EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02014R0652-20191214

Consolidated text: Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/652/2019-12-14

02014R0652 — NL — 14.12.2019 — 006.002


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) Nr. 652/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad

(PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2016/1012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 8 juni 2016

  L 171

66

29.6.2016

►M2

VERORDENING (EU) 2016/2031 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 oktober 2016

  L 317

4

23.11.2016

►M3

VERORDENING (EU) 2017/67 VAN DE COMMISSIE van 4 november 2016

  L 9

2

13.1.2017

►M4

VERORDENING (EU) 2017/625 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart 2017

  L 95

1

7.4.2017

►M5

VERORDENING (EU) 2017/2393 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 december 2017

  L 350

15

29.12.2017


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 328, 12.12.2015, blz.  126 (nr. 652/2014)

►C2

Rectificatie, PB L 137, 24.5.2017, blz.  40 (2017/625)

►C3

Rectificatie, PB L 035, 7.2.2020, blz.  51 (2016/2031)




▼B

VERORDENING (EU) Nr. 652/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad



TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN



HOOFDSTUK I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening stelt bepalingen vast betreffende het beheer van de uitgaven uit de algemene begroting van de Europese Unie op de gebieden die vallen onder de regelgeving van de Unie:

a) 

betreffende levensmiddelen en voedselveiligheid, in elk stadium van de productie, verwerking, distributie en verwijdering van levensmiddelen, met inbegrip van de voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren, alsook betreffende de vervaardiging en het gebruik van materialen en voorwerpen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen;

b) 

betreffende diervoeders en de veiligheid van diervoeders, in elk stadium van de productie, verwerking, distributie, verwijdering en gebruik van diervoeders, met inbegrip van de voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren;

c) 

tot vaststelling van diergezondheidsvoorschriften;

d) 

tot vaststelling van dierenwelzijnsvoorschriften;

▼M2

e) 

betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten;

▼B

f) 

betreffende de productie, met het oog op het in de handel brengen, en het in de handel brengen van teeltmateriaal;

g) 

tot vaststelling van voorschriften voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen en het duurzaam gebruik van pesticiden;

h) 

gericht op het voorkomen en tot een minimum beperken van de risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren als gevolg van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten;

i) 

betreffende de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu;

j) 

betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten in verband met plantenrassen en het behoud en de uitwisseling van plantaardige genetische hulpbronnen.

Artikel 2

Doelstellingen

1.  De in artikel 1 bedoelde uitgaven zijn gericht op de verwezenlijking van:

a) 

de algemene doelstelling om in de hele voedselketen, alsook op aanverwante gebieden bij te dragen tot een hoog niveau van gezondheid voor mensen, dieren en planten, door ziekten en plaagorganismen te voorkomen en te bestrijden en door een hoog niveau van bescherming voor consumenten en van het milieu te waarborgen, terwijl tegelijkertijd het concurrentievermogen van de levensmiddelen- en diervoederindustrie van de Unie wordt versterkt en het scheppen van banen wordt bevorderd;

b) 

de volgende specifieke doelstellingen:

i) 

bijdragen tot een hoog niveau van veiligheid van levensmiddelen en voedselproductiesystemen, alsook van andere producten die van invloed kunnen zijn op de voedselveiligheid, terwijl tegelijkertijd de duurzaamheid van de voedselproductie wordt vergroot;

ii) 

bijdragen tot het realiseren van meer diergezondheid in de Unie en de verbetering van het dierenwelzijn ondersteunen;

iii) 

bijdragen tot de tijdige opsporing van plaagorganismen en hun uitroeiing in geval van insleep in de Unie;

iv) 

bijdragen tot een verbetering van de doeltreffendheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van officiële controles en andere activiteiten die worden uitgevoerd met het oog op de doeltreffende uitvoering en naleving van de in artikel 1 bedoelde regelgeving van de Unie.

2.  De verwezenlijking van de in lid 1, onder b), vermelde specifieke doelstellingen wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren:

a) 

voor de in lid 1, onder b), i), vermelde specifieke doelstelling: een afname van het aantal aan voedselveiligheid of zoönosen gerelateerde ziektegevallen bij mensen in de Unie;

b) 

voor de in lid 1, onder b), ii), vermelde specifieke doelstelling:

i) 

een toename van het aantal lidstaten of regio’s van lidstaten die vrij zijn van dierziekten in verband waarmee een financiële bijdrage wordt verleend;

ii) 

een algemene afname van ziekteparameters als incidentie, prevalentie en aantal uitbraken;

c) 

voor de in lid 1, onder b), iii), vermelde specifieke doelstelling:

i) 

de dekking van het grondgebied van de Unie met onderzoeken naar plaagorganismen, in het bijzonder plaagorganismen die voor zover bekend niet op het grondgebied van de Unie voorkomen en plaagorganismen die voor het grondgebied van de Unie het gevaarlijkst worden geacht;

ii) 

de tijd en het slagingspercentage voor de uitroeiing van die plaagorganismen;

d) 

voor de in lid 1, onder b), iv), vermelde specifieke doelstelling: een gunstige tendens in de resultaten van controles voor bijzondere gebieden van zorg, door deskundigen van de Commissie in de lidstaten uitgevoerd en gerapporteerd.



HOOFDSTUK II

Vormen van financiering en algemene financiële bepalingen

Artikel 3

Vormen van financiering

1.  De financiering van de Unie voor de in artikel 1 bedoelde uitgaven wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

2.  Wanneer subsidies worden toegekend aan de bevoegde instanties van de lidstaten, worden die instanties beschouwd als kenbaar gemaakte begunstigden in de zin van artikel 128, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. Dergelijke subsidies mogen worden verleend zonder oproep tot het indienen van voorstellen.

