EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008D0615

Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit

OJ L 210, 6.8.2008, p. 1–11 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 011 P. 95 - 105

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/615/oj

6.8.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 210/1


BESLUIT 2008/615/JBZ VAN DE RAAD

van 23 juni 2008

inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 30, lid 1, onder a) en b), artikel 31, lid 1, onder a), artikel 32 en artikel 34, lid 2, onder c),

Gelet op het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie (Verdrag van Prüm) wordt dit initiatief, in overleg met de Commissie, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ingediend teneinde de inhoud van de bepalingen van het Verdrag van Prüm in het rechtskader van de Europese Unie te integreren.

(2)

In de conclusies van de Europese Raad van Tampere in oktober 1999 wordt bevestigd dat met het oog op het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten betere informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties van de lidstaten nodig is.

(3)

In het Haags programma betreffende de versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie van november 2004, heeft de Europese Raad zijn overtuiging tot uitdrukking gebracht dat daartoe een innoverende benadering van de grensoverschrijdende uitwisseling van rechtshandhavingsinformatie nodig is.

(4)

De Europese Raad heeft derhalve verklaard dat dergelijke informatie moet worden uitgewisseld volgens het beschikbaarheidsbeginsel. Dit betekent dat een rechtshandhavingsfunctionaris in een lidstaat van de Unie informatie die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft bij een andere lidstaat kan verkrijgen en dat de rechtshandhavingsinstanties in een lidstaat die over deze informatie beschikt, deze voor het aangegeven doel beschikbaar stellen, rekening houdend met de eisen van de lopende onderzoeken in die lidstaat.

(5)

De Europese Raad stelde 1 januari 2008 vast als uiterste datum voor de verwezenlijking van deze doelstelling van het Haags programma.

(6)

Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie (2) stelt reeds regels vast volgens welke de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten snel en doeltreffend bestaande informatie en inlichtingen kunnen uitwisselen teneinde een strafrechtelijk onderzoek uit te voeren of politie-inlichtingen te verzamelen.

(7)

In het Haags programma betreffende de versterking van vrijheid, veiligheid en recht wordt echter ook verklaard dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van nieuwe technologieën en dat ook wederzijdse toegang tot nationale databanken moet worden gefaciliteerd, terwijl het daarnaast bepaalt dat nieuwe gecentraliseerde Europese gegevensbestanden uitsluitend kunnen worden opgezet op basis van studies die de toegevoegde waarde ervan hebben aangetoond.

(8)

Met het oog op effectieve internationale samenwerking is het van fundamenteel belang dat nauwkeurige informatie snel en efficiënt kan worden uitgewisseld. Doel is procedures te introduceren ter bevordering van middelen voor snelle, efficiënte en goedkope gegevensuitwisseling. Met het oog op het gezamenlijk gebruik van gegevens moet met betrekking tot die procedures een verantwoordingsplicht gelden, en moeten de procedures de nodige waarborgen bieden wat betreft de juistheid en de beveiliging van de gegevens bij transmissie en opslag, en dienen er procedures te zijn voor de registratie van uitgewisselde gegevens en beperkingen op het gebruik van die gegevens.

(9)

Aan die eisen is voldaan door middel van het Verdrag van Prüm, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Opdat aan de essentiële vereisten van het Haags programma voor alle lidstaten kan worden voldaan binnen het daarin vastgestelde tijdschema, moet de inhoud van de fundamentele onderdelen van het Verdrag van Prüm voor alle lidstaten van toepassing worden.

(10)

Dit besluit bevat derhalve bepalingen die op de voornaamste bepalingen van het Verdrag van Prüm zijn gebaseerd en zijn bedoeld om de informatie-uitwisseling te bevorderen, en houdt in dat de lidstaten elkaar toegang verlenen tot hun geautomatiseerde DNA-analysebestanden, geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen en voertuigregisters. In het geval van nationale DNA-analysebestanden en geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen moet een hit/no hit-systeem de verzoekende lidstaat, in een tweede fase, in staat stellen specifieke met een dossier verband houdende persoonsgegevens op te vragen in de lidstaat die het dossier beheert en, waar nodig, via rechtshulpprocedures, waaronder die welke ingevolge Kaderbesluit 2006/960/JBZ zijn aangenomen, om nadere informatie te verzoeken.

(11)

Dit zal de bestaande procedures aanzienlijk bespoedigen doordat de lidstaten zo kunnen nagaan of een andere lidstaat over de door hen benodigde informatie beschikt, en om welke lidstaat het gaat.

(12)

Grensoverschrijdende gegevensvergelijking kan misdaadbestrijding een nieuwe dimensie geven. De informatie die door het vergelijken van gegevens wordt verkregen, moet voor de lidstaten de deur openen naar nieuwe onderzoeksmethoden en derhalve een cruciale rol spelen in het ondersteunen van de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten van de lidstaten.

(13)

De regels zijn gebaseerd op het in een netwerk onderbrengen van de nationale databanken.

(14)

Onder bepaalde voorwaarden moeten de lidstaten al dan niet persoonsgebonden gegevens kunnen verstrekken, zodat de uitwisseling van gegevens over grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie wordt verbeterd met het oog op de voorkoming van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.

(15)

Bij de uitvoering van artikel 12 kunnen de lidstaten besluiten voorrang te geven aan de bestrijding van zware criminaliteit, gezien de beperkte technische capaciteit die beschikbaar is voor het doorzenden van gegevens.

(16)

Niet alleen de verbeterde informatie-uitwisseling, maar ook andere vormen van nauwere samenwerking tussen politieautoriteiten moet worden gereguleerd, met name door middel van gezamenlijke veiligheidsoperaties (bv. gezamenlijke patrouilles).

