Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0107

Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

OJ L 359, 16.12.2014, p. 1–29 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/107/oj

16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/1


RICHTLIJN 2014/107/EU VAN DE RAAD

van 9 december 2014

tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een steeds groter probleem geworden, dat inmiddels zowel in de Unie als op mondiaal niveau hoog op de agenda staat. Niet-aangegeven en onbelaste inkomsten leiden tot een aanzienlijke derving van nationale belastingopbrengsten, en daarom moet de belastinginning dringend efficiënter en doelmatiger worden georganiseerd. Het automatisch uitwisselen van inlichtingen kan hierin een belangrijke rol spelen, en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, dan ook beklemtoond dat de automatische uitwisseling van gegevens sterk moet worden bevorderd als de toekomstige Europese en internationale standaard voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken.

(2)

Ook op internationaal niveau (G20 en G8) is onlangs erkend dat het automatisch uitwisselen van inlichtingen een belangrijk instrument in de strijd tegen grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking is. De Verenigde Staten van Amerika hebben met verschillende andere landen, waaronder alle lidstaten, bilaterale overeenkomsten onderhandeld over de bilaterale automatische uitwisseling van inlichtingen, ter uitvoering van de United States' Foreign Account Tax Compliance Act (algemeen bekend als „FATCA”); aansluitend hierop heeft de G20 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opdracht gegeven om, uitgaande van deze overeenkomsten, één mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen te ontwikkelen.

(3)

De Europese Raad heeft op 22 mei 2013 verzocht het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unieniveau en op mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning, en tevens zijn waardering uitgesproken voor de inspanningen die in de G20, de G8 en de OESO worden geleverd om een mondiale standaard te ontwikkelen voor automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden.

(4)

In februari 2014 heeft de OESO de belangrijkste elementen van een mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden gepresenteerd, met name een model voor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en een gezamenlijke rapportagestandaard, die vervolgens door de ministers van Financiën van de G20 en de presidenten van de centrale banken zijn bekrachtigd. In juli 2014 heeft de Raad van de OESO de volledige mondiale standaard gepresenteerd, met inbegrip van de resterende elementen, met name de opmerkingen over het model voor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard en de informatietechnologische modaliteiten voor de implementatie van de mondiale standaard. Het volledige pakket betreffende de mondiale standaard is in september 2014 door de ministers van Financiën van de G20 en de presidenten van de centrale banken onderschreven.

(5)

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (2) voorziet al in de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten voor bepaalde categorieën van inkomsten en vermogen, vooral van niet-financiële aard, die belastingplichtigen hebben in andere lidstaten dan hun staat van verblijf. Zij omvat ook een stapsgewijze aanpak voor de versterking van de automatische uitwisseling van inlichtingen door de geleidelijke uitbreiding tot nieuwe inkomsten- en vermogenscategorieën en het schrappen van de voorwaarde dat de inlichtingen slechts hoeven te worden uitgewisseld als zij beschikbaar zijn. Vandaag de dag boeten de bestaande Unie- en internationale instrumenten voor administratieve samenwerking op het gebied van belastingen, gezien de toegenomen mogelijkheden om in het buitenland te investeren in een breed scala van financiële producten, in aan doeltreffendheid bij het bestrijden van grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking.

(6)

Zoals door het verzoek van de Europese Raad wordt benadrukt, behoort sneller werk te worden gemaakt van de uitbreiding van de automatische inlichtingenuitwisseling waarin artikel 8, lid 5, van Richtlijn 2011/16/EU reeds voorziet voor ingezetenen van andere lidstaten. Een initiatief van de Unie garandeert een coherente, consistente en alomvattende Uniebrede aanpak van de automatische inlichtingenuitwisseling op de interne markt, die bij zowel belastingdiensten als marktdeelnemers tot kostenbesparingen zou leiden.

(7)

Het feit dat de lidstaten met de Verenigde Staten van Amerika een overeenkomst in verband met Fatca hebben gesloten of weldra zullen sluiten, betekent dat die lidstaten in een verdergaande samenwerking in de zin van artikel 19 van Richtlijn 2011/16/EU voorzien of zullen voorzien, en de verplichting hebben of zullen hebben om die verdergaande samenwerking ook aan andere lidstaten te verlenen.

(8)

Het sluiten van parallelle en niet op elkaar afgestemde overeenkomsten door de lidstaten op basis van artikel 19 van Richtlijn 2011/16/EU zou kunnen leiden tot verstoringen die de goede werking van de interne markt zouden schaden. Met een nieuw systeem van uitgebreide automatische inlichtingenuitwisseling op basis van een Uniebreed rechtsinstrument zou het niet meer nodig zijn dat lidstaten op basis van dit artikel bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten die, als er geen Uniewetgeving ter zake is, geschikt kunnen worden geacht.

(9)

Om de kosten te drukken en de administratieve lasten voor zowel de belastingdiensten als de marktdeelnemers te beperken, is het dan ook van cruciaal belang de uitbreiding van het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen binnen de Unie af te stemmen op internationale ontwikkelingen. Met het oog daarop moeten de lidstaten hun financiële instellingen regels inzake rapportage en due diligence opleggen die geheel consistent zijn met de regels van de door de OESO ontwikkelde gezamenlijke rapportagestandaard. Voorts moet het toepassingsgebied van artikel 8 van Richtlijn 2011/16/EU zo worden uitgebreid dat het dezelfde inlichtingencategorieën omvat als het model voor de overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard van de OESO. Verwacht wordt dat elke lidstaat slechts één lijst van op nationaal niveau gedefinieerde niet-rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen zal hebben, en deze zowel bij de uitvoering van deze richtlijn als bij de toepassing van andere overeenkomsten ter uitvoering van de mondiale standaard zal gebruiken.

(10)

De categorieën rapporterende financiële instellingen en te rapporteren rekeningen die door deze richtlijn worden bestreken, zijn bedoeld om de belastingplichtigen minder gelegenheid te geven om rapportage te vermijden door hun activa te verplaatsen naar financiële instellingen, of te investeren in financiële producten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Bepaalde financiële instellingen en rekeningen met een laag risico om voor belastingontduiking te worden gebruikt, zijn evenwel van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Over het algemeen dienen er geen drempels te worden opgenomen in deze richtlijn, aangezien deze gemakkelijk kunnen worden omzeild door rekeningen over verschillende financiële instellingen te splitsen. De financiële inlichtingen die moeten worden gerapporteerd en uitgewisseld dienen niet alleen betrekking te hebben op alle relevante inkomsten (interesten, dividenden en vergelijkbare soorten inkomsten), maar ook op het saldo van de rekeningen en de opbrengsten van de verkoop van financiële activa, zodat situaties kunnen worden aangepakt waarin een belastingplichtige tracht vermogen te verbergen dat inkomsten of activa vertegenwoordigt waarover belasting is ontdoken. Daarom is de verwerking van inlichtingen uit hoofde van deze richtlijn noodzakelijk en toereikend om de belastingdiensten van de lidstaten in staat te stellen correct en ondubbelzinnig te bepalen om welke belastingplichtigen het gaat, hun belastingwetgeving in grensoverschrijdende situaties toe te passen en te handhaven, te beoordelen hoe waarschijnlijk belastingontduiking is en onnodig verder onderzoek te vermijden.

(11)

Rapporterende financiële instellingen kunnen hun verplichtingen inzake het verstrekken van inlichtingen aan individuele te rapporteren personen nakomen door de nadere regelingen inzake verstrekking, met inbegrip van de frequentie daarvan, te volgen waarin op grond van hun interne procedures overeenkomstig hun nationale recht is voorzien.

(12)

Rapporterende financiële instellingen, verzendende lidstaten en ontvangende lidstaten mogen, in hun hoedanigheid van verantwoordelijke voor de verwerking, de overeenkomstig deze richtlijn verwerkte inlichtingen niet langer bewaren dan nodig is voor de toepassing van deze richtlijn. Gezien de verschillen in de wetgevingen van de lidstaten moet de maximale bewaartermijn worden vastgesteld op basis van de voorschriften inzake verjaring waarin is voorzien in de nationale belastingwetgeving van elke verantwoordelijke voor de verwerking.

(13)

Teneinde te garanderen dat deze richtlijn in heel de Unie consequent wordt toegepast moeten de lidstaten bij het implementeren uitgaan van het door de OESO ontwikkelde commentaar over het model voor de overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard, die zij ter illustratie of interpretatie kunnen gebruiken. De Unie dient in haar optreden in dit verband met name rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen op OESO-niveau.

(14)

De in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU vastgestelde voorwaarde dat de automatische uitwisseling afhankelijk kan zijn van de beschikbaarheid van de gevraagde inlichtingen dient niet te gelden voor de nieuwe bestanddelen die door deze richtlijn in Richtlijn 2011/16/EU zijn ingevoerd.

(15)

De verwijzing naar een minimumbedrag in artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2011/16/EU dient te worden geschrapt, aangezien een dergelijk minimumbedrag in de praktijk niet werkbaar lijkt.

(16)

De evaluatie van de beschikbaarheidsvoorwaarde die in 2017 moet worden uitgevoerd, dient te worden uitgebreid tot alle vijf in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU vermelde categorieën, zodat kan worden onderzocht of uitwisseling van inlichtingen door alle lidstaten voor al deze categorieën zinvol is.

(17)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met inbegrip van het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(18)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(19)

Gezien de bestaande structurele verschillen moet het aan Oostenrijk worden toegestaan om voor het eerst op 30 september 2018 in plaats van op 30 september 2017 automatisch krachtens deze richtlijn inlichtingen uit te wisselen.

(20)

Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2011/16/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3 wordt punt 9 vervangen door:

„9.

„automatische uitwisseling”, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen over ingezetenen van andere lidstaten aan de betrokken lidstaat van verblijf, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen. In de context van artikel 8 betekent „beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat. In de context van artikel 8, lid 3 bis, artikel 8, lid 7 bis, artikel 21, lid 2, en artikel 25, leden 2 en 3, hebben termen met een hoofdletter de betekenis die ze hebben in het kader van de overeenkomstige definities in bijlage I.”

.

2)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan aan de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat meedelen dat zij geen inlichtingen inzake een of meer van de in lid 1 vermelde inkomsten- en vermogenscategorieën wenst te ontvangen. Zij stelt ook de Commissie hiervan in kennis.

Een lidstaat die de Commissie niet in kennis stelt van enige categorie ten aanzien waarvan hij over inlichtingen beschikt, kan worden geacht geen inlichtingen overeenkomstig lid 1 te willen ontvangen.”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rapporterende financiële instellingen ertoe te verplichten de in de bijlagen I en II vervatte regels inzake rapportage en due diligence toe te passen en deze, overeenkomstig deel IX van bijlage I, effectief te implementeren en na te leven.

Overeenkomstig de in de bijlagen I en II vervatte toepasselijke regels inzake rapportage en due diligence verstrekt de bevoegde autoriteit van elke lidstaat binnen de in lid 6, onder b), vastgestelde termijn aan de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat automatisch de volgende inlichtingen met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2016 betreffende een te rapporteren rekening:

a)

de naam, het adres, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en, in het geval van een natuurlijke persoon, de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon die een rekeninghouder van de rekening is en, in het geval van een entiteit die een rekeninghouder is en waarvan met behulp van de regels inzake due diligence welke met de bijlagen sporen, wordt vastgesteld dat zij één of meer uiteindelijk belanghebbenden heeft die een te rapporteren persoon is, de naam, het adres en het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers van de entiteit en de naam, het adres, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon;

b)

het rekeningnummer (of het functionele equivalent daarvan bij het ontbreken van een rekeningnummer);

c)

de naam en (eventueel) het identificatienummer van de rapporterende financiële instelling;

d)

het saldo van de rekening of de waarde (in het geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering met inbegrip van de geldswaarde of waarde bij afkoop) aan het eind van het desbetreffende kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, of indien de rekening tijdens dat jaar of die periode werd opgeheven, de opheffing;

e)

ter zake van een bewaarrekening:

i)

het op de rekening (of ter zake van de rekening) gestorte of bijgeschreven totale brutobedrag aan rente, totale brutobedrag aan dividenden en totale brutobedrag aan overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

ii)

de totale bruto-opbrengsten van de verkoop, terugbetaling of afkoop van financiële activa gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling voor de rekeninghouder optrad als bewaarder, makelaar, vertegenwoordiger of anderszins als gevolmachtigde;

f)

ter zake van een depositorekening, het totale brutobedrag aan rente gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

g)

ter zake van een niet in lid 2, onder e) of onder f) omschreven rekening, het totale brutobedrag betaald of bijgeschreven op de rekening van de rekeninghouder met betrekking tot de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling een betalingsverplichting heeft of debiteur is, met inbegrip van het totaalbedrag aan afbetalingen aan de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

Ten behoeve van de uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van dit lid worden, het bedrag en de aard van betalingen verricht ter zake van een te rapporteren rekening vastgesteld in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, tenzij in dit lid of in de bijlagen anderszins is bepaald.

