EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R0539

Verordening (EU) 2016/539 van de Commissie van 6 april 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1178/2011 wat betreft opleidingen, tests en periodieke bekwaamheidsproeven voor piloten inzake prestatiegebaseerde navigatie (Voor de EER relevante tekst)

C/2016/1956

OJ L 91, 7.4.2016, p. 1–15 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/539/oj

7.4.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 91/1


VERORDENING (EU) 2016/539 VAN DE COMMISSIE

van 6 april 2016

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1178/2011 wat betreft opleidingen, tests en periodieke bekwaamheidsproeven voor piloten inzake prestatiegebaseerde navigatie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 7, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie (2) worden voorwaarden gesteld voor piloten die betrokken zijn bij de exploitatie van bepaalde luchtvaartuigen en vluchtnabootsers, en de personen en organisaties die betrokken zijn bij de opleiding, tests en bekwaamheidsproeven van die piloten.

(2)

In die verordening moeten aanvullende eisen worden opgenomen voor opleidingen, tests en periodieke bekwaamheidsproeven voor piloten die vluchten uitvoeren overeenkomstig procedures voor prestatiegebaseerde navigatie (PBN) en die daarom PBN-bevoegdheden in hun bevoegdverklaring voor instrumentvliegen (IR) moeten laten opnemen. De opname van die PBN-bevoegdheden mag voor de bevoegde autoriteit geen extra administratieve belasting met zich brengen.

(3)

Piloten die houder zijn van een IR en die op basis van de toepasselijke voorschriften van het nationaal recht of anderszins theoretische kennis en praktische vaardigheden inzake PBN-operaties hebben opgedaan vóór de toepassingsdatum van deze verordening, moeten worden geacht aan de aanvullende eisen te hebben voldaan als zij tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat de aldus verkregen kennis en vaardigheden gelijkwaardig zijn aan de kennis en vaardigheden die worden verkregen door de in het kader van deze verordening verplichte cursussen en opleidingen. De bevoegde autoriteiten moeten hun besluiten inzake de gelijkwaardigheid van dergelijke kennis en vaardigheden nemen op grond van objectieve gegevens en criteria.

(4)

Vooral in de general aviation vliegen niet alle piloten overeenkomstig de PBN-procedures, bijvoorbeeld omdat hun luchtvaartuigen of het plaatselijke luchtvaartterrein niet zijn uitgerust met de daarvoor geschikte gecertificeerde apparatuur. Daarom hebben die piloten op dit moment misschien geen aanvullende opleidingen en bekwaamheidsproeven voor prestatiegebaseerde navigatie nodig. Gezien het tempo waarin PBN-apparatuur en -procedures in de Unie worden ingevoerd, moet deze verordening voorzien in een redelijke termijn voor de toepassing van aanvullende eisen voor opleidingen, tests en periodieke bekwaamheidsproeven inzake PBN voor die piloten.

(5)

De periode waarin de lidstaten op hun grondgebied kunnen afzien van de toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1178/2011 voor piloten die houder zijn van een vergunning en een bijbehorend medisch certificaat afgegeven door een derde land dat betrokken is bij de niet-commerciële exploitatie van bepaalde luchtvaartuigen, moet worden verlengd omdat de Unie met bepaalde derde landen verder onderhandelt om dergelijke vergunningen en medische certificaten gemakkelijker te kunnen omzetten. Er moet worden verduidelijkt dat wanneer een lidstaat een dergelijk besluit neemt of heeft genomen, hij dat besluit op gepaste wijze bekend moet maken zodat alle betrokken partijen er nota van kunnen nemen en aan de eisen inzake transparantie en rechtszekerheid kan worden voldaan.

(6)

Ook moeten in Verordening (EU) nr. 1178/2011 aanvullende eisen worden opgenomen voor de bevoegdheden van piloten die vliegproeven uitvoeren, zodat die piloten een luchtvaartuig voor bepaalde vluchten kunnen besturen zonder dat zij houder zijn van de respectieve klasse- of typebevoegdverklaring.