(17)

Nauwere politiële en justitiële samenwerking in strafzaken moet gepaard gaan met de eerbiediging van de grondrechten, met name het recht op eerbiediging van het privé-leven en op de bescherming van persoonsgegevens, dat moet worden gewaarborgd door specifieke regelingen inzake gegevensbescherming, die moeten zijn toegesneden op de specifieke aard van verschillende vormen van gegevensuitwisseling. Dergelijke specifieke bepalingen inzake gegevensbescherming moeten met name rekening houden met het specifieke karakter van de grensoverschrijdende online toegang tot databanken. Aangezien bij online toegang de lidstaat die het dossier beheert geen voorafgaande controle kan uitvoeren, moet er een systeem worden opgezet dat ervoor zorgt dat controle achteraf plaatsvindt.

(18)

Het hit/no hit-systeem biedt een structuur voor de vergelijking van anonieme profielen, waarbij aanvullende persoonsgegevens pas na een hit worden uitgewisseld, en het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, bepalend is voor de verstrekking en de ontvangst van die gegevens. Deze opzet waarborgt een adequaat systeem voor gegevensbescherming, met dien verstande dat de verstrekking van persoonsgegevens aan een andere lidstaat een adequaat niveau van gegevensbescherming door de ontvangende lidstaten vereist.

(19)

Gezien de ruime uitwisseling van informatie en gegevens ten gevolge van een nauwere politiële en justitiële samenwerking, wordt met dit besluit beoogd een passend niveau van gegevensbescherming te waarborgen. Er wordt rekening gehouden met het beschermingsniveau dat voor de verwerking van persoonsgegevens is vastgesteld in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, het daarbij behorende Aanvullend Protocol van 8 november 2001 en de beginselen van Aanbeveling R (87) 15 van de Raad van Europa tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.

(20)

Tot de in dit besluit opgenomen bepalingen inzake gegevensbescherming behoren ook de beginselen inzake gegevensbescherming die noodzakelijk waren bij ontstentenis van een kaderbesluit inzake gegevensbescherming in de derde pijler. Dit Kaderbesluit zou moeten worden toegepast op het volledige gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, mits het niveau van gegevensbescherming waarin het voorziet, niet lager is dan dat van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het daarbij behorende Aanvullend Protocol van 8 november 2001, en daarbij rekening wordt gehouden met Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied ook wanneer de gegevens niet geautomatiseerd worden verwerkt.

(21)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit, met name de verbetering van de informatie-uitwisseling in de Europese Unie, wegens het grensoverschrijdend karakter van misdaadbestrijding en veiligheidskwesties, niet afdoende door de lidstaten afzonderlijk kunnen worden verwezenlijkt zodat de lidstaten verplicht zijn hiervoor op elkaar een beroep te doen, kunnen zij beter op Europees niveau gerealiseerd worden. De Raad kan bijgevolg maatregelen aannemen volgens het subsidiariteitsbeginsel op grond van artikel 5 van het EG-Verdrag, waarnaar in artikel 2 van het EU-Verdrag wordt verwezen. Overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(22)

Dit besluit is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegd zijn,

BESLUIT:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE ASPECTEN

Artikel 1

Doel en werkingssfeer

De lidstaten beogen met dit besluit de grensoverschrijdende samenwerking, op gebieden die onder titel VI van het Verdrag vallen, te intensiveren, met name de uitwisseling van informatie tussen instanties die met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten belast zijn. Daartoe bevat dit besluit regels op de volgende gebieden:

a)

bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de geautomatiseerde overdracht van DNA-profielen, dactyloscopische gegevens en bepaalde gegevens uit de nationale kentekenregisters (Hoofdstuk 2);

b)

bepalingen over de voorwaarden voor gegevensverstrekking in het kader van grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie (Hoofdstuk 3);

c)

bepalingen over de voorwaarden voor de verstrekking van informatie ter voorkoming van terroristische misdrijven (Hoofdstuk 4);

d)

bepalingen over de voorwaarden en de procedure voor de intensivering van de grensoverschrijdende politiële samenwerking via diverse maatregelen (Hoofdstuk 5).

HOOFDSTUK 2

ONLINE TOEGANG EN VERVOLGVERZOEKEN

DEEL 1

DNA-profielen

Artikel 2

Aanleggen van nationale DNA-analysebestanden

1.   De lidstaten leggen ter opsporing van strafbare feiten nationale DNA-analysebestanden aan en beheren deze. De verwerking van de op grond van dit besluit in deze bestanden opgeslagen gegevens geschiedt behoudens de overige bepalingen van dit besluit, met inachtneming van het voor de verwerking geldende nationale recht.

2.   Ter uitvoering van dit besluit waarborgen de lidstaten dat linkgegevens uit het nationale DNA-analysebestand, als bedoeld in lid 1, eerste zin, aanwezig zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend de op basis van het niet-gecodeerde gedeelte van het DNA vastgestelde DNA-profielen en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde DNA-profielen), dienen als zodanig herkenbaar te zijn.

3.   Elke lidstaat deelt overeenkomstig artikel 36 het secretariaat-generaal van de Raad de nationale DNA-analysebestanden, waarop de artikelen 2 tot en met 6 van toepassing zijn, alsmede de voorwaarden voor de geautomatiseerde bevraging, bedoeld in artikel 3, lid 1, mee.

Artikel 3

Geautomatiseerde bevraging van DNA-profielen

1.   Ter opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 6, toegang tot de linkgegevens van hun DNA-analysebestanden, met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de DNA-profielen. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend.