De eerste en de tweede alinea van dit lid hebben voorrang op lid 1, onder c), en andere rechtsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2003/48/EG (3) van de Raad, voor zover de betreffende uitwisseling van inlichtingen onder het toepassingsgebied van lid 1, onder c), of van enig ander rechtsinstrument van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2003/48/EG, zou vallen.

(3)  Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38).”"

;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Vóór 1 juli 2017 presenteert de Commissie een verslag met een overzicht en een beoordeling van de ontvangen statistieken en gegevens betreffende, onder meer, de administratieve en andere relevante kosten en de baten van automatische uitwisseling van inlichtingen, alsook de daarmee samenhangende praktische aspecten. Indien passend, dient de Commissie bij de Raad een voorstel in betreffende de categorieën van lid 1 en de in dat lid gestelde voorwaarden, met inbegrip van de voorwaarde dat inlichtingen betreffende ingezetenen van andere lidstaten beschikbaar moeten zijn, of de in lid 3 bis vermelde bestanddelen, of beide.

Bij de behandeling van een door de Commissie ingediend voorstel beoordeelt de Raad of de doeltreffendheid en de werking van de automatische uitwisseling van inlichtingen verder moeten worden verbeterd en of deze aan een strengere standaard moeten gaan beantwoorden, teneinde erin te voorzien dat:

a)

de bevoegde autoriteit van elke lidstaat de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2017 automatisch inlichtingen verstrekt ten aanzien van ingezetenen van die andere lidstaat, inzake alle in lid 1 vermelde inkomsten- en vermogenscategorieën, op te vatten in de zin van de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, en

b)

de lijsten van de in de leden 1 en 3 bis vermelde categorieën en bestanddelen worden uitgebreid met andere categorieën en bestanddelen, waaronder royalty's.”

;

d)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De inlichtingen worden als volgt verstrekt:

a)

voor de in lid 1 vermelde categorieën ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na het verstrijken van het belastingjaar van de lidstaat in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn geworden;

b)

voor de in lid 3 bis vermelde informatie jaarlijks, binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar of een andere geschikte periode waarover gerapporteerd dient te worden, waarop de inlichtingen betrekking hebben.”

;

e)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„7 bis.   Voor de toepassing van bijlage I, deel VIII, onderdeel B, punt 1, onder c), en deel VIII, onderdeel C, punt 17, onder g), stelt iedere lidstaat de Commissie uiterlijk 31 juli 2015 de lijst van entiteiten en rekeningen ter beschikking die moeten worden behandeld als, respectievelijk, niet-rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen. Elke lidstaat stelt de Commissie ook in kennis van eventuele wijzigingen dienaangaande. De Commissie publiceert de ontvangen informatie in lijstvorm in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt de lijst zo nodig bij.

De lidstaten zorgen ervoor dat deze categorieën van niet-rapporterende financiële instellingen en van uitgezonderde rekeningen aan alle voorschriften van bijlage I, deel VIII, onderdeel B, punt 1, onder c), en deel VIII, onderdeel C, punt 17, onder g), voldoen en in het bijzonder dat het toekennen van de status van niet-rapporterende financiële instelling aan een financiële instelling en van de status van uitgezonderde rekening aan een rekening het verwezenlijken van de doelstellingen van deze richtlijn niet in de weg staat.”

.

3)

In artikel 20, wordt lid 4 vervangen door:

„4.   Bij de automatische inlichtingenuitwisseling in de zin van artikel 8 wordt gebruikgemaakt van het door de Commissie volgens de procedure van artikel 26, lid 2, vastgestelde geautomatiseerde standaardformaat, dat dergelijke automatische uitwisseling moet vergemakkelijken, en gebaseerd is op het bestaande geautomatiseerde formaat in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2003/48/EG dat bij elke vorm van automatische inlichtingenuitwisseling moet worden gebruikt.”

.

4)

Artikel 21, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie heeft tot taak het CCN-netwerk in die zin aan te passen dat die inlichtingen tussen de lidstaten kunnen worden uitgewisseld en voor de beveiliging van het CCN-netwerk te zorgen.

De lidstaten hebben tot taak hun systemen zodanig aan te passen dat die inlichtingen met behulp van het CCN-netwerk kunnen worden uitgewisseld en voor de beveiliging van hun systemen te zorgen.

De lidstaten zorgen ervoor dat elke individuele te rapporteren persoon in kennis wordt gesteld van een schending van de beveiliging van zijn gegevens wanneer die schending afbreuk kan doen aan de bescherming van zijn persoonsgegevens of persoonlijke levenssfeer.

De lidstaten zien af van iedere eis tot terugbetaling van de uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeiende kosten, behalve, in voorkomend geval, de kosten van aan deskundigen betaalde vergoedingen.”

.

5)

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de bestaande tekst van artikel 25 wordt lid 1;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„2.   Rapporterende financiële instellingen en de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat worden voor de toepassing van Richtlijn 95/46/EG als verantwoordelijke voor de verwerking beschouwd.

3.   Niettegenstaande lid 1 ziet elke lidstaat erop toe dat elke onder zijn jurisdictie vallende rapporterende financiële instelling elke betrokken individuele te rapporteren persoon in kennis stelt van het feit dat de hem betreffende inlichtingen als bedoeld in artikel 8, lid 3 bis, overeenkomstig deze richtlijn zullen worden verzameld en doorgegeven, en dat de rapporterende financiële instelling die persoon tijdig alle inlichtingen verstrekt waarop hij krachtens zijn nationale wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 95/46/EG recht heeft, zodat de persoon zijn rechten inzake gegevensbescherming kan uitoefenen en, in elk geval, voordat de betrokken rapporterende financiële instelling de in artikel 8, lid 3 bis, bedoelde inlichtingen rapporteert aan de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van verblijf.

4.   Overeenkomstig deze richtlijn verwerkte inlichtingen worden niet langer bewaard dan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijk is, en in elk geval overeenkomstig de nationale voorschriften inzake verjaring van iedere verantwoordelijke voor de verwerking.”

.

6)

De bijlagen I en II, waarvan de tekst is opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn, worden ingevoegd.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die maatregelen toe vanaf 1 januari 2016.

Wanneer de lidstaten die maatregelen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Niettegenstaande lid 1, punt 2, onder b), van artikel 1 en lid 1 van dit artikel, past Oostenrijk de bepalingen van deze richtlijn toe vanaf 1 januari 2017, met betrekking tot de belastingtijdvakken vanaf die datum.

3.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 december 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 68.

(2)  Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).


BIJLAGE

BIJLAGE I

RAPPORTAGE- EN DUE DILIGENCE-REGELS VOOR INLICHTINGEN OVER FINANCIËLE REKENINGEN

Deze bijlage bevat de regels inzake rapportage en due diligence die rapporterende financiële instellingen moeten toepassen teneinde de lidstaten in staat te stellen de in artikel 8, lid 3 bis, van deze richtlijn bedoelde inlichtingen automatisch te verstrekken. Voorts worden in deze bijlage de regels en administratieve procedures omschreven die de lidstaten met het oog op de doeltreffende implementatie en naleving van de onderstaande rapportage- en due diligence-procedures moeten invoeren.

DEEL I

ALGEMENE RAPPORTAGEVOORSCHRIFTEN

A.

Onverminderd de onderdelen C tot en met E moet iedere rapporterende financiële instelling aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat de volgende inlichtingen verstrekken met betrekking tot elke van haar te rapporteren rekeningen:

1.

de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en, voor natuurlijke personen, de geboortedatum en de geboorteplaats van elke te rapporteren persoon die een rekeninghouder van de rekening is en, in het geval van een entiteit die een rekeninghouder is en waarvan met behulp van de due diligence-procedures welke met delen V, VI en VII sporen, wordt vastgesteld dat zij één of meer uiteindelijk belanghebbenden heeft die een te rapporteren persoon is, de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten en eventuele andere rechtsgebieden waarvan de entiteit een ingezetene is en het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers van de entiteit en de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon;

2.

het rekeningnummer (of het functionele equivalent daarvan bij het ontbreken van een rekeningnummer);

3.

de naam en het eventuele identificatienummer van de rapporterende financiële instelling;

4.

het saldo van de rekening of de waarde (in het geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering met inbegrip van de geldswaarde of waarde bij afkoop) aan het eind van het desbetreffende kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, of indien de rekening tijdens dat jaar of die periode werd opgeheven, de opheffing;

5.

ter zake van een bewaarrekening:

a)

het op de rekening (of ter zake van de rekening) gestorte of bijgeschreven totale brutobedrag aan rente, totale brutobedrag aan dividenden en totale brutobedrag aan overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa op de rekening, gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

b)

de totale bruto-opbrengsten van de verkoop, terugbetaling of afkoop van financiële activa gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling voor de rekeninghouder optrad als bewaarder, makelaar, vertegenwoordiger of anderszins als gevolmachtigde;

6.

ter zake van een depositorekening, het totale brutobedrag aan rente gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

7.

ter zake van een rekening niet omschreven in onderdeel A, punt 5 of punt 6, het totale brutobedrag betaald of gecrediteerd op de rekening van de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling een betalingsverplichting heeft of debiteur is, met inbegrip van het totaalbedrag aan afbetalingen aan de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

B.

In de gerapporteerde inlichtingen wordt vermeld in welke valuta elk bedrag is uitgedrukt.

C.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeven het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers of de geboortedatum ter zake van bestaande rekeningen die te rapporteren rekeningen zijn, niet te worden gemeld indien dit fiscaal identificatienummer/deze fiscale identificatienummers en deze geboortedatum niet in het dossier van de rapporterende financiële instelling voorhanden zijn, en de rapporterende financiële instelling niet anderszins uit hoofde van nationale wetgeving of enig rechtsinstrument van de Unie verplicht is deze gegevens te verzamelen. Rapporterende financiële instellingen zijn echter wel verplicht redelijke inspanningen te doen om ter zake van bestaande rekeningen aan het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin bestaande rekeningen als te rapporteren rekeningen worden aangemerkt, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum te verkrijgen.

D.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeft het fiscaal identificatienummer niet te worden gerapporteerd indien de betrokken lidstaat of ander(e) rechtsgebied(en) waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is geen fiscale identificatienummers afgeeft.

E.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeft de geboorteplaats niet te worden gerapporteerd tenzij:

1.

de rapporterende financiële instelling anderszins, krachtens de nationale wetgeving, verplicht is de geboorteplaats te verkrijgen en te rapporteren of de rapporterende financiële instelling anderszins verplicht is of was de geboorteplaats te verkrijgen en te rapporteren uit hoofde van een rechtsinstrument van de Unie dat van kracht is of op 5 januari 2015 van kracht was, en

2.

deze beschikbaar is in de elektronisch doorzoekbare gegevens die door de rapporterende financiële instelling worden beheerd.

DEEL II

ALGEMENE DUE DILIGENCE-VOORSCHRIFTEN

A.

Een rekening wordt behandeld als een te rapporteren rekening met ingang van de datum waarop zij als zodanig krachtens de due diligence-procedures van deel II tot en met VII wordt aangemerkt; behoudens andersluidende bepalingen, moeten inlichtingen met betrekking tot een te rapporteren rekening jaarlijks worden gerapporteerd in het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de inlichtingen betrekking hebben.

B.

Het saldo of de waarde van een rekening wordt bepaald per de laatste dag van het kalenderjaar of van een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

C.

Indien een saldo- of waardegrens dient te worden bepaald per de laatste dag van het kalenderjaar, moet het betreffende saldo of de betreffende waarde worden bepaald per de laatste dag van de periode waarover gerapporteerd dient te worden die eindigt met of in dat kalenderjaar.

D.

Elke lidstaat kan rapporterende financiële instellingen toestaan gebruik te maken van dienstverleners teneinde te voldoen aan de aan deze instellingen volgens het nationale recht opgelegde verplichtingen inzake rapportage en due diligence, maar de verantwoordelijkheid voor deze verplichtingen rust onverminderd bij de rapporterende financiële instellingen.

E.

Elke lidstaat kan rapporterende financiële instellingen toestaan de due diligence-procedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen toe te passen, en de due diligence-procedures voor hogewaarderekeningen op lagewaarderekeningen toe te passen. Indien een lidstaat toestaat dat due diligence-procedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen worden toegepast, blijven de anderszins voor bestaande rekeningen geldende regels van toepassing.

DEEL III

DUE DILIGENCE VOOR BESTAANDE REKENINGEN VAN NATUURLIJKE PERSONEN

A.

Inleiding. De volgende procedures gelden om na te gaan welke bestaande rekeningen van natuurlijke personen als te rapporteren rekeningen moeten worden beschouwd.

B.

Lagewaarderekeningen. De volgende procedures zijn van toepassing met betrekking tot lagewaarderekeningen.

1.

