EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R0791

Verordening (EU) 2016/791 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen

OJ L 135, 24.5.2016, p. 1–10 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/791/oj

24.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/1


VERORDENING (EU) 2016/791 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 mei 2016

tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de steunregeling voor de verstrekking van groenten, fruit, bananen en melk in onderwijsinstellingen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In deel II, titel I, hoofdstuk II, afdeling 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) is voorzien in een regeling voor schoolgroenten en -fruit en een regeling voor schoolmelk.

(2)

De ervaring met de toepassing van de huidige schoolregelingen, de conclusies van de externe evaluaties en de daaropvolgende analyse van de verschillende beleidsopties en de sociale moeilijkheden in de lidstaten duiden erop dat voortzetting en versterking van de twee schoolregelingen van het grootste belang is. In de huidige context van dalende consumptie van verse groenten en fruit en van zuivelproducten, met name bij kinderen, en de hogere prevalentie van kinderobesitas als gevolg van eetgewoonten waarbij vooral wordt gekozen voor hoogverwerkte voedingsmiddelen, waaraan vaak grote hoeveelheden suikers, zout, vet of additieven zijn toegevoegd, dient de Uniesteun voor de verstrekking van geselecteerde landbouwproducten aan kinderen in onderwijsinstellingen meer gericht te zijn op het bevorderen van gezonde eetgewoonten en de consumptie van lokale producten.

(3)

Uit de analyse van de verschillende beleidsopties komt naar voren dat een uniforme aanpak binnen een gemeenschappelijk wettelijk en financieel kader de meest geschikte en doeltreffende manier is voor het bereiken van de specifieke doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die via schoolregelingen worden nagestreefd. Deze benadering biedt de lidstaten de mogelijkheid om binnen een vastgesteld budget een maximaal effect te bereiken met de verstrekking en de regelingen efficiënter te beheren. Vanwege de verschillen tussen groente- en fruit-, waaronder begrepen bananen, en melk- en zuivelproducten, d.w.z. schoolgroenten en -fruit en schoolmelk als omschreven in deze verordening, en de toeleveringsketens daarvan, moeten bepaalde elementen, zoals de budgetten, voor elke productgroep verder afzonderlijk worden vastgesteld. In het licht van de ervaringen met de huidige schoolregelingen dient de deelname van lidstaten aan de schoolregeling vrijwillig te blijven. Gezien de verschillende consumptiepatronen in de lidstaten moeten de deelnemende lidstaten en regio's in het kader van hun strategieën kunnen kiezen welke van de subsidiabele producten zij aan kinderen in onderwijsinstellingen willen verstrekken. De lidstaten kunnen ook overwegen om gerichte maatregelen te nemen teneinde de dalende melkconsumptie bij de doelgroep aan te pakken.

(4)

Er is een dalende trend in de consumptie van verse groenten en fruit en consumptiemelk vastgesteld. Daarom is het zaak de verstrekking in het kader van de schoolregeling bij wijze van prioriteit op die producten te concentreren. Dit helpt tevens om de organisatorische belasting voor scholen te verminderen, en met een beperkt budget toch het effect van de verstrekking te vergroten, en is in overeenstemming met de huidige praktijk, aangezien deze producten het vaakst worden verstrekt. Om aan de voedingsadviezen inzake calciumopname te voldoen en de consumptie van bepaalde producten te bevorderen of tegemoet te komen aan de specifieke voedingsbehoeften van kinderen op hun grondgebied, en gezien de toenemende problemen in verband met de intolerantie voor lactose in melk, dient het de lidstaten te worden toegestaan, op voorwaarde dat zij reeds drinkmelk of lactosevrije varianten daarvan verstrekken, andere zuivelproducten te verstrekken zonder toegevoegde smaakstoffen, fruit, noten of cacao, zoals yoghurt en kaas, die goed zijn voor de gezondheid van kinderen. De lidstaten moeten ook verwerkt fruit en verwerkte groenteproducten kunnen verstrekken, op voorwaarde dat zij reeds vers fruit en verse groenten verstrekken. Daarenboven moeten inspanningen worden geleverd voor de verstrekking van plaatselijke en regionale producten. Indien lidstaten dit voor het bereiken van de doelstellingen van de schoolregeling en van de doelstellingen van hun strategieën nodig vinden, moeten zij de verstrekking van de bovengenoemde producten kunnen aanvullen met bepaalde andere melkproducten en op melk gebaseerde dranken. Al die producten moeten volledig in aanmerking kunnen komen voor Uniesteun. In het geval van niet-landbouwproducten komt echter alleen het melkbestanddeel in aanmerking. Om rekening te houden met wetenschappelijke ontwikkelingen en om te waarborgen dat de verstrekte producten voldoen aan de doelstellingen van de schoolregeling, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van de in deze verordening opgenomen lijst van uitgesloten smaakversterkers en de vaststelling van de maxima voor toegevoegde suikers, toegevoegd zout en toegevoegd vet in verwerkte producten.