2.   Indien bij een geautomatiseerde bevraging wordt vastgesteld dat een verstrekt DNA-profiel overeenkomt met een in het bestand van de ontvangende lidstaat opgeslagen DNA-profiel, dan ontvangt het nationale contactpunt van de verzoekende lidstaat langs geautomatiseerde weg de informatie over de linkgegevens waarmee een overeenkomst is vastgesteld. Indien geen overeenkomst kan worden vastgesteld, wordt zulks geautomatiseerd meegedeeld.

Artikel 4

Geautomatiseerde vergelijking van DNA-profielen

1.   Ter opsporing van strafbare feiten vergelijken de lidstaten met wederzijds goedvinden via hun nationale contactpunten hun ongeïdentificeerde DNA-profielen met alle DNA-profielen uit linkgegevens van de andere nationale DNA-analysebestanden. Verstrekking en vergelijking geschieden geautomatiseerd. Verstrekking ter vergelijking van ongeïdentificeerde DNA-profielen geschiedt uitsluitend in die gevallen waarin het nationale recht van de verzoekende lidstaat hierin voorziet.

2.   Indien een lidstaat bij de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat verstrekte DNA-profielen met enig profiel in zijn DNA-analysebestand overeenkomen, verstrekt hij onverwijld aan het nationale contactpunt van de andere lidstaat de linkgegevens waarmee een overeenkomst is vastgesteld.

Artikel 5

Verstrekking van nadere persoonsgegevens en overige informatie

Indien in het kader van de procedure, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt vastgesteld dat DNA-profielen overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie.

Artikel 6

Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen

1.   Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hierop van toepassing zijnde nationale recht.

2.   De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in de artikelen 3 en 4 beschreven procedures worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 33 geregeld.

Artikel 7

Afname van celmateriaal en verstrekking van DNA-profielen

Indien in het kader van een lopend opsporingsonderzoek of strafrechtelijke procedure geen DNA-profiel beschikbaar is van een bepaalde persoon die zich op het grondgebied van een aangezochte lidstaat bevindt, verleent de aangezochte lidstaat rechtshulp door het afnemen en onderzoeken van celmateriaal van deze persoon evenals door verstrekking van het verkregen DNA-profiel, indien:

a)

de verzoekende lidstaat meedeelt voor welk doel zulks vereist is;

b)

de verzoekende lidstaat een naar het recht van die staat vereist onderzoeksbevel of verklaring van de bevoegde autoriteit overlegt, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor het afnemen en onderzoeken van celmateriaal zou zijn voldaan indien de desbetreffende persoon zich op het grondgebied van de verzoekende lidstaat zou bevinden, en

c)

naar het recht van de aangezochte lidstaat aan de voorwaarden voor het afnemen en onderzoeken van celmateriaal alsmede aan de voorwaarden voor de verstrekking van het verkregen DNA-profiel, is voldaan.

DEEL 2

Dactyloscopische gegevens

Artikel 8

Dactyloscopische gegevens

Ter uitvoering van dit besluit zien de lidstaten erop toe dat linkgegevens uit het bestand van de ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten opgezette nationale geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen beschikbaar zijn. Linkgegevens omvatten uitsluitend dactyloscopische gegevens en een kenmerk. De linkgegevens mogen geen gegevens bevatten waarmee de betrokkene rechtstreeks kan worden geïdentificeerd. Linkgegevens die niet op een persoon terug te voeren zijn (ongeïdentificeerde dactyloscopische gegevens) dienen als zodanig herkenbaar te zijn.

Artikel 9

Geautomatiseerde bevraging van dactyloscopische gegevens

1.   Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in artikel 11, toegang tot de linkgegevens van de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen die zij daartoe hebben opgezet, zulks met het recht deze geautomatiseerd te bevragen door middel van een vergelijking van de dactyloscopische gegevens. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend in individuele gevallen en met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend.

2.   De definitieve koppeling van een dactyloscopisch gegeven aan een linkgegeven van de met het bestandsbeheer belaste lidstaat geschiedt door het nationale contactpunt van de verzoekende lidstaat aan de hand van de geautomatiseerd verstrekte linkgegevens, die voor de eenduidige koppeling noodzakelijk zijn.

Artikel 10

Verstrekking van nadere persoonsgegevens en overige informatie

Indien in het kader van de procedure, als bedoeld in artikel 9, wordt vastgesteld dat dactyloscopische gegevens overeenkomen, is het nationale recht, met inbegrip van de rechtshulpvoorschriften, van de aangezochte lidstaat bepalend voor de verstrekking van nadere, met betrekking tot de linkgegevens beschikbare persoonsgegevens en overige informatie.

Artikel 11

Nationaal contactpunt en uitvoeringsmaatregelen

1.   Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 9, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hierop van toepassing zijnde nationale recht.

2.   De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de in artikel 9 beschreven procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 33 geregeld.

DEEL 3

Gegevens uit de kentekenregisters

Artikel 12

Geautomatiseerde bevraging van gegevens uit de kentekenregisters

1.   Ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten alsmede ter afhandeling van overtredingen die in de verzoekende lidstaat tot de bevoegdheid van de rechtbanken of het openbaar ministerie behoren, en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, verlenen de lidstaten aan de nationale contactpunten van de andere lidstaten, bedoeld in lid 2, toegang tot de volgende gegevens uit de nationale kentekenregisters, zulks met het recht deze in individuele gevallen geautomatiseerd te bevragen:

a)

gegevens met betrekking tot de eigenaars of houders, en

b)

gegevens met betrekking tot voertuigen.