Woonadres. Indien de rapporterende financiële instelling in haar dossier het uit bewijsstukken afgeleide actuele woonadres van de natuurlijke persoon rekeninghouder heeft, kan zij de natuurlijke persoon rekeninghouder behandelen als een natuurlijke persoon die een fiscale ingezetene is van de lidstaat of het andere rechtsgebied waar het adres gelegen is, om te bepalen of deze natuurlijke persoon rekeninghouder een te rapporteren persoon is.

2.

Onderzoek van elektronische dossiers. Indien de rapporterende financiële instelling niet beschikt over het uit bewijsstukken afgeleide actuele woonadres van de natuurlijke persoon rekeninghouder, zoals vermeld in onderdeel B, punt 1, moet de rapporterende financiële instelling de elektronisch doorzoekbare gegevens die zij beheert, controleren op de onderstaande indicatoren en onderdeel B, punten 3 tot en met 6, toepassen:

a)

aanmerking van de rekeninghouder als een ingezetene van een lidstaat;

b)

de actuele post- of woonadressen (met inbegrip van postbussen) in een lidstaat;

c)

een of meer telefoonnummers in een lidstaat en geen telefoonnummer in de lidstaat van de rapporterende financiële instelling;

d)

vaste instructies (andere dan ten aanzien van een depositorekening) om gelden over te maken naar een rekening aangehouden in een lidstaat;

e)

geldige volmacht of tekenbevoegdheid verleend aan een persoon met een adres in een lidstaat, of

f)

een poste-restanteadres of een „per adres” in een lidstaat indien de rapporterende financiële instelling geen ander adres van de rekeninghouder geregistreerd heeft staan.

3.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers geen van de in onderdeel B, punt 2, genoemde indicatoren wordt aangetroffen, is geen verdere actie vereist totdat er sprake is van een verandering van omstandigheden die ertoe leidt dat een of meer indicatoren in verband worden gebracht met de rekening of totdat de rekening een hogewaarderekening wordt.

4.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers een van de in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, of indien er een verandering van omstandigheden is opgetreden die ertoe leidt dat een of meer van de indicatoren in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder behandelen als een fiscaal inwoner van elke lidstaat waarvoor een indicator wordt aangetroffen, tenzij zij besluit onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen op die rekening van toepassing is.

5.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers een poste-restanteadres of een „per adres” voor de rekeninghouder wordt gevonden en geen ander adres, noch een van de andere in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, moet de rapporterende financiële instelling, in de naar omstandigheden meest geschikte volgorde, het in onderdeel C, punt 2, omschreven onderzoek van papieren dossiers uitvoeren, of tracht zij van de rekeninghouder een eigen verklaring of bewijsstukken te verkrijgen teneinde diens fiscale woonplaats(en) vast te stellen. Indien het onderzoek van de papieren dossiers geen indicatoren oplevert, en geen eigen verklaring of bewijsstukken van de rekeninghouder worden verkregen, moet de rapporterende financiële instelling de rekening aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat rapporteren als ongedocumenteerde rekening.

6.

Indien indicatoren bedoeld in onderdeel B, punt 2, worden aangetroffen, is een rapporterende financiële instelling evenwel niet verplicht de rekeninghouder als een ingezetene van een lidstaat te behandelen indien de rapporterende financiële instelling:

a)

ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een actueel post- of woonadres in die lidstaat bevat, een of meer telefoonnummers in die lidstaat (en geen telefoonnummer in de lidstaat van de rapporterende financiële instelling) of vaste instructies (met betrekking tot andere financiële rekeningen dan depositorekeningen) voor de overmaking van gelden naar een rekening die in een lidstaat wordt aangehouden, het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

i)

een eigen verklaring van de rekeninghouder van de lidstaat/lidstaten of ander rechtsgebied/andere rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan de genoemde lidstaat, en

ii)

bewijsstukken waaruit de niet-te-rapporteren status van de rekeninghouder blijkt;

b)

ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een geldige volmacht of tekenbevoegdheid bevat die is verleend aan een persoon met een adres in die lidstaat, het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

i)

een eigen verklaring van de rekeninghouder van de lidstaat/lidstaten of ander rechtsgebied/andere rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan de genoemde lidstaat, of

ii)

bewijsstukken waaruit de niet-te- rapporteren status van de rekeninghouder blijkt;

C.

Uitgebreide controleprocedures voor hogewaarderekeningen. De onderstaande uitgebreide controleprocedures zijn van toepassing op hogewaarderekeningen.

1.

Onderzoek van elektronische dossiers. Met betrekking tot hogewaarderekeningen moet de rapporterende financiële instelling de door haar beheerde elektronisch doorzoekbare gegevens controleren op de in onderdeel B, punt 2, omschreven indicatoren.

2.

Onderzoek van papieren dossiers. Indien de elektronisch doorzoekbare databases van de rapporterende financiële instelling velden bevatten waarin alle in onderdeel C, punt 3, omschreven inlichtingen zijn opgenomen, is geen onderzoek van de papieren dossiers vereist. Indien niet al deze inlichtingen in de elektronische databases zijn opgenomen, moet de rapporterende financiële instelling ter zake van hogewaarderekeningen ook de actuele gegevens in het stamdossier van de desbetreffende klanten controleren, en indien daarin niet alle gegevens zijn opgenomen, tevens de volgende documenten controleren die verband houden met de rekening en die de rapporterende financiële instelling tijdens de daaraan voorafgaande vijf jaar heeft verkregen, op de in onderdeel B, punt 2, omschreven indicatoren:

a)

de meest recente bewijsstukken verzameld met betrekking tot de rekening;

b)

de meest recente overeenkomst of documenten omtrent de opening van de rekening;

c)

de meest recente documenten verkregen door de rapporterende financiële instelling in het kader van AML/KYC-procedures of andere regelgeving;

d)

geldige formulieren voor volmachten of tekenbevoegdheid, en

e)

geldende vaste instructies (andere dan ter zake van een depositorekening) omtrent het overmaken van gelden.

3.

Uitzondering indien de databases voldoende inlichtingen bevatten. Een rapporterende financiële instelling is niet verplicht de in onderdeel C, punt 2, omschreven papieren dossiers te onderzoeken indien haar elektronisch doorzoekbare inlichtingen het volgende bevatten:

a)

de woonplaats van de rekeninghouder;

b)

het woonadres en het postadres van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

c)

het (de) eventuele telefoonnummer(s) van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

d)

in geval van andere financiële rekeningen dan depositorekeningen: of er vaste instructies zijn voor de overmaking van gelden op de rekening naar een andere rekening (met inbegrip van rekeningen bij filialen van de rapporterende financiële instelling of een andere financiële instelling);

e)

of er een actueel poste-restanteadres of „per adres” is van de rekeninghouder, en

f)

of er een volmacht of tekenbevoegdheid voor de rekening is.

4.

Opvragen van feitelijke kennis bij de relatiemanager. Naast de in onderdeel C, onder punten 1 en 2, omschreven onderzoeken van de elektronische en papieren dossiers moet de rapporterende financiële instelling een hogewaarderekening (met inbegrip van de eventueel daarmee geaggregeerde financiële rekeningen) die is toegewezen aan een relatiemanager, behandelen als een te rapporteren rekening indien de relatiemanager beschikt over feitelijke kennis dat de houder van de rekening een te rapporteren persoon is.

5.

Gevolgen van het aantreffen van indicatoren.

a)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen geen van de in onderdeel B, punt 2, genoemde indicatoren wordt aangetroffen en de houder van een rekening niet is geïdentificeerd als een te rapporteren persoon als bedoeld in onderdeel C, punt 4, zijn geen nadere maatregelen vereist, totdat een verandering van omstandigheden ertoe leidt dat een of meer indicatoren in verband worden gebracht met de rekening.

b)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen een van de in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen of indien er naderhand een verandering van omstandigheden is opgetreden die ertoe leidt dat een of meer van de indicatoren in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening voor elke lidstaat waarvoor een indicator wordt aangetroffen, tenzij zij besluit onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is op die rekening.

c)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen een poste-restanteadres of „per adres” voor de rekeninghouder wordt gevonden, en geen ander adres noch een van de andere in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, moet de rapporterende financiële instelling van de rekeninghouder een eigen verklaring of bewijsstukken verkrijgen teneinde diens fiscale woonplaats(en) vast te stellen. Indien de rapporterende financiële instelling geen eigen verklaring of bewijsstuk van de rekeninghouder kan verkrijgen, moet zij de rekening aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat rapporteren als ongedocumenteerde rekening.

6.

Indien een bestaande rekening van een natuurlijke persoon niet vanaf 31 december 2015 een hogewaarderekening is, maar er één wordt op de laatste dag van een volgend kalenderjaar, moet de rapporterende financiële instelling de uitgebreide controleprocedures omschreven in onderdeel C met betrekking tot die rekening voltooien binnen het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de rekening een hogewaarderekening wordt. Als, op basis van deze controle, de rekening wordt aangemerkt als een te rapporteren rekening, moet de rapporterende financiële instelling de verlangde informatie over de rekening verstrekken met betrekking tot het jaar waarin de rekening wordt aangemerkt als een te rapporteren rekening en de daaropvolgende jaren jaarlijks, tenzij de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn.

7.

Wanneer een rapporterende financiële instelling de in onderdeel C omschreven uitgebreide controleprocedures toepast op een hogewaarderekening, hoeft de rapporterende financiële instelling deze procedures niet opnieuw toe te passen, met uitzondering van het onderzoek bij de relatiemanager omschreven in onderdeel C, punt 4, op dezelfde hogewaarderekening in elk daaropvolgend jaar, tenzij de rekening niet gedocumenteerd is, in welk geval de rapporterende financiële instelling ze jaarlijks opnieuw dient toe te passen totdat de rekening niet meer ongedocumenteerd is.

8.

Indien zich een verandering voordoet in de omstandigheden met betrekking tot een hogewaarderekening die ertoe leidt dat een of meer indicatoren omschreven in onderdeel B, punt 2, in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekening beschouwen als een te rapporteren rekening met betrekking tot elke lidstaat waarvoor een indicator is geïdentificeerd, tenzij de instelling ervoor kiest onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is op die rekening.

9.

Een rapporterende financiële instelling moet procedures toepassen om ervoor te zorgen dat een relatiemanager elke wijziging in de omstandigheden van een rekening vaststelt. Als bijvoorbeeld aan een relatiemanager is meegedeeld dat de rekeninghouder een nieuw postadres in een lidstaat heeft, moet de rapporterende financiële instelling het nieuwe adres behandelen als een wijziging in de omstandigheden en, indien zij kiest voor toepassing van onderdeel B, punt 6, moet zij van de rekeninghouder de passende documentatie verkrijgen.

D.

De controle van bestaande hogewaarderekeningen van natuurlijke personen moet uiterlijk op 31 december 2016 worden voltooid. De controle van bestaande lagewaarderekeningen van natuurlijke personen moet uiterlijk op 31 december 2017 worden voltooid.

E.

Elke bestaande rekening van een natuurlijk persoon die is aangemerkt als een te rapporteren rekening overeenkomstig dit deel, moet alle daaropvolgende jaren worden behandeld als een te rapporteren rekening, tenzij de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn.

DEEL IV

DUE DILIGENCE VOOR NIEUWE REKENINGEN VAN NATUURLIJKE PERSONEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke nieuwe rekeningen van natuurlijke personen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

A.

Met betrekking tot nieuwe rekeningen van natuurlijke personen moet de rapporterende financiële instelling, bij het openen van een rekening, een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen die deel kan uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening, waarmee de rapporterende financiële instelling de fiscale verblijfplaats(en) van de rekeninghouder kan nagaan en de redelijkheid kan bevestigen van de verklaring op basis van de informatie die de rapporterende financiële instelling heeft verkregen in verband met de opening van de rekening, met inbegrip van alle stukken die zijn verzameld op grond van de AML/KYC-procedures.

B.

Indien uit de eigen verklaring van de rekeninghouder blijkt dat deze fiscaal een ingezetene is van een lidstaat, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening en moet de verklaring tevens het fiscaal identificatienummer van de rekeninghouder met betrekking tot deze lidstaat bevatten (onder voorbehoud van onderdeel D van deel I en zijn geboortedatum.

C.

Indien zich een verandering van omstandigheden met betrekking tot een nieuwe rekening van een natuurlijke persoon voordoet op basis waarvan de rapporterende financiële instelling weet, of redenen heeft om te weten, dat de oorspronkelijke eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, kan de rapporterende financiële instelling zich niet beroepen op de oorspronkelijke verklaring en moet zij een geldige verklaring verkrijgen waarin de fiscale verblijfplaats(en) van de rekeninghouder staat/staan.

DEEL V

DUE DILIGENCE VOOR BESTAANDE ENTITEITSREKENINGEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke bestaande entiteitsrekeningen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

A.

