EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0288

Verordening (EU) 2019/288 van het Europees Parlement en de Raad van 13 februari 2019 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft bepaalde voorschriften inzake rechtstreekse betalingen en steun voor plattelandsontwikkeling voor de jaren 2019 en 2020

PE/3/2019/REV/1

OJ L 53, 22.2.2019, p. 14–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/288/oj

22.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/14


VERORDENING (EU) 2019/288 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 februari 2019

tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft bepaalde voorschriften inzake rechtstreekse betalingen en steun voor plattelandsontwikkeling voor de jaren 2019 en 2020

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is het huidige rechtskader voor de steun voor plattelandsontwikkeling. Zij voorziet in steun voor gebieden met natuurlijke beperkingen andere dan berggebieden. Rekening houdend met de verlenging tot 2019 van de termijn voor de nieuwe afbakening van de gebieden met natuurlijke beperkingen andere dan berggebieden die bij Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad (3) is vastgesteld, en met de kortere aanpassingsperiode voor landbouwers die niet langer voor betalingen in aanmerking zullen komen, mogen de degressieve overgangsbetalingen die pas in 2019 van start gaan, bij hun aanvang niet meer bedragen dan 80 % van de gemiddelde betalingen die in de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld. Het betalingsniveau moet op zodanige wijze worden vastgesteld dat het uiteindelijke niveau in 2020 de helft van het aanvangsniveau bedraagt.

(2)

Om de lidstaten en de belanghebbenden bijstand te verlenen voor de tijdige voorbereiding van het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en om te zorgen voor een vlotte overgang naar de volgende programmeringsperiode, moet worden verduidelijkt dat het mogelijk is activiteiten in verband met de voorbereiding van het toekomstige GLB te financieren door middel van technische bijstand op initiatief van de Commissie.

(3)

Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) is het huidige rechtskader voor rechtstreekse betalingen. De meeste bepalingen ervan kunnen worden toegepast zolang die verordening van kracht blijft, maar andere bepalingen verwijzen expliciet naar de kalenderjaren 2015 tot en met 2019, die onder het meerjarig financieel kader 2014-2020 vallen. Voor sommige andere bepalingen is de toepasselijkheid ervan na het kalenderjaar 2019 niet expliciet overwogen. In juni 2018 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een nieuwe verordening die Verordening (EU) nr. 1307/2013 zal vervangen, maar pas met ingang van 1 januari 2021. Daarom is het passend een aantal technische aanpassingen in Verordening (EU) nr. 1307/2013 aan te brengen zodat zij probleemloos kan worden toegepast in het kalenderjaar 2020.

(4)

De verplichting van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 om het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat voor een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer moet worden toegekend, te verlagen voor het deel van het bedrag dat 150 000 EUR overschrijdt, blijft van toepassing zolang die verordening van kracht is. Dat artikel stelt evenwel slechts een verplichting voor de lidstaten vast om kennis te geven van hun besluiten en de geraamde opbrengst van die verlaging voor de jaren 2015 tot en met 2019. Met het oog op de voortzetting van de bestaande regeling moeten de lidstaten ook kennis geven van hun besluiten met betrekking tot het jaar 2020 en van de geraamde opbrengst van de verlaging voor dat jaar.

(5)

Bij flexibiliteit tussen de pijlers gaat het om een facultatieve overdracht van middelen tussen de rechtstreekse betalingen en plattelandsontwikkeling. Op grond van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen de lidstaten van deze flexibiliteit gebruikmaken voor de kalenderjaren 2014 tot en met 2019. Om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun eigen strategie kunnen behouden, moet de flexibiliteit tussen de pijlers ook beschikbaar worden gesteld voor het kalenderjaar 2020, dat overeenkomt met het begrotingsjaar 2021.

(6)

Als gevolg van de wijziging van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor het kalenderjaar 2020 is het passend aanpassingen aan te brengen in de verwijzingen naar dat artikel in het kader van de verplichting van de lidstaten om de waarde van de betalingsrechten lineair te verlagen of te verhogen als gevolg van schommelingen in het jaarlijkse nationale maximum die voortvloeien uit hun kennisgevingen van de toepassing van de flexibiliteit tussen de pijlers.