3.  De financiële bijdrage van de Unie voor de in deze verordening bedoelde maatregelen kan ook worden verleend in de vorm van vrijwillige betalingen aan internationale organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die onder de in artikel 1 bedoelde regelgeving vallen en waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waaraan de Unie deelneemt.

Artikel 4

Begroting

1.  Het plafond voor de uitgaven bedoeld in artikel 1 voor de periode van 2014 tot en met 2020 bedraagt 1 891 936 000  EUR in lopende prijzen.

2.  Het in artikel 1 bedoelde plafond kan ook uitgaven dekken die betrekking hebben op activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, die nodig zijn voor het beheer van de in artikel 1 bedoelde uitgaven en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, in het bijzonder betreffende studies en vergaderingen van deskundigen, de uitgaven voor IT-netwerken waarbij de nadruk ligt op informatieverwerking en -uitwisseling, en alle andere kosten voor technische en administratieve bijstand die de Commissie voor het beheer van die uitgaven maakt.

3.  Het plafond kan ook de kosten voor technische en administratieve bijstand dekken die gemaakt moeten worden met het oog op de overgang van acties die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld naar acties die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld. Indien nodig kunnen in de begroting voor de jaren na 2020 kredieten worden opgenomen om vergelijkbare uitgaven te dekken, zodat maatregelen die per 31 december 2020 nog niet zijn voltooid verder kunnen worden beheerd.

▼M5

4.  Bij de goedkeuring van meerjarige acties kunnen de vastleggingen in de begroting in jaartranches worden verdeeld. Wanneer vastleggingen in de begroting op die manier worden verdeeld, legt de Commissie de jaartranches vast, rekening houdend met de voortgang van de acties, de geraamde behoeften en de beschikbare middelen.

▼B

Artikel 5

Maximumpercentages van subsidies

1.  Wanneer de financiële bijdrage van de Unie de vorm van een subsidie aanneemt, bedraagt deze niet meer dan 50 % van de subsidiabele kosten.

2.  Het in lid 1 bedoelde maximumpercentage kan tot 75 % van de subsidiabele kosten worden verhoogd ten aanzien van:

a) 

grensoverschrijdende activiteiten die door twee of meer lidstaten gezamenlijk ten uitvoer worden gelegd met het oog op de bestrijding, voorkoming of uitroeiing van plaagorganismen of dierziekten;

b) 

lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen per inwoner volgens de meest recente gegevens van Eurostat lager is dan 90 % van het gemiddelde van de Unie;

▼M2

c) 

de programma's ter bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie als bedoeld in artikel 25.

▼B

3.  Het in lid 1 bedoeld maximumpercentage kan tot 100 % van de subsidiabele kosten worden verhoogd wanneer de activiteiten waarvoor de bijdrage van de Unie wordt verleend betrekking hebben op de preventie en bestrijding van ernstige risico’s voor de gezondheid van mensen, dieren en planten in de Unie, en:

a) 

bedoeld zijn om menselijke slachtoffers of grote economische ontwrichtingen voor de Unie als geheel te voorkomen;

b) 

specifieke taken zijn die onontbeerlijk voor de Unie als geheel zijn, zoals door de Commissie is aangegeven in het overeenkomstig artikel 36, lid 1, vastgestelde werkprogramma, of

c) 

in derde landen ten uitvoer worden gelegd.



TITEL II

FINANCIËLE BEPALINGEN



HOOFDSTUK I

Gezondheid van dieren



Afdeling 1

Noodmaatregelen

Artikel 6

Subsidiabele maatregelen

1.  Ingevolge de bevestiging dat een van de ingevolge artikel 7 in een lijst opgenomen dierziekten zich heeft voorgedaan, kunnen, tot de in artikel 5, leden 1 tot 3, vastgestelde maximumpercentages, aan lidstaten subsidies voor de genomen maatregelen worden toegekend, op voorwaarde dat de maatregelen onmiddellijk zijn toegepast en dat de toepasselijke bepalingen van het desbetreffende recht van de Unie zijn nageleefd. Dergelijke subsidies kunnen ook kosten omvatten die werden gemaakt ingevolge het zich vermoedelijk voordoen van zulke ziekte, mits het zich voordoen van de ziekte naderhand is bevestigd.

2.  Na de bevestiging dat een van de ingevolge artikel 7 in een lijst opgenomen dierziekten zich voordoet, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend als twee of meer lidstaten nauw samenwerken om de epidemie te bestrijden.

3.  Wanneer de gezondheidsstatus van de Unie rechtstreeks in gevaar komt doordat een van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen zich voordoet of zich verspreidt op het grondgebied van een derde land of een lidstaat, kunnen subsidies voor beschermende maatregelen worden toegekend aan lidstaten, derde landen en internationale organisaties.

4.  Wanneer de Commissie op verzoek van een lidstaat besluit dat lidstaten voorraden biologische producten moeten aanleggen voor de bestrijding van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend.

5.  Wanneer het optreden of de verspreiding van een van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen in een derde land of in een lidstaat een bedreiging voor de Unie kan vormen, kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor het aanleggen van voorraden biologische producten of de aankoop van vaccindoses.