Entiteitsrekeningen die niet hoeven te worden gecontroleerd, geïdentificeerd of gerapporteerd. Tenzij de rapporterende financiële instelling anders besluit, hetzij voor alle bestaande entiteitsrekeningen tezamen hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dat soort rekeningen afzonderlijk, hoeft een bestaande entiteitsrekening met een geaggregeerd saldo of een geaggregeerde waarde van, per 31 december 2015, niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, niet te worden onderzocht, geïdentificeerd of gerapporteerd als een te rapporteren rekening totdat het geaggregeerde saldo of de geaggregeerde waarde hoger is dan dat bedrag op de laatste dag van een volgend kalenderjaar.

B.

Entiteitsrekeningen die moeten worden gecontroleerd. Een bestaande entiteitsrekening met een geaggregeerd saldo of een geaggregeerde waarde van, per 31 december 2015, meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, en een bestaande entiteitsrekening die dat bedrag per 31 december 2015 niet overschrijdt maar waarvan het totale saldo of de totale waarde op de laatste dag van een volgend kalenderjaar hoger is dan dat bedrag, moet worden gecontroleerd overeenkomstig de procedures omschreven in onderdeel D.

C.

Entiteitsrekeningen die gerapporteerd moeten worden. Met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen omschreven in onderdeel B worden alleen rekeningen die worden aangehouden door een of meer entiteiten die te rapporteren personen zijn, of door passieve NFE's met één of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn, behandeld als te rapporteren rekeningen.

D.

Controleprocedures voor het identificeren van entiteitsrekeningen die gerapporteerd dienen te worden. Voor bestaande entiteitsrekeningen omschreven in onderdeel B moet een rapporterende financiële instelling de volgende controleprocedures toepassen teneinde vast te stellen of de rekening wordt aangehouden door een of meer te rapporteren personen of door passieve NFE's met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn:

1.

Vaststellen of de entiteit een te rapporteren persoon is.

a)

Informatie controleren die wordt bijgehouden ten behoeve van het toezicht of de klantrelatie (met inbegrip van informatie verzameld uit hoofde van de AML/KYC-procedures) teneinde vast te stellen of dit erop wijst dat de rekeninghouder een ingezetene is van een lidstaat. Voor dit doel omvat informatie waaruit blijkt dat de rekeninghouder een ingezetene is van een lidstaat ook een plaats van oprichting of organisatie, of een adres in een lidstaat.

b)

Indien de informatie erop wijst dat de rekeninghouder ingezetene is van een lidstaat, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening, tenzij zij van de rekeninghouder een eigen verklaring ontvangt, of redelijkerwijs kan vaststellen op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is, dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is.

2.

Vaststellen of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Ten aanzien van een houder van een bestaande entiteitsrekening (met inbegrip van een entiteit die een te rapporteren persoon is), moet de rapporterende financiële instelling vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Indien een van de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, moet de rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening. Bij deze vaststellingen moet de rapporterende financiële instelling de leidraden volgen in onderdeel D, punt 2, onder a) tot en met c), in de onder de gegeven omstandigheden meest geschikte volgorde.

a)

Vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is. Om te bepalen of de rekeninghouder een passieve NFE is moet de rapporterende financiële instelling van de rekeninghouder een eigen verklaring verkrijgen om diens status vast te stellen, tenzij de instelling informatie in haar bezit heeft of er publiekelijk beschikbare informatie is op basis waarvan zij redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een financiële instelling anders dan een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), van deel VIII die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

b)

Vaststellen van de uiteindelijk belanghebbenden bij een rekeninghouder. Bij de vaststelling van de uiteindelijk belanghebbenden bij een rekeninghouder kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures.

c)

Vaststellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is. Om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is, kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op:

i)

informatie verzameld en bijgehouden overeenkomstig AML/KYC-procedures in het geval van een bestaande entiteitsrekening aangehouden door een of meer NFE's met een totaal saldo of een totale waarde van niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD, of

ii)

een eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende van de lidstaat/de lidstaten of het andere rechtsgebied/de andere rechtsgebieden waarvan de uiteindelijk belanghebbende een ingezetene is.

E.

Tijdstippen voor controles en aanvullende procedures die van toepassing zijn op bestaande entiteitsrekeningen

1.

De controle van bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde van, per 31 december 2015, meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, moet uiterlijk op 31 december 2017 worden voltooid.

2.

De controle van reeds bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde van, per 31 december 2015, niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, maar, per 31 december van een daaropvolgend jaar, dat bedrag overschrijdt, moet worden voltooid binnen het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het geaggregeerde saldo of de geaggregeerde waarde dat bedrag overschreed.

3.

Indien een verandering optreedt in de omstandigheden van een bestaande entiteitsrekening die ertoe leidt dat de rapporterende financiële instelling weet, of redenen heeft om te weten, dat de eigen verklaring van de rekeninghouder of andere documentatie die verband houdt met een rekening onjuist of onbetrouwbaar is, moet de rapporterende financiële instelling de status van de rekening opnieuw vaststellen in overeenstemming met de procedures omschreven in onderdeel D.

DEEL VI

DUE DILIGENCE VOOR NIEUWE ENTITEITSREKENINGEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke nieuwe entiteitsrekeningen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

Controleprocedures voor het identificeren van entiteitsrekeningen die gerapporteerd dienen te worden. Voor nieuwe entiteitsrekeningen dient een rapporterende financiële instelling de volgende controleprocedures toe te passen teneinde vast te stellen of de rekening wordt aangehouden door een of meer te rapporteren personen of door passieve NFE's met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn:

1.

Vaststellen of de entiteit een te rapporteren persoon is.

a)

Een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen die deel kan uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening, waarmee de rapporterende financiële instelling de fiscale vestigingsplaats(en) van de rekeninghouder kan nagaan en de redelijkheid kan bevestigen van de verklaring op basis van de informatie die de rapporterende financiële instelling heeft verkregen in verband met de opening van de rekening, met inbegrip van alle documenten die zijn verzameld op grond van de AML/KYC-procedures. Indien de entiteit verklaart dat zij geen fiscale verblijfplaats heeft, kan de rapporterende financiële instelling zich voor het bepalen van de verblijfplaats van de rekeninghouder baseren op het adres van het hoofdkantoor van de entiteit.

b)

Indien de eigen verklaring van de rekeninghouder aangeeft dat deze in een lidstaat verblijft, dient de rapporterende financiële instelling de rekening te behandelen als een te rapporteren rekening, tenzij zij op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is met betrekking tot die lidstaat.

2.

Vaststellen of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Ten aanzien van een houder van een nieuwe entiteitsrekening (met inbegrip van een entiteit die een te rapporteren persoon is), moet de rapporterende financiële instelling vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Indien een van de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, moet de rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening. Bij deze vaststellingen moet de rapporterende financiële instelling de leidraden volgen in onderdeel A, punt 2, onder a) tot en met c), in de onder de gegeven omstandigheden meest geschikte volgorde.

a)

Vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is. Om te bepalen of de rekeninghouder een passieve NFE is moet de rapporterende financiële instelling zich baseren op een eigen verklaring van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de instelling informatie in haar bezit heeft of er publiekelijk beschikbare informatie is op basis waarvan zij redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een financiële instelling anders dan een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), van deel VIII die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

b)

Vaststellen van de uiteindelijk belanghebbenden van een rekeninghouder. Bij de bepaling van de uiteindelijk belanghebbenden van een rekeninghouder kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures.

c)

Vaststellen of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE een te rapporteren persoon is. Om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende.

DEEL VII

BIJZONDERE REGELS INZAKE DUE DILIGENCE

De volgende aanvullende regels zijn van toepassing bij de uitvoering van de eerder omschreven due diligence-procedures:

A.

Vertrouwen op eigen verklaringen van rekeninghouders en bewijsstukken. Een rapporterende financiële instelling mag niet vertrouwen op een eigen verklaring van een rekeninghouder of bewijsstukken indien zij weet of redenen heeft om te weten dat de verklaring of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn.

B.

Alternatieve procedures voor financiële rekeningen van individuele begunstigden van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering en voor groepskapitaalverzekeringen of groepslijfrenteverzekeringen. Een rapporterende financiële instelling mag veronderstellen dat een individuele begunstigde (niet zijnde de eigenaar) van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering die een uitkering bij overlijden ontvangt geen te rapporteren persoon is en mag een dergelijke financiële rekening behandelen als een andere dan een te rapporteren rekening tenzij de financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is. Een rapporterende financiële instelling heeft redenen om te weten dat een begunstigde van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering een te rapporteren persoon is als de door de rapporterende financiële instelling verzamelde informatie over de begunstigde indicatoren bevat zoals omschreven in onderdeel B van deel III. Indien een rapporterende financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is, moet de rapporterende financiële instelling de procedures van onderdeel B van deel III volgen.

Een rapporterende financiële instelling kan een financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering behandelen als een financiële rekening die geen te rapporteren rekening is, tot de datum waarop een bedrag betaalbaar wordt aan de werknemer/certificaathouder of begunstigde, als de financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering, voldoet aan de volgende eisen:

i)

de groepskapitaalverzekering of de groepslijfrenteverzekering wordt afgegeven aan een werkgever en heeft betrekking op 25 of meer werknemers/certificaathouders;

ii)

de werknemer/certificaathouders hebben recht op een contractwaarde gerelateerd aan hun belangen en mogen begunstigden noemen voor de uitkering die betaalbaar is bij overlijden van de werknemer, en

iii)

het totale bedrag te betalen aan elke werknemer/certificaathouder of begunstigde bedraagt niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

Een „groepskapitaalverzekering” is een kapitaalverzekering die: i) dekking biedt aan natuurlijke personen die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of andere vereniging of groep, en ii) voor ieder lid van de groep (of lid van een categorie in de groep) een premie in rekening brengt die wordt bepaald onafhankelijk van andere individuele gezondheidskenmerken dan leeftijd, geslacht en rookgedrag van het lid (of categorie leden) van de groep.

Een „groepslijfrenteverzekering” is een lijfrenteverzekering waarvan de rechthebbenden personen zijn die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of een andere vereniging of groep.

C.

Voorschriften voor de aggregatie van saldi en valuta

1.

Aggregatie van rekeningen van natuurlijke personen. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door natuurlijke personen is de rapporterende financiële instelling verplicht alle door haar of door een gelieerde entiteit aangehouden financiële rekeningen te aggregeren, maar uitsluitend voor zover de computersystemen van de rapporterende financiële instelling de financiële rekeningen koppelen op grond van een data-element, zoals een cliëntnummer of fiscaal identificatienummer, en in staat zijn de saldi of waarden te aggregeren. Aan elke houder van een gezamenlijke financiële rekening wordt het volledige saldo of de volledige waarde van de gezamenlijke financiële rekening toegeschreven ten behoeve van de vereiste aggregatie omschreven in deze alinea.

2.

Aggregatie van entiteitsrekeningen. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door een entiteit is de rapporterende financiële instelling verplicht rekening te houden met alle door haar of door een gelieerde entiteit aangehouden financiële rekeningen, maar uitsluitend voor zover de computersystemen van de rapporterende financiële instelling de financiële rekeningen koppelen op grond van een data-element, zoals een cliëntnummer of fiscaal identificatienummer, en in staat zijn de saldi of waarden te aggregeren. Aan elke houder van een gezamenlijke financiële rekening wordt het volledige saldo of de volledige waarde van de gezamenlijke financiële rekening toegeschreven ten behoeve van de vereiste aggregatie omschreven in deze alinea.

3.

Bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door een persoon teneinde te bepalen of een financiële rekening een hogewaarderekening is, is een rapporterende financiële instelling voorts verplicht de saldi van financiële rekeningen te aggregeren indien de relatiemanager weet of redenen heeft om te weten dat die rekeningen direct of indirect in het bezit zijn van, onder zeggenschap staan of zijn geopend door dezelfde persoon (anders dan als gevolmachtigde).

4.

Bij bedragen wordt het equivalent in andere valuta vermeld. Alle in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukte bedragen worden geacht het equivalent van bedragen in andere valuta's te bevatten, zoals bepaald door het nationale recht.

DEEL VIII

BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

De volgende definities zijn van toepassing:

A.   Rapporterende financiële instelling

1.

Onder „rapporterende financiële instelling” wordt verstaan elke financiële instelling van een lidstaat die geen niet-rapporterende financiële instelling is. Onder „financiële instelling van een lidstaat” wordt verstaan: i) elke financiële instelling die een ingezetene is van een lidstaat, maar uitgezonderd een filiaal van een dergelijke financiële instelling dat zich buiten die lidstaat bevindt, en ii) elk filiaal van een financiële instelling die geen ingezetene is van een lidstaat, indien dat filiaal zich in die lidstaat bevindt.

2.

