Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009L0030

Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 140, 5.6.2009, p. 88–113 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 055 P. 187 - 212

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/30/oj

5.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/88


RICHTLIJN 2009/30/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 april 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 95 en artikel 175, lid 1, met betrekking tot artikel 1, punt 5, en artikel 2 van deze richtlijn,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gelet op het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof (3) zijn om volksgezondheids- en milieuredenen minimumspecificaties vastgesteld voor benzine en dieselbrandstof voor gebruik in het wegvervoer en in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

(2)

Een van de doelstellingen neergelegd in het zesde milieuactieplan van de Europese Gemeenschap, dat is opgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), is het bereiken van luchtkwaliteitsniveaus die geen significante negatieve effecten en risico’s voor de volksgezondheid en het milieu tot gevolg hebben. In haar aan Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (5) gehechte verklaring, erkende de Commissie dat er alleen wezenlijke vooruitgang kan worden geboekt met de doelstellingen van het zesde milieuactieprogramma als de emissie van schadelijke luchtverontreinigende stoffen wordt verminderd, en kondigde zij met name nieuwe wetgevingsvoorstellen aan met het oog op een verdere vermindering van de in de lidstaten toegelaten emissies van de belangrijkste verontreinigende stoffen, de emissies die samenhangen met het tanken van benzinevoertuigen bij tankstations, alsmede de aanpak van het zwavelgehalte van brandstoffen, waaronder scheepsbrandstof.

(3)

In het kader van het Kyotoprotocol heeft de Gemeenschap zich verbonden tot streefcijfers inzake de emissie van broeikasgassen voor de periode 2008-2012. De Gemeenschap heeft zich ook verplicht tot een vermindering van de broeikasgasemissies met 30 % uiterlijk in 2020 in het kader van een mondiaal akkoord, en tot een unilaterale vermindering met 20 %. Alle sectoren zullen een bijdrage moeten leveren om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(4)

Eén aspect van de broeikasgasemissies door de vervoersector is aangepakt via het Europees beleid inzake de CO2-emissies van auto’s. De verbranding van brandstoffen in het vervoer draagt aanzienlijk bij tot de totale emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap. Monitoring en vermindering van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van bedoelde brandstoffen kan ertoe bijdragen dat de Gemeenschap haar doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie haalt door transportbrandstoffen meer koolstofvrij te maken.

(5)

De Gemeenschap heeft regelgeving aangenomen om de emissies van verontreinigende stoffen door zware en lichte vrachtwagens te beperken. Specificatie van de gebruikte brandstoffen is een factor die het gemak beïnvloedt waarmee aan dergelijke emissiegrenswaarden kan worden voldaan.

(6)

Een afwijking van de maximale benzinedampspanning in de zomer moet worden beperkt tot lidstaten die in de zomerperiode lage omgevingstemperaturen hebben. Derhalve moet worden aangegeven in welke lidstaten een afwijking wordt toegestaan. Dit zijn in beginsel de lidstaten waar de gemiddelde temperatuur voor het grootste deel van hun grondgebied gedurende ten minste twee van de drie maanden juni, juli en augustus minder dan 12 °C bedraagt.

(7)

Bij Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (6) zijn emissiegrenswaarden vastgesteld voor motoren van niet voor de weg bestemde mobiele machines. Er moet brandstof worden geleverd die een goede functionering van bedoelde motoren mogelijk maakt.

(8)

De verbranding van brandstoffen voor het wegvervoer is verantwoordelijk voor ongeveer 20 % van de emissie van broeikasgassen in de Gemeenschap. Eén van de methoden om deze broeikasgasemissies terug te dringen, is bedoelde emissies te verminderen gedurende de levenscyclus van deze brandstoffen. Dit kan op diverse manieren gebeuren. Gezien het streven van de Gemeenschap naar een verdere verlaging van de emissie van broeikasgassen en het grote aandeel dat het wegvervoer heeft in deze emissies, is het passend een mechanisme vast te stellen waarbij van brandstofleveranciers wordt geëist dat zij rapporteren over de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de door hen geleverde brandstoffen en dat zij deze emissies vanaf 2011 verminderen. De methode voor de berekening van de broeikasgasemissies van biobrandstoffen gedurende de levenscyclus dient gelijk te zijn aan die welke wordt vastgesteld voor de doeleinden van de berekening van het effect van biobrandstoffen in het kader van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (7).

(9)

De leveranciers dienen de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brandstof en energie voor 31 december 2020 stapsgewijs met maximaal 10 % te verminderen. Deze vermindering moet uiterlijk op 31 december 2020 ten minste 6 % bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde gemiddelde EU-niveau van emissies van broeikasgassen per eenheid energie uit fossiele brandstoffen gedurende de levenscyclus van die brandstoffen, door middel van het gebruik van biobrandstoffen, alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olieproductie-installaties. Door middel van een herziening moet er een verdere vermindering met 2 % worden bereikt door gebruikmaking van milieuvriendelijke technologieën voor koolstofvastlegging en -opslag en van elektrische voertuigen, en nog eens 2 % via de aankoop van kredieten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling in het kader van het Kyotoprotocol. Deze aanvullende verminderingen moeten bij de inwerkingtreding van deze richtlijn niet bindend zijn voor lidstaten of brandstofleveranciers. Bij de herziening moet het niet-bindende karakter aan de orde worden gesteld.

(10)

Biobrandstoffen moeten op duurzame wijze worden geproduceerd. Biobrandstoffen die worden gebruikt om de broeikasreductiedoelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, dienen derhalve te beantwoorden aan duurzaamheidscriteria. Om de samenhang tussen energie- en milieubeleid te verzekeren en te vermijden dat een onsamenhangende aanpak tot extra kosten voor het bedrijfsleven en tot incoherentie van de milieumaatregelen zou leiden, is het van essentieel belang dat de duurzaamheidscriteria voor het gebruik van biobrandstoffen worden gehanteerd voor de doeleinden van deze richtlijn, gelijk zijn aan die welke voor de doeleinden van Richtlijn 2009/28/EG worden gebruikt. Om dezelfde reden moet dubbele rapportage in deze context worden vermeden. Voorts moeten de Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten hun activiteiten coördineren in het kader van een comité dat specifiek verantwoordelijk is voor duurzaamheidskwesties.

(11)

De toename van de wereldwijde vraag naar biobrandstoffen en de bij deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor het gebruik ervan mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Deze beperkte reserves, die in diverse internationale instrumenten als waardevol voor de gehele mensheid zijn erkend, moeten worden beschermd. Gebruikers in de Gemeenschap zouden het bovendien moreel onaanvaardbaar vinden als de toename van hun gebruik van biobrandstoffen zou leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen voor stimuleringsmaatregelen alleen in aanmerking kunnen komen wanneer kan worden gewaarborgd dat zij niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, geldig bewijs verstrekken dat het verbouwen van de grondstoffen niet in strijd is met deze doelstellingen. Volgens de gekozen duurzaamheidscriteria hebben bossen een grote biodiversiteit als het gaat om oerbossen, volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment), die wereldwijd door landen wordt gehanteerd om de omvang van hun oerbos weer te geven, of om bossen die door de nationale natuurbeschermingswetgeving zijn beschermd. Tevens vallen hieronder gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van grondstoffen die op dergelijke gronden worden verbouwd, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria en geografische grenzen vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en toepasselijke internationale normen.

(12)

Bij de berekening van het effect van broeikasgasemissies van de omschakeling van het bodemgebruik moeten de economische operatoren gebruik kunnen maken van actuele waarden voor de koolstofvoorraden van het referentielandgebruik en het landgebruik na de omschakeling. Ook moeten zij gebruik kunnen maken van standaardwaarden. De werkzaamheden van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering bieden een passende basis voor deze standaardwaarden. Deze werkzaamheden worden thans niet in een vorm gegoten die de economische operatoren zonder meer kunnen gebruiken. Daarom zou de Commissie richtsnoeren ter zake moeten opstellen die als uitgangspunt kunnen dienen voor de berekening van de wijzigingen van koolstofvoorraden voor de doeleinden van deze richtlijn, ook met betrekking tot deze wijzigingen voor beboste gebieden met een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, savannen, met struikgewas bedekte gronden en prairies.

(13)

De Commissie dient methoden te ontwikkelen voor de beoordeling van het effect van het droogleggen van veengebieden voor de broeikasgasemissies.

(14)

Land mag niet worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen indien het verlies van de koolstofvoorraden ervan door de omschakeling binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de hoogdringendheid van de klimaatverandering, niet kan worden gecompenseerd door de broeikasgasvermindering resulterend uit de productie van biobrandstoffen. Dit zou onnodig moeizaam onderzoek door economische operatoren vermijden en de omschakeling van land met grote koolstofvoorraden, die niet geschikt was voor de productie van grondstoffen voor biobrandstoffen. De inventarisering van de wereldwijde koolstofvoorraden toont aan dat waterrijke en permanent beboste gebieden met een bedekkingsgraad van meer dan 30 % in deze categorie moeten worden opgenomen. Beboste gebieden met een bedekkingsgraad tussen 10 en 30 % moeten eveneens worden opgenomen, tenzij wordt aangetoond dat hun koolstofvoorraden laag genoeg zijn om hun omschakeling conform de voorschriften van deze richtlijn te rechtvaardigen. Bij de verwijzing naar waterrijke gebieden moet rekening worden gehouden met de definitie vastgelegd in de Overeenkomst inzake watergebieden, in het bijzonder als habitat voor watervogels, vastgesteld op 2 februari 1971 te Ramsar.

(15)

De in deze richtlijn opgenomen stimulansen zullen de productie van biobrandstoffen wereldwijd doen toenemen. Wanneer biobrandstoffen op basis van grondstoffen zijn gemaakt, die in de Gemeenschap werden geproduceerd, moeten zij ook beantwoorden aan de communautaire milieuvoorschriften voor de landbouw, met inbegrip van voorschriften betreffende de bescherming van de kwaliteit van het grond- en het oppervlaktewater en met sociale voorschriften. In dit verband bestaat er evenwel bezorgdheid dat in bepaalde derde landen bij de productie van biobrandstof de minimumeisen op milieu- en sociaal gebied niet in acht worden genomen. Derhalve dienen er stimulansen te worden gegeven aan de ontwikkeling van multilaterale en bilaterale overeenkomsten en vrijwillige internationale of nationale regelingen die de voornaamste internationale milieuaspecten en sociale aspecten bestrijken, zulks teneinde wereldwijd de duurzame productie van biobrandstof te bevorderen. Bij gebrek aan dergelijke overeenkomsten of regelingen zullen de lidstaten de economische operatoren verzoeken over deze zaken verslag uit te brengen.