(5)

Teneinde van de schoolregeling een doeltreffend instrument te maken voor het bereiken van de korte- en langetermijndoelstelling om de consumptie van geselecteerde landbouwproducten te vergroten en gezondere eetgewoonten aan te leren, moet de verstrekking worden ondersteund met begeleidende educatieve maatregelen. Gezien het belang ervan moeten deze maatregelen dienen ter ondersteuning van de verstrekking van schoolgroenten en -fruit en schoolmelk. Als begeleidende educatieve maatregelen zijn zij een essentieel instrument om kinderen weer in contact te brengen met landbouw en de diversiteit van de landbouwproducten van de Unie, met name die welke in hun regio worden geproduceerd, met de hulp van, bijvoorbeeld, voedingsdeskundigen en landbouwers. Om de doelstellingen van de schoolregeling te bereiken, dienen de lidstaten de vrijheid te hebben om in hun maatregelen een grotere verscheidenheid aan landbouwproducten op te nemen alsook andere lokale, regionale of nationale specialiteiten zoals honing, tafelolijven en olijfolie.

(6)

Om gezonde eetgewoonten te bevorderen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de nationale autoriteiten verantwoordelijk voor gezondheid en voeding voldoende betrokken zijn bij de opstelling van de lijst van producten die moeten worden geleverd, of dat deze autoriteiten de gepaste toestemming voor deze lijst hebben gegeven, in overeenstemming met nationale procedures.

(7)

Om te zorgen voor een efficiënt en gericht gebruik van de middelen van de Unie en om de uitvoering van de schoolregeling te vergemakkelijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het bepalen van de kosten en maatregelen die in aanmerking komen voor Uniesteun.

(8)

De Uniesteun moet afzonderlijk worden toegewezen voor schoolgroenten en -fruit en schoolmelk, overeenkomstig het beginsel dat de verstrekking op basis van vrijwilligheid plaatsvindt. Die steun moet aan elke lidstaat worden toegewezen, rekening houdend met het aantal kinderen van zes tot tien jaar in die lidstaat, en de mate van ontwikkeling van de regio's in die lidstaat, zodat minder ontwikkelde regio's, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en de ultraperifere gebieden meer steun ontvangen, gezien hun beperkte landbouwdiversificatie en het feit dat het vaak onmogelijk is bepaalde producten in de betrokken regio te vinden, waardoor de vervoers- en opslagkosten er hoger zijn. Bovendien is het zaak om die criteria te combineren met de besteding in het verleden van de Uniesteun voor de verstrekking van melk en zuivelproducten aan kinderen, met uitzondering van Kroatië, waarvoor een specifiek bedrag zal worden bepaald, zodat de lidstaten de omvang van hun huidige regelingen voor schoolmelk op peil kunnen houden, en met het oog op het aanmoedigen van andere lidstaten om de verstrekking van melk ter hand nemen.

(9)

In het belang van behoorlijk bestuur en gezond begrotingsbeheer moeten de lidstaten die aan de regeling voor de verstrekking van de subsidiabele producten wensen deel te nemen, elk jaar een aanvraag voor Uniesteun indienen.

(10)

Het opstellen van een nationale of regionale strategie is een voorwaarde voor de deelname van een lidstaat aan de schoolregeling. Alle lidstaten die wensen deel te nemen, moeten een strategie indienen in de vorm van een document voor een periode van zes jaar, waarin hun prioriteiten worden vastgelegd. De lidstaten moeten in staat worden gesteld hun strategieën regelmatig te actualiseren, vooral in het licht van evaluaties en herbeoordelingen van prioriteiten of doelstellingen, en van het welslagen van hun regelingen. Voorts kunnen de strategieën specifieke elementen bevatten in verband met de uitvoering van de schoolregeling die de lidstaten in staat stellen een efficiënt beheer te voeren, onder andere met betrekking tot de steunaanvragen.

