel;

b)

stadium (vermoeden, poging, gepleegd feit).

2.2.   Omstandigheden van de gebeurtenis

a)

tijd en plaats;

b)

bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend);

c)

omstandigheden waarin de betrokkenen werden aangetroffen:

1)

tijdens een controle aan een grensdoorlaatpost,

2)

tijdens een grensbewakingsoperatie,

3)

andere (secundaire bewegingen, gebied vóór de grens);

d)

vervoermiddelen:

1)

vlucht (een melding van een vlucht wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 7),

2)

vaartuig (een melding van een vaartuig wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 1 of met de opsporings- en reddingsactie als bedoeld in punt 6),

3)

container,

4)

vrachtwagen of bedrijfsvoertuig,

5)

personenauto,

6)

autobus of touringcar,

7)

trein,

8)

voetganger.

2.3.   Daders

a)

totaal aantal betrokken personen;

b)

leeftijdscategorieën:

c)

uitgesplitst naar nationaliteit (verondersteld/bevestigd) en land van herkomst,

d)

vorm van uitbuiting (seksueel, arbeid, andere).

2.4.   Slachtoffers (indien de gebeurtenis geen verband houdt met onrechtmatige grensoverschrijding)

a)

totaal aantal slachtoffers;

b)

aantal minderjarigen;

c)

aantal niet-begeleide minderjarigen en aantal personen dat internationale bescherming nodig heeft;

d)

uitsplitsing van slachtoffers naar land van doorreis;

e)

uitgesplitst naar nationaliteit (verondersteld/bevestigd) en land van herkomst.

2.5.   Motivatie en werkwijze

a)

werkwijze;

b)

doel van de hulpverlening of gerichte uitbuiting in het geval van mensenhandel.

3.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE ILLEGALE HANDEL, OF VERMOEDEN VAN POGING TOT ILLEGALE HANDEL IN GOEDEREN

Naast de in bijlage 1, punt 4, bedoelde indicatoren meldt het nationale coördinatiecentrum afzonderlijke gebeurtenissen in verband met illegale handel, of vermoeden van poging tot illegale handel in goederen in de volgende gevallen:

1)

het in beslag genomen bedrag is hoger dan de in bijlage 3 vastgestelde drempelwaarden;

2)

de illegale handel of het vermoeden van poging tot illegale handel houdt verband met een potentiële terroristische activiteit of kan een bedreiging vormen voor de veiligheid van de Unie of haar lidstaten;

3)

de illegale handel of het vermoeden van poging tot illegale handel brengt een reactie mee van andere lidstaten en het agentschap, of heeft gevolgen voor grenstoezichtmaatregelen;

4)

de illegale handel of het vermoeden van poging tot illegale handel in goederen houdt verband met een specifieke werkwijze. In dat geval worden de meldingen gekoppeld met de risicoanalysemelding waarin die wordt beschreven;

5)

de inbeslagneming van goederen is abnormaal en kan duiden op een nieuw crimineel patroon.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

3.1.   Soort gebeurtenis

Bij de beschrijving van het soort gebeurtenis gebruikt de meldingsbron de categorieën en subcategorieën van bijlage 1, punt 4, en de in bijlage 3 bedoelde eenheden, naargelang van het geval.

3.2.   Omstandigheden van de gebeurtenis

a)

tijd en plaats;

b)

bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend);

c)

omstandigheden waarin de gebeurtenis werd vastgesteld:

1)

tijdens een controle aan een grensdoorlaatpost,

2)

tijdens een grensbewakingsoperatie,

3)

andere (secundaire bewegingen, gebied vóór de grens);

d)

vervoermiddelen:

1)

vlucht (een melding van een vlucht wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 7),

2)

vaartuig (een melding van een vaartuig wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 1 of met de opsporings- en reddingsactie als bedoeld in punt 6),

3)

container,

4)

vrachtwagen of bedrijfsvoertuig,

5)

personenauto,

6)

autobus of touringcar,

7)

trein,

8)

voetganger,

9)

vracht of postpakket;

e)

werkwijze of vermoedelijke werkwijze, met inbegrip van

1)

soort onttrekking;

2)

details onttrekking.

3.3.   Soort goederen

a)

categorie en subcategorie overeenkomstig bijlage 1, punt 4;

b)

bedrag (geraamd/in beslag genomen);

c)

geraamde waarde.