Artikel 7

Lijst van dierziekten

1.  De lijst van dierziekten in verband waarmee uit hoofde van artikel 6 financiering kan worden verleend, is opgenomen in bijlage I.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 40 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de in lid 1 bedoelde lijst van dierziekten, waarbij zij rekening houdt met de dierziekten die overeenkomstig Richtlijn 82/894/EEG moeten worden gemeld en met de ziekten die waarschijnlijk een nieuwe bedreiging voor de Unie vormen omdat zij aanzienlijke gevolgen hebben voor:

a) 

de menselijke gezondheid;

b) 

de gezondheid of het welzijn van dieren, of

c) 

de landbouw- of aquacultuurproductie of aanverwante sectoren van de economie.

Artikel 8

Subsidiabele kosten

1.  De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 6, lid 1, bedoelde maatregelen maken, kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van dat lid:

a) 

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun geslachte of geruimde dieren, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke dieren als zij niet door de ziekte waren getroffen;

b) 

kosten voor het slachten of ruimen van de dieren en de daaraan gerelateerde transportkosten;

c) 

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun vernietigde producten van dierlijke oorsprong, beperkt tot de marktwaarde van die producten onmiddellijk voordat een vermoeden van de ziekte ontstond of werd bevestigd;

d) 

kosten voor de reiniging, desinsectie en ontsmetting van het bedrijf en de apparatuur, op basis van de epidemiologie en de eigenschappen van de ziekteverwekker;

e) 

kosten voor het vervoer en de destructie van besmet diervoeder en, voor zover dat niet kan worden ontsmet, van besmette apparatuur;

▼C1

f) 

kosten voor de aankoop, de opslag, het beheer of de distributie van vaccins en aasvaccins, alsook de kosten voor de inoculatie zelf, als de Commissie daartoe besluit of dat toestaat;

▼B

g) 

kosten voor het vervoer en de verwijdering van kadavers;

h) 

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: eventuele overige kosten die essentieel zijn voor de uitroeiing van de ziekte, overeenkomstig het in artikel 36, lid 4, van deze verordening bedoelde financieringsbesluit.

2.  Zoals bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, zijn kosten subsidiabel vanaf de datum waarop de lidstaten de Commissie melden dat de ziekte zich voordoet. Dergelijke kosten kunnen ook kosten omvatten die reeds waren gemaakt ingevolge het zich vermoedelijk voordien van zulke ziekte, mits het zich voordoen van de ziekte naderhand is bevestigd.

3.  Nadat de betalingsaanvragen van de lidstaten zijn beoordeeld, doet de Commissie de desbetreffende begrotingsvastleggingen en betaalt ze de subsidiabele uitgaven.



Afdeling 2

Programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van dierziekten en zoönosen

Artikel 9

Subsidiabele programma’s

Er kunnen subsidies worden verleend voor de jaarlijkse of meerjarige nationale programma’s van lidstaten voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van de krachtens artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen („nationale programma’s”).

Artikel 10

Lijst van dierziekten en zoönosen

1.  De lijst van dierziekten en zoönosen in verband waarmee uit hoofde van artikel 9 subsidies kunnen worden verleend is opgenomen in bijlage II.

2.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 40 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijsten van dierziekten en zoönosen bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te vullen, waarbij zij rekening houdt met:

a) 

de situatie van dierziekten die aanzienlijke gevolgen voor de veeteelt of handel hebben;

b) 

de verspreiding van zoönosen die een bedreiging voor mensen vormen, of

c) 

nieuwe wetenschappelijke of epidemiologische ontwikkelingen.

Artikel 11

Subsidiabele kosten

De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de nationale programma’s maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit hoofde van artikel 9:

a) 

kosten voor de bemonstering van dieren;

b) 

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i) 

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van die tests worden gebruikt;

ii) 

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van het personeel;

c) 

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun geslachte of geruimde dieren, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke dieren als zij niet door de ziekte waren getroffen;

d) 

kosten voor het slachten of ruimen van de dieren;

e) 

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun vernietigde producten van dierlijke oorsprong, beperkt tot de marktwaarde van die producten onmiddellijk voordat een vermoeden van de ziekte ontstond of werd bevestigd;

▼C1

f) 

kosten voor de aankoop, de opslag, de inoculatie, het beheer of de distributie van voor de programma's gebruikte vaccindoses of aasvaccins;

▼B

g) 

kosten voor de reiniging, ontsmetting en desinsectie van het bedrijf en de apparatuur, op basis van de epidemiologie en de eigenschappen van de ziekteverwekker, en

h) 

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) tot en met g) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 13, leden 3 en 4, bedoelde subsidiebesluit.

Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van de dieren van de vergoeding afgetrokken.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van niet-uitgebroede eieren die een warmtebehandeling hebben ondergaan, van de vergoeding afgetrokken.

Artikel 12

Inhoud en indiening van de nationale programma’s

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de nationale programma’s in die het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende nationale programma’s komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.  De nationale programma’s omvatten ten minste het volgende:

a) 

een beschrijving van de epidemiologische situatie van de dierziekte of zoönose voor de begindatum van het programma;

b) 

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma zal worden uitgevoerd;

c) 

de looptijd van het programma;

d) 

de uit te voeren maatregelen;

e) 

het geraamde budget;

f) 

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

g) 

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig nationaal programma wordt de onder b), d), en f) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder e) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

3.  Indien het uitbreken of de verspreiding van een van de krachtens artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen waarschijnlijk een bedreiging voor de gezondheidsstatus van de Unie inhoudt, kunnen de lidstaten, om de Unie tegen de insleep van een van die ziekten of zoönosen te beschermen, in hun nationale programma’s maatregelen opnemen die in samenwerking met de autoriteiten van aangrenzende derde landen op het grondgebied van die landen zullen worden uitgevoerd.

