EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009L0014

Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 68, 13.3.2009, p. 3–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 009 P. 244 - 248

No longer in force, Date of end of validity: 03/07/2019; opgeheven door 32014L0049

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/14/oj

13.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/3


RICHTLIJN 2009/14/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2009

tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 oktober 2008 is de Raad overeengekomen dat het herstellen van het vertrouwen en van de goede werking van de financiële sector prioriteit geniet. De Raad heeft toegezegd alle nodige maatregelen te zullen nemen om de deposito’s van particuliere spaarders te beschermen en heeft tevens het voornemen van de Commissie toegejuicht om spoedig een passend voorstel in te dienen dat de convergentie van depositogarantiestelsels moet bevorderen.

(2)

Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) biedt deposanten reeds een basisdekking. De heersende financiële beroering maakt het echter noodzakelijk in een betere dekking te voorzien.

(3)

De thans bij Richtlijn 94/19/EG voorgeschreven minimumdekking is vastgesteld op 20 000 EUR, waarbij lidstaten over de mogelijkheid beschikken een hogere dekking te bieden. Deze maatregel is echter ontoereikend gebleken voor een groot aantal deposito’s in de Gemeenschap. Om het vertrouwen van deposanten in stand te houden en een grotere stabiliteit van de financiële markten te bereiken, dient de minimumdekking derhalve te worden verhoogd tot 50 000 EUR. Voor 31 december 2010 dient de totale dekkingssom per deposant te worden vastgesteld op 100 000 EUR — tenzij uit een door de Commissie verrichte en vóór 31 december 2009 aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegde effectbeoordeling blijkt dat een dergelijke verhoging en een dergelijke harmonisatie niet aangewezen zijn en niet financieel haalbaar zijn voor alle lidstaten — om de bescherming van de consument en de financiële stabiliteit in de Gemeenschap te waarborgen en mededingingsverstoringen tussen de lidstaten te vermijden. Indien uit de effectbeoordeling blijkt dat een dergelijke verhoging en harmonisatie niet wenselijk zijn, moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad adequate voorstellen voorleggen.

(4)

Voor alle deposanten moet dezelfde dekking gelden, ongeacht of de valuta van de lidstaat de euro is of niet. Lidstaten die geen deel uitmaken van de eurozone moeten echter de mogelijkheid hebben de uit de omzetting resulterende bedragen af te ronden zonder de equivalente bescherming van de deposanten aan te tasten.

(5)

In een door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad uitgebracht verslag dienen alle hiermee samenhangende onderwerpen te worden geanalyseerd, zoals verrekeningen en tegenvorderingen, de bepaling van de bijdragen aan de stelsels, de reeks van gedekte producten en deposanten, de doeltreffendheid van grensoverschrijdende samenwerking tussen depositogarantiestelsels, en het verband tussen depositogarantiestelsels en alternatieve manieren om deposanten hun inleg te vergoeden, zoals nooduitbetalingsregelingen. Ten behoeve van dit verslag moeten de lidstaten de relevante gegevens verzamelen en deze desgevraagd aan de Commissie doen toekomen.

(6)

Sommige lidstaten hebben uit hoofde van Richtlijn 94/19/EG depositogarantiestelsels ingesteld die een volledige dekking bieden voor bepaalde soorten langetermijn-deposito’s, zoals pensioenvorderingen. De rechten en verwachtingen van deposanten in die stelsels dienen te worden geëerbiedigd.

(7)

Sommige lidstaten hebben uit hoofde van Richtlijn 94/19/EG depositogarantiestelsels ingesteld die een volledige dekking bieden voor bepaalde tijdelijk verhoogde balansen, of zijn van plan dit te doen. De Commissie moet voor 31 december 2009 evalueren of een volledige dekking voor bepaalde tijdelijk verhoogde balansen gehandhaafd of geïntroduceerd moet worden.

(8)

Systemen die de kredietinstelling zelf beschermen en in het bijzonder haar liquide middelen en solvabiliteit verzekeren, en daarmee een bescherming garanderen voor de deposanten die ten minste equivalent is aan de bescherming die geboden wordt door een depositogarantiestelsel, en vrijwillige regelingen voor deposanten-compensatie die niet door een lidstaat ingevoerd of officieel erkend zijn, mogen in hun werking niet worden gehinderd door deze richtlijn.

(9)

De lidstaten moeten depositogarantieregelingen aanmoedigen te overwegen afspraken te maken over hun wederzijdse verplichtingen dan wel bestaande afspraken daarover te verbeteren.

(10)

De thans geldende uitbetalingstermijn van drie maanden, die tot 9 maanden kan worden verlengd, is strijdig met de noodzaak het vertrouwen van deposanten in stand te houden en voldoet niet aan hun behoeften. De uitbetalingstermijn dient daarom te worden verkort tot twintig werkdagen. Deze termijn zou alleen in uitzonderlijke omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mogen worden verlengd. Twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen over de doeltreffendheid en de termijnen van de uitbetalingsprocedures, waarin beoordeeld wordt of een verdere verkorting van de uitbetalingstermijn tot tien werkdagen wenselijk is.