(16)

De duurzaamheidscriteria zullen alleen effect hebben als ze een wijziging van het gedrag van de marktdeelnemers tot gevolg hebben. Deze wijzigingen zullen pas plaatsvinden als biobrandstoffen die aan die criteria beantwoorden een prijsvoordeel bieden ten opzichte van die welke niet aan deze criteria voldoen. Volgens de massabalansmethode voor het verifiëren van de naleving bestaat er een fysiek verband tussen de productie van biobrandstoffen die aan de duurzaamheidscriteria beantwoorden en het verbruik van biobrandstoffen in de Gemeenschap, waardoor een correct evenwicht ontstaat tussen vraag en aanbod en het prijsvoordeel groter is dan in systemen zonder dit verband. Om te garanderen dat biobrandstoffen die aan de duurzaamheidscriteria voldoen tegen een hogere prijs kunnen worden verkocht, dient de massabalansmethode te worden gebruikt om de naleving ervan te controleren. Hierbij blijft de integriteit van het systeem behouden en worden onredelijke lasten voor het bedrijfsleven vermeden. Naar andere controlesystemen moet echter nader onderzoek plaatsvinden.

(17)

Waar nodig houdt de Commissie naar behoren rekening met de millennium- ecosysteemevaluatie (Millennium Ecosystem Assessment), die nuttige gegevens bevat voor de instandhouding van minimum de gebieden die in kritieke situaties een basisfunctie voor het ecosysteem vervullen, zoals bescherming van stroomgebieden of erosiecontrole.

(18)

Bij de berekening van broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brandstoffen, moet ook rekening worden gehouden met afgeleide producten. De substitutiemethode is geschikt voor het analyseren van het beleid. Zij is dat evenwel niet voor regelgevende doeleinden met betrekking tot individuele exploitanten en individuele leveringen van vervoersbrandstoffen. In dit laatste geval is de energietoewijzingsmethode het meest geschikte instrument omdat die gemakkelijk toepasbaar en voorspelbaar is, contraproductieve stimulansen tot een minimum beperkt en resultaten oplevert die in het algemeen vergelijkbaar zijn met de resultaten van de substitutiemethode. Ten behoeve van beleidsanalyses moet de Commissie in haar verslagen ook de resultaten van de substitutiemethode opnemen.

(19)

Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke productietrajecten voor de productie van biobrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid wordt. Er wordt van uitgegaan dat exploitanten altijd het in die lijst vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen kunnen eisen. Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productietraject onder de vereiste minimumreductie blijft, moeten producenten die wensen te bewijzen dat ze toch aan dit minimumniveau voldoen, aantonen dat de feitelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.

(20)

Het is dienstig dat de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardwaarden, afkomstig zijn uit onafhankelijke wetenschappelijke bronnen en in voorkomend geval worden geactualiseerd naarmate hun werk vordert. De Commissie zou deze bronnen moeten aanmoedigen om zich ook bezig te houden met: de bij de teelt vrijkomende emissies; het effect van regionale en klimatologische omstandigheden; het effect van de teelt waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame en organische landbouwmethoden; en de wetenschappelijke bijdragen van producenten in de Gemeenschap en in derde landen en van het maatschappelijk middenveld.

(21)

Om te vermijden dat het verbouwen van grondstoffen voor biobrandstoffen wordt aangemoedigd op plaatsen waar dit tot hogere broeikasgasemissies zou leiden, moet het gebruik van standaardwaarden voor het verbouwen van dergelijke grondstoffen worden beperkt tot gebieden waar een dergelijk effect met zekerheid kan worden uitgesloten. Om echter disproportionele administratieve lasten te vermijden, is het passend dat de lidstaten nationale of regionale gemiddelden vaststellen voor de emissie van deze gewassen, en voor de emissies van kunstmest.

(22)

De wereldwijde vraag naar landbouwgrondstoffen stijgt. Het antwoord op deze stijgende vraag ligt ten dele in een toename van het landbouwareaal. Het herstel van gronden die ernstig zijn aangetast of vervuild en bijgevolg in hun huidige toestand niet voor landbouwdoeleinden kunnen worden gebruikt, is een van de middelen om het landbouwareaal te vergroten. De duurzaamheidsregeling moet het gebruik van hersteld aangetast land stimuleren omdat het bevorderen van het gebruik van biobrandstoffen de vraag naar landbouwgrondstoffen zal doen toenemen. Ook als de biobrandstof zelf geproduceerd wordt uit op bestaande landbouwgrond verbouwde grondstoffen, kan de door de stimulering van biobrandstoffen veroorzaakte nettostijging van de grondstoffenvraag een nettotoename van de beteelde oppervlakte tot gevolg hebben. Als daarvoor grond met veel koolstof wordt aangesproken, kunnen, als schadelijk neveneffect, koolstofvoorraden vrijkomen. Teneinde dit risico te beperken, is het dienstig begeleidende maatregelen te nemen ter stimulering van de productiviteitsstijging op de reeds beteelde gronden, het opnieuw in gebruik nemen van recentelijk uit productie genomen gronden, het gebruik van aangetast land, en de aanneming van duurzaamheidsvereisten zoals die welke in deze richtlijn worden vastgesteld voor het gebruik van biobrandstoffen in de Gemeenschap, door andere biobrandstofgebruikende landen. De Commissie moet een concrete methode ontwikkelen om de uitstoot van broeikasgas als gevolg van indirecte veranderingen in het landgebruik zoveel mogelijk te beperken. Daarbij moet zij, op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke bewijzen, in het bijzonder analyseren welke factor voor indirecte veranderingen in het landgebruik bij de berekening van broeikasgasemissies kan worden gebruikt, hoe duurzame brandstoffen kunnen worden gestimuleerd op een wijze die de gevolgen van veranderd landgebruik minimaliseert en hoe de duurzaamheid van biobrandstof kan worden vergroot in relatie tot indirecte veranderingen in het landgebruik. Bij het ontwikkelen van deze methode dient de Commissie onder meer aandacht te besteden aan het potentiële indirecte effecten op het landgebruik van biobrandstoffen op basis van non-food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal.

(23)

De maatregelen van de artikelen 7 ter tot en met 7 quinquies van Richtlijn 98/70/EG bevorderen tevens de werking van de interne markt, omdat zij de duurzaamheidsvereisten waaraan biobrandstoffen met het oog op de te halen streefcijfers moeten voldoen, harmoniseren. Derhalve vergemakkelijken zij, overeenkomstig artikel 7 ter, lid 8 van die richtlijn, de handel tussen de lidstaten in biobrandstoffen die aan deze voorwaarden voldoen. Bijgevolg zijn zij gebaseerd op artikel 95 van het Verdrag.

(24)

De gestage technische vooruitgang op het gebied van de auto- en brandstoftechnologieën, gepaard aan het permanente streven om een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van milieu en volksgezondheid te waarborgen, maken een geregelde herziening van de brandstofspecificaties noodzakelijk op basis van verdere studies over en analyse van de effecten van additieven en biobrandstofcomponenten op verontreinigende emissies. Over de mogelijkheden om transportbrandstoffen meer koolstofvrij te maken, moet daarom regelmatig worden gerapporteerd.

(25)

Het gebruik van detergenten kan bijdragen tot het behoud van schone motoren en zo tot de vermindering van verontreinigende emissies. Momenteel is er geen bevredigende manier om brandstofmonsters te testen op hun reinigende eigenschappen. De verantwoordelijkheid voor het informeren van de klant over de voordelen van detergenten en het gebruik daarvan berust dus bij de leveranciers van brandstoffen en motorvoertuigen. De Commissie dient evenwel na te gaan of verdere ontwikkelingen een betere aanpak mogelijk zouden maken om het gebruik en de voordelen van detergenten te optimaliseren.

(26)

De bepalingen betreffende het bijmengen van ethanol in benzine moeten worden geëvalueerd op basis van de ervaring met de toepassing van Richtlijn 98/70/EG. De evaluatie dient met name de grenswaarden te onderzoeken voor de dampspanning en eventuele alternatieven om te waarborgen dat de dampspanning van ethanolmengsels beneden aanvaardbare grenzen blijft.

(27)

Het bijmengen van ethanol in benzine verhoogt de dampspanning van de resulterende brandstof. Bovendien moet de dampspanning in benzine worden begrensd teneinde luchtverontreinigende emissies te beperken.

(28)

Het bijmengen van ethanol in benzine veroorzaakt een niet-lineaire verandering van de dampspanning van het resulterende brandstofmengsel. Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om voor dergelijke mengsels een afwijking van de maximale dampspanning in de zomerperiode toe te staan, na een passende beoordeling door de Commissie. Afwijkingen moeten verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving inzake luchtkwaliteit en luchtverontreiniging. Afwijkingen dienen betrekking te hebben op de feitelijke toename van de dampspanning ten gevolge van de toevoeging van een bepaald percentage ethanol aan benzine.

(29)

Teneinde het gebruik van brandstoffen met een laag koolstofgehalte te bevorderen met inachtneming van de doelstellingen inzake de bestrijding van luchtverontreiniging, moeten olieraffinaderijen indien mogelijk, de vereiste hoeveelheden benzine met lage dampspanning beschikbaar stellen. Aangezien dit nu niet het geval is, dient de dampspanningsgrenswaarde voor benzine-ethanolmengsels onder bepaalde voorwaarden opgetrokken teneinde de ontwikkeling van de markt voor biobrandstoffen mogelijk te maken.