Artikel 13

Evaluatie en goedkeuring van de nationale programma’s

1.  De Commissie evalueert de nationale programma’s en houdt daarbij rekening met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.  De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a) 

de lijst van nationale programma’s die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b) 

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c) 

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d) 

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden;

3.  De Commissie keurt de jaarlijkse nationale programma’s en de financiering ervan elk jaar uiterlijk op 31 januari goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 14 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.  De Commissie keurt de meerjarige nationale programma’s en de financiering ervan uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

▼M5 —————

▼B

Artikel 14

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig nationaal programma dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag vermeldt de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 12, lid 2, onder g), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarlijks nationaal programma jaarlijks uiterlijk op 31 augustus een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 15

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een nationaal programma voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 14 bedoelde verslagen.



HOOFDSTUK II

Gezondheid van planten



Afdeling 1

Noodmaatregelen

Artikel 16

Subsidiabele maatregelen

1.  Aan lidstaten kunnen, tot de in artikel 5, leden 1 tot 3, vastgestelde maximumpercentages, subsidies voor de volgende maatregelen tegen plaagorganismen worden toegekend onder de in artikel 17 bepaalde voorwaarden:

▼M2

a) 

maatregelen om een plaagorganisme in een besmet gebied uit te roeien, genomen door de bevoegde autoriteiten krachtens artikel 17, lid 1, artikel 28, lid 1, artikel 29, lid 1, of artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

b) 

maatregelen om een prioritair plaagorganisme in te perken dat krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst is opgenomen en waartegen krachtens artikel 28, lid 2, van die verordening inperkingsmaatregelen van de Unie zijn genomen, in een besmet gebied waar dat prioritaire plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid, indien die maatregelen essentieel zijn om het grondgebied van de Unie tegen verdere verspreiding van dit prioritaire plaagorganisme te beschermen. Als vastgesteld is dat het plaagorganisme in de bufferzone rondom dat besmette gebied aanwezig is, betreffen die maatregelen de uitroeiing van het plaagorganisme in die bufferzone; en

c) 

preventieve maatregelen tegen de verspreiding van een prioritair plaagorganisme dat krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst is opgenomen en waartegen krachtens artikel 28, lid 3, van die verordening maatregelen van de Unie zijn genomen, indien die maatregelen essentieel zijn om het grondgebied van de Unie tegen verdere verspreiding van dat prioritaire plaagorganisme te beschermen.

▼B

Er mogen ook subsidies worden toegekend voor de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde maatregelen die zijn getroffen ingevolge de vermoedelijke aanwezigheid van dergelijk plaagorganisme, mits die aanwezigheid naderhand is bevestigd.

2.  Wanneer op het grondgebied van een lidstaat de in lid 1 bedoelde plaagorganismen niet aanwezig zijn, maar in die lidstaat toch maatregelen tegen de insleep ervan zijn genomen omdat de plaagorganismen in een aangrenzende lidstaat of een aangrenzend derde land voorkomen, kunnen de in lid 1 bedoelde subsidies ook aan een dergelijke lidstaat worden toegekend.

3.  Na de bevestiging dat een van de in artikel 17 bedoelde plaagorganismen aanwezig is, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend als twee of meer lidstaten nauw samenwerken om de maatregelen bedoeld in lid 1 uit te voeren.

4.  Ook aan internationale organisaties mogen subsidies worden toegekend voor de in lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met c), bedoelde maatregelen.

▼M2

Artikel 17

Voorwaarden

De in artikel 16 bedoelde maatregelen kunnen voor subsidies in aanmerking komen op voorwaarde dat zij onmiddellijk zijn toegepast, dat de toepasselijke bepalingen van de desbetreffende wetgeving van de Unie zijn nageleefd en dat de maatregelen aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

a) 

zij betreffen EU-quarantaineorganismen die krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen als, voor zover bekend, niet voorkomend op het grondgebied van de Unie;

b) 

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de bevoegde autoriteit van een lidstaat krachtens artikel 29, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld;

c) 

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld;

d) 

zij betreffen prioritaire plaagorganismen die krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen.

Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van de eerste alinea, onder b), voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die later zijn gemaakt dan twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregel die de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft vastgesteld krachtens artikel 29 van Verordening (EU) 2016/2031 of die na het verstrijken van die maatregel zijn gemaakt. Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van de eerste alinea, onder c), voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.

▼B

Artikel 18

Subsidiabele kosten

1.  De volgende kosten die lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 16 bedoelde maatregelen maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidies uit hoofde van dat artikel:

a) 

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de maatregelen, ongeacht de status van het personeel, en kosten voor de huur van apparatuur, voor verbruiksgoederen en voor andere noodzakelijke materialen, voor behandelingsproducten, voor bemonstering en voor laboratoriumtests;

b) 

kosten voor dienstencontracten met derden voor de uitvoering van een deel van de maatregelen;

c) 

kosten voor het compenseren van de betrokken exploitanten of eigenaars voor de behandeling, vernietiging en daaropvolgende verwijdering van planten, van plantaardige producten en van andere materialen, alsmede voor de reiniging en ontsmetting van bedrijfsgebouwen, grond, water, bodem, groeimedia, faciliteiten, machines en apparatuur;

▼M2

d) 

kosten voor het compenseren van de betrokken eigenaars voor de waarde van de vernietigde planten, plantaardige producten en andere materialen die onder de in artikel 16 bedoelde maatregelen vallen, welke compensatie beperkt blijft tot de marktwaarde die dergelijke planten, plantaardige producten en andere materialen zouden hebben als zij niet door de maatregelen waren getroffen; de eventuele restwaarde wordt van de compensatie afgetrokken; en

▼B

e) 

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) tot en met d) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 36, lid 4, bedoelde financieringsbesluit.