De bevraging mag uitsluitend met gebruikmaking van een volledig chassisnummer of een volledig kenteken worden gedaan. De bevoegdheid tot bevraging mag uitsluitend met inachtneming van het nationale recht van de verzoekende lidstaat worden uitgeoefend.

2.   Ter uitvoering van de gegevensuitwisseling, bedoeld in lid 1, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt voor inkomende verzoeken aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hierop van toepassing zijnde nationale recht. De bijzonderheden met betrekking tot de technische regelingen voor de procedure worden door middel van de uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 33 geregeld.

HOOFDSTUK 3

GROOTSCHALIGE EVENEMENTEN

Artikel 13

Verstrekking van niet-persoonsgebonden gegevens

Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief, met inachtneming van het nationale recht van de verstrekkende lidstaat, niet-persoonsgebonden gegevens die hiertoe noodzakelijk kunnen zijn.

Artikel 14

Verstrekking van persoonsgebonden gegevens

1.   Ter voorkoming van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid in samenhang met grootschalige evenementen met een grensoverschrijdende dimensie, in het bijzonder sportmanifestaties of bijeenkomsten van de Europese Raad, verstrekken de lidstaten elkaar zowel op verzoek als op eigen initiatief persoonsgegevens, indien definitieve veroordelingen of andere feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de desbetreffende personen tijdens de evenementen strafbare feiten zullen plegen of dat zij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid vormen, voor zover de verstrekking van deze gegevens overeenkomstig het nationale recht van de verstrekkende lidstaat is toegestaan.

2.   De persoonsgegevens mogen uitsluitend worden verwerkt voor de in lid 1 omschreven doeleinden en in het kader van de nauwkeurig omschreven evenementen waarvoor deze werden meegedeeld. De verstrekte gegevens dienen onverwijld te worden gewist zodra de doeleinden, bedoeld in lid 1, zijn verwezenlijkt of niet meer verwezenlijkt kunnen worden. De verstrekte gegevens dienen in elk geval uiterlijk na een jaar te worden gewist.

Artikel 15

Nationaal contactpunt

Ter uitvoering van de gegevensverstrekking, bedoeld in de artikelen 13 en 14, wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hierop van toepassing zijnde nationale recht.

HOOFDSTUK 4

MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN TERRORISTISCHE MISDRIJVEN

Artikel 16

Verstrekking van informatie ter voorkoming van terroristische misdrijven

1.   Ter voorkoming van terroristische misdrijven kunnen lidstaten aan de nationale contactpunten van andere lidstaten, bedoeld in lid 3, met inachtneming van het nationale recht, in individuele gevallen, ook zonder verzoek de in lid 2 genoemde persoonsgegevens en informatie verstrekken, voor zover zulks noodzakelijk is omdat bepaalde feiten het vermoeden rechtvaardigen dat de betrokkenen strafbare feiten zullen plegen als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (3).

2.   De te verstrekken gegevens en informatie omvatten namen, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats alsmede de beschrijving van de omstandigheden die aanleiding geven tot het vermoeden, bedoeld in lid 1.

3.   Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan dat is belast met de gegevensuitwisseling met de nationale contactpunten van de andere lidstaat. De bevoegdheden van het nationale contactpunt worden bepaald door het hierop van toepassing zijnde nationale recht.

4.   De verstrekkende lidstaat kan, met inachtneming van het nationale recht, voorwaarden verbinden aan het gebruik van deze gegevens en informatie door de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat is aan deze voorwaarden gebonden.

HOOFDSTUK 5

ANDERE SAMENWERKINGSVORMEN

Artikel 17

Gezamenlijk optreden

1.   Ter intensivering van de politiële samenwerking kunnen de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteiten gezamenlijke patrouilles en andere vormen van gezamenlijk optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van strafbare feiten instellen, waarbij de door de lidstaten aangewezen ambtenaren of ander overheidspersoneel („ambtenaren”), van andere lidstaten aan het optreden op het grondgebied van een lidstaat meewerken.

2.   Elke lidstaat kan als gastlidstaat, met inachtneming van zijn nationale recht, ambtenaren van andere lidstaten met toestemming van de zendlidstaat in het kader van een gezamenlijk optreden uitvoerende bevoegdheden toekennen of, voor zover zulks naar het recht van de gastlidstaat is toegestaan, ambtenaren van andere lidstaten toestaan hun uitvoerende bevoegdheden overeenkomstig het recht van de zendlidstaat uit te oefenen. Deze uitvoerende bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend onder leiding en, in beginsel, in aanwezigheid van ambtenaren van de gastlidstaat worden uitgeoefend. De ambtenaren van de andere lidstaten zijn hierbij aan het nationale recht van de gastlidstaat gebonden. Hun handelen valt onder de verantwoordelijkheid van de gastlidstaat.

3.   Bij een gezamenlijk optreden betrokken ambtenaren van andere lidstaten zijn onderworpen aan de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit van de gastlidstaat.

4.   De lidstaten dienen een verklaring in als bedoeld in artikel 37 waarin zij de praktische aspecten van de samenwerking vaststellen.

Artikel 18

Bijstand in verband met massabijeenkomsten, rampen en zware ongevallen

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen elkaar met inachtneming van het nationale recht wederzijds bijstand bij massabijeenkomsten en vergelijkbaar grootschalige gebeurtenissen, rampen en zware ongevallen, waarbij zij trachten strafbare feiten te voorkomen en de openbare orde en veiligheid te handhaven door:

a)

elkaar zo vroeg mogelijk over dergelijke situaties met grensoverschrijdende gevolgen te informeren en relevante informatie uit te wisselen;

b)

in situaties met grensoverschrijdende gevolgen de op hun grondgebied noodzakelijke politiemaatregelen te treffen en te coördineren;

c)

op verzoek van de lidstaat op wiens grondgebied de situatie zich voordoet, voor zover mogelijk, ambtenaren, specialisten en adviseurs uit te zenden en uitrusting ter beschikking te stellen.

