EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R0692

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (Voor de EER relevante tekst) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 174, 3.6.2020, p. 379–520 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 07/02/2023

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2020/692/oj

3.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/379


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/692 VAN DE COMMISSIE

van 30 januari 2020

tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 234, lid 2, artikel 237, lid 4, en artikel 239, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De wetgeving van de Unie op het gebied van diergezondheid is onlangs geactualiseerd met de vaststelling van de diergezondheidswetgeving. Bij die verordening, die op 20 april 2016 in werking is getreden en die met ingang van 21 april 2021 van toepassing is, zijn ongeveer veertig basishandelingen ingetrokken en vervangen. Zij schrijft ook de vaststelling van vele gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen van de Commissie voor om ongeveer 400 wetgevingshandelingen van de Commissie op het gebied van diergezondheid zoals die vóór het nieuwe rechtskader van de diergezondheidswetgeving golden, in te trekken en te vervangen.

(2)

Sinds de vaststelling van de eerste regels voor diergezondheid op het niveau van de Unie zijn de handelsvoorwaarden geëvolueerd, waarbij de omvang van de handel in dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong aanzienlijk is toegenomen, zowel binnen de Unie als met derde landen. In dezelfde periode zijn dankzij het beleid en de regels van de Unie op het gebied van de diergezondheid bepaalde ziekten in de Unie uitgeroeid en zijn andere ziekten in veel lidstaten voorkomen of onder controle gebracht. Herhaaldelijk hebben zich echter nieuwe ziekten voorgedaan die nieuwe uitdagingen vormen voor de diergezondheidsstatus van de Unie, de handel en de plaatselijke economie in de gebieden die door die ziekten zijn getroffen.

(3)

De regels die in deze handeling worden vastgelegd, vormen een aanvulling op de regels die reeds in de diergezondheidswetgeving zijn vastgelegd. Zij moeten de nodige garanties verstrekken om te waarborgen dat zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen geen risico voor de diergezondheid opleveren voor gehouden dieren en in het wild levende dieren, waardoor de gezondheidsstatus van de Unie op het gebied van dierziekten in gevaar zou kunnen komen en nadelige economische effecten in de betrokken sectoren zouden kunnen optreden.

(4)

In artikel 234 van de diergezondheidswetgeving is bepaald dat de lidstaten, in afwachting van de vaststelling van gedelegeerde handelingen tot vaststelling van diergezondheidsvoorschriften voor een specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, na een risicobeoordeling nationale regels kunnen toepassen, op voorwaarde dat deze voldoen aan bepaalde in die verordening vastgestelde voorschriften. Daarom kunnen voor de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die niet onder deze verordening vallen, dergelijke door de lidstaten toegepaste nationale voorschriften gelden.

(5)

De bestaande diergezondheidsvoorschriften, zoals vastgesteld in eerdere handelingen van de Commissie betreffende de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, zijn doeltreffend gebleken; de doelstelling en essentie van die bestaande regels moeten daarom in deze verordening worden behouden, maar de regels moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de voorschriften inzake betere regelgeving, met het nieuwe kader voor diergezondheid zoals vastgesteld in de diergezondheidswetgeving en met nieuwe wetenschappelijke kennis, internationale normen en de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van eerdere handelingen van de Unie.

(6)

Om onnodige handelsverstoringen te voorkomen, moeten de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, zorgen voor een soepele overgang van de voorschriften van bestaande handelingen van de Unie naar de nieuwe regels.

(7)

De diergezondheidswetgeving bevat regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die op dieren of mensen kunnen worden overgedragen. Met name is in deel V, hoofdstuk 1, van die verordening, waarin de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld, bepaald dat de Commissie gedelegeerde handelingen vaststelt ter aanvulling van de aldaar reeds vastgestelde diergezondheidsvoorschriften.

(8)

Artikel 229, lid 1, van de diergezondheidswetgeving bevat de voorschriften die de lidstaten in aanmerking moeten nemen voordat zij toestemming geven voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong. De voorschriften betreffen voorwaarden met betrekking tot het derde land of gebied van oorsprong, de inrichting van oorsprong, de diergezondheidsvoorschriften waaraan die zendingen moeten voldoen, alsmede het diergezondheidscertificaat en de verklaringen en andere documenten waarvan de zendingen vergezeld moeten gaan.

(9)

Daarnaast is in artikel 234, lid 1, van de diergezondheidswetgeving bepaald dat de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, ten minste even streng moeten zijn als de diergezondheidsvoorschriften van die verordening en van krachtens die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen, die van toepassing zijn op verplaatsingen binnen de Unie van die soorten en categorieën goederen. Indien de voorschriften minder streng zijn dan die van de verordening, moeten zij garanties verstrekken die gelijkwaardig zijn aan de diergezondheidsvoorschriften van deel IV van die verordening.

(10)

Artikel 234, lid 2, van de diergezondheidswetgeving voorziet in de vaststelling van gedelegeerde handelingen ter aanvulling van de regels van die verordening, met betrekking tot de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en gebieden, en voor de verplaatsing binnen de Unie en het werken met die goederen na binnenkomst in de Unie, om de mogelijke betrokken risico’s te beperken.

(11)

In artikel 237, lid 1, van de diergezondheidswetgeving is bepaald dat de lidstaten slechts toestemming verlenen voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wanneer deze zendingen vergezeld gaan van de diergezondheidscertificaten en de verklaringen of andere documenten die krachtens die verordening vereist zijn. In artikel 237, lid 2, van die verordening is bepaald dat het diergezondheidscertificaat door een officiële dierenarts in het derde land of gebied van oorsprong moet zijn gecontroleerd en ondertekend. In dit verband voorziet artikel 237, lid 4, van de diergezondheidswetgeving in de vaststelling door de Commissie van gedelegeerde handelingen met betrekking tot afwijkingen van de voorschriften van artikel 237, leden 1 en 2, van die verordening betreffende diergezondheidscertificaten, alsmede van regels die voorschrijven dat dergelijke zendingen van verklaringen of andere documenten vergezeld moeten gaan.

(12)

Artikel 239, lid 2, van de diergezondheidswetgeving voorziet in de vaststelling door de Commissie van gedelegeerde handelingen met betrekking tot bijzondere regels en aanvullende voorschriften voor sommige specifieke vormen van binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, en voorziet tevens in afwijkingen van de algemene diergezondheidsvoorschriften als bedoeld in artikel 229, lid 1, en artikel 237, lid 1, van die verordening en in de aanvullende regels die zijn neergelegd in de krachtens artikel 234, lid 2, en artikel 237, lid 4, van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

(13)

De aanvullende regels die krachtens artikel 234, lid 2, en artikel 239, lid 2, van de diergezondheidswetgeving in deze verordening moeten worden neergelegd, houden verband met elkaar. In artikel 234, lid 2, is bepaald dat de Commissie de algemene voorschriften vaststelt voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, terwijl in artikel 239, lid 2, is bepaald dat de Commissie de bijzondere regels en aanvullende voorschriften vaststelt voor afwijkingen van die algemene voorschriften.

(14)

De voorschriften inzake diergezondheidscertificaten in artikel 237 van de diergezondheidswetgeving maken deel uit van het regelgevingskader voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong. De krachtens artikel 237, lid 4, van die verordening aan de Commissie verleende bevoegdheid om afwijkingen van de diergezondheidsvoorschriften toe te staan, maakt deel uit van dat algemene regelgevingskader.

(15)

De diergezondheidswetgeving bevat reeds een aantal definities. Daarnaast moet in deze verordening ook rekening worden gehouden met de in andere handelingen van de Unie vastgestelde definities op de verwante gebieden levensmiddelenhygiëne en officiële controles, zoals de definities in Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2). Voor de vaststelling van de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is het echter passend om specifieke definities op te nemen, met inbegrip van definities voor bepaalde categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong. Deze definities zijn nodig om te verduidelijken welke categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong een risico voor de diergezondheid inhouden en daarom aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie worden onderworpen.

(16)

Met het oog op de consistentie van de wetgeving van de Unie en vanwege het risico dat zij vormen voor de diergezondheid, moet de definitie van “vers vlees” zoals gehanteerd in deze verordening de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 vastgestelde definities van “vers vlees”, “gehakt vlees” en “vleesbereidingen” omvatten.

(17)

Daarnaast moet de definitie van “vleesproducten” zoals gehanteerd in deze verordening, de in Verordening (EG) nr. 853/2004 vastgestelde definities van “vleesproducten”, “behandelde magen”, “blazen” en “darmen”, “gesmolten dierlijke vetten” en “vleesextracten” omvatten. De reden hiervoor is dat vanuit het oogpunt van de diergezondheid al deze goederen hetzelfde risico voor de diergezondheid inhouden en aan dezelfde risicobeperkende maatregelen moeten worden onderworpen.

(18)

De in Verordening (EG) nr. 853/2004 vastgestelde definitie van “karkas” moet worden aangepast om “karkas van een hoefdier” te definiëren om dat te onderscheiden van “slachtafval”. De reden hiervoor is dat deze twee goederen verschillende risico’s voor de diergezondheid inhouden, waarbij “slachtafval” een groter risico vormt.

(19)

“Casings” moeten in deze verordening worden gedefinieerd en bij die definitie moet rekening worden gehouden met de definitie in de verklarende woordenlijst van de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE). De definitie moet verduidelijken welke producten van dierlijke oorsprong als casings moeten worden beschouwd en daarom moeten worden onderworpen aan de specifieke risicobeperkende behandelingen waarin deze verordening voorziet.

(20)

In artikel 229, lid 1, van de diergezondheidswetgeving is bepaald dat slechts toestemming gegeven wordt voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong indien zij afkomstig zijn uit derde landen of gebieden die voor binnenkomst in de Unie zijn opgenomen in de lijst voor de specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, overeenkomstig de in artikel 230, lid 1, vastgestelde criteria en indien de zendingen voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften van artikel 234 en de latere gedelegeerde handelingen. In deze verordening moet het tot de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit worden gemaakt, te verifiëren dat dergelijke zendingen die de Unie binnenkomen, aan die voorschriften voldoen.

(21)

In artikel 237, lid 1, van de diergezondheidswetgeving is bepaald dat slechts toestemming wordt verleend voor binnenkomst in de Unie van zendingen van soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden wanneer deze zendingen vergezeld gaan van ofwel een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied uitgereikt diergezondheidscertificaat, ofwel verklaringen of andere documenten, ofwel al deze documenten. In deze verordening moet daarom voor elk geval worden verduidelijkt welke documenten vereist zijn en moet het tot de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit worden gemaakt, te verifiëren dat dergelijke zendingen die de Unie binnenkomen, aan dat algemene voorschrift voldoen.

(22)

De informatie die moet worden opgenomen in de diergezondheidscertificaten, verklaringen en andere documenten die de zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong vergezellen, moet nauwkeurig weergeven of die zendingen al dan niet voldoen aan de algemene voorschriften van de diergezondheidswetgeving en de desbetreffende voorschriften van deze verordening. Daarom moeten in deze verordening de verplichtingen worden vastgesteld van exploitanten die verantwoordelijk zijn voor de binnenkomst in de Unie van dergelijke zendingen, alsmede van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van binnenkomst in de Unie, wat betreft de geldigheid van de documenten die de zendingen vergezellen en de toelaatbaarheid van de binnenkomst van dergelijke zendingen in de Unie.

(23)

Rekening houdend met risico’s op het gebied van de diergezondheid, zoals incubatieperioden voor ziekten, en om misbruik van diergezondheidscertificaten tegen te gaan, moet alleen in het geval van dieren en broedeieren een termijn worden vastgesteld voor de geldigheid van die certificaten. De reden hiervoor is dat deze een hoger risico voor de diergezondheid inhouden dan producten van dierlijke oorsprong, die mogelijk risicobeperkende maatregelen hebben ondergaan, en levende producten die ingevroren worden vervoerd in gesloten en verzegelde laadkisten. Aangezien het vervoer over zee van levende dieren en broedeieren echter lange tijd kan duren, moet de geldigheidsduur van het certificaat in dat geval worden verlengd, mits bepaalde risicobeperkende maatregelen zijn genomen.

(24)

De diergezondheidsvoorschriften waaraan moet worden voldaan, en de door derde landen en gebieden te verstrekken garanties voor binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, zijn afhankelijk van de in artikel 5 van en bijlage II bij de diergezondheidswetgeving vermelde ziekten en de indeling ervan zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, van die verordening en in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (3). Die verordening bevat de definities voor ziekten van de categorieën A, B, C, D en E en bepaalt dat op de in de lijst opgenomen soorten en groepen van in de lijst opgenomen soorten zoals vermeld in de bijlage bij die verordening de in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten moeten worden toegepast.

(25)

Deel II, hoofdstuk 1, van de diergezondheidswetgeving bevat regels voor de melding van ziekten en de rapportage met het oog op vroegtijdige opsporing en een doeltreffende bestrijding van ziekten in de Unie. In deze verordening moeten nadere bijzonderheden worden gegeven over de meldings- en rapportagesystemen die in de derde landen of gebieden moeten worden toegepast om ervoor te zorgen dat deze over systemen beschikken die gelijkwaardig zijn aan die in de Unie, met inbegrip van de ziekten waarvoor een meldings- en rapportageverplichting moet gelden. In dit verband is het zo dat levende dieren van een soort die voor bepaalde ziekten in de lijst in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 zijn opgenomen, die ziekten weliswaar kunnen overdragen, maar niet alle van die dieren verkregen producten van dierlijke oorsprong en levende producten al die ziekten kunnen overdragen. In deze verordening moet worden verduidelijkt welke dierziekten aanleiding geven tot bezorgdheid en daarom verplicht moeten worden gemeld en gerapporteerd voor elke specifieke soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie.

(26)

De diergezondheidsvoorschriften van deze verordening moeten uitgaan van verschillende niveaus van bescherming tegen de risico’s voor de diergezondheid. De verschillende voorschriften lopen uiteen naargelang zij betrekking hebben op een derde land van oorsprong, op een gebied van oorsprong, op een zone binnen dat derde land of gebied, op een compartiment in dat derde land of gebied in het geval van aquacultuurdieren, op de inrichting van oorsprong van de dieren of de producten van dierlijke oorsprong, of op de inrichting of het centrum voor de winning van levende producten.

(27)

Ziektebewaking en traceerbaarheid in de inrichtingen zijn essentiële elementen van het ziektebestrijdingsbeleid van de Unie. Deze verordening moet bepaalde basisvoorschriften bevatten inzake traceerbaarheid en diergezondheidsinspecties in de inrichtingen van oorsprong van de dieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, en in de inrichting van oorsprong van de dieren waarvan de levende producten en producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, zijn verkregen. Deze voorschriften moeten gelijkwaardig zijn aan die van Verordening (EU) 2016/429 en van de krachtens die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

(28)

Wanneer aan een bepaald type inrichting waar dieren of levende producten worden gehouden in een derde land of gebied een bijzonder risico voor de diergezondheid is verbonden, moet de inrichting bovendien specifieke erkenning verkrijgen van de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied om naar de Unie te kunnen uitvoeren, waarbij garanties worden verstrekt die gelijkwaardig zijn aan die waarin in de artikelen 92 tot en met 100 van Verordening (EU) 2016/429 wordt voorzien voor bepaalde inrichtingen in de Unie.

(29)

Zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, mogen niet als een risico voor de diergezondheid in hun land of gebied van oorsprong worden beschouwd en mogen niet onderworpen zijn aan nationale uitroeiingsprogramma’s of aan andere nationale beperkingen omdat er zorgen bestaan op het gebied van de diergezondheid.

(30)

De diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong moeten doeltreffende bescherming bieden tegen de insleep en verspreiding van overdraagbare dierziekten in de Unie. De binnenkomst in de Unie van die zendingen mag niet worden toegestaan uit derde landen of gebieden, of zones of, in het geval van aquacultuurdieren, compartimenten daarvan, die zijn besmet met bepaalde in de lijst opgenomen ziekten waarvoor de Unie over de ziektevrije status beschikt, en die bijgevolg een ernstig risico vormen voor de gezondheid van dieren binnen de Unie.

(31)

Het is aan de Unie om te beoordelen of een derde land of gebied, of zone of, in het geval van aquacultuurdieren, compartiment van oorsprong vrij is van een specifieke ziekte. De beoordeling van de Unie moet gebaseerd zijn op door de door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied verstrekte informatie met betrekking tot de ziektebewaking, met inachtneming van de diergezondheidsvoorschriften van de Unie zoals opgenomen in deel II van de diergezondheidswetgeving en in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie (4). Voor bepaalde ziekten en omstandigheden kunnen specifieke voorwaarden worden vastgesteld als aanvullende maatregelen voor risicobeperking.

(32)

De ziektevrije status van een derde land of gebied, of een zone daarvan, ten aanzien van een bepaalde ziekte moet zijn gebaseerd op internationaal erkende diagnostische tests en methoden die volgens dezelfde normen en procedures worden uitgevoerd als ook in de Unie worden toegepast.

(33)

Er moet worden gewaarborgd dat de gezondheidsstatus van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, overeenstemt met de door het derde land of gebied of de zone van oorsprong verstrekte garanties. Daarom moet deze verordening voorzien in een minimale verblijfsduur voor dieren in het derde land of gebied of de zone of inrichting van oorsprong, en in een minimale periode waarin zij niet in contact komen met goederen met een lagere gezondheidsstatus, voordat zij naar de Unie worden verzonden. Voor de duur van de minimale verblijfsperiode moet rekening worden gehouden met de incubatietijd van relevante ziekten en de beoogde bestemming en het beoogde gebruik van de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong.

(34)

In het geval van honden, katten en fretten is de verblijfsduur onnodig, aangezien vaccinatie tegen rabiës, de meest zorgwekkende ziekte voor deze soorten, in alle gevallen vereist is. Geregistreerde paarden die bestemd zijn voor wedstrijden, wedrennen en culturele paardenevenementen, moeten ook worden vrijgesteld van bepaalde voorschriften met betrekking tot de verblijfsduur indien zij voldoen aan aanvullende garanties. Deze vrijstelling is gebaseerd op de verwachting dat dergelijke paarden een hoog gezondheidsniveau zullen hebben.

(35)

De gezondheidsstatus van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie kan tijdens het vervoer van de plaats van oorsprong naar de plaats van binnenkomst in de Unie in gevaar worden gebracht als zij in contact komen met dieren of producten die niet aan dezelfde voorschriften voldoen of indien zij worden doorgevoerd door derde landen, gebieden of zones met een lagere gezondheidsstatus dan het land of gebied van oorsprong of de zone daarvan. Daarom moeten bepaalde preventiemaatregelen worden toegepast zodat geen afbreuk wordt gedaan aan hun gezondheidsstatus.

(36)

Om ervoor te zorgen dat alleen gezonde dieren naar de Unie worden verzonden, moeten de in zendingen opgenomen dieren worden onderworpen aan een klinische inspectie door een officiële dierenarts voordat zij worden verzonden. De termijn voor het uitvoeren van deze inspectie moet worden aangepast voor bepaalde soorten en de specifiek daarmee verbonden risico’s.

(37)

Landdieren, broedeieren en waterdieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie mogen alleen worden vervoerd door of uitgeladen in derde landen, gebieden of zones die ook voor binnenkomst in de Unie in de lijst zijn opgenomen voor dezelfde soorten en categorieën dieren en broedeieren. Uit de opneming van die landen, gebieden of zones in de lijst blijkt dat zij gelijkwaardige diergezondheidsgaranties verstrekken als het derde land of gebied van oorsprong of de zone daarvan.

(38)

Bij het vervoer van landdieren en broedeieren door middel van vliegtuigen of vaartuigen kunnen zich onvoorziene gebeurtenissen voordoen, zoals mechanische problemen met het vervoermiddel, stakingen op luchthavens en in zeehavens, of onvoorziene vertragingen. Daarom is het passend te voorzien in afwijkingen voor gevallen waarin garanties kunnen worden verstrekt. Daarmee zal het vervoer van de landdieren en de broedeieren naar de Unie voortgezet kunnen worden, terwijl de gezondheidsstatus van die goederen wordt gewaarborgd en bijkomende risico’s voor de diergezondheid worden voorkomen.

(39)

In het geval van paardachtigen moeten overladingen en tussenstops in niet in de lijst opgenomen landen, aangezien die deel uitmaken van de gebruikelijke vervoerspraktijk, met inachtneming van bepaalde preventiemaatregelen worden toegestaan.

(40)

Het reinigen en ontsmetten van transportmiddelen is een essentiële activiteit om het risico op verspreiding van dierziekten te voorkomen. Bij het vervoer van zendingen van voor de Unie bestemde levende dieren moeten de vervoersmiddelen onmiddellijk vóór het laden van de dieren voor verzending naar de Unie worden gereinigd en ontsmet.

(41)

Het verzamelen van dieren in derde landen of gebieden van oorsprong kan een bijkomend risico vormen voor de gezondheidsstatus van dieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, omdat de dieren zich vermengen en zij aldus in contact komen met dieren van verschillende oorsprong. Daarom moeten het aantal en de duur van dergelijke verrichtingen en de soorten waarvoor verzameling is toegestaan, tot een minimum worden beperkt, en wel tot alleen die soorten waarvoor een betrouwbaar traceringssysteem bestaat.

(42)

Naast de algemene diergezondheidsvoorschriften moet worden voorzien in specifieke voorschriften waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s voor de diergezondheid die zijn verbonden met de verschillende soorten en categorieën landdieren die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

(43)

In de lijst in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 zijn verschillende soorten hoefdieren, zoals gedefinieerd in de diergezondheidswetgeving, opgenomen als vatbare soorten voor de verschillende in de lijst opgenomen ziekten. In dezelfde verordening zijn ook in de lijst opgenomen ziekten opgenomen in verschillende categorieën voor verschillende soorten hoefdieren. Daarom moeten in deze verordening de specifieke voorschriften en garanties met betrekking tot de in de lijst opgenomen ziekten voor de verschillende soorten en categorieën hoefdieren duidelijk worden vastgesteld.

(44)

Om te voorkomen dat zich categorie A-ziekten voordoen, ten aanzien waarvan de Unie als ziektevrij wordt beschouwd, moet het algemene voorschrift voor het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van hoefdieren zijn dat daar sprake is van een gelijkwaardige vrijheid van ziekte gedurende een periode die waarborgt dat de binnenkomst van dieren uit het derde land of gebied of de zone de ziektevrije status van de Unie niet in gevaar brengt. Voor ziekten van categorie B waarvoor de Unie verplichte uitroeiingsprogramma’s heeft, moet deze verordening voorzien in risicobeperkende maatregelen wanneer het derde land of gebied van oorsprong niet volledig vrij is van die ziekten.

(45)

Wanneer zendingen hoefdieren bestemd zijn voor binnenkomst in lidstaten die officieel ziektevrij zijn of die een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis, boviene virusdiarree of infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky hebben, moeten die zendingen voldoen aan aanvullende voorschriften om te voorkomen dat de dieren de gezondheidsstatus van die specifieke lidstaten ten aanzien van die ziekten in gevaar brengen.

(46)

Er moeten bijzondere regels met betrekking tot het derde land of gebied van oorsprong, alsmede aanvullende diergezondheidsvoorschriften gelden in de gevallen waarin hoefdieren uit een geconsigneerde inrichting afkomstig zijn en bestemd zijn voor binnenkomst in een geconsigneerde inrichting in de Unie. In de bijzondere regels moet rekening worden gehouden met het specifieke karakter van die geconsigneerde inrichtingen en met de specifieke voorwaarden waaraan zij voldoen om te worden erkend door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong en door de bevoegde autoriteit van de lidstaten van bestemming.

(47)

De geconsigneerde inrichting van oorsprong zou gelegen kunnen zijn in een derde land of gebied dat niet in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van de specifieke soorten hoefdieren. De nationale wetgeving en de veterinaire diensten van het derde land of gebied zullen echter moeten zijn beoordeeld. Daarnaast moet de inrichting van oorsprong voldoen aan aanvullende voorschriften met betrekking tot ziektebewaking, veterinaire toezicht, documentatie en verrichtingen. Om ervoor te zorgen dat die garanties kunnen worden verstrekt, moeten in deze verordening specifieke voorwaarden worden vastgesteld voor de erkenning van die geconsigneerde inrichtingen door de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied. Een lijst van dergelijke geconsigneerde inrichtingen moet worden opgesteld door de lidstaat van bestemming, op grond van de gunstige uitkomst van een risicobeoordeling door de bevoegde autoriteit in die lidstaat van alle relevante informatie die door de inrichting is verstrekt met betrekking tot de betrokken risico’s voor de diergezondheid.

(48)

Voor de binnenkomst in de Unie van pluimvee en in gevangenschap levende vogels moeten specifieke diergezondheidsvoorschriften gelden om de specifieke risico’s van de relevante in de lijst opgenomen ziekten voor die dieren aan te pakken. In deze voorschriften moet rekening worden gehouden met de categorie, de soort en het beoogde gebruik van pluimvee en in gevangenschap levende vogels, en moet doeltreffende bescherming worden geboden tegen de verspreiding van zorgwekkende ziekten naar de Unie vanuit derde landen of gebieden.

(49)

Om de handel in zendingen van kleine aantallen pluimvee te vergemakkelijken, moeten specifieke voorschriften en afwijkingen worden vastgesteld voor zendingen met minder dan twintig stuks ander pluimvee dan loopvogels.

(50)

Rekening houdend met de activiteiten en de risico’s voor de diergezondheid die zijn verbonden met in gevangenschap levende vogels, mag de binnenkomst in de Unie van zendingen van die dieren alleen worden toegelaten indien zij afkomstig zijn van inrichtingen die zijn erkend door de bevoegde autoriteiten in het derde land of gebied van oorsprong van de in gevangenschap levende vogels, of de zone daarvan. De in gevangenschap levende vogels moeten bij hun aankomst in de Unie in quarantaine worden geplaatst om de afwezigheid van enige zorgwekkende ziekte te bevestigen.

(51)

Daarnaast moeten, wanneer zendingen vogels en broedeieren bestemd zijn voor lidstaten met de ziektevrije status ten aanzien van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, dergelijke zendingen voldoen aan aanvullende voorschriften om ervoor te zorgen dat die zendingen de gezondheidsstatus van die specifieke lidstaten ten aanzien van die ziekte niet in gevaar brengen.

(52)

Infestatie met de kleine kastkever (Aethina tumida) is een van de meest zorgwekkende ziekten voor bijen. Deze ziekte is voor de Unie in principe exotisch, maar heeft zich de afgelopen decennia wereldwijd verspreid, waardoor ernstige problemen voor de bijenteelt ontstaan en ook hommels erdoor getroffen zouden kunnen worden. De Tropilaelaps-mijt (Tropilaelaps spp.) is een potentieel verwoestende ziekteverwekker bij honingbijen. De mijt is ook exotisch voor de Unie. Momenteel zijn er geen doeltreffende en veilige behandelingen tegen deze ziekten beschikbaar. Mochten deze ziekten de Unie binnenkomen via binnenkomende zendingen, dan zouden zij een risico vormen voor de duurzaamheid van de bijenteelt en nog andere sectoren, waarbij zij de landbouw en het milieu kunnen aantasten aangezien die gebaat zijn bij de door gehouden en in het wild levende bijen geleverde bestuivingsdiensten.