(11)

Om de bekendheid met de schoolregeling en de zichtbaarheid van de Uniesteun te vergroten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de verplichting van de lidstaten om de Uniesteun voor de uitvoering van deze regeling duidelijk onder de aandacht te brengen, ook met betrekking tot publiciteitsmiddelen en, indien van toepassing, de gemeenschappelijke identiteit of grafische elementen.

(12)

Met het oog op de zichtbaarheid van de schoolregeling moeten de lidstaten in hun strategie uitleggen hoe ze ervoor zorgen dat hun regelingen meerwaarde opleveren, vooral wanneer uit hoofde van de Unieregeling gesubsidieerde producten tegelijkertijd worden geconsumeerd met andere maaltijden die aan kinderen in onderwijsinstellingen worden verstrekt. Teneinde ervoor te zorgen dat de educatieve doelstelling van de Unieregeling wordt bereikt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor de verstrekking van uit hoofde van de Unieregeling gesubsidieerde producten ten opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen en voor de bereiding ervan.

(13)

Om de doeltreffendheid van de schoolregelingen in de lidstaten na te gaan, dienen initiatieven door de Unie te worden gefinancierd voor monitoring en evaluatie van de behaalde resultaten, met bijzondere aandacht voor veranderingen in de consumptie op de middellange termijn.

(14)

Het medefinancieringsbeginsel voor de verstrekking van schoolgroenten en -fruit moet worden afgeschaft.

(15)

Deze verordening mag geen invloed hebben op de verdeling van regionale of lokale bevoegdheden binnen de lidstaten.

(16)

Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) moeten bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd. Teneinde rekening te houden met de indeling van het schooljaar moeten de nieuwe voorschriften met ingang van 1 augustus 2017 van toepassing worden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel II, titel I, hoofdstuk II, afdeling 1, wordt vervangen door:

„Afdeling 1

Steun voor de verstrekking van groenten en fruit en van melk en zuivelproducten in onderwijsinstellingen

Artikel 22

Doelgroep

De steunregeling ter verbetering van de distributie van landbouwproducten en ter verbetering van de eetgewoonten van kinderen is bedoeld voor kinderen die regelmatig naar een crèche, kleuterschool of een basisschool of middelbare school gaan die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt beheerd of is erkend.

Artikel 23

Steun voor de verstrekking van schoolgroenten en -fruit en van schoolmelk, begeleidende educatieve maatregelen en daarmee gepaard gaande kosten

1.   Er wordt Uniesteun verleend ten behoeve van kinderen in de in artikel 22 bedoelde onderwijsinstellingen:

a)

voor de verstrekking en verdeling van subsidiabele producten als bedoeld in de punten 3, 4 en 5 van dit artikel;

b)

voor begeleidende educatieve maatregelen, en

c)

ter dekking van bepaalde daarmee gepaard gaande kosten voor apparatuur, publiciteit, toezicht en evaluatie, alsmede logistiek en verdeling, voor zover die kosten niet onder a) vallen.

De Raad stelt overeenkomstig artikel 43, lid 3 VWEU beperkingen vast voor het aandeel Uniesteun voor maatregelen en kosten als bedoeld in de punten b) en c) van de eerste alinea van dit lid.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)   „schoolgroenten en -fruit”: de producten bedoeld in lid 3, onder a) en lid 4, onder a);

b)   „schoolmelk”: de producten bedoeld in lid 3, onder b), en lid 4, onder b), alsmede de producten bedoeld in bijlage V.

3.   Lidstaten die wensen deel te nemen aan de overeenkomstig lid 1 vastgestelde steunregeling („de schoolregeling”) en om de overeenkomstige Uniesteun verzoeken, moeten, rekening houdend met de nationale omstandigheden, voorrang verlenen aan de verstrekking van producten van een of beide van de volgende groepen:

a)

verse groenten en fruit en verse producten van de bananensector;

b)

consumptiemelk en de lactosevrije versies daarvan.