De onder c) bedoelde compensatie voor eigenaars komt alleen voor subsidie in aanmerking als de maatregelen onder toezicht van de bevoegde autoriteit zijn uitgevoerd.

2.  Zoals bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, zijn kosten subsidiabel vanaf de datum waarop de lidstaten de Commissie melden dat het plaagorganisme aanwezig is. Dergelijke kosten kunnen ook kosten omvatten die zijn gemaakt ingevolge de vermoedelijke aanwezigheid van dat plaagorganisme, mits die aanwezigheid naderhand is bevestigd.

3.  Nadat de betalingsaanvragen van de lidstaten zijn beoordeeld, doet de Commissie de desbetreffende begrotingsvastleggingen en betalingen voor de subsidiabele uitgaven.



Afdeling 2

Programma’s voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen

Artikel 19

Subsidiabele programma’s voor onderzoek

▼M2

Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor door hen uitgevoerde jaarlijkse of meerjarige nationale programma's voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen („programma's voor onderzoek”), op voorwaarde dat die programma's voor onderzoek aan ten minste een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

a) 

zij betreffen EU-quarantaineorganismen die krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen als, voor zover bekend, niet aanwezig op het grondgebied van de Unie;

b) 

zij betreffen prioritaire plaagorganismen die krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen; en

c) 

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.

▼B

De programma’s voor onderzoek naar de in punt a) van de eerste alinea van dit artikel bedoelde plaagorganismen worden gebaseerd op een beoordeling van het risico van de insleep, vestiging en verspreiding van die plaagorganismen op het grondgebied van de betrokken lidstaat en moeten ten minste betrekking hebben op de plaagorganismen die de grootste risico’s opleveren en de voornaamste plantensoorten die aan die risico’s blootstaan.

▼M2

Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van punt c) van de eerste alinea voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.

▼B

Artikel 20

Subsidiabele kosten

De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 19 bedoelde programma’s voor onderzoek maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidies uit hoofde van dat artikel:

▼C3

-a) 

kosten voor visuele onderzoeken;

▼B

a) 

bemonsteringskosten;

b) 

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i) 

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van de tests worden gebruikt;

ii) 

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van dat personeel;

c) 

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) en b) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 22, leden 3 en 4, bedoelde subsidiebesluit.

Artikel 21

Inhoud en indiening van de programma’s voor onderzoek

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de programma’s voor onderzoek in die in het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende programma’s voor onderzoek komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.  De programma’s voor onderzoek omvatten ten minste het volgende:

a) 

de plaagorganismen waarop het programma betrekking heeft;

b) 

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma wordt uitgevoerd en een beschrijving van de status van die gebieden in verband met de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen;

c) 

de looptijd van het programma;

d) 

het aantal geplande visuele onderzoeken, monsters en tests voor de plaagorganismen en de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;

e) 

het geraamde budget;

f) 

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

g) 

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig programma voor onderzoek wordt de onder b), d), en f) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder e) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

Artikel 22

Evaluatie en goedkeuring van de programma’s voor onderzoek

1.  De Commissie evalueert de programma’s voor onderzoek en houdt daarbij rekening met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.  De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a) 

de lijst van programma’s voor onderzoek die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b) 

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c) 

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d) 

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden.

3.  De Commissie keurt de jaarlijkse programma’s voor onderzoek en de financiering ervan elk jaar uiterlijk op 31 januari goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 23 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.  De Commissie keurt de meerjarige programma’s voor onderzoek en de financiering ervan uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

▼M5 —————

▼B

Artikel 23

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig programma voor onderzoek dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag vermeldt de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 21, lid 2, onder g), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarlijks programma voor onderzoek jaarlijks uiterlijk op 31 augustus bij de Commissie een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 24

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een programma voor onderzoek voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 23 bedoelde verslagen.



Afdeling 3

Programma’s betreffende de bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie

Artikel 25

Subsidiabele maatregelen en subsidiabele kosten

1.  Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor door hen uitgevoerde programma’s ter bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie zoals vermeld in artikel 349 VWEU overeenkomstig de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 228/2013 vastgestelde doelstellingen („programma’s voor de ultraperifere gebieden”). Die subsidies betreffen activiteiten die nodig zijn om te waarborgen dat in die gebieden de toepasselijke Unie- dan wel nationale voorschriften voor de bestrijding van plaagorganismen correct worden toegepast.

2.  De volgende kosten die lidstaten voor programma’s voor de ultraperifere gebieden maken, kunnen in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie:

a) 

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de maatregelen, ongeacht de status van dat personeel, alsook kosten voor de huur van apparatuur, voor verbruiksgoederen en voor behandelingsproducten;

b) 

kosten voor dienstencontracten met derden voor de uitvoering van een deel van de maatregelen;

c) 

bemonsteringskosten;

d) 

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i) 

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van de tests worden gebruikt;

ii) 

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van dat personeel.

Artikel 26

Inhoud en indiening van de programma’s voor de ultraperifere gebieden

1.  De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de programma’s voor de ultraperifere gebieden in die in het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende programma’s voor de ultraperifere gebieden komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.  De programma’s voor de ultraperifere gebieden omvatten ten minste het volgende:

a) 

de plaagorganismen waarop het programma betrekking heeft;

b) 

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma wordt uitgevoerd en een beschrijving van de status van die gebieden in verband met de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen;

c) 

een technische analyse van de fytosanitaire situatie in het gebied;

d) 

de looptijd van het programma;

e) 

de in het programma opgenomen activiteiten en, in voorkomend geval, het aantal geplande visuele onderzoeken, monsters en tests voor de plaagorganismen en de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;

f) 

het geraamde budget;

g) 

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

h) 

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig programma voor de ultraperifere gebieden wordt de onder b), e), en g) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder f) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

Artikel 27

Evaluatie en goedkeuring van de programma’s voor de ultraperifere gebieden

1.  Bij de evaluatie van de programma’s voor de ultraperifere gebieden wordt rekening gehouden met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.  De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a) 

de lijst van programma’s voor de ultraperifere gebieden die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b) 

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c) 

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d) 

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden.