Onder „financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied” wordt verstaan: i) elke financiële instelling die een ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied, maar uitgezonderd een filiaal van die financiële instelling dat zich buiten dat deelnemend rechtsgebied bevindt, en ii) elk filiaal van een financiële instelling die geen ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied, indien dat filiaal zich in dat deelnemend rechtsgebied bevindt.

3.

Onder „financiële instelling” wordt verstaan een bewaarinstelling, een instelling die deposito's neemt, een beleggingsentiteit of een omschreven verzekeringsmaatschappij.

4.

Onder „bewaarinstelling” wordt verstaan een entiteit die voor rekening van derden financiële activa in bewaring houdt als een wezenlijk deel van haar bedrijfsactiviteiten. Een instelling houdt financiële activa voor rekening van derden als wezenlijk deel van haar bedrijfsactiviteiten, wanneer haar bruto-inkomsten die verband houden met het houden van financiële activa en het verlenen van de bijbehorende financiële diensten gelijk is aan of groter is dan 20 % van de bruto-inkomsten van de entiteit gedurende: i) de periode van drie jaar die eindigt op 31 december (of de laatste dag van het boekjaar indien dat niet gelijk loopt met het kalenderjaar) voorafgaand aan het jaar waarin de vaststelling geschiedt, of ii) de bestaansperiode van de entiteit, indien deze korter is.

5.

Onder „een instelling die deposito's neemt” wordt verstaan een entiteit die opvorderbare gelden verkrijgt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf.

6.

Onder „beleggingsentiteit” wordt verstaan een entiteit

a)

met als voornaamste bedrijfsactiviteit het voor of namens een klant uitvoeren van een of meer van de volgende activiteiten of transacties:

i)

handel in geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositobewijzen, derivaten, etc.), vreemde valuta's, wisselkoersen, rentepercentage- en indexinstrumenten, overdraagbare effecten, of goederentermijnhandel;

ii)

beheren van een individueel vermogen en collectief portefeuillebeheer, of

iii)

andere vormen van het beleggen, administreren of beheren van financiële activa of geld ten behoeve van derden,

of

b)

met een bruto-inkomen dat hoofdzakelijk is toe te rekenen aan beleggen, herbeleggen of handel in financiële activa, indien de entiteit wordt beheerd door een andere entiteit die een instelling is die deposito's neemt, een bewaarinstelling, een omschreven verzekeringsmaatschappij of een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder a).

Een entiteit wordt gezien als een entiteit met als bedrijfsactiviteit voornamelijk het uitvoeren van een of meer van de in onderdeel A, onder punt 6, onder a), omschreven activiteiten, of haar bruto-inkomen is hoofdzakelijk toe te rekenen aan beleggen, herbeleggen of handel in financiële activa voor de in onderdeel A, punt 6, onder b), bedoelde doelen, als de bruto-inkomsten van de entiteit die verband houden met deze activiteiten gelijk zijn aan of groter zijn dan 50 % van de bruto-inkomsten van de entiteit gedurende: i) de periode van drie jaar die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de vaststelling geschiedt, of ii) de bestaansperiode van de entiteit, indien deze korter is. De term „beleggingsentiteit” heeft niet betrekking op een entiteit die een actieve NFE is omdat die entiteit voldoet aan een van de criteria vermeld in onderdeel D, punt 8, onder d) tot en met g).

Deze paragraaf wordt uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de gelijkwaardige bewoordingen vervat in de definitie van „financiële instelling” in de aanbevelingen van de Financial Action Task Force.

7.

De term „financiële activa” omvat effecten (bijvoorbeeld een aandeel in een vennootschap; partnerschap of uiteindelijk belang in een breed opgezet of een beursgenoteerd samenwerkingsverband of een trust; waardepapier, obligatie, schuldbewijs of andere bewijzen van schuldenlast), partnerschapsbelang, commodity, swap (bijvoorbeeld renteswaps, valutaswaps, basisswaps, interest rate caps, interest rate floors, commodity swaps, equity swaps, equity index swaps en soortgelijke overeenkomsten), verzekeringscontract of lijfrenteverzekering of enig belang (inclusief een termijncontract of optie) in een zekerheid, partnerschapsbelang, commodity, swap, verzekeringscontract of lijfrenteverzekering. De term „financiële activa” omvat niet een direct belang, buiten de vreemd vermogenssfeer, in een onroerend goed.

8.

Onder „omschreven verzekeringsmaatschappij” wordt verstaan een entiteit die een verzekeringsmaatschappij is (of de houdstermaatschappij van een verzekeringsmaatschappij) die een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering aanbiedt of verplicht is tot het betalen van uitkeringen uit hoofde van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering.

B.   Niet-rapporterende financiële instelling

1.

Onder „niet-rapporterende financiële instelling” wordt verstaan een financiële instelling die:

a)

een overheidsinstantie is, een internationale organisatie of een centrale bank, anders dan met betrekking tot een betaling die is afgeleid van een verplichting in het kader van een commerciële financiële activiteit van een soort die wordt uitgeoefend door een omschreven verzekeringsmaatschappij, een bewaarinstelling of een instelling die deposito's neemt;

b)

een pensioenfonds met brede deelname, een pensioenfonds met beperkte deelname, een pensioenfonds van een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank of een gekwalificeerde uitgever van een creditcard;

c)

een andere entiteit met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking, die in wezen gelijkaardige kenmerken heeft als een van de entiteiten omschreven in onderdeel B, punt 1, onder a) en b), en die is opgenomen in de lijst van niet-rapporterende financiële instellingen als bedoeld in artikel 8, lid 7 bis) van deze richtlijn, op voorwaarde dat de status van deze entiteit als niet-rapporterende financiële instelling geen afbreuk doet aan het doel van deze richtlijn;

d)

een vrijgesteld collectief beleggingsvehikel, of

e)

een trust voor zover de trustee van de trust een rapporterende financiële instelling is en alle informatie rapporteert overeenkomstig het vereiste in deel I met betrekking tot alle te rapporteren rekeningen van de trust.

2.

Onder „overheidsinstantie” wordt verstaan de regering van een lidstaat of ander rechtsgebied, een staatkundig onderdeel van een lidstaat of ander rechtsgebied (voor alle duidelijkheid, met inbegrip van een staat, provincie, district of gemeente), of een agentschap of instantie van een lidstaat of ander rechtsgebied of van een of meer van de voorgaande overheidsinstanties dat/die volledig daartoe behoort/behoren. Deze categorie bestaat uit de integrale delen, entiteiten waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, en de staatkundige onderdelen van een lidstaat of ander rechtsgebied.

a)

Een „integraal deel” van een lidstaat of een ander rechtsgebied is elke persoon, organisatie, agentschap, bureau, fonds, instantie of een ander lichaam, ongeacht de benaming, die/dat een bestuursautoriteit van een lidstaat of ander rechtsgebied vormt. De netto inkomsten van de bestuursautoriteit moeten worden gecrediteerd naar de eigen rekening of naar andere rekeningen van de lidstaat of het andere rechtsgebied, zonder dat er een deel ten goede komt van een particulier. Een integraal deel omvat niet een persoon die een staatshoofd, ambtenaar of bestuurder is handelend als privé-persoon of op persoonlijke titel.

b)

Een entiteit waarover zeggenschap wordt uitgeoefend is een entiteit die formeel apart staat van de lidstaat of het andere rechtsgebied, of die anderszins een afzonderlijke juridische entiteit vormt, op voorwaarde dat:

i)

de entiteit volledig behoort tot en volledig onder de zeggenschap staat van een of meer overheidsinstanties, rechtstreeks of via één of meer entiteiten waarover zeggenschap wordt uitgeoefend;

ii)

de netto inkomsten van de entiteit worden gecrediteerd naar de eigen rekening of de rekeningen van een of meer overheidsinstanties, zonder dat een deel ervan ten goede komt aan een particulier, en

iii)

de activa van de entiteit bij ontbinding toekomen aan een of meer overheidsinstanties.

c)

Inkomsten komen niet ten goede van particulieren als deze personen de beoogde begunstigden zijn van een overheidsprogramma, en de programma-activiteiten voor het grote publiek worden uitgevoerd met betrekking tot het gemeenschappelijke welzijn of betrekking hebben op de administratie van een fase van de overheid. Niettegenstaande het voorgaande, worden inkomsten evenwel geacht ten goede te komen van particulieren als de inkomsten voortkomen uit het gebruik van een Overheidsinstantie voor het voeren van een commercieel bedrijf, zoals commerciële bankactiviteiten, dat financiële diensten verleent aan particulieren.

3.

Onder „internationale organisatie” wordt verstaan iedere internationale organisatie of een agentschap of instantie daarvan dat/die daar volledig toe behoort. Tot deze categorie behoort iedere intergouvernementele organisatie (en ook een supranationale organisatie): i) die voornamelijk bestaat uit regeringen, ii) die daadwerkelijk een hoofdzetelovereenkomst of soortgelijke overeenkomst heeft met de lidstaat, en iii) waarvan de inkomsten niet ten goede komen van particulieren.

4.

Onder „centrale bank” wordt verstaan een instelling die bij wet of bij goedkeuring van de overheid de belangrijkste autoriteit is, naast de regering van de lidstaat zelf, die middelen uitgeeft die bedoeld zijn om te circuleren als geld. Een dergelijke instelling kan ook een instantie omvatten die los staat van de regering van de lidstaat en al dan niet geheel of gedeeltelijk tot de lidstaat behoort.

5.

Onder „uittredingsfonds met brede deelname” wordt verstaan een fonds opgericht ten behoeve van pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen, of een combinatie daarvan, aan begunstigden die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen) van een of meer werkgevers, als tegenprestatie voor de geleverde diensten, op voorwaarde dat het fonds:

a)

geen enkele begunstigde heeft met een recht van meer dan 5 % van de activa van het fonds;

b)

onderworpen is aan overheidsregelgeving en informatie verstrekt aan de belastingautoriteiten, en

c)

voldoet aan ten minste één van onderstaande eisen:

i)

het fonds is algemeen vrijgesteld van belasting op inkomsten uit beleggingen, ofwel voor die inkomsten wordt uitstel van belastingheffing verleend of zij worden tegen een verlaagd tarief belast, vanwege de status die het fonds heeft als uittredings- of pensioenregeling;

ii)

het fonds ontvangt ten minste 50 % van zijn totale bijdragen van de aangesloten werkgevers (met uitzondering van overdrachten van activa van andere regelingen omschreven in onderdeel B, onder punten 5 tot en met 7, of van uittredings- en pensioenrekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a);

iii)

uitkeringen of onttrekkingen van het fonds zijn uitsluitend toegestaan wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen die verband houden met pensioen, invaliditeit, of overlijden (met uitzondering van overgedragen uitkeringen aan andere uittredingsfondsen omschreven in onderdeel B, onder de punten 5 tot en met 7 of uittredings- en pensioenrekeningen vermeld in onderdeel C, punt 17, onder a), of er zijn sancties van toepassing op dergelijke uitkeringen of onttrekkingen voordat zich dergelijke gebeurtenissen voordoen, of

iv)

bijdragen (met uitzondering van bepaalde toegestane aanvullende bijdragen) aan het fonds door werknemers worden beperkt op grond van de verworven inkomsten van de werknemer of mogen jaarlijks niet hoger zijn dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD, onder toepassing van de regels die zijn omschreven in onderdeel C van deel VII voor rekening-aggregatie en valuta-omrekening.

6.

Onder „pensioenfonds met beperkte deelname” wordt verstaan een fonds opgericht ten behoeve van pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen aan begunstigden die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen) van een of meer werkgevers, als tegenprestatie voor geleverde diensten, op voorwaarde dat:

a)

het fonds minder dan 50 deelnemers heeft;

b)

het fonds wordt gefinancierd door een of meer werkgevers die geen beleggingsentiteiten of passieve NFE's zijn;

c)

de bijdragen van de werknemer respectievelijk de werkgever aan het fonds (anders dan overdrachten van activa van uittredings- en pensioenrekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a) beperkt zijn op grond van de verworven inkomsten respectievelijk de beloning van de werknemer;

d)

de deelnemers die geen ingezetenen zijn van de lidstaat waar het fonds is gevestigd geen recht hebben op meer dan 20 % van de activa van het fonds, en

e)

het fonds onderworpen is aan overheidsreglementering en informatie verstrekt aan de belastingautoriteiten.

7.

Onder „pensioenfonds van een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank” wordt verstaan een fonds dat is opgericht door een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank en pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen uitkeert aan begunstigden of deelnemers die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen), of die geen huidige of voormalige werknemers zijn, indien de uitkeringen aan die begunstigden of deelnemers gebaseerd zijn op persoonlijke diensten verricht ten behoeve van de overheidsinstantie, internationale organisatie of centrale bank.

8.

