EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006L0116

Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (gecodificeerde versie)

PB L 372 van 27.12.2006, p. 12–18 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (BG, RO, HR)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 31/10/2011

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/116/oj

27.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 372/12


RICHTLIJN 2006/116/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2006

betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten

(gecodificeerde versie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, artikel 55 en artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (3) is ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst en het Internationale Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties leggen slechts minimumbeschermingstermijnen vast, zodat de staten die daarbij partij zijn langere beschermingstermijnen voor de bedoelde rechten kunnen invoeren. Bepaalde lidstaten hebben van deze vrijheid gebruik gemaakt. Bovendien zijn bepaalde lidstaten nog geen partij geworden bij het Verdrag van Rome.

(3)

Hierdoor zijn in de nationale wetgeving van de lidstaten betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van de naburige rechten verschillen ontstaan, die het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten in gevaar kunnen brengen en de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt kunnen vervalsen. Het is bijgevolg voor de totstandbrenging en de goede werking van de interne markt nodig de wetgeving van de lidstaten te harmoniseren en zo een gelijkschakeling van de beschermingstermijnen in de gehele Gemeenschap te verwezenlijken.

(4)

Niet uitsluitend de beschermingstermijn als zodanig moet worden vastgesteld, maar eveneens een aantal uitvoeringsvoorwaarden, zoals het tijdstip van waaraf de beschermingstermijn wordt berekend.

(5)

De bepalingen van deze richtlijn dienen de toepassing door de lidstaten van artikel 14 bis, lid 2, onder b), c) en d), en lid 3, van de Berner Conventie onverlet te laten.

(6)

De in de Berner Conventie vastgelegde minimumbeschermingstermijn van 50 jaar na de dood van de auteur beoogt een bescherming van de auteur en van zijn nakomelingen van de eerste en de tweede generatie. Door de verhoging van de gemiddelde levensduur in de Gemeenschap volstaat deze termijn niet langer om twee generaties te beschermen.

(7)

Bepaalde lidstaten hebben voorzien in een verlenging van de beschermingsduur tot meer dan 50 jaar na de dood van de auteur als compensatie voor de gevolgen van de wereldoorlogen voor de exploitatie van de werken.

(8)

Bepaalde lidstaten hebben met betrekking tot de bescherming van de naburige rechten gekozen voor een beschermingstermijn van 50 jaar na de geoorloofde publicatie of de geoorloofde mededeling aan het publiek.

(9)

De diplomatieke conferentie die in december 1996 is gehouden onder de auspiciën van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO), heeft geleid tot de aanneming van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen, dat betrekking heeft op de bescherming van auteurs en van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Dit verdrag zorgt voor een actualisering van de internationale bescherming van naburige rechten.

(10)

De eerbiediging van verworven rechten maakt deel uit van de algemene rechtsbeginselen die door de communautaire rechtsorde worden beschermd. De in de Gemeenschapswetgeving vastgestelde beschermingstermijnen van het auteursrecht en van de naburige rechten mogen bijgevolg geen afbreuk doen aan de bescherming die rechthebbenden in de Gemeenschap vóór de inwerkingtreding van Richtlijn 93/98/EEG genoten. Er moeten lange beschermingstermijnen worden vastgesteld teneinde de gevolgen van de overgangsmaatregelen tot een minimum te beperken en teneinde de goede werking van de interne markt te kunnen verwezenlijken.

(11)

Het auteursrecht en de naburige rechten vereisen een hoge graad van bescherming omdat deze rechten fundamenteel zijn voor een schepping van de geest. De bescherming van deze rechten garandeert het bewaren en de ontwikkeling van creativiteit in het belang van de auteurs, de culturele industrie, de consumenten en de samenleving in haar geheel.