3.  Jaarlijkse programma’s voor de ultraperifere gebieden en de financiering ervan worden elk jaar uiterlijk op 31 januari goedgekeurd door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 28 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.  Meerjarige programma’s voor de ultraperifere gebieden en de financiering ervan worden uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goedgekeurd door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

▼M5 —————

▼B

Artikel 28

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig programma voor de ultraperifere gebieden dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag omvat de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder h), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarprogramma voor de ultraperifere gebieden ieder jaar uiterlijk op 31 augustus bij de Commissie een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 29

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een programma voor de ultraperifere gebieden voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 28 bedoelde verslagen.



HOOFDSTUK III

Financiële steun aan officiële controles en andere activiteiten

Artikel 30

▼M1

Referentielaboratoria en -centra van de Europese Unie

▼M4

1.  Om de kosten te dekken die zij maken bij de uitvoering van de door de Commissie goedgekeurde werkprogramma's, kunnen subsidies worden verleend aan:

a) 

de in artikel 93 van Verordening ►C2  (EU) 2017/625 ◄ van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) bedoelde referentielaboratoria van de Europese Unie en de referentiecentra van de Europese Unie als bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad ( 3 );

b) 

de in artikel 95 van Verordening ►C2  (EU) 2017/625 ◄ bedoelde referentiecentra van de Europese Unie voor dierenwelzijn;

c) 

de referentiecentra van de Europese Unie voor de authenticiteit en de integriteit van de agro-voedselketen als bedoeld in artikel 97 van Verordening ►C2  (EU) 2017/625 ◄ .

▼B

2.  De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit hoofde van lid 1:

▼M1

a) 

kosten voor personeelsleden, ongeacht hun status, die rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de laboratoria of centra, die worden uitgevoerd in hun hoedanigheid van referentielaboratorium of -centrum van de Europese Unie;

▼B

b) 

kosten voor kapitaalgoederen;

c) 

kosten voor verbruiksgoederen;

d) 

kosten voor de verzending van monsters, dienstreizen, vergaderingen en opleidingsactiviteiten.

▼M4

Artikel 30 bis

Accreditering van nationale referentielaboratoria voor plantgezondheid

1.  Er kunnen subsidies aan de in artikel 100 van Verordening ►C2  (EU) 2017/625 ◄ bedoelde nationale referentielaboratoria worden verleend voor de kosten die zij maken voor het verkrijgen van een accreditering overeenkomstig de norm EN ISO/IEC 17025 „Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria” voor de toepassing van methoden voor laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses om naleving van de voorschriften voor beschermende maatregelen tegen schadelijke organismen bij planten te verifiëren.

2.  Voor elk referentielaboratorium van de Europese Unie voor plantgezondheid kunnen tot drie jaar na de aanwijzing ervan subsidies worden verleend aan één nationaal referentielaboratorium per lidstaat.

▼B

Artikel 31

Opleiding

1.  De Unie kan financiering verlenen voor de in artikel 51 van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde opleiding van het personeel van de bevoegde autoriteiten dat belast is met officiële controles, teneinde een geharmoniseerde aanpak van de officiële controles en andere officiële activiteiten te ontwikkelen om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en planten te waarborgen.

2.  De Commissie ontwikkelt opleidingsprogramma’s voor het bepalen van de prioriteiten voor ingrijpen op basis van de vastgestelde risico’s voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het dierenwelzijn en de plantgezondheid.

3.  Om voor de in lid 1 bedoelde financiering door de Unie in aanmerking te komen, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat de kennis die met de in dat lid bedoelde opleidingsactiviteiten wordt opgedaan, waar nodig wordt verspreid en op passende wijze wordt gebruikt in de nationale opleidingsprogramma’s.

4.  De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor de in lid 1 bedoelde financiële bijdrage:

a) 

kosten voor de organisatie van de opleiding, met inbegrip van opleiding die openstaat voor deelnemers uit derde landen, of voor uitwisselingsactiviteiten;

b) 

reis-, en verblijfskosten van en dagvergoedingen voor het personeel van de bevoegde autoriteiten dat aan de opleiding deelneemt.

Artikel 32

Deskundigen uit de lidstaten

Er kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de reis- en verblijfskosten en dagvergoedingen die deskundigen van de lidstaten maken doordat zij door de Commissie zijn aangewezen om haar deskundigen bij te staan, overeenkomstig artikel 45, lid 1, en artikel 46, lid 1, van Verordening (EG) nr. 882/2004.

Artikel 33

Gecoördineerde controleplannen en gegevensverzameling

1.  Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor kosten die zij maken voor de uitvoering van de in artikel 53 van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde gecoördineerde controleplannen en voor gegevensverzameling.

2.  De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor zulke subsidies:

a) 

kosten voor bemonstering en laboratoriumtests;

b) 

kosten voor apparatuur die nodig is om de taken voor de officiële controles en gegevensverzameling te verrichten.



HOOFDSTUK IV

Andere maatregelen

Artikel 34

Informatiesystemen

1.  De Unie financiert de oprichting en exploitatie van de databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen die door de Commissie worden beheerd en die nodig zijn om de in artikel 1 bedoelde regelgeving doeltreffend en doelmatig toe te passen.