Onder „gekwalificeerde uitgever van een creditcard” wordt verstaan een financiële instelling die voldoet aan de volgende eisen:

a)

de financiële instelling is alleen een financiële instelling omdat zij uitgever is van creditcards die alleen deposito's aanvaardt wanneer een klant een betaling verricht hoger dan een verschuldigd bedrag ten opzichte van de kaart en het te veel betaalde bedrag niet onverwijld aan de klant wordt geretourneerd, en

b)

met ingang van of nog vóór 1 januari 2016 voert de financiële instelling beleidsmaatregelen en procedures in om te voorkomen dat een klant meer betaalt dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD, of om ervoor te zorgen dat de klant dat te veel betaald bedrag binnen 60 dagen terugbetaald krijgt, en in elk van die gevallen worden de regels van onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valuta-omrekening toegepast. In dit verband heeft een door een klant te veel betaald bedrag geen betrekking op creditsaldi in verband met betwiste afboekingen van de rekening, maar wel op creditsaldi die ontstaan door teruggestorte goederen.

9.

Onder „vrijgesteld collectief beleggingsvehikel” wordt verstaan een beleggingsentiteit die wordt gereguleerd als een vehikel voor collectieve beleggingen, op voorwaarde dat alle belangen in het collectief beleggingsvehikel worden gehouden door of via personen of entiteiten die geen te rapporteren personen zijn, behalve een passieve NFE met uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn.

Een beleggingsentiteit die wordt gereguleerd als een vehikel voor collectieve beleggingen, schiet niet krachtens onderdeel B, punt 9, tekort als vrijgesteld collectief beleggingsvehikel alleen omdat het vehikel fysieke aandelen aan toonder heeft uitgegeven, op voorwaarde dat:

a)

het collectieve beleggingsvehikel na 31 december 2015 geen fysieke aandelen aan toonder heeft uitgegeven of uitgeeft;

b)

het collectieve beleggingsvehikel al deze aandelen intrekt bij afkoop;

c)

het collectieve beleggingsvehikel de due diligence-procedures in de delen II tot en met VII uitvoert en alle informatie meldt die over dergelijke aandelen moet worden verstrekt wanneer ze worden aangeboden voor terugkoop of andere betaling, en

d)

het collectieve beleggingsvehikel over beleid en procedures beschikt om te garanderen dat dergelijke aandelen zo spoedig mogelijk worden teruggekocht of ingetrokken, in elk geval vóór 1 januari 2018.

C.   Financiële rekening

1.

Onder „financiële rekening” wordt verstaan een rekening aangehouden door een financiële instelling en omvat de depositorekening, de bewaarrekening, en:

a)

in het geval van een beleggingsentiteit, alle aandelenbelangen of schuldvorderingen in de financiële instelling. Niettegenstaande het voorgaande, omvat de term „financiële rekening” geen aandelenbelangen of schuldvorderingen in een entiteit die een beleggingsentiteit is louter omdat zij: i) beleggingsadvies geeft aan, en handelt namens, of ii) portefeuilles beheert van, en optreedt namens, een klant met het oog op het beleggen in of beheren of administreren van financiële activa die op naam van de klant bij een andere financiële instelling dan een dergelijke entiteit zijn gedeponeerd;

b)

in het geval van een financiële instelling die niet wordt omschreven in onderdeel C, punt 1, onder a), aandelenbelangen of schuldvorderingen in de financiële instelling, indien de categorie belangen is gecreëerd met het doel om de rapportage overeenkomstig deel I te vermijden, en

c)

een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering, aangeboden of aangehouden door een financiële instelling, anders dan niet aan beleggingen gekoppelde, niet-overdraagbare, direct ingaande lijfrenten, verstrekt aan natuurlijke personen en die dienen voor het te gelde maken van een pensioen- of arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van een rekening die een uitgezonderde rekening is.

De term „Financiële rekening” omvat geen uitgezonderde rekeningen.

2.

De term „depositorekening” omvat elke bedrijfsrekening, betaalrekening, spaarrekening, termijnrekening of spaarrekening bij een spaar- of nutsbank of een rekening waarvoor een depositobewijs, een stortingsbewijs, een beleggingscertificaat of een schuldbewijs is overgelegd of een ander daarmee vergelijkbaar instrument aangehouden door een financiële instelling in het kader van de uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. Onder een depositorekening wordt voorts verstaan een bedrag aangehouden door een verzekeringsmaatschappij uit hoofde van een contract dat terugbetaling van de hoofdsom garandeert of een vergelijkbare overeenkomst voor het betalen of ontvangen van interest over dat bedrag.

3.

Onder „bewaarrekening” wordt verstaan een rekening (anders dan een verzekeringsovereenkomst of lijfrenteverzekering) die één of meer financiële activa houdt ten gunste van een derde.

4.

Onder „aandelenbelang” wordt verstaan, in het geval van een samenwerkingsverband dat een financiële instelling is, een kapitaalbelang of een winstaandeel in het samenwerkingsverband. In het geval van een trust die een financiële instelling is, wordt een aandelenbelang geacht te worden aangehouden door degene die optreedt als insteller of begunstigde van de volledige trust of een deel ervan of door een derde natuurlijke persoon die uiteindelijk de feitelijke zeggenschap uitoefent over de trust. Een te rapporteren persoon wordt behandeld als begunstigde van een trust indien de te rapporteren persoon gerechtigd is rechtstreeks of middellijk (bijvoorbeeld via een vertegenwoordiger) een verplichte uitkering te ontvangen of rechtstreeks of middellijk een discretionaire uitkering kan ontvangen uit de trust.

5.

Onder „verzekeringsovereenkomst” wordt verstaan een overeenkomst (anders dan een lijfrenteverzekering) uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht een bedrag uit te keren indien zich een omschreven gebeurtenis voordoet aangaande overlijden, ziekte, ongeval, aansprakelijkheid of vermogensrisico's.

6.

Onder „lijfrenteverzekering” wordt verstaan een overeenkomst uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht uitkeringen te verstrekken gedurende een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk wordt vastgesteld op basis van de levensverwachting van een of meer natuurlijke personen. De term omvat voorts een overeenkomst die in overeenstemming met de wet- of regelgeving of in de praktijk in de lidstaat of ander rechtsgebied waar de overeenkomst werd gesloten wordt aangemerkt als lijfrenteverzekering en uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht gedurende een aantal jaren uitkeringen te verstrekken.

7.

Onder „kapitaalverzekering” wordt verstaan een verzekeringsovereenkomst (anders dan een herverzekeringsovereenkomst gericht op schadeloosstelling tussen twee verzekeringsmaatschappijen) met een geldswaarde.

8.

Onder „geldswaarde” wordt verstaan: i) het bedrag waarop de houder van de polis aanspraak kan maken bij afkoop of beëindiging van de overeenkomst (vastgesteld zonder aftrek van een annuleringsvergoeding of polisbelening), of ii) het bedrag dat de polishouder kan lenen uit hoofde van of ter zake van de overeenkomst, indien dat groter is dan het eerste bedrag. Niettegenstaande het voorgaande is „geldswaarde” niet een bedrag dat verschuldigd is uit hoofde van een verzekeringspolis:

a)

uitsluitend wegens het overlijden van een persoon, verzekerd in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst;

b)

als een invaliditeits-, ongevals- of ziekte-uitkering of een andere uitkering wegens economische verliezen door het optreden van de verzekerde gebeurtenis;

c)

als een teruggave aan de polishouder van een eerder betaalde premie (minus de kosten van verzekeringsheffingen al dan niet daadwerkelijk opgelegd) uit hoofde van een verzekeringspolis (anders dan een aan beleggingen gekoppelde levensverzekering of lijfrenteverzekering) vanwege opzegging of beëindiging van de polis, afname van het risico gedurende de looptijd van de polis, of voortvloeiend uit de correctie na de publicatie van onjuiste premies of soortgelijke fouten;

d)

als resultaatdeling voor polishouders (niet bij beëindiging) mits de resultaatdeling verband houdt met een verzekeringsovereenkomst volgens welke de enige betaalbare uitkeringen worden omschreven in onderdeel C, punt 8, onder b), of

e)

als een teruggave van een voorschotpremie of een vooruitbetaalde premie voor een verzekeringsovereenkomst waarvoor de premie op zijn minst jaarlijks betaalbaar is als het bedrag van het voorschot of de vooruitbetaling niet hoger is dan de volgende jaarlijkse premie die volgens de overeenkomst betaalbaar wordt.

9.

Onder „bestaande rekening” wordt verstaan:

a)

een financiële rekening per 31 december 2015 aangehouden door een rapporterende financiële instelling;

b)

een financiële rekening van een rekeninghouder, ongeacht de datum waarop de financiële rekening is geopend, indien:

i)

de rekeninghouder tevens bij de rapporterende financiële instelling (of met een gelieerde entiteit in dezelfde lidstaat als de rapporterende financiële instelling) houder is van een financiële rekening die een bestaande rekening is krachtens onderdeel C, punt 9, onder a);

ii)

de rapporterende financiële instelling (en, voor zover van toepassing, de gelieerde entiteit in dezelfde lidstaat als de rapporterende financiële instelling) beide eerder genoemde financiële rekeningen, en andere financiële rekeningen van de rekeninghouder die worden behandeld als bestaande rekeningen uit hoofde van punt b), behandelt als één enkele financiële rekening om te voldoen aan de normen van kennisvereisten in onderdeel A van deel VII, en met het oog op de bepaling van het saldo of de waarde van elk van de financiële rekeningen bij de toepassing van een van de rekeningdrempels;

iii)

met betrekking tot een financiële rekening die onderworpen is aan de AML/KYC procedures, de rapporterende financiële instelling aan dergelijke AML/KYC-procedures voor de financiële rekening kan voldoen door te vertrouwen op de AML/KYC-procedures die zijn gevolgd voor de bestaande rekening, omschreven in onderdeel C, punt 9, onder a), en

iv)

de rekeninghouder voor het openen van de financiële rekening geen nieuwe, aanvullende of gewijzigde klantinformatie hoeft te verstrekken, naast de voor de toepassing van deze richtlijn vereiste informatie.

10.

Onder „nieuwe rekening” wordt verstaan een financiële rekening, aangehouden door een rapporterende financiële instelling, geopend op of na 1 januari 2016 tenzij de rekening wordt behandeld als een bestaande rekening krachtens onderdeel C, punt 9, onder b).

11.

Onder „bestaande rekening van een natuurlijke persoon” wordt verstaan een bestaande rekening die door één of meer natuurlijke personen wordt aangehouden.

12.

Onder „nieuwe rekening van een natuurlijke persoon” wordt verstaan een nieuwe rekening die door één of meer natuurlijke personen wordt aangehouden.

13.

Onder „bestaande entiteitsrekening” wordt verstaan een bestaande rekening die door één of meer entiteiten wordt aangehouden.

14.

Onder „lagewaarderekening” wordt verstaan een bestaande rekening van een natuurlijke persoon met een totaal saldo of een totale waarde per 31 december 2015 van niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

15.

Onder „hogewaarderekening” wordt verstaans een bestaande rekening van een natuurlijke persoon met een totaal saldo of een totale waarde, per 31 december 2015 of 31 december van daaropvolgende jaren, van meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

16.

Onder „nieuwe entiteitsrekening” wordt verstaan een nieuwe rekening die door één of meer entiteiten wordt aangehouden.

17.

Onder „uitgezonderde rekening” wordt verstaan een van onderstaande rekeningen:

a)

een uittredings- of pensioenrekening die voldoet aan onderstaande voorwaarden:

i)

de rekening is aan regels gebonden als een persoonlijke uittredingsrekening of maakt deel uit van een geregistreerde of gereguleerde uittredings- of pensioenregeling voor de verstrekking van uittredings- of pensioenuitkeringen (met inbegrip van invaliditeits- of overlijdensuitkeringen);

ii)

de rekening is fiscaal gefaciliteerd (d.w.z. bijdragen aan de rekening die anders zouden worden onderworpen aan belasting kunnen worden afgetrokken of uitgesloten van de bruto-inkomsten van de Rekeninghouder of belast tegen een verlaagd tarief, of de belastingheffing op beleggingsinkomsten van de rekening wordt uitgesteld of gebeurt tegen een verlaagd tarief);

iii)

er wordt aan de belastingautoriteiten met betrekking tot de rekening informatie verstrekt;

iv)

opnames zijn afhankelijk gesteld van het bereiken van een bepaalde uittredingsleeftijd, invaliditeit of overlijden, of er gelden sancties op opnames die worden gedaan voordat een van deze gebeurtenissen zich voordoet, en

v)

i) de jaarlijkse bijdragen blijven beperkt tot een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD of minder, of ii) er is een maximale levenslange beperking van de bijdrage aan de rekening van een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD of minder, en in beide gevallen gelden de regels van onderdeel C van deel VII inzake rekeningaggregatie en valuta-omrekening.