4.   Niettegenstaande lid 3, en teneinde de consumptie van bepaalde producten te bevorderen en/of tegemoet te komen aan de specifieke voedingsbehoeften van kinderen op hun grondgebied, kan een lidstaat zorgen voor de verstrekking van producten uit een of beide van de volgende groepen:

a)

verwerkte groente- en fruitproducten, naast de producten bedoeld in lid 3, onder a);

b)

kaas, wrongel, yoghurt en andere gegiste of aangezuurde zuivelproducten zonder toegevoegde aroma's, vruchten, noten of cacao, naast de producten in lid 3, onder b).

5.   Ingeval de lidstaten het nodig achten voor het bereiken van de doelstellingen van de schoolregeling en de doelstellingen genoemd in de in lid 8 bedoelde strategieën, mogen zij naast de producten bedoeld in de leden 3 en 4 ter aanvulling ook de in bijlage V bedoelde producten verstrekken.

In dat geval wordt de Uniesteun slechts uitgekeerd voor het melkbestanddeel van het verstrekte product. Dat melkbestanddeel mag qua gewicht niet lager zijn dan 90 % voor producten van categorie I van bijlage V, en 75 % voor producten van categorie II van bijlage V.

De Raad bepaalt de hoogte van de Uniesteun voor het melkbestanddeel overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU.

6.   Producten die in het kader van de schoolregeling worden verstrekt, bevatten niets van het volgende:

a)

toegevoegde suiker;

b)

toegevoegd zout;

c)

toegevoegde vetten;

d)

toegevoegde zoetstoffen;

e)

toegevoegde kunstmatige smaakversterkers E 620 tot en met E 650 als omschreven in Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad (*).

Niettegenstaande de eerste alinea van dit lid kan iedere lidstaat besluiten, nadat daarvoor toestemming is verkregen van zijn voor gezondheid en voeding verantwoordelijke nationale autoriteiten, conform zijn nationale procedures, dat subsidiabele producten als bedoeld in de punten 4 en 5 beperkte hoeveelheden toegevoegde suikers, toegevoegd zout en/of toegevoegde vetten mogen bevatten.

7.   Naast de producten bedoeld in de leden 3, 4 en 5 van dit artikel, kunnen de lidstaten bepalen dat andere landbouwproducten worden opgenomen in het kader van de begeleidende educatieve maatregelen, met name die welke worden genoemd in artikel 1, lid 2, onder g) en v).

8.   Als voorwaarde voor zijn deelname aan de schoolregeling stelt een lidstaat, voorafgaand aan zijn deelname en vervolgens om de zes jaar, op nationaal of regionaal niveau een strategie voor de uitvoering daarvan vast. Deze strategie kan worden gewijzigd door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling daarvan op nationaal of regionaal niveau, in het bijzonder in het licht van monitoring en evaluatie, en van de bereikte resultaten. In de strategie wordt op zijn minst aangegeven in welke behoeften moet worden voorzien en hoe deze zijn geprioriteerd, wat de doelgroep is, welke resultaten moeten worden bereikt en, indien voorhanden, wat de gekwantificeerde streefdoelen ten opzichte van de uitgangssituatie zijn. Ook wordt aangegeven wat de meest geschikte instrumenten en acties zijn om die doelstellingen te bereiken.

De strategieën kunnen specifieke elementen in verband met de uitvoering van de schoolregeling bevatten, waaronder die ter vereenvoudiging van het beheer ervan.

9.   De lidstaten stellen in het kader van hun strategieën een lijst op van alle producten die in het kader van de schoolregeling moeten worden geleverd, hetzij door reguliere verstrekking of in het kader van educatieve begeleidende maatregelen. Onverminderd lid 6, moeten zij er ook voor zorgen dat de voor gezondheid en voeding verantwoordelijke nationale autoriteiten voldoende betrokken zijn bij de opstelling van die lijst, of dat deze autoriteiten de gepaste toestemming hebben gegeven voor die lijst, in overeenstemming met nationale procedures.

10.   Om de schoolregeling doeltreffend te doen functioneren, voorzien de lidstaten tevens in begeleidende educatieve maatregelen, die onder meer maatregelen en activiteiten kunnen omvatten welke erop zijn gericht kinderen weer in contact te brengen met landbouw via activiteiten, zoals boerderijbezoeken, en de verstrekking van een grotere verscheidenheid aan landbouwproducten zoals bedoeld in lid 7. Deze maatregelen kunnen ook bedoeld zijn voor de educatie van kinderen ten aanzien van daarmee verband houdende kwesties, zoals gezonde eetgewoonten, lokale voedselketens, biologische landbouw, duurzame productie of de strijd tegen voedselverspilling.