(7)

De Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Om de lidstaten snel de nodige flexibiliteit te bieden en de continuïteit van het plattelandsontwikkelingsbeleid in de laatste jaren van de programmeringsperiode 2014-2020 te garanderen, werd het passend geacht te voorzien in een uitzondering op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol Nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat als bijlage is gehecht aan het Verdrag betreffden de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(9)

Om de lidstaten snel de nodige flexibiliteit te bieden en de continuïteit van het plattelandsontwikkelingsbeleid in de laatste jaren van de programmeringsperiode 2014-2020 te garanderen, moet deze verordening van toepassing worden met ingang van 1 maart 2019,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1305/2013

Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 31, lid 5, wordt de volgende alinea na de eerste alinea ingevoegd:

„In afwijking van de eerste alinea bedragen de degressieve betalingen, indien die pas in het jaar 2019 van start gaan, bij hun aanvang niet meer dan 80 % van de gemiddelde betaling die in de programmeringsperiode 2014-2020 is vastgesteld. Het betalingsniveau wordt op zodanige wijze vastgesteld dat het uiteindelijke niveau in 2020 de helft van het aanvangsniveau bedraagt.”.

2)

In artikel 51, lid 1, wordt de volgende alinea na de eerste alinea ingevoegd:

„Uit het Elfpo kunnen activiteiten worden gefinancierd ter voorbereiding van de uitvoering van het GLB in de volgende programmeringsperiode.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1307/2013

Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 7 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   De geraamde opbrengst uit de in artikel 11 bedoelde verlaging van betalingen, welke overeenkomt met het verschil tussen het in bijlage II vermelde nationale maximum plus het bedrag dat overeenkomstig artikel 58 beschikbaar is, en de in bijlage III vermelde nettomaximum, wordt per lidstaat en per kalenderjaar beschikbaar gesteld als steun van de Unie die uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) wordt gefinancierd.”.

2)

In artikel 11, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor het jaar 2020 stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 december 2019 in kennis van de overeenkomstig dit artikel genomen besluiten en van de geraamde opbrengst van de verlagingen.”.

3)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Uiterlijk op 31 december 2019 kunnen de lidstaten besluiten om tot 15 % van hun jaarlijkse nationale maxima die in bijlage II bij deze verordening voor het kalenderjaar 2020 zijn vastgesteld, beschikbaar te stellen als aanvullende steun voor het begrotingsjaar 2021 die uit het Elfpo wordt gefinancierd. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor de toekenning van rechtstreekse betalingen. Dat besluit, waarin het gekozen percentage wordt vermeld, wordt uiterlijk op 31 december 2019 aan de Commissie meegedeeld.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Uiterlijk op 31 december 2019 kunnen lidstaten besluiten om tot 15 % of, in het geval van Bulgarije, Estland, Spanje, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije, Finland en Zweden, tot 25 % van het bedrag dat op grond van wetgeving van de Unie die wordt vastgesteld na de vaststelling door de Raad van de desbetreffende verordening krachtens artikel 312, lid 2, VWEU, wordt toegewezen voor steun voor het begrotingsjaar 2021 die uit het Elfpo wordt gefinancierd, beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor steun die uit het Elfpo wordt gefinancierd. Dat besluit, waarin het gekozen percentage wordt vermeld, wordt uiterlijk op 31 december 2019 aan de Commissie meegedeeld.”.

4)

In artikel 22 wordt lid 5 vervangen door:

„5.   Indien het maximum voor een lidstaat vastgesteld door de Commissie uit hoofde van lid 1 van dit artikel, verschilt van dat van het voorgaande jaar als gevolg van besluiten die die lidstaat heeft genomen overeenkomstig lid 3 van dit artikel, artikel 14, lid 1 of lid 2, artikel 42, lid 1, artikel 49, lid 1, tweede alinea, artikel 51, lid 1, tweede alinea, of artikel 53, verlaagt of verhoogt die lidstaat de waarde van alle betalingsrechten lineair om aan lid 4 van dit artikel te voldoen.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 maart 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 13 februari 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 31 januari 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 12 februari 2019.

(2)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(3)  Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).

(4)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).


Top