(12)

Met het oog op de invoering van een hoog beschermingsniveau dat tegemoet komt aan de eisen van de interne markt zowel als aan de behoefte aan een juridisch kader dat de harmonieuze ontwikkeling van de creativiteit in de Gemeenschap bevordert, moet de beschermingstermijn voor het auteursrecht worden gebracht op 70 jaar na de dood van de auteur of op 70 jaar nadat het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, en voor de naburige rechten op 50 jaar na het feit dat de termijn doet ingaan.

(13)

Verzamelingen worden overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de Berner Conventie beschermd wanneer zij door de keuze en de rangschikking van de werken een schepping van de geest vormen. Deze werken worden als zodanig beschermd, onverminderd de rechten van de auteurs op elk werk dat van de verzameling deel uitmaakt. Daarom kunnen bijzondere beschermingstermijnen gelden voor werken uit verzamelingen.

(14)

In alle gevallen waarin een of meer natuurlijke personen als auteur bekend zijn, dient de beschermingstermijn vanaf hun overlijden te worden berekend. De vraag naar het auteurschap van een werk of een onderdeel ervan is een feitenkwestie die wellicht door de nationale gerechten moet worden beslecht.

(15)

Overeenkomstig de Berner Conventie en het Internationale Verdrag van Rome moeten beschermingstermijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

(16)

Voor de bescherming van foto's gelden in de lidstaten uiteenlopende regelingen. Een fotografisch werk in de zin van de Berner Conventie moet als oorspronkelijk worden beschouwd wanneer het gaat om een eigen schepping van de auteur die de uitdrukking vormt van diens persoonlijkheid, met uitsluiting van andere criteria zoals de verdienstelijkheid of de bedoeling ervan. De bescherming van andere foto's dient aan de nationale wetgever te worden overgelaten.

(17)

Het is, om verschillen in de beschermingstermijn van naburige rechten te voorkomen, noodzakelijk dat de beschermingstermijn in de gehele Gemeenschap op hetzelfde tijdstip ingaat. De uitvoering, vastlegging, uitzending, geoorloofde publicatie en geoorloofde mededeling aan het publiek, dat wil zeggen de middelen waarmee een voorwerp van een naburig recht op elke mogelijke wijze waarneembaar wordt gemaakt voor personen in het algemeen, dienen in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de beschermingstermijn, ongeacht het land waar deze uitvoering, vastlegging, uitzending, geoorloofde publicatie of geoorloofde mededeling aan het publiek plaatsvindt.

(18)

De rechten van omroeporganisaties in hun uitzendingen dienen niet eeuwigdurend te zijn, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen. Het is derhalve noodzakelijk de beschermingstermijn te laten ingaan met de eerste uitzending van een programma. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een nieuwe termijn ingaat met een uitzending die identiek is met een eerdere.

(19)

De lidstaten kunnen, met name ter bescherming van kritische en wetenschappelijke publicaties, vrij andere naburige rechten handhaven of invoeren. Het is ter wille van de transparantie op communautair niveau echter nodig dat lidstaten die nieuwe naburige rechten invoeren, de Commissie hiervan in kennis stellen.

(20)

In deze richtlijn dient duidelijk te worden gesteld dat zij niet van toepassing is op morele rechten.

(21)

Voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen ingezetene van de Gemeenschap is, moeten de beschermingstermijnen worden vergeleken, zonder dat de in de Gemeenschap verleende termijn de in deze richtlijn vastgelegde termijn mag overschrijden.

(22)

De in deze richtlijn vastgestelde beschermingstermijn van de naburige rechten moet eveneens gelden voor rechthebbenden die geen ingezetene van de Gemeenschap zijn maar die uit hoofde van internationale overeenkomsten bescherming genieten, zonder dat die termijn evenwel de termijn mag overschrijden die van kracht is in het land waarvan de rechthebbende onderdaan is.

(23)

De toepassing van de bepalingen inzake de vergelijking van de beschermingstermijnen mag niet tot gevolg hebben dat de lidstaten in strijd komen met hun internationale verplichtingen.