(7)

In Verordening (EU) nr. 1178/2011 is bepaald dat de opleidingscursus voor meerpilootvliegbewijzen (multi-pilot licences, MPL) uitsluitend wordt gegeven door een erkende opleidingsorganisatie die deel uitmaakt van een luchtvervoersonderneming. Bovendien is in die verordening bepaald dat de houder van een MPL de MPL-bevoegdheden niet mag uitoefenen tenzij hij bij dezelfde exploitant een conversiecursus heeft voltooid. Er zijn gevallen waarin door de schuld van de exploitant sommige houders van een MPL de conversiecursus niet kunnen voltooien en dus niet voor diezelfde of een andere exploitant kunnen werken. Door de beperking op de uitoefening van MPL-bevoegdheden ergens anders, zijn die houders van een MPL benadeeld, zonder dat dit wordt gerechtvaardigd door veiligheidsoverwegingen. Piloten die een andere exploitant kiezen, moeten de conversiecursus van de nieuwe exploitant voltooien, ondanks het feit dat zij een conversiecursus hebben gevolgd bij de vorige exploitant. Bovendien moet een exploitant bij een conversiecursus ten volle rekening houden met de ervaring van de piloten die zich bij de desbetreffende exploitant aansluiten. Daarom moet die beperking worden opgeheven. Aldus worden de MPL-vereisten ook in overeenstemming gebracht met de ICAO-normen.

(8)

Verordening (EU) nr. 1178/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn gebaseerd op het overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 uitgebrachte advies (3) van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 4 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 4 bis

Bevoegdverklaring voor instrumentvliegen met prestatiegebaseerde navigatie

1.   Piloten mogen alleen volgens procedures voor prestatiegebaseerde navigatie („PBN”) vliegen nadat zij PBN-bevoegdheden hebben verkregen die in hun bevoegdverklaring voor instrumentvliegen („IR”) zijn opgenomen.

2.   Aan een piloot worden PBN-bevoegdheden verleend als hij of zij aan alle volgende eisen voldoet:

a)

de piloot heeft met succes een opleidingscursus voor theoriekennis, met inbegrip van PBN, voltooid overeenkomstig FCL.615 van bijlage I (deel-FCL);

b)

de piloot heeft met succes een vliegopleiding, met inbegrip van PBN, voltooid overeenkomstig FCL.615 van bijlage I (deel-FCL);

c)

de piloot heeft met succes een vaardigheidstest overeenkomstig aanhangsel 7 van bijlage I (deel-FCL) afgelegd of een vaardigheidstest of bekwaamheidsproef overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage I (deel-FCL) afgelegd.

3.   Aan de voorwaarden van lid 2, onder a) en b), wordt geacht te zijn voldaan als de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de verworven bekwaamheid, door opleiding of door vertrouwdheid met PBN-operaties, gelijkwaardig is aan de bekwaamheid die door de onder a) en b) genoemde cursussen wordt verkregen, en de piloot dergelijke bekwaamheid tot tevredenheid van de examinator aantoont tijdens de onder c) genoemde bekwaamheidsproef of vaardigheidstest.

4.   Nadat de piloot de onder c) genoemde vaardigheidstest of bekwaamheidsproef heeft afgelegd, wordt in zijn logboek of in een gelijkwaardig document opgenomen dat hij zijn PBN-bekwaamheid met succes heeft aangetoond, ondertekend door de examinator die de test of proef heeft afgenomen.

5.   IR-piloten zonder PBN-bevoegdheden mogen alleen routes vliegen en naderingen uitvoeren waarvoor geen PBN-bevoegdheden zijn vereist; tot en met 25 augustus 2020 zijn voor de verlenging van hun IR geen PBN-bevoegdheden vereist. Na die datum zijn voor elke IR PBN-bevoegdheden vereist.”.

2)

Aan artikel 10 bis wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

„5.   Organisaties voor de opleiding van piloten zorgen ervoor dat uiterlijk 25 augustus 2020 in de door hen aangeboden IR-opleidingscursussen een opleiding voor PBN-bevoegdheden is opgenomen die voldoet aan de eisen van bijlage I (deel-FCL).”.

3)

Artikel 12, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten besluiten de bepalingen van deze verordening tot en met 8 april 2017 niet toe te passen op piloten die houder zijn van een bewijs van bevoegdheid en bijbehorend medisch certificaat afgegeven door een derde land dat betrokken is bij de niet-commerciële exploitatie van de in artikel 4, lid 1, onder b) of c), van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde luchtvaartuigen. De lidstaten maken die besluiten openbaar.”.

4)

De bijlagen I en VII worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 8 april 2016.

De leden 1, 2 en 4 van artikel 1 zijn echter van toepassing vanaf 25 augustus 2018, met uitzondering van lid 1, onder g), van de bijlage, dat van toepassing is vanaf 8 april 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 april 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 79 van 13.3.2008, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(3)  Advies van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart nr. 03/2015 van 31.3.2015 voor een verordening van de Commissie voor de herziening van de operationele goedkeuringscriteria voor prestatiegebaseerde navigatie (PBN).