(53)

Amerikaans vuilbroed doet zich af en toe in de Unie voor, maar wordt onder controle gehouden wat de handel in honingbijen betreft, terwijl bepaalde gebieden in de Unie erkend zijn als vrij van de varroamijt en beschermd worden door aanvullende handelsgaranties om de plaatsen van bestemming in de Unie veilig te houden. Regels op het niveau van de Unie zijn en blijven van essentieel belang om het aan zendingen honingbijen en hommels verbonden risico van binnenkomst in de Unie van bovengenoemde ziekteverwekkers te beperken. In deze verordening moeten derhalve dergelijke regels worden vastgesteld.

(54)

Alleen honingbijenkoninginnen zonder broedsel en met een klein aantal voedsters in aparte koninginnenkasten kunnen gemakkelijk op infestatie met de kleine kastkever of met de Tropilaelaps-mijt; daarom moet de binnenkomst in de Unie van honingbijen tot dergelijke zendingen worden beperkt.

(55)

Hommelkolonies die worden gefokt en gehouden in ecologisch geïsoleerde inrichtingen worden vaak ten behoeve van de tuinbouwsector in de handel gebracht. Gezien de doorgaans voor de overgebrachte kolonies gebruikte voorzieningen, procedures en gesloten laadkisten mag de binnenkomst in de Unie van hommels (Bombus spp.) alleen worden toegestaan voor kolonies die uitsluitend onder gecontroleerde ecologische omstandigheden in inrichtingen worden gefokt, gehouden en verpakt en die kunnen worden gecontroleerd om er zeker van te zijn dat zij vrij zijn van de kleine kastkever.

(56)

Vanwege de mogelijke gevolgen ervan voor mens en dier is rabiës de meest zorgwekkende in de lijst opgenomen ziekte in de Unie voor honden, katten en fretten. Van de lidstaten wordt derhalve vereist dat zij een verplicht uitroeiingsprogramma voor besmetting met rabiës uitvoeren overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689. Om elke mogelijkheid van insleep van rabiës in de Unie te voorkomen, moet vaccinatie vereist zijn voor alle binnenkomende zendingen honden, katten en fretten, rekening houdend met de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van bestaande vaccins tegen de ziekte.

(57)

Honden die bestemd zijn voor binnenkomst in een lidstaat met de ziektevrije status of met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor Echinococcus multilocularis, moeten voldoen aan aanvullende voorschriften om de bescherming van die status in die lidstaten te waarborgen. In dit verband moet op dergelijke honden een preventieve behandeling worden toegepast voordat zij de Unie binnenkomen. Wanneer honden, katten en fretten echter bestemd zijn voor een geconsigneerde inrichting in de Unie, moeten bijzondere regels met betrekking tot rabiës en infestatie met Echinococcus multilocularis alsmede aanvullende diergezondheidsvoorschriften van toepassing zijn, rekening houdend met het specifieke karakter van de activiteiten van dergelijke inrichtingen en de specifieke omstandigheden waaronder de dieren daarin worden gehouden.

(58)

Aan levende producten kan een significant risico op de verspreiding van dierziekten zijn verbonden. Dit geldt met name voor sperma, maar in mindere mate ook voor oöcyten en embryo’s. Aangezien levende producten van een beperkt aantal donoren worden gewonnen of geproduceerd maar op grote schaal in de algemene dierenpopulatie worden gebruikt, kunnen zij voor vele dieren een bron van ziekten zijn als zij niet correct worden gehanteerd of niet met de juiste gezondheidsstatus worden ingedeeld. In het verleden hebben zich dergelijke gevallen voorgedaan, met aanzienlijke economische verliezen als gevolg. Daarom moeten diergezondheidsvoorschriften worden vastgesteld voor de binnenkomst in de Unie van levende producten van bepaalde gehouden landdieren.

(59)

De voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van levende producten van hoefdieren moeten worden gebaseerd op de voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van levende dieren.

(60)

Specifieke voorschriften voor inrichtingen voor levende producten waar levende producten van hoefdieren die in aanmerking komen voor binnenkomst in de Unie worden gewonnen, geproduceerd, verwerkt en opgeslagen, moeten overeenkomen met die welke zijn vastgesteld voor verplaatsingen binnen de Unie. Dezelfde aanpak geldt voor de voorschriften met betrekking tot traceerbaarheid en diergezondheid voor levende producten.

(61)

Gezien de noodzaak om levende producten uit geconsigneerde inrichtingen in derde landen te verplaatsen naar geconsigneerde inrichtingen in de Unie, moeten in deze verordening bijzondere voorschriften voor de traceerbaarheid en de diergezondheid worden vastgesteld voor de binnenkomst ervan.

(62)

Diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van broedeieren moeten gericht zijn op de risico’s met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten die met de verschillende categorieën broedeieren de Unie zouden kunnen binnenkomen. Daarom moeten die voorschriften overeenkomen met die voor de binnenkomst in de Unie van de respectieve soorten of categorieën vogels.

(63)

Wanneer broedeieren van pluimvee bestemd zijn voor binnenkomst in lidstaten met de ziektevrije status ten aanzien van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, moeten de eieren voldoen aan aanvullende voorschriften om ervoor te zorgen dat zij de status van die specifieke lidstaten niet in gevaar brengen.

(64)

Producten van dierlijke oorsprong kunnen ziekteverwekkers overdragen op dieren en producten. Aan verse en rauwe producten van dierlijke oorsprong is uiteraard een groter risico verbonden dan aan verwerkte en behandelde producten. Daarom moeten de diergezondheidsvoorschriften voor het derde land of gebied van oorsprong van vers vlees, rauwe melk, colostrum en producten op basis van colostrum strenger zijn dan die voor vleesproducten en zuivelproducten. De behandeling die op deze behandelde producten wordt toegepast, moet echter doeltreffend zijn om het risico dat zij vormen, afhankelijk van de diersoort waarvan het product afkomstig is en het land of gebied van oorsprong, te beperken.

(65)

De risicobeperkende behandelingen die van toepassing zijn op producten van dierlijke oorsprong die afkomstig zijn uit beperkingszones die zijn ingesteld in het geval van de bevestiging van ziekten van categorie A in de Unie, zijn vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie (5), op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis en de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van eerdere wetgeving. Daarom moeten dezelfde risicobeperkende behandelingen van toepassing zijn op producten die afkomstig zijn uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, die een gelijkwaardig risico voor de diergezondheid inhouden.

(66)

De risico’s in verband met vers vlees dat de Unie binnenkomt, moeten worden beperkt door middel van voorschriften met betrekking tot het vrij zijn van ziekten van het derde land of gebied van oorsprong en voorschriften inzake dierziekten voor de levende dieren waarvan het vlees afkomstig is, inzake de verzending van de gehouden dieren voor de slacht, inzake het slachten en doden, en inzake het hanteren en voorbereiden.

(67)

Vers vlees van landdieren kan worden verkregen van gehouden dieren, met inbegrip van gekweekt wild als omschreven in Verordening (EG) nr. 853/2004, en van in het wild levende dieren. In de Unie moet vlees dat is verkregen van dieren die als gebruiksdier worden gehouden, met name dieren die behoren tot de soorten Bos taurus, Capra hircus, Ovis aries en Sus scrofa, echter in een slachthuis worden verkregen. Om adequate en gelijkwaardige garanties te verstrekken, is het daarom passend die soorten uit te sluiten van de mogelijkheid om te worden ingedeeld als gekweekt wild of in het wild levende dieren wanneer voor binnenkomst in de Unie bestemd vers vlees van die soorten is verkregen.

(68)

Wanneer zich in een derde land of gebied een uitbraak van een relevante dierziekte voordoet, zijn de datum en de plaats waar de gehouden dieren zijn geslacht of de datum waarop in het wild levende dieren of gekweekt wild zijn gedood, van essentieel belang voor de vaststelling van de mogelijke risico’s voor de diergezondheid die zijn verbonden aan die dieren en de producten van dierlijke oorsprong die van die dieren zijn verkregen. Daarom moet de datum van het slachten of doden worden vastgesteld om te verifiëren dat de dieren zijn geslacht of gedood in een periode waarin zich geen uitbraken van ziekten hebben voorgedaan en waarin het derde land of gebied in de lijst was opgenomen als derde land of gebied waaruit de binnenkomst van vers vlees in de Unie was toegelaten.

(69)

Het type behandeling dat moet worden toegepast op producten van dierlijke oorsprong moet in overeenstemming zijn met het risico dat verbonden is aan het derde land of gebied, of de zone daarvan, dat/die het product vervaardigt. De binnenkomst in de Unie van verwerkte producten van dierlijke oorsprong die behandelingen hebben ondergaan waarvan de doeltreffendheid voor het wegnemen van de risico’s in verband met de in de lijst opgenomen zorgwekkende ziekten voor de specifieke categorie producten van dierlijke oorsprong niet is aangetoond, mag alleen worden toegestaan uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, die alle garanties verstrekken dat zij vrij zijn van de relevante ziekten. Voor derde landen of gebieden, of zones daarvan, die niet al die garanties verstrekken, mag de binnenkomst in de Unie van producten van dierlijke oorsprong alleen worden toegestaan indien die producten een specifieke behandeling hebben ondergaan.

(70)

In sommige gevallen betrekt een derde land of gebied, of een zone daarvan, voor de productie van vleesproducten rauw vlees uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van vleesproducten, verkregen van de betrokken soorten waarop een specifieke behandeling van toepassing is. In dergelijke gevallen moet het vleesproduct altijd de strengste specifieke behandeling ondergaan om alle mogelijke risico’s voor de diergezondheid te beperken.

(71)

Vleesproducten die vlees van pluimvee bevatten uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar zich een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza of van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle heeft voorgedaan, moeten worden onderworpen aan een behandeling die doeltreffend is voor de beperking van het risico in het voor binnenkomst in de Unie in de lijst opgenomen derde land of gebied, of de zone daarvan. Op die manier kan de handel worden voortgezet voordat bestrijdingsmaatregelen, zoals regionalisering, worden uitgevoerd. De onmiddellijke toepassing van een risicobeperkende behandeling na een uitbraak vermindert de risico’s voor de diergezondheid en dempt tegelijkertijd de effecten op de handel.

(72)

Wanneer vleesproducten worden vervaardigd van vers vlees van verschillende diersoorten, moet de toegepaste behandeling alle mogelijke risico’s voor de diergezondheid wegnemen. Als de behandeling vóór vermenging wordt toegepast, moeten de verschillende soorten vers vlees daarom de relevante behandeling ondergaan zoals die is toegewezen aan de diersoort van oorsprong van het vers vlees. Als de behandeling echter na de vermenging wordt toegepast, moet het uiteindelijke vleesproduct de behandeling ondergaan zoals die is toegewezen aan het als ingrediënt gebruikte vers vlees waaraan het grootste risico voor de diergezondheid is verbonden.

(73)

Behandelingen ter beperking van specifieke risico’s voor de diergezondheid in verband met de binnenkomst van casings moeten worden herzien en geactualiseerd, rekening houdend met de conclusies en aanbevelingen van de beoordeling door het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van de recentste wetenschappelijke gegevens (6).

(74)

De voorwaarden voor binnenkomst in de Unie van rauwe melk, zuivelproducten, colostrum en producten op basis van colostrum zijn gebaseerd op de risico’s voor de diergezondheid dat aan deze producten is verbonden. Die risico’s houden verband met het land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, en met de diersoort waarvan zij zijn verkregen. Mond- en klauwzeer en besmetting met het runderpestvirus zijn de twee zorgwekkende ziekten in het geval van melk en colostrum; daarom mogen rauwe melk en colostrum slechts binnenkomen uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, die vrij zijn van die ziekten. Producten op basis van colostrum mogen ook alleen uit die derde landen, gebieden of zones afkomstig zijn, aangezien er geen wetenschappelijk onderbouwde risicobeperkende behandelingen beschikbaar zijn om de vernietiging van de ziekteverwekker in die categorie producten te waarborgen.

(75)

Voor melk verkregen van Bos taurus, Ovis aries, Capra hircus, Bubalus bubalis en Camelus dromedarius, kan het risico in verband met mond- en klauwzeer worden beperkt door de toepassing van bekende specifieke risicobeperkende behandelingen. Aangezien de doeltreffendheid van sommige van die behandelingen voor zuivelproducten van andere diersoorten dan Bos taurus, Ovis aries, Capra hircus, Bubalus bubalis en Camelus dromedarius niet kan worden gewaarborgd, moeten die producten echter de strengste risicobeperkende behandeling ondergaan.

(76)

Behandelingen voor producten van dierlijke oorsprong moeten altijd worden uitgevoerd in het voor binnenkomst in de Unie in de lijst opgenomen derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan.

(77)

Waterdieren van in de lijst opgenomen soorten worden soms over zee vervoerd in vaartuigen, met inbegrip van schepen met leeftanks waarvan het water tijdens de reis kan worden ververst. In dergelijke gevallen moeten de dieren, behalve van een gezondheidscertificaat ook vergezeld gaan van een door de kapitein van het vaartuig ondertekende verklaring waarin de gegevens van de havens van oorsprong en van bestemming en van eventuele andere havens die tijdens de reis zijn aangedaan, zijn aangegeven. In deze verklaring moet worden bevestigd dat de dieren van de in de lijst opgenomen soorten aan boord van het vaartuig niet zijn blootgesteld aan omstandigheden waardoor hun gezondheidsstatus gedurende de reis naar hun eindbestemming zou kunnen zijn beïnvloed.

(78)

Waterdieren kunnen de Unie binnenkomen voor veel verschillende doeleinden. Gezien het aan verplaatsingen van levende dieren verbonden ziekterisico moeten dergelijke dieren die de Unie binnenkomen voor menselijke consumptie, op dezelfde wijze worden behandeld als wanneer zij voor andere doeleinden, zoals kweek of vrijlating in het wild, de Unie zouden binnenkomen. Aan producten van dierlijke oorsprong van waterdieren, met uitzondering van levende waterdieren, is een lager risico verbonden dan aan waterdieren, en de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van dergelijke producten die voor verdere verwerking de Unie binnenkomen, zijn daarom minder streng dan die voor levende dieren.

(79)

Het vrijlaten van waterdieren in het wild in natuurlijk wateren is een risicovolle activiteit wanneer die dieren met een in de lijst opgenomen ziekte besmet zijn. Daarom moet specifiek voor ziekten van de categorieën A en B het derde land of gebied van oorsprong, of de zone of het compartiment daarvan, vrij zijn van die ziekten wanneer waterdieren bestemd zijn om in de natuurlijke wateren van de Unie in het wild te worden vrijgelaten. Daarnaast moeten waterdieren die in de Unie worden binnengebracht om in natuurlijke wateren in het wild te worden vrijgelaten, in elk geval afkomstig zijn uit een derde land of gebied of een zone of compartiment dat/die vrij verklaard is van een ziekte van categorie C, zelfs als de lidstaat of zone of het compartiment van bestemming niet vrij is van die ziekte.

(80)

In het geval van aquatische ziekten kunnen de lidstaten op grond van artikel 226 van de diergezondheidswetgeving nationale maatregelen treffen om de gevolgen van andere ziekten dan de in de lijst opgenomen ziekten op hun eigen grondgebied te beperken. In dergelijke gevallen moeten ook zendingen van soorten die vatbaar zijn voor de ziekten waarop die nationale maatregelen van toepassing zijn, afkomstig zijn uit derde landen, gebieden, of zones of compartimenten daarvan, die vrij zijn van die ziekten.

(81)

Artikel 226 van de diergezondheidswetgeving heeft dezelfde strekking als artikel 43 van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (7), aangezien het de lidstaten toestaat nationale maatregelen te nemen tegen ziekten die niet in de lijst zijn opgenomen. Het is derhalve passend de lijst van ziekten en de betrokken soorten waarvoor die maatregelen zijn vastgesteld, te blijven erkennen. Deze nadere bijzonderheden moeten in deze verordening worden opgenomen.

(82)

In de Unie gelden bepaalde regels met betrekking tot de registratie en erkenning van aquacultuurinrichtingen. Het antwoord op de vraag of een inrichting kan worden geregistreerd, of dat zij moet worden erkend, hangt af van het risico dat zij vormt voor de insleep of de verspreiding van ziekten. Het is daarom belangrijk dat aquacultuurdieren die de Unie binnenkomen vanuit aquacultuurinrichtingen in een derde land, gebied, of zone of compartiment daarvan, afkomstig moeten zijn van aquacultuurinrichtingen die op vergelijkbare wijze worden beoordeeld. In dat verband moeten dergelijke inrichtingen voldoen aan de registratie- of erkenningsvoorschriften die ten minste even streng zijn als die welke voor dergelijke inrichtingen in de Unie zijn vastgesteld.

(83)

Het is niet in alle situaties verplicht het voorschrift toe te passen dat waterdieren van in de lijst opgenomen soorten en producten van dierlijke oorsprong van die dieren afkomstig moeten zijn uit een derde land of gebied, of gebied of compartiment daarvan, dat/die ziektevrij is. Er kunnen bepaalde risicobeperkende maatregelen worden genomen om de binnenkomst in de Unie van waterdieren en bepaalde producten van dierlijke oorsprong daarvan die geen dergelijke oorsprong hebben, te vergemakkelijken. Bepaalde risicobeperkende maatregelen zijn aanvaardbaar voor waterdieren van in de lijst opgenomen soorten en gezien het lagere risiconiveau van dergelijke verplaatsingen zijn andere, minder strenge risicobeperkende maatregelen aanvaardbaar voor producten van dierlijke oorsprong van andere waterdieren dan levende waterdieren.

(84)

Tot de beperkende maatregelen die van toepassing zijn op waterdieren behoort dat zij na binnenkomst in de Unie worden ondergebracht in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen, een geconsigneerde inrichting of een erkende quarantaine-inrichting. Een aantal andere risicobeperkende maatregelen is van toepassing op weekdieren en schaaldieren van in de lijst opgenomen soorten die levend en in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 853/2004 de Unie binnenkomen, maar die een aanvaardbaar risico vormen vanwege de wijze waarop zij vóór de verzending zijn behandeld of verpakt, of omdat zij niet zijn bestemd voor opslag in de Unie, voordat zij worden verwerkt.

(85)

Het is mogelijk af te wijken van de voorschriften dat bepaalde producten van dierlijke oorsprong, verkregen van andere waterdieren dan levende waterdieren, afkomstig moeten zijn uit een derde land of gebied, of een zone of compartiment daarvan, dat/die vrij is van de relevante in de lijst opgenomen ziekten. De risicobeperkende maatregelen die het mogelijk maken dat dergelijke handel plaatsvindt, kunnen bestaan in het onderbrengen van de producten van dierlijke oorsprong in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen in de Unie voor verdere verwerking, of kunnen inhouden dat ervoor wordt gezorgd dat de producten van dierlijke oorsprong bestaan uit vis die is geslacht en van ingewanden is ontdaan alvorens naar de Unie te worden verzonden. In beide gevallen wordt het risico van de producten van dierlijke oorsprong als verwaarloosbaar beoordeeld.

(86)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is een lijst vastgesteld van aquatische soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van de in artikel 5 van en bijlage II bij de diergezondheidswetgeving vermelde ziekten. De lijst omvat ook een lijst van vectorsoorten, die in kolom 4 van de tabel in de bijlage bij die verordening is opgenomen. Veel van deze soorten treden echter niet onder alle omstandigheden als vectoren op. Met betrekking tot verplaatsingen zijn nadere bijzonderheden over de omstandigheden waarin deze soorten als vector van de in de lijst opgenomen ziekten worden beschouwd, opgenomen in bijlage XXX bij deze verordening. In omstandigheden waarin waterdieren van in de lijst opgenomen soorten niet aan de voorwaarden voldoen om als vector op te treden, vallen zij niet onder de voorschriften van deze verordening. Gezien het lagere risiconiveau dat is verbonden aan producten van dierlijke oorsprong van andere waterdieren dan levende waterdieren, zijn de in deze verordening vastgestelde maatregelen ten aanzien van deze producten bovendien niet van toepassing op de soorten die zijn opgenomen in kolom 4 van de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882.

(87)

Alle afwijkingen en hanteringsvoorschriften ten aanzien van waterdieren van in de lijst opgenomen soorten en producten van dierlijke oorsprong van die in de lijst opgenomen soorten, met uitzondering van levende waterdieren, waarin deze verordening voorziet, moeten ook van toepassing zijn op de soorten die zijn opgenomen in kolom 4 van de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 waarvoor de lidstaten krachtens artikel 226 van de diergezondheidswetgeving nationale maatregelen hebben genomen. Evenzo moeten deze afwijkingen en hanteringsvoorschriften ook van toepassing zijn op bepaalde vatbare soorten.

(88)

Het is van belang dat waterdieren van in de lijst opgenomen soorten en het water waarin zij worden vervoerd, na binnenkomst in de Unie op passende wijze worden gehanteerd om te voorkomen dat zij een ziekterisico vormen. Bij een passende hantering hoort dat ervoor wordt gezorgd dat de dieren rechtstreeks naar de plaats van bestemming worden vervoerd en niet in de natuurlijke wateren van de Unie worden vrijgelaten of daar op een andere wijze in worden ondergedompeld, wanneer zij een potentieel ziekterisico kunnen veroorzaken.

(89)

In bepaalde gevallen kan de bevoegde autoriteit op de plaats van bestemming evenwel toestaan dat dergelijke dieren in natuurlijk wateren worden vrijgelaten. In al deze gevallen is het de bevoegde autoriteit die ervoor moet zorgen dat de vrijlating of de onderdompeling de gezondheidsstatus op de plaats van vrijlating niet in gevaar brengt. Bovendien moeten, zelfs indien de ontvangende wateren niet vrij zijn van een specifieke ziekte van categorie C, de vrij te laten dieren ziektevrij zijn, zodat de beste algemene gezondheidsstatus voor in het wild levende populaties in de natuurlijke wateren van de Unie wordt bereikt.

(90)

Wat betreft de betrokken risico’s voor de diergezondheid, moeten alle doorvoerbewegingen door de Unie worden beschouwd als verplaatsingen voor binnenkomst in de Unie, aangezien zij hetzelfde risiconiveau inhouden. Doorvoer moet derhalve voldoen aan alle relevante voorschriften voor binnenkomst in de Unie. Er moeten echter afwijkingen en bijzondere regels voor doorvoer worden vastgesteld onder specifieke, aan de plaats van oorsprong verbonden risicobeperkende voorwaarden. Dergelijke afwijkingen en bijzondere regels zijn bedoeld voor situaties waarin de Unie niet de eindbestemming is van de dieren en de producten daarvan en om rekening te houden met geografische beperkingen en geopolitieke factoren.

(91)

Er moeten ook afwijkingen en bijzondere regels worden vastgesteld voor de doorvoer van zendingen dieren en producten daarvan via een derde land of gebied dat tussen de lidstaten ligt. Deze hebben betrekking op situaties waarin een lidstaat een dergelijke vorm van binnenkomst in de Unie vereist.

(92)

In sommige gevallen worden goederen die uit de Unie afkomstig zijn, door de bevoegde autoriteiten van een derde land of gebied geweigerd naar aanleiding van controles aan de grens. Krachtens artikel 239 van de diergezondheidswetgeving moeten specifieke regels worden vastgesteld om de terugkeer van deze goederen mogelijk te maken op grond van het feit dat zij zijn geproduceerd binnen het kader van de diergezondheidswetgeving van de Unie.

(93)

Er zijn ook bijzondere regels nodig voor de terugkeer naar de Unie van geregistreerde paarden na tijdelijke uitvoer naar derde landen om deel te nemen aan wedrennen, wedstrijden en culturele paardenevenementen.

(94)

Met het oog op de uniforme toepassing van de wetgeving van de Unie inzake de binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong, en om te waarborgen dat deze wetgeving duidelijk en transparant is, moeten Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie (8), Uitvoeringsverordening (EU) nr. 139/2013 van de Commissie (9), Verordening (EU) nr. 605/2010 van de Commissie (10), Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie (11), Beschikking 2007/777/EG van de Commissie (12), Verordening (EG) nr. 119/2009 van de Commissie (13), Verordening (EU) nr. 28/2012 van de Commissie (14) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/759 van de Commissie (15) bij deze verordening worden ingetrokken.

(95)

De regels in deze verordening houden onderling verband en vormen een aanvulling op de regels van de diergezondheidswetgeving, die met ingang van 21 april 2021 van toepassing is. Om die reden en om de toepassing van het nieuwe rechtskader inzake diergezondheid te vergemakkelijken, moet deze verordening ook met ingang van 21 april 2021 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE REGELS

TITEL 1

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden aanvullende diergezondheidsvoorschriften vastgesteld voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, of compartimenten in het geval van aquacultuurdieren. Tevens bevat zij regels betreffende de verplaatsing en het werken met die zendingen na binnenkomst in de Unie.

2.   Deel I bevat:

a)

de verplichtingen van de bevoegde autoriteit van de lidstaten met betrekking tot het toelaten van de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de soorten en categorieën dieren waarop de delen II tot en met VI van toepassing zijn (de artikelen 3 en 4);

b)

de verplichtingen voor de exploitanten met betrekking tot de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong waarop de delen II tot en met VI van toepassing zijn (artikel 5);

c)

de algemene diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met de onder a) en b) bedoelde zendingen, en afwijkingen van die algemene voorschriften, die van toepassing zijn op alle soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong waarop de delen II tot en met VI van toepassing zijn (de artikelen 6 tot en met 10).

3.   Deel II bevat de algemene diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met, alsmede afwijkingen van die voorschriften voor, bepaalde landdieren (titel 1).

Daarnaast bevat het specifieke diergezondheidsvoorschriften die ook van toepassing zijn op elk van deze soorten en categorieën landdieren, met name:

a)

gehouden hoefdieren van in de lijst opgenomen soorten (titel 2);

b)

pluimvee en in gevangenschap levende vogels, met uitzondering van in gevangenschap levende vogels die worden ingevoerd voor door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming goedgekeurde instandhoudingsprogramma’s (titel 3);

c)

honingbijen (Apis mellifera) en hommels (Bombus spp.) (titel 4);

d)

honden, katten en fretten (titel 5).

4.   Deel III bevat de algemene diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met, alsmede afwijkingen van die voorschriften voor, levende producten van de volgende soorten en categorieën gehouden landdieren:

a)

runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen (titel 1);

b)

pluimvee en in gevangenschap levende vogels (titel 2);

c)

andere dieren dan die vermeld onder a) en b) (titel 3).

5.   Deel IV bevat de algemene diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met, alsmede afwijkingen van die voorschriften voor, producten van dierlijke oorsprong van de volgende soorten en categorieën gehouden landdieren:

a)

gehouden en in het wild levende hoefdieren van in de lijst opgenomen soorten;

b)

pluimvee;

c)

vederwild.

6.   Deel V bevat de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met, alsmede afwijkingen van die voorschriften voor, de volgende soorten waterdieren in alle levensfasen, alsmede de daarvan afgeleide producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van in het wild levende waterdieren en producten van dierlijke oorsprong van die in het wild levende waterdieren die uit vissersvaartuigen worden aangeland voor directe menselijke consumptie:

a)

vissen van in de lijst opgenomen soorten die behoren tot de superklasse Agnatha en de klassen Chondrichthyes, Sarcopterygii en Actinopterygii;

b)

waterweekdieren van in de lijst opgenomen soorten die behoren tot het phylum Mollusca;

c)

waterschaaldieren van in de lijst opgenomen soorten, die behoren tot het subphylum Crustacea;

d)

waterdieren van de in de lijst in bijlage XXIX opgenomen soorten die vatbaar zijn voor de aquatische ziekten waarvoor in sommige lidstaten nationale maatregelen van kracht zijn ter beperking van de gevolgen van andere ziekten dan de in de lijst opgenomen ziekten, zoals bedoeld in artikel 226 van Verordening (EU) 2016/429.