(24)

Het moet de lidstaten vrijstaan bepalingen aan te nemen inzake de uitlegging, aanpassing en verdere uitvoering van contracten betreffende de exploitatie van beschermde werken en andere voorwerpen, die vóór de verlenging van de beschermingsduur ingevolge deze richtlijn zijn gesloten.

(25)

De eerbiediging van verworven rechten en legitieme verwachtingen maakt deel uit van de communautaire rechtsorde. De lidstaten moeten met name kunnen bepalen dat de uit hoofde van deze richtlijn vernieuwde auteursrechten en naburige rechten onder bepaalde omstandigheden geen aanleiding hoeven te geven tot betalingen door personen die de werken te goeder trouw zijn gaan exploiteren op het tijdstip dat die werken gemeengoed waren.

(26)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Duur van de rechten van de auteur

1.   Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn dood, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.

2.   In geval van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.

3.   Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat of de auteur zijn identiteit tijdens de in de eerste zin aangegeven termijn openbaart, geldt de in lid 1 vastgestelde termijn.

4.   Indien een lidstaat voorziet in bijzondere bepalingen betreffende het auteursrecht op collectieve werken of bepaalt dat een rechtspersoon als rechthebbende aangewezen moet worden, wordt de beschermingstermijn overeenkomstig lid 3 berekend, tenzij de natuurlijke personen die het werk als zodanig hebben gecreëerd, als auteur worden geïdentificeerd in de versies van het werk die voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt. Dit lid laat onverlet de rechten van geïdentificeerde auteurs wier identificeerbare bijdragen in dat werk zijn opgenomen; lid 1 of lid 2 is op die bijdragen van toepassing.

5.   Voor werken die in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen gepubliceerd zijn en waarvoor de beschermingstermijn ingaat op het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel afzonderlijk.

6.   Voor werken waarvan de beschermingstermijn niet berekend is vanaf de dood van de auteur of auteurs en die niet binnen 70 jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming.

Artikel 2

Cinematografische of audiovisuele werken

1.   De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt als de auteur of een van de auteurs beschouwd. Het staat de lidstaten vrij andere personen als coauteur aan te wijzen.

2.   De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de auteur van de dialogen en de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.

Artikel 3

Duur van de naburige rechten

1.   De rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen 50 jaar na de datum van de uitvoering. Indien echter binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

2.   De rechten van producenten van fonogrammen vervallen 50 jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek.

Dit lid mag er niet toe leiden dat de rechten van de producenten van fonogrammen die op 22 december 2002 niet langer waren beschermd doordat de overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 93/98/EEG, in de versie vóór wijziging bij Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij verleende beschermingstermijn is verstreken, opnieuw worden beschermd.

3.   De rechten van producenten van de eerste vastlegging van een film vervallen 50 jaar na de vastlegging. Indien de film echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek. Onder „film” wordt verstaan een cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid.

4.   De rechten van omroeporganisaties vervallen 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

Artikel 4

Bescherming van niet eerder gepubliceerde werken

Hij die na het verstrijken van de auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek meedeelt, geniet een bescherming die gelijkwaardig is met de vermogensrechten van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten bedraagt 25 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is.

Artikel 5

Kritische en wetenschappelijke publicaties

De lidstaten kunnen kritische en wetenschappelijke publicaties van publiek domein geworden werken beschermen. De beschermingstermijn van die rechten bedraagt maximaal 30 jaar vanaf het tijdstip waarop de publicatie voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd is.

Artikel 6

Bescherming van foto's

Foto's die oorspronkelijk zijn in de zin dat zij een eigen schepping van de auteur zijn, worden overeenkomstig artikel 1 beschermd. Om te bepalen of de foto's voor bescherming in aanmerking komen, mogen geen andere criteria worden aangelegd. De lidstaten kunnen voorzien in de bescherming van andere foto's.