3.4.   Betrokken personen

a)

totaal aantal betrokken personen;

b)

rol van de persoon;

c)

aantal minderjarigen;

d)

uitgesplitst naar nationaliteit (verondersteld/bevestigd).

4.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE DOCUMENTFRAUDE

Het nationale coördinatiecentrum meldt elke afzonderlijke gebeurtenis in verband met documentfraude of documentcriminaliteit die tijdens een grenstoezichtoperatie is vastgesteld.

De eerste melding van de gebeurtenis wordt uiterlijk 24 uur na de vaststelling ervan verzonden.

De gebeurtenis kan worden gekoppeld met een gebeurtenis in verband met onrechtmatige grensoverschrijding, hulpverlening of mensenhandel, illegale handel in goederen of andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit.

De meldingsbronnen en de eigenaars melden de volgende informatie, voor zover die beschikbaar is.

4.1.   Soort documentfraude

4.2.   Omstandigheden van de gebeurtenis

a)

tijd en plaats;

b)

bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend);

c)

omstandigheden waarin de gebeurtenis werd vastgesteld:

1)

tijdens een controle aan een grensdoorlaatpost,

2)

tijdens een grensbewakingsoperatie,

3)

andere (secundaire bewegingen, gebied vóór de grens);

4.3.   Informatie over de betrokkene

a)

opgegeven nationaliteit van de betrokkene;

b)

geslacht;

c)

leeftijdscategorie.

4.4.   Informatie over het document

a)

documenttype en -subtype (paspoort, identiteitskaart, verblijfsvergunning, visum, grensstempel, andere);

b)

nationaliteit van het document;

c)

documentgebruik (gepresenteerd, verborgen, n.v.t.);

d)

grensdoorlaatpost van inscheping;

e)

grensdoorlaatpost van doorreis;

f)

grensdoorlaatpost van bestemming;

g)

chip;

h)

grensstempel.

5.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE ANDERE VORMEN VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE CRIMINALITEIT

Naast de in bijlage 1, punt 7, bedoelde indicatoren meldt het nationale coördinatiecentrum afzonderlijke gebeurtenissen in verband met andere criminaliteit in de volgende gevallen:

1)

de grensoverschrijdende criminaliteit, of het vermoeden van poging tot grensoverschrijdende criminaliteit, of de treffer in de databank van grootschalige IT-systemen houdt verband met een potentiële terroristische activiteit of kan een bedreiging vormen voor de veiligheid van de Unie of haar lidstaten;

2)

de grensoverschrijdende criminaliteit, of het vermoeden van poging tot grensoverschrijdende criminaliteit, of de treffer in de databank van grootschalige IT-systemen brengt een reactie mee van andere lidstaten en het agentschap, of heeft gevolgen voor grenstoezichtmaatregelen;

3)

de grensoverschrijdende criminaliteit, of het vermoeden van poging tot grensoverschrijdende criminaliteit houdt verband met een specifieke werkwijze. In dat geval worden de meldingen gekoppeld met de risicoanalysemelding waarin die wordt beschreven.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

5.1.   Soort gebeurtenis

Bij de beschrijving van het soort gebeurtenis gebruikt de meldingsbron de categorieën en subcategorieën van bijlage 1, punt 7.

5.2.   Omstandigheden van de gebeurtenis

a)

tijd en plaats;

b)

bestemming (Schengengebied binnenkomen of verlaten, of onbekend);

c)

omstandigheden waarin de gebeurtenis werd vastgesteld:

1)

tijdens een controle aan een grensdoorlaatpost,

2)

tijdens een grensbewakingsoperatie,

3)

andere (secundaire bewegingen, gebied vóór de grens);

d)

vervoermiddelen:

1)

vlucht (een melding van een vlucht wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 7),

2)

vaartuig (een melding van een vaartuig wordt gekoppeld met de melding als bedoeld in punt 1 of met de opsporings- en reddingsactie als bedoeld in punt 6),

3)

container,

4)

vrachtwagen of bedrijfsvoertuig,

5)

personenauto,

6)

autobus of touringcar,

7)

trein,

8)

voetganger,

9)

vracht of postpakket;

5.3.   Betrokken personen

a)

totaal aantal betrokken personen;

b)

rol van de persoon;

c)

aantal minderjarigen;

d)

uitgesplitst naar nationaliteit (verondersteld/bevestigd).