Artikel 19

Gebruik van bewapening, munitie en uitrusting

1.   Ambtenaren van een lidstaat die zich in het kader van een gezamenlijk optreden ingevolge artikel 17 of 18 op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, kunnen ter plaatse hun nationale dienstkleding dragen. Zij kunnen daar hun naar het nationale recht van de zendlidstaat toegestane bewapening, munitie en uitrusting meedragen. Elke gastlidstaat kan het meevoeren van bepaalde bewapening, munitie en uitrusting door ambtenaren van de zendlidstaat verbieden.

2.   De lidstaten brengen verklaringen uit als bedoeld in artikel 36 waarin bewapening, munitie en uitrusting worden opgesomd die uitsluitend mogen worden gebruikt bij wettige zelfverdediging of ter verdediging van anderen. De met de feitelijke leiding belaste ambtenaar van de gastlidstaat kan in individuele gevallen met inachtneming van het nationale recht toestemming verlenen voor gebruik van bewapening, munitie en uitrusting dat verder reikt dan het bepaalde in de eerste volzin. Het gebruik van de bewapening, munitie en uitrusting wordt bepaald door het recht van de gastlidstaat. De bevoegde autoriteiten informeren elkaar over de toegestane bewapening, munitie en uitrusting alsmede over de voorwaarden voor het gebruik ervan.

3.   Indien ambtenaren van de ene lidstaat bij maatregelen op grond van dit besluit op het grondgebied van een andere lidstaat voertuigen inzetten, zijn zij aan dezelfde verkeersregels, met inbegrip van de voorrangsrechten en speciale voorrechten, onderworpen als de ambtenaren van de gastlidstaat.

4.   De lidstaten leggen verklaringen over als bedoeld in artikel 36 waarin zij de praktische aspecten van het gebruik van bewapening, munitie en uitrusting vaststellen.

Artikel 20

Bescherming en bijstand

De lidstaten zijn jegens de grensoverschrijdende ambtenaren van de andere lidstaten tijdens de dienstuitoefening tot dezelfde bescherming en bijstand verplicht als jegens de eigen ambtenaren.

Artikel 21

Algemene civielrechtelijke aansprakelijkheidsregeling

1.   Wanneer ambtenaren van een lidstaat in een andere lidstaat optreden overeenkomstig artikel 17, is de eerstgenoemde lidstaat overeenkomstig het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij optreden aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.

2.   De lidstaat op het grondgebied waarvan de in lid 1 bedoelde schade wordt veroorzaakt, vergoedt deze schade op dezelfde wijze als schade die door zijn eigen ambtenaren wordt toegebracht.

3.   In het in lid 1 bedoelde geval betaalt de lidstaat waarvan de ambtenaren op het grondgebied van een andere lidstaat aan een persoon schade hebben veroorzaakt, aan die andere lidstaat het volledige bedrag terug dat deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.

4.   Wanneer ambtenaren van een lidstaat in een andere lidstaat optreden overeenkomstig artikel 18, is de laatstgenoemde lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht aansprakelijk voor de schade die zij aldaar tijdens hun optreden veroorzaken.

5.   Wanneer de in lid 4 bedoelde schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag, kan de gastlidstaat de zendlidstaat benaderen om van deze laatste terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die deze aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.

6.   Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden en met uitzondering van het bepaalde in lid 3 ziet elke lidstaat, in het geval bedoeld in lid 1, ervan af het bedrag van de door hem geleden schade op een andere lidstaat te verhalen.

Artikel 22

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De ambtenaren die uit hoofde van dit besluit op het grondgebied van een gastlidstaat optreden, worden gelijkgesteld met de ambtenaren van die andere lidstaat wat betreft strafbare feiten die door of tegen hen worden gepleegd, tenzij in een andere voor de betrokken lidstaten bindende overeenkomst anders is overeengekomen.

Artikel 23

Dienstbetrekking

Op ambtenaren die uit hoofde van dit besluit op het grondgebied van een andere lidstaat optreden, blijven in arbeidsrechtelijk, en in het bijzonder in tuchtrechtelijk opzicht de in hun lidstaat geldende voorschriften van toepassing.

HOOFDSTUK 6

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 24

Definities en toepassingsgebied

1.   In dit besluit wordt verstaan onder:

a)

„verwerking van persoonsgegevens”: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedures, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken of wijzigen, selecteren, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens. Als verwerking in de zin van dit besluit geldt ook de mededeling of er al dan niet een hit gevonden is;

b)

„geautomatiseerde bevraging”: de directe toegang tot een geautomatiseerd bestand van een andere instantie, en wel op zodanige wijze dat de bevraging volledig geautomatiseerd wordt beantwoord;

c)

„kenmerken”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens, zonder dat daarmee het doel wordt nagestreefd om hun toekomstige verwerking te beperken;

d)

„afscherming”: het markeren van opgeslagen persoonsgegevens met het doel hun toekomstige verwerking te beperken.

2.   Voor gegevens die uit hoofde van dit besluit worden of zijn verstrekt gelden de volgende bepalingen, tenzij in de voorafgaande hoofdstukken anderszins is bepaald.