7.   Deel VI bevat de algemene regels, bepaalde afwijkingen en aanvullende voorschriften voor doorvoer door de Unie en voor de terugkeer naar de Unie van bepaalde soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong.

8.   Deel VII bevat de slotbepalingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 en bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van toepassing, tenzij die definities betrekking hebben op termen die in de tweede alinea van dit artikel worden gedefinieerd.

Daarnaast wordt verstaan onder:

1.

“in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan”: een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die is opgenomen in een lijst van derde landen of gebieden, of zones daarvan, of compartimenten in het geval van aquacultuurdieren, van waaruit de binnenkomst in de Unie van een bepaalde soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig uitvoeringshandelingen die krachtens artikel 230, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 zijn vastgesteld;

2.

“de lijst”: de lijst van derde landen of gebieden, of zones daarvan, of compartimenten in het geval van aquacultuurdieren, van waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen van een bepaalde soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong is toegestaan overeenkomstig uitvoeringshandelingen die krachtens artikel 230, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 zijn vastgesteld;

3.

“vervoermiddelen”: weg- of spoorvoertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen;

4.

“laadkist”: een krat, bak, houder of andere stijve constructie die voor het vervoer van dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong wordt gebruikt en niet het vervoermiddel is;

5.

“rund”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de geslachten Bison, Bos (met inbegrip van de ondergeslachten Bos, Bibos, Novibos en Poephagus) en Bubalus (met inbegrip van het ondergeslacht Anoa), alsook kruisingen van die soorten;

6.

“schaap”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Ovis alsook kruisingen van die soorten;

7.

“geit”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Capra alsook kruisingen van die soorten;

8.

“varken”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Suidae;

9.

“paardachtige”: een dier dat behoort tot de eenhoevigensoorten in het geslacht Equus (met inbegrip van paarden, ezels en zebra’s), alsook kruisingen van die soorten;

10.

“kameelachtige”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Camelidae;

11.

“hertachtige”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Cervidae;

12.

“geregistreerde paardachtige”:

a)

een raszuiver fokdier van de soorten Equus caballus en Equus asinus dat is ingeschreven of in aanmerking komt voor inschrijving in de hoofdsectie van een stamboek dat is opgesteld door een stamboekvereniging of een overeenkomstig artikel 4 of artikel 34 van Verordening (EU) 2016/1012 erkend fokorgaan;

b)

een gehouden dier van de soort Equus caballus dat rechtstreeks bij een internationale vereniging of organisatie die paarden beheert met het oog op wedstrijden of paardenrennen (“geregistreerd paard”) is geregistreerd, of via een nationale federatie of filiaal daarvan;

13.

“voor de slacht bestemde dieren”: gehouden landdieren die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis worden vervoerd;

14.

“geen melding gemaakt van ziekte”: geen dier of groep dieren van de betrokken soorten die in de inrichting worden gehouden, is geclassificeerd als een bevestigd geval van die ziekte en alle vermoedelijke gevallen van die ziekte zijn uitgesloten;

15.

“gezondheidscategorie”: een groep in de lijst opgenomen derde landen waar zich gemeenschappelijke diergezondheidsrisico’s voordoen met betrekking tot ziekten die voor paardachtigen in de lijst zijn opgenomen, die specifieke risicobeperkingsmaatregelen en gezondheidsgaranties vereisen wanneer paardachtigen de Unie binnenkomen;

16.

“koppel”: alle pluimvee of in gevangenschap levende vogels met dezelfde gezondheidsstatus die in hetzelfde lokaal of binnen dezelfde uitloopruimte worden gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen; in stallen omvat deze term alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen;

17.

“fokpluimvee”: pluimvee van 72 uur en ouder, bestemd voor de productie van broedeieren;

18.

“gebruikspluimvee”: pluimvee van 72 uur en ouder, dat wordt opgefokt voor de productie van vlees, consumptie-eieren of andere producten, of om in het wild te worden uitgezet;

19.

“eendagskuikens”: pluimvee dat nog geen 72 uur oud is;

20.

“honingbij”: dier van de soort Apis mellifera;

21.

“hommel”: een dier van de soorten die behoren tot het geslacht Bombus;

22.

“hond”: een gehouden dier van de soort Canis lupus;

23.

“kat”: een gehouden dier van de soort Felis silvestris;

24.

“fret”: een gehouden dier van de soort Mustela putorius furo;

25.

“uniek erkenningsnummer”: een door de bevoegde autoriteit toegekend nummer;

26.

“eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen”: broedeieren die afkomstig zijn van “koppels kippen die vrij zijn van specifieke pathogenen” zoals beschreven in de Europese Farmacopee, en die uitsluitend voor diagnose, onderzoek of farmaceutisch gebruik bestemd zijn;

27.

“zending sperma, oöcyten of embryo’s” of “zending levende producten”: een hoeveelheid sperma, oöcyten, in vivo verkregen embryo’s of in vitro geproduceerde embryo’s die zijn verzonden uit één enkele erkende inrichting voor levende producten die onder één enkel diergezondheidscertificaat valt;

28.

“sperma”: het onbewerkte, bewerkte of verdunde ejaculaat van een of meer dieren;

29.

“oöcyten”: de haploïde stadia van de oötidogenese, met inbegrip van secundaire oöcyten en eicellen;

30.

“embryo”: het eerste ontwikkelingsstadium van een dier dat geschikt is voor transplantatie naar een ontvangerdier;

31.

“erkende inrichting voor levende producten”: een spermawinningscentrum, embryowinningsteam, embryoproductieteam, verwerkingsinrichting voor levende producten of opslagcentrum voor levende producten;

32.

“dierenarts van het centrum”: de dierenarts die verantwoordelijk is voor de activiteiten in het spermawinningscentrum, de verwerkingsinrichting voor levende producten of het opslagcentrum voor levende producten zoals bepaald in deze verordening;

33.

“teamdierenarts”: de dierenarts die verantwoordelijk is voor de activiteiten van een embryowinningsteam of een embryoproductieteam zoals bepaald in deze verordening;

34.

“quarantainevoorziening”: een door de bevoegde autoriteit erkende voorziening om runderen, varkens, schapen of geiten gedurende ten minste 28 dagen vóór zij tot een spermawinningscentrum worden toegelaten, te isoleren;

35.

“spermawinningscentrum”: een inrichting voor levende producten die door de bevoegde autoriteit is erkend voor de winning, de verwerking, de opslag en het vervoer van sperma van runderen, varkens, schapen, geiten of paardachtigen, bestemd voor binnenkomst in de Unie;

36.

“embryowinningsteam”: een inrichting voor levende producten die bestaat uit een groep beroepsbeoefenaars of een structuur die door de bevoegde autoriteit is erkend voor de winning, de verwerking, de opslag en het vervoer van in vivo verkregen embryo’s, bestemd voor binnenkomst in de Unie;

37.

“embryoproductieteam”: een inrichting voor levende producten die bestaat uit een groep beroepsbeoefenaars of een structuur die door de bevoegde autoriteit is erkend voor de winning, de verwerking, de opslag en het vervoer van oöcyten en de productie in vitro, in voorkomend geval met opgeslagen sperma, de verwerking, de opslag en het vervoer van embryo’s, in beide gevallen bestemd voor binnenkomst in de Unie;

38.

“verwerkingsinrichting voor levende producten”: een inrichting voor levende producten die door de bevoegde autoriteit is erkend voor de verwerking, in voorkomend geval met inbegrip van het sorteren van sperma op geslacht, en de opslag van sperma, oöcyten of embryo’s van één of meer soorten, of een combinatie van die typen levende producten of soorten, bestemd voor binnenkomst in de Unie;

39.

“opslagcentrum voor levende producten”: een inrichting voor levende producten die door de bevoegde autoriteit is erkend voor de opslag van sperma, oöcyten of embryo’s van een of meer soorten, of een combinatie van die typen levende producten of soorten, bestemd voor binnenkomst in de Unie;

40.

“vlees”: alle delen van hoefdieren, pluimvee en vederwild die geschikt zijn voor menselijke consumptie, met inbegrip van bloed;

41.

“vers vlees”: vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen, ook vacuümverpakt of in CA-verpakking (gecontroleerde atmosfeer), dat/die buiten de koel- of vriesbehandeling geen enkele behandeling heeft/hebben ondergaan;

42.

“karkas van een hoefdier”: het hele geslachte of gedode hoefdier na:

a)

uitbloeding, in het geval van geslachte dieren;

b)

verwijdering van de ingewanden;

c)

verwijdering van de ledematen ter hoogte van de carpus en de tarsus;

d)

verwijdering van de staart, de uier, de kop en de huid, behalve bij varkens;

43.

“slachtafval”: vers vlees dat geen deel uitmaakt van een karkas van een hoefdier, ook indien het op natuurlijke wijze met het karkas verbonden blijft;

44.

“vleesproducten”: verwerkte producten, met inbegrip van behandelde magen, blazen, darmen, gesmolten dierlijke vetten en vleesextracten, die zijn verkregen door verwerking van vlees of door verdere verwerking van dergelijke verwerkte producten, zodat op het snijvlak kan worden geconstateerd dat het product niet langer de kenmerken van vers vlees bezit;

45.

“casings”: blazen en darmen die na het reinigen zijn verwerkt door middel van afschrapen van het weefsel, ontvetten en wassen en na het zouten zijn gedroogd;

46.

“colostrum”: de vloeistof die gedurende drie à vijf dagen na het werpen wordt uitgescheiden door de melkklieren van gehouden dieren, rijk is aan antilichamen en mineralen en voorafgaat aan de productie van rauwe melk;

47.

“producten op basis van colostrum”: verwerkte producten die zijn verkregen door verwerking van colostrum of door verdere verwerking van dergelijke verwerkte producten;

48.

“schip met leeftank”: een schip dat wordt gebruikt in de aquacultuursector en dat beschikt over een leeftank of reservoir voor de opslag en het vervoer van levende vis in water;

49.

“Imsoc”: het informatiemanagementsysteem voor officiële controles zoals bedoeld in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (16).

TITEL 2

ALGEMENE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE EN HET NA BINNENKOMST VERPLAATSEN VAN EN WERKEN MET ZENDINGEN DIEREN, LEVENDE PRODUCTEN EN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

Artikel 3

Verplichtingen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten

De bevoegde autoriteit staat de binnenkomst in de Unie toe van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de soorten en categorieën waarop de delen II tot en met VI van toepassing zijn, die ten behoeve van de in artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde officiële controles worden aangeboden, mits:

a)

de zendingen afkomstig zijn uit:

i)

in het geval van landdieren, een voor de specifieke soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan;

ii)

in het geval van waterdieren, een voor de specifieke soort en categorie dieren en producten van dierlijke oorsprong in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan, en in het geval van aquacultuurdieren, een daartoe in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone of compartiment daarvan;

b)

de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong heeft gecertificeerd dat de zendingen voldoen aan:

i)

de algemene diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong zoals vastgesteld in dit artikel, artikel 4 en de artikelen 6 tot en met 10;

ii)

de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de specifieke soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong en het beoogde gebruik, zoals vastgesteld in de delen II tot en met VI;

c)

de zendingen vergezeld gaan van de volgende documenten, door middel waarvan de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong de nodige garanties heeft gegeven ten aanzien van de naleving van de onder b) bedoelde diergezondheidsvoorschriften:

i)

een diergezondheidscertificaat dat is uitgereikt door een officiële dierenarts van het derde land of gebied van oorsprong, specifiek voor de desbetreffende soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong en het beoogde gebruik ervan;

ii)

een verklaring en andere documenten, indien vereist in het kader van deze verordening.

In het geval van zendingen dieren en broedeieren moet het onder c), i), bedoelde diergezondheidscertificaat zijn uitgereikt binnen een periode van tien dagen vóór de datum van aankomst van de zending in de grenscontrolepost; in het geval van vervoer over zee kan die termijn echter worden verlengd met een aanvullende termijn die overeenstemt met de duur van de reis over zee.

Artikel 4

De datum van certificering van zendingen

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van soorten en categorieën die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, wordt alleen toegestaan indien deze zendingen voor verzending naar de Unie zijn gecertificeerd, en wel ten vroegste op de datum waarop het derde land of gebied van oorsprong of de zone daarvan, of het compartiment daarvan in het geval van aquacultuurdieren, in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van die specifieke soorten en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, broedeieren en producten van dierlijke oorsprong afkomstig uit een derde land of gebied of zone daarvan, of compartiment daarvan in het geval van aquacultuurdieren, wordt niet toegestaan vanaf de datum waarop aldaar niet langer wordt voldaan aan de diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van die specifieke soorten en categorieën dieren, broedeieren of producten van dierlijke oorsprong, tenzij door de Unie in de lijst specifieke voorwaarden zijn toegekend aan het in de lijst opgenomen derde land of gebied, of de zone daarvan, en aan die specifieke soorten en categorieën dieren, broedeieren of producten van dierlijke oorsprong.

Artikel 5

Verplichtingen van de exploitanten

1.   De exploitanten die verantwoordelijk zijn voor de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de soorten en categorieën die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, bieden deze zendingen ten behoeve van officiële controles aan de bevoegde autoriteit in de Unie aan, zoals bepaald in artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625, en zorgen ervoor dat die zendingen aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de algemene diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie van de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong zoals vastgesteld in de artikelen 3 en 4 en de artikelen 6 tot en met 10;

b)

de diergezondheidsvoorschriften die van toepassing zijn op de specifieke soort en categorie van de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de zending en het beoogde gebruik ervan, zoals vastgesteld in de delen II tot en met VI.

2.   De exploitanten die verantwoordelijk zijn voor het verplaatsen van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong van de soorten en categorieën die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, van de plaats van binnenkomst in de Unie naar de plaats van bestemming, alsmede de exploitanten die verantwoordelijk zijn voor het werken met dergelijke zendingen na binnenkomst in de Unie, zorgen ervoor dat de zendingen:

a)

overeenkomstig artikel 3 door de bevoegde autoriteit zijn toegelaten voor binnenkomst in de Unie;

b)

voldoen aan de in de delen II tot en met VI voor die specifieke soorten en categorieën dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong vastgestelde diergezondheidsvoorschriften voor het na binnenkomst in de Unie verplaatsen van en werken met dergelijke zendingen;

c)

niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor zij door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn gecertificeerd voor binnenkomst in de Unie.

Artikel 6

Nationale wetgeving en diergezondheidsstelsels van het derde land of gebied van oorsprong

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan vanuit een derde land of gebied waar:

a)

het melden en rapporteren aan de bevoegde autoriteit van elk vermoedelijk en bevestigd geval van een in de lijst opgenomen ziekte, zoals bedoeld in bijlage I, die relevant is voor de in de lijst opgenomen diersoorten in de zending, of voor de in de lijst opgenomen diersoorten waarvan de levende producten of producten van dierlijke oorsprong in de zending zijn verkregen, en die voor binnenkomst in de Unie zijn toegelaten, wettelijk verplicht is;

b)

systemen worden toegepast voor het opsporen van nieuwe ziekten;

c)

systemen worden toegepast om te waarborgen dat de vervoedering van spoeling geen bron van de in bijlage I bedoelde in de lijst opgenomen ziekten vormt voor:

i)

de voor binnenkomst in de Unie bestemde dieren,

of

ii)

de dieren waarvan de voor binnenkomst in de Unie bestemde levende producten zijn verkregen,

of

iii)

de dieren waarvan de voor binnenkomst in de Unie bestemde producten van dierlijke oorsprong zijn verkregen.

2.   Zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong die voor binnenkomst in de Unie zijn bestemd, worden alleen toegelaten voor binnenkomst in de Unie vanuit een derde land of gebied, of zone daarvan, indien die zendingen in dat derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, legaal in de handel mogen worden gebracht en mogen worden verhandeld.

Artikel 7

Algemene voorschriften met betrekking tot de gezondheidsstatus van de dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

geen dieren zijn die gedood moeten worden in het kader van een nationaal programma dat in het derde land of gebied van oorsprong wordt uitgevoerd met het oog op de uitroeiing van ziekten, met inbegrip van de relevante in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten;

b)

op het tijdstip van het laden met het oog op verzending naar de Unie geen symptomen van overdraagbare ziekten vertoonden;

c)

afkomstig zijn van een inrichting die ten tijde van hun verzending van die inrichting naar de Unie niet onder nationale beperkende maatregelen viel:

i)

om diergezondheidsredenen;

ii)

in het geval van aquacultuurdieren, om diergezondheidsredenen of vanwege het voorkomen van abnormale sterftegevallen met onbekende oorzaak.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen levende producten wordt alleen toegestaan indien zij zijn verkregen van dieren die, ten tijde van de winning:

a)

geen symptomen van overdraagbare ziekten vertoonden;

b)

werden gehouden in een inrichting die niet onder nationale beperkende maatregelen viel om diergezondheidsredenen, met inbegrip van beperkingen die betrekking hebben op de relevante in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten.

3.   De binnenkomst in de Unie van zendingen producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien zij zijn verkregen van dieren die:

a)

in het geval van landdieren, geen symptomen van overdraagbare ziekten vertoonden op het tijdstip van:

i)

het doden of slachten voor de productie van vers vlees en vleesproducten,

of

ii)

de verzameling van melk of eieren;

b)

in het geval van waterdieren, geen symptomen van overdraagbare ziekten vertoonden op het tijdstip van de slacht of de verzameling voor de productie van producten van dierlijke oorsprong;

c)

niet zijn gedood, geslacht of, in het geval van weekdieren en levende schaaldieren, uit het water zijn verwijderd in het kader van een nationaal programma voor de uitroeiing van ziekten;

d)

werden gehouden in een inrichting die niet onder nationale beperkende maatregelen viel om diergezondheidsredenen, in voorkomend geval met inbegrip van in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten, op het tijdstip van:

i)

het doden of slachten van die dieren voor de productie van vers vlees en vleesproducten of producten van dierlijke oorsprong van waterdieren, of

ii)

de verzameling van melk en eieren.

Artikel 8

Algemene voorschriften met betrekking tot de inrichting van oorsprong va de dieren

Naast de specifieke voorschriften van de delen II tot en met V is de binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong alleen toegestaan indien de inrichting van oorsprong van de gehouden dieren of de inrichting van oorsprong van de gehouden dieren waarvan de levende producten of producten van dierlijke oorsprong zijn verkregen, aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

zij moet door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn geregistreerd en een uniek registratienummer toegewezen hebben gekregen;

b)

zij moet, voor zover vereist door, en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in, deze verordening, door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend en een uniek erkenningsnummer toegewezen hebben gekregen;

c)

zij moet onder toezicht van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong staan;

d)

zij moet beschikken over een systeem om gedurende ten minste drie jaar actuele gegevens te bewaren en bij te houden die ten minste de volgende informatie omvatten:

i)

de soorten, categorieën, aantallen en, in voorkomend geval, de identificatie van de dieren in de inrichting;

ii)

verplaatsingen van dieren naar en uit de inrichting;

iii)

het sterftecijfer in de inrichting;

e)

in de inrichting moeten regelmatig diergezondheidsinspecties worden uitgevoerd door een dierenarts met het oog op het opsporen van, en de informatievoorziening over, tekenen die wijzen op de aanwezigheid van ziekten, met inbegrip van die in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, die relevant zijn voor de specifieke soort en categorie dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong, en van nieuwe ziekten.

Dergelijke diergezondheidsinspecties worden verricht met een frequentie die in verhouding staat tot de aan de desbetreffende inrichting verbonden risico’s.

Artikel 9

Bemonstering, laboratoriumtests en overige tests

De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien de in deze verordening voorgeschreven bemonstering, laboratoriumtests en andere tests zijn uitgevoerd:

a)

op monsters die zijn genomen door of onder toezicht van de bevoegde autoriteit van:

i)

het derde land of gebied van oorsprong wanneer de bemonstering en de tests vóór de binnenkomst in de Unie vereist zijn,

of

ii)

de lidstaat van bestemming wanneer de bemonstering en de tests na de binnenkomst in de Unie vereist zijn;

b)

overeenkomstig:

i)

de relevante procedures en methoden zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 van de Commissie (17),

of

ii)

voor de binnenkomst in de Unie van levende producten van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen, de procedures en methoden zoals vastgesteld in bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686 van de Commissie (18),

of

iii)

de in deze verordening beschreven procedures, indien specifiek voorgeschreven;

c)

in een officieel laboratorium dat overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) 2017/625 is aangewezen.

Artikel 10

Ziektevrije status van de plaats van oorsprong en specifieke voorwaarden

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong heeft aangetoond dat het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, of de inrichting van oorsprong van de dieren, levende producten of producten van dierlijke oorsprong vrij is van specifieke ziekten, zoals vereist bij deze verordening, en wel:

a)

overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689,

of

b)

voor ziekten die niet binnen het toepassingsgebied van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 vallen, overeenkomstig specifieke regels, voor zover in deze verordening vastgesteld, en het door het derde land of gebied van oorsprong uitgevoerde ziektebewakingsprogramma, dat:

i)

ter beoordeling bij de Commissie moet zijn ingediend en ten minste de in bijlage II vermelde gegevens moet bevatten;

ii)

door de Commissie moet zijn beoordeeld als een programma dat de nodige garanties biedt ten aanzien van de ziektevrije status, op basis van:

de regels inzake ziektebewaking van de artikelen 24, 25, 26 en 27 van Verordening (EU) 2016/429;

de aanvullende regels voor de opzet van de bewaking en de regels voor bevestiging van ziekte en gevalsdefinitie zoals vastgesteld in afdelingen 1 en 2 en artikel 10 van hoofdstuk 1 van deel II van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

iii)

voldoende lang van kracht moet zijn geweest om volledig ten uitvoer te zijn gelegd en onder afdoende toezicht te staan.

2.   In het geval van aquacultuurdieren en producten van dierlijke oorsprong van aquacultuurdieren, waarbij de ziektevrije status van het compartiment van oorsprong ten aanzien van bepaalde ziekten vereist is, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen van die goederen alleen toegestaan indien de bevoegde autoriteit van het derde land van oorsprong de ziektevrije status heeft aangetoond overeenkomstig lid 1, onder a) en b).

3.   Wanneer bij deze verordening specifieke voorwaarden met betrekking tot de ziektevrije status van het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, ten aanzien van bepaalde ziekten worden vereist:

a)

moet de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong vooraf hebben gegarandeerd dat daaraan is voldaan;

b)

zijn die specifieke voorwaarden door de Unie in de lijst specifiek toegewezen aan het in de lijst opgenomen derde land of gebied, of de zone of het compartiment daarvan, en aan de specifieke soort en categorie dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong.

DEEL II

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN GEHOUDEN LANDDIEREN ZOALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 3 EN 5

TITEL 1

ALGEMENE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR GEHOUDEN LANDDIEREN

Artikel 11

De vereiste verblijfsduur voor gehouden landdieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen van andere gehouden landdieren dan honden, katten en fretten wordt alleen toegestaan indien aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende een ononderbroken periode die onmiddellijk voorafging aan de datum van verzending naar de Unie, voldaan aan de desbetreffende verblijfsduur zoals aangegeven in de volgende tabellen van bijlage III:

i)

tabel 1 in het geval van hoefdieren, bijen en hommels;

ii)

tabel 2 in het geval van pluimvee en in gevangenschap levende vogels;

b)

de dieren:

i)

hebben voortdurend in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, verbleven gedurende de periode zoals aangegeven in bijlage III, tabel 1, tweede kolom, en bijlage III, tabel 2, derde kolom;

ii)

hebben voortdurend in de inrichting van oorsprong verbleven, terwijl er geen dieren in die inrichting werden binnengebracht, gedurende de periode zoals aangegeven in bijlage III, tabel 1, derde kolom, en bijlage III, tabel 2, vierde kolom;

iii)

hebben geen contact gehad met dieren met een lagere gezondheidsstatus gedurende de periode zoals aangegeven in bijlage III, tabel 1, vierde kolom, en bijlage III, tabel 2, vijfde kolom.

Artikel 12

Afwijkingen met betrekking tot de verblijfsduur voor geregistreerde paarden voor wedstrijden, wedrennen en culturele evenementen

1.   In afwijking van artikel 11, onder b), i), worden paardachtigen, met uitzondering van voor de slacht bestemde paardachtigen, geacht te voldoen aan de in bijlage III, tabel 1, bedoelde verblijfsduur, indien zij vóór hun verzending naar de Unie gedurende de in bijlage III, tabel 1, tweede kolom, aangegeven periode, behalve in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, ook hebben verbleven in:

a)

een lidstaat,

of

b)

in het geval van geregistreerde paarden, een in de lijst opgenomen derde land of gebied van tussentijds verblijf, of een zone daarvan, van waaruit de binnenkomst in de Unie van geregistreerde paarden voor dat doel is toegestaan en mits zij in het derde land of gebied van oorsprong of in een gebied daarvan zijn binnengebracht overeenkomstig diergezondheidsvoorschriften die garanties bieden voor de diergezondheid die ten minste even streng zijn als die welke van toepassing zijn op de rechtstreekse binnenkomst in de Unie van geregistreerde paarden voor wedstrijden en wedrennen uit dat derde land of gebied van tussentijds verblijf, of de zone daarvan.

2.   In afwijking van artikel 11, onder b), ii), worden geregistreerde paarden voor wedstrijden, wedrennen en culturele paardenevenementen geacht te voldoen aan de in bijlage III, tabel 1, derde kolom, bedoelde voorschriften met betrekking tot de verblijfsduur indien zij in het derde land van oorsprong of het derde land van tussentijds verblijf in andere inrichtingen dan de inrichting van oorsprong hebben verbleven, mits de andere inrichtingen:

a)

onder toezicht van de officiële dierenarts in een derde land of gebied stonden;

b)

niet om diergezondheidsredenen onder nationale beperkende maatregelen vielen, met inbegrip van beperkingen die betrekking hebben op de relevante ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en relevante nieuwe ziekten;

c)

aan de voorschriften van artikel 23 voldoen.

3.   Eveneens in afwijking van artikel 11, onder b), ii), wordt de binnenkomst in de Unie van geregistreerde paarden voor wedstrijden, wedrennen en culturele paardenevenementen die in contact zijn geweest met paardachtigen die het derde land of gebied, of de zone daarvan, zijn binnengekomen vanuit een ander derde land of gebied, of een zone daarvan, of vanuit een andere zone in het derde land of gebied van oorsprong, toegestaan, mits:

a)

die paardachtigen in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, zijn binnengebracht overeenkomstig diergezondheidsvoorschriften die ten minste even streng zijn als die welke van toepassing zijn op de rechtstreekse binnenkomst in de Unie van die paardachtigen;

b)

de mogelijkheid van rechtstreeks contact met andere dieren is beperkt tot de duur van de wedstrijd, de wedrennen of de culturele paardenevenementen en de daarmee verband houdende training, opwarming en presentatie voor de koers.