BIJLAGE

Bijlagen I en VII bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in FCL.010 worden de volgende definities ingevoegd:

„„Hoeknadering”: een instrumentnadering waarbij de maximaal toelaatbare fout/afwijking van de geplande grondkoers is uitgedrukt in termen van afwijking van de wijzers van de koersaanwijzer of een gelijkwaardig instrument in de cockpit.

„Lineaire nadering”: een instrumentnadering waarbij de maximaal toelaatbare fout/afwijking van de geplande grondkoers bij een zijdelingse afwijking van de koerslijn is uitgedrukt in lengte-eenheden, bijvoorbeeld zeemijl.

„LNAV”: laterale navigatie.

„LPV”: localiserprestatie met verticale begeleiding.

„prestatiegebaseerde navigatie (PBN)”: gebiedsnavigatie op basis van prestatievereisten voor luchtvaartuigen die op een ATS-route vliegen, op basis van een instrumentnaderingsprocedure of in een aangewezen luchtruim.

„RNP APCH”: een PBN-specificatie die wordt gebruikt voor instrumentnaderingen.

„RNP APCH-operatie tot op LNAV-minima”: een 2D-instrumentnadering waarbij de laterale geleiding is gebaseerd op GNSS-plaatsbepaling.

„RNP APCH-operatie tot op LNAV/VNAV-minima”: een 3D-instrumentnadering waarbij de laterale geleiding is gebaseerd op GNSS-plaatsbepaling en de verticale geleiding, hetzij op de BaroVNAV-functie, hetzij op GNSS-plaatsbepaling met SBAS.

„RNP APCH-operatie tot op LPV-minima”: een 3D-instrumentnadering waarbij zowel de laterale als verticale geleiding is gebaseerd op GNSS-plaatsbepaling met SBAS.

„RNP AR APCH”: een navigatiespecificatie die wordt gebruikt bij instrumentnaderingen waarvoor een specifieke goedkeuring nodig is.

„Driedimensionale (3D-)instrumentnadering”: een instrumentnadering waarbij gebruik wordt gemaakt van zowel laterale als verticale navigatiegeleiding.

„Tweedimensionale (2D-)instrumentnadering”: een instrumentnadering waarbij alleen laterale navigatiegeleiding wordt gebruikt.

„VNAV”: verticale navigatie.”;

b)

FCL.600 IR wordt vervangen door:

„Behalve als voorzien in FCL.825 mogen vliegbewegingen onder IFR op een vleugelvliegtuig, helikopter, luchtschip of powered-lift luchtvaartuig alleen worden uitgevoerd door houders van:

a)

een PPL, CPL, MPL en ATPL, en

b)

een IR met bevoegdheden die geschikt zijn voor de toepasselijke luchtruimvoorschriften en de luchtvaartuigcategorie, behalve wanneer zij vaardigheidstesten en bekwaamheidsproeven afleggen of dubbelbesturingsonderricht krijgen.”;

c)

punt a) van FCL.605.IR wordt vervangen door:

„a)

Tot de bevoegdheden van een houder van een IR behoort het besturen van een luchtvaartuig onder IFR, met inbegrip van PBN-operaties, met een minimumbeslissingshoogte van 200 voet (60 m).”;

d)

punt a) van FCL.700 wordt vervangen door:

„a)

Houders van een bewijs van bevoegdheid mogen niet optreden als bestuurder van een luchtvaartuig, tenzij zij in het bezit zijn van een geldige en passende klasse- of typebevoegdverklaring, behalve:

i)

in het geval van een LAPL, SPL en BPL;

ii)

wanneer zij een vaardigheidstest of bekwaamheidsproef voor de verlenging van een klasse- of typebevoegdverklaring ondergaan;

iii)

wanneer zij vlieginstructie krijgen;

iv)

wanneer zij houder zijn van een bevoegdverklaring voor testvliegen die is afgegeven overeenkomstig FCL.820.”;

e)

punt c) van FCL.700 wordt geschrapt;

f)

in punt c) van FCL.820 wordt punt 3) vervangen door:

„3)

het uitvoeren van vluchten zonder een type- of klassebevoegdverklaring zoals gedefinieerd in subdeel H, behalve dat de bevoegdverklaring voor testvliegen niet mag worden gebruikt voor commerciële luchtvervoersactiviteiten.”;

g)

punt 2 van aanhangsel 5 wordt vervangen door:

„2.