Artikel 25

Niveau van gegevensbescherming

1.   Elke lidstaat waarborgt met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die uit hoofde van dit besluit worden of zijn verstrekt, in het nationale recht een gegevensbeschermingsniveau dat ten minste overeenstemt met datgene dat voortvloeit uit het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het daarbij behorende Aanvullend Protocol van 8 november 2001, en houdt daarbij rekening met Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied van 17 september 1987, ook wanneer de gegevens niet geautomatiseerd worden verwerkt.

2.   Met de in dit besluit voorziene verstrekking van persoonsgegevens mag pas worden begonnen nadat op het grondgebied van de bij de verstrekking betrokken lidstaten de bepalingen van dit hoofdstuk in het nationale recht zijn verwerkt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen of aan deze voorwaarde is voldaan.

3.   Lid 2 is niet van toepassing op de lidstaten waar met de in dit besluit voorziene verstrekking van persoonsgegevens reeds is begonnen op grond van het Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie (Verdrag van Prüm).

Artikel 26

Doelbinding

1.   De ontvangende lidstaat mag de persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de doeleinden waarvoor deze op grond van dit besluit zijn verstrekt; verwerking voor andere doeleinden is alleen toegestaan na voorafgaande toestemming van de lidstaat die het dossier beheert en mag uitsluitend beheerd worden door het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De toestemming mag worden verleend voor zover op grond van het nationale recht van de lidstaat die het bestand beheert deze verwerking voor zulke andere doeleinden is toegestaan.

2.   De verwerking van de op grond van de artikelen 3, 4 en 9 verstrekte gegevens door de bevragende of vergelijkende lidstaat is uitsluitend toegestaan met het oog op:

a)

de vaststelling of de vergeleken DNA-profielen of dactyloscopische gegevens overeenstemmen;

b)

de voorbereiding en indiening van een politieel of justitieel verzoek om rechtshulp conform nationaal recht in geval van overeenstemming van deze gegevens;

c)

de protocollering als bedoeld in artikel 30.

De lidstaat die het dossier beheert mag de hem op grond van de artikelen 3, 4 en 9 verstrekte gegevens uitsluitend verwerken voor zover dit voor het uitvoeren van de vergelijking, het geautomatiseerde beantwoorden van de bevraging of het protocolleren als bedoeld in artikel 30 noodzakelijk is. Na afloop van de gegevensvergelijking of na de geautomatiseerde beantwoording van de bevraging worden de verstrekte gegevens onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is ten behoeve van de doelen genoemd in de eerste alinea, onder b) en c).

3.   Uit hoofde van artikel 12 verstrekte gegevens mogen door de lidstaat die het dossier beheert uitsluitend worden gebruikt voor zover dit voor het geautomatiseerd beantwoorden van de bevraging of het protocolleren als bedoeld in artikel 30 noodzakelijk is. Na de geautomatiseerde beantwoording van de bevraging worden de verstrekte gegevens onverwijld gewist, tenzij verdere verwerking noodzakelijk is voor het protocolleren op grond van artikel 30. De bevragende lidstaat mag de in het kader van de beantwoording verkregen gegevens uitsluitend gebruiken voor de procedure op grond waarvan de bevraging is geschied.

Artikel 27

Bevoegde autoriteiten

De verstrekte persoonsgegevens mogen uitsluitend door de autoriteiten, instanties en rechtbanken worden verwerkt die bevoegd zijn voor een taak in het kader van de in artikel 26 genoemde doeleinden. In het bijzonder vindt de doorzending van de verstrekte gegevens aan andere instanties alleen plaats na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat en met inachtneming van het recht van de ontvangende lidstaat.

Artikel 28

Juistheid, actualiteit en opslagduur van de gegevens

1.   De lidstaten staan borg voor de juistheid en de actualiteit van de persoonsgegevens. Als blijkt, ambtshalve of op basis van een mededeling van de betrokkene, dat onjuiste gegevens of gegevens die niet hadden mogen worden verstrekt, toch verstrekt zijn, dan wordt dit onverwijld aan de ontvangende lidstaat of lidstaten meegedeeld. De betrokken lidstaat is, c.q. de betrokken lidstaten zijn, verplicht de gegevens te corrigeren of te wissen. Voor het overige worden verstrekte persoonsgegevens gecorrigeerd als blijkt dat ze onjuist zijn. Als de ontvangende instantie reden heeft om aan te nemen dat de verstrekte gegevens onjuist zijn of gewist moeten worden, dan stelt zij de verstrekkende autoriteit daarvan onverwijld op de hoogte.

2.   Gegevens waarvan de betrokkene de juistheid aanvecht en waarvan de juistheid of onjuistheid niet kan worden vastgesteld, moeten met inachtneming van het nationale recht van de lidstaten op verzoek van de betrokkene worden gemarkeerd. Indien er een markering is aangebracht mag deze met inachtneming van het nationale recht van de lidstaten alleen met toestemming van de betrokkene of op basis van een besluit van de bevoegde rechtbank of de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instantie worden opgeheven.

3.   Verstrekte persoonsgegevens worden gewist als ze niet verstrekt of ontvangen hadden mogen worden. Rechtmatig verstrekte en ontvangen gegevens worden gewist:

a)

als ze voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, niet of niet meer noodzakelijk zijn; als persoonsgegevens ongevraagd zijn verstrekt, moet de ontvangende instantie onverwijld controleren of ze noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt;

b)

na afloop van een in het nationale recht van de verstrekkende lidstaat voorziene maximale termijn voor het bewaren van de gegevens, als de verstrekkende instantie de ontvangende instantie bij de verstrekking op die maximale termijn heeft gewezen.