Artikel 13

Inspectie van landdieren vóór verzending naar de Unie

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen landdieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending in de periode van 24 uur vóór het tijdstip van het laden voor verzending naar de Unie zijn onderworpen aan een klinische inspectie die is uitgevoerd door een officiële dierenarts in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, met het oog op het opsporen van tekenen die wijzen op de aanwezigheid van ziekten, met inbegrip van de relevante in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten.

In het geval van pluimvee en in gevangenschap levende vogels heeft die inspectie betrekking op zowel de dieren die bestemd zijn voor verzending naar de Unie als het koppel van oorsprong.

2.   In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste alinea, mag in het geval van geregistreerde paardachtigen de aldaar bedoelde inspectie worden uitgevoerd binnen 48 uur vóór het tijdstip van het laden met het oog op verzending naar de Unie of op de laatste werkdag vóór de verzending naar de Unie.

3.   In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste alinea, mag in het geval van honden, katten en fretten de aldaar bedoelde inspectie plaatsvinden binnen de periode van 48 uur vóór het tijdstip van het laden met het oog op verzending naar de Unie.

Artikel 14

Algemene regels voor de verzending naar de Unie van landdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen landdieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending, vanaf het tijdstip van het laden bij de inrichting van oorsprong voor verzending naar de Unie tot het tijdstip van aankomst in de Unie, niet in contact zijn geweest met andere landdieren:

a)

van dezelfde soort, die niet bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie;

b)

van andere soorten die voor dezelfde ziekten in de lijst zijn opgenomen en die niet bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie;

c)

met een lagere gezondheidsstatus.

2.   Wanneer zij door de lucht, over zee, per spoor, over de weg of te voet worden vervoerd, wordt de binnenkomst in de Unie van de in lid 1 bedoelde zendingen alleen toegestaan indien zij niet zijn doorgevoerd, uitgeladen of overgeladen door of in een derde land of gebied, of zone daarvan, dat/die niet is opgenomen in de lijst voor binnenkomst in de Unie voor de specifieke soort en categorie dieren en het beoogde gebruik ervan in de Unie.

3.   Wanneer zij over zee worden vervoerd, al is het maar voor een deel van de reis, wordt de binnenkomst in de Unie van de in lid 1 bedoelde zendingen alleen toegestaan indien zij bij de aankomst in de Unie vergezeld gaan van een verklaring die is gehecht aan het diergezondheidscertificaat dat de dieren vergezelt en door de kapitein van het vaartuig is ondertekend, en die de volgende informatie bevat:

a)

de haven van vertrek in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan;

b)

de haven van aankomst in de Unie;

c)

de aanloophavens, indien het vaartuig havens buiten het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van de dieren heeft aangedaan;

d)

bevestiging van de naleving van de volgende voorschriften tijdens de reis naar de Unie:

i)

de dieren zijn aan boord gebleven;

ii)

de dieren zijn aan boord niet in contact geweest met dieren met een lagere gezondheidsstatus.

Artikel 15

Afwijking voor de overlading van andere landdieren dan paardachtigen in niet in de lijst opgenomen derde landen of gebieden in het geval van een technisch probleem of een ander onvoorzien incident

1.   In afwijking van artikel 14, lid 2, staat de bevoegde autoriteit de binnenkomst in de Unie toe van zendingen van andere landdieren dan paardachtigen die van het oorspronkelijke vervoermiddel van verzending zijn overgeladen op een ander vervoermiddel om verder te worden vervoerd in een derde land of gebied, of zone daarvan, dat/die niet een in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan, is voor binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie dieren, uitsluitend wanneer die overlading heeft plaatsgevonden omdat zich een technisch probleem heeft voorgedaan, of een ander onvoorzien incident dat logistieke problemen heeft veroorzaakt tijdens het vervoer van de dieren naar de Unie over zee of door de lucht, teneinde het vervoer naar de plaats van binnenkomst in de Unie te kunnen voltooien, mits:

a)

de binnenkomst in de Unie van de zending dieren is toegestaan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, door de lidstaten van doorgang tot de aankomst van de dieren op de plaats van bestemming in de Unie;

b)

de overlading onder toezicht stond van een officiële dierenarts in het derde land of gebied gedurende de hele verrichting, om te waarborgen dat:

i)

doeltreffende beschermingsmaatregelen tegen vectoren van relevante dierziekten zijn ingesteld;

ii)

doeltreffende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van direct en indirect contact tussen de voor binnenkomst in de Unie bestemde dieren en alle andere dieren;

iii)

in het vervoermiddel voor verder vervoer naar de Unie geen voeder, water of strooisel is geplaatst dat afkomstig is uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet een in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan, is voor binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie dieren;

iv)

de dieren van de zending rechtstreeks en zo snel mogelijk naar een schip of een luchtvaartuig dat aan de voorschriften van artikel 17 voldoet, zijn overgebracht om verder naar de Unie te worden vervoerd, zonder daarbij buiten de afperking van de haven of luchthaven te zijn gekomen;

c)

de zending van de dieren vergezeld gaat van een verklaring van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied waar de overbrenging heeft plaatsgevonden, die informatie over de overbrenging bevat en waarin wordt bevestigd dat de nodige maatregelen zijn genomen om te voldoen aan de onder b) genoemde voorschriften.

2.   De in lid 1 bedoelde afwijking geldt niet voor zendingen honingbijen en hommels.

Artikel 16

Afwijking voor de overlading van paardachtigen in niet in de lijst opgenomen derde landen of gebieden

In afwijking van artikel 14, lid 2, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen paardachtigen die tijdens het vervoer van de dieren naar de Unie zijn overgeladen naar een ander vervoermiddel in een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet een in de lijst opgenomen derde land of gebied, of zone daarvan, is voor binnenkomst in de Unie van de specifieke categorie paardachtigen, alleen toegestaan indien zij aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de dieren van de zending zijn over zee of door de lucht naar de Unie vervoerd;

b)

de dieren van de zending zijn rechtstreeks van het oorspronkelijke vervoermiddel van verzending op het andere vervoermiddel overgeladen om verder te worden vervoerd;

c)

tijdens de overlading:

i)

is doeltreffende bescherming tegen vectoren van relevante dierziekten geboden en zijn de paardachtigen niet in contact gekomen met paardachtigen met een lagere gezondheidsstatus;

ii)

zijn de dieren van de zending onder het directe toezicht van een officiële dierenarts rechtstreeks en zo snel mogelijk overgebracht naar het voor het verdere vervoer te gebruiken schip of luchtvaartuig, dat aan de voorschriften van artikel 17 moet hebben voldaan, zonder dat zij daarbij buiten de afperking van de haven of luchthaven zijn gekomen;

d)

moet een officiële dierenarts hebben gecertificeerd dat de zending voldeed aan de onder a), b) en c) genoemde voorschriften.

Artikel 17

Algemene voorschriften met betrekking tot vervoermiddelen voor landdieren

1.   Zendingen gehouden landdieren mogen alleen de Unie binnenkomen als de voor het vervoer ervan gebruikte vervoermiddelen:

a)

zo gebouwd zijn dat:

i)

de dieren niet kunnen ontsnappen of uit het vervoermiddel kunnen vallen;

ii)

de ruimte waar de dieren worden gehouden visueel kan worden gecontroleerd;

iii)

het verlies van dierlijke uitwerpselen, gebruikt strooisel of voeder wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

iv)

het ontsnappen van veren van pluimvee en in gevangenschap levende vogels wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

b)

telkens onmiddellijk vóór het laden van dieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, worden gereinigd en ontsmet met een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van verzending toegelaten ontsmettingsmiddel, en actief of passief gedroogd.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op het vervoer van zendingen honingbijen en hommels die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie.

Artikel 18

Voorschriften met betrekking tot laadkisten waarin landdieren naar de Unie worden vervoerd

De binnenkomst in de Unie van zendingen gehouden landdieren wordt alleen toegestaan indien de laadkisten waarin de gehouden landdieren in het vervoermiddel naar de Unie worden vervoerd:

a)

voldoen aan de voorschriften van artikel 17, lid 1, onder a);

b)

uitsluitend dieren van dezelfde soort en categorie, afkomstig van dezelfde inrichting, bevatten,

c)

en hetzij

i)

ongebruikte en speciaal ontworpen laadkisten zijn, bestemd om na het eerste gebruik te worden vernietigd,

hetzij

ii)

zijn gereinigd en ontsmet en actief of passief gedroogd vóór het laden van dieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie.

Artikel 19

Verplaatsen van en werken met landdieren na binnenkomst

1.   Na binnenkomst in de Unie worden zendingen landdieren rechtstreeks en onverwijld vervoerd naar:

a)

de inrichting van bestemming in de Unie waar zij ten minste gedurende de in de desbetreffende specifieke artikelen van de delen II tot en met V voorgeschreven periode blijven;

b)

het slachthuis van bestemming in de Unie, indien zij bestemd zijn voor de slacht, alwaar zij binnen vijf dagen na de datum van aankomst in de Unie moeten worden geslacht.

2.   Wanneer de bestemming van de zendingen landdieren die zijn binnengekomen vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, een slachthuis, een erkende quarantaine-inrichting of een geconsigneerde inrichting in de Unie is, worden het vervoer naar en de aankomst op de plaats van bestemming van de zending gemonitord overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1666 van de Commissie (19).

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de binnenkomst in de Unie van geregistreerde paardachtigen uit derde landen en op het opnieuw binnenkomen na tijdelijke uitvoer van geregistreerde paarden.

TITEL 2

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HOEFDIEREN

HOOFDSTUK 1

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor hoefdieren

Artikel 20

Verzending van hoefdieren naar de Unie

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren wordt alleen toegestaan indien deze zendingen vanuit de inrichting van oorsprong naar de Unie zijn verzonden zonder door een andere inrichting te worden gevoerd.

2.   In afwijking van lid 1 kan de binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren uit meer dan één inrichting van oorsprong worden toegelaten indien de dieren van de zending in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, één keer zijn verzameld, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de hoefdieren behoren tot een van de volgende soorten en categorieën:

i)

Bos taurus, Ovis aries, Capra hircus of Sus scrofa,

of

ii)

voor de slacht bestemde paardachtigen;

b)

de verzameling vond plaats in een inrichting:

i)

die door de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied voor de verzameling van hoefdieren is erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (20);

ii)

die daartoe door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van verzending in de lijst is opgenomen, met inbegrip van de informatie zoals bedoeld in artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

iii)

waar de volgende gegevens gedurende een periode van ten minste drie jaar worden bewaard en bijgehouden:

de oorsprong van de dieren;

de data van aankomst in en verzending uit het verzamelcentrum;

de identificatiecode van de dieren;

het registratienummer van de inrichting van oorsprong van het dier;

het registratienummer van de vervoerders en het vervoermiddel waarmee de zending hoefdieren in dat centrum wordt geleverd of uit dat centrum wordt opgehaald;

iv)

die aan de voorschriften van artikel 8 en artikel 23, lid 1, voldoet;

c)

de verzameling in het verzamelcentrum duurde niet langer dan zes dagen; deze periode wordt beschouwd als deel van het tijdsbestek voor de bemonstering voor tests voorafgaand aan de verzending naar de Unie, indien een dergelijke bemonstering krachtens deze verordening vereist is;

d)

De hoefdieren moeten binnen een periode van tien dagen na de datum van verzending uit de inrichting van oorsprong in de Unie zijn aangekomen.

Artikel 21

Identificatie van hoefdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending individueel zijn geïdentificeerd voordat zij uit de inrichting van oorsprong zijn verzonden, door middel van een fysiek identificatiemiddel met een zichtbare, leesbare en onuitwisbare vermelding van:

a)

de identificatiecode van het dier waarmee een ondubbelzinnig verband wordt gelegd tussen het dier en het diergezondheidscertificaat waarvan het vergezeld gaat;

b)

de code van het land van uitvoer volgens ISO-norm 3166, aangegeven met twee letters.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen paardachtigen wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending individueel zijn geïdentificeerd voordat zij vanuit de inrichting van herkomst zijn verzonden, ten minste met behulp van een van de volgende methoden:

a)

een injecteerbare transponder of oormerk, met een zichtbare, leesbare en onuitwisbare vermelding van:

i)

de identificatiecode van het dier waarmee een ondubbelzinnig verband wordt gelegd tussen het dier en het diergezondheidscertificaat waarvan het vergezeld gaat;

ii)

de uit twee lettertekens of drie cijfers bestaande letter- of numerieke code van het land van uitvoer volgens ISO 3166;

b)

in het geval van andere paardachtigen dan voor de slacht bestemde paardachtigen, een uiterlijk op het moment van de certificering voor binnenkomst in de Unie uitgereikt identificatiedocument, dat:

i)

een beschrijving en afbeelding van het dier bevat, met inbegrip van de alternatieve identificatiemethoden, teneinde een ondubbelzinnig verband tot stand te brengen tussen het dier en het identificatiedocument waarvan het vergezeld gaat;

ii)

informatie bevat over de door een geïmplanteerde injecteerbare transponder uitgezonden individuele code in het geval dat deze code niet overeenstemt met de onder a) vermelde specificaties.

3.   In afwijking van lid 1 wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen voor geconsigneerde inrichtingen bestemde hoefdieren toegelaten indien die dieren individueel worden geïdentificeerd door middel van een injecteerbare transponder of een alternatieve identificatiemethode die zorgt voor een ondubbelzinnig verband tussen het dier en de bijbehorende documenten van binnenkomst.

4.   Wanneer hoefdieren zijn geïdentificeerd met behulp van een elektronisch identificatiemiddel dat niet voldoet aan de ISO-normen 11784 en 11785, verstrekt de exploitant die verantwoordelijk is voor de binnenkomst in de Unie van de zendingen hoefdieren het leesapparaat dat het mogelijk maakt de identificatie van het dier op elk moment te verifiëren.

Artikel 22

Het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van de hoefdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij is van de ziekten van categorie A zoals bedoeld in de tabel in bijlage IV, deel A, punt 1, gedurende de in die tabel vermelde periode.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen paardachtigen wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan:

a)

dat/die vrij is van de in de lijst opgenomen ziekten zoals vermeld in de tabel in bijlage IV, deel A, punt 2, gedurende de in die tabel vermelde periode;

b)

waar gedurende de genoemde periode geen melding is gemaakt van de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in de tabel in bijlage IV, deel A, punt 3.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden kunnen worden ingekort voor de in bijlage IV, deel B, vermelde ziekten onder de aldaar vermelde relevante specifieke voorwaarden.

4.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar geen vaccinatie tegen de ziekten van categorie A zoals bedoeld in bijlage IV, deel C, is uitgevoerd overeenkomstig de nadere bijzonderheden zoals vermeld in:

a)

punt 1 van die bijlage in het geval van hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen;

b)

punt 2 van die bijlage in het geval van paardachtigen.

5.   Wat betreft infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae, M. tuberculosis), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen runderen alleen toegestaan indien de dieren van de zending ofwel

a)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij is van die ziekte zonder vaccinatie,

ofwel

b)

voldoen aan de voorschriften van bijlage V, punt 1.

6.   Wat betreft infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen runderen, schapen en geiten alleen toegestaan indien de dieren van de zending ofwel

a)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij is van die ziekte zonder vaccinatie,

ofwel

b)

aan de voorschriften van bijlage V, punt 2, voldoen.

7.   Wat betreft infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren van in de lijst opgenomen soorten alleen toegestaan indien de dieren van de zending ofwel

a)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die gedurende een periode van twee jaar vóór de datum van verzending naar de Unie vrij was van die ziekte, ofwel

b)

aan een van de specifieke voorwaarden van bijlage VI, deel A, voldoen.

8.   Wat betreft enzoötische boviene leukose, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen runderen alleen toegestaan indien die dieren ofwel

a)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij is van die ziekte,

ofwel

b)

aan de specifieke voorwaarden van bijlage VI, deel B, voldoen.

9.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren, bestemd voor binnenkomst in lidstaten of zones daarvan met de ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma ten aanzien van de ziekten van categorie C, zoals bedoeld in bijlage VII, waarvoor de hoefdiersoorten in de lijst zijn opgenomen, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij is van die ziekten voor de betrokken soorten,

of

b)

aan de desbetreffende aanvullende voorschriften van die bijlage voldoen.

Artikel 23

De inrichting van oorsprong van hoefdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

afkomstig zijn van een inrichting waar en rond welke, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, geen melding is gemaakt van de in de lijst opgenomen ziekten, zoals bedoeld in bijlage VIII, waarvoor de hoefdierensoorten bestemd voor binnenkomst in de Unie in de lijst zijn opgenomen, in een gebied en gedurende een periode zoals bepaald in de tabellen in:

i)

de punten 1 en 2 van die bijlage voor andere hoefdieren dan paardachtigen,

of

ii)

de punten 3 en 4 van die bijlage voor paardachtigen.

b)

gedurende de onder a) bedoelde periode niet in contact zijn gekomen met dieren met een lagere gezondheidsstatus.

2.   Wat betreft infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae, M. tuberculosis), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen runderen, schapen, geiten, kameelachtigen en hertachtigen alleen toegestaan indien de inrichting van oorsprong van de dieren van de zending aan de desbetreffende voorschriften van bijlage IX, punt 1, voldoet.

3.   Wat betreft infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen alleen toegestaan indien de inrichting van oorsprong van de dieren van de zending aan de desbetreffende voorschriften van bijlage IX, punt 2, voldoet.

Artikel 24

De hoefdieren van de zending

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn niet gevaccineerd tegen de ziekten van categorie A, zoals bedoeld in de tabellen in:

i)

bijlage IV, deel C, punt 1, in het geval van hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen,

of

ii)

bijlage IV, deel C, punt 2, in het geval van paardachtigen;

b)

gedurende de periode vanaf het moment waarop zij van de inrichting van oorsprong werden verzonden tot hun aankomst in de Unie, mogen zij niet zijn uitgeladen op een plaats die niet voldoet aan de voorschriften in de tabellen in:

i)

bijlage VIII, punten 1 en 2, in het geval van hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen,

of

ii)

bijlage VIII, punten 3 en 4, in het geval van paardachtigen.

2.   Wat betreft infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae, M. tuberculosis), en infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen in de lijst opgenomen hoefdiersoorten alleen toegestaan indien de dieren van de zending niet tegen die ziekten zijn gevaccineerd.

3.   Wat betreft infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen in de lijst opgenomen hoefdiersoorten alleen toegestaan indien de dieren van de zending in de laatste zestig dagen vóór de datum van verplaatsing niet met een levend vaccin tegen deze ziekte zijn gevaccineerd.

4.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren, bestemd voor binnenkomst in lidstaten of zones daarvan met de ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma ten aanzien van de ziekten van categorie C, zoals bedoeld in bijlage VII, waarvoor de hoefdiersoorten in de lijst zijn opgenomen, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending niet tegen die ziekten zijn gevaccineerd.

5.   Naast de in lid 1 vastgestelde voorschriften wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen niet-gecastreerde mannelijke schapen en hoefdieren van de familie Tayassuidae alleen toegestaan indien de dieren van de zending voldoen aan de desbetreffende specifieke voorschriften met betrekking tot infectie met Brucella zoals vastgesteld in bijlage X.

6.   Naast de in lid 1 vastgestelde voorschriften wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen paardachtigen alleen toegestaan indien de dieren van de zending voldoen aan de specifieke voorwaarden van bijlage XI, punt 2, afhankelijk van de gezondheidscategorie, zoals bepaald overeenkomstig bijlage XI, punt 1, waarin het derde land of gebied, of de zone daarvan, in de lijst is ingedeeld.

Artikel 25

Afwijkingen en aanvullende voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van hoefdieren voor de slacht

In afwijking van de voorschriften van artikel 22, leden 5 en 6, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren van de in die leden bedoelde soorten die niet aan die voorschriften voldoen, toegestaan mits de dieren van de zending alleen bestemd zijn om te worden geslacht.

Artikel 26

Verplaatsen van en werken met hoefdieren na hun binnenkomst in de Unie

Na binnenkomst in de Unie blijven hoefdieren, met uitzondering van paarden die binnenkomen voor wedstrijden, wedrennen en culturele paardenevenementen, in de inrichting van bestemming gedurende een periode van ten minste dertig dagen vanaf hun aankomst in die inrichting.

HOOFDSTUK 2

Bijzondere regels voor de binnenkomst in de Unie van gehouden hoefdieren bestemd voor geconsigneerde inrichtingen

Artikel 27

Diergezondheidsvoorschriften die niet van toepassing zijn op voor geconsigneerde inrichtingen bestemde hoefdieren

De artikelen 11, 22, 23, 24 en 26 zijn niet van toepassing op zendingen hoefdieren, met uitzondering van paardachtigen, die de Unie binnenkomen onder de in de artikelen 28 tot en met 34 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 28

Specifieke regels voor de binnenkomst van voor geconsigneerde inrichtingen bestemde hoefdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren die bestemd zijn voor geconsigneerde inrichtingen, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij moeten afkomstig zijn van een geconsigneerde inrichting die is opgenomen in een overeenkomstig artikel 29 opgestelde lijst van geconsigneerde inrichtingen van waaruit de binnenkomst van hoefdieren in de Unie is toegestaan;

b)

zij moeten rechtstreeks van de geconsigneerde inrichting van oorsprong naar een geconsigneerde inrichting in de Unie zijn verzonden.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming verleent specifieke toestemming voor het binnenkomen van elke zending hoefdieren zoals bedoeld in lid 1, na een gunstige uitkomst van een beoordeling van de potentiële risico’s die de binnenkomst van die zending voor de Unie kan inhouden.

3.   De binnenkomst in de Unie en de verplaatsing van elke zending hoefdieren zoals bedoeld in lid 1 via andere lidstaten dan de lidstaat van bestemming wordt alleen toegestaan onder voorbehoud van de toestemming van de bevoegde autoriteiten van die lidstaten van doorgang.

Die toestemming wordt alleen verleend op basis van de gunstige uitkomst van een door de bevoegde autoriteit van die lidstaten van doorgang uitgevoerde risicobeoordeling op basis van de informatie die hun door de lidstaat van de plaats van bestemming in de Unie is verstrekt.

4.   De lidstaat van de plaats van bestemming van de in lid 1 bedoelde zendingen stelt de Commissie en de andere lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verleende toestemmingen, en stelt tevens het punt van binnenkomst van de hoefdieren in de Unie rechtstreeks in kennis van die toestemmingen, vóór eventuele verplaatsingen via andere lidstaten en vóór de aankomst van die hoefdieren op hun grondgebied.

Artikel 29

In een lijst opnemen van geconsigneerde inrichtingen van oorsprong van hoefdieren in derde landen of gebieden

1.   De lidstaten kunnen een lijst opstellen van geconsigneerde inrichtingen in derde landen en gebieden waaruit de binnenkomst van hoefdieren op hun grondgebied is toegestaan.

In die lijst wordt vermeld voor welke soorten hoefdieren de binnenkomst op het grondgebied van de lidstaat uit elke geconsigneerde inrichting in het derde land of gebied is toegestaan.

2.   De lidstaten kunnen in hun lijst van geconsigneerde inrichtingen zoals bedoeld in lid 1 geconsigneerde inrichtingen plaatsen die reeds in dergelijke lijsten van andere lidstaten zijn opgenomen.

Behoudens het bepaalde in de eerste alinea, nemen de lidstaten een geconsigneerde inrichting in een derde land of gebied slechts in de in lid 1 bedoelde lijst van geconsigneerde inrichtingen op na een gunstige uitkomst van een volledige beoordeling op basis van:

a)

de naleving door de geconsigneerde inrichting van het in artikel 30 vastgestelde vereiste om door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong te moeten zijn erkend;

b)

de verstrekking van voldoende informatie door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong om te waarborgen dat de geconsigneerde inrichting voldoet aan de in artikel 30 vastgestelde voorschriften voor de erkenning van geconsigneerde inrichtingen.

3.   De lidstaten houden de in lid 1 bedoelde lijsten van geconsigneerde inrichtingen actueel, waarbij met name rekening wordt gehouden met de opschorting of intrekking van de erkenning die is verleend door de bevoegde autoriteit van een derde land of gebied van oorsprong zoals bedoeld in artikel 30, of door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat.

4.   De lidstaten maken de in lid 1 bedoelde lijsten openbaar op hun websites.

Artikel 30

Voorwaarden voor geconsigneerde inrichtingen van oorsprong van hoefdieren in derde landen of gebieden voor de toepassing van artikel 29

De lidstaten nemen een geconsigneerde inrichting die in een derde land of gebied is gelegen, alleen op in de in artikel 29 bedoelde lijst van geconsigneerde inrichtingen, indien de geconsigneerde inrichting door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied is erkend en aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij moet duidelijk afgebakend zijn en de toegang van dieren en mensen tot dierenvoorzieningen moet worden gecontroleerd;

b)

zij moet adequate voorzieningen hebben om dieren te vangen, op te sluiten en te isoleren, alsmede beschikbare en adequate quarantainevoorzieningen en erkende standaardbedrijfsprocedures voor nieuwe binnenkomende dieren;

c)

de voorzieningen voor de huisvesting van dieren moeten geschikt zijn en moeten zo zijn gebouwd dat:

i)

contact met dieren buiten de geconsigneerde inrichting wordt voorkomen en inspecties en eventuele vereiste behandelingen gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd;

ii)

de vloeren, muren en alle overige materiaal en uitrusting gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden;

d)

wat de maatregelen inzake bewaking en bestrijding van ziekten betreft:

i)

moet zij een ziektebewakingsplan uitvoeren met bestrijdingsmaatregelen tegen zoönosen en dat plan aanpassen aan het aantal en de soorten dieren die in de geconsigneerde inrichting aanwezig zijn en aan de epidemiologische situatie in en rond de geconsigneerde inrichting wat betreft de in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten;

ii)

moet zij hoefdieren waarvan wordt vermoed dat zij geïnfecteerd of besmet zijn met ziekteverwekkers van in de lijst opgenomen ziekten of nieuwe ziekten aan klinisch onderzoeken, laboratoriumtests of post-mortemonderzoeken onderwerpen;

iii)

moet zij in voorkomend geval de vaccinatie en behandeling van vatbare hoefdieren tegen overdraagbare ziekten uitvoeren;

e)

zij moet gedurende ten minste drie jaar actuele gegevens bijhouden met betrekking tot:

i)

het aantal en de identiteit (met name de geschatte leeftijd, geslacht, soort en individuele identificatie, in voorkomend geval) van de hoefdieren in de geconsigneerde inrichting, per soort;

ii)

het aantal en de identiteit (met name geschatte leeftijd, geslacht, soort en individueel identificatienummer, in voorkomend geval) van de hoefdieren die in de geconsigneerde inrichting aankomen of die de inrichting verlaten, tezamen met informatie over de inrichting van oorsprong of bestemming van die dieren, het vervoermiddel en de gezondheidsstatus van die dieren;

iii)

nadere bijzonderheden over de uitvoering en de resultaten van het onder d), i), bedoelde ziektebewakings- en bestrijdingsprogramma;

iv)

de resultaten van de onder d), ii), bedoelde klinische onderzoeken, laboratoriumtests en post-mortemonderzoeken;

v)

nadere bijzonderheden over de onder d), iii), bedoelde vaccinatie en behandeling;

vi)

eventuele instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong met betrekking tot de tijdens elke isolatie- of quarantaineperiode gedane observaties;

f)

zij moet ervoor zorgen dat de kadavers van hoefdieren die aan een ziekte sterven of worden geëuthanaseerd, worden verwijderd;

g)

zij moet zich, door middel van een overeenkomst of een ander rechtsinstrument, verzekeren van de diensten van een dierenarts van de inrichting, die verantwoordelijk is voor:

i)

het toezicht op de activiteiten van de inrichting en de naleving van de voorwaarden voor de erkenning zoals vastgesteld in dit artikel;

ii)

het ten minste jaarlijks herzien van het onder d), i), bedoelde ziektebewakingsprogramma;

h)

in afwijking van artikel 9, onder c), moet zij beschikken over ofwel:

i)

afspraken met een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied erkend laboratorium voor de uitvoering van post-mortemonderzoeken,

ofwel

ii)

een of meer geschikte ruimten waar post-mortemonderzoeken kunnen worden uitgevoerd onder toezicht van de dierenarts van de inrichting.

