Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999L0032

Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG

OJ L 121, 11.5.1999, p. 13–18 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 024 P. 17 - 22
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 026 P. 216 - 221
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 026 P. 216 - 221
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 064 P. 62 - 67

No longer in force, Date of end of validity: 09/06/2016; opgeheven door 32016L0802

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1999/32/oj

31999L0032

Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG

Publicatieblad Nr. L 121 van 11/05/1999 blz. 0013 - 0018


RICHTLIJN 1999/32/EG VAN DE RAAD

van 26 april 1999

betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag(3),

(1) Overwegende dat de doelstellingen en de beginselen van het milieubeleid van de Gemeenschap, zoals vervat in de op de beginselen van artikel 130 R van het Verdrag gebaseerde milieuactieprogramma's, met name het vijfde milieuactieprogramma(4), er voornamelijk op gericht zijn alle burgers doeltreffend te beschermen tegen de erkende risico's van zwaveldioxide-emissies en het milieu te beschermen door voorkoming van overschrijdingen van kritische zwavelbelastingen en -niveaus;

(2) Overwegende dat de bescherming van de volksgezondheid overeenkomstig artikel 129 van het Verdrag een integrerend bestanddeel van het Gemeenschapsbeleid op andere gebieden vormt; dat het optreden van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 3, onder o), van het Verdrag een bijdrage dient te omvatten tot de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid;

(3) Overwegende dat de uitstoot van zwaveldioxide aanmerkelijk bijdraagt tot het probleem van verzuring in de Europese Gemeenschap en dat zwaveldioxide ook een rechtstreekse uitwerking op de volksgezondheid en het milieu heeft;

(4) Overwegende dat verzuring en zwaveldioxide in de atmosfeer gevoelige ecosystemen beschadigen, de biodiversiteit doen afnemen, afbreuk doen aan de leefbaarheid van het milieu en een negatieve uitwerking hebben op de groei van gewassen en bossen; dat zure regen in de steden aanzienlijke schade aan gebouwen en aan het architectonische erfgoed kan toebrengen; dat zwaveldioxideverontreiniging ook een belangrijk effect op de volksgezondheid kan hebben, met name bij mensen die aan ademhalingsziekten lijden;

(5) Overwegende dat verzuring een grensoverschrijdend verschijnsel is waarvoor zowel communautaire als nationale of lokale maatregelen vereist zijn;

(6) Overwegende dat de uitstoot van zwaveldioxide tot de vorming van deeltjes in de atmosfeer bijdraagt;

(7) Overwegende dat de Gemeenschap en de afzonderlijke lidstaten verdragsluitende partijen zijn bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van de VN-ECE; dat het tweede protocol betreffende grensoverschrijdende verontreiniging door zwaveldioxide van de VN-ECE bepaalt dat de verdragsluitende partijen de emissie van zwaveldioxide met de in het eerste protocol vastgelegde 30 % of met nog meer moeten verminderen en dat het tweede protocol van de VN-ECE uitgaat van de veronderstelling dat de kritische milieubelastings- en emissieniveaus in sommige kwetsbare gebieden nog steeds zullen worden overschreden; dat er nog verdere maatregelen ter vermindering van de zwaveldioxide-emissies nodig zullen zijn om te voldoen aan de doelstellingen van het vijfde milieuactieprogramma; dat de verdragsluitende partijen derhalve de emissie van zwaveldioxide aanmerkelijk verder dienen te verminderen;

(8) Overwegende dat het reeds tientallen jaren bekend is dat de kleine hoeveelheden zwavel die van nature in aardolie en in kolen voorkomen de belangrijkste bron zijn van de uitstoot van zwaveldioxide, die een van de hoofdoorzaken van "zure regen" en een van de belangrijkste oorzaken van de luchtverontreiniging in veel stedelijke en industriële gebieden is;

(9) Overwegende dat de Commissie ter bestrijding van verzuring in de Gemeenschap onlangs een mededeling heeft gepubliceerd betreffende een kosteneffectieve strategie; dat de vermindering van de zwaveldioxide-uitstoot uit de verbranding van bepaalde vloeibare brandstoffen een integrerend onderdeel van deze kosteneffectieve strategie is; dat de Gemeenschap de noodzaak van maatregelen voor alle andere brandstoffen erkent;