Een financiële rekening die activa of middelen kan ontvangen die zijn overgedragen uit één of meer financiële rekeningen die voldoen aan de eisen van onderdeel C, punt 17, onder a) of b) of van een of meer uittredings- of pensioenfondsen die voldoen aan de vereisten van onderdeel B, onder punten 5 tot en met 7, maar voor het overige voldoet aan het vereiste in onderdeel C, punt 17, onder a), v), wordt niettemin geacht te voldoen aan dit laatste vereiste.

b)

een rekening die voldoet aan onderstaande voorwaarden:

i)

de rekening is onderworpen aan regelgeving als beleggingsvehikel voor andere doeleinden dan uittreding en wordt regelmatig verhandeld op erkende effectenbeurzen of de rekening is onderworpen aan regelgeving als spaarvehikel voor andere doeleinden dan uittreding;

ii)

de rekening is fiscaal gefaciliteerd (d.w.z. bijdragen aan de rekening die anders zouden worden onderworpen aan belasting kunnen worden afgetrokken of uitgesloten van de bruto-inkomsten van de Rekeninghouder of belast tegen een verlaagd tarief, of de belastingheffing op beleggingsinkomsten van de rekening wordt uitgesteld of gebeurt tegen een verlaagd tarief);

iii)

opnames zijn alleen mogelijk als wordt voldaan aan specifieke criteria die te maken hebben met het doel van de beleggings- of spaarrekening (bijvoorbeeld het opleveren van voordelen op onderwijs- of medisch gebied), of er gelden sancties op opnames die worden gedaan voordat aan deze criteria wordt voldaan, en

iv)

jaarlijkse bijdragen zijn beperkt tot een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD of minder, met toepassing van de regels die zijn vastgesteld in onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valutaomrekening.

Een financiële rekening die activa of middelen kan ontvangen die zijn overgedragen uit één of meer financiële rekeningen die voldoen aan de eisen van onderdeel C, punt 17, onder a) of b), of van een of meer uittredings- of pensioenfondsen die voldoen aan de eisen van onderdeel B, punt 5, 6 of 7, maar voor het overige voldoet aan het vereiste in onderdeel C, punt 17, onder b), iv), wordt niettemin geacht te voldoen aan dit laatste vereiste.

c)

een levensverzekeringsovereenkomst met een dekkingstermijn die verstrijkt voordat de verzekerde de leeftijd van 90 jaar heeft bereikt, mits de overeenkomst voldoet aan de volgende eisen:

i)

periodieke premies, die niet in de loop van de tijd afnemen, zijn ten minste jaarlijks verschuldigd tijdens de periode dat de overeenkomst bestaat of tot de verzekerde de leeftijd van 90 jaar bereikt, indien dat eerder gebeurt;

ii)

het contract heeft geen contractwaarde waartoe eenieder toegang kan krijgen (door opname, lening of anderszins) zonder beëindiging van de overeenkomst;

iii)

het bedrag (niet zijnde een uitkering bij overlijden) te betalen bij annulering of beëindiging van het contract mag niet hoger zijn dan de geaggregeerde voor het contract betaalde premies, minus de som van mortaliteits-, morbiditeits- en kostentoeslagen (al dan niet daadwerkelijk opgelegd) voor de periode of perioden van het bestaan van het contract en de bedragen die zijn betaald vóór de annulering of beëindiging van het contract, en

iv)

het contract is niet in het bezit van iemand die het onder bezwarende titel verkregen heeft;

d)

een rekening die alleen wordt aangehouden door een nalatenschap indien de documentatie voor deze rekening een kopie bevat van het testament van de overledene of van de overlijdensakte;

e)

een rekening die is geopend in verband met onderstaande:

i)

een rechterlijke beslissing of een vonnis;

ii)

verkoop, ruil of leasen van roerend of onroerend goed, op voorwaarde dat de rekening aan de volgende eisen voldoet:

de rekening wordt louter gefinancierd met een aanbetaling, waarborgsom, deposito van een bedrag nodig om een verplichting zeker te stellen die rechtstreeks verband houdt met de transactie, of een soortgelijke betaling, of wordt gefinancierd met financiële activa, gestort op de rekening in verband met de verkoop, ruil, of leasing van het goed,

de rekening wordt geopend en uitsluitend gebruikt om ervoor te zorgen dat de koper zijn verplichting om de koopprijs van het goed te betalen, nakomt, dat de verkoper een eventuele voorwaardelijke verplichting betaalt, of dat de verhuurder of de huurder schade vergoedt met betrekking tot het geleasede goed, zoals overeengekomen in het huurcontract,

de activa van de rekening, inclusief de opbrengst daarvan, zullen worden betaald of anderszins worden uitgekeerd ten behoeve van de koper, de verkoper, de verhuurder of huurder (onder meer om te voldoen aan diens verplichting), wanneer het goed wordt verkocht, geruild, of overgedragen of bij beëindiging van de huur,

de rekening is geen marge- of soortgelijke rekening in verband met een verkoop of ruil van financiële activa, en

de rekening is niet verbonden aan een rekening als omschreven in onderdeel C, punt 17, onder f);

iii)

een verplichting van een financiële instelling die een lening verstrekt, gedekt door onroerend goed, om een deel van een betaling uit te stellen, uitsluitend ter vergemakkelijking van de betaling van belastingen of verzekeringen in verband met het onroerend goed op een later tijdstip;

iv)

een verplichting van een financiële instelling uitsluitend ter vergemakkelijking van de betaling van belastingen op een later tijdstip;

f)

een depositorekening die voldoet aan de volgende eisen:

i)

de rekening bestaat alleen omdat een klant een betaling verricht, hoger dan een saldo ten opzichte van een creditcard of andere kredietfaciliteit en het te veel betaalde bedrag wordt niet onverwijld aan de klant geretourneerd, en

ii)

met ingang van of nog vóór 1 januari 2016 voert de financiële instelling beleidsmaatregelen en procedures in om te voorkomen dat een klant meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD te veel betaalt, of om ervoor te zorgen dat de klant dat te veel betaald bedrag binnen 60 dagen terugbetaald krijgt, en in beide gevallen worden de regels toegepast van onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valuta-omrekening. In dit verband heeft een door een klant te veel betaald bedrag geen betrekking op creditsaldi in verband met betwiste afboekingen van de rekening, maar wel op creditsaldi die ontstaan door teruggestuurde goederen;

g)

een andere rekening met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking, die in wezen soortgelijke kenmerken heeft als een van de rekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a) tot en met f), en die is opgenomen in de lijst van uitgezonderde rekeningen als bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van deze richtlijn op voorwaarde dat de status van deze rekening als uitgezonderde rekening geen afbreuk doet aan het doel van deze richtlijn.

D.   Te rapporteren rekening

1.

Onder „te rapporteren rekening” wordt verstaan een financiële rekening die wordt aangehouden door een rapporterende financiële instelling van een lidstaat en wordt aangehouden door één of meer te rapporteren personen of een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, mits de rekening als zodanig is aangemerkt op grond van de due diligence-procedures omschreven in de delen II tot en met VII.

2.

Onder „te rapporteren persoon” wordt verstaan een persoon van een lidstaat, niet zijnde: i) een onderneming waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op één of meer erkende effectenbeurzen, ii) een onderneming die een gelieerde entiteit is van een onderneming omschreven onder i), iii) een overheidsinstantie, iv) een internationale organisatie, v) een centrale bank, of vi) een financiële instelling.

3.

Onder „persoon van een lidstaat” wordt verstaan met betrekking tot elke lidstaat een natuurlijke persoon of een entiteit die een ingezetene is van een andere lidstaat onder de fiscale wetgeving van die andere lidstaat, of een nalatenschap van een erflater die een ingezetene was van een andere lidstaat. Voor dit doel wordt een entiteit zoals een samenwerkingsverband, een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid of een soortgelijke juridische constructie zonder fiscale woonplaats, behandeld als een ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen.

4.

Onder „deelnemend rechtsgebied” wordt verstaan met betrekking tot elke lidstaat:

a)

een andere lidstaat;

b)

een ander rechtsgebied: i) waarmee de betrokken lidstaat een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied de informatie, bedoeld in deel I, zal verstrekken, en ii) dat voorkomt op een door die lidstaat gepubliceerde en aan de Europese Commissie toegezonden lijst;

c)

enig ander rechtsgebied: i) waarmee de Unie een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied de informatie, bedoeld in deel I, zal verstrekken, en ii) dat voorkomt op een door de Europese Commissie gepubliceerde lijst.

5.

Onder „uiteindelijk belanghebbenden” worden verstaan de natuurlijke personen die zeggenschap uitoefenen over een entiteit. In het geval van trusts worden hieronder verstaan de insteller(s) van een trust, de trustees, de eventuele protector(en), de begunstigde(n) of categorie(ën) begunstigden en eventuele andere natuurlijke personen die de uiteindelijke feitelijke zeggenschap uitoefenen over de trust en in het geval van andere juridische overeenkomsten dan een trust worden hieronder verstaan personen in dezelfde of een vergelijkbare positie. De uitdrukking „uiteindelijk belanghebbenden” wordt uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de aanbevelingen van de Financial Action Task Force.

6.

Onder „NFE” wordt verstaan een entiteit die geen financiële instelling is.

7.

Onder „passieve NFE” wordt verstaan: i) een NFE die geen actieve NFE is, of ii) een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

8.

Onder „actieve NFE” wordt verstaan een NFE die voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

minder dan 50 % van de bruto-inkomsten van de NFE in het voorgaande kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, bestaat uit passieve inkomsten en minder dan 50 % van de activa van de NFE gedurende het voorgaande kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, bestaat uit activa die passieve inkomsten genereren of die worden aangehouden voor het genereren van passieve inkomsten;

b)

de aandelen van de NFE worden regelmatig verhandeld op een erkende effectenbeurs of de NFE is een gelieerde entiteit van een entiteit waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een erkende effectenbeurs;

c)

de NFE is een overheidsinstantie, een internationale organisatie, een centrale bank of een entiteit die volledig in het bezit is van een of meer van de voorgaande instanties;

d)

Een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het (geheel of gedeeltelijk) aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling, met dien verstande dat een entiteit niet in aanmerking komt voor de status van NFE, indien de entiteit fungeert als een beleggingsfonds (of zich als zodanig presenteert), zoals een private equity fonds, durfkapitaalfonds, een overnamefonds dat met schulden wordt gefinancierd of een beleggingsvehikel met het doel ondernemingen te verwerven of te financieren en bij wijze van belegging daarin vervolgens belangen aan te houden als vermogensbestanddelen;

e)

de NFE oefent nog geen bedrijfsactiviteiten uit en heeft dat ook in het verleden niet gedaan, maar investeert vermogen in activa teneinde bedrijfsactiviteiten uit te oefenen anders dan die van een financiële instelling, op voorwaarde dat de NFE 24 maanden na de datum van haar oprichting niet in aanmerking komt voor deze uitzondering;

f)

de NFE was gedurende de voorgaande vijf jaar geen financiële instelling en is bezig met de liquidatie van haar activa of met een reorganisatie teneinde de activiteiten voort te zetten of te hervatten, niet zijnde die van een financiële instelling;

g)

de NFE is voornamelijk betrokken bij financierings- en hedgingtransacties met of voor gelieerde entiteiten die geen financiële instellingen zijn en verschaft geen financiering of hedgingdiensten aan een entiteit die geen gelieerde entiteit is, mits de groep van dergelijke gelieerde entiteiten voornamelijk betrokken is bij bedrijfsactiveiten anders dan die van een financiële instelling, of

h)

de NFE voldoet aan alle volgende vereisten:

i)

zij is opgericht in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is, en wordt aldaar uitsluitend geëxploiteerd voor religieuze, charitatieve, wetenschappelijke, artistieke, culturele, sportieve of educatieve doeleinden, of zij is opgericht in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is en wordt aldaar geëxploiteerd als een professionele organisatie, bedrijfsvereniging, kamer van koophandel, arbeidsorganisatie, land- of tuinbouworganisatie, burgerorganisatie of als een organisatie uitsluitend ter bevordering van het sociale welzijn;

ii)

zij is in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is vrijgesteld van inkomstenbelasting;

iii)

zij heeft geen aandeelhouders of leden die als eigenaar of rechthebbende aanspraak kunnen maken op haar inkomsten of activa;

iv)

de van toepassing zijnde wetgeving van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of haar oprichtingsakten staan niet toe dat inkomsten of activa van de NFE worden uitgedeeld aan of aangewend ten behoeve van een particulier of een niet-charitatieve entiteit anders dan in het kader van de charitatieve activiteiten van de NFE of ter betaling van een redelijke vergoeding voor verleende diensten of als betaling die een waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt voor activa die de NFE heeft verworven, en

v)

de van toepassing zijnde wetgeving van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of haar oprichtingsakten vereisen dat bij liquidatie of opheffing van de NFE al haar activa worden overgedragen aan een overheidsinstantie of een andere non-profit organisatie of vervallen aan de overheid van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of een staatkundig onderdeel daarvan.

E.   Diversen

1.