(11)

Daarenboven dient in gevallen waarin de uitbetaling afhankelijk is van een vaststelling van de bevoegde autoriteiten, de thans geldende termijn van 21 dagen voor het doen van een dergelijke vaststelling tot vijf werkdagen te worden verkort om een snelle uitbetaling niet te verhinderen. De bevoegde instanties moeten echter eerst voldoende hebben geconstateerd dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen. Die beoordeling moet onderworpen zijn aan de rechterlijke of bestuursrechtelijke procedures in de lidstaten.

(12)

Deposito’s mogen als niet beschikbaar worden beschouwd, wanneer een vroege interventie of reorganisatiemaatregelen niet met succes werden bekroond. Dit mag de bevoegde autoriteiten niet beletten om tijdens de uitbetalingstermijn verdere herstructureringsinspanningen te leveren.

(13)

De lidstaten moeten ernaar streven de continuïteit van de dienstverlening door banken en beschikbaarheid van de liquide middelen van banken te verzekeren, vooral in perioden van financiële beroering. Daarom worden de lidstaten ertoe aangemoedigd zo snel mogelijk regelingen te treffen om betalingen uit een noodfonds van adequate bedragen te verzekeren na aanvraag van de getroffen deposant, binnen drie dagen na een dergelijke aanvraag. Daar de verkorting van de huidige uitbetalingstermijn van drie maanden een positief effect zal hebben op het vertrouwen van de deposanten en de werking van de financiële markten, moeten de lidstaten met hun depositogarantiestelsels ervoor zorgen dat de uitbetalingstermijn zo kort mogelijk is.

(14)

Richtlijn 94/19/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid de dekking tot een bepaald percentage te beperken. Het is aangetoond dat deze mogelijkheid het vertrouwen van deposanten ondermijnt en dient dan ook te worden afgeschaft.

(15)

De voor de uitvoering van Richtlijn 94/19/EG vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4).

(16)

In het bijzonder dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden verleend de geboden dekking aan te passen om rekening te houden met de inflatie in de Europese Unie, conform de door de Commissie gepubliceerde geharmoniseerde consumentenprijsindex. Daar het een maatregel van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van Richtlijn 94/19/EG, moet deze maatregel volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG neergelegde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

(17)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de harmonisatie van de dekking en van de uitbetalingstermijn, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de veelheid van verschillende voorschriften die thans in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten bestaan, en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(18)

Richtlijn 94/19/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(19)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (5) worden de lidstaten ertoe aangespoord om voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Richtlijn 94/19/EG

Richtlijn 94/19/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel 1, punt 3, onder i), tweede alinea, wordt vervangen door:

„De bevoegde autoriteiten doen deze vaststelling zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst hebben geconstateerd dat een kredietinstelling heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen; of”.

2.

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de depositogarantiestelsels in de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gevallen met elkaar samenwerken.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„6.   De Commissie evalueert de werking van dit artikel ten minste om de twee jaar en stelt in voorkomend geval wijzigingen daarin voor.”.

3.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 komt als volgt te luiden:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de dekking voor het totaal van de deposito’s van een zelfde deposant ten minste 50 000 EUR bedraagt wanneer de deposito’s niet-beschikbaar zijn.

1 bis.   Uiterlijk op 31 december 2010 zorgen de lidstaten ervoor dat de dekking voor het totaal van de deposito’s van elke deposant wordt vastgesteld op 100 000 EUR wanneer de deposito’s niet-beschikbaar zijn.

Indien uit het in artikel 12 bedoelde verslag van de Commissie blijkt dat een dergelijke verhoging en een dergelijke harmonisatie niet aangewezen zijn en niet voor alle lidstaten financieel haalbaar zijn om de bescherming van de consument en de financiële stabiliteit in de Gemeenschap te waarborgen en om grensoverschrijdende verstoringen tussen de lidstaten te vermijden, zal het Europees Parlement en de Raad een voorstel worden gedaan voor de wijziging van de eerste alinea.

1 terties.   Lidstaten die geen deel uitmaken van de eurozone dragen er zorg voor dat wanneer zij de in lid 1 en lid 1 bis genoemde in euro uitgedrukte bedragen omzetten in hun nationale munteenheden, dat de in de nationale munteenheden uitgedrukte bedragen die daadwerkelijk aan de deposanten worden uitbetaald, gelijkwaardig zijn met de in deze richtlijn bepaalde bedragen.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Lid 1 bis belet niet dat bepalingen worden gehandhaafd die vóór 1 januari 2008, met name om sociale redenen, een volledige dekking van bepaalde soorten deposito’s boden.”;

c)

lid 4 wordt geschrapt;

d)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„7.   De Commissie kan de in leden 1 en 1 bis bedoelde bedragen aanpassen om rekening te houden met de inflatie in de Europese Unie conform de door de Commissie gepubliceerde geharmoniseerde consumentenprijsindex.