Goedkeuring voor een MPL-opleidingscursus wordt alleen verleend aan een ATO die deel uitmaakt van een exploitant van commercieel luchtvervoer die is gecertificeerd conform deel ORO of aan een ATO met een specifieke regeling met een dergelijke exploitant.”;

h)

aanhangsel 7 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 1 wordt vervangen door:

„1.

Een kandidaat voor een IR moet instructie hebben genoten op hetzelfde type of dezelfde klasse luchtvaartuig dat bij de test zal worden gebruikt en dat naar behoren is uitgerust voor opleidings- en testdoeleinden.”;

ii)

punt 11 wordt vervangen door:

„11.

De onderstaande limieten zijn van toepassing, met een marge voor turbulente omstandigheden en de kenmerken voor het vlieggedrag en de prestaties van het gebruikte luchtvaartuig:

Hoogte

Algemeen

± 100 voet

Initiëren van doorstart op beslissingshoogte (DH/DA)

+ 50 voet/– 0 voet

Minimale dalingshoogte (MDH)/MAP/hoogte boven gemiddeld zeeniveau

+ 50 voet/– 0 voet

Volgen van grondkoersen

aan de hand van radiohulpmiddelen

± 5°

Voor hoekafwijkingen

Halve schaaluitslag, azimut en glijpad (bv. LPV, ILS, MLS, GLS)

2D (LNAV) en 3D (LNAV/VNAV) „lineaire” zijdelingse afwijkingen

De koerslijnfout/-afwijking wordt onder normale omstandigheden beperkt tot ±

Formula

van de RNP-waarde die aan de procedure verbonden is. Korte afwijkingen van die norm met een maximum van eenmaal de RNP-waarde zijn toegestaan.

3D lineaire verticale afwijkingen (bv. RNP APCH (LNAV/VNAV) met gebruik van BaroVNAV)

Nooit meer dan – 75 voet onder het verticale profiel, en niet meer dan + 75 voet boven het verticale profiel op of onder 1 000 voet boven het luchtvaartterrein.

Koers

Alle motoren in werking

± 5°

Met gesimuleerde motorstoring

± 10°

Snelheid

Alle motoren in werking

± 5 knopen

Met gesimuleerde motorstoring

+ 10 knopen/– 5 knopen

INHOUD VAN DE TEST

Vleugelvliegtuigen

SECTIE 1 — HANDELINGEN VOORAFGAAND AAN VLUCHT EN VERTREK

Gebruik van checklist, vliegerschap, procedures voor het voorkomen van ijsafzetting/verwijderen van ijs enz. zijn op alle secties van toepassing

a

Gebruik van het vlieghandboek (of gelijkwaardig), met name berekening van de prestatie van het luchtvaartuig, massa en zwaartepunt

b

Gebruik van luchtverkeersdienstdocument, meteorologisch document

c

Voorbereiding van ATC-vliegplan, IFR-vliegplan/logboek

d

Identificatie van de vereiste navigatiediensten voor vertrek-, aankomst- en naderingsprocedures

e

Inspectie vóór de vlucht

f

Meteorologische minima

g

Taxiën

h

PBN-vertrek (indien van toepassing):

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

i

Briefing voor de start, opstijgen

j (1)

Overgang naar instrumentvliegen

k (1)

Instrumentvertrekprocedures, inclusief PBN-vertrek, en hoogtemeterinstelling

l (1)

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 2 — ALGEMENE BESTURING (1)

a

Besturen van het vleugelvliegtuig uitsluitend op instrumenten, inclusief: horizontaal vliegen bij verschillende snelheden, trimmen

b

Bochten tijdens de klim- en daalvlucht met standaardbocht (rate 1)

c

Herstellen uit ongewone vliegstanden, inclusief bochten met aanhoudende 45° dwarshelling en steile bochten tijdens het dalen

d (*)

Herstellen van nadering tot overtrek in horizontale vlucht, in bochten tijdens klimmen/dalen en in de landingsconfiguratie — enkel van toepassing op vleugelvliegtuigen

e

Beperkt instrumentenpaneel: gestabiliseerde klim of daling met standaardbocht (rate 1) op bepaalde luchtkoersen, herstellen uit ongewone vliegstanden — enkel van toepassing op vleugelvliegtuigen