Als er reden bestaat om aan te nemen dat door het wissen de belangen van de betrokkene worden geschaad, worden de gegevens afgeschermd in plaats van gewist, overeenkomstig het nationale recht. Afgeschermde gegevens mogen alleen worden verstrekt of gebruikt voor het doel dat ertoe heeft geleid dat ze niet zijn gewist.

Artikel 29

Technische en organisatorische maatregelen ter bescherming en beveiliging van gegevens

1.   De verstrekkende en de ontvangende instantie zijn verplicht om persoonsgegevens effectief te beschermen tegen toevallige of onbevoegde vernietiging, toevallig verlies, onbevoegde toegang, onbevoegde of toevallige verandering en onbevoegde bekendmaking.

2.   De bijzonderheden van de technische vormgeving van de geautomatiseerde bevragingsprocedure worden geregeld in uitvoeringsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 33, die waarborgen dat:

a)

aan de huidige stand van de techniek aangepaste maatregelen ter waarborging van de bescherming en de beveiliging van gegevens worden getroffen, die in het bijzonder de vertrouwelijkheid en de integriteit van de gegevens waarborgen;

b)

bij het gebruik van algemeen toegankelijke netwerken door de daarvoor bevoegde instanties erkende versleutelings- en autorisatieprocedures worden gebruikt, en

c)

dat de toelaatbaarheid van de bevragingen in overeenstemming met artikel 30, leden 2, 4 en 5, kan worden gecontroleerd.

Artikel 30

Vastleggen en protocolleren; bijzondere voorschriften met betrekking tot de geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde verstrekking

1.   Elke lidstaat waarborgt dat iedere niet-geautomatiseerde verstrekking en iedere niet-geautomatiseerde ontvangst van persoonsgegevens door de instantie die het bestand beheert en de bevragende instantie ter controle van de toelaatbaarheid van de verstrekking wordt vastgelegd. De vastlegging omvat de volgende gegevens:

a)

de aanleiding van de verstrekking;

b)

de verstrekte gegevens;

c)

de datum van de verstrekking, en

d)

de aanduiding of de code van de bevragende instantie en de instantie die het bestand beheert.

2.   Voor de geautomatiseerde bevraging van gegevens op grond van de artikelen 3, 9 en 12 of geautomatiseerde vergelijking uit hoofde van artikel 4 geldt het volgende:

a)

Geautomatiseerde bevraging of vergelijking mag alleen geschieden door speciaal daartoe gemachtigde ambtenaren van de nationale contactpunten. Op verzoek wordt de lijst van ambtenaren die zijn gemachtigd tot geautomatiseerde bevraging of vergelijking aan de in lid 5 bedoelde toezichthoudende autoriteiten en aan de andere lidstaten ter beschikking gesteld.

b)

Elke lidstaat waarborgt dat iedere verstrekking en iedere ontvangst van persoonsgegevens door de instantie die het dossier beheert en de bevragende instantie wordt geprotocolleerd, inclusief de kennisgeving ten aanzien van het al dan niet bestaan van een hit. De protocollering omvat de volgende informatie:

i)

de verstrekte gegevens;

ii)

de datum en het precieze tijdstip van de verstrekking, en

iii)

de aanduiding of de code van de bevragende instantie en de instantie die het bestand beheert.

De bevragende instantie protocolleert bovendien de aanleiding van de bevraging of verstrekking alsmede het kenmerk van de ambtenaar die de bevraging heeft uitgevoerd en de ambtenaar die opdracht tot bevraging of verstrekking heeft gegeven.

3.   De protocollerende instantie deelt op verzoek de geprotocolleerde gegevens onverwijld mee aan de voor de controle van de gegevensbescherming bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaat en dit uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het verzoek. Geprotocolleerde gegevens mogen uitsluitend worden gebruikt voor de volgende doeleinden:

a)

de controle van de gegevensbescherming;

b)

het waarborgen van de dataveiligheid.

4.   De geprotocolleerde gegevens worden door passende voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik en andere vormen van misbruik beschermd en twee jaar bewaard. Na afloop van de bewaringstermijn worden de geprotocolleerde gegevens onverwijld gewist.

5.   De juridische controle van de verstrekking of de ontvangst van persoonsgegevens is in handen van de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties of, in voorkomend geval, de justitiële autoriteiten van de respectieve lidstaten. Met inachtneming van het nationale recht kan eenieder deze instanties verzoeken om de rechtmatigheid van de verwerking van gegevens met betrekking tot zijn persoon te controleren. Deze instanties alsmede de voor de protocollering bevoegde instanties voeren ook, los van dergelijke verzoeken, bij wijze van steekproef controles uit ten aanzien van de rechtmatigheid van de verstrekkingen, en wel aan de hand van de betrokken bestanden.

De resultaten van deze controleactiviteit worden ter controle door de voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties gedurende 18 maanden bewaard. Na afloop van deze termijn worden ze onverwijld gewist. Elke voor de gegevensbescherming bevoegde instantie kan door de voor gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instantie van een andere lidstaat in overeenstemming met het nationale recht om de uitoefening van haar bevoegdheden worden verzocht. De voor de gegevensbescherming bevoegde onafhankelijke instanties van de lidstaten dragen zorg voor de ter vervulling van hun controletaken noodzakelijke wederzijdse samenwerking, in het bijzonder door het uitwisselen van relevante informatie.