Deze maatregel, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beoogt te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 7 bis, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.

4.

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 7 bis

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie (6) ingestelde Europees Comité voor het bankwezen.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

5.

Artikel 9, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de kredietinstellingen aan feitelijke en potentiële deposanten de nodige gegevens ter beschikking stellen om te kunnen nagaan aan welk depositogarantiestelsel in de Gemeenschap de kredietinstelling en haar bijkantoren deelnemen, of welke alternatieve regeling krachtens artikel 3, lid 1, tweede alinea, of artikel 3, lid 4, is getroffen. De deposanten worden ingelicht over de bepalingen van het depositogarantiestelsel of van de van toepassing zijnde alternatieve regeling, met inbegrip van het bedrag van de dekking en de reikwijdte van het depositogarantiestelsel. Indien op grond van artikel 7, lid 2, voor een deposito geen garantie uit het depositogarantiestelsel geldt, informeert de kredietinstelling de deposant hierover. Alle inlichtingen worden in een bevattelijke vorm ter beschikking gesteld.

Desgevraagd moeten inlichtingen worden verstrekt over de voorwaarden voor terugbetaling en de met het oog daarop te vervullen formaliteiten.”.

6.

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Het depositogarantiestelsel moet in staat zijn terdege getoetste aanspraken van deposanten op uitkeringen in verband met niet-beschikbare deposito’s te honoreren binnen een termijn van twintig werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteiten tot de in artikel 1, punt 3, onder i), bedoelde vaststelling overgaan of een rechterlijke instantie de uitspraak als bedoeld in artikel 1, punt 3, onder ii), doet; het vergaren en doorgeven van de accurate gegevens over deposanten en deposito’s die nodig zijn voor de toetsing van de aanspraken, valt binnen deze termijn.

In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een deposito-garantiestelsel de bevoegde autoriteiten verzoeken deze termijn te verlengen. De verlenging geldt voor maximaal tien werkdagen.

Uiterlijk op 16 maart 2011 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de doeltreffendheid en de termijnen van de uitbetalingsprocedures, waarin beoordeeld wordt of het wenselijk is om de in de eerste alinea vermelde termijn te verminderen tot tien werkdagen.

De lidstaten dragen er zorg voor dat de depositogarantiestelsels regelmatig tests op hun systemen uitvoeren en dat zij in voorkomend geval geïnformeerd worden ingeval de bevoegde autoriteiten problemen in een kredietinstelling op het spoor komen die waarschijnlijk tot de interventie van depositogarantiestelsels zullen leiden.”;

b)

lid 2 wordt geschrapt.

7.

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Artikel 12

1.   Uiterlijk op 31 december 2009 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over:

a)

de harmonisatie van de financieringsmechanismen van depositogarantiestelsels, waarbij zij met name aandacht besteedt aan de gevolgen van het ontbreken van een dergelijke harmonisatie in het geval van een grensoverschrijdende crisis met betrekking tot de beschikbaarheid van compensatie-uitkeringen van het deposito, en met betrekking tot de eerlijke concurrentie en de voordelen en kosten van deze harmonisatie;

b)

de gepastheid van en de voorwaarden voor een volledige dekking voor bepaalde tijdelijk verhoogde balansen;

c)

mogelijke modellen voor de invoering van risico-afhankelijke bijdragen;

d)

de voordelen en kosten van de mogelijke invoering van een communautair depositogarantiestelsel;

e)

het effect van uiteenlopende wetgevingen met betrekking tot de verrekening van een tegoed van een deposant met diens schuld, op de doeltreffendheid van het systeem en mogelijke verstoringen, rekening houdend met grensoverschrijdende vereffeningen;

f)

de harmonisatie van de reeks van gedekte producten en deposanten, met inbegrip van de specifieke behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen en van lokale instanties;

g)

de koppeling tussen depositogarantiestelsels en alternatieve manieren om deposanten hun inleg te vergoeden, zoals mechanismen voor nooduitbetaling.

Indien nodig doet de Commissie passende voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en het Europees Comité voor het bankwezen in kennis van hun voornemen om wijzigingen in de bestreken categorieën deposito’s of in de dekking van deposito’s aan te brengen, alsook van alle eventuele moeilijkheden die zij bij de samenwerking met andere lidstaten ondervinden.”.

8.

Bijlage III wordt geschrapt.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 2009 aan deze richtlijn te voldoen.

In afwijking van de eerste alinea doen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2010 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan artikel 1, punt 3, onder i), tweede alinea, artikel 7, lid 1 bis, artikel 7, lid 3, en artikel 10, lid 1, van Richtlijn 94/19/EG, gewijzigd bij deze richtlijn, te voldoen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

A. VONDRA


(1)  PB C 314 van 9.12.2008, blz. 1.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 18 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluiten van de Raad van 26 februari 2009 en van 5 maart 2009.

(3)  PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(5)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(6)  PB L 3 van 7.1.2004, blz. 36.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.”.


Top