SECTIE 3 — IFR-PROCEDURES „EN ROUTE” (1)

a

Vasthouden, inclusief onderscheppen, van koersen naar en van bv. NDB, VOR, of een koers tussen waypoints

b

Gebruik van navigatiesysteem en radiohulpmiddelen

c

Horizontale vlucht, vasthouden van koers, hoogte en vliegsnelheid, vermogensinstelling, trimtechniek

d

Hoogtemeterinstellingen

e

Bepalen en herzien van ETA's (wachten „en route”, indien vereist)

f

Bewaken van vluchtvoortgang, vluchtlogboek, brandstofverbruik, systeemregeling

g

Procedures voor bescherming tegen ijsafzetting, indien nodig gesimuleerd

h

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 3 bis — AANKOMSTPROCEDURES

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen, indien van toepassing

b

Aankomstprocedures, hoogtemetercontroles

c

Hoogte- en snelheidsbeperkingen, indien van toepassing

d

PBN-aankomst (indien van toepassing):

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

SECTIE 4 (1) — 3D-OPERATIES (3)

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen

Controleren van verticale vliegroutehoek

Voor RNP APCH:

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

b

Naderings- en landingsbriefing, inclusief controles van daling/nadering/landing, inclusief identificatie van faciliteiten

c (2)

Wachtprocedure

d

Naleving van de gepubliceerde naderingsprocedure

e

Tijdplanning nadering

f

Het onder controle houden van hoogte, snelheid, koers (gestabiliseerde nadering)

g (2)

Doorstartactie

h (2)

Procedure voor afgebroken nadering/landing

i

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 5 (1) — 2D-OPERATIES (3)

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen

Voor RNP APCH:

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

b

Naderings- en landingsbriefing, inclusief controles van daling/nadering/landing, inclusief identificatie van faciliteiten

c (2)

Wachtprocedure

d

Naleving van de gepubliceerde naderingsprocedure

e

Tijdplanning nadering

f

Het onder controle houden van hoogte/afstand tot de MAPt, snelheid en koers (gestabiliseerde nadering), stop down fixes (SDF(s)), indien van toepassing

g (2)

Doorstartactie

h (2)

Procedure voor afgebroken nadering/landing

i

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 6 — VLUCHT MET ÉÉN UITGESCHAKELDE MOTOR (alleen meermotorige vleugelvliegtuigen) (1)

a

Gesimuleerde motorstoring na de start of tijdens de doorstart

b

Nadering, doorstart en procedure voor afgebroken nadering met één uitgeschakelde motor

c

Nadering en landing met één uitgeschakelde motor

d

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures


Helikopters

SECTIE 1 — VERTREK

Gebruik van checklist, vliegerschap, procedures voor het voorkomen van ijsafzetting/verwijderen van ijs enz. zijn op alle secties van toepassing

a

Gebruik van het vlieghandboek (of gelijkwaardig), met name berekening van de prestatie van het luchtvaartuig, massa en zwaartepunt

b

Gebruik van luchtverkeersdienstdocument, meteorologisch document

c

Voorbereiding van ATC-vliegplan, IFR-vliegplan/logboek

d

Identificatie van de vereiste navigatiediensten voor vertrek-, aankomst- en naderingsprocedures

e

Inspectie vóór de vlucht

f

Meteorologische minima

g

Taxiën/luchttaxivlucht conform ATC of instructies van instructeur

h

PBN-vertrek (indien van toepassing):

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

i

Briefing voor de start, procedures en controles

j

Overgang naar instrumentvliegen

k

Instrumentvertrekprocedures, inclusief PBN-procedures

SECTIE 2 — ALGEMENE BEDIENING

a

Besturen van de helikopter uitsluitend op instrumenten, inclusief:

b

Bochten tijdens de klim- en daalvlucht met standaardbocht (rate 1)

c

Herstellen uit ongewone vliegstanden, inclusief bochten met aanhoudende 30° dwarshelling en steile bochten tijdens het dalen

SECTIE 3 — IFR-PROCEDURES „EN ROUTE”

a

Vasthouden, inclusief onderscheppen van koersen naar en van bv. NDB, VOR, RNAV

b

Gebruik van radiohulpmiddelen

c

Horizontale vlucht, vasthouden van koers, hoogte en vliegsnelheid, vermogensinstelling

d

Hoogtemeterinstellingen

e

Het bepalen en herzien van ETA's

f

Monitoring van vluchtvoortgang, vluchtlogboek, brandstofverbruik, systeembeheer

g

Procedures voor bescherming tegen ijsafzetting, indien nodig gesimuleerd, enkel indien van toepassing

h

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 3 bis — AANKOMSTPROCEDURES

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen, indien van toepassing

b

Aankomstprocedures, hoogtemetercontroles

c

Hoogte- en snelheidsbeperkingen, indien van toepassing

d

PBN-aankomst (indien van toepassing)