(30)

De garantievoorwaarden voor sommige oudere voertuigen sluiten het gebruik van benzine met een hoog biobrandstofgehalte uit. Deze voertuigen kunnen van een lidstaat naar een andere lidstaat reizen. Daarom dient gedurende een overgangsperiode te worden gezorgd voor voortgezette levering van voor deze oudere voertuigen geschikte benzine. De lidstaten dienen in overleg met de belanghebbenden te zorgen voor een passende geografische dekking die de vraag naar zulke benzine weerspiegelt. De aanduiding van benzine, bijvoorbeeld als E5 of E10, dient overeen te komen met de desbetreffende norm van het Europees Comité voor normalisatie (CEN).

(31)

Bijlage IV bij Richtlijn 98/70/EG moet worden aangepast teneinde het in de handel brengen van dieselbrandstoffen met een hoger biobrandstofgehalte („B7”) dan dat van de norm EN 590:2004 („B5”) mogelijk te maken. Deze norm moet dienovereenkomstig worden aangepast en grenswaarden vaststellen voor niet in die bijlage opgenomen technische parameters, zoals oxidatiebestendigheid, vlampunt, koolstofresidu, asgehalte, watergehalte, totale verontreiniging, koperstripcorrosie, smeercapaciteit, kinematische viscositeit, troebelingspunt, temperatuurgrens voor de filtreerbaarheid, fosforgehalte, zuurgetal, peroxiden, zuurgetalvariatie, verstopping van de injecteurs en stabiliteitsadditieven.

(32)

Om het daadwerkelijk in de handel brengen van biobrandstoffen te vergemakkelijken, moet het CEN worden aangemoedigd met spoed te blijven werken aan een norm die het mengen van grotere hoeveelheden biobrandstofcomponenten in dieselbrandstof toestaat, en met name een norm uit te werken voor „B10”.

(33)

Om technische redenen moet er een grenswaarde voor het methylvetzuurgehalte (FAME) van dieselbrandstof worden vastgesteld. Een dergelijke grenswaarde is echter niet vereist voor andere biobrandstofcomponenten, zoals dieselachtige koolwaterstoffen die via het Fischer-Tropschproces worden verkregen uit biomassa, of waterstofbehandelde plantaardige olie.

(34)

De lidstaten en de Commissie moeten de nodige maatregelen nemen om het in de handel brengen van gasolie met een zwavelgehalte van 10 mg/kg vóór 1 januari 2011 te vergemakkelijken.

(35)

Het gebruik van specifieke metaalhoudende additieven, en in het bijzonder methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT), kan het gevaar voor schade aan de volksgezondheid verhogen en schade aan motoren en emissiebeperkingssystemen van voertuigen veroorzaken. Vele voertuigfabrikanten adviseren geen brandstoffen met metaalhoudende additieven te gebruiken; wanneer zulke brandstoffen wel worden gebruikt, kan dat de garantie op het voertuig doen vervallen. Daarom moeten de gevolgen van het gebruik van MMT in brandstof in overleg met alle betrokken partijen voortdurend in het oog worden gehouden. In afwachting van nadere studie dienen er stappen te worden ondernomen om de ernst van eventueel veroorzaakte schade te beperken. Er moet derhalve een bovengrenswaarde worden vastgesteld voor het gebruik van MMT in brandstof, op basis van de momenteel beschikbare wetenschappelijke kennis. Deze grenswaarde kan alleen worden opgetrokken indien kan worden aangetoond dat hogere doseringen geen schadelijke effecten hebben. Om te vermijden dat consumenten zonder het te weten de garantie op hun voertuig verspelen, is het tevens noodzakelijk etikettering voor alle brandstoffen die metaalhoudende additieven bevatten, voor te schrijven.

(36)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (8) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(37)

De voor de uitvoering van Richtlijn 98/70/EG vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9).

(38)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen vast te stellen met betrekking tot het mechanisme voor de bewaking en vermindering van broeikasgasemissies, de methoden en waarden aan te passen die nodig zijn voor de beoordeling van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen, de criteria en geografische grenzen voor graslanden met grote biodiversiteit vast te stellen, de grenswaarden voor het MMT-gehalte van brandstof te herzien en de methode voor de berekening van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, de toegestane meetmethoden met betrekking tot brandstofspecificaties en de toegestane afwijking voor de dampspanning van benzine waarin ethanol is bijgemengd, aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door de methodologische beginselen en waarden aan te passen, moeten ze worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(39)

Richtlijn 98/70/EG bevat bepaalde brandstofspecificaties waarvan een aantal nu overbodig is geworden. Bovendien werden in de richtlijn diverse afwijkingen opgenomen die nu niet meer gelden. Om redenen van duidelijkheid moeten deze bepalingen derhalve worden geschrapt.

(40)

Bij Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (10) worden bepaalde aspecten vastgesteld van het brandstofgebruik bij het vervoer over de binnenwateren. Het raakvlak tussen die richtlijn en Richtlijn 98/70/EG moet worden verduidelijkt. In beide richtlijnen worden grenswaarden vastgesteld voor het maximumzwavelgehalte van door binnenschepen gebruikte gasolie. In het belang van de duidelijkheid en rechtszekerheid is het daarom wenselijk deze richtlijnen aan te passen zodat deze grenswaarde via één enkel wetgevingsbesluit wordt vastgelegd.

(41)

Voor binnenschepen is nieuwe, schonere motortechnologie ontwikkeld. Deze motoren kunnen alleen lopen op brandstof met een zeer laag zwavelgehalte. Het zwavelgehalte van brandstof voor binnenschepen moet zo spoedig mogelijk worden verlaagd.

(42)

Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 1999/32/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(43)

Richtlijn 93/12/EEG van de Raad van 23 maart 1993 betreffende het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (11) is in de loop van de tijd aanzienlijk gewijzigd en bevat als gevolg daarvan geen inhoudelijke elementen meer. Dientengevolge moet die richtlijn worden ingetrokken.

(44)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een interne markt voor brandstoffen voor het wegvervoer en niet voor de weg bestemde mobiele machines en waarborging van minimumniveaus van milieubescherming bij het gebruik van deze brandstoffen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, door een interne markt voor deze brandstoffen te waarborgen en het ontstaan van een interne markt voor de voertuigen en machines die deze brandstoffen gebruiken, te vergemakkelijken, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 98/70/EG

Richtlijn 98/70/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze richtlijn geeft, voor wat betreft wegvoertuigen en niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen wanneer deze niet op zee varen), landbouwtrekkers en bosbouwmachines, en pleziervaartuigen wanneer deze niet op zee varen:

a)

technische specificaties van brandstoffen voor voertuigen met motoren met elektrische ontsteking en voertuigen met compressieontstekingsmotoren, ter bescherming van de gezondheid en het milieu, met inachtneming van de technische vereisten van deze motoren; en

b)

een streefcijfer voor de vermindering van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de eerste alinea:

i)

punt 3 wordt vervangen door:

„3.

„gasoliën voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers en bosbouwmachines, en pleziervaartuigen”: uit aardolie verkregen vloeistoffen die vallen onder de GN-codes 2710 19 41 en 2710 19 45 (12) en die bestemd zijn voor gebruik in motoren als bedoeld in de Richtlijnen 94/25/EG (13), 97/68/EG (14) en 2000/25/EG (15) van het Europees Parlement en de Raad;

ii)

de volgende punten worden toegevoegd:

„5.

„lidstaten met lage omgevingstemperaturen in de zomerperiode”: Denemarken, Estland, Finland, Ierland, Letland, Litouwen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk;

6.

„broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus”: alle netto emissies van CO2, CH4 en N2O die aan de brandstof (met inbegrip van alle bijmengsels) of geleverde energie kunnen worden toegeschreven. Hieronder vallen alle relevante stadia van winning of teelt, daaronder begrepen verandering van landgebruik, vervoer en distributie, verwerking en verbranding, ongeacht de plaats waar deze emissies plaatsvinden;

7.

„broeikasgasemissies per eenheid energie”: de totale massa CO2-equivalente broeikasgasemissies verbonden aan de brandstof of geleverde energie, gedeeld door de totale energie-inhoud van de geleverde brandstof of energie (voor brandstof, uitgedrukt als de lage verbrandingswaarde ervan);

8.

„leverancier”: de entiteit die brandstof langs een punt voert waar accijns wordt geheven of, indien er geen accijns verschuldigd is, elke andere relevante, door een lidstaat aangewezen entiteit;

9.

„biobrandstoffen”: dezelfde betekenis als in Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (16).

b)

de tweede alinea wordt geschrapt.

3)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 tot en met 6 worden vervangen door:

„2.   De lidstaten zien erop toe dat op hun grondgebied slechts benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van bijlage I.

Voor de perifere gebieden kunnen de lidstaten evenwel specifieke maatregelen treffen om benzine met een maximumzwavelgehalte van 10 mg/kg in de handel te brengen. De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen de Commissie hiervan in kennis.

3.   Tot 2013 schrijven de lidstaten voor dat de leveranciers ervoor moeten zorgen dat benzine met een maximumzuurstofgehalte van 2,7 % en een maximumethanolgehalte van 5 % in de handel wordt gebracht. Indien zij dit noodzakelijk achten, kunnen zij deze maatregel verlengen. Zij zorgen ervoor dat de consument naar behoren wordt voorgelicht over het biobrandstofgehalte van benzine en in het bijzonder over de wijze waarop de diverse benzinemengsels moeten worden gebruikt.

4.   Onverminderd lid 5 kunnen lidstaten met een lage omgevingstemperatuur gedurende de zomerperiode benzine in de handel brengen met een maximale dampspanning van 70kPa.

Lidstaten waarop de in de eerste alinea bedoelde afwijking niet van toepassing is, kunnen uit hoofde van lid 5 gedurende de zomerperiode benzine met ethanol in de handel brengen met een maximale dampspanning van 60kPa, met daarbovenop de in bijlage III vermelde toegestane afwijking van de maximale dampspanning, op voorwaarde dat het ethanol biobrandstof is.