2.  Er kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de oprichting en het beheer van databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen van derden, met inbegrip van internationale organisaties, op voorwaarde dat die databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen:

a) 

een bewezen toegevoegde waarde hebben voor de Unie als geheel en in de hele Unie voor alle belanghebbende gebruikers beschikbaar zijn, en

b) 

nodig zijn om de in artikel 1 bedoelde regelgeving doeltreffend en doelmatig toe te passen.

Artikel 35

Toepassing en aanpassing van de regelgeving

1.  De Unie kan technische en wetenschappelijke werkzaamheden, met inbegrip van studies en coördinatieactiviteiten, financieren die nodig zijn om de regelgeving betreffende de in artikel 1 bedoelde gebieden correct toe te passen en aan de wetenschappelijke, technische en maatschappelijke ontwikkelingen aan te passen.

Er kan ook een financiële bijdrage van de Unie worden verleend aan de lidstaten of internationale organisaties die op de in artikel 1 bedoelde gebieden werkzaam zijn om activiteiten te verrichten ter ondersteuning van de ontwikkeling en toepassing van de regelgeving betreffende die gebieden.

2.  Er kunnen subsidies worden verleend aan projecten die door een of meer lidstaten worden georganiseerd om de doelmatigheid van de officiële controles te vergroten door gebruik te maken van innovatieve technieken en protocollen.

3.  Er kan ook een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de ondersteuning van initiatieven van de Unie en de lidstaten op het gebied van voorlichting en bewustmaking die gericht zijn op beter, correct en duurzaam gedrag bij de toepassing van de regelgeving betreffende de in artikel 1 bedoelde gebieden.



TITEL III

PROGRAMMERING, UITVOERING EN CONTROLE

Artikel 36

Werkprogramma’s en financiële bijdragen

1.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van gemeenschappelijke of afzonderlijke jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in titel II, met uitzondering van hoofdstuk I, afdeling 1, en hoofdstuk II, afdeling 1 van die titel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.  In de in lid 1 bedoelde werkprogramma’s worden de beoogde operationele doelstellingen, die in overeenstemming moeten zijn met de algemene en specifieke doelstellingen genoemd in artikel 2, de verwachte resultaten, de wijze van uitvoering en het totaalbedrag vermeld. Zij bevatten ook een omschrijving van de te financieren maatregelen, een indicatie van het voor elke maatregel toegewezen bedrag en een indicatief tijdschema voor de uitvoering. Met betrekking tot subsidies worden daarin de prioritaire acties, de evaluatiecriteria en het financieringspercentage vermeld alsmede de indicatieve lijst van subsidiabele maatregelen en kosten, overeenkomstig artikel 3 van deze verordening.

3.  De werkprogramma’s voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 2, en in hoofdstuk II, afdelingen 2 en 3, worden vastgesteld uiterlijk op 30 april van het jaar dat aan de uitvoering ervan voorafgaat, mits de ontwerpbegroting dan is aangenomen. Die werkprogramma’s geven de prioriteiten weer zoals deze zijn bepaald in bijlage III bij deze verordening.

4.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met zijn besluit over de financiële bijdrage, ten aanzien van de uitvoering van de noodmaatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 1, en titel II, hoofdstuk II, afdeling 1, of wanneer het nodig is om te reageren op niet te voorziene ontwikkelingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedures voor indiening van aanvragen, rapporten en betalingsverzoeken voor de in titel II, hoofdstuk I, afdeling 1 en 2, en titel II, hoofdstuk II, afdeling 1, 2 en 3, bedoelde subsidies. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 37

Controles ter plaatse door de Commissie

De Commissie kan controles ter plaatse in de lidstaten en in de gebouwen van de begunstigden houden, in het bijzonder om te verifiëren:

a) 

of de maatregelen waarvoor de financiële bijdrage van de Unie wordt verleend, doeltreffend worden uitgevoerd;

b) 

of de administratieve werkwijzen in overeenstemming zijn met voorschriften van de Unie;

c) 

of de voorgeschreven bewijsstukken bestaan en overeenkomen met de maatregelen waarvoor een bijdrage van de Unie wordt verleend.

Artikel 38

Toegang tot informatie

De lidstaten en begunstigden stellen alle informatie ter beschikking van de Commissie die nodig is om de uitvoering van de maatregelen te controleren en nemen alle passende maatregelen om de controles te vergemakkelijken die de Commissie in verband met het beheer van de financiering van de Unie passend acht, met inbegrip van controles ter plaatse.

Artikel 39

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.  De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen de financiële belangen van de Unie worden beschermd door preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten te nemen, doeltreffende controles te verrichten en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen en, indien passend, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen.

2.  De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer kunnen, op basis van documenten of ter plaatse, audits uitvoeren bij alle subsidiebegunstigden, uitvoeringsorganen en contractanten en subcontractanten die op grond van deze verordening Uniemiddelen hebben ontvangen.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is bevoegd overeenkomstig de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad ( 4 ) controles en verificaties ter plaatse bij de direct of indirect bij de financiering betrokken economische subjecten uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

Onverminderd de eerste en de tweede alinea verlenen de uit deze verordening voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, subsidieovereenkomsten en -besluiten en contracten de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid om dergelijke audits en controles en verificaties ter plaatse uit te voeren.