Artikel 7

Bescherming ten opzichte van derde landen

1.   Voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en de auteur van het werk geen onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap is, vervalt de door de lidstaten verleende bescherming op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt, zonder dat de in artikel 1 gestelde termijn mag worden overschreden.

2.   De in artikel 3 gestelde beschermingstermijnen gelden ook voor rechthebbenden die geen onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap zijn, mits hun door de lidstaten bescherming wordt verleend. Onverminderd de internationale verplichtingen van de lidstaten vervalt de door de lidstaten verleende bescherming evenwel uiterlijk bij het vervallen van de bescherming in het land waarvan de rechthebbende onderdaan is, zonder dat de in artikel 3 gestelde termijn mag worden overschreden.

3.   Lidstaten die op 29 oktober 1993 met name ingevolge hun internationale verplichtingen een langere beschermingstermijn hadden verleend dan zou voortvloeien uit de leden 1 en 2, mogen deze bescherming handhaven totdat internationale overeenkomsten over de beschermingstermijn van het auteursrecht of de naburige rechten worden gesloten.

Artikel 8

Berekening van termijnen

De in deze richtlijn gestelde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

Artikel 9

Morele rechten

Deze richtlijn laat de bepalingen van de lidstaten inzake de morele rechten onverlet.

Artikel 10

Toepassing in de tijd

1.   Een beschermingstermijn die op 1 juli 1995 in een lidstaat al was aangevangen en die langer is dan de overeenkomstige termijn die bij deze richtlijn wordt vastgesteld, kan in die lidstaat door deze richtlijn niet worden verkort.

2.   De beschermingstermijnen waarin deze richtlijn voorziet, gelden voor alle werken en voorwerpen die op de in lid 1 genoemde datum in ten minste één lidstaat beschermd werden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht of de naburige rechten, of die aan de beschermingscriteria van Richtlijn [92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom] (5) voldoen.

3.   Deze richtlijn laat alle vóór de in lid 1 genoemde datum verrichte exploitatiehandelingen onverlet. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om met name de verworven rechten van derden te beschermen.

4.   De lidstaten hoeven artikel 2, lid 1, niet toe te passen op cinematografische of audiovisuele werken die vóór 1 juli 1994 tot stand zijn gekomen.

Artikel 11

Kennisgeving en mededeling

1.   De Commissie wordt door de lidstaten in kennis gesteld van elk ontwerp waarbij nieuwe naburige rechten verleend worden, met inbegrip van hun voornaamste motieven hiervoor en van de voorgestelde beschermingstermijn.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 12

Intrekking

Richtlijn 93/98/EEG wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 12 December 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

M. PEKKARINEN


(1)  Advies van 26 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van het Europees Parlement van 12 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 november 2006.

(3)  PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).

(4)  Zie bijlage I, deel A.

(5)  PB L 346 van 27.11.1992, blz. 61. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/29/EG.


BIJLAGE I

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met de wijziging ervan

Richtlijn 93/98/EEG van de Raad

(PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9)

Uitsluitend artikel 11, lid 2

Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10)

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing

(bedoeld in artikel 12)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

93/98/EEG

1 juli 1995 (artikelen 1 tot en met 11)

19 november 1993 (artikel 12)

Uiterlijk 1 juli 1997 wat artikel 2, lid 1, betreft (artikel 10, lid 5)

2001/29/EG

22 december 2002

 


BIJLAGE II

Concordantietabel

Richtlijn 93/98/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikelen 1 tot en met 9

Artikel 10, leden 1 tot en met 4

Artikel 10, lid 5

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13, lid 1, eerste alinea

Artikel 13, lid 1, tweede alinea

Artikel 13, lid 1, derde alinea

Artikel 13, lid 2

Artikel 14

Artikelen 1 tot en met 9

Artikel 10, leden 1 tot en met 4

Artikel 12

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 13

Artikel 14

Bijlage I

Bijlage II


Top