Artikel 31

Recht van de betrokkene op informatie en schadevergoeding

1.   Aan de betrokkene dient met inachtneming van het nationale recht, na overlegging van bewijs van zijn identiteit, op verzoek van de op grond van het nationale recht bevoegde instantie, zonder onredelijke kosten, in algemeen begrijpelijke vorm en zonder onaanvaardbare vertraging informatie te worden verstrekt over de met betrekking tot zijn persoon verwerkte gegevens alsmede over de herkomst daarvan, de ontvanger of ontvangercategorieën, het beoogde doel van de verwerking en, wanneer zulks op grond van het nationale recht vereist is, de rechtsgrond voor de verwerking. Bovendien heeft de betrokkene recht op correctie van onjuiste gegevens en op het wissen van onrechtmatig verwerkte gegevens. De lidstaten dragen er bovendien zorg voor dat de betrokkene in geval van inbreuk op zijn rechten met betrekking tot gegevensbescherming een klacht kan indienen bij een onafhankelijke rechtbank of een tribunaal in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens of bij een onafhankelijke controle-instantie in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 (4) betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en dat hij aanspraak op schadevergoeding kan maken of om een andere vorm van genoegdoening kan verzoeken. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure ter verwezenlijking van deze rechten en de redenen voor het beperken van het recht op toegang worden beheerst door de desbetreffende nationale wettelijke voorschriften van de lidstaat waarin de betrokkene zijn rechten doet gelden.

2.   Als een instantie van een lidstaat persoonsgegevens heeft verstrekt uit hoofde van dit besluit, kan de ontvangende instantie van de andere lidstaat zich niet beroepen op de onjuistheid van de verstrekte gegevens om haar aansprakelijkheid jegens de benadeelde partij krachtens het nationale recht te ontlopen. Moet de ontvangende instantie schade vergoeden wegens het gebruik van onjuist doorgegeven gegevens, dan betaalt de verstrekkende instantie de ontvangende instantie het volledige bedrag aan schadevergoeding terug.

Artikel 32

Door de lidstaten gevraagde informatie

De ontvangende lidstaat informeert de verstrekkende lidstaat op verzoek over de verwerking van de verstrekte gegevens en het resultaat daarvan.

HOOFDSTUK 7

UITVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 33

Uitvoeringsmaatregelen

De Raad stelt, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement, de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering van dit besluit op het niveau van de Unie.

Artikel 34

Kosten

Elke lidstaat draagt de operationele kosten die door zijn instanties bij de toepassing van dit besluit zijn gemaakt. In bijzondere gevallen kunnen de betrokken lidstaten een afwijkende regeling overeenkomen.

Artikel 35

Verhouding tot andere instrumenten

1.   Voor de betrokken lidstaten zullen de desbetreffende bepalingen van dit besluit worden toegepast in de plaats van de overeenkomstige bepalingen in het Verdrag van Prüm. Elke andere bepaling van het Verdrag van Prüm blijft van toepassing tussen de verdragsluitende partijen.

2.   Onverminderd hun verbintenissen uit hoofde van andere wetgevingsbesluiten die ingevolge titel VI van het Verdrag zijn aangenomen:

a)

staat het de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen betreffende grensoverschrijdende samenwerking die van kracht zijn op het tijdstip van aanneming van dit besluit, te blijven toepassen, voor zover deze overeenkomsten of regelingen niet onverenigbaar zijn met de doelstellingen van dit besluit;

b)

staat het de lidstaten vrij om bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen betreffende grensoverschrijdende samenwerking aan te gaan of in werking te doen treden nadat dit besluit van kracht is geworden, voor zover deze overeenkomsten of regelingen de mogelijkheid bieden de doelstellingen van dit besluit tussen de lidstaten te verruimen of te verbreden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde overeenkomsten en regelingen laten de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet.

4.   Binnen vier weken na het van kracht worden van dit besluit stellen de lidstaten de Raad en de Commissie in kennis van de bestaande overeenkomsten of regelingen in de zin van lid 2, onder a), die zij willen blijven toepassen.

5.   De lidstaten stellen de Raad en de Commissie ook in kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling in de zin van lid 2, onder b), binnen drie maanden na de ondertekening daarvan, dan wel, voor de instrumenten die reeds vóór de aanneming van dit besluit waren ondertekend, binnen drie maanden na de inwerkingtreding daarvan.

6.   Dit besluit bevat geen bepalingen die afbreuk doen aan bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten en derde staten.

7.   Dit besluit laat bestaande overeenkomsten betreffende rechtsbijstand of wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen onverlet.

Artikel 36

Tenuitvoerlegging en verklaringen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnen een jaar na de inwerkingtreding aan dit besluit te voldoen, met uitzondering van de bepalingen van hoofdstuk 2, waarvoor de nodige maatregelen worden genomen binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en het besluit tot tenuitvoerlegging van dit besluit.

2.   De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie mee dat zij aan de hun krachtens dit besluit opgelegde verplichtingen hebben voldaan en overleggen de in dit besluit bedoelde verklaringen. Bij deze mededeling kan iedere lidstaat laten weten dat hij dit besluit onmiddellijk zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben gedaan.

3.   De conform lid 2 ingediende verklaringen kunnen te allen tijde worden gewijzigd door middel van een bij het secretariaat-generaal van de Raad ingediende verklaring. Het secretariaat-generaal van de Raad zendt de ontvangen verklaringen door aan de lidstaten en de Commissie.

4.   Op basis van deze en andere informatie die door de lidstaten op verzoek ter beschikking gesteld wordt, dient de Commissie uiterlijk op 28 juli 2012 bij de Raad een verslag in betreffende de tenuitvoerlegging van dit besluit, eventueel vergezeld van door haar passend geachte voorstellen voor vervolgstappen.

Artikel 37

Toepassing

Dit besluit treedt in werking twintig dagen volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

I. JARC


(1)  Advies van 10 juni 2007 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).

(2)  PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89.

(3)  PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.

(4)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).


Top