6.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE VERDACHTE VAARTUIGEN

Informatie betreffende verdachte vaartuigen wordt gemeld

1)

wanneer het gedetecteerde vaartuig op de observatielijst van verdachte vaartuigen staat; in dat geval wordt de melding gekoppeld met de overeenkomstige observatielijst;

2)

wanneer het vaartuig betrokken is bij een in deze bijlage vermelde gebeurtenis; in dat geval wordt de melding gekoppeld met de overeenkomstige gebeurtenis;

3)

wanneer het vaartuig door de meldingsbron als verdacht wordt beschouwd; in dat geval wordt de melding gekoppeld met een risicoanalysemelding.

De eerste melding van het vaartuig wordt verzonden uiterlijk 24 uur nadat het voor het eerst is gedetecteerd.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is:

6.1.   Positie en status van het vaartuig

Informatie over de positie van het verdachte vaartuig omvat:

a)

tijdstip van meting, positie en onzekerheidsradius, koers en snelheid indien het vaartuig in beweging is;

b)

status van het vaartuig (motor uit, rook gedetecteerd, voor anker enz.);

c)

bron van de meting of detectie (radar, positioneringssysteem enz.);

d)

vorige bekende posities van het vaartuig vóór de gebeurtenis.

De meldingsbronnen die informatie over het vaartuig kunnen verkrijgen, trachten de positie ervan zo spoedig mogelijk te actualiseren met behulp van de informatiebronnen waarover zij beschikken.

De informatie over de positie van een verdacht vaartuig op zee wordt, zodra het is gedetecteerd, ten minste om het uur geactualiseerd.

6.2.   Type vaartuig

Informatie over het type vaartuig helpt onderscheid te maken:

a)

tussen een passagiersschip, een zeilboot, een motorjacht, een vissersvaartuig, een containerschip, een bulkcarrier, een olietanker, een stukgoedschip, een hogesnelheidsvaartuig, een mobiele offshore-boorinstallatie, een schip voor speciale doeleinden;

b)

wat het gebruik betreft: tussen koopvaardij en pleziervaart.

6.3.   Identificatiegegevens van schepen

De informatie over de identificatiegegevens van een schip omvat:

a)

de vlag;

b)

de naam van het schip;

c)

het nummer van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), het identiteitsnummer voor maritieme mobiele diensten (MMSI) en andere visuele en radio-identificatiemiddelen die worden gebruikt om contact te leggen met vaartuigen en deze te typeren.

6.4.   Passagiers en vracht

De informatie over passagiers en vracht omvat:

a)

aantal bemanningsleden;

b)

uitsplitsing naar nationaliteit van de bemanningsleden;

c)

aantal passagiers;

d)

uitsplitsing naar nationaliteit van de passagiers;

e)

soort en hoeveelheid/gewicht van de vracht.

7.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE VERDACHTE EXTERNE VLUCHTEN

Informatie betreffende verdachte externe vluchten wordt gemeld:

1)

wanneer de gedetecteerde vlucht op de observatielijst van verdachte vluchten staat; in dat geval wordt de melding gekoppeld met de overeenkomstige observatielijst;

2)

wanneer de vlucht verband houdt met een in deze bijlage vermelde gebeurtenis; in dat geval wordt de melding gekoppeld met de overeenkomstige gebeurtenis;

3)

wanneer de vlucht door de meldingsbron als verdacht wordt beschouwd; in dat geval worden de meldingen gekoppeld met een risicoanalysemelding.

De eerste melding van de vlucht wordt verzonden uiterlijk 24 uur nadat die voor het eerst is gedetecteerd.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

7.1.   Positie van het verdachte luchtvaartuig

Informatie over de positie van de verdachte vlucht omvat:

a)

tijdstip van meting;

b)

positie met inbegrip van hoogte en graad van onzekerheid;

c)

koers en snelheid;

d)

bron van de meting of detectie (radar, positioneringssysteem enz.).

De meldingsbronnen die informatie over het luchtvaartuig kunnen verkrijgen, trachten de positie ervan te actualiseren met behulp van de informatiebronnen waarover zij beschikken.