Artikel 31

Afwijking van het vereiste van opneming in de lijst van het derde land of gebied en van de opneming in de lijst van de geconsigneerde inrichting van oorsprong van hoefdieren

1.   In afwijking van de voorschriften van artikel 3, lid 1, en artikel 28, lid 1, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren van inrichtingen in derde landen of gebieden die niet aan die voorschriften voldoen, toegestaan indien zij bestemd zijn voor een geconsigneerde inrichting en mits:

a)

uitzonderlijke onvoorziene omstandigheden de naleving van deze voorschriften onmogelijk maken;

b)

die zendingen aan de voorwaarden van artikel 32 voldoen.

2.   De lidstaat van de plaats van bestemming van de in lid 1 bedoelde zending stelt de Commissie en de lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in kennis van de overeenkomstig lid 1 verleende toestemmingen, en stelt tevens het punt van binnenkomst van de hoefdieren in de Unie rechtstreeks in kennis van die toestemmingen, vóór eventuele verplaatsingen via andere lidstaten en vóór de aankomst van die hoefdieren op hun grondgebied.

Artikel 32

Aanvullende voorschriften waaraan moet worden voldaan door inrichtingen van oorsprong van voor een geconsigneerde inrichting bestemde hoefdieren overeenkomstig de in artikel 31 vastgestelde afwijking

De bevoegde autoriteit van een lidstaat van bestemming staat de in artikel 31 bedoelde afwijkingen slechts toe voor zendingen hoefdieren die aan de volgende aanvullende voorwaarden voldoen:

a)

door de eigenaar, of een natuurlijke persoon die die eigenaar vertegenwoordigt, is een voorafgaande aanvraag voor een specifieke afwijking zoals bedoeld in artikel 31 bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming ingediend, en de lidstaat van bestemming heeft die toestemming verleend na een risicobeoordeling te hebben uitgevoerd waaruit is gebleken dat het binnenbrengen van een dergelijke zending hoefdieren geen risico voor de diergezondheid oplevert voor de Unie;

b)

de hoefdieren zijn onder toezicht van de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied van oorsprong in quarantaine geplaatst gedurende de tijd die nodig is om ze te laten voldoen aan de specifieke diergezondheidsvoorschriften van de artikelen 33 en 34:

i)

op een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong van de hoefdieren erkende plaats;

ii)

overeenkomstig de regelingen zoals gespecificeerd in de onder a) bedoelde toestemming, die ten minste dezelfde waarborgen moeten bieden als die welke zijn vastgesteld in artikel 28, leden 2 tot en met 4, en in de artikelen 33 en 34;

c)

de hoefdieren moeten gedurende een periode van ten minste zes maanden vanaf de datum van binnenkomst in de Unie in quarantaine worden geplaatst in de geconsigneerde inrichting van bestemming, gedurende welke periode de in artikel 138, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625 en in het bijzonder in lid 2, onder a), d) en k), bedoelde acties kunnen worden ondernomen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming.

Artikel 33

Diergezondheidsvoorschriften voor de geconsigneerde inrichting van oorsprong van hoefdieren met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten

De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren die bestemd zijn voor een in de Unie gelegen geconsigneerde inrichting, wordt alleen toegestaan indien de geconsigneerde inrichting van oorsprong aan de volgende voorschriften met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten voldoet:

a)

ten aanzien van de geconsigneerde inrichting van oorsprong van de hoefdieren is geen melding gemaakt van de in de tabel in bijlage XII, deel A, vermelde in de lijst opgenomen ziekten gedurende de in die tabel voor die in de lijst opgenomen ziekten gespecificeerde perioden;

b)

ten aanzien van het gebied in en rond de geconsigneerde inrichting is geen melding gemaakt van de in de tabel in bijlage XII, deel B, vermelde in de lijst opgenomen ziekten gedurende de in die tabel voor die in de lijst opgenomen ziekten gespecificeerde perioden.

Artikel 34

Diergezondheidsvoorschriften voor de hoefdieren van de zending met betrekking tot in de lijst opgenomen ziekten

De binnenkomst in de Unie van zendingen hoefdieren die bestemd zijn voor een in de Unie gelegen geconsigneerde inrichting, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending aan de volgende aanvullende diergezondheidsvoorschriften voldoen:

a)

zij moeten gedurende een ononderbroken periode van zes maanden of sinds hun geboorte, indien zij jonger zijn dan zes maanden, aan een verblijfsduur in de geconsigneerde inrichting van herkomst voldoen;

b)

zij mogen niet in contact zijn geweest met dieren met een lagere gezondheidsstatus tijdens:

i)

de periode van dertig dagen vóór de datum van verzending naar de Unie, of sinds hun geboorte, indien de dieren jonger zijn dan dertig dagen;

ii)

het vervoer van de erkende geconsigneerde inrichting van oorsprong naar de plaats van verzending naar de Unie;

c)

ten aanzien van de in de tabel van bijlage XII, deel C, vermelde ziekten moeten zij ofwel

i)

afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die voldoet aan de ziektevrije perioden voor de relevante ziekten zoals in die tabel vermeld,

ofwel

ii)

aan de desbetreffende aanvullende voorschriften van bijlage XII, deel D, voldoen;

d)

zij mogen niet gevaccineerd zijn zoals bedoeld in de tabel in bijlage XII, deel E;

e)

indien zij gevaccineerd zijn tegen miltvuur en rabiës, moet de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong informatie hebben verstrekt over de datum van vaccinatie, het gebruikte vaccin en de mogelijk uitgevoerde test om een beschermende immuunrespons aan te tonen;

f)

zij moeten gedurende de periode van veertig dagen vóór de datum van verzending naar de Unie ten minste twee keer tegen inwendige en uitwendige parasieten zijn behandeld.

Indien de onder c), ii), bedoelde specifieke garanties een quarantaineperiode omvatten in een tegen vectoren beschermde voorziening in de geconsigneerde inrichting, moet deze voorziening aan de voorschriften van bijlage XII, deel F, voldoen.

Artikel 35

Verplaatsen van en werken met hoefdieren die na binnenkomst bestemd zijn voor geconsigneerde inrichtingen

Na binnenkomst in de Unie moeten hoefdieren die afkomstig zijn uit een geconsigneerde inrichting in een derde land of gebied, zoals bedoeld in artikel 27, gedurende een periode van ten minste zes maanden vóór de datum van verplaatsing naar een andere geconsigneerde inrichting in de Unie in de geconsigneerde inrichting van bestemming blijven, tenzij zij uit de Unie worden uitgevoerd of voor de slacht worden verplaatst.

TITEL 3

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR BPLUIMVEE EN IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS

HOOFDSTUK 1

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor pluimvee

AFDELING 1

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR ALLE SOORTEN EN CATEGORIEËN PLUIMVEE

Artikel 36

Pluimvee dat naar het derde land of gebied van oorsprong, of in de zone daarvan, is ingevoerd voordat het de Unie binnenkomt

1.   De binnenkomst in de Unie van de volgende zendingen wordt alleen toegestaan indien de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties heeft geboden overeenkomstig lid 2:

a)

pluimvee dat is ingevoerd naar het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, uit een ander derde land of gebied, of zone daarvan;

b)

eendagskuikens van ouderkoppels die naar het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, zijn ingevoerd uit een ander derde land of gebied, of zone daarvan.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen van de in lid 1 bedoelde dieren wordt alleen toegestaan indien de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong van het pluimvee garanties heeft geboden dat:

a)

de in dat lid bedoelde pluimvee- en ouderkoppels zijn ingevoerd uit een derde land of gebied, of zone daarvan, dat/die in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van dergelijke zendingen;

b)

de invoer van de in lid 1 bedoelde pluimvee- en ouderkoppels naar dat derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft plaatsgevonden overeenkomstig diergezondheidsvoorschriften die ten minste even streng zijn als die welke van toepassing zijn op zendingen van die dieren die rechtstreeks de Unie binnenkomen.

Artikel 37

Voorschriften met betrekking tot het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van het pluimvee

De binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee wordt alleen toegestaan indien die zendingen afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

er is een ziektebewakingsprogramma voor hoogpathogene aviaire influenza van kracht gedurende een periode van ten minste zes maanden vóór de datum van verzending van de zending naar de Unie en dat bewakingsprogramma voldoet aan de voorschriften van:

i)

bijlage II bij deze verordening,

of

ii)

het relevante hoofdstuk van de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

b)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, wordt overeenkomstig artikel 38 geacht vrij te zijn van hoogpathogene aviaire influenza;

c)

wanneer de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong vaccinatie uitvoert tegen hoogpathogene aviaire influenza, heeft zij garanties geboden dat:

i)

het vaccinatieprogramma voldoet aan de voorschriften van bijlage XIII;

ii)

het in dit artikel, onder a), bedoelde bewakingsprogramma, in aanvulling op de voorschriften van bijlage II, voldoet aan de voorschriften van bijlage XIII, punt 2;

iii)

zij zich ertoe heeft verbonden de Commissie in kennis te stellen van elke wijziging van het vaccinatieprogramma in het derde land of gebied, of de zone daarvan;

d)

het derde land of gebied, of de zone daarvan:

i)

wordt, in het geval van ander pluimvee dan loopvogels, geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39;

ii)

wordt, in het geval van loopvogels, ofwel

geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39,

ofwel

niet geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39, maar de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong heeft garanties geboden betreffende de naleving van de in bijlage XIV vastgestelde voorschriften voor infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met betrekking tot isolatie, bewaking en tests;

e)

indien wordt gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied garanties geboden dat:

i)

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

of

ii)

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

f)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft zich ertoe verbonden na een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza of een uitbraak van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle de volgende informatie bij de Commissie in te dienen:

i)

informatie over de ziektesituatie binnen 24 uur na de bevestiging van een eerste uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza of van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

regelmatige meldingen inzake de actuele ziektesituatie;

g)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft zich ertoe verbonden virusisolaten van eerste uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza en van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle aan het referentielaboratorium van de Europese Unie voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle te doen toekomen.

Artikel 38

Het ziektevrij zijn van het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, ten aanzien van hoogpathogene aviaire influenza

1.   Een derde land of gebied, of een zone daarvan, wordt geacht vrij te zijn van hoogpathogene aviaire influenza wanneer het de Commissie de volgende garanties heeft geboden:

a)

gedurende een periode van ten minste zes maanden voorafgaand aan de datum van certificering van de zending door de officiële dierenarts voor verzending naar de Unie is een bewakingsprogramma voor hoogpathogene aviaire influenza uitgevoerd, overeenkomstig artikel 37, onder a);

b)

gedurende een periode van ten minste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van certificering van de zending door de officiële dierenarts voor verzending naar de Unie heeft zich geen uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza voorgedaan bij pluimvee in dat derde land of gebied, of in die zone daarvan.

2.   Nadat zich een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza heeft voorgedaan in een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die als vrij van die ziekte werd beschouwd, zoals bedoeld in lid 1, wordt dat derde land of gebied, of de zone daarvan, opnieuw als vrij van hoogpathogene aviaire influenza beschouwd mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is een ruimingsbeleid gehanteerd om hoogpathogene aviaire influenza te bestrijden;

b)

alle besmette inrichtingen zijn naar behoren gereinigd en ontsmet;

c)

gedurende een periode van ten minste drie maanden na de voltooiing van de onder a) en b) bedoelde ruiming en reiniging en ontsmetting heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied een bewakingsprogramma uitgevoerd dat aan de hand van een gerandomiseerde, representatieve steekproef van de risicopopulaties ten minste op betrouwbare wijze aantoont dat er geen besmetting is, met inachtneming van de specifieke epidemiologische omstandigheden van de uitbraak of uitbraken in kwestie, en dat een negatief resultaat heeft opgeleverd.

Artikel 39

Het ziektevrij zijn van het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, ten aanzien van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle

1.   Een derde land of gebied, of een zone, daarvan, wordt geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle indien zich gedurende een periode van ten minste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van certificering van de zending door de officiële dierenarts voor verzending naar de Unie geen uitbraak van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle heeft voorgedaan bij pluimvee in dat derde land of gebied, of in die zone daarvan.

2.   Indien zich een uitbraak van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle voordoet in een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die vrij van die ziekte was, zoals bedoeld in lid 1, wordt dat derde land of gebied, of de zone daarvan, opnieuw als vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle beschouwd mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is een ruimingsbeleid gehanteerd om de ziekte te bestrijden;

b)

alle besmette inrichtingen zijn naar behoren gereinigd en ontsmet;

c)

gedurende een periode van ten minste drie maanden na de voltooiing van de onder a) en b) bedoelde ruiming en reiniging en ontsmetting heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied aan de hand van geïntensiveerd onderzoek, inclusief laboratoriumtests in verband met de uitbraak, in verband met de uitbraak aangetoond dat de ziekte niet in het derde land of gebied, of de zone daarvan, aanwezig is.

Artikel 40

De inrichting van oorsprong van pluimvee

1.   De binnenkomst in de Unie van fokpluimvee en gebruikspluimvee wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en:

a)

waarvan de erkenning niet is geschorst of ingetrokken;

b)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond de inrichting, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

c)

waar gedurende de periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee dat bestemd is voor de slacht, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van inrichtingen:

a)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond de inrichting, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

b)

waar gedurende de periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen.

3.   De binnenkomst in de Unie van zendingen eendagskuikens wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

uitgebroed zijn in inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en

i)

waarvan de erkenning niet is geschorst of ingetrokken;

ii)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond de inrichting, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

b)

afkomstig zijn van koppels die zijn gehouden in inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en

i)

waarvan de erkenning op het moment dat de broedeieren waaruit de eendagskuikens zijn verkregen, naar de broederij werden verzonden, niet was opgeschort of ingetrokken;

ii)

waar gedurende de periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van verzameling van de broedeieren waaruit de eendagskuikens zijn verkregen, geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen.

Artikel 41

Specifieke preventiemaatregelen voor de laadkisten waarin pluimvee wordt vervoerd

De binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee wordt alleen toegestaan als die zendingen zijn vervoerd in laadkisten die, naast de voorschriften van artikel 18, aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij worden gesloten overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong om elke mogelijkheid tot vervanging van de inhoud te vermijden;

b)

de in bijlage XVI vermelde gegevens voor de specifieke soort en categorie pluimvee zijn erop vermeld;

c)

in het geval van eendagskuikens zijn het wegwerpkisten, die schoon zijn en voor het eerst worden gebruikt.

Artikel 42

Binnenkomst van pluimvee in lidstaten met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen van fokpluimvee en gebruikspluimvee, bestemd voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

b)

zij zijn gedurende een periode van ten minste 14 dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie geïsoleerd gehouden in de inrichting van oorsprong of in een quarantaine-inrichting onder toezicht van een officiële dierenarts, waar:

i)

gedurende een periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van het laden van de zending geen pluimvee is gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

geen enkele vogel die geen deel uitmaakt van de zending, gedurende de in punt i) bedoelde periode de inrichting is binnengekomen;

iii)

geen vaccinatie is uitgevoerd;

c)

zij zijn gedurende een periode van ten minste 14 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie met negatief resultaat onderworpen aan serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op een aantal bloedmonsters dat het mogelijk maakt met een betrouwbaarheid van 95 % besmetting te detecteren bij een prevalentie van 5 %.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen van voor de slacht bestemd pluimvee, bestemd voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van koppels die:

a)

niet zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle en gedurende een periode van ten minste 14 dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie met negatief resultaat zijn onderworpen aan serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op een aantal bloedmonsters dat het mogelijk maakt met een betrouwbaarheid van 95 % besmetting te detecteren bij een prevalentie van 5 %,

of

b)

zijn gedurende de periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, maar niet met een levend vaccin, en zijn onderworpen aan een virusisolatietest op infectie met het virus van de ziekte van Newcastle die gedurende de 14 dagen vóór die datum is uitgevoerd op een aselecte steekproef van cloacaswabs of fecesmonsters van ten minste zestig vogels, met negatief resultaat.

3.   De binnenkomst in de Unie van zendingen van eendagskuikens, bestemd voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

niet zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

b)

afkomstig zijn van broedeieren die afkomstig zijn uit koppels die voldoen aan een van de volgende voorschriften:

i)

zij zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle,

of

ii)

zij zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van een geïnactiveerd vaccin,

of

iii)

zij zijn uiterlijk zestig dagen vóór de datum waarop de eieren zijn verzameld, gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, met een levend vaccin;

c)

uit een broederij komen waar de werkmethoden garanderen dat de eieren van de voor binnenkomst in de Unie bestemde eendagskuikens op volledig andere tijdstippen en plaatsen worden uitgebroed dan eieren die niet aan de onder b) vermelde voorschriften voldoen.

AFDELING 2

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR FOK- EN GEBRUIKSPLUIMVEE

Artikel 43

Identificatie van fok- en gebruiksloopvogels

De binnenkomst in de Unie van zendingen loopvogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending individueel geïdentificeerd zijn door middel van halsmerken of een injecteerbare transponder:

a)

met de code van het derde land of gebied van oorsprong volgens ISO-norm 3166, aangegeven met twee letters;

b)

die aan de ISO-normen 11784 en 11785 voldoen.

Artikel 44

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het koppel van oorsprong van zendingen fok- en gebruikspluimvee

De binnenkomst in de Unie van zendingen fok- en gebruikspluimvee wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van koppels die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de koppels zijn niet gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza;

b)

indien de koppels zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

hebben de bevoegde autoriteiten van het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden dat de gebruikte vaccins voldoen aan ofwel

de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

ofwel

de algemene criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor de zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

c)

de koppels hebben een ziektebewakingsprogramma ondergaan dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en er is gebleken dat zij niet waren besmet, of zij vertoonden geen tekenen die besmetting zouden doen vermoeden, wat betreft de volgende ziekteverwekkers:

i)

Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Gallus gallus;

ii)

Salmonella arizonae (serogroep O:18(k)), Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Mycoplasma meleagridis en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Meleagris gallopavo;

iii)

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum in het geval van Numida meleagris, Coturnix coturnix, Phasianus colchicus, Perdix perdix, Anas spp.;

d)

de koppels worden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van een infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae gedurende de laatste twaalf maanden vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

i)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd;

ii)

nadat het in punt i) bedoelde besmette koppel is geslacht of gedood, is de inrichting gereinigd en ontsmet;

iii)

na de in punt ii) bedoelde reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae, bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma;

e)

de koppels worden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) gedurende de laatste twaalf maanden vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

ofwel

i)

het besmette koppel is met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) bij twee tests die overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma met een tussenpoos van ten minste zestig dagen op het hele koppel zijn verricht,

ofwel

ii)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd, de inrichting is gereinigd en ontsmet en na de reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma.

AFDELING 3

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR PLUIMVEE DAT BESTEMD IS VOOR DE SLACHT

Artikel 45

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het koppel van oorsprong van zendingen pluimvee dat bestemd is voor de slacht

De binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee dat bestemd is voor de slacht, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van koppels die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn niet gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza;

b)

indien zij zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden dat:

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

of

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor elke zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt.

AFDELING 4

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR EENDAGSKUIKENS

Artikel 46

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de koppels van oorsprong van zendingen eendagskuikens

De binnenkomst in de Unie van zendingen eendagskuikens wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van koppels die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

indien de koppels zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza, zijn door het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden voor de naleving van de minimumvoorschriften voor vaccinatieprogramma’s en aanvullende bewaking zoals vastgesteld in bijlage XIII;

b)

indien de koppels zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden dat de gebruikte vaccins voldoen aan ofwel

de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

ofwel

de algemene criteria voor erkende vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee en de broedeieren waaruit de eendagskuikens afkomstig zijn, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor elke zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

c)

de koppels hebben een ziektebewakingsprogramma ondergaan dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en er is gebleken dat zij niet waren besmet, of zij vertoonden geen tekenen die besmetting zouden doen vermoeden, wat betreft de volgende ziekteverwekkers:

i)

Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Gallus gallus;

ii)

Salmonella arizonae (serogroep O:18(k)), Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Mycoplasma meleagridis en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Meleagris gallopavo;

iii)

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum in het geval van Numida meleagris, Coturnix coturnix, Phasianus colchicus, Perdix perdix, Anas spp.;

d)

de koppels worden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van een infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae gedurende de laatste twaalf maanden vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

i)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd;

ii)

nadat het in punt i) bedoelde besmette koppel is geslacht of gedood, is de inrichting gereinigd en ontsmet;

iii)

na de in punt ii) bedoelde reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae, bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma;

e)

de koppels worden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) gedurende de laatste twaalf maanden vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

ofwel

i)

het besmette koppel is met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) bij twee tests die overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma met een tussenpoos van ten minste zestig dagen op het hele koppel zijn verricht,

ofwel

ii)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd, de inrichting is gereinigd en ontsmet en na de reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma.

Artikel 47

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de broedeieren van oorsprong van zendingen eendagskuikens

De binnenkomst in de Unie van zendingen eendagskuikens wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn uit broedeieren die:

a)

voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie zoals vastgesteld in deel III, titel 2;

b)

voordat zij naar de broederij zijn verzonden, zijn gemerkt volgens de instructies van de bevoegde autoriteit;

c)

zijn ontsmet volgens de instructies van de bevoegde autoriteit;

d)

geen contact hebben gehad met pluimvee of broedeieren met een lagere gezondheidsstatus, in gevangenschap levende vogels of in het wild levende vogels, noch tijdens het vervoer naar de broederij noch in de broederij.

Artikel 48

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor eendagskuikens

De binnenkomst in de Unie van zendingen eendagskuikens wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending niet tegen aviaire influenza zijn gevaccineerd.

AFDELING 5

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR MINDER DAN TWINTIG STUKS PLUIMVEE

Artikel 49

Afwijking en specifieke voorschriften voor zendingen van minder dan twintig stuks ander pluimvee dan loopvogels

In afwijking van artikel 14, lid 3, en de artikelen 17, 18, 40, 41 en 43 tot en met 48 wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen die minder dan twintig stuks ander pluimvee dan loopvogels bevatten, toegestaan mits dergelijke zendingen aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

het pluimvee is afkomstig van inrichtingen waar:

i)

gedurende de periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie of de datum van verzameling van de broedeieren waaruit de eendagskuikens zijn verkregen, geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen;

ii)

zich binnen een straal van tien kilometer rond de inrichting, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

b)

het pluimvee of, in het geval van eendagskuikens, het koppel van oorsprong van de eendagskuikens, is gedurende een periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie in de inrichting van oorsprong geïsoleerd;

c)

wat vaccinatie tegen hoogpathogene aviaire influenza betreft:

i)

is het pluimvee niet gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza;

ii)

indien de ouderkoppels van de eendagskuikens zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza, zijn door het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden voor de naleving van de minimumvoorschriften voor vaccinatieprogramma’s en aanvullende bewaking zoals vastgesteld in bijlage XIII;

d)

indien het pluimvee of het ouderkoppel van de eendagskuikens zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties geboden dat de gebruikte vaccins voldoen aan ofwel

de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

ofwel

de algemene criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor elke zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

e)

bij tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften voor het testen van zendingen van minder dan twintig stuks ander pluimvee dan loopvogels en minder dan twintig broedeieren daarvan vóór hun binnenkomst in de Unie, zoals opgenomen in bijlage XVII, is gebleken dat het pluimvee of, in het geval van eendagskuikens, het koppel van oorsprong van de eendagskuikens, niet waren besmet, of zij vertoonden geen tekenen die besmetting zouden doen vermoeden, wat betreft de volgende ziekteverwekkers:

i)

Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Gallus gallus;

ii)

Salmonella arizonae (serogroep O:18(k)), Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Mycoplasma meleagridis en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Meleagris gallopavo;

iii)

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum in het geval van Numida meleagris, Coturnix coturnix, Phasianus colchicus, Perdix perdix, Anas spp.

AFDELING 6

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HET VERPLAATSEN VAN EN WERKEN MET PLUIMVEE NA BINNENKOMST IN DE UNIE

Artikel 50

Verplichtingen van de exploitanten in de inrichting van bestemming na de binnenkomst in de Unie van zendingen pluimvee

1.   Exploitanten in de inrichting van bestemming houden fokpluimvee, gebruikspluimvee, met uitzondering van gebruikspluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, en eendagskuikens die uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie zijn binnengekomen, vanaf de dag van aankomst in de inrichtingen van bestemming gedurende een ononderbroken periode van ten minste:

a)

zes weken,

of

b)

tot de dag van de slacht, wanneer de dieren binnen zes weken na de datum van aankomst worden geslacht.

2.   In het geval van ander pluimvee dan loopvogels kan de in lid 1, onder a), vastgestelde periode van zes weken tot drie weken worden verkort, mits op verzoek van de exploitant de bemonstering en tests overeenkomstig artikel 51, onder b), met gunstig resultaat zijn verricht.

3.   De exploitanten in de inrichting van bestemming zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde pluimvee uiterlijk op de datum waarop de desbetreffende in dat lid vastgestelde perioden verstrijken, wordt onderworpen aan een door een officiële dierenarts in de inrichting van bestemming uitgevoerde klinische inspectie.

4.   Gedurende de in lid 1 bedoelde perioden houden de exploitanten pluimvee dat uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie is binnengekomen, gescheiden van andere koppels pluimvee.

5.   Wanneer het in lid 1 bedoelde pluimvee in hetzelfde koppel wordt geplaatst als ander pluimvee dat in de inrichting van bestemming aanwezig is, gaan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde perioden in vanaf de datum waarop de laatste vogel in de inrichting van bestemming is binnengebracht, en wordt er geen pluimvee uit het koppel verplaatst voordat die perioden zijn verstreken.

Artikel 51

Verplichting voor de bevoegde autoriteiten om zendingen pluimvee na binnenkomst in de Unie te bemonsteren en te testen

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming zorgt ervoor dat:

a)

gedurende de in artikel 50, lid 1, bedoelde perioden, fokpluimvee, gebruikspluimvee, met uitzondering van gebruikspluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, en eendagskuikens die uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie zijn binnengekomen, uiterlijk op de datum waarop de in dat artikel bedoelde perioden verstrijken, worden onderworpen aan een door een officiële dierenarts in de inrichting van bestemming uitgevoerde klinische inspectie en, indien nodig, worden bemonsterd voor tests om hun gezondheidsstatus te monitoren;

b)

in het geval van ander pluimvee dan loopvogels en wanneer hier door de exploitant om wordt verzocht, zoals bedoeld in artikel 50, lid 2, worden overeenkomstig bijlage XVIII bemonstering en tests uitgevoerd op ander pluimvee dan loopvogels.