(10) Overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat de voordelen van een vermindering van de zwavelemissie door verlaging van het zwavelgehalte van brandstoffen vaak aanzienlijk zwaarder zullen wegen dan de geraamde kosten voor de industrie en dat de technische middelen voor het verminderen van het zwavelgehalte van vloeibare brandstoffen bestaan en ruim beschikbaar zijn;

(11) Overwegende dat, in overeenstemming met het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 3 B van het Verdrag, de doelstelling van vermindering van de emissies van zwaveldioxide uit de verbranding van bepaalde soorten vloeibare brandstoffen door de lidstaten afzonderlijk niet doeltreffend kan worden verwezenlijkt; dat ongecoördineerde maatregelen niet kunnen waarborgen dat die doelstelling wordt verwezenlijkt, eventueel contraproductief kunnen zijn en in grote onzekerheid op de markt van de betrokken brandstoffen zullen resulteren; dat het derhalve, gezien de noodzaak de zwaveldioxide-emissies in de gehele Gemeenschap te verminderen, doeltreffender is maatregelen op het niveau van de Gemeenschap te nemen; dat deze richtlijn niet verder gaat dan hetgeen minimaal nodig is om de gewenste doelstelling te verwezenlijken;

(12) Overwegende dat de Commissie in Richtlijn 93/12/EEG van de Raad van 23 maart 1993 betreffende het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen(5) is verzocht bij de Raad een voorstel in te dienen met lagere grenswaarden voor het zwavelgehalte van gasolie en nieuwe grenswaarden voor vliegtuigkerosine en dat het wenselijk is daarbij grenswaarden vast te stellen voor het zwavelgehalte van andere vloeibare brandstoffen, met name zware stookolie, bunkerolie, gasolie voor de zeescheepvaart en gasolie, op basis van kosten/batenstudies;

(13) Overwegende dat deze richtlijn een lidstaat overeenkomstig artikel 130 T van het Verdrag niet belet verdergaande beschermingsmaatregelen te handhaven of te treffen; dat dergelijke maatregelen verenigbaar moeten zijn met het Verdrag en ter kennis van de Commissie dienen te worden gebracht;

(14) Overwegende dat een lidstaat, alvorens nieuwe, verdergaande beschermingsmaatregelen in te voeren, de Commissie in kennis moet stellen van de ontwerpmaatregelen overeenkomstig Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(6);

(15) Overwegende dat voor de grenswaarde van het zwavelgehalte van zware stookolie voorzien dient te worden in afwijkingen voor lidstaten of gebieden van lidstaten waar de toestand van het milieu dat toelaat;

(16) Overwegende dat voor de grenswaarde van het zwavelgehalte van zware stookolie tevens voorzien dient te worden in afwijkingen voor het gebruik daarvan in stookinstallaties die voldoen aan de emissiegrenswaarden van Richtlijn 88/609/EEG van de Raad van 24 november 1988 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties(7); dat het in het kader van de komende herziening van Richtlijn 88/609/EEG noodzakelijk kan zijn sommige bepalingen van de onderhavige richtlijn opnieuw te bezien en zo nodig te wijzigen;

(17) Overwegende dat de gemiddelde zwaveldioxide-emissie van de stookinstallaties van een raffinaderij die niet onder artikel 3, lid 3, onder i), punt c), vallen de in Richtlijn 88/609/EEG of toekomstige herzieningen van die richtlijn vastgestelde grenswaarden niet mag overschrijden; dat de lidstaten bij de toepassing van deze richtlijn in aanmerking dienen te nemen dat vervangende brandstoffen die niet in artikel 2 worden genoemd geen grotere emissie van verzuring veroorzakende verontreinigende stoffen teweeg mogen brengen;

(18) Overwegende dat bij Richtlijn 93/12/EEG reeds een grenswaarde van 0,2 % voor het zwavelgehalte van gasolie is vastgesteld; dat die grenswaarde per 1 januari 2008 in 0,1 % moet worden gewijzigd;