5.   Indien de lidstaten gebruik wensen te maken van een van de in lid 4 genoemde afwijkingen, stellen zij de Commissie hiervan in kennis en verstrekken zij haar alle relevante informatie. De Commissie beoordeelt de wenselijkheid en duur van de afwijking, met inachtneming van:

a)

het vermijden van sociaaleconomische problemen als gevolg van de hogere dampspanning, met inbegrip van de noodzaak van technische aanpassingen binnen een bepaalde tijdslimiet; en

b)

de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de hogere dampspanning en in het bijzonder de gevolgen voor de naleving van de Gemeenschapswetgeving inzake luchtkwaliteit, zowel in de betrokken lidstaat als in de andere lidstaten.

Indien uit de beoordeling van de Commissie blijkt dat de afwijking ertoe leidt dat niet voldoende voldaan wordt aan de Gemeenschapswetgeving inzake luchtkwaliteit of luchtvervuiling, met inbegrip van de relevante grenswaarden en emissieplafonds, wordt de aanvraag geweigerd. De Commissie houdt eveneens rekening met de relevante streefwaarden.

Indien de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van alle relevante informatie geen bezwaar tegen het verzoek heeft aangetekend, kan de betrokken lidstaat de uitzonderingsmaatregel waarom het heeft verzocht toepassen.

6.   Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten het in de handel brengen van kleine hoeveelheden gelode benzine met een loodgehalte van maximaal 0,15 g/l blijven toestaan tot een maximum van 0,03 % van de totale verkoop, voor distributie door speciale belanghebbende groeperingen ten behoeve van oude, karakteristieke voertuigen.”;

b)

lid 7 wordt geschrapt.

4)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Dieselbrandstof

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied slechts dieselbrandstof in de handel kan worden gebracht die voldoet aan de milieutechnische specificaties van bijlage II.

Met inachtneming van de vereisten van bijlage II mogen de lidstaten toestaan dat diesel met een methylvetzuurgehalte (FAME) van meer dan 7 % in de handel wordt gebracht.

De lidstaten zorgen ervoor dat de consument naar behoren wordt voorgelicht over het biobrandstofgehalte van dieselbrandstof, in het bijzonder FAME.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 1 januari 2008 gasoliën die bedoeld zijn om in niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen te worden gebruikt, op hun grondgebied slechts in de handel mogen worden gebracht indien hun zwavelgehalte niet meer dan 1 000 mg/kg zwavel bedraagt. Met ingang van 1 januari 2011 is het maximaal toelaatbare zwavelgehalte van deze gasoliën 10 mg/kg. De lidstaten zorgen ervoor dat andere vloeibare brandstoffen dan deze gasoliën enkel mogen gebruikt worden op binnenschepen en op pleziervaartuigen als het zwavelgehalte van deze vloeibare brandstoffen het maximaal toegelaten gehalte van deze gasoliën niet overtreft.

In verband met minder ernstige verontreiniging in de toeleveringsketen, kunnen de lidstaten per 1 januari 2011 echter toestaan dat gasolie die bestemd is voor gebruik in niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen tot 20 mg/kg zwavel bevat op het laatste punt van distributie aan de eindverbruiker. De lidstaten kunnen tevens toestaan dat tot 31 december 2011 gasolie met een zwavelgehalte tot 1 000 mg/kg in de handel wordt gebracht voor railvoertuigen, landbouwtrekkers en bosbouwmachines, op voorwaarde dat het goed functioneren van de emissiebeperkingssystemen niet in gevaar wordt gebracht.

3.   Voor de perifere gebieden kunnen de lidstaten evenwel specifieke maatregelen treffen om dieselbrandstof en gasoliën met een maximumzwavelgehalte van 10 mg/kg in de handel te brengen. De lidstaten die van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen de Commissie hiervan in kennis.

4.   Voor lidstaten met streng winterweer mag het maximale distillatiepunt van 65 % bij een temperatuur van 250 °C voor dieselbrandstof en gasolie vervangen worden door een maximaal distillatiepunt van 10 % (volumeprocent) bij een temperatuur van 180 °C.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 7 bis

Vermindering van de broeikasgasemissies

1.   De lidstaten wijzen de leverancier of leveranciers aan die verantwoordelijk is of zijn voor de bewaking en rapportage inzake de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof en energie. De lidstaten zorgen ervoor dat leveranciers van elektriciteit voor wegvoertuigen, indien zij dat wensen, een bijdrage kunnen leveren aan de in lid 2 genoemde reductieverplichting indien zij kunnen aantonen dat zij de voor deze voertuigen geleverde elektriciteit naar behoren kunnen meten en bewaken.

Met ingang van 1 januari 2011 brengen de brandstofleveranciers jaarlijks verslag uit aan de door de lidstaat aangewezen autoriteit over de broeikasgasintensiteit van in elke lidstaat geleverde brandstof en energie, door minimaal de volgende informatie te verstrekken:

a)

het totale volume van iedere soort geleverde brandstof of energie, onder vermelding van de plaats van aankoop en herkomst; en

b)

broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de verslagen gecontroleerd worden.

De Commissie zal waar nodig richtsnoeren opstellen voor de uitvoering van de in dit lid opgenomen bepaling.

2.   De lidstaten verlangen van de leveranciers dat zij voor 31 december 2020 zo geleidelijk mogelijk de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof of energie met 10 % verminderen ten opzichte van de in lid 5 onder b) bedoelde uitgangswaarde voor brandstoffen. Deze vermindering behelst:

a)

6 % op uiterlijk 31 december 2020. De lidstaten kunnen van de leveranciers verlangen dat zij met het oog op deze vermindering aan de volgende tussentijdse streefcijfers voldoen: 2 % per 31 december 2014 en 4 % per 31 december 2017;

b)

een indicatief aanvullend streefcijfer, waarop artikel 9, lid 1, onder h), van toepassing is, van 2 % per 31 december 2020 dat door een of beide van de volgende methoden wordt bereikt:

i)

de levering van energie voor vervoer voor gebruik in alle wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers of bosbouwmachines en pleziervaartuigen;

ii)

het gebruik van elke technologie (met inbegrip van afvang en opslag van koolstof) waarmee broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brandstof of energie kan worden verminderd;

c)

een indicatief aanvullend streefcijfer, waarop artikel 9, lid 1, onder i), van toepassing is, van 2 % per 31 december 2020, dat bereikt wordt door gebruik te maken van de via het mechanisme voor schone ontwikkeling van het Kyotoprotocol aangekochte kredieten, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (17), met het oog op verminderingen in de brandstofvoorzieningssector.

3.   Broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden berekend in overeenstemming met artikel 7 quinquies. Broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van andere brandstoffen en energiebronnen worden berekend op basis van een uit hoofde van lid 5 van dit artikel ontwikkelde methode.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat een groep leveranciers, indien zij dit wensen, gezamenlijk aan de in lid 2 neergelegde reductieverplichting mogen voldoen. In dit geval worden zij voor de doeleinden van lid 2 als een enkele leverancier beschouwd.

5.   De voor de uitvoering van dit artikel vereiste maatregelen, tot wijziging van niet-essentiële elementen van deze richtlijn door haar aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Deze maatregelen omvatten met name:

a)

de methode voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van andere brandstoffen dan biobrandstoffen en van energie;

b)

de methode waarin voor 1 januari 2011 de uitgangsnorm voor brandstof wordt aangegeven op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010, voor de doeleinden van lid 2;

c)

alle maatregelen die nodig zijn om lid 4 uit te voeren;

d)

de methode voor de berekening van de bijdrage van elektrische wegvoertuigen, die in overeenstemming moet zijn met artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG.

6)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 7 ter

Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen

1.   Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Gemeenschap werden verbouwd, wordt energie uit biobrandstoffen alleen in aanmerking worden genomen voor de doeleinden van artikel 7 bis indien deze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

Biobrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis, slechts te voldoen aan het duurzaamheidscriterium omschreven in lid 2 van dit artikel.

2.   Om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in aanmerking te komen, moet de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen minstens 35 % bedragen.

Met ingang van 1 januari 2017 moet, om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in aanmerking te komen, de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen minstens 50 % bedragen. Vanaf 1 januari 2018 dient de reductie van die broeikasgasemissie minstens 60 % te bedragen voor biobrandstoffen die zijn geproduceerd in installaties welke op of na 1 januari 2017 in gebruik zijn genomen.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen wordt berekend overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 1.

In het geval van biobrandstoffen die geproduceerd zijn in installaties die op 23 januari 2008 operationeel waren, is de eerste alinea van toepassing met ingang van 1 april 2013.

3.   De biobrandstoffen waarmee rekening wordt gehouden voor de doeleinden bedoeld in lid 1 mogen niet geproduceerd zijn op basis van grondstoffen van land met een grote biodiversiteit, d.w.z. land dat in of na januari 2008 een van de hierna vermelde statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft:

a)

oerbos en andere beboste gronden, d.w.z. bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar er geen duidelijke tekenen van menselijke activiteit zichtbaar zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn verstoord;

b)

aangewezen gebieden:

i)

bij wet of door de bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden; of

ii)

voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten, die bij internationale overeenkomst zijn erkend of zijn opgenomen op lijsten van intergouvernementele organisaties of de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen, mits deze gebieden zijn erkend overeenkomstig de procedure van artikel 7 quater, lid 4, tweede alinea;

tenzij wordt aangetoond dat de productie van die grondstof geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;

c)

graslanden met grote biodiversiteit, die

i)

natuurlijk zijn, namelijk graslanden die zonder menselijk ingrijpen grasland zouden blijven en die hun natuurlijke soortensamenstelling en ecologische kenmerken en processen hebben behouden; of

ii)

niet natuurlijk zijn, namelijk. graslanden die zonder menselijk ingrijpen zouden ophouden graslanden te zijn en die rijk zijn aan soorten en niet zijn aangetast, tenzij is aangetoond dat het oogsten van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behouden van de status van graslanden.