Artikel 52

Verplichting voor de bevoegde autoriteiten met betrekking tot bemonstering en tests na de binnenkomst in de Unie van zendingen loopvogels die afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming ziet erop toe dat fokloopvogels, productieloopvogels en eendagskuikens van loopvogels die de Unie zijn binnengekomen uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, gedurende de in artikel 50, lid 1, bedoelde perioden:

a)

worden onderworpen aan een test voor de opsporing van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle die door de bevoegde autoriteit wordt uitgevoerd op cloacaswabs of fecesmonsters van elke loopvogel;

b)

in het geval van zendingen loopvogels die bestemd zijn voor lidstaten met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, en die afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, worden de vogels, naast de onder a) bedoelde voorschriften, onderworpen aan een serologische test op infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, die door de bevoegde autoriteit op elke loopvogel wordt uitgevoerd;

c)

alle loopvogels moeten met negatief resultaat zijn onderworpen aan de onder a) en b) bedoelde tests voordat hun isolatie wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 2

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor in gevangenschap levende vogels

AFDELING 1

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS

Artikel 53

Voorschriften met betrekking tot de identificatie van in gevangenschap levende vogels

De binnenkomst in de Unie van zendingen van in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending zijn geïdentificeerd door een individueel identificatienummer met behulp van een individueel gemerkte naadloze, gesloten pootring of een injecteerbare transponder, die ten minste de volgende gegevens bevat:

a)

de code van het derde land of gebied van oorsprong volgens ISO-norm 3166, aangegeven met twee letters;

b)

een uniek volgnummer.

Artikel 54

Specifieke preventiemaatregelen voor de laadkisten waarin in gevangenschap levende vogels worden vervoerd

De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan als die zendingen zijn vervoerd in laadkisten die, naast de voorschriften van artikel 18 met betrekking tot laadkisten, aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij worden gesloten overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong om elke mogelijkheid tot vervanging van de inhoud te vermijden;

b)

de in bijlage XVI vermelde gegevens voor de specifieke soort en categorie vogels zijn erop vermeld;

c)

zij worden voor het eerst gebruikt.

Artikel 55

Voorschriften met betrekking tot de inrichting van oorsprong van de zending in gevangenschap levende vogels

De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van een inrichting die aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

zij is door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong erkend als zijnde in overeenstemming met de specifieke diergezondheidsvoorschriften van artikel 56 en die erkenning is niet opgeschort of ingetrokken;

b)

zij heeft van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong een uniek erkenningsnummer toegewezen gekregen, waarvan de Commissie in kennis is gesteld;

c)

de naam en het erkenningsnummer van de inrichting van oorsprong zijn vermeld in een door de Commissie opgestelde en gepubliceerde lijst van inrichtingen;

d)

binnen een straal van tien kilometer rond de inrichting, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, hebben zich gedurende een periode van ten minste de dertig dagen voorafgaande aan de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle voorgedaan;

e)

in het geval van papegaaiachtigen:

i)

is aviaire chlamydiose gedurende een periode van ten minste de zestig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie niet in de inrichting bevestigd en, indien gedurende de laatste zes maanden vóór de datum van laden voor verzending naar de Unie aviaire chlamydiose in de inrichting is bevestigd, zijn de volgende maatregelen toegepast:

besmette vogels en vogels die waarschijnlijk besmet zijn, zijn behandeld;

na voltooiing van de behandeling zijn zij negatief bevonden in laboratoriumtests op aviaire chlamydiose;

na voltooiing van de behandeling is de inrichting gereinigd en ontsmet;

er zijn ten minste zestig dagen verstreken sinds de voltooiing van de in het derde streepje bedoelde reiniging en ontsmetting,

of

ii)

zijn de dieren gedurende de laatste 45 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie onder veterinair toezicht gehouden en behandeld tegen aviaire chlamydiose.

Artikel 56

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor de erkenning, de handhaving van de erkenning en de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van de inrichtingen van oorsprong van de zendingen in gevangenschap levende vogels

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend, zoals bedoeld in artikel 55, en die voldoen aan de volgende voorschriften van bijlage XIX:

a)

punt 1, inzake biobeveiligingsmaatregelen;

b)

punt 2, inzake voorzieningen en uitrusting;

c)

punt 3, inzake documentatie;

d)

punt 4, inzake personeel;

e)

punt 5, inzake gezondheidsstatus.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn van inrichtingen die onder toezicht staan van een officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied, en die:

a)

erop toeziet dat aan de voorwaarden van dit artikel wordt voldaan;

b)

de gebouwen van de inrichting ten minste één keer per jaar bezoekt;

c)

een audit instelt naar de werkzaamheden van de dierenarts van de inrichting en naar de uitvoering van het jaarlijkse ziektebewakingsprogramma;

d)

verifieert dat de resultaten van de klinische, post-mortem- en laboratoriumtests op de dieren niet wijzen op de aanwezigheid van hoogpathogene aviaire influenza, infectie met het virus van de ziekte van Newcastle of aviaire chlamydiose.

3.   De erkenning van een inrichting met in gevangenschap levende vogels wordt opgeschort of ingetrokken indien die inrichting niet langer voldoet aan de voorwaarden van de leden 1 en 2, of wanneer het gebruik is gewijzigd, zodanig dat zij niet langer uitsluitend voor in gevangenschap levende vogels wordt gebruikt.

4.   De erkenning van een inrichting met in gevangenschap levende vogels wordt opgeschort wanneer de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied een kennisgeving van het vermoeden van hoogpathogene aviaire influenza, infectie met het virus van de ziekte van Newcastle of aviaire chlamydiose heeft ontvangen, en totdat het vermoeden officieel is uitgesloten. Na de kennisgeving van het vermoeden moeten de nodige maatregelen worden genomen om het vermoeden te bevestigen of uit te sluiten en de verspreiding van de ziekte te voorkomen, overeenkomstig de voorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687.

5.   Wanneer de goedkeuring van een inrichting is opgeschort of ingetrokken, wordt de inrichting opnieuw erkend, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de ziekte en de besmettingsbron zijn uitgeroeid;

b)

alle besmette inrichtingen zijn naar behoren gereinigd en ontsmet;

c)

de inrichting voldoet aan de voorwaarden van lid 1.

6.   De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan wanneer het derde land of gebied van oorsprong zich ertoe heeft verbonden de Commissie in kennis te stellen van de opschorting, intrekking of herverlening van de erkenning van elke inrichting.

Artikel 57

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor in gevangenschap levende vogels

De binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

niet zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza;

b)

zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, en de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties heeft geboden dat de gebruikte vaccins aan de in bijlage XV, punt 1, vastgestelde algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle voldoen;

c)

binnen een periode van 7 tot 14 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie met negatief resultaat zijn onderworpen aan een test voor de opsporing van hoogpathogene aviaire influenza en infectie met het virus van de ziekte van Newcastle.

Artikel 58

Voorschriften met betrekking tot de binnenkomst van zendingen in gevangenschap levende vogels in lidstaten met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

De binnenkomst in de Unie van zendingen van in gevangenschap levende vogels van Galliformes-soorten, bestemd voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending:

a)

niet zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

b)

gedurende een periode van ten minste 14 dagen vóór de datum van het laden van de zending voor verzending naar de Unie geïsoleerd zijn gehouden in de inrichting van oorsprong of in een quarantaine-inrichting in het derde land of gebied van oorsprong onder toezicht van een officiële dierenarts, waar:

i)

gedurende de periode van 21 dagen voorafgaand aan de datum van verzending van de zending geen vogel is gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

geen enkele vogel die niet voor de zending was bestemd, gedurende die periode in de inrichting is gekomen;

iii)

in de quarantaine-inrichting geen vaccinatie is uitgevoerd;

c)

gedurende een periode van 14 dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie met negatief resultaat zijn onderworpen aan serologische tests voor het aantonen van de aanwezigheid van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op een aantal bloedmonsters dat het mogelijk maakt met een betrouwbaarheid van 95 % besmetting te detecteren bij een prevalentie van 5 %.

AFDELING 2

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HET VERPLAATSEN VAN EN WERKEN MET IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS NA BINNENKOMST IN DE UNIE

Artikel 59

Voorschriften met betrekking tot het verplaatsen van in gevangenschap levende vogels na binnenkomst in de Unie

Na binnenkomst in de Unie worden zendingen in gevangenschap levende vogels onverwijld en rechtstreeks vervoerd naar een overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 erkende quarantaine-inrichting, en wel als volgt:

a)

de totale reis van het punt van binnenkomst in de Unie tot de quarantaine-inrichting mag niet meer dan negen uur duren;

b)

de voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van de zending naar de quarantaine-inrichting, moeten door de bevoegde autoriteit zo worden verzegeld dat vervanging van de inhoud onmogelijk is.

Artikel 60

Verplichting van de exploitanten in de quarantaine-inrichting na de binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels

De exploitanten van de quarantaine-inrichting voor in gevangenschap levende vogels, zoals bedoeld in artikel 59:

a)

houden in gevangenschap levende vogels gedurende een periode van ten minste dertig dagen in quarantaine;

b)

zorgen er, indien verklikkervogels worden gebruikt voor onderzoeks-, bemonsterings- en testprocedures, voor dat:

i)

in elke eenheid van de quarantaine-inrichting een minimumaantal van tien verklikkervogels wordt gebruikt;

ii)

zij ten minste drie weken oud zijn en slechts één keer voor die doeleinden worden gebruikt;

iii)

zij van een identificatiering aan de poot of een ander niet-afneembaar identificatiemerk zijn voorzien;

iv)

zij niet gevaccineerd zijn en binnen een periode van 14 dagen vóór de begindatum van de quarantaine seronegatief zijn bevonden voor hoogpathogene aviaire influenza en infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

v)

zij in de erkende quarantaine-inrichting worden geplaatst vóór de aankomst van de in gevangenschap levende vogels in het gemeenschappelijke luchtruim en zo dicht mogelijk bij de in gevangenschap levende vogels, zodat nauw contact is gewaarborgd tussen de verklikkervogels en de uitwerpselen van de in gevangenschap levende vogels die in quarantaine zijn geplaatst;

vi)

de in gevangenschap levende vogels slechts uit quarantaine worden vrijgegeven na schriftelijke toestemming van een officiële dierenarts.

Artikel 61

Verplichting van de bevoegde autoriteiten na de binnenkomst in de Unie van zendingen in gevangenschap levende vogels

Na de aankomst van de in gevangenschap levende vogels in de in artikel 59 bedoelde quarantaine-inrichting:

a)

inspecteert de bevoegde autoriteit de quarantaineomstandigheden, met inbegrip van een onderzoek van de sterftegegevens en een klinische inspectie van de in gevangenschap levende vogels, ten minste aan het begin en aan het einde van de quarantaineperiode;

b)

onderwerpt zij de in gevangenschap levende vogels aan tests op hoogpathogene aviaire influenza en infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig de in bijlage XX opgenomen onderzoeks-, bemonsterings- en testprocedures.

AFDELING 3

AFWIJKINGEN VAN DE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS EN VOOR HET VERPLAATSEN VAN EN WERKEN MET DIE VOGELS NA BINNENKOMST IN DE UNIE

Artikel 62

Afwijking van diergezondheidsvoorschriften voor in gevangenschap levende vogels die afkomstig zijn uit bepaalde derde landen of gebieden

In afwijking van de voorschriften van deel I, artikelen 3 tot en met 10, met uitzondering van artikel 3, onder a), i), de artikelen 11 tot en met 19 en de artikelen 53 tot en met 61, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen van in gevangenschap levende vogels die niet aan die voorschriften voldoen, toegestaan indien zij afkomstig zijn uit derde landen of gebieden die specifiek in de lijst zijn opgenomen voor binnenkomst in de Unie van in gevangenschap levende vogels op basis van gelijkwaardige garanties.

TITEL 4

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HONINGBIJEN EN HOMMELS

HOOFDSTUK 1

Algemene diergezondheidsvoorschriften voor honingbijen en hommels

Artikel 63

Toegelaten categorieën bijen

Alleen de binnenkomst in de Unie van zendingen van de volgende categorieën bijen wordt toegestaan:

a)

honingbijenkoninginnen,

b)

hommels.

Artikel 64

Verzending naar de Unie van honingbijen en hommels

De binnenkomst in de Unie van zendingen honingbijenkoninginnen en hommels wordt alleen toegestaan indien zij aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

het verpakkingsmateriaal en de koninginnenkasten die gebruikt worden voor de verzending van de honingbijen en hommels naar de Unie moeten:

i)

nieuw zijn;

ii)

niet in contact zijn geweest met bijen en raten die broed bevatten;

iii)

zijn onderworpen aan alle voorzorgsmaatregelen om besmetting met pathogenen die ziekten van honingbijen of hommels veroorzaken, te voorkomen.

b)

het voeder dat de honingbijen en hommels vergezelt, moet vrij zijn van pathogenen die hen ziek kunnen maken;

c)

het verpakkingsmateriaal en de begeleidende producten moeten vóór verzending naar de Unie een visueel onderzoek hebben ondergaan om te voorkomen dat zij een gevaar voor de diergezondheid opleveren en zij bevatten geen:

i)

in het geval van honingbijen, Aethina tumida (kleine kastkever) en de Tropilaelaps-mijt in alle levensfasen;

ii)

in het geval van hommels, Aethina tumida (kleine kastkever), in alle levensfasen.

HOOFDSTUK 2

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor honingbijenkoninginnen

Artikel 65

De bijenstal van herkomst van honingbijenkoninginnen

De binnenkomst in de Unie van zendingen honingbijenkoninginnen wordt alleen toegestaan indien de honingbijen van de zending afkomstig zijn van een bijenstal die is gelegen in een gebied:

a)

met een straal van ten minste honderd kilometer, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een aangrenzend derde land:

i)

waar geen infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) of infestatie met Tropilaelaps spp. is gemeld;

ii)

waar geen beperkingen gelden in verband met een vermoeden, een geval of een uitbraak van de in punt i) bedoelde ziekten;

b)

met een straal van ten minste drie kilometer, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een aangrenzend derde land:

i)

waar gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen melding van Amerikaans vuilbroed is gemaakt;

ii)

waar gedurende de in punt i) bedoelde periode geen beperkingen gelden in verband met een vermoeden of een bevestigd geval van Amerikaans vuilbroed;

iii)

waar, indien zich vóór de in punt i) bedoelde periode een bevestigd geval van Amerikaans vuilbroed had voorgedaan, alle bijenkasten vervolgens door de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied van oorsprong werden gecontroleerd en alle besmette bijenkasten werden behandeld en daarna met gunstig resultaat werden geïnspecteerd binnen een periode van dertig dagen na de datum van het laatste geconstateerde geval van die ziekte.

Artikel 66

De bijenkast van oorsprong van honingbijenkoninginnen

De binnenkomst in de Unie van zendingen van bijenkoninginnen wordt alleen toegestaan indien de honingbijen van de zending afkomstig zijn van bijenkasten waarvan monsters van de raat met negatief resultaat op Amerikaans vuilbroed zijn getest binnen de periode van dertig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie.

Artikel 67

De zending honingbijenkoninginnen

De binnenkomst in de Unie van zendingen van honingbijenkoninginnen worden alleen toegestaan indien deze zendingen in gesloten kooien zitten, elk met één honingbijenkoningin met maximaal twintig begeleidende voedsters.

Artikel 68

Aanvullende garanties voor honingbijenkoninginnen die bestemd zijn voor bepaalde lidstaten of zones wat betreft infestatie met Varroa spp. (varroase)

De binnenkomst in de Unie van zendingen honingbijenkoninginnen die bestemd zijn voor een lidstaat of zone met de ziektevrije status ten aanzien van infestatie met Varroa spp. (varroase), wordt alleen toegestaan indien dergelijke zendingen aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de honingbijen van de zending moeten afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, die vrij is van infestatie met Varroa spp. (varroase);

b)

in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, is gedurende een periode van dertig dagen vóór de datum van het laden voor verzending naar de Unie geen melding gemaakt van infestatie met Varroa spp. (varroase);

c)

alle voorzorgsmaatregelen zijn genomen om besmetting van de zending met Varroa spp. tijdens het laden en de verzending naar de Unie te vermijden.

HOOFDSTUK 3

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor hommels

Artikel 69

De inrichting van oorsprong van hommels

De binnenkomst in de Unie van zendingen hommels wordt alleen toegestaan indien de hommels van de zending:

a)

zijn gefokt en gehouden in een ecologisch geïsoleerde productie-inrichting voor hommels:

i)

die over voorzieningen beschikt om ervoor te zorgen dat de productie van hommels plaatsvindt in een gebouw dat vrij is van vliegende insecten;

ii)

die over voorzieningen en uitrusting beschikt om ervoor te zorgen dat de hommels gedurende het hele productieproces verder worden geïsoleerd in afzonderlijke epidemiologische eenheden en per kolonie in gesloten laadkisten binnen het gebouw;

iii)

waar het pollen gedurende de volledige productie in de voorzieningen geïsoleerd van de hommels wordt opgeslagen en gehanteerd tot het aan de hommels wordt vervoederd;

iv)

die over standaardbedrijfsprocedures beschikt om te voorkomen dat de kleine kastkever de inrichting kan binnenkomen en om regelmatig onderzoek te doen naar de aanwezigheid van de kleine kastkever in de inrichting;

b)

binnen de onder a) bedoelde inrichting moeten de hommels afkomstig zijn van een epidemiologische eenheid waarin geen infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) is geconstateerd.

Artikel 70

De zending hommels

De binnenkomst in de Unie van zendingen hommels wordt alleen toegestaan indien deze zendingen naar de Unie zijn verzonden in gesloten laadkisten, die elk een kolonie van ten hoogste tweehonderd volwassen hommels bevatten, met of zonder een koningin.

HOOFDSTUK 4

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het na binnenkomst werken met honingbijenkoninginnen en hommels

Artikel 71

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het na binnenkomst werken met honingbijenkoninginnen en hommels

1.   Na binnenkomst in de Unie mogen de bijenkoninginnen niet worden binnengebracht in plaatselijke kolonies, tenzij zij overeenkomstig lid 2 met de toestemming en, in voorkomend geval, onder rechtstreeks toezicht van de bevoegde autoriteit uit de transportkooi naar nieuwe kooien worden overgebracht.

2.   Na de in lid 1 bedoelde overbrenging naar nieuwe kooien moeten de transportkooien, de voedsters en het andere materiaal dat de bijenkoninginnen vanuit het derde land van oorsprong vergezelde, bij een officieel laboratorium worden ingediend om de aanwezigheid van Aethina Tumida (kleine kastkever), met inbegrip van eitjes en larven, en elk teken van de Tropilaelaps-mijt uit te sluiten.

3.   De exploitanten die hommels ontvangen, vernietigen de laadkist en het verpakkingsmateriaal dat hen vanuit het derde land of gebied van oorsprong heeft vergezeld, maar mogen ze tot het einde van de levensduur van de kolonie houden in de laadkist waarin zij de Unie zijn binnengekomen.

Artikel 72

Specifiek verplichtingen voor de bevoegde autoriteiten in de lidstaten

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van de plaats van bestemming van zendingen bijen of hommels:

a)

houdt toezicht op de overbrenging vanuit de transportkooi naar de nieuwe kooien zoals bedoeld in artikel 71, lid 1;

b)

zorgt ervoor dat de exploitant de in artikel 71, lid 2, bedoelde materialen inlevert;

c)

zorgt ervoor dat het in artikel 71, lid 2, bedoelde officiële laboratorium over regelingen beschikt om de kooien, de voedsters en het materiaal te vernietigen na het in die bepaling bedoelde laboratoriumonderzoek.

TITEL 5

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN HONDEN, KATTEN EN FRETTEN

Artikel 73

Verzending van de honden, katten en fretten naar de Unie

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten wordt alleen toegestaan indien deze zendingen vanuit de inrichting van oorsprong naar de Unie zijn verzonden zonder door een andere inrichting te worden gevoerd.

2.   In afwijking van lid 1 kan de binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten uit meer dan één inrichting van oorsprong worden toegelaten indien de dieren van de zending in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, één keer zijn verzameld, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de verzameling vond plaats in een inrichting:

i)

die door de bevoegde autoriteit in het derde land of gebied voor de verzameling van honden, katten en fretten is erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

ii)

die van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied een uniek erkenningsnummer toegewezen heeft gekregen;

iii)

die daartoe door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van verzending in de lijst is opgenomen, met inbegrip van de informatie zoals bedoeld in artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

iv)

waar de volgende gegevens gedurende een periode van ten minste drie jaar worden bijgehouden:

de oorsprong van de dieren;

de data van aankomst in en verzending uit het verzamelcentrum;

de identificatiecode van de dieren;

het registratienummer van de inrichting van oorsprong va het dier;

het registratienummer van de vervoerders en het vervoermiddel waarmee de zending hoefdieren in dat centrum wordt geleverd of uit dat centrum wordt opgehaald;

b)

de verzameling in het verzamelcentrum duurde niet langer dan zes dagen; deze periode wordt beschouwd als deel van het tijdsbestek voor de bemonstering voor tests voorafgaand aan de verzending naar de Unie, indien een dergelijke bemonstering krachtens deze verordening vereist is;

c)

De dieren moeten binnen een periode van tien dagen na de datum van verzending uit de inrichting van oorsprong in de Unie zijn aangekomen.

Artikel 74

Identificatie van honden, katten en fretten

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending individueel zijn geïdentificeerd door middel van een injecteerbare transponder die is geïmplanteerd door een dierenarts die voldoet aan de technische voorschriften voor identificatiemiddelen van dieren zoals vastgesteld in door de Commissie krachtens artikel 120 van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde uitvoeringshandelingen.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde geïmplanteerde injecteerbare transponder niet aan de in dat lid bedoelde technische specificaties voldoet, verstrekt de exploitant die verantwoordelijk is voor de binnenkomst in de Unie van de zending het leesapparaat dat het mogelijk maakt de individuele identificatie van het dier op elk moment te verifiëren.

Artikel 75

Het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van honden, katten en fretten

De binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar voorschriften inzake de preventie en bestrijding van infectie met het rabiësvirus van kracht zijn en op doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd om het risico op besmetting van honden, katten en fretten tot een minimum te beperken, met inbegrip van voorschriften inzake de invoer van die soorten uit andere derde landen of gebieden.

Artikel 76

Honden, katten en fretten

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten wordt alleen toegestaan indien de dieren van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij hebben een vaccinatie tegen infectie met het rabiësvirus ontvangen die aan de volgende voorwaarden voldoet:

i)

de dieren moeten ten tijde van de vaccinatie ten minste twaalf weken oud zijn;

ii)

het vaccin moet voldoen aan de voorschriften van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (21);

iii)

op de dag van verzending naar de Unie moeten ten minste 21 dagen zijn verstreken sinds de voltooiing van de primaire vaccinatie tegen infectie met het rabiësvirus;

iv)

aan het in artikel 3, lid 1, onder c), i), bedoelde diergezondheidscertificaat moet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de vaccinatiegegevens worden gehecht;

b)

zij moeten een geldige titreringstest op rabiësantilichamen hebben ondergaan overeenkomstig bijlage XXI, punt 1.

2.   In afwijking van lid 1, onder b), wordt toegestaan dat honden, katten en fretten die afkomstig zijn uit derde landen of gebieden, of zones daarvan, dat/die zijn opgenomen in de lijst van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie (22), de Unie binnenkomen zonder aan de titreringstest op rabiës te worden onderworpen.

3.   De binnenkomst van zendingen honden in een lidstaat met de ziektevrije status ten aanzien van Echinococcus multilocularis of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor besmetting met die ziekte wordt toegestaan, indien de dieren van de zending tegen deze besmetting zijn behandeld overeenkomstig bijlage XXI, deel 2.

Artikel 77

Vrijstelling voor honden, katten en fretten die zijn bestemd voor een geconsigneerde of een quarantaine-inrichting

In afwijking van artikel 76 wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen honden, katten en fretten die niet voldoen aan de voorschriften met betrekking tot vaccinatie tegen rabiës en de voorschriften inzake besmetting met Echinococcus multilocularis, toegestaan mits die zendingen bestemd zijn om rechtstreeks binnen te komen in:

a)

een geconsigneerde inrichting,

of

b)

een erkende quarantaine-inrichting in de lidstaat van bestemming.

Artikel 78

Na binnenkomst in de Unie verplaatsen van en werken met honden, katten en fretten die bestemd zijn voor een geconsigneerde of quarantaine-inrichting

1.   Zendingen honden, katten en fretten die bestemd zijn voor een geconsigneerde inrichting in de Unie, worden gedurende een periode van ten minste zestig dagen na de datum van hun binnenkomst in de Unie in de geconsigneerde inrichting van bestemming gehouden.

2.   Zendingen honden, katten en fretten die zijn bestemd om rechtstreeks in een erkende quarantaine-inrichting binnen te komen, zoals bedoeld in artikel 77, onder b), worden in die inrichting gehouden gedurende een periode van:

a)

ten minste zes maanden na de datum van aankomst van de dieren in het geval van niet-naleving van de in artikel 76, lid 1, bedoelde voorschriften voor vaccinatie tegen infectie met het rabiësvirus,

of

b)

in het geval van honden die niet voldoen aan de in artikel 76, lid 3, bedoelde voorschriften voor besmetting met Echinococcus multilocularis, 24 uur na een behandeling tegen Echinococcus multilocularis overeenkomstig bijlage XXI, punt 2.

DEEL III

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN LEVENDE PRODUCTEN ZOALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 3 EN 5

TITEL 1

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR LEVENDE PRODUCTEN VAN HOEFDIEREN

HOOFDSTUK 1

Algemene diergezondheidsvoorschriften voor levende producten van hoefdieren

Artikel 79

Het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die afkomstig zijn uit derde landen of gebieden die aan de diergezondheidsvoorschriften van artikel 22 voldoen.

Artikel 80

De verblijfsduur van donordieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die:

a)

gedurende een periode van ten minste zes maanden vóór de datum van de winning in een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie levende producten;

b)

gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van de eerste winning van de levende producten en gedurende de winningsperiode:

i)

zijn gehouden in inrichtingen die niet gelegen zijn in een beperkingszone die is ingesteld wegens de aanwezigheid bij runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen van een ziekte van categorie A of van een voor die runderen, varkens, schapen, geiten of paardachtigen relevante nieuwe ziekte;

ii)

zijn gehouden in één inrichting waar geen melding is gemaakt van voor runderen, varkens, schapen, geiten of paardachtigen relevante ziekten van categorie D;

iii)

geen contact hebben gehad met dieren van inrichtingen die gelegen zijn in een beperkingszone zoals bedoeld in punt i), of van inrichtingen zoals bedoeld in punt ii);

iv)

niet zijn gebruikt voor natuurlijke dekking.

Artikel 81

Identificatie van donordieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die overeenkomstig artikel 21 zijn geïdentificeerd.

Artikel 82

Inrichtingen voor levende producten

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien zij zijn verzonden vanuit erkende inrichtingen voor levende producten die door de bevoegde autoriteiten van in de lijst opgenomen derde landen of gebied, of zones daarvan, in de lijst zijn opgenomen.