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

SECTIE 4 — 3D-OPERATIES (4)

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen

Controleren van verticale vliegroutehoek voor RNP APCH:

a)

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

b)

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

b

Naderings- en landingsbriefing, inclusief controles van daling/nadering/landing

c (**)

Wachtprocedure

d

Naleving van de gepubliceerde naderingsprocedure

e

Tijdplanning nadering

f

Het onder controle houden van hoogte, snelheid, koers (gestabiliseerde nadering)

g (**)

Doorstartactie

h (**)

Procedure voor afgebroken nadering/landing

i

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 5 — 2D-OPERATIES (4)

a

Instellen en controleren van navigatiehulpmiddelen

Voor RNP APCH:

controleren of de juiste procedure in het navigatiesysteem is geladen; en

kruiscontrole van het navigatiescherm en de departure chart.

b

Naderings- en landingsbriefing, inclusief controles van daling/nadering/landing en identificatie van faciliteiten

c (**)

Wachtprocedure

d

Naleving van de gepubliceerde naderingsprocedure

e

Tijdplanning nadering

f

Het onder controle houden van hoogte, snelheid, koers (gestabiliseerde nadering)

g (**)

Doorstartactie

h (**)

Procedure voor afgebroken nadering (**)/landing

i

Contact met ATC — naleving, R/T-procedures

SECTIE 6 — ABNORMALE PROCEDURES EN NOODPROCEDURES

Deze sectie kan worden gecombineerd met secties 1 t/m 5. De test heeft betrekking op het onder controle houden van de helikopter, de identificatie van de defecte motor, onmiddellijke acties („touch drills”), vervolgacties en checks, en vliegnauwkeurigheid, in de volgende situaties:

a

Gesimuleerde motorstoring na de start en bij/tijdens de nadering (***) (op een veilige hoogte, tenzij uitgevoerd in een FFS of FNPT II/III, FTD 2/3)

b

Uitval van de stabiliteitverbeterende apparatuur/het hydraulische systeem (indien van toepassing)

c

Beperkt instrumentenpaneel

d

Autorotatie en herstel naar een van tevoren ingestelde hoogte

e

Handmatige 3D-operaties zonder stuurcommandosysteem (****)

Handmatige 3D-operaties met stuurcommandosysteem (****)

i)

aanhangsel 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de voetnoot bij de tabel in sectie A wordt vervangen door:

„(*)

Op voorwaarde dat de kandidaat binnen de voorafgaande twaalf maanden ten minste drie vertrek- en naderingsprocedures onder IFR met uitoefening van PBN-bevoegdheden, waaronder één RNP APCH-nadering, heeft uitgevoerd op een vleugelvliegtuig van SP-klasse of SP-type met SP-bediening, of, voor meermotorige, andere dan HP complexe vleugelvliegtuigen, de kandidaat is geslaagd voor sectie 6 van de vaardigheidstest voor SP, andere dan HP complexe vleugelvliegtuigen, uitgevoerd uitsluitend aan de hand van instrumenten in SP-bediening.”;

ii)

de voetnoot bij de tabel in sectie B wordt vervangen door:

„(*)

Op voorwaarde dat de kandidaat binnen de voorafgaande twaalf maanden ten minste drie vertrek- en naderingsprocedures onder IFR met uitoefening van PBN-bevoegdheden, waaronder één RNP APCH-nadering (die een Point in Space (PiS)-nadering kan zijn), heeft uitgevoerd op een helikopter van SP-type in SP-bediening.”;

j)

aanhangsel 9 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 4 van sectie B wordt vervangen door:

„4.

De onderstaande limieten zijn van toepassing, met een marge voor turbulente omstandigheden en het vlieggedrag en de prestaties van het gebruikte luchtvaartuig.

Hoogte

Algemeen

± 100 voet

Initiëren van doorstart op beslissingshoogte (DH)

+ 50 voet/– 0 voet

Minimale dalingshoogte (MDH)/hoogte boven gemiddeld zeeniveau

+ 50 voet/– 0 voet

Volgen van grondkoersen

Aan de hand van radiohulpmiddelen

± 5°

Voor hoekafwijkingen

Halve schaaluitslag, azimut en glijpad (bv. LPV, ILS, MLS, GLS)

2D (LNAV) en 3D (LNAV/VNAV) „lineaire” afwijkingen

De koerslijnfout/-afwijking wordt onder normale omstandigheden beperkt tot ±

Formula

van de RNP-waarde die aan de procedure verbonden is. Korte afwijkingen van die norm met een maximum van eenmaal de RNP-waarde zijn toegestaan.