De Commissie stelt de criteria en geografische grenzen vast om te bepalen welke graslanden onder punt c) van de eerste alinea vallen. Een dergelijke maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   Biobrandstoffen mogen, om voor de doeleinden bedoeld in lid 1 in aanmerking te komen, niet geproduceerd zijn op basis van grondstoffen die afkomstig zijn van grond waarin veel koolstof is vastgelegd, namelijk grond die in januari 2008 een hierna vermelde status had en deze status niet langer heeft:

a)

waterrijk gebied, met name land dat permanent of tijdens een groot gedeelte van het jaar onder water staat of verzadigd is;

b)

permanent beboste gebieden, met name gebieden van meer dan één hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30 %, of bomen die deze waarden ter plaatse kunnen bereiken;

c)

gebieden van meer dan één hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, of bomen die deze waarden ter plaatse kunnen bereiken, tenzij kan worden aangetoond dat de vóór en na teelt aanwezige koolstofvoorraden van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing van de in bijlage IV, deel C, vastgestelde methode aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel zou zijn voldaan.

De bepalingen in deze alinea zijn niet van toepassing indien de grond op het ogenblik waarop de grondstof werd verkregen, dezelfde status had als in januari 2008.

5.   Biobrandstoffen die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden bedoeld in lid 1 mogen niet vervaardigd zijn uit grondstoffen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij kan worden aangetoond dat de ontginning en exploitatie van deze grondstof niet gepaard gaan met de drooglegging van bodem die daarvoor niet werd afgewaterd.

6.   In de Gemeenschap verbouwde landbouwgrondstoffen die worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en die worden meegeteld voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis, moeten worden verkregen overeenkomstig de eisen en normen, vermeld in de bepalingen, bedoeld in de titel „Milieu”, in deel A van bijlage II en in punt 9 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (18), alsmede overeenkomstig de krachtens artikel 6, lid 1, van die verordening vastgestelde minimumeisen inzake goede landbouw- en milieuconditie.

7.   De Commissie dient, over zowel derde landen als lidstaten die significante hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, om de twee jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de nationale maatregelen die zijn genomen ter vervulling van de in de leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria en over de maatregelen ter bescherming van de bodem, het water en de lucht. Het eerste verslag wordt in 2012 ingediend.

De Commissie brengt om de twee jaar aan het Europese Parlement en aan de Raad verslag uit over de gevolgen van de toegenomen vraag naar biobrandstof voor de sociale duurzaamheid in de Gemeenschap en derde landen, en over de gevolgen van het biobrandstofbeleid van de Gemeenschap voor de beschikbaarheid van levensmiddelen tegen een betaalbare prijs, met name voor de bevolking in de ontwikkelingslanden, en voor verdere ontwikkelingskwesties. In het verslag komt ook aan de orde in hoeverre de rechten inzake landgebruik worden nageleefd. Het verslag vermeldt voor derde landen en lidstaten die significante hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, welke van de volgende verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) ieder land heeft bekrachtigd en toepast:

Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid (nr. 29);

Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht (nr. 87);

Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen (nr. 98);

Verdrag betreffende gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke arbeidskrachten voor arbeid van gelijke waarde (nr. 100);

Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (nr. 105);

Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep (nr. 111);

Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces (nr. 138);

Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid (nr. 182).

Deze verslagen vermelden voor derde landen en lidstaten die significante hoeveelheden grondstoffen leveren voor in de Gemeenschap verbruikte biobrandstoffen, of dat land heeft bekrachtigd en toepast:

het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid;

de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde dier- en plantensoorten.

Het eerste verslag wordt in 2012 ingediend. De Commissie stelt zo nodig corrigerende maatregelen voor, met name wanneer uit bepaalde elementen blijkt dat de productie van biobrandstoffen een aanzienlijke invloed heeft op de prijs van levensmiddelen.

8.   De lidstaten mogen niet weigeren om, wegens andere duurzaamheidsredenen, voor de doeleinden bedoeld in lid 1 rekening te houden met overeenkomstig dit artikel verkregen biobrandstoffen.

Artikel 7 quater

Controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen

1.   Indien voor de doeleinden van artikel 7 bis biobrandstoffen moeten worden meegeteld, verlangen de lidstaten dat de marktdeelnemers aantonen dat aan de duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, is voldaan. Zij verplichten de marktdeelnemers daartoe gebruik te maken van een massabalanssysteem waarbij voorzien wordt in:

a)

leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken, die mogen worden gemengd;

b)

informatie over de duurzaamheidskenmerken en omvang van de onder a) bedoelde leveringen, die aantonen dat ze aan het mengsel moeten toegewezen blijven;

c)

de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald, dezelfde duurzaamheidscriteria heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel worden toegevoegd.

2.   De Commissie brengt in 2010 en 2012 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van de in lid 1 beschreven massabalansverificatiemethode en over de mogelijkheid om andere verificatiemethoden toe te staan voor sommige of alle typen grondstoffen of biobrandstoffen. De Commissie beoordeelt daarbij de verificatiemethoden waarbij informatie over de duurzaamheidskenmerken niet fysiek hoeft te worden toegewezen aan bepaalde leveringen of mengsels. Bij de beoordeling houdt zij rekening met de noodzaak om de integriteit en doeltreffendheid van het verificatiesysteem te behouden en tegelijk te vermijden dat onredelijke lasten worden opgelegd aan het bedrijfsleven. Indien nodig gaat dit verslag vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor het gebruik van andere verificatiemethoden.

3.   De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktdeelnemers betrouwbare informatie indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktdeelnemers om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktdeelnemers gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en beschermd tegen fraude; voorts worden de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de deugdelijkheid van de gegevens beoordeeld.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens hebben met name betrekking op de naleving van de in artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria, passende en relevante gegevens over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, voor herstel van aangetast land, ter voorkoming van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is, alsmede passende en relevante gegevens over maatregelen die zijn genomen om rekening te houden met de in artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen.

De Commissie bepaalt de lijst van in de eerste twee alinea’s bedoelde passende en relevante gegevens volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde raadgevingsprocedure. Zij ziet er met name op toe dat het verstrekken van deze gegevens geen buitensporige administratieve last meebrengt voor de marktdeelnemers in het algemeen of voor kleine boerenbedrijven, telersverenigingen en coöperaties in het bijzonder.

De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen in de Gemeenschap geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.

De lidstaten dienen de in de eerste alinea bedoelde gegevens in samengevoegde vorm in bij de Commissie. De Commissie maakt deze gegevens bekend op het transparantieplatform bedoeld in artikel 24 van Richtlijn 2009/28/EG, en wel in samengevatte vorm en met behoud van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie.

4.   De Gemeenschap streeft ernaar met derde landen bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten waarvan de bepalingen inzake duurzaamheidscriteria in overeenstemming zijn met die van deze richtlijn. Indien de Gemeenschap overeenkomsten heeft gesloten met bepalingen die de in artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, bedoelde duurzaamheidscriteria bestrijken, kan de Commissie besluiten dat die overeenkomsten aantonen dat biobrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van in die landen verbouwde grondstoffen, voldoen aan die duurzaamheidscriteria. Wanneer die overeenkomsten worden gesloten, moet de nodige aandacht worden besteed aan maatregelen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen als fundamenteel ecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding) of voor de bescherming van bodem, water en lucht, aan indirecte veranderingen in landgebruik, het herstel van aangetaste grond, het vermijden van overmatig waterverbruik in gebieden waar water schaars is, alsmede aan de in artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea, genoemde elementen.

De Commissie kan beslissen dat vrijwillige nationale of internationale regelingen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 7 ter, lid 2, of dat in die regelingen wordt aangetoond dat leveringen van biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 3 en 5. De Commissie kan besluiten dat deze regelingen accurate gegevens moeten bevatten over de maatregelen die zijn genomen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen als fundamenteel ecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding), voor de bescherming van bodem, water en lucht, het herstel van aangetast land, voorkoming van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is en over de in artikel 7 ter, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen. Voor de toepassing van artikel 7 ter, lid 3, onder b, ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomst zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen.

De Commissie kan beslissen dat vrijwillige nationale of internationale regelingen voor het meten van broeikasgasemissiereducties accurate gegevens moeten bevatten met het oog op de toepassing van artikel 7 ter, lid 2.

De Commissie kan beslissen dat de gronden die in een nationaal of regionaal programma voor omschakeling van ernstig aangetaste of vervuilde gronden zijn opgenomen, voldoen aan de criteria bedoeld in bijlage IV, deel C, punt 9.

5.   De Commissie neemt de besluiten uit hoofde van lid 4 alleen als de overeenkomst of regeling in kwestie voldoet aan passende normen inzake betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing. Regelingen voor het meten van broeikasgasemissiereducties moeten ook voldoen aan de methodologische eisen van bijlage IV. De lijsten van gebieden met een grote biodiversiteit als bedoeld in artikel 7 ter, lid 3, onder b, ii), moeten voldoen aan passende normen inzake objectiviteit en coherentie met op internationaal niveau erkende normen en voorzien in passende beroepsprocedures.

6.   De beslissingen uit hoofde van lid 4 worden genomen volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde raadplegingsprocedure. Dergelijke beslissingen blijven ten hoogste vijf jaar geldig.

7.   Als een marktdeelnemer bewijsmiddelen of gegevens voorlegt die zijn verkregen in het kader van een overeenkomst of regeling ten aanzien waarvan een beslissing uit hoofde van lid 4 is genomen, voor zover die beslissing van toepassing is, mag een lidstaat niet verlangen dat deze marktdeelnemer nog meer bewijzen levert om de naleving van de duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, aan te tonen noch dat hij de in lid 3, tweede alinea, bedoelde gegevens betreffende maatregelen verstrekt.

8.   De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 7 ter is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en beslist, binnen de zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde raadplegingsprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 7 bis.

9.   Uiterlijk op 31 december 2012 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over:

a)

de doeltreffendheid van de regeling die is ingevoerd voor de informatieverstrekking over duurzaamheidscriteria; en

b)

de vraag of het haalbaar en raadzaam is eisen in te voeren met betrekking tot lucht-, water of bodembescherming, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke gegevens en de internationale verplichtingen van de Gemeenschap.

De Commissie zal zo nodig corrigerende maatregelen voorstellen.

Artikel 7 quinquies

Berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen

1.   De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden met het oog op de toepassing van artikel 7 bis en artikel 7 ter, lid 2, als volgt berekend:

a)

indien een standaardwaarde voor broeikasgasemissiereducties met betrekking tot het productietraject van de biobrandstof is vastgesteld in deel A of B van bijlage IV, en indien de el-waarde voor deze vloeistoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage IV, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

b)

de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in deel C van bijlage IV, vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

c)

een waarde, berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage IV, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage IV, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de werkelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage IV, deel C, voor alle andere factoren.