11.   De lidstaten selecteren de producten die worden verstrekt of worden opgenomen in begeleidende educatieve maatregelen, op basis van één of meer van de volgende objectieve criteria: gezondheids- en milieuoverwegingen, seizoensgebondenheid, verscheidenheid en beschikbaarheid van lokale of regionale producten, waarbij voor zover mogelijk voorrang wordt gegeven aan uit de Unie afkomstige producten. De lidstaten kunnen met name lokale of regionale aankopen, biologische producten, korte toeleveringsketens of milieubaten en, indien nodig, producten aanmoedigen die op grond van de kwaliteitsregelingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 zijn erkend.

De lidstaten kunnen in hun strategieën voorrang geven aan overwegingen betreffende duurzaamheid en eerlijke handel.

Artikel 23 bis

Financiële bepalingen

1.   Onverminderd lid 4 van dit artikel mag de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt toegewezen voor de verstrekking van producten, de begeleidende educatieve maatregelen en de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, niet meer bedragen dan 250 miljoen EUR per schooljaar.

Binnen dat algemene maximum, bedraagt de steun maximaal:

a)

voor schoolgroenten en -fruit: 150 miljoen EUR per schooljaar;

b)

voor schoolmelk: 100 miljoen EUR per schooljaar.

2.   Bij de toewijzing van de in lid 1 bedoelde steun wordt voor elke lidstaat rekening gehouden met het volgende:

a)

het aantal kinderen van zes tot tien jaar in de betrokken lidstaat;

b)

de mate van ontwikkeling van de gebieden in de betrokken lidstaat, zodat aan minder ontwikkelde gebieden en aan de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013 meer steun wordt toegewezen, en

c)

voor schoolmelk, naast de onder a) en b) vermelde criteria, de besteding in het verleden van de Uniesteun voor de verstrekking van melk en zuivelproducten aan kinderen.

De toewijzingen voor de betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat hogere steun wordt toegekend aan de in artikel 349 VWEU genoemde ultraperifere gebieden, om rekening te houden met de specifieke situatie van deze regio's wat betreft het betrekken van producten, en om te stimuleren dat ultraperifere gebieden die geografisch dicht bij elkaar liggen, producten van elkaar betrekken.

Bij de toewijzingen voor schoolmelk op grond van de in dit lid genoemde criteria moet ervoor worden gezorgd dat alle lidstaten recht hebben op ten minste een minimumbedrag aan Uniesteun per kind in de leeftijdsgroep bedoeld in de eerste alinea, onder a). Dat bedrag mag niet lager zijn dan het gemiddelde bedrag, berekend over alle lidstaten, van de Uniesteun per kind in het kader van de schoolmelkregeling die van toepassing was vóór 1 augustus 2017.

De Raad neemt overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU maatregelen voor de vaststelling van indicatieve en definitieve toewijzingen en voor de herverdeling van Uniesteun voor schoolgroenten en -fruit en voor schoolmelk.

3.   Lidstaten die willen deelnemen aan de schoolregeling dienen elk jaar een verzoek in voor Uniesteun in, onder vermelding van het gevraagde bedrag voor schoolgroenten en -fruit en schoolmelk die ze willen verstrekken.

4.   Een lidstaat kan één keer per schooljaar maximaal 20 % van één of meer van zijn indicatieve toewijzingen overdragen, mits het in lid 1 genoemde algemene maximum van 250 miljoen EUR niet wordt overschreden.

Dit percentage mag tot 25 % worden verhoogd voor lidstaten met ultraperifere gebieden vermeld in artikel 349 VWEU en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen, bijvoorbeeld indien een lidstaat een specifieke marktsituatie moet aanpakken in de sector waarop de schoolregeling van toepassing is, zijn bijzondere bezorgdheid over de geringe consumptie van een bepaalde groep producten, of andere maatschappelijke veranderingen.

Overdrachten kunnen worden gedaan:

a)

voorafgaand aan de vaststelling van de definitieve toewijzingen voor het volgende schooljaar, tussen de indicatieve toewijzingen van de lidstaat, of

b)

na het begin van het schooljaar, tussen de definitieve toewijzingen van de lidstaat, indien die toewijzingen zijn vastgesteld voor de betrokken lidstaat.