3D lineaire verticale afwijkingen (bv. RNP APCH (LNAV/VNAV) met gebruik van BaroVNAV)

Nooit meer dan – 75 voet onder het verticale profiel, en niet meer dan + 75 voet boven het verticale profiel op of onder 1 000 voet boven het luchtvaartterrein.

Koers

Alle motoren in werking

± 5°

Met gesimuleerde motorstoring

± 10°

Snelheid

Alle motoren in werking

± 5 knopen

Met gesimuleerde motorstoring

+ 10 knopen/– 5 knopen”;

ii)

het volgende punt h) wordt ingevoegd in punt 5 van sectie B:

„h)

Om PBN-bevoegdheden vast te stellen of in stand te houden moet één nadering een RNP APCH zijn. Wanneer een RNP APCH niet haalbaar is, moet de nadering worden uitgevoerd in een naar behoren uitgeruste FSTD.”;

iii)

de rijen 3B.4 en 3B.5 van de tabel in punt 5 van sectie B worden vervangen door:

„3B.4*

3D-operaties tot aan een DH/A van 200 voet (60 m) of tot aan hogere minima indien noodzakelijk voor de naderingsprocedure (de automatische piloot mag worden gebruikt tot aan het onderscheppen van het eindnaderingssegment van de verticale vliegroute)

 

P—–>

——>

 

M

 

3B.5*

2D-operaties tot MDH/A

 

P—–>

——>

 

M”

 

iv)

het volgende punt j) wordt ingevoegd in punt 6 van sectie B:

„j)

Om PBN-bevoegdheden vast te stellen of in stand te houden moet één nadering een RNP APCH zijn. Wanneer een RNP APCH niet haalbaar is, moet de nadering worden uitgevoerd in een naar behoren uitgeruste FSTD.”;

v)

rij 3.9.3 van de tabel in punt 6 van sectie B wordt vervangen door:

„3.9.3*

3D-operaties tot aan een DH/A van 200 voet (60 m) of tot aan hogere minima indien noodzakelijk voor de naderingsprocedure

 

 

 

 

 

 

 

Noot:

Volgens het vlieghandboek kan voor RNP APCH-procedures het gebruik van de automatische piloot of het stuurcommandosysteem noodzakelijk zijn. Bij de keuze van de handmatig te vliegen procedure wordt met dergelijke beperkingen rekening gehouden (kies, bijvoorbeeld, een ILS voor 3.9.3.1 in geval van een dergelijke beperking in het vlieghandboek).”

vi)

de rijen 3.9.3.4 en 3.9.4 van de tabel in punt 6 van sectie B worden vervangen door:

„3.9.3.4*

Handmatig, met een motor gesimuleerd buiten werking; motorstoring moet worden gesimuleerd tijdens de eindnadering vóór het passeren van 1 000  voet boven het luchtvaartterrein tot aan het landingsdoelpunt of gedurende de volledige afgebroken-naderingsprocedure.

In vleugelvliegtuigen die niet als transportvliegtuig (JAR/FAR 25) of als commutervliegtuig (SFAR 23) gecertificeerd zijn, moet de nadering met gesimuleerde motorstoring en de daaropvolgende doorstart worden begonnen in samenhang met de niet-precisienadering, zoals beschreven in 3.9.4. Met de doorstart moet worden begonnen bij het bereiken van de gepubliceerde hindernisvrije hoogte (OCH/A), echter niet na het bereiken van een minimumdalingshoogte (MDH/A) van 500 voet boven de baandrempelhoogte. In vleugelvliegtuigen met dezelfde prestatie als een transportvliegtuig betreffende startmassa en luchtdichtheidshoogte, kan de instructeur de motorstoring simuleren conform 3.9.3.4.

 

 

P—–>

—–>

 

M

 

3.9.4*

2D-operaties tot aan de MDH/A

 

 

P*—>

—–>

 

M”

 

vii)

rij 4.1 van de tabel in punt 6 van sectie B wordt vervangen door:

„4.1

Doorstart met alle motoren in werking* tijdens een 3D-operatie bij het bereiken van de beslissingshoogte

 

 

P*—>

—–>”

 

 

 

viii)

rij 5.1 van de tabel in punt 6 van sectie B wordt vervangen door:

„5.1

Normale landingen* met visuele referentie vastgesteld bij het bereiken van de DA/H volgend op een instrumentnadering

 

 

P”

 

 

 