2.   Uiterlijk op 31 maart 2010 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in met de lijst van die gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek („NUTS”) (19) als niveau 2 dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld; voor deze gebieden zijn de broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk aan de emissies waarover verslag is uitgebracht onder de titel „Gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt” in bijlage IV, deel D van deze richtlijn. De lidstaten beschrijven ook de methode en de gegevens die zij gebruikt hebben om die lijst op te stellen. De gebruikte methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.

3.   De in bijlage IV, deel A, vermelde standaardwaarden en de in bijlage IV, deel D, vermelde gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt mogen alleen worden gebruikt als de grondstoffen:

a)

worden verbouwd buiten de Gemeenschap;

b)

worden verbouwd in regio’s in de Gemeenschap, die voorkomen op de in lid 2 bedoelde lijsten; of

c)

afval of residuen, andere dan landbouw-, aquacultuur- of visserijresiduen, zijn.

Voor biobrandstoffen die niet onder de punten a), b) of c) vallen, worden werkelijke waarden voor teelt gebruikt.

4.   Uiterlijk op 31 maart 2010 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de haalbaarheid van het opstellen van lijsten van gebieden in derde landen waarvoor de typische broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen naar verwachting lager dan of gelijk zullen zijn aan de emissies die worden gemeld onder de titel „teelt” in bijlage IV, deel D, vergezeld, voor zover mogelijk, van deze lijsten en een beschrijving van de methode en de gegevens die zijn gebruikt om deze op te stellen. Indien nodig voegt de Commissie voorstellen dienaangaande bij haar verslag.

5.   De Commissie brengt uiterlijk 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, verslag uit over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan emissies van het vervoer en de verwerkende industrie en, waar nodig, kan besluiten om de waarden te corrigeren. Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

6.   De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2010 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin het effect van indirecte veranderingen in landgebruik op de emissie van broeikasgassen wordt beschreven en waarin wordt nagegaan hoe dat effect kan worden beperkt. Waar nodig gaat dit verslag vergezeld van een op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens gebaseerd voorstel, waarin met name een concrete methode wordt beschreven voor emissies als gevolg van wijzigingen in de koolstofvoorraden als gevolg van indirecte veranderingen in landgebruik, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn, en met name artikel 7 ter, lid 2.

Dit voorstel bevat de nodige waarborgen om zekerheid te verschaffen voor investeringen die aan de toepassing van deze methode voorafgaan. Voor installaties die vóór eind 2013 biobrandstoffen produceerden, heeft de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde maatregelen tot 31 december 2017 niet tot gevolg dat door deze installaties geproduceerde biobrandstoffen worden geacht niet te voldoen aan de duurzaamheidseisen van deze richtlijn indien zij dat anders wel zouden hebben gedaan, op voorwaarde dat deze biobrandstoffen een broeikasgasemissiereductie van minimaal 45 % opleveren. Dit geldt voor de capaciteit van biobrandstofinstallaties aan het eind van 2012.

Het Europees Parlement en de Raad zullen trachten op uiterlijk 31 december 2012 een beslissing te nemen over eventueel met dat doel door de Commissie in te dienen voorstellen.

7.   Bijlage IV kan worden aangepast aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, onder meer door het toevoegen van waarden voor nieuwe productietrajecten voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen en door de in deel C neergelegde methoden te wijzigen. Dergelijke maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Met betrekking tot de standaardwaarden en de methode in bijlage IV, gaat bijzondere aandacht uit naar:

de administratieve-verwerkingswijze voor afvalstoffen en residuen;

de administratieve-verwerkingswijze voor nevenproducten;

de administratieve-verwerkingswijze voor warmtekrachtkoppeling; en

de status die aan residuen van landbouwproducten wordt gegeven als nevenproducten.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk herzien.

Bij een aanpassing van of toevoeging aan de lijst van standaardwaarden in bijlage IV worden de volgende punten gevolgd:

a)

als een factor in geringe mate bijdraagt tot de totale emissies, als de variatie beperkt is of als de kosten of moeilijkheden voor het vaststellen van werkelijke waarden groot zijn, worden standaardwaarden gebruikt die typisch zijn voor normale productieprocessen;

b)

in alle andere gevallen worden standaardwaarden gebruikt die conservatief zijn voor normale productieprocessen.

8.   Er worden gedetailleerde definities vastgesteld, waaronder technische specificaties voor de in bijlage IV, deel C, punt 9, genoemde categorieën. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 7 sexies

Uitvoeringsmaatregelen en rapporten over de duurzaamheid van biobrandstoffen

1.   Bij de uitvoeringsmaatregelen bedoeld in artikel 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7 quater, lid 3, derde alinea, artikel 7 quater, lid 6, artikel 7 quater, lid 8, artikel 7 quinquies, lid 5, artikel 7 quinquies, lid 7, eerste alinea en artikel 7 quinquies, lid 8, wordt ook ten volle rekening gehouden met de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG.

2.   De verslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad als bedoeld in artikel 7 ter (7), artikel 7 quater, lid 2, artikel 7 quater, lid 9, artikel 7 quinquies, leden 4, 5 en 6, eerste alinea, alsook de verslagen en informatie die worden ingediend krachtens artikel 7 quater, lid 3, eerste en vijfde alinea, en artikel 7 quinquies, lid 2, worden opgesteld en toegestuurd voor de doelstellingen van zowel Richtlijn 2009/28/EG als van deze richtlijn.

7)

Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten controleren of de voorschriften van de artikelen 3 en 4 voor benzine en dieselbrandstoffen worden nageleefd, uitgaande van de analytische methode waarnaar respectievelijk in de Europese normen EN 228:2004 en EN 590:2004 wordt verwezen.”.

8)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 8 bis

Metaalhoudende additieven

1.   De Commissie beoordeelt de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu van het gebruik van metaalhoudende additieven in brandstoffen en ontwikkelt hiervoor een testmethode. Uiterlijk op 31 december 2012 legt de Commissie haar conclusies voor aan het Europees Parlement en de Raad.

2.   In afwachting van de in lid 1 bedoelde testmethode mogen brandstoffen vanaf 1 januari 2011 per liter niet meer dan 6 mg mangaan van het metaalhoudende additief methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT) bevatten. Met ingang van 1 januari 2014 bedraagt het maximumgehalte 2 mg mangaan per liter.

3.   Het onder lid 2 gespecifieerde maximumgehalte MMT in brandstoffen wordt herzien op basis van de resultaten van de evaluatie aan de hand van de in lid 1 bedoelde testmethode. Het kan tot nul worden verlaagd indien de risicobeoordeling dit rechtvaardigt. Het kan niet worden verhoogd tenzij de risicobeoordeling dit rechtvaardigt. Een dergelijke maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat op plaatsen waar brandstoffen met metaalhoudende additieven aan de consument worden verkocht, op een label staat aangegeven hoeveel metaalhoudende additieven de betrokken brandstof bevat.

5.   Dit label moet de volgende tekst bevatten: „Bevat metaalhoudende additieven”.

6.   Het label wordt duidelijk zichtbaar bevestigd op de plaats waar de informatie over de brandstofsoort is aangegeven. Het label is van zodanige afmetingen en van een zodanig lettertype dat het duidelijk zichtbaar en makkelijk leesbaar is.”.

9)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Verslaglegging

1.   Uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de drie jaar, brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, waar nodig vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze richtlijn. In dit verslag worden met name de volgende aspecten behandeld:

a)

het gebruik en de ontwikkeling van de motorvoertuigtechnologie en, met name, de haalbaarheid van een verhoging van het maximaal toegestane biobrandstofgehalte van benzine en diesel, alsmede de noodzaak om de in artikel 3, lid 3 genoemde datum te herzien;

b)

het Gemeenschapsbeleid inzake de CO2-emissies van het wegvervoer;

c)

de mogelijkheid om de vereisten van bijlage II, en met name de grenswaarde voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen, toe te passen op niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van binnenschepen), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen;

d)

de toename van het gebruik van detergenten in brandstoffen;

e)

het gebruik van andere metaalhoudende additieven dan MMT in brandstoffen;

f)

de totale hoeveelheid bestanddelen die in benzine en diesel worden gebruikt, met inachtneming van de communautaire milieuwetgeving, met inbegrip van de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (20) en de dochterrichtlijnen;

g)

de gevolgen van de in artikel 7 bis, lid 2, bedoelde streefcijfers van het emissiehandelssysteem om broeikasgassen te verminderen;

h)

de eventuele noodzaak om artikel 2, leden 6 en 7 en artikel 7 bis, lid 2, onder b), aan te passen teneinde de bijdragen te evalueren die mogelijk zijn om per 2020 een reductie tot 10 % van broeikasgassen te verwezenlijken. Deze overwegingen worden gebaseerd op de potentiële vermindering van broeikasgasemissies van brandstoffen en energie in de Gemeenschap, waarbij met name rekening wordt gehouden met alle ontwikkelingen op het gebied van milieuveilige technologieën voor de afvang en opslag van koolstof en van elektrische wegvoertuigen, alsmede de in artikel 7 bis, lid 2, onder b), bedoelde kosteneffectiviteit van de middelen om deze emissies te verminderen;

i)

de mogelijkheid voor leveranciers om aanvullende maatregelen in te voeren om broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus met 2 % per eenheid energie te verminderen ten opzichte van de in artikel 7 bis, lid 5, onder b), bedoelde uitgangsnorm voor brandstoffen, via het gebruik van via het mechanisme voor schone ontwikkeling van het Kyotoprotocol aangekochte kredieten overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2003/87/EG neergelegde voorwaarden, teneinde eventuele verdere bijdragen te evalueren om per 2020 een reductie van 10 % van broeikasgassen te verwezenlijken, zoals bedoeld in artikel 7 bis, lid 2, onder c), van deze richtlijn;

j)

een geactualiseerde kosten-batenrekening en effectbeoordeling van een vermindering tot onder 60kPa van de toegestane maximale dampspanning voor benzine gedurende de zomerperiode.