(19) Overwegende dat overeenkomstig de Akte van Toetreding van 1994 voor Oostenrijk en Finland gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum van toetreding wat betreft Richtlijn 93/12/EEG een afwijking voor het zwavelgehalte van gasolie geldt;

(20) Overwegende dat er technische en economische problemen verbonden kunnen zijn aan de grenswaarde van 0,2 % (vanaf 2000) en van 0,1 % (vanaf 2008) voor het zwavelgehalte van gasolie voor de zeescheepvaart in Griekenland op zijn hele grondgebied, Spanje wat de Canarische Eilanden betreft, Frankrijk wat de Franse overzeese departementen betreft, en Portugal wat de archipels van Madeira en de Azoren betreft; dat een ontheffing voor Griekenland, de Canarische Eilanden, de Franse overzeese departementen en de archipels van Madeira en de Azoren geen negatief effect mag hebben op de markt voor gasolie voor de zeescheepvaart en dat de uitvoer van gasolie voor de zeescheepvaart uit Griekenland, de Canarische Eilanden, de Franse overzeese departementen en de archipels van Madeira en de Azoren naar de andere lidstaten moet stroken met de geldende voorschriften in de lidstaat van invoer; dat derhalve een ontheffing van de grenswaarden van zwavel in gewichtprocent voor gasolie voor de zeescheepvaart moet worden verleend aan Griekenland, de Canarische Eilanden, de Franse overzeese departementen en de archipels van Madeira en de Azoren;

(21) Overwegende dat de zwavelemissie van de scheepvaart uit de verbranding van bunkerolie met een hoog zwavelgehalte bijdraagt tot de verontreiniging met zwaveldioxide en de verzuringsproblemen; dat de Gemeenschap bij de huidige en toekomstige onderhandelingen over het Marpol-verdrag in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) zal pleiten voor een doeltreffender bescherming van gebieden die gevoelig zijn voor SOx-emissies en een verlaging van de normale grenswaarde voor bunkerolie (die nu 4,5 % bedraagt); dat voortgegaan moet worden met de initiatieven van de Gemeenschap om de Noordzee en de Kanaalzone tot een bijzonder SOx-emissiebepalingsgebied uit te roepen;

(22) Overwegende dat er nader onderzoek moet worden verricht naar de effecten van de verzuring op ecosystemen en het menselijk lichaam; dat de Europese Gemeenschap dergelijk onderzoek met het vijfde kaderprogramma voor onderzoek(8) steunt;

(23) Overwegende dat de Commissie in het geval van verstoring van de voorziening met ruwe aardolie, olieproducten of andere koolwaterstoffen kan toestaan dat op het grondgebied van een lidstaat een hogere grenswaarde wordt gehanteerd;

(24) Overwegende dat de lidstaten geschikte regelingen voor toezicht op de naleving van de bepalingen van deze richtlijn dienen te treffen; dat aan de Commissie verslag dient te worden uitgebracht over het zwavelgehalte van vloeibare brandstoffen;

(25) Overwegende dat Richtlijn 93/12/EEG duidelijkheidshalve dient te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en werkingssfeer

1. Doel van deze richtlijn is de emissies van zwaveldioxide ten gevolge van de verbranding van bepaalde soorten vloeibare brandstoffen te verminderen en aldus de schadelijke effecten van dergelijke emissies op mens en milieu terug te dringen.

2. De emissies van zwaveldioxide bij de verbranding van bepaalde vloeibare uit aardolie verkregen brandstoffen worden verminderd door grenswaarden vast te stellen voor het zwavelgehalte van die brandstoffen als voorwaarde voor het gebruik ervan op het grondgebied van de lidstaten.

De bij deze richtlijn vastgestelde verlaging van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare, uit aardolie verkregen brandstoffen is evenwel niet van toepassing op:

a) - uit aardolie verkregen vloeibare brandstoffen die door zeeschepen worden gebruikt, met uitzondering van brandstoffen die onder de definitie van artikel 2, punt 3, vallen; en

- gasolie voor de zeescheepvaart die gebruikt wordt door schepen die een grens tussen een derde land en een lidstaat overschrijden;

b) brandstoffen die bestemd zijn om vóór hun definitieve verbranding nog een processtap te ondergaan;

c) brandstoffen die in de raffinage-industrie worden verwerkt.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. zware stookolie:

- een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder de GN-codes 2710 00 71 tot en met 2710 00 78 is begrepen,

of

- een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van gasolie zoals omschreven in de punten 2 en 3, die op grond van de distillatiegrenzen ervan behoort tot de categorie zware oliën welke zijn bestemd om als brandstof te worden gebruikt en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 65 volumeprocent overdistilleren bij 250 °C, gemeten met ASTM-methode D86. Wanneer de distillatie niet met behulp van ASTM-methode D86 kan worden bepaald, wordt het aardolieproduct eveneens als zware stookolie ingedeeld;

2. gasolie:

- een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-code 2710 00 67 of 2710 00 68 valt,

of

- een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die op grond van de distillatiegrenzen ervan behoort tot de middeldistillaten die zijn bestemd om als brandstof te worden gebruikt en die, distillatieverliezen inbegrepen, voor ten minste 85 volumeprocent overdistilleren bij 350 °C, gemeten met ASTM-methode D86.

Dieselbrandstoffen als omschreven in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG(9) zijn niet onder deze definitie begrepen. Brandstoffen die worden gebruikt in niet voor de weg bestemde mobiele machines en landbouwtrekkers vallen eveneens buiten deze definitie;

3. gasolie voor de zeescheepvaart: brandstoffen die bestemd zijn voor de zeescheepvaart en beantwoorden aan de definitie van punt 2, of een viscositeit of dichtheid hebben die binnen de viscositeit- of dichtheidsgrenzen ligt welke in tabel 1 van ISO 8217 (1996) voor mariene distillaten zijn bepaald;

4. ASTM-methode: de methode van de "American Society for Testing and Materials", zoals omschreven in de uitgave van 1976 van de standaarddefinities en specificaties voor olieproducten en smeermiddelen;

5. stookinstallatie: een technische inrichting waarin brandstoffen geoxideerd worden met het oog op gebruik van de opgewekte warmte;

6. kritische belasting: een kwantitatieve schatting van de grens voor de blootstelling aan een of meer verontreinigende stoffen waar beneden volgens de huidige stand van de kennis geen significante schadelijke effecten op gevoelige delen van het milieu optreden.

Artikel 3

Maximumzwavelgehalte van zware stookolie

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat met ingang van 1 januari 2003 op hun grondgebied geen zware stookolie wordt gebruikt met een zwavelgehalte van meer dan 1,00 massaprocent.

2. Op voorwaarde dat voldaan is aan de luchtkwaliteitsnormen voor zwaveldioxide zoals vastgesteld in Richtlijn 80/779/EEG van de Raad(10) of in een Gemeenschapsbesluit waarbij deze normen worden ingetrokken en vervangen, alsmede in andere desbetreffende Gemeenschapsvoorschriften, en de emissies niet bijdragen tot overschrijding van de desbetreffende kritische belasting in een andere lidstaat, mag een lidstaat op zijn gehele grondgebied of een deel daarvan het gebruik van zware stookolie met een zwavelgehalte tussen 1,00 en 3,00 massaprocent toestaan. Die toestemming geldt slechts zolang de emissies van een lidstaat niet bijdragen tot overschrijding van kritische belastingswaarden in een andere lidstaat.

3. i) Behoudens passende emissiecontroles door de bevoegde instanties zijn de leden 1 en 2 niet van toepassing op zware stookolie die wordt gebruikt

a) in stookinstallaties die onder Richtlijn 88/609/EEG vallen en overeenkomstig de definitie van artikel 2, punt 9, van die richtlijn worden beschouwd als nieuwe installaties en voldoen aan de grenswaarden voor zwaveldioxide-emissies voor dergelijke installaties, zoals bepaald in artikel 4 en in bijlage IV van die richtlijn,

b) in andere stookinstallaties die niet onder punt a) vallen, indien de zwaveldioxide-emissies van de installatie ten hoogste 1700 mg/Nm3 bedragen bij een rookgaszuurstofgehalte van 3 volumeprocent op droge basis,

c) voor verbranding in raffinaderijen, indien de gemiddelde maandelijkse zwaveldioxide-emissie van alle installaties in de raffinaderij (behalve stookinstallaties die onder punt a) vallen), ongeacht de gebruikte brandstofsoort of brandstofcombinatie, beneden een door iedere lidstaat vast te stellen grens van ten hoogste 1700 mg/Nm3 ligt.

ii) De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat stookinstallaties die zware stookolie met een hoger dan het in lid 1 genoemde zwavelgehalte gebruiken, niet worden geëxploiteerd zonder een door een bevoegde instantie afgegeven vergunning waarin de emissiegrenswaarden zijn aangegeven.