 

ix)

in rij 6.2 van de tabel in punt 6 van sectie B wordt het woord „ILS” vervangen door: „CAT II/III”;

x)

in sectie C wordt punt a) in punt 4 vervangen door:

„a)

Limieten tijdens het IFR-vliegen

Hoogte

In het algemeen

± 100 voet

Initiëren van doorstart op beslissingshoogte (DH/DA)

+ 50 voet/– 0 voet

Minimale dalingshoogte (MDH)/hoogte boven gemiddeld zeeniveau

+ 50 voet/– 0 voet

Volgen van grondkoersen

M.b.v. radiohulpmiddelen

± 5°

3D hoekafwijkingen

Halve schaaluitslag, azimut en glijpad (bv. LPV, ILS, MLS, GLS)

2D (LNAV) en 3D (LNAV/VNAV) „lineaire” afwijking:

De koerslijnfout/-afwijking wordt onder normale omstandigheden beperkt tot ±

Formula

van de RNP-waarde die aan de procedure verbonden is. Korte afwijkingen van die norm met een maximum van eenmaal de RNP-waarde zijn toegestaan.

3D lineaire verticale afwijkingen (bv. RNP APCH (LNAV/VNAV) met BaroVNAV):

Nooit meer dan – 75 voet onder het verticale profiel, en niet meer dan + 75 voet boven het verticale profiel op of onder 1 000 voet boven het luchtvaartterrein.

Koers

Normale operaties

± 5°

Abnormale operaties/noodgevallen

± 10°

Snelheid

In het algemeen

± 10 knopen

Met gesimuleerde motorstoring

+ 10 knopen/– 5 knopen”;

xi)

de rijen 5.4, 5.4.1 en 5.4.2 van de tabel in punt 12 van sectie C worden vervangen door:

„5.4

3D-operaties tot aan een DH/A van 200 voet (60 m) of tot aan hogere minima indien noodzakelijk voor de naderingsprocedure

P*

—>*

—>*

 

 

 

5.4.1

Handmatig, zonder stuurcommandosysteem

Noot: Volgens het vlieghandboek kan voor RNP APCH-procedures het gebruik van de automatische piloot of het stuurcommandosysteem noodzakelijk zijn. Bij de keuze van de handmatig te vliegen procedure wordt met die beperkingen rekening gehouden (kies, bijvoorbeeld, een ILS voor 5.4.1 in geval van een dergelijke beperking in het vlieghandboek).

P*

—>*

—>*

 

M*

 

5.4.2

Handmatig, met stuurcommandosysteem

P*

—>*

—>*

 

M*”

 

xii)

de rijen 5.4.4 en 5.5 van de tabel in punt 12 van sectie C worden vervangen door:

„5.4.4

Handmatig, met één motor gesimuleerd buiten werking; motorstoring moet worden gesimuleerd tijdens de eindnadering vóór het passeren van 1 000  voet boven het luchtvaartterrein tot aan het landingsdoelpunt of totdat de afgebroken-naderingsprocedure is voltooid.

P*

—>*

—>*

 

M*

 

5.5

2D-operaties tot aan de minimumdalingshoogte (MDA/H)

P*

—>*

—>*

 

M*”

 

2)

In bijlage VII wordt punt a) van ORA.ATO.135 vervangen door:

„a)

De ATO dient gebruik te maken van een gepaste vloot opleidingsluchtvaartuigen of FSTD's die naar behoren zijn uitgerust voor de aangeboden opleidingscursussen.”.


(1)  

(°)

Moet worden uitgevoerd door zich enkel te baseren op instrumenten.

(*)  Mag worden uitgevoerd in een FFS, FTD 2/3 of FNPT II.

(2)  

(+)

Mag worden uitgevoerd in hetzij sectie 5, hetzij sectie 6.

(3)  

(++)

Om PBN-bevoegdheden vast te stellen of in stand te houden moet één nadering in hetzij sectie 4, hetzij sectie 5 een RNP APCH zijn. Wanneer een RNP APCH niet haalbaar is, moet de nadering worden uitgevoerd in een naar behoren uitgeruste FSTD.

(4)  

(+)

Om PBN-bevoegdheden vast te stellen of in stand te houden moet één nadering in hetzij sectie 4, hetzij sectie 5 een RNP APCH zijn. Wanneer een RNP APCH niet haalbaar is, moet de nadering worden uitgevoerd in een naar behoren uitgeruste FSTD.

(**)  Uit te voeren hetzij in sectie 4, hetzij in sectie 5.

(***)  Alleen meermotorige helikopter.

(****)  Slechts één item moet worden getoetst.”


Top