2.   Uiterlijk in 2014 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de verwezenlijking van de in artikel 7 bis genoemde doelstelling voor broeikasgasemissies in 2020, waarbij zij rekening houdt met de noodzaak van samenhang tussen deze doelstelling en de in artikel 3, lid 3 van Richtlijn 2009/28/EG bedoelde doelstelling, met betrekking tot het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de vervoersector en in de context van de in de artikel 23, leden 8 en 9, van deze richtlijn bedoelde verslagen.

Indien nodig voegt de Commissie voorstellen over de wijziging van de doelstelling bij haar verslag.

10)

Artikel 10, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Indien de in de bijlagen I of II bedoelde toegestane analysemethoden moeten worden aangepast aan de vooruitgang van de techniek, kunnen maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Bijlage III kan ook worden aangepast aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

11)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Comitéprocedure

1.   Behoudens de in lid 2 bedoelde gevallen, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de brandstofkwaliteit.

2.   Voor aangelegenheden die verband houden met de duurzaamheid van biobrandstoffen volgens de artikelen 7 ter, 7 quater en 7 quinquies wordt de Commissie bijgestaan door het bij artikel 25, lid 2 van Richtlijn 2009/28/EG ingestelde Comité voor de duurzaamheid van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.

12)

Artikel 14 wordt geschrapt;

13)

Bijlagen I, II, III en IV worden vervangen door de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 1999/32/EG

Richtlijn 1999/32/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3 wordt vervangen door:

„3.

Scheepsbrandstof: een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die bestemd is voor gebruik, of gebruikt wordt, aan boord van een schip, met inbegrip van de in ISO 8217 gedefinieerde stoffen. Deze omvat uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die gebruikt wordt aan boord van binnenschepen of pleziervaartuigen, zoals omschreven in Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (21) en Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen (22), indien deze vaartuigen zich op zee bevinden.

b)

punt 3 undecies wordt geschrapt.

2)

Artikel 4 ter wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door: „Maximumzwavelgehalte van mariene brandstoffen gebruikt door in communautaire havens aangemeerde vaartuigen”;

b)

in lid 1 wordt punt a) geschrapt;

c)

In lid 2 wordt punt b) geschrapt.

3)

Artikel 6, lid 1 bis, derde alinea, wordt vervangen door:

„De monsterneming begint op de datum waarop de betrokken grenswaarde voor het maximumzwavelgehalte van de brandstof van kracht wordt. Zij wordt met een voldoende regelmaat en in voldoende hoeveelheden uitgevoerd, en wel zodanig dat de monsters representatief zijn voor de onderzochte brandstof en voor de brandstof die door vaartuigen in de betrokken zeegebieden en havens wordt gebruikt.”.

Artikel 3

Intrekking

Richtlijn 93/12/EEG wordt ingetrokken.

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze maatregelen.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten doen de Commissie mededeling van de tekst van de voornaamste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 23 april 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

P. NEČAS


(1)  PB C 44 van 16.2.2008, blz. 53.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 17 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 april 2009.

(3)  PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 152 van 11.6.2008, blz. 43.

(6)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(7)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.

(8)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(9)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(10)  PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13.

(11)  PB L 74 van 27.3.1993, blz. 81.

(12)  De nummering van deze GN-codes zoals gespecificeerd in het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.6.1987, blz. 1).

(13)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.

(14)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(15)  PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1.”;

(16)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16”;

(17)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.”.

(18)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(19)  PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1.”.

(20)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.”.

(21)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(22)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.”;


BIJLAGE

BIJLAGE I

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET ELEKTRISCHE ONTSTEKINGSMOTOREN

Type: Benzine

Parameter (1)

Eenheid

Grenswaarden (2)

Minimum

Maximum

Research-octaangetal

 

95 (3)

Motoroctaangetal

 

85

Dampspanning, zomerperiode (4)

kPa

60,0 (5)

Distillatie:

 

 

 

verdampt bij 100 °C

vol %

46,0

verdampt bij 150 °C

vol %

75,0

Koolwaterstoffenanalyse:

 

 

 

olefinen

vol %

18,0

aromatische verbindingen

vol %

35,0

benzeen

vol %

1,0

Zuurstofgehalte

massa %

 

3,7

Zuurstofhoudende verbindingen

 

 

 

methanol

vol %

 

3,0

ethanol (er moeten eventueel stabilisatoren worden toegevoegd)

vol %

 

10,0

isopropylalcohol

vol %

12,0

tert-butylalcohol

vol %

15,0

isobutylalcohol

vol %

15,0

ethers met vijf of meer koolstofatomen per molecuul

vol %

22,0

andere zuurstofhoudende verbindingen (6)

vol %

15,0

Zwavelgehalte

mg/kg

10,0

Loodgehalte

g/l

0,005

BIJLAGE II

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET COMPRESSIEONTSTEKINGSMOTOREN

Type: Diesel

Parameter (7)

Eenheid

Grenswaarden (8)

Minimum

Maximum

Cetaangetal

 

51,0

Dichtheid bij 15 °C

kg/m (9)

845

Distillatie:

 

 

 

95 % teruggewonnen bij:

°C

360

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

% m/m

8

Zwavelgehalte

mg/kg

10

FAME-gehalte — EN 14078

vol %

7 (9)

BIJLAGE III

TOEGESTANE AFWIJKING VOOR DE DAMPSPANNING VAN BENZINE WAARIN BIO-ETHANOL IS BIJGEMENGD

Bio-ethanolgehalte (vol %)

Toegestane afwijking van de dampspanning (kPa)

0

0

1

3,65

2

5,95

3

7,20

4

7,80

5

8,0

6

8,0

7

7,94

8

7,88

9

7,82

10

7,76

De toegestane afwijking van de dampspanning voor benzine met een bio-ethanolgehalte dat tussen de hierboven gegeven waarden ligt, wordt bepaald aan de hand van een lineaire interpolatie tussen het bio-ethanolgehalte dat onmiddellijk boven en onmiddellijk onder de tussenliggende waarde ligt.

BIJLAGE IV

REGELS VOOR DE BEREKENING VAN BROEIKASGASEMISSIES GEDURENDE DE LEVENSCYCLUS VAN BIOBRANDSTOFFEN

A.   Typische en standaardwaarden voor biobrandstoffen die geproduceerd zijn zonder nettokoolstofemissies door wijzigingen in het landgebruik

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissiereducties

Standaard-broeikasgasemissiereducties

Suikerbietethanol

61 %

52 %

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)

32 %

16 %

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)

32 %

16 %

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

45 %

34 %

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

53 %

47 %

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)

69 %

69 %

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

56 %

49 %

Suikerrietethanol

71 %

71 %

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair-butylether (ETBE)

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair-ethylether (TAEE)

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

45 %

38 %

Biodiesel uit zonnebloemen

58 %

51 %

Biodiesel uit sojabonen

40 %

31 %

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

36 %

19 %

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

62 %

56 %

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke (10) afvalolie

88 %

83 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

51 %

47 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

65 %

62 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

40 %

26 %

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

68 %

65 %

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

58 %

57 %

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

80 %

73 %

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

84 %

81 %

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

86 %

82 %

B.   Geraamde typische en standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in januari 2008 niet of in verwaarloosbare hoeveelheden in de handel waren, voor zover ze zijn geproduceerd zonder netto koolstofemissies door wijzigingen in landgebruik

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissiereducties

Standaard-broeikasgasemissiereducties

Ethanol uit graanstro

87 %

85 %

Ethanol uit afvalhout

80 %

74 %

Ethanol uit geteeld hout

76 %

70 %

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout

95 %

95 %

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout

93 %

93 %

Dimethylether uit afvalhout (DME)

95 %

95 %

DME uit geteeld hout

92 %

92 %

Methanol uit afvalhout

94 %

94 %

Methanol uit geteeld hout

91 %

91 %

Het gedeelte methyl-tertiair-butylether uit hernieuwbare bronnen (MTBE)

Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

C.   Methodologie

1.   Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van transportbrandstoffen worden als volgt berekend:

E = eec  + el  + ep  + etd  + eu esca eccs eccr eee

waarin:

E

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;

eec

=

emissies ten gevolge van het verbouwen of ontginnen van grondstoffen;

el

=

de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door wijzigingen van landgebruik;

ep

=

emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;

etd

=

emissies ten gevolge van vervoer en distributie;

eu

=

emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;

esca

=

emissiereducties door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;

eccs

=

emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof;

eccr

=

emissiereducties door het afvangen en vervangen van koolstof; en

eee

=

emissiereducties door extra elektriciteit door warmtekrachtkoppeling.

Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.

2.   Broeikasgasemissies ten gevolge van brandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof (gCO2eq/MJ).

3.   In afwijking van punt 2 mogen voor vervoersbrandstoffen de waarden die berekend worden in termen van gCO2eq/MJ worden aangepast om rekening te houden met de verschillen tussen brandstoffen op het vlak van nuttig verricht werk. Dergelijke aanpassingen worden alleen gedaan wanneer de verschillen in nuttig verricht werk worden aangetoond.

4.   Broeikasgasemissiereducties door het gebruik van biobrandstoffen worden als volgt berekend:

REDUCTIE = (EF EB )/EF

waarin:

EB

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof; en

EF

=

de totale emissies ten gevolge van het gebruik van het fossiele alternatief.

5.   Met het oog op de toepassing van punt 1 wordt rekening gehouden met de broeikasgassen CO2, N2O en CH4. Voor de berekening van de CO2-equivalentie worden aan deze gassen de volgende waarden toegekend:

CO2

:

1

N2O

:

296

CH4

:

23

6.   Emissies door het verbouwen of ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of verbouwen zelf, door het verzamelen van de grondstoffen, door afval en lekken en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of verbouwen. Met het afvangen van CO2 bij het verbouwen van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Gecertificeerde broeikasgasemissiereducties door het affakkelen in olieproductie-installaties op enige plaats ter wereld worden afgetrokken. Ramingen van de emissies ten gevolge van teelt kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor kleinere geografische gebieden dan die welke worden gebruikt bij de berekening van de standaardwaarden, als een alternatief voor het gebruik van werkelijke waarden.

