EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31991R3925

Verordening (EEG) nr. 3925/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de afschaffing van de controles en de formaliteiten die van toepassing zijn op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautair zeereizen

OJ L 374, 31.12.1991, p. 4–6 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 07 Volume 004 P. 64 - 66
Special edition in Swedish: Chapter 07 Volume 004 P. 64 - 66
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 004 P. 254 - 256
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 005 P. 5 - 7
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 005 P. 5 - 7

No longer in force, Date of end of validity: 30/04/2016; opgeheven door 32008R0450 zie 32013R0952 . Latest consolidated version: 20/11/2003

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1991/3925/oj

31991R3925

Verordening (EEG) nr. 3925/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de afschaffing van de controles en de formaliteiten die van toepassing zijn op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautair zeereizen

Publicatieblad Nr. L 374 van 31/12/1991 blz. 0004 - 0006
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 4 blz. 0064
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 4 blz. 0064


VERORDENING (EEG) Nr. 3925/91 VAN DE RAAD

van 19 december 1991

betreffende de afschaffing van de controles en de formaliteiten die van toepassing zijn op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat in artikel 8 A van het Verdrag is bepaald dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin met name het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd; dat de luchthavens en de zeehavens hierin een bijzondere plaats bekleden omdat zij tegelijk zowel buitengrens als binnengrens kunnen zijn; dat de toepassing van het beginsel van het vrije verkeer niettemin dient te leiden tot de afschaffing van de controles op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen;

Overwegende dat een vliegreis echter een aantal opeenvolgende vluchten kan omvatten die ten dele in de Gemeenschap en ten dele buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd; dat bij de behandeling van bepaalde vluchten rekening dient te worden gehouden met de praktische organisatie van de controles en met de internationale concurrentie; dat deze bijzondere gevallen onder specifieke bepalingen moeten vallen;

Overwegende dat het zeevervoer diverse soorten reizen kan omvatten; dat bepaalde bijzondere gevallen van zeevervoer onder specifieke bepalingen moeten vallen;

Overwegende dat genoemde specifieke bepalingen de veiligheidscontroles onverlet dienen te laten;

Overwegende dat de Lid-Staten evenwel met het Gemeenschapsrecht verenigbare specifieke maatregelen moeten kunnen treffen, ten einde controles van uitzonderlijke aard te verrichten, met name om criminele activiteiten te verhinderen, in het bijzonder de activiteiten met betrekking tot terrorisme, drugs en de handel in kunstwerken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Onverminderd de artikelen 3 tot en met 5 is er geen enkele controle of formaliteit van toepassing:

- op de handbagage en op de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten;

- op de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen.

2. Deze verordening is van toepassing onverminderd:

- de veiligheidscontroles die door de autoriteiten van de Lid-Staten, het verantwoordelijke haven- of luchthavenpersoneel of de lucht- of scheepvaartmaatschappijen op de bagage worden verricht;

- de controles in verband met door de Lid-Staten uitgevaardigde verboden of beperkingen, voor zover deze verenigbaar zijn met de drie Verdragen houdende oprichting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. "communautaire luchthaven": elke op het douanegebied van de Gemeenschap gelegen luchthaven;

2.

"communautaire luchthaven met een internationaal karakter": elke communautaire luchthaven waar, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, het luchtvaartverkeer met derde landen afgewikkeld mag worden;

3.

"intracommunautaire vlucht": de verplaatsing van een luchtvaartuig tussen twee communautaire luchthavens, zonder tussenstop tussen deze beide luchthavens, voor zover deze verplaatsing noch begonnen is, noch eindigt op een niet-communautaire luchthaven;

4.

"communautaire haven": iedere op het douanegrondgebied van de Gemeenschap gelegen zeehaven;

5.

"intracommunautaire zeereis": de verplaatsing tussen twee communautaire havens, zonder tussenstop tussen deze havens, van een vaartuig dat geregelde diensten tussen twee of meer bepaalde communautaire havens onderhoudt;

6.

"pleziervaartuigen": particuliere vaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld;

7.

"sport- of zakenvliegtuigen": particuliere luchtvaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld.