Onder „rekeninghouder” wordt verstaan de persoon die door de financiële instelling die de rekening beheert is geregistreerd of wordt geïdentificeerd als de houder van een financiële rekening. Een persoon, niet zijnde een financiële instelling die als gevolmachtigde, bewaarder, vertegenwoordiger, ondertekenaar, beleggingsadviseur of tussenpersoon een financiële rekening houdt namens of voor rekening van een derde, wordt voor de toepassing van deze richtlijn niet aangemerkt als de houder van de rekening, maar die derde wordt aangemerkt als de houder van de rekening. In het geval van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering wordt als rekeninghouder aangemerkt de persoon die gerechtigd is tot de geldswaarde of tot wijziging van de begunstigde van de polis. Indien niemand gerechtigd is tot de geldswaarde of de begunstigde kan wijzigen, is de houder van de polis een ieder die in de polis genoemd wordt als eigenaar alsmede eenieder met een verworven recht op uitkering krachtens de polisvoorwaarden. Aan het eind van de looptijd van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering wordt elke persoon die recht heeft op een uitkering volgens de polis aangemerkt als rekeninghouder.

2.

Onder „AML/KYC-procedures” worden verstaan de due diligence-procedures voor klanten van een rapporterende financiële instelling uit hoofde van vereisten ter bestrijding van het witwassen van geld of daarmee vergelijkbare vereisten die van toepassing zijn op de rapporterende financiële instelling.

3.

Onder „entiteit” wordt verstaan een rechtspersoon of een juridische overeenkomst, zoals een vennootschap, samenwerkingsverband, trust of stichting.

4.

Een entiteit is een „gelieerde entiteit” van een andere entiteit indien: i) een van de entiteiten de andere beheerst, of ii) indien beide entiteiten onder een gemeenschappelijk zeggenschap vallen, of iii) de twee entiteiten beleggingsentiteiten zijn, omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), onder een gemeenschappelijk beheer staan, en een dergelijk beheer voldoet aan de due diligence-verplichtingen van de beleggingsentiteiten. Daartoe wordt onder zeggenschap mede verstaan de directe of indirecte eigendom van meer dan 50 % van het aantal stemmen en het vermogen in een entiteit.

5.

Onder „TIN” wordt verstaan het fiscaal identificatienummer (of een functioneel equivalent bij gebreke van een fiscaal identificatienummer).

6.

Onder „Bewijsstukken” worden verstaan:

a)

een verklaring omtrent de woonplaats afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of agentschap daarvan, of een gemeente) van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de rechthebbende verklaart een ingezetene te zijn;

b)

in het geval van natuurlijke personen, een geldig identiteitsbewijs afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of een agentschap daarvan, of een gemeente) met daarop de naam van de natuurlijke persoon, en dat gewoonlijk wordt gebruikt als legitimatiebewijs;

c)

in het geval van een entiteit, een officieel document afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of een agentschap daarvan, of een gemeente) met daarin de naam van de entiteit en het adres van haar hoofdkantoor in hetzij de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de entiteit verklaart een ingezetene te zijn, hetzij de lidstaat of ander rechtsgebied waar de entiteit is opgericht of gevestigd;

d)

een gecontroleerd financieel overzicht, een verklaring van derden omtrent kredietwaardigheid, een faillissementsaanvraag of een rapport van de effectentoezichthouder.

Met betrekking tot een bestaande entiteitsrekening, mogen rapporterende financiële instellingen als bewijsstuk gebruiken iedere indeling in de dossiers van de rapporterende financiële instelling met betrekking tot de rekeninghouder, vastgesteld op basis van een gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem, dat werd vastgesteld door de rapporterende financiële instelling in overeenstemming met haar normale handelspraktijken voor de toepassing van AML/KYC-procedures of andere regelgevende doeleinden (andere dan voor fiscale doeleinden) en dat werd uitgevoerd door de rapporterende financiële instelling vóór de datum van indeling van de financiële rekening als een bestaande rekening, op voorwaarde dat de rapporterende financiële instelling niet weet of geen redenen heeft om te weten dat deze indeling onjuist of onbetrouwbaar is. Een „gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem” is een codering voor het indelen van bedrijven per bedrijfssoort voor andere doeleinden dan fiscale doeleinden.

DEEL IX

DOELTREFFENDE UITVOERING

Overeenkomstig artikel 8, lid 3 bis, van deze richtlijn, moeten de lidstaten regels en de administratieve procedures hebben om te zorgen voor doeltreffende uitvoering en naleving van de rapportage- en due diligence-procedures zoals hierboven omschreven, met inbegrip van:

1.

voorschriften om te voorkomen dat financiële instellingen, personen of tussenpersonen praktijken instellen gericht op het omzeilen van de rapportage- en due diligence-procedures;

2.

regels voor de rapporterende financiële instellingen om registers bij te houden van de stappen die zijn gezet en eventuele bewijzen die zijn aangevoerd voor de uitvoering van voornoemde procedures en adequate maatregelen om die registers te verkrijgen;

3.

administratieve procedures om na te gaan of de rapporterende financiële instellingen zich houden aan de rapportage- en due diligence-procedures, en administratieve procedures die met een rapporterende financiële instelling worden gevolgd als er ongedocumenteerde rekeningen worden gerapporteerd;

4.

administratieve procedures om voor de entiteiten en rekeningen die in de nationale wetgeving worden gedefinieerd als niet rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen, te garanderen dat een laag risico blijft bestaan dat zij worden gebruikt voor belastingontduiking, en

5.

doeltreffende handhavingsbepalingen om niet-naleving aan te pakken.

DEEL X

UITVOERINGSDATA MET BETREKKING TOT RAPPORTERENDE FINANCIËLE INSTELLINGEN DIE ZICH IN OOSTENRIJK BEVINDEN

Voor rapporterende financiële instellingen die zich in Oostenrijk bevinden moeten alle verwijzingen naar 2016 en 2017 in deze bijlage worden gelezen als verwijzingen naar respectievelijk 2017 en 2018.

Voor bestaande rekeningen gehouden door rapporterende financiële instellingen die zich in Oostenrijk bevinden moeten alle verwijzingen naar 31 december 2015 in deze bijlage worden gelezen als verwijzingen naar 31 december 2016.

BIJLAGE II

AANVULLENDE RAPPORTAGE- EN DUE DILIGENCE-REGELS VOOR INFORMATIE OVER FINANCIËLE REKENINGEN

1.   Wijziging in de omstandigheden

Een „wijziging in de omstandigheden” is onder meer een wijziging die leidt tot de toevoeging van relevante informatie over de status van een persoon of die op enige andere wijze in strijd is met de status van die persoon. Bovendien omvat een wijziging in de omstandigheden elke wijziging van, of toevoeging van informatie aan, de rekening van de Rekeninghouder (met inbegrip van de toevoeging, vervanging of andere wijziging van een Rekeninghouder) of elke wijziging van, of toevoeging van informatie aan, een rekening die gelieerd is met de rekening (met toepassing van de aggregatieregels omschreven in onderdeel C, onder punten 1 tot en met 3, van deel VII van bijlage I als de verandering of toevoeging van informatie van invloed is op de status van de Rekeninghouder.

Indien een rapporterende financiële instelling zich heeft gebaseerd op de toets inzake het woonadres omschreven in onderdeel B, punt 1 van deel III van bijlage I en er is sprake van een verandering in de omstandigheden waardoor de rapporterende financiële instelling weet of redenen heeft om te weten dat de oorspronkelijke bewijsstukken (of andere gelijkwaardige documentatie) onjuist of onbetrouwbaar zijn, moet de rapporterende financiële instelling uiterlijk op de laatste dag van het desbetreffende kalenderjaar of een andere geschikte rapportageperiode, of 90 dagen na de bekendmaking of de ontdekking van een dergelijke wijziging in de omstandigheden, indien dit later is, een verklaring en nieuwe bewijsstukken verkrijgen voor het bepalen van de fiscale woonplaats(en) van de rekeninghouder. Indien de rapporterende financiële instelling de verklaring en de nieuwe bewijsstukken niet uiterlijk op die datum kan verkrijgen, moet de rapporterende financiële instelling de elektronische zoekprocedure gebruiken zoals omschreven in onderdeel B, onder punten 2 tot en met 6 van deel III van bijlage I.

2.   Verklaring voor nieuwe entiteitsrekeningen

Met betrekking tot nieuwe entiteitsrekeningen kan een rapporterende financiële instelling, om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is, zich uitsluitend baseren op een verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende.

3.   Vestigingsplaats van een financiële instelling

Een financiële instelling is een „ingezetene” van een lidstaat, indien zij is onderworpen aan de jurisdictie van die lidstaat (d.w.z. dat de lidstaat rapportage door de financiële instelling kan afdwingen). In het algemeen geldt dat, wanneer een financiële instelling voor fiscale doeleinden een ingezetene is van een lidstaat, zij onderworpen is aan de jurisdictie van die lidstaat, en dus een financiële instelling van de lidstaat is. In het geval van een trust die een financiële instelling is (ongeacht of zij voor fiscale doeleinden een ingezetene is van een lidstaat) wordt de trust geacht onder de jurisdictie van een lidstaat te vallen indien een of meer van de trustees ingezetenen zijn van deze lidstaat, tenzij de trust alle informatie die krachtens deze richtlijn met betrekking tot te rapporteren rekeningen van de trust moet worden vermeld, aan een andere lidstaat verstrekt omdat zij voor fiscale doeleinden een ingezetene is van die andere lidstaat. Wanneer een financiële instelling (anders dan een trust) echter geen fiscale vestigingsplaats heeft (bv. omdat zij wordt behandeld als fiscaal transparant, of gevestigd is in een rechtsgebied dat geen inkomstenbelasting kent), wordt zij geacht onder de jurisdictie van een lidstaat te vallen en is zij dus een financiële instelling van een lidstaat indien:

a)

zij is opgericht in overeenstemming met de wetten van de lidstaat;

b)

haar leiding (inclusief de werkelijke leiding) zich in de lidstaat bevindt, of

c)

zij valt onder het financieel toezicht in de lidstaat.

Wanneer een financiële instelling (anders dan een trust) een ingezetene is van twee of meer lidstaten, is die financiële instelling onderworpen aan de rapportage- en due diligence-verplichtingen van de lidstaat waar zij de financiële rekening/rekeningen aanhoudt.

4.   Aangehouden rekening

In het algemeen wordt een rekening geacht te worden aangehouden door de volgende financiële instelling:

a)

in het geval van een bewaarrekening, door de financiële instelling die het beheer heeft over de activa op de rekening (met inbegrip van een financiële instelling die activa aanhoudt namens een rekeninghouder in die instelling);

b)

in het geval van een depositorekening, door de financiële instelling die verplicht is tot het doen van betalingen met betrekking tot de rekening (met uitzondering van een gevolmachtigde van een financiële instelling, ongeacht of die gevolmachtigde een financiële instelling is);

c)

in het geval van aandelen in of schuldvorderingen op een financiële instelling die een financiële rekening vormen, door die financiële instelling;

d)

in het geval van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering, door de financiële instelling die verplicht is tot het doen van betalingen met betrekking tot de verzekering.

5.   Trusts die passieve NFE's zijn

Een entiteit zoals een samenwerkingsverband, een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid of een soortgelijke juridische constructie zonder fiscale vestigingsplaats, overeenkomstig onderdeel D, punt 3, van deel VIII van bijlage I, wordt behandeld als een ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen. In dit verband wordt een rechtspersoon of juridische constructie gezien als „soortgelijk” aan een samenwerkingsverband en een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid, wanneer deze in een lidstaat niet worden behandeld als een fiscale eenheid volgens de belastingwetgeving van die lidstaat. Om dubbele rapportage te vermijden (gelet op de ruime reikwijdte van de term „uiteindelijk belanghebbende” in het geval van trusts), kan een trust die een passieve NFE is, echter niet worden gezien als een soortgelijke juridische constructie.

6.   Adres van het hoofdkantoor van de Entiteit

Een van de vereisten bedoeld in onderdeel E, punt 6, onder c), van deel VIII van bijlage I is dat, met betrekking tot een entiteit, de officiële documentatie het adres bevat van het hoofdkantoor van de entiteit in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij stelt een ingezetene te zijn of in de lidstaat of andere rechtsgebied waar de entiteit is opgericht of georganiseerd. Het adres van het hoofdkantoor van de entiteit is in het algemeen de plaats waar zich de werkelijke leiding ervan bevindt. Het adres van een financiële instelling waar de entiteit een rekening heeft, een postbusadres, of een adres dat uitsluitend wordt gebruikt als postadres is niet het adres van het hoofdkantoor van de entiteit, tenzij dit adres het enige adres is dat door de entiteit wordt gebruikt en dat in de statutaire documenten van de entiteit staat vermeld als haar geregistreerde adres. Verder is een adres dat wordt opgegeven als poste-restanteadres niet het adres van het hoofdkantoor van de entiteit.


Top