4. De bepalingen van lid 3 worden opnieuw bezien en zo nodig herzien in het kader van toekomstige herzieningen van Richtlijn 88/609/EEG.

5. Wanneer een lidstaat gebruik maakt van de in lid 2 bedoelde mogelijkheid, stelt hij de Commissie en het publiek daarvan ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis. Aan de Commissie wordt voldoende informatie verschaft zodat zij kan nagaan of aan de in lid 2 bedoelde criteria is voldaan. De Commissie licht de overige lidstaten in.

Binnen zes maanden na de datum waarop zij de informatie van de lidstaat heeft ontvangen, onderzoekt de Commissie de voorgenomen maatregelen en neemt zij overeenkomstig de procedure van artikel 9 een besluit, dat zij aan de lidstaten meedeelt. Dit besluit wordt om de acht jaar opnieuw bezien op basis van informatie die de betrokken lidstaten overeenkomstig de procedure van artikel 9 aan de Commissie moeten verstrekken.

Artikel 4

Maximumzwavelgehalte van gasolie

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op hun grondgebied geen gasolie, met inbegrip van gasolie voor de zeescheepvaart, wordt gebruikt, met ingang van

- 1 juli 2000 als het zwavelgehalte meer dan 0,20 massaprocent bedraagt;

- 1 januari 2008 als het zwavelgehalte meer dan 0,10 massaprocent bedraagt.

2. In afwijking van lid 1 mag Spanje voor de Canarische Eilanden, Frankrijk voor de Franse overzeese departementen, Griekenland voor zijn gehele grondgebied of een gedeelte daarvan, en Portugal voor de archipels van Madeira en de Azoren het gebruik van gasolie voor de zeescheepvaart met een zwavelgehalte van meer dan de in lid 1 aangegeven grenswaarden toestaan.

3. Op voorwaarde dat voldaan is aan de luchtkwaliteitsnormen voor zwaveldioxide als vastgesteld in Richtlijn 80/779/EEG of in een Gemeenschapsbesluit waarbij deze normen worden ingetrokken en vervangen, alsmede in andere desbetreffende Gemeenschapsvoorschriften, en de emissies niet bijdragen tot overschrijding van de kritische belastingswaarden in een andere lidstaat, mag een lidstaat op zijn gehele grondgebied of een deel daarvan het gebruik van gasolie met een zwavelgehalte tussen 0,10 en 0,20 massaprocent toestaan. Die toestemming geldt slechts zolang de emissies van een lidstaat niet bijdragen tot overschrijding van kritische belastingswaarden in een andere lidstaat en vervalt uiterlijk op 1 januari 2013.

4. Wanneer een lidstaat gebruik maakt van de in lid 3 genoemde mogelijkheid, stelt hij de Commissie en het publiek daarvan ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis. Aan de Commissie wordt voldoende informatie verschaft zodat zij kan nagaan of aan de in lid 3 bedoelde criteria is voldaan. De Commissie licht de overige lidstaten in.

Binnen zes maanden na de datum waarop zij de informatie van de lidstaat heeft ontvangen, onderzoekt de Commissie de voorgenomen maatregelen en neemt zij, overeenkomstig de procedure van artikel 9, een besluit dat zij aan de lidstaten meedeelt.