De in punt a) van de derde alinea bedoelde overdrachten mogen niet worden gedaan uitgaande van de indicatieve toewijzing voor de groep producten waarvoor de betrokken lidstaat om een bedrag verzoekt dat hoger is dan zijn indicatieve toewijzing. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het bedrag van de overdrachten tussen de indicatieve toewijzingen.

5.   De schoolregeling laat aparte nationale schoolregelingen die verenigbaar zijn met Unierecht, onverlet. De in artikel 23 bedoelde Uniesteun kan worden gebruikt om het toepassingsgebied of de doeltreffendheid van bestaande nationale schoolregelingen of regelingen voor de verstrekking van schoolgroenten en -fruit en schoolmelk te vergroten, maar mag niet in de plaats komen van de financiering voor die bestaande nationale regelingen, behalve voor de gratis verstrekking van maaltijden aan kinderen in onderwijsinstellingen. Indien een lidstaat besluit de werkingssfeer van een bestaande nationale schoolregeling uit te breiden of doeltreffender te maken door te verzoeken om Uniesteun, vermeldt hij in de in artikel 23, lid 8, bedoelde strategie hoe dit zal worden gerealiseerd.

6.   De lidstaten kunnen de Uniesteun aanvullen met nationale steun voor de financiering van de schoolregeling.

De lidstaten kunnen die steun financieren met de opbrengsten van een door de betrokken sector te betalen heffing of met een andere door de particuliere sector te leveren bijdrage.

7.   De Unie kan krachtens artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 tevens financiering verlenen voor voorlichtings-, publiciteits-, monitoring- en evaluatiemaatregelen met betrekking tot de schoolregeling, onder meer door maatregelen voor de bewustmaking van het publiek van de doelstellingen van de regeling, en voor gerelateerde maatregelen op het gebied van netwerkvorming die gericht zijn op de uitwisseling van ervaring en beste praktijken ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging en het beheer van de regeling.

De Commissie kan, overeenkomstig artikel 24, lid 4, van deze verordening, een gemeenschappelijke identiteit of grafische elementen voor de vergroting van de zichtbaarheid van de schoolregeling ontwikkelen.

8.   De aan de schoolregeling deelnemende lidstaten maken in de schoolgebouwen of op andere relevante plaatsen bekend dat zij aan de schoolregeling deelnemen en wijzen daarbij op de rol van de Unie als subsidieverstrekker. De lidstaten mogen alle geschikte publiciteitsmiddelen gebruiken, daaronder begrepen posters, specifieke websites, informatief grafisch materiaal, en voorlichtings- en bewustmakingscampagnes. De lidstaten dragen zorg voor de meerwaarde en zichtbaarheid van de schoolregeling van de Unie ten opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen.

Artikel 24

Gedelegeerde bevoegdheden

1.   Teneinde gezonde eetgewoonten bij kinderen te bevorderen en ervoor te zorgen dat de steun die uit hoofde van de schoolregeling wordt verstrekt, ten bate komt van kinderen in de in artikel 22 genoemde doelgroep, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende voorschriften inzake:

a)

de aanvullende criteria inzake de subsidiabiliteit van de in artikel 22 bedoelde doelgroep;

b)

de erkenning en selectie van steunaanvragers door de lidstaten;

c)

de opstelling van de nationale of regionale strategieën en inzake de begeleidende educatieve maatregelen.

2.   Teneinde een doelmatige en doelgerichte besteding van de Uniemiddelen te waarborgen en de uitvoering van de schoolregeling te vergemakkelijken, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de vaststelling van de kosten en maatregelen die in aanmerking komen voor Uniesteun;

b)

de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid van hun schoolregeling te monitoren en te evalueren.

3.   Teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke ontwikkelingen, wordt de Commissie gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 227, met het oog op het aanvullen van de lijst van kunstmatige smaakversterkers bedoeld in artikel 23, lid 6, eerste alinea, onder e).

Teneinde ervoor te zorgen dat de producten die zijn verstrekt overeenkomstig artikel 23, leden 3, 4 en 5, voldoen aan de doelstellingen van de schoolregeling, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 227, ter bepaling van de maximumgehalten voor toegevoegde suiker, toegevoegd zout en toegevoegd vet die door de lidstaten kunnen worden toegestaan overeenkomstig artikel 23, lid 6, tweede alinea, en die technisch noodzakelijk zijn voor de bereiding of vervaardiging van verwerkte producten.