2.   De binnenkomst in de Unie van levende producten wordt alleen toegestaan vanuit erkende inrichtingen voor levende producten zoals bedoeld in lid 1, die voldoen aan de volgende voorschriften zoals vastgesteld in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686:

a)

deel 1 van die bijlage, waar het een spermawinningscentrum betreft;

b)

deel 2 van die bijlage, waar het een embryoteam betreft;

c)

deel 3 van die bijlage, waar het een embryoproductieteam betreft;

d)

deel 4 van die bijlage, waar het een verwerkingsinrichting voor levende producten betreft;

e)

deel 5 van die bijlage, waar het een opslagcentrum voor levende producten betreft.

Artikel 83

Levende producten

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien die levende producten aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn zodanig gemerkt dat de volgende gegevens gemakkelijk kunnen worden vastgesteld:

i)

de datum van winning of productie van die levende producten;

ii)

de soort en de identificatie van de donordieren;

iii)

het unieke erkenningsnummer, met vermelding van de alpha-2-lettercode volgens ISO 3166-1 van het land waar de erkenning is verleend;

iv)

alle overige relevante gegevens;

b)

zij voldoen aan diergezondheidsvoorschriften voor de winning, de verwerking, de opslag en het vervoer zoals vastgesteld in bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686.

Artikel 84

Het vervoer van levende producten

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen wordt alleen toegestaan indien:

a)

zij in een laadkist zijn geplaatst die aan de volgende voorschriften voldoet:

i)

zij is verzegeld en genummerd vóór de verzending vanuit de erkende inrichting voor levende producten onder de verantwoordelijkheid van een dierenarts van het centrum of teamdierenarts, of van een officiële dierenarts;

ii)

zij is vóór gebruik gereinigd en ontsmet of gesteriliseerd, of is een laadkist voor eenmalig gebruik;

iii)

zij is gevuld met een cryogeen middel dat niet al voor andere producten was gebruikt;

b)

slechts één type levende producten van één soort in de onder a) bedoelde laadkist is geplaatst.

2.   In afwijking van lid 1, onder b), mag een exploitant sperma, oöcyten en embryo’s van dezelfde soort in één laadkist plaatsen, mits:

a)

rietjes of andere verpakkingen waarin levende producten worden geplaatst, degelijk en hermetisch worden verzegeld;

b)

de levende producten van verschillende typen van elkaar worden gescheiden door fysieke compartimenten of door secundaire beschermende zakken.

3.   In afwijking van lid 1, onder b), mag een exploitant sperma, oöcyten en embryo’s van schapen en geiten in één laadkist plaatsen.

Artikel 85

Aanvullende voorschriften voor het vervoer van sperma

De binnenkomst van zendingen sperma van runderen, varkens, schapen en geiten dat van meer dan één donordier is gewonnen en dat in een enkel rietje of een andere verpakking is geplaatst met het oog op binnenkomst in de Unie, wordt alleen toegestaan indien:

a)

het sperma is gewonnen en verzonden vanuit een enkel spermawinningscentrum waar het is gewonnen;

b)

er procedures van kracht waren voor de verwerking van dat sperma om ervoor te zorgen dat het voldoet aan de merkingsvoorschriften van artikel 83, onder a).

HOOFDSTUK 2

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor levende producten van runderen

Artikel 86

De inrichting van oorsprong van donorrunderen

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die afkomstig zijn van inrichtingen die aan de volgende voorschriften voldoen en indien die dieren voordien nooit zijn gehouden in een inrichting met een lagere gezondheidsstatus:

a)

zij voldoen aan de voorschriften van artikel 23;

b)

in het geval van donordieren van sperma vóór hun toelating tot een quarantainevoorziening, waren zij vrij van de volgende ziekten:

i)

infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

ii)

infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

iii)

enzoötische boviene leukose;

iv)

infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis.

Artikel 87

Afwijkingen van de voorschriften voor de inrichting van oorsprong van donorrunderen

1.   In afwijking van artikel 86, onder b), iii), wordt toegestaan dat zendingen sperma van runderen de Unie binnenkomen indien een donordier afkomstig is uit een inrichting die niet vrij is van enzoötische boviene leukose en:

a)

jonger dan twee jaar is en een nakomeling is van een moederdier dat, nadat het donordier bij het moederdier is weggehaald, met negatief resultaat een serologische test op enzoötische boviene leukose heeft ondergaan,

of

b)

de leeftijd van twee jaar heeft bereikt en met negatief resultaat een serologische test op enzoötische boviene leukose heeft ondergaan.

2.   In afwijking van artikel 86, onder b), iii), wordt toegestaan dat zendingen van oöcyten en embryo’s van runderen de Unie binnenkomen indien een donordier afkomstig is uit een inrichting die niet vrij is van enzoötische boviene leukose en dat dier jonger is dan twee jaar, en mits de voor de inrichting van oorsprong verantwoordelijke officiële dierenarts heeft gecertificeerd dat er gedurende een periode van ten minste de voorafgaande drie jaar geen klinische gevallen van enzoötische boviene leukose zijn geweest.

3.   In afwijking van artikel 86, onder b), iv), wordt toegestaan dat zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen de Unie binnenkomen indien een donordier afkomstig is uit een inrichting die niet vrij is van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis, mits:

a)

in het geval van sperma, het dier met negatief resultaat is onderworpen aan een test die is voorgeschreven overeenkomstig bijlage II, deel 1, hoofdstuk I, punt 1, onder b), iv), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

b)

in het geval van oöcyten of embryo’s, de officiële dierenarts die verantwoordelijk is voor de inrichting van oorsprong heeft gecertificeerd dat er gedurende een periode van ten minste de voorafgaande twaalf maanden geen klinisch gevallen van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis zijn geweest.

Artikel 88

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor donorrunderen

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten of embryo’s wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donorrunderen die voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften zoals vastgesteld in bijlage II, deel 1 en deel 5, hoofdstukken I, II en III, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686.

HOOFDSTUK 3

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor levende producten van varkens

Artikel 89

De inrichting van oorsprong van donorvarkens

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van varkens wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die afkomstig zijn van inrichtingen:

a)

die aan de voorschriften van artikel 23 voldoen;

b)

waar, in het geval van donordieren van sperma vóór hun toelating tot een quarantainevoorziening, ten minste in de twaalf voorafgaande maanden geen klinische, serologische, virologische of pathologische tekenen van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky zijn vastgesteld.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma van varkens wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van dieren die:

a)

vóór de toelating ervan tot een quarantainevoorziening, afkomstig waren van inrichtingen die vrij waren van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis overeenkomstig de voorschriften van bijlage II, deel 5, hoofdstuk IV, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

b)

zijn gehouden in een quarantainevoorziening, die op de datum van toelating gedurende ten minste de drie aan die datum voorafgaande maanden vrij was van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

c)

zijn gehouden in een spermawinningscentrum waar geen klinische, serologische, virologische of pathologische tekenen van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky zijn gemeld gedurende een periode van ten minste dertig dagen voorafgaand aan de datum van toelating en ten minste dertig dagen onmiddellijk voorafgaand aan de datum van winning;

d)

zijn gehouden, sinds hun geboorte of ten minste de drie maanden vóór de datum van binnenkomst in de quarantainevoorziening, in een inrichting waar geen dieren zijn gevaccineerd tegen infectie met het abortus blauw-virus en geen infectie met het abortus blauw-virus is vastgesteld binnen die periode.

Artikel 90

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor donorvarkens

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten of embryo’s wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donorvarkens die:

a)

voldoen aan de specifieke diergezondheidsvoorschriften zoals vastgesteld in bijlage II, deel 2 en deel 5, hoofdstukken I, II, III en IV, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686;

b)

niet waren gevaccineerd tegen infectie met het abortus blauw-virus

HOOFDSTUK 4

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor levende producten van schapen en geiten

Artikel 91

De inrichting van oorsprong van donorschapen en -geiten

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van schapen en geiten wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donordieren die:

a)

niet afkomstig zijn van een inrichting en niet in contact zijn gekomen met dieren die afkomstig zijn van een inrichting, in het geval van een gehouden donordier van sperma vóór de toelating ervan tot een quarantainevoorziening, waarvoor verplaatsingsbeperkingen golden in verband met infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis. De voor de inrichting geldende verplaatsingsbeperkingen worden opgeheven na een periode van ten minste 42 dagen na de datum van het slachten en het verwijderen van het laatste met die ziekte besmette of voor die ziekte vatbare dier;

b)

afkomstig zijn van een inrichting die vrij was van infectie met B. abortus, B. melitensis en B. suis en nooit eerder in een inrichting met een lagere status zijn gehouden.

Artikel 92

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor donorschapen en -geiten

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten of embryo’s van schapen en geiten wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donordieren die voldoen aan specifieke diergezondheidsvoorschriften zoals vastgesteld in bijlage II, deel 3 en deel 5, hoofdstukken I, II en III, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686.

HOOFDSTUK 5

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor levende producten van paardachtigen

Artikel 93

De inrichting van oorsprong van donorpaardachtigen

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van paardachtigen wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donordieren die afkomstig zijn van inrichtingen die aan de voorschriften van artikel 23 voldoen.

Artikel 94

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor donorpaardachtigen

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten of embryo’s van paardachtigen wordt alleen toegestaan indien de donordieren van die levende producten voldoen aan de voorschriften van artikel 24, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), en artikel 24, lid 6, van deze verordening, alsmede aan de aanvullende specifieke diergezondheidsvoorschriften zoals vastgesteld in bijlage II, deel 4, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/686.

HOOFDSTUK 6

Bijzondere regels voor levende producten van voor geconsigneerde inrichtingen bestemde hoefdieren

Artikel 95

Voor geconsigneerde inrichtingen in de Unie bestemde levende producten

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van runderen, varkens, schapen, geiten en paardachtigen die worden verzonden uit geconsigneerde inrichtingen in derde landen of gebieden die overeenkomstig artikel 29 in de lijst zijn opgenomen, wordt alleen toegestaan indien zij worden verzonden naar een geconsigneerde inrichting in de Unie, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming is een beoordeling uitgevoerd van de risico’s die verbonden zijn aan de binnenkomst in de Unie van die levende producten;

b)

de donordieren van die levende producten zijn afkomstig van een geconsigneerde inrichting in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, dat/die is opgenomen in een overeenkomstig artikel 29 opgestelde lijst van geconsigneerde inrichtingen van waaruit de binnenkomst van hoefdieren in de Unie kan worden toegestaan;

c)

de levende producten zijn bestemd voor een geconsigneerde inrichting in de Unie, die erkend is overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EU) 2016/429;

d)

de levende producten worden rechtstreeks naar de onder c) bedoelde geconsigneerde inrichting vervoerd.

Artikel 96

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor in geconsigneerde inrichtingen gehouden donordieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen levende producten zoals bedoeld in artikel 95 wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donordieren die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de donordieren waren niet afkomstig van, en zijn niet in contact gekomen met dieren die afkomstig zijn van, een inrichting die gelegen is in een beperkingszone die is ingesteld wegens de aanwezigheid van een ziekte van categorie A of van een voor runderen, varkens, schapen, geiten of paardachtigen relevante nieuwe ziekte;

b)

de donordieren zijn afkomstig van een inrichting waarvoor gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van winning van het sperma, de oöcyten of de embryo’s geen melding is gemaakt van een ziekte van categorie D die relevant is voor runderen, varkens, schapen, geiten of paardachtigen;

c)

de donordieren zijn gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van de winning van sperma, oöcyten of embryo’s, bestemd voor binnenkomst in de Unie, en gedurende de periode van die winning in één geconsigneerde inrichting van oorsprong gebleven;

d)

de donordieren zijn klinisch onderzocht door de voor de activiteiten van de geconsigneerde inrichting verantwoordelijke dierenarts van de inrichting en vertoonden op de dag van de winning van het sperma, de oöcyten of de embryo’s geen ziektesymptomen;

e)

de donordieren zijn gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de eerste winning van sperma, oöcyten of embryo’s, bestemd voor binnenkomst in de Unie, en gedurende de periode van die winning, voor zover mogelijk niet gebruikt voor natuurlijke dekking;

f)

de donordieren worden overeenkomstig artikel 21 geïdentificeerd.

Artikel 97

Voorschriften voor in geconsigneerde inrichtingen verkregen levende producten

De binnenkomst in de Unie van zendingen levende producten zoals bedoeld in artikel 95 wordt alleen toegestaan indien zij:

a)

zijn gemerkt overeenkomstig de in artikel 83, onder a), bedoelde gegevensvereisten;

b)

zijn vervoerd overeenkomstig de artikelen 84 en 85.

TITEL 2

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR BROEDEIEREN VAN PLUIMVEE EN IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS

HOOFDSTUK 1

Diergezondheidsvoorschriften voor broedeieren

Artikel 98

De verblijfsduur

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren wordt alleen toegestaan indien, onmiddellijk vóór de datum van het laden van de broedeieren voor verzending naar de Unie, het koppel van oorsprong van de broedeieren gedurende een ononderbroken periode heeft voldaan aan de in bijlage XXII vastgestelde voorschriften met betrekking tot de verblijfsduur, en het koppel gedurende die tijd:

a)

in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, is gebleven;

b)

in de inrichting van oorsprong is gebleven, en gedurende die periode vóór het laden geen dieren in die inrichting zijn binnengebracht;

c)

geen contact heeft gehad met pluimvee of broedeieren met een lagere gezondheidsstatus of met in gevangenschap levende vogels of in het wild levende vogels.

Artikel 99

Het werken met broedeieren tijdens het vervoer naar de Unie

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren wordt alleen toegestaan indien de levende producten van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de voor binnenkomst in de Unie bestemde broedeieren mogen vanaf het tijdstip van het laden in de inrichting van oorsprong voor verzending naar de Unie tot het tijdstip van aankomst in de Unie niet in contact zijn gekomen met pluimvee, in gevangenschap levende vogels of broedeieren die niet bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie of die een lagere gezondheidsstatus hebben;

b)

de broedeieren mogen niet zijn vervoerd, uitgeladen of verplaatst naar een ander vervoermiddel bij het vervoer over de weg, over zee of door de lucht via een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie broedeieren.

Artikel 100

Afwijking en aanvullende voorschriften voor de overlading van broedeieren in het geval van een incident met het vervoermiddel voor vervoer over water of door de lucht

In afwijking van artikel 99, onder b), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren die van het oorspronkelijke vervoermiddel van verzending zijn overgeladen op een ander vervoermiddel om verder te worden vervoerd in een derde land of gebied, of zone daarvan, dat/die niet in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van broedeieren, alleen toegestaan indien die overlading heeft plaatsgevonden omdat zich een technisch probleem heeft voorgedaan, of een ander onvoorzien incident dat logistieke problemen heeft veroorzaakt tijdens het vervoer van de broedeieren naar de Unie over zee of door de lucht, teneinde het vervoer naar de plaats van binnenkomst in de Unie te kunnen voltooien, en mits:

a)

de binnenkomst in de Unie van de broedeieren is toegestaan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming en, in voorkomend geval, door de lidstaten van doorgang tot de aankomst van de dieren op de plaats van bestemming in de Unie;

b)

de overlading onder toezicht stond van een officiële dierenarts of van de verantwoordelijke douaneambtenaar en gedurende de hele verrichting:

i)

doeltreffende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van enig direct of indirect contact tussen de voor binnenkomst in de Unie bestemde broedeieren en alle andere broedeieren of dieren;

ii)

de broedeieren rechtstreeks en zo snel mogelijk naar het voor het verdere vervoer te gebruiken schip of luchtvaartuig dat aan de voorschriften van artikel 17 voldoet, zijn overgebracht om verder naar de Unie te worden vervoerd, zonder daarbij buiten het terrein van de haven of luchthaven te zijn gekomen;

c)

de broedeieren vergezeld gaat van een verklaring van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied waar de overbrenging heeft plaatsgevonden, die de nodige informatie over de overbrenging bevat en waarin wordt bevestigd dat de nodige maatregelen zijn genomen om te voldoen aan de onder b) genoemde voorschriften.

Artikel 101

Vervoer van broedeieren per vaartuig

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren die, al is het maar voor een deel van de reis, per schip zijn vervoerd, wordt alleen toegestaan indien de levende producten van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de broedeieren:

i)

zijn gedurende het hele transport aan boord van het schip gebleven;

ii)

zijn aan boord van het vaartuig niet in contact geweest met vogels of andere broedeieren met een lagere gezondheidsstatus;

b)

de overeenkomstig het bepaalde onder a) vervoerde broedeieren moeten vergezeld gaan van een verklaring waarin de volgende gegevens zijn vermeld:

i)

de haven van vertrek in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan;

ii)

de haven van aankomst in de Unie;

iii)

indien het vaartuig havens buiten het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van de zending heeft aangedaan, vermelding van de aanloophavens;

iv)

het feit dat de broedeieren tijdens het vervoer voldeden aan de onder a) en onder b), i), ii) en iii), bedoelde voorschriften.

2.   De voor de zending broedeieren verantwoordelijke exploitant zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde verklaring aan het diergezondheidscertificaat wordt gehecht en door de kapitein van het vaartuig in de haven van aankomst op de dag van aankomst van het vaartuig wordt ondertekend.

Artikel 102

Preventiemaatregelen voor het vervoermiddel en de laadkisten voor broedeieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren wordt alleen toegestaan indien de levende producten van de zending aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de broedeieren moeten zijn vervoerd in voertuigen die:

i)

zo zijn gebouwd dat de broedeieren er niet uit kunnen vallen;

ii)

zijn ontworpen om reiniging en ontsmetting mogelijk te maken;

iii)

telkens onmiddellijk vóór het laden van broedeieren die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie, zijn gereinigd en ontsmet met een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong toegelaten ontsmettingsmiddel, en actief of passief gedroogd;

b)

de broedeieren moeten zijn vervoerd in laadkisten die aan de volgende voorschriften voldoen:

i)

zij voldoen aan de onder a) bedoelde voorschriften;

ii)

zij bevatten uitsluitend broedeieren van eenzelfde soort, categorie en type die afkomstig zijn van dezelfde inrichting;

iii)

zij zijn gesloten overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong om elke mogelijkheid tot vervanging van de inhoud te vermijden;

iv)

zij zijn

voor het laden gereinigd en ontsmet volgens de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong,

of

het zijn wegwerpkisten, die schoon zijn en voor het eerst worden gebruikt;

v)

de in bijlage XVI vermelde gegevens voor de specifieke soort en categorie broedeieren zijn erop vermeld.

Artikel 103

Verplaatsen van en werken met broedeieren na binnenkomst

Na binnenkomst in de Unie zorgen de exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, ervoor dat de zendingen broedeieren:

a)

rechtstreeks worden vervoerd van de plaats van binnenkomst naar de plaats van bestemming in de Unie;

b)

voldoen aan de voorschriften voor verplaatsing binnen de Unie en de hantering na binnenkomst in de Unie zoals voor de specifieke soort en categorie broedeieren vastgesteld in de hoofdstukken 5 en 7 van deze titel.

HOOFDSTUK 2

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor broedeieren van pluimvee

Artikel 104

Broedeieren afkomstig van naar het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, ingevoerd pluimvee

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van pluimvee, afkomstig van koppels die zijn ingevoerd naar het derde land of gebied van oorsprong, of een zone daarvan, uit een ander derde land of gebied, of zone daarvan, wordt alleen toegestaan indien de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong van de broedeieren garanties heeft verstrekt dat:

a)

de koppels van oorsprong van de broedeieren zijn ingevoerd uit een derde land of gebied, of zone daarvan, dat/die in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van dergelijke koppels;

b)

de invoer van de koppels van oorsprong van de broedeieren naar dat derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft plaatsgevonden overeenkomstig diergezondheidsvoorschriften die ten minste even streng zijn als wanneer zij rechtstreeks de Unie binnengebracht zouden worden.

Artikel 105

Het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van de broedeieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van pluimvee wordt alleen toegestaan indien zij afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

er is een ziektebewakingsprogramma voor hoogpathogene aviaire influenza van kracht gedurende een periode van ten minste zes maanden vóór de datum van verzending van de zending naar de Unie en dat bewakingsprogramma voldoet aan de voorschriften van

i)

bijlage II bij deze verordening,

of

ii)

het relevante hoofdstuk van de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

b)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, wordt overeenkomstig artikel 38 geacht vrij te zijn van hoogpathogene aviaire influenza;

c)

indien het derde land of gebied van oorsprong vaccinatie uitvoert tegen hoogpathogene aviaire influenza, heeft de bevoegde autoriteit ervan garanties verstrekt dat:

i)

het vaccinatieprogramma voldoet aan de voorschriften van bijlage XIII;

ii)

het in dit artikel, onder a), bedoelde bewakingsprogramma, in aanvulling op de voorschriften van bijlage II, voldoet aan de voorschriften van bijlage XIII, punt 2;

iii)

zij zich ertoe heeft verbonden de Commissie in kennis te stellen van elke wijziging van het vaccinatieprogramma in het derde land of gebied, of de zone daarvan;

d)

het derde land of gebied, of de zone daarvan:

i)

wordt, in het geval van broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels, geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39;

ii)

wordt, in het geval van broedeieren van loopvogels:

geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39,

of

niet geacht vrij te zijn van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, overeenkomstig artikel 39, maar de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong heeft garanties verstrekt betreffende de naleving van de in bijlage XIV vastgestelde voorschriften voor infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met betrekking tot isolatie, bewaking en tests;

e)

indien wordt gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied garanties verstrekt dat:

i)

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

of

ii)

de gebruikte vaccins voldoen aan de algemene criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

f)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft zich ertoe verbonden na een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza of een uitbraak van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle de volgende informatie bij de Commissie in te dienen:

i)

informatie over de ziektesituatie binnen 24 uur na de bevestiging van een eerste uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza of van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

regelmatige meldingen inzake de actuele ziektesituatie;

g)

het derde land of gebied, of de zone daarvan, heeft zich ertoe verbonden virusisolaten van eerste uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle aan het referentielaboratorium van de Europese Unie voor aviaire influenza en de ziekte van Newcastle te doen toekomen.

Artikel 106

De inrichting van oorsprong van de broedeieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van pluimvee wordt alleen toegestaan indien zij afkomstig zijn van:

a)

broederijen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke zijn vastgesteld in artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, en

i)

waarvan de erkenning niet is geschorst of ingetrokken;

ii)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond die broederijen, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór het tijdstip van het laden van de broedeieren voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

iii)

die van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong een uniek erkenningsnummer toegewezen hebben gekregen;

b)

koppels die zijn gehouden in inrichtingen die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn erkend overeenkomstig voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 en

i)

waarvan de erkenning niet is geschorst of ingetrokken;

ii)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond die inrichtingen, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van de verzameling van de broedeieren voor verzending naar de Unie geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

iii)

waar binnen een periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen in die inrichtingen.

Artikel 107

Het koppel van oorsprong van de broedeieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van pluimvee wordt alleen toegestaan indien zij afkomstig zijn van koppels die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

indien zij zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza, zijn door het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt voor de naleving van de minimumvoorschriften voor vaccinatieprogramma’s en aanvullende bewaking zoals vastgesteld in bijlage XIII;

b)

indien zij zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt dat de gebruikte vaccins voldoen aan ofwel

de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, ofwel

de algemene criteria voor erkende vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij het pluimvee en de broedeieren waaruit de eendagskuikens afkomstig zijn, voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor elke zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

c)

zij hebben een ziektebewakingsprogramma ondergaan dat voldoet aan het voorschrift van bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 en er is gebleken dat zij niet waren besmet, of zij vertoonden geen tekenen die besmetting zouden doen vermoeden, wat betreft de volgende ziekteverwekkers:

i)

Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Gallus gallus;

ii)

Salmonella arizonae (serogroep O:18(k)), Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Mycoplasma meleagridis en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Meleagris gallopavo;

iii)

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum in het geval van Numida meleagris, Coturnix coturnix, Phasianus colchicus, Perdix perdix, Anas spp.;

d)

zij werden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van een infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae gedurende de laatste twaalf maanden vóór de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

i)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd;

ii)

nadat het in punt i) bedoelde besmette koppel is geslacht of gedood, is de inrichting gereinigd en ontsmet;

iii)

na de in punt ii) bedoelde reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae, bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma;

e)

zij werden gehouden in inrichtingen die, in geval van bevestiging van aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) gedurende de laatste twaalf maanden vóór de datum van de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie, de volgende maatregelen hebben toegepast:

ofwel

i)

het besmette koppel is met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) bij twee tests die overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma met een tussenpoos van ten minste zestig dagen op het hele koppel zijn verricht,

ofwel

ii)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd, de inrichting is gereinigd en ontsmet en na de reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), bij twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het onder c) bedoelde ziektebewakingsprogramma;

f)

in een periode van 24 uur vóór het tijdstip van het laden van de zending broedeieren voor verzending naar de Unie zijn zij onderworpen aan een klinische inspectie die is uitgevoerd door een officiële dierenarts in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, met het oog op het opsporen van tekenen die wijzen op de aanwezigheid van ziekten, met inbegrip van de relevante in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten, en zij vertoonden geen ziektesymptomen en niets deed de aanwezigheid van een van die ziekten vermoeden.

Artikel 108

Broedeieren van de zending

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van pluimvee wordt alleen toegestaan indien zij aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

indien de broedeieren zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza, zijn door het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt voor de naleving van de minimumvoorschriften voor vaccinatieprogramma’s en aanvullende bewaking zoals vastgesteld in bijlage XIII;

b)

indien de broedeieren zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

zijn door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt dat de gebruikte vaccins aan de in bijlage XV, punt 1, vastgestelde algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle voldoen;

ii)

moeten voor de zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

c)

de broedeieren moeten worden gemerkt:

i)

met kleureninkt;

ii)

in het geval van broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels, met een stempel dat het in artikel 106 bedoelde unieke erkenningsnummer van de inrichting van oorsprong aangeeft;

iii)

in het geval van broedeieren van loopvogels, met een stempel dat de ISO-code van het derde land of gebied van oorsprong en het in artikel 106 bedoelde unieke erkenningsnummer van de inrichting van oorsprong aangeeft;

d)

de broedeieren moeten zijn ontsmet volgens de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong.

Artikel 109

Binnenkomst van broedeieren in lidstaten met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

De binnenkomst in de Unie van zendingen van broedeieren, bestemd voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, wordt alleen toegestaan indien die broedeieren:

a)

niet gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

b)

afkomstig zijn van koppels die voldoen aan de voorschriften die in een van de volgende punten zijn vastgesteld:

i)

zij zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle,

of

ii)

zij zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van een geïnactiveerd vaccin,

of

iii)

zij zijn uiterlijk binnen de periode van zestig dagen vóór de datum van de verzameling van de eieren gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, met een levend vaccin.