Artikel 3

De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op:

1. de handbagage en de ruimbagage van de personen aan boord van een luchtvaartuig dat, van een niet-communautaire luchthaven komend, na een tussenstop in een communautaire luchthaven, deze vlucht moet voortzetten naar een andere communautaire luchthaven, vinden plaats op laatstgenoemde luchthaven, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

2.

de handbagage en de ruimbagage van personen aan boord van een luchtvaartuig dat een tussenstop maakt in een communautaire luchthaven alvorens zijn vlucht naar een niet-communautaire luchthaven voort te zetten, vinden plaats op de luchthaven van vertrek, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

3.

de bagage van personen die gebruik maken van een door één enkel vaartuig uitgevoerde scheepvaartdienst die een aantal opeenvolgende trajecten omvat en die is begonnen of eindigt of die een tussenstop maakt in een niet-communautaire haven, vinden plaats in de haven waar deze bagage, naar gelang van het geval, wordt in- of uitgeladen.

Artikel 4

De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op:

1. de bagage van personen die gebruik maken van pleziervaartuigen, vinden plaats in een communautaire haven, ongeacht de plaats van herkomst of van bestemming van deze vaartuigen;

2.

de bagage van personen die gebruik maken van sport- of zakenvliegtuigen, vinden plaats:

- op de eerste luchthaven van aankomst, die een communautaire luchthaven met een internationaal karakter moet zijn, voor wat betreft de vluchten vanaf een niet-communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een andere communautaire luchthaven;

- op de laatste communautaire luchthaven met een internationaal karakter, voor wat betreft de vluchten vanaf een communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een niet-communautaire luchthaven.

Artikel 5

Onverminderd de volgens de procedure van artikel 8 vast te stellen uitzonderlijke gevallen vinden de controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op:

1. de ruimbagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een luchtvaartuig dat van een niet-communautaire luchthaven afkomstig is, en op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een ander luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, plaats op de luchthaven van aankomst van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

2.

de ruimbagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een niet-communautaire luchthaven als bestemming heeft, plaats op de luchthaven van vertrek van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

3.

de bagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een uit een niet-communautaire luchthaven afkomstig lijn- of chartertoestel en die op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een sport- of zakenluchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, plaats op de luchthaven van aankomst van het lijn- of chartertoestel;

4.

de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een sport- of zakenvliegtuig, dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een lijn- of chartertoestel met als bestemming een niet-communautaire luchthaven, plaats op de luchthaven van vertrek van het lijn- of chartertoestel.

Artikel 6

1. Er wordt een Comité inzake bagagevervoer van reizigers in het lucht- en zeevervoer ingesteld, hierna "Comité" genoemd, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 7

Het Comité is bevoegd ter zake van het onderzoek van elke kwestie met betrekking tot de toepassing van de onderhavige verordening, die op initiatief van de voorzitter, dan wel op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, door de voorzitter aan de orde wordt gesteld.

Artikel 8

1. De bepalingen die nodig zijn voor de toepassing van deze verordening, worden vastgesteld volgens de procedure van de leden 2 en 3.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp. Het Comité spreekt zich uit met de in artikel 148, lid 2, van het Verdrag bedoelde meerderheid.

3. a) De Commissie stelt de beoogde bepalingen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b)

Wanneer de beoogde bepalingen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de vast te stellen bepalingen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

c)

Indien na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen bepalingen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde bepalingen vast.

Artikel 9

1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1993.

2. Vóór 1 oktober 1992 wordt deze verordening door de Raad opnieuw bezien aan de hand van een verslag van de Commissie over de stand van de harmonisatiewerkzaamheden ten aanzien van de bepalingen inzake de totstandbrenging van de interne markt, die met het oog op de juiste toepassing van deze verordening noodzakelijk zijn, in het bijzonder ten aanzien van de bepalingen betreffende de afschaffing van de beperking van de fiscale vrijstellingen voor reizigers in het intracommunautaire verkeer. Het verslag gaat eventueel vergezeld van voorstellen waarover de Raad zich met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uitspreekt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 19 december 1991.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. DANKERT

(1) PB nr. C 212 van 25. 8. 1990, blz. 8.

(2) PB nr. C 106 van 22. 4. 1991, blz. 80, en PB nr. C 326 van 16. 12. 1991.

(3) PB nr. C 60 van 8. 3. 1991, blz. 12.

Top