Artikel 5

Verandering in de brandstofvoorziening

Indien het door een plotselinge verandering in de voorziening met ruwe aardolie, olieproducten of andere koolwaterstoffen voor een lidstaat moeilijk wordt om aan de grenswaarden voor het zwavelgehalte overeenkomstig de artikelen 3 en 4 te voldoen, stelt die lidstaat de Commissie daarvan in kennis. De Commissie mag gedurende een periode van ten hoogste zes maanden op het grondgebied van de betrokken lidstaat een hogere grenswaarde toestaan en stelt de Raad en de lidstaten van haar besluit in kennis. Iedere lidstaat kan binnen één maand het besluit van de Commissie aan de Raad voorleggen. De Raad kan binnen twee maanden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 6

Monsterneming en analyse

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om door middel van monsterneming te controleren of het zwavelgehalte van brandstoffen voldoet aan de voorschriften van de artikelen 3 en 4. Met het nemen van monsters wordt aangevangen binnen zes maanden na de datum waarop de toepasselijke grenswaarde voor het zwavelgehalte van de brandstof van kracht wordt. Er worden voldoende vaak monsters genomen en wel zo dat zij representatief zijn voor de gecontroleerde brandstof.

2. De referentiemethode voor de bepaling van het zwavelgehalte is:

a) ISO-methode 8754 (1992) en PrEN ISO 14596 voor zware stookolie en gasolie voor de zeescheepvaart;

b) EN-methode 24260 (1987), ISO 8754 (1992) en PrEN ISO 14596 voor gasolie.

De arbitragemethode is PrEN ISO 14596. De statistische interpretatie van de resultaten van de controles op het zwavelgehalte van gasolie geschiedt overeenkomstig ISO-norm 4259 (1992).

Artikel 7

Rapportage en herziening

1. Op basis van de overeenkomstig artikel 6 verrichte monsterneming en analyse dienen de lidstaten jaarlijks vóór 30 juni bij de Commissie een kort verslag in over het zwavelgehalte van de onder deze richtlijn vallende vloeibare brandstoffen die gedurende het voorgaande kalenderjaar op hun grondgebied zijn gebruikt. Dat verslag bevat een overzicht van de ingevolge artikel 3, lid 3, toegestane uitzonderingen.

2. Op basis van onder meer het overeenkomstig lid 1 jaarlijks in te dienen verslag en de waargenomen ontwikkelingen in de luchtkwaliteit en de verzuring, dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2006 bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in. De Commissie kan dat rapport aanvullen met voorstellen tot herziening van deze richtlijn en met name de voor elke brandstofcategorie vastgestelde grenswaarden en de krachtens artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4, leden 2 en 3, toegestane uitzonderingen en ontheffingen.

3. De Commissie gaat na welke maatregelen genomen kunnen worden voor het verminderen van de bijdrage van de verbranding van andere dan de in artikel 2, punt 3, genoemde mariene brandstoffen tot de verzuring en dient zo nodig voor eind 2000 een voorstel in.

Artikel 8

Wijzigingen van Richtlijn 93/12/EEG

1. Richtlijn 93/12/EEG wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 1 worden lid 1, onderdeel a), en lid 2 geschrapt;

b) in artikel 2 wordt de eerste alinea van de leden 2 en 3 geschrapt;

c) de artikelen 3 en 4 worden geschrapt.

2. Lid 1 is van toepassing met ingang van 1 juli 2000.

Artikel 9

Raadgevend Comité

De Commissie wordt bijgestaan door een comité van raadgevende aard bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 10

Omzetting

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 juli 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 11

Sancties

De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken op de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 13

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 1999.

Voor de Raad

De voorzitter

J. FISCHER

(1) PB C 190 van 21.6.1997, blz. 9, en

PB C 259 van 18.8.1998, blz. 5.

(2) PB C 355 van 21.11.1997, blz. 1.

(3) Advies van het Europees Parlement van 13 mei 1998 (PB C 167 van 1.6.1998, blz. 111), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 6 oktober 1998 (PB C 364 van 25.11.1998, blz. 20) en besluit van het Europees Parlement van 9 februari 1999 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB C 138 van 17.5.1993, blz. 5.

(5) PB L 74 van 27.3.1993, blz. 81.

(6) PB L 109 van 26.4.1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 96/139/EG van de Commissie (PB L 32 van 10.2.1996, blz. 31).

(7) PB L 336 van 7.12.1988, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/66/EG (PB L 337 van 24.12.1994, blz. 83).

(8) PB L 26 van 1.2.1999, blz. 1.

(9) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.

(10) PB L 229 van 30.8.1980, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48).

Top