4.   Teneinde de schoolregeling onder de aandacht van het publiek te brengen en de zichtbaarheid van de Uniesteun te vergroten, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de lidstaten die aan de schoolregeling deelnemen, ertoe worden verplicht duidelijk bekendheid te geven aan het feit dat zij Uniesteun krijgen voor de uitvoering van de regeling, onder meer met betrekking tot:

a)

indien nodig, de vaststelling van specifieke criteria inzake de presentatie, de samenstelling, de afmetingen en het ontwerp van de gemeenschappelijke identiteit of de grafische elementen;

b)

de specifieke criteria inzake het gebruik van publiciteitsmiddelen.

5.   Teneinde de meerwaarde en de zichtbaarheid van de schoolregeling te waarborgen, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften voor de verstrekking van producten ten opzichte van de verstrekking van andere maaltijden in onderwijsinstellingen.

6.   Aangezien ervoor moet worden gezorgd dat de Uniesteun tot uitdrukking komt in de prijs waartegen de producten in het kader van de schoolregeling beschikbaar worden gesteld, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarbij de lidstaten worden verplicht in hun strategieën uit te leggen hoe dit zal worden gerealiseerd.

Artikel 25

Uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig de onderzoeksprocedure

De Commissie kan bij wege van uitvoeringshandelingen de voor de toepassing van deze afdeling vereiste maatregelen vaststellen, onder andere met betrekking tot:

a)

de informatie die in de strategieën van de lidstaten moet worden opgenomen;

b)

de steunaanvragen en betalingen, met inbegrip van de vereenvoudiging van de procedures die voortvloeien uit het gemeenschappelijk kader voor de schoolregeling;

c)

de methoden voor de bekendmaking van de schoolregeling en de maatregelen op het gebied van netwerkvorming in het kader van de regeling;

d)

de indiening, vorm en inhoud van de jaarlijkse verzoeken om steun en de monitoring- en evaluatieverslagen van de aan de schoolregeling deelnemende lidstaten;

e)

de toepassing van artikel 23 bis, lid 4, onder meer wat betreft de termijnen voor de overdrachten en de indiening, de vorm en de inhoud van de desbetreffende kennisgevingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

(*)  Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16).”."

2)

Artikel 217 wordt vervangen door:

„Artikel 217

Nationale betalingen voor de verstrekking van producten aan kinderen

De lidstaten kunnen nationale betalingen verrichten voor de financiering van de verstrekking, aan kinderen in onderwijsinstellingen, van de groepen subsidiabele producten bedoeld in artikel 23, voor begeleidende educatieve maatregelen in verband met dergelijke producten en voor de daarmee gepaard gaande kosten, zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, onder c).

De lidstaten kunnen deze betalingen financieren met de opbrengsten van een door de betrokken sector te betalen heffing of met een andere door de particuliere sector te leveren bijdrage.”.

3)

Aan artikel 225 worden de volgende punten toegevoegd:

„e)

uiterlijk op 31 juli 2023, over de toepassing van de toewijzingscriteria bedoeld in artikel 23 bis, lid 2;

f)

uiterlijk op 31 juli 2023, over het effect van de in artikel 23 bis, lid 4, bedoelde overdrachten op de doeltreffendheid van de schoolregeling ten opzichte van de verdeling van schoolgroenten en -fruit en schoolmelk.”.

4)

Bijlage V wordt vervangen door:

„BIJLAGE V

PRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 23, LID 5

Categorie I

Gefermenteerde zuivelproducten zonder vruchtensap, natuurlijk gearomatiseerd

Gefermenteerde zuivelproducten met vruchtensap, natuurlijk gearomatiseerd of niet-gearomatiseerd

Dranken op basis van melk met cacao, vruchtensap of natuurlijk gearomatiseerd

Categorie II

Gefermenteerde of niet-gefermenteerde zuivelproducten met fruit, natuurlijk gearomatiseerd of niet-gearomatiseerd.”.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1306/2013

In artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt punt d) vervangen door:

„d)

de financiële bijdrage van de Unie aan de maatregelen in verband met dierziekten en verlies van consumentenvertrouwen als bedoeld in artikel 220 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 mei 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

J.A. HENNIS-PLASSCHAERT


(1)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 142.

(2)  PB C 415 van 20.11.2014, blz. 30.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 8 maart 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 april 2016.

(4)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(5)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).


Top