HOOFDSTUK 3

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor zendingen van minder dan twintig broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

Artikel 110

Afwijkingen en bijzondere voorschriften voor zendingen van minder dan twintig broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

In afwijking van de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen van minder dan twintig broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels toegestaan indien zij aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn afkomstig van inrichtingen:

i)

die door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong zijn geregistreerd;

ii)

waar binnen de periode van ten minste 21 dagen vóór de datum van verzameling van de broedeieren geen melding is gemaakt van een bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen;

iii)

waar zich binnen een straal van tien kilometer rond de inrichtingen, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van de verzameling van de broedeieren geen uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza of infectie met het virus van de ziekte van Newcastle hebben voorgedaan;

b)

wat vaccinatie tegen hoogpathogene aviaire influenza betreft:

i)

zijn de broedeieren niet gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza;

ii)

indien de koppels van oorsprong zijn gevaccineerd tegen hoogpathogene aviaire influenza, zijn door het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt voor de naleving van de minimumvoorschriften voor vaccinatieprogramma’s en aanvullende bewaking zoals vastgesteld in bijlage XIII;

c)

wat vaccinatie tegen het virus van de ziekte van Newcastle betreft, zijn de broedeieren niet gevaccineerd tegen het virus van de ziekte van Newcastle en, indien het koppel van oorsprong is gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

i)

heeft de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong garanties verstrekt dat de gebruikte vaccins voldoen aan ofwel

de algemene en specifieke criteria voor vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1,

ofwel

de algemene criteria voor erkende vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1, waarbij de broedeieren voldoen aan de diergezondheidsvoorschriften van bijlage XV, punt 2, in het geval van pluimvee en broedeieren afkomstig uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar de tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle gebruikte vaccins niet voldoen aan de specifieke criteria zoals vastgesteld in bijlage XV, punt 1;

ii)

moeten voor de zending de in bijlage XV, punt 4, bedoelde gegevens worden verstrekt;

d)

zij zijn afkomstig van koppels die binnen 24 uur vóór het tijdstip van het laden van de zendingen broedeieren voor verzending naar de Unie zijn onderworpen aan een klinische inspectie die is uitgevoerd door een officiële dierenarts in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, met het oog op het opsporen van tekenen die wijzen op de aanwezigheid van ziekten, met inbegrip van de relevante in de lijst opgenomen ziekten, zoals vermeld in bijlage I, en nieuwe ziekten, en de koppels vertoonden geen ziektesymptomen en niets deed de aanwezigheid van een van die ziekten vermoeden;

e)

zij zijn afkomstig van koppels die:

i)

gedurende een periode van ten minste 21 dagen vóór de verzameling van de eieren in de inrichting van oorsprong zijn geïsoleerd;

ii)

bij tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften voor het testen van zendingen van minder dan twintig stuks ander pluimvee dan loopvogels en minder dan twintig broedeieren daarvan vóór hun binnenkomst in de Unie, zoals opgenomen in bijlage XVII, niet besmet bleken, of geen tekenen vertoonden die besmetting zouden doen vermoeden, wat betreft de volgende ziekteverwekkers:

Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Gallus gallus;

Salmonella arizonae (serogroep O:18(k)), Salmonella Pullorum, Salmonella Gallinarum, Mycoplasma meleagridis en Mycoplasma gallisepticum in het geval van Meleagris gallopavo;

Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum in het geval van Numida meleagris, Coturnix coturnix, Phasianus colchicus, Perdix perdix, Anas spp.

HOOFDSTUK 4

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen

Artikel 111

Afwijking en bijzondere voorschriften voor eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen

In afwijking van de voorschriften van artikel 98 met betrekking tot de verblijfsduur, de specifieke diergezondheidsvoorschriften van de artikelen 105 tot en met 110 en artikelen 112 tot en met 114, wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen van eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen die niet voldoen aan de in die bepalingen vastgestelde diergezondheidsvoorschriften, toegestaan indien zij in plaats daarvan voldoen aan de volgende diergezondheidsvoorschriften:

a)

zij zijn afkomstig van koppels die:

i)

vrij zijn van specifieke pathogenen zoals beschreven in de Europese Farmacopee en de resultaten van alle voor deze specifieke status vereiste tests en klinische onderzoeken gunstig zijn geweest, met inbegrip van negatieve resultaten bij tests op hoogpathogene aviaire influenza, infectie met het virus van de ziekte van Newcastle en infectie met laagpathogene aviaire influenzavirussen, die binnen de periode van dertig dagen vóór de datum van de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie zijn uitgevoerd;

ii)

ten minste één keer per week klinisch zijn onderzocht zoals beschreven in de Europese Farmacopee en er geen ziektesymptomen werden waargenomen en niets de aanwezigheid van enige ziekte deed vermoeden;

iii)

gedurende ten minste zes weken vóór de datum van de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie zijn gehouden in inrichtingen die voldoen aan de voorwaarden die zijn beschreven in de Europese Farmacopee;

iv)

gedurende ten minste zes weken vóór de datum van de verzameling van de eieren voor verzending naar de Unie niet in contact zijn geweest met pluimvee dat niet aan de voorschriften van dit artikel voldoet, of met in het wild levende vogels;

b)

zij zijn gemerkt, met kleureninkt, met een stempel dat de ISO-code van het derde land of gebied van oorsprong en het unieke erkenningsnummer van de inrichting van oorsprong aangeeft;

c)

zij zijn ontsmet volgens de instructies van de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong.

HOOFDSTUK 5

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het na binnenkomst in de Unie verplaatsen van en werken met broedeieren van pluimvee en het pluimvee uit die eieren

Artikel 112

Verplichtingen van exploitanten ten aanzien van het na binnenkomst in de Unie werken met broedeieren en het pluimvee uit die eieren

1.   De exploitanten in de inrichting van bestemming plaatsen broedeieren van pluimvee die de Unie zijn binnengekomen vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, ofwel in

a)

aparte broeders, inclusief aparte uitkomstbroeders, ten opzichte van andere broedeieren,

ofwel in

b)

broeders, inclusief uitkomstbroeders, waarin zich reeds andere broedeieren bevinden.

2.   De exploitanten, zoals bedoeld in lid 1, zorgen ervoor dat fok- en gebruikspluimvee dat is verkregen uit de in dat lid bedoelde broedeieren, gedurende een ononderbroken periode wordt gehouden:

a)

in de broederij, gedurende ten minste drie weken vanaf de datum van het uitbroeden,

of

b)

in de inrichtingen waar het pluimvee na het uitbroeden is verzonden, hetzij in dezelfde lidstaat, hetzij in een andere lidstaat, gedurende een periode van ten minste drie weken na de datum van het uitbroeden.

3.   Gedurende de in lid 2 bedoelde perioden houden de exploitanten pluimvee dat is verkregen uit broedeieren die de Unie zijn binnengekomen, gescheiden van andere koppels pluimvee.

4.   Indien fokpluimvee en gebruikspluimvee dat verkregen is uit broedeieren die de Unie zijn binnengekomen vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, zijn binnengebracht in lokalen of uitloopruimtes waar ook ander pluimvee aanwezig is, beginnen de in lid 2 bedoelde perioden vanaf de datum waarop de laatste vogel is binnengebracht en mag er vóór het einde van die perioden geen pluimvee uit de lokalen of de uitloopruimtes worden verplaatst.

5.   Wanneer broedeieren van pluimvee die vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie zijn binnengekomen, in broeders, inclusief uitkomstbroeders, zijn geplaatst waarin reeds andere broedeieren aanwezig waren:

a)

zijn de leden 2 tot en met 4 van toepassing op alle pluimvee dat verkregen is uit de broedeieren in dezelfde broeder, inclusief uitkomstbroeder, als de broedeieren die vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie zijn binnengekomen;

b)

de desbetreffende perioden, zoals bedoeld in lid 2, beginnen met ingang van de datum van het uitbroeden van het laatste broedei dat de Unie is binnengekomen uit een derde land of gebied, of een zone daarvan.

Artikel 113

Bemonsteren en testen na binnenkomst in de Unie

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming ziet erop toe dat fok- en gebruikspluimvee dat verkregen is uit broedeieren die uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, in de Unie zijn binnengebracht, uiterlijk op de datum waarop de desbetreffende perioden zoals bedoeld in artikel 112, lid 2, verlopen, aan een klinisch onderzoek door een officiële dierenarts in de inrichting van bestemming wordt onderworpen en, indien nodig, wordt bemonsterd voor tests om de gezondheidstoestand ervan te monitoren.

Artikel 114

Verplichting voor de bevoegde autoriteiten met betrekking tot bemonstering van en tests op loopvogels uit broedeieren die afkomstig zijn uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming ziet erop toe dat loopvogels die zijn verkregen uit broedeieren die de Unie zijn binnengekomen uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, gedurende de in artikel 112, lid 2, bedoelde perioden:

a)

worden onderworpen aan een test voor de opsporing van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle die door de bevoegde autoriteit wordt uitgevoerd op cloacaswabs of fecesmonsters van elke loopvogel;

b)

in het geval van loopvogels die bestemd zijn voor een lidstaat met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, naast de onder a) bedoelde voorschriften, worden onderworpen aan een serologische test op infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, die door de bevoegde autoriteit op elke loopvogel wordt uitgevoerd;

c)

alle loopvogels moeten met negatief resultaat zijn onderworpen aan de onder a) en b) bedoelde tests voordat hun isolatie wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 6

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor broedeieren van in gevangenschap levende vogels

Artikel 115

Broedeieren van de zending

De binnenkomst in de Unie van zendingen broedeieren van in gevangenschap levende vogels wordt alleen toegestaan indien zij zijn verkregen van in gevangenschap levende vogels die voldoen aan de in de artikelen 55 tot en met 58 vastgestelde voorschriften voor binnenkomst in de Unie.

HOOFDSTUK 7

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor het na binnenkomst in de Unie verplaatsen van en werken met broedeieren van in gevangenschap levende vogels en de in gevangenschap levende vogels uit die eieren

Artikel 116

Het na binnenkomst in de Unie werken met broedeieren van in gevangenschap levende vogels en met in gevangenschap levende vogels die uit die broedeieren zijn verkregen

De exploitanten in de inrichting van bestemming:

a)

plaatsen de broedeieren van in gevangenschap levende vogels die vanuit een derde land of gebied, of een zone daarvan, de Unie zijn binnengekomen, in aparte broeders, inclusief uitkomstbroeders, ten opzichte van andere broedeieren;

b)

zorgen ervoor dat in gevangenschap levende vogels die zijn verkregen uit de in artikel 115 bedoelde broedeieren van in gevangenschap levende vogels in een erkende quarantaine-inrichting worden gehouden overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 59 tot en met 61.

TITEL 3

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR LEVENDE PRODUCTEN VAN ANDERE DIEREN DAN HOEFDIEREN, MET UITZONDERING VAN BROEDEIEREN VAN PLUIMVEE EN IN GEVANGENSCHAP LEVENDE VOGELS, DIE ZIJN BESTEMD VOOR GECONSIGNEERDE INRICHTINGEN

Artikel 117

Voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen levende producten van andere dieren dan bedoeld in artikel 1, lid 4, onder a) en b), verzonden uit geconsigneerde inrichtingen

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s van andere dieren dan bedoeld in artikel 1, lid 4, onder a) en b), verzonden uit geconsigneerde inrichtingen die overeenkomstig artikel 29 in de lijst zijn opgenomen, wordt alleen toegestaan indien zij worden verzonden naar een geconsigneerde inrichting die zich in de Unie bevindt en op voorwaarde dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming de potentiële risico’s van de binnenkomst van die levende producten voor de Unie heeft beoordeeld;

b)

de donordieren van die levende producten afkomstig zijn uit een derde land, gebied of zone waaruit de binnenkomst in de Unie van de betrokken soort en categorie dieren is toegestaan;

c)

de donordieren van die levende producten afkomstig zijn van een geconsigneerde inrichting in het derde land of gebied of de zone van oorsprong dat/die is opgenomen in een overeenkomstig artikel 29 opgestelde lijst van geconsigneerde inrichtingen van waaruit de binnenkomst van dieren van specifieke soorten in de Unie kan worden toegestaan;

d)

de levende producten zijn bestemd voor een geconsigneerde inrichting in de Unie, die erkend is overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EU) 2016/429;

e)

de levende producten worden rechtstreeks naar de onder d) bedoelde geconsigneerde inrichting vervoerd.

Artikel 118

Specifieke diergezondheidsvoorschriften voor donordieren

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s zoals bedoeld in artikel 117 wordt alleen toegestaan indien zij zijn gewonnen van donordieren die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn niet afkomstig van, en zijn niet in contact gekomen met dieren die afkomstig zijn van, een inrichting die gelegen is in een beperkingszone die is ingesteld wegens de aanwezigheid bij die gehouden landdieren van een ziekte van categorie A of van een voor de soort relevante nieuwe ziekte;

b)

zij zijn afkomstig van een inrichting waar gedurende een periode van ten minste de voorafgaande dertig dagen geen melding is gemaakt van een voor de soorten waartoe die gehouden landdieren behoren relevante ziekte van categorie D;

c)

zij zijn gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de winning van sperma, oöcyten of embryo’s, bestemd voor binnenkomst in de Unie, in één geconsigneerde inrichting van oorsprong gebleven;

d)

zij zijn op de dag van de winning van het sperma, de oöcyten of de embryo’s klinisch onderzocht door de voor de activiteiten van de geconsigneerde inrichting verantwoordelijke dierenarts en vertoonden geen ziektesymptomen;

e)

zij zijn gedurende een periode van ten minste dertig dagen vóór de datum van de eerste winning en gedurende de periode waarin het sperma, de oöcyten of de embryo’s die bestemd zijn voor binnenkomst in de Unie zijn gewonnen, zo weinig mogelijk voor natuurlijke dekking gebruikt;

f)

zij zijn overeenkomstig de regels van die geconsigneerde inrichting geïdentificeerd en geregistreerd.

Artikel 119

Voorschriften voor levende producten

De binnenkomst in de Unie van zendingen sperma, oöcyten en embryo’s zoals bedoeld in artikel 117, wordt alleen toegestaan indien zij aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn zodanig gemerkt dat de volgende gegevens gemakkelijk kunnen worden vastgesteld:

i)

de datum van winning of productie van die levende producten;

ii)

de soort, in voorkomend geval de ondersoort, en de identificatie van de donordieren;

iii)

het unieke erkenningsnummer van de geconsigneerde inrichting, met vermelding van de alpha-2-lettercode volgens ISO 3166-1 van het land waar de erkenning is verleend;

iv)

alle overige relevante gegevens;

b)

zij worden vervoerd in de laadkist die:

i)

vóór de verzending vanuit de geconsigneerde inrichting wordt verzegeld en genummerd door de voor de activiteiten van de geconsigneerde inrichting verantwoordelijke dierenarts van de inrichting;

ii)

vóór gebruik is gereinigd en ontsmet of gesteriliseerd, of een laadkist voor eenmalig gebruik is;

iii)

is gevuld met een cryogeen middel dat niet al voor andere producten is gebruikt.

DEEL IV

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG ZOALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 3 EN 5

TITEL 1

ALGEMENE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

Artikel 120

Tijdsbeperkingen voor de productiedatum

De binnenkomst in de Unie van zendingen producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien de producten van de zending niet zijn verkregen tijdens een periode waarin:

a)

de Unie veterinairrechtelijke beperkingsmaatregelen heeft vastgesteld voor de binnenkomst van dergelijke producten uit het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan;

b)

de toestemming voor de binnenkomst in de Unie van dergelijke producten uit het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, was opgeschort.

Artikel 121

Behandelingsvoorschriften voor producten van dierlijke oorsprong

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen andere producten van dierlijke oorsprong dan verse of rauwe producten wordt alleen toegestaan indien de producten van de zending overeenkomstig de titels 3 tot en met 6 van dit deel zijn behandeld.

De in de eerste alinea bedoelde behandeling moet:

a)

door de Unie specifiek in de lijst zijn toegewezen aan het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, en aan de diersoort waarvan het product van dierlijke oorsprong afkomstig is;

b)

zijn toegepast in een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie producten van dierlijke oorsprong;

c)

zijn toegepast overeenkomstig de voorschriften voor.

i)

risicobeperkende behandelingen van vleesproducten zoals opgenomen in bijlage XXVI;

ii)

risicobeperkende behandelingen van zuivelproducten zoals opgenomen in bijlage XXVII;

iii)

risicobeperkende behandelingen van eiproducten zoals opgenomen in bijlage XXVIII.

2.   Nadat de in lid 1 bedoelde behandeling is voltooid, moeten de producten van dierlijke oorsprong, totdat zij zijn verpakt, op zodanige wijze worden gehanteerd dat het optreden van kruisbesmetting, en daarmee van een mogelijk risico voor de diergezondheid, wordt voorkomen.

Artikel 122

Voorschriften met betrekking tot het vervoermiddel voor producten van dierlijke oorsprong

De binnenkomst in de Unie van zendingen producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien die zendingen zijn vervoerd in een vervoermiddel dat zodanig is ontworpen, gebouwd en onderhouden dat de gezondheidsstatus van de producten van dierlijke oorsprong tijdens het vervoer van hun plaats van oorsprong naar de Unie niet in gevaar is gebracht.

Artikel 123

Verzending van producten van dierlijke oorsprong naar de Unie

De binnenkomst in de Unie van zendingen producten van dierlijke oorsprong wordt alleen toegestaan indien die zendingen bij hun verzending naar hun bestemming in de Unie gescheiden zijn gebleven van dieren en producten van dierlijke oorsprong die niet voldoen aan de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie waarin deze verordening voorziet.

TITEL 2

DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN VERS VLEES

HOOFDSTUK 1

Algemene diergezondheidsvoorschriften voor vers vlees

Artikel 124

Verzending naar een slachthuis van de gehouden dieren waarvan het vers vlees afkomstig is

De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees van gehouden dieren, met uitzondering van als gekweekt wild gehouden dieren die ter plaatse zijn gedood, wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending verkregen is van gehouden dieren die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de inrichting van oorsprong van de dieren is ofwel

i)

gelegen in hetzelfde derde land of gebied, of in dezelfde zone daarvan, als het slachthuis waar het vers vlees is verkregen,

ofwel

ii)

gelegen in een derde land of gebied, of zone daarvan, waaruit op het tijdstip van de verzending van de dieren naar het slachthuis vers vlees van de betrokken diersoorten in de Unie binnengebracht mocht worden;

b)

de gehouden dieren zijn rechtstreeks uit de inrichting van oorsprong naar het slachthuis verzonden;

c)

tijdens het vervoer naar het onder a) bedoelde slachthuis zijn de gehouden dieren:

i)

niet door in een derde land of gebied, of een zone daarvan, gekomen dat/die niet in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie vers vlees;

ii)

niet in contact gekomen met dieren met een lagere gezondheidsstatus;

d)

de vervoermiddelen en laadkisten die zijn gebruikt om de gehouden dieren naar het onder a) bedoelde slachthuis te vervoeren, voldoen aan de voorschriften van de artikelen 17 en 18.

Artikel 125

Verzending van karkassen van in het wild levende dieren of als gekweekt wild gehouden dieren die ter plaatse zijn gedood

De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees van in het wild levende dieren of als gekweekt wild gehouden dieren die ter plaatse zijn gedood, wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending verkregen is van karkassen die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de karkassen zijn rechtstreeks van de plaats van het doden verzonden naar een wildbewerkingsinrichting in hetzelfde/dezelfde in de lijst opgenomen derde land of gebied of zone;

b)

tijdens het vervoer naar de onder a) bedoelde wildbewerkingsinrichting zijn de karkassen:

i)

niet door in een derde land of gebied, of een zone daarvan, gekomen dat/die niet in de lijst is opgenomen voor de binnenkomst in de Unie van de specifieke soort en categorie vers vlees;

ii)

niet in contact gekomen met dieren of karkassen met een lagere gezondheidsstatus;

c)

de karkassen zijn naar de onder a) bedoelde wildbewerkingsinrichting vervoerd in vervoermiddelen en laadkisten die aan de volgende voorschriften voldoen:

i)

zij zijn vóór het laden van de karkassen voor verzending naar de Unie gereinigd en ontsmet met een door de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong toegelaten ontsmettingsmiddel;

ii)

zij zijn zo gebouwd dat de gezondheidsstatus van de karkassen tijdens het vervoer niet in gevaar werd gebracht.

Artikel 126

Ante-mortem- en post-mortemkeuringen

De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees van gehouden en in het wild levende dieren wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending verkregen is van dieren die aan de volgende keuringen zijn onderworpen:

a)

in het geval van gehouden dieren:

i)

een ante-mortemkeuring in de periode van 24 uur vóór het tijdstip van het slachten;

ii)

een post-mortemkeuring die onverwijld wordt verricht nadat zij zijn gedood of geslacht;

b)

in het geval van in het wild levende dieren, een post-mortemkeuring die onverwijld wordt verricht nadat zij zijn gedood.

De in de eerste alinea bedoelde keuringen moeten door een officiële dierenarts in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, zijn uitgevoerd om de aanwezigheid van de relevante ziekten, zoals bedoeld in bijlage I, en van nieuwe ziekten uit te sluiten.

Artikel 127

Werken met de dieren waarvan het vers vlees afkomstig is tijdens het doden of slachten

De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees worden alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending verkregen is van dieren die tijdens het doden of slachten niet in contact zijn geweest met dieren met een lagere gezondheidsstatus.

Artikel 128

Hanteren en voorbereiden van vers vlees in de inrichting van oorsprong van het vers vlees

De zendingen vers vlees moeten strikt gescheiden worden gehouden van vers vlees dat niet voldoet aan de desbetreffende diergezondheidsvoorschriften voor de binnenkomst in de Unie van vers vlees, zoals bedoeld in de artikelen 124 tot en met 146, tijdens het slachten, uitsnijden en tot het vers vlees:

a)

is verpakt voor verdere opslag of verzending naar de Unie,

of

b)

in de Unie is aangekomen, in het geval van onverpakt vers vlees.

HOOFDSTUK 2

Diergezondheidsvoorschriften voor vers vlees van hoefdieren

AFDELING 1

ALGEMENE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR VERS VLEES VAN GEHOUDEN EN IN HET WILD LEVENDE HOEFDIEREN

Artikel 129

De diersoort waarvan het vers vlees van hoefdieren afkomstig is

De binnenkomst in de Unie van vers vlees van hoefdieren wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending afkomstig is van de volgende soorten:

a)

in het geval van gehouden hoefdieren, van alle soorten hoefdieren;

b)

in het geval van in het wild levende hoefdieren en hoefdieren die als gekweekt wild worden gehouden, van alle soorten hoefdieren, met uitzondering van runderen, schapen, geiten en tamme varkensrassen.

Artikel 130

Verbod met betrekking tot de binnenkomst van vers bloed

De binnenkomst in de Unie van zendingen voor menselijke consumptie bestemd vers bloed van hoefdieren is niet toegestaan.

AFDELING 2

SPECIFIEKE DIERGEZONDHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR VERS VLEES VAN GEHOUDEN HOEFDIEREN

Artikel 131

De verblijfsduur vóór het slachten of doden van de gehouden hoefdieren waarvan het vers vlees afkomstig is

1.   De gehouden hoefdieren waarvan het vers vlees dat bestemd is voor binnenkomst in de Unie afkomstig is, hoeven niet te voldoen aan een verblijfsduur vóór de datum van het slachten of doden, mits zij in het derde land of gebied, of de zone daarvan, zijn binnengebracht uit:

a)

een ander derde land of gebied, of zone daarvan, dat in de lijst is opgenomen voor binnenkomst in de Unie van vers vlees van dezelfde soort hoefdieren, en de gehouden hoefdieren daar gedurende ten minste drie maanden vóór het slachten zijn gebleven,

of

b)

een lidstaat.

2.   De gehouden hoefdieren waarvan het vers vlees dat bestemd is voor binnenkomst in de Unie afkomstig is, zoals bedoeld in lid 1, moeten, onmiddellijk vóór de datum van het slachten of doden, overeenkomstig bijlage XXIII gedurende een ononderbroken periode aan een verblijfsduur voldoen, indien zij:

a)

in het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, zijn gebleven;

b)

in de inrichting van oorsprong zijn gebleven;

c)

geen contact hebben gehad met hoefdieren van een lagere gezondheidsstatus.

Artikel 132

Afwijking van de rechtstreekse verzending naar een slachthuis van de gehouden dieren waarvan het vers vlees afkomstig is

In afwijking van artikel 124, onder b), wordt de binnenkomst in de Unie van zendingen van vers vlees van gehouden hoefdieren die niet aan die voorschriften voldoen, toegestaan mits het vers vlees van de zending verkregen is van runderen, schapen of geiten, en:

a)

de hoefdieren zijn, na de inrichting van oorsprong te hebben verlaten en alvorens in het slachthuis te zijn aangekomen, via één enkele inrichting voor de verzameling van dieren gevoerd, die aan de voorschriften van artikel 20, onder b), voldoet;

b)

de bevoegde autoriteit van het derde land of gebied van oorsprong heeft aanvullende garanties verstrekt om te waarborgen dat de diergezondheidsstatus van de hoefdieren tijdens hun verplaatsing vanuit de inrichting van oorsprong tot hun aankomst in het slachthuis niet in gevaar is gebracht;

c)

het derde land of gebied, of de zone, zoals bedoeld onder b), is in de lijst opgenomen als in aanmerking komend voor een dergelijke afwijking.

Artikel 133

Het derde land of gebied van oorsprong, of de zone daarvan, van het vers vlees van gehouden hoefdieren

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees van gehouden hoefdieren wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending afkomstig is uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, dat/die voldoet aan de in de tabel in bijlage XXIV, deel A, vastgestelde minimale ziektevrije perioden voor de betrokken in de lijst opgenomen ziekten, waarvoor de soorten hoefdieren waarvan het vers vlees is verkregen, in de lijst zijn opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde minimale perioden kunnen worden verkort voor de in bijlage XXIV, deel B, vermelde ziekten, mits aan de aldaar vastgestelde specifieke voorwaarden wordt voldaan; deze specifieke voorwaarden moeten door de Unie specifiek in de lijst zijn opgenomen voor dat derde land of gebied, of de zone daarvan, en voor de specifieke diersoort waarvan het vers vlees afkomstig is.

2.   De binnenkomst in de Unie van zendingen van vers vlees van hoefdieren wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending afkomstig is uit een derde land of gebied, of een zone daarvan, waar vaccinatie tegen de in de lijst opgenomen ziekten zoals bedoeld in lid 1, niet is uitgevoerd, overeenkomstig de tabel in bijlage XXV, deel A.

3.   In afwijking van lid 2 mag tegen mond-en-klauwzeer zijn gevaccineerd, op voorwaarde van de naleving van de door de bevoegde autoriteit op te leggen specifieke voorwaarden overeenkomstig bijlage XXV, deel B, punt 1, onder b), of punt 3.1, onder a), die specifiek door de Unie in de lijst moeten worden toegewezen aan dat derde land of gebied, of de zone daarvan, en aan de specifieke soorten waarvan het vers vlees is verkregen.

Artikel 134

De inrichting van oorsprong van de gehouden hoefdieren waarvan het vers vlees is verkregen

1.   De binnenkomst in de Unie van zendingen vers vlees van gehouden hoefdieren wordt alleen toegestaan indien het vers vlees van de zending verkregen is van hoefdieren die afkomstig zijn van een inrichting:

a)

waar en rond welke, in voorkomend geval met inbegrip van het grondgebied van een buurland, geen melding is gemaakt van de in de lijst opgenomen ziekten, zoals bedoeld in bijlage XXIV, deel A, waarvoor de hoefdierensoorten waarvan het voor binnenkomst in de Unie bestemde vers vlees is verkregen, in de lijst zijn opgenomen, in een gebied met een straal van tien kilometer en gedurende een periode van dertig dagen vóór de slachtdatum, of