7.   Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door wijzigingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door 20 jaar. Voor de berekening van deze emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR CSA ) × 3,664 × 1/20 × 1/PeB  (12)

waarin:

el

=

op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van veranderingen van koolstofvoorraden door wijzigingen in landgebruik (gemeten als massa CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen);

CSR

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie); Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na 20 jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

P

=

de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof per landeenheid per jaar); en

eB

=

bonus van 29 gCO2eq/MJ voor biobrandstof indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

8.   De bonus van 29 gCO2eq/MJ wordt toegekend indien wordt bewezen dat het land:

a)

in januari 2008 niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden werd gebruikt; en

b)

tot een van de volgende categorieën behoort:

i)

hetzij ernstig is aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt;

ii)

hetzij ernstig vervuild is.

De bonus van 29 gCO2eq/MJ geldt voor een periode van tien jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, mits ten aanzien van het onder punt i) bedoelde land gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen en dat voor het onder punt ii) bedoelde land de bodemvervuiling wordt teruggedrongen.

9.   De in punt 8, onder b), bedoelde categorieën worden als volgt gedefinieerd:

a)

onder „ernstig aangetaste gronden” wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden;

b)

onder „ernstig vervuilde gronden” wordt verstaan, gronden die wegens hun vervuiling niet geschikt zijn voor het verbouwen van levensmiddelen of diervoeders.

Land waarover de Commissie een beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 7 quater, lid 3, vierde alinea, komt in aanmerking.

10.   Het richtsnoer dat wordt vastgesteld krachtens bijlage V, deel C, punt 10 van Richtlijn 2009/28/EG, dient als uitgangspunt voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de doeleinden van deze richtlijn.

11.   Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep , omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt.

Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van de elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel, mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.

12.   De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd , omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer en de opslag van grondstoffen en halfvergewerkte materialen en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. Emissies ten gevolge van vervoer en distributie die onder punt 6 in aanmerking worden genomen, vallen niet onder dit punt.

13.   De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu , worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen.

14.   Met betrekking tot de emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof, eccs , die niet zijn meegerekend in ep , wordt alleen rekening gehouden met CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof.

15.   Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr , wordt alleen rekening gehouden met CO2 waarvan de koolstof het gevolg is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.

16.   Met betrekking tot de emissiereductie door extra elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, eee , wordt rekening gehouden met de extra elektriciteit van brandstofproductie-installaties die gebruikmaken van warmtekrachtkoppeling, behalve als de voor de warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen andere bijproducten zijn dan residuen van landbouwgewassen. Bij het berekenen van de extra elektriciteit wordt de omvang van de warmtekrachtkoppelinginstallatie geacht te volstaan om minstens de warmte te leveren die nodig is om de brandstof te produceren. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van deze extra elektriciteit wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid broeikasgas die zou worden uitgestoten als een gelijke hoeveelheid elektriciteit werd opgewekt in een centrale die gebruik maakt van dezelfde brandstof als de warmtekrachtkoppelinginstallatie.

17.   Wanneer een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten (bijproducten), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten, in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde, in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit).

18.   Met het oog op de in punt 17 vermelde berekening zijn de te verdelen emissies eec  +  el , + fracties van ep, etd en eee die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt hiervoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.

In het geval van biobrandstoffen wordt met het oog op deze berekening rekening gehouden met alle bijproducten, inclusief elektriciteit, die niet onder punt 16 vallen, behalve residuen van landbouwproducten zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op deze berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.

Afval, residuen van landbouwproducten, zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerkende installaties, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine), worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld.

In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, is de raffinaderij de analyse-eenheid met het oog op de in punt 17 vermelde berekening.

19.   Voor de in punt 4 bedoelde berekening wordt voor biobrandstoffen de laatste beschikbare gemiddelde werkelijke emissie van het fossiele deel van in de Gemeenschap verbruikte benzine en diesel, zoals gerapporteerd krachtens deze richtlijn, gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof (EF). Als deze gegevens niet beschikbaar zijn, wordt de waarde 83,8 gCO2eq/MJ gebruikt.

D.   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biobrandstoffen

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor teelt: „eec”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

12

12

Graanethanol

23

23

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap

20

20

Suikerrietethanol

14

14

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

29

29

Biodiesel uit zonnebloemen

18

18

Biodiesel uit sojabonen

19

19

Biodiesel uit palmolie

14

14

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie (13)

0

0

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

30

30

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

18

18

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

15

15

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

30

30

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

0

0

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

0

0

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

0

0

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit): „e pe ee”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

19

26

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)

32

45

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)

32

45

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

21

30

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

14

19

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)

1

1

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

15

21

Suikerrietethanol

1

1

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

16

22

Biodiesel uit zonnebloemen

16

22

Biodiesel uit sojabonen

18

26

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

35

49

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

13

18

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie

9

13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

10

13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

10

13

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

30

42

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

7

9

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

4

5

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

14

20

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

8

11

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

8

11

Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie: „etd”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

2

2

Graanethanol

2

2

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap

2

2

Suikerrietethanol

9

9

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

1

1

Biodiesel uit zonnebloemen

1

1

Biodiesel uit sojabonen

13

13

Biodiesel uit palmolie

5

5

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

1

1

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie

5

5

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

1

1

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

3

3

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

5

5

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

4

4

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Suikerbietethanol

33

40

Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)

57

70

Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)

57

70

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)

46

55

Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

39

44

Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)

26

26

Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)

37

43

Suikerrietethanol

24

24

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEE

Gelijk aan het gebruikte traject voor ethanolproductie

Biodiesel uit koolzaad

46

52

Biodiesel uit zonnebloemen

35

41

Biodiesel uit sojabonen

50

58

Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

54

68

biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

32

37

Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie

10

14

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad

41

44

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen

29

32

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)

50

62

Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)

27

29

Zuivere plantaardige olie uit koolzaad

35

36

Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas

17

23

Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas

13

16

Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas

12

15

E.   Geraamde gedesaggregeerde standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in januari 2008 niet of in verwaarloosbare hoeveelheden in de handel waren

Gedesaggregeerde waarden voor teelt: „e ec”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Ethanol uit graanstro

3

3

Ethanol uit afvalhout

1

1

Ethanol uit geteeld hout

6

6

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout

1

1

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout

4

4

DME uit afvalhout

1

1

DME uit geteeld hout

5

5

Methanol uit afvalhout

1

1

Methanol uit geteeld hout

5

5

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Gedesaggregeerde waarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit): „e pe ee”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Ethanol uit graanstro

5

7

Ethanol uit hout

12

17

Fischer-Tropsch diesel uit hout

0

0

DME uit hout

0

0

Methanol uit hout

0

0

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Gedesaggregeerde waarden voor vervoer en distributie: „e td”, zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Ethanol uit graanstro

2

2

Ethanol uit afvalhout

4

4

Ethanol uit geteeld hout

2

2

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout

3

3

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout

2

2

DME uit afvalhout

4

4

DME uit geteeld hout

2

2

Methanol uit afvalhout

4

4

Methanol uit geteeld hout

2

2

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie

Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie

Productietraject van biobrandstoffen

Typische broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Standaard-broeikasgasemissies

(gCO2eq/MJ)

Ethanol uit graanstro

11

13

Ethanol uit afvalhout

17

22

Ethanol uit geteeld hout

20

25

Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout

4

4

Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout

6

6

DME uit afvalhout

5

5

DME uit geteeld hout

7

7

Methanol uit afvalhout

5

5

Methanol uit geteeld hout

7

7

Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnen

Gelijk aan het gebruikte traject voor methanolproductie


(1)  De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 228:2004. De lidstaten mogen in plaats daarvan de in EN 228:2004 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.

(2)  De hier gegeven cijfers zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van de norm EN ISO 4259:2006 „Aardolieproducten: bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in relatie tot de testmethoden” en bij de vaststelling van een minimumwaarde is rekening gehouden met een minimumverschil van 2 R boven nul (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259:2006 gegeven criteria.

(3)  De lidstaten mogen besluiten het in de handel brengen van normale ongelode benzine met een motor-octaangetal (MON) van ten minste 81 en een research-octaangetal (RON) van ten minste 91 verder toe te laten.

(4)  De zomerperiode begint uiterlijk op 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor lidstaten met lage omgevingstemperaturen in de zomerperiode begint de zomerperiode uiterlijk op 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus.

(5)  Voor lidstaten met een lage omgevingstemperatuur in de zomerperiode waarop in overeenstemming met artikel 3, leden 4 en 5 een afwijking van toepassing is, bedraagt de dampspanning maximaal 70kPa. Voor lidstaten waarop in overeenstemming met artikel 3, lid 4 en lid 5 een afwijking voor benzine waarin ethanol is bijgemengd van toepassing is, bedraagt de maximale dampspanning 60kPa, plus de in bijlage III vermelde toegestane afwijking van de maximale dampspanning.

(6)  Overige monoalcoholen en ethers waarvan het eindkookpunt niet hoger is dan in de norm EN 228:2004 is vastgesteld.

(7)  De testmethoden komen overeen met de methoden van de norm EN 590:2004. Lidstaten mogen in plaats daarvan de in EN 590:2004 als vervangende norm aangemerkte testmethode gebruiken indien deze methode even nauwkeurig en precies is als de testmethode die wordt vervangen.

(8)  De hier gegeven cijfers zijn „werkelijke waarden”. Bij de vaststelling van de grenswaarden is uitgegaan van de norm EN ISO 4259:2006 „Aardolieproducten: bepalingen en toepassing van nauwkeurige gegevens in relatie tot de testmethoden” en bij de vaststelling van een minimumwaarde is rekening gehouden met een minimumverschil van 2 R boven nul (R = reproduceerbaarheid). De resultaten van de verschillende metingen worden geïnterpreteerd aan de hand van de in de norm EN ISO 4259:2006 gegeven criteria.

(9)  FAME moet voldoen aan EN 14214.

(10)  Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten ().

(11)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

(12)  Het resultaat van de deling van het moleculair gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculair gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.

(13)  Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.


Top