De informatie over de positie van verdachte luchtvaartuigen tijdens de vlucht wordt bijna-realtime geactualiseerd.

7.2.   Type van het verdachte luchtvaartuig

Informatie over het type luchtvaartuig helpt onderscheid te maken tussen luchtvaartuigen met vaste vleugels en luchtvaartuigen met roterende vleugels, straalvliegtuigen en propellervliegtuigen, en bemande en onbemande luchtvaartuigen, en kan, indien beschikbaar, informatie verstrekken over het exacte model.

7.3.   Luchtvaartuigidentificatiegegevens

De informatie over de identificatiegegevens van het luchtvaartuig omvat de verschillende visuele en radio-identificatiemiddelen die worden gebruikt om contact te leggen met het luchtvaartuig en het te typeren.

7.4.   Informatie over de vlucht

Informatie over de vlucht omvat:

a)

type vlucht (commercieel, particulier, overheid enz.);

b)

vluchtnummer, met inbegrip van de commerciële vluchtnummers;

c)

plaats van vertrek;

d)

bestemming;

e)

verwijzing naar het vliegplan.

7.5.   Passagiers en vracht

Informatie over passagiers en vracht omvat:

a)

aantal bemanningsleden;

b)

uitsplitsing naar nationaliteit van de bemanningsleden;

c)

aantal passagiers;

d)

uitsplitsing naar nationaliteit van de passagiers;

e)

soort vracht.

8.   MELDING VAN AFZONDERLIJKE GEBEURTENIS BETREFFENDE OPSPORINGS- EN REDDINGSACTIES

Het nationale coördinatiecentrum meldt alle met opsporing en redding verband houdende gebeurtenissen overeenkomstig artikel 21.

De meldingen betreffende mogelijke opsporings- en reddingsacties hebben betrekking op de duur van de actie vanaf de eerste detectie van het verdachte vaartuig of vanaf het ontvangen alarmsignaal over personen in nood op zee tot de voltooiing van de grensoverschrijdende gebeurtenis en de beëindiging van de daarmee verband houdende opsporings- en reddingsactie.

De meldingsbronnen en de eigenaars streven ernaar de volgende informatie te melden, voor zover die beschikbaar is.

8.1.   Koppelingen met meldingen betreffende het vaartuig in nood overeenkomstig punt 6

De melding kan ook worden gekoppeld met andere verdachte vaartuigen die bij de opsporings- en reddingsactie betrokken zijn, zoals moederschepen.

8.2.   Meldingen betreffende de status van de opsporings- en reddingsactie, met inbegrip van

a)

de fase waarin de opsporings- en reddingsactie zich bevindt (onzekerheid, alarm, noodtoestand, opsporings- en reddingsoperatie aan de gang, opsporings- en reddingsoperatie voltooid);

b)

het bevoegde coördinatiecentrum voor redding op zee;

c)

de veilige plaats of de geplande veilige plaats, wanneer de opsporings- en reddingsoperatie is voltooid.

8.3.   Koppelingen met de meldingen bedoeld in punt 1 en punt 2, naargelang van het geval


BIJLAGE 3

Drempelwaarden voor meldingen van afzonderlijke gebeurtenissen betreffende goederen

1.   ILLEGALE DRUGS

1)

Cannabis: 10 kg

2)

Heroïne: 500 gram

3)

Andere opioïden (bv. morfine, opium enz.): 500 gram

4)

Cocaïne: 10 kg

5)

Amfetaminederivaten (met inbegrip van amfetamine en methamfetamine) 100 gram

6)

MDMA (ecstasy): 5000 tabletten

7)

Nieuwe psychoactieve stoffen 500 tabletten of 100 gram

8)

Andere illegale drugs.

2.   WAPENS EN EXPLOSIEVEN

1)

Vuurwapens of onderdelen van wapens: 15 eenheden

2)

Explosieven: 3 kg

3)

Munitie: 10 000 stuks.

3.   ANDERE GOEDEREN

1)

Ruwe tabak: 500 kg

2)

Sigaretten: 1 miljoen eenheden

3)

Alcohol: 5 000 liter zuivere alcohol

4)

Energieproducten (brandstoffen): 10 000 liter

5)

Illegale handel in cultuurgoederen: geraamde waarde van meer dan 1 miljoen EUR.


Top