TITEL IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 7, lid 2, en 10, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 30 juni 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheid die in het besluit wordt vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 41

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

Artikel 42

Evaluatie

1.  Uiterlijk op 30 juni 2017 stelt de Commissie een tussentijds evaluatieverslag op en legt ze dat voor aan het Europees Parlement en de Raad, over de vraag of de in titel II, hoofdstukken I en II, en hoofdstuk III, artikelen 30 en 31, bedoelde maatregelen, wat betreft hun resultaten en effecten, de in artikel 2, lid 1, vermelde doelstellingen verwezenlijken, ten aanzien van de doelmatigheid van het gebruik van middelen en de toegevoegde waarde ervan op het niveau van de Unie. In het evaluatieverslag wordt ook aandacht besteed aan de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de vraag of alle doelstellingen relevant blijven en de bijdrage die de maatregelen leveren aan de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei. In de evaluatie wordt rekening gehouden met de resultaten van evaluaties van het langetermijneffect van de eerdere maatregelen. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter wijziging van deze verordening.

2.  Uiterlijk op 30 juni 2022 verricht de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten een evaluatie achteraf van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen. In die evaluatie achteraf worden de doeltreffendheid en doelmatigheid van de in artikel 1 bedoelde uitgaven en de effecten ervan onderzocht.

3.  Bij de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde evaluaties wordt de geboekte vooruitgang aan de hand van de in artikel 2, lid 2, vermelde indicatoren beoordeeld.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluaties mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

Artikel 43

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De begunstigden en de betrokken lidstaten zien erop toe dat aan de financiële bijdragen in het kader van deze verordening, in voorkomend geval, passende bekendheid wordt gegeven om het publiek te informeren over de rol van de Unie bij de financiering van de maatregelen.

2.  De Commissie legt informatie- en communicatieacties over de gefinancierde maatregelen en resultaten ten uitvoer. Het budget voor communicatie uit hoofde van deze verordening dekt tevens de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie.

Artikel 44

Intrekking

1.  De Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG worden ingetrokken.

2.  Verwijzingen naar de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG gelden als verwijzingen naar artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002.

3.  Verwijzingen naar Beschikking 2009/470/EG gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 45

Overgangsbepalingen

1.  De in artikel 12, lid 1, van deze verordening bedoelde nationale programma’s van lidstaten die aan de Commissie zijn voorgelegd in 2012 voor uitvoering in 2013, die zijn voorgelegd in 2013 voor uitvoering in 2014, en die uiterlijk op 30 april 2014 zijn voorgelegd voor uitvoering in 2015, komen, indien zij worden goedgekeurd, in aanmerking voor financiering door de Unie op grond van artikel 27 van Beschikking 2009/470/EG.

Voor nationale programma’s die in 2013 en 2014 zijn uitgevoerd, blijft artikel 27, leden 7 en 8, van die beschikking van toepassing.

Voor nationale programma’s die in 2015 worden uitgevoerd, blijft artikel 27, lid 2, van die beschikking van toepassing.

2.  De in artikel 21, lid 1, van deze verordening bedoelde programma’s voor onderzoek van lidstaten die uiterlijk op 30 april 2014 aan de Commissie zijn voorgelegd voor uitvoering in het jaar 2015, komen in aanmerking voor financiering door de Unie op grond van artikel 23, lid 6, van Richtlijn 2000/29/EG. Voor die programma’s voor onderzoek blijft artikel 23, lid 6, van die richtlijn van toepassing.

3.  Voor aanvragen van lidstaten voor financiering door de Unie van noodmaatregelen bedoeld in artikel 16 van deze verordening, die uiterlijk op 30 april 2014 bij de Commissie zijn ingediend, blijven de artikelen 22 tot en met 24 van Richtlijn 2000/29/EG van toepassing.

Artikel 46

Wijziging van Richtlijn 98/56/EG

Richtlijn 98/56/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) 

Artikel 17, lid 1, wordt vervangen door:

„1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( *1 ). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( *2 ).

2) 

In artikel 18, lid 1, wordt lid 1 vervangen door:

„1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.”.

Artikel 47

Wijziging van Richtlijn 2000/29/EG

Richtlijn 2000/29/EG wordt als volgt gewijzigd:

1) 

Artikel 13 quater, lid 5, wordt geschrapt.

▼M2

2) 

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

De lidstaten bepalen dat eenieder die weet heeft van de aanwezigheid van een van de in bijlage I of bijlage II opgesomde plaagorganismen of een plaagorganisme dat onder een maatregel valt op grond van artikel 16, leden 2 of 3, of die reden heeft zulke aanwezigheid te vermoeden, onmiddellijk de bevoegde autoriteit moet waarschuwen en op verzoek van die autoriteit alle in zijn bezit zijnde informatie over die aanwezigheid moet verstrekken. Wanneer deze kennisgeving niet schriftelijk is gedaan, wordt deze officieel vastgelegd door de bevoegde autoriteit.”.

▼B

3) 

De artikelen 22 tot en met 26 worden geschrapt.

Artikel 48

Wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002

In artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 wordt lid 1 vervangen door:

„1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, hierna „het comité” genoemd. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( *3 ). Het comité wordt onderverdeeld in afdelingen voor de behandeling van alle betrokken vraagstukken.

Alle verwijzingen in het Unierecht naar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid gelden als verwijzingen naar het in de eerste alinea bedoelde comité.

Artikel 49

Wijziging van Verordening (EG) nr. 882/2004

Artikel 66 van Verordening (EG) nr. 882/2004 wordt geschrapt.

Artikel 50

Wijziging van Verordening (EG) nr. 396/2005

Hoofdstuk VII van Verordening (EG) nr. 396/2005 wordt geschrapt.

Artikel 51

Wijziging van Richtlijn 2008/90/EG

In artikel 19 van Richtlijn 2008/90/EG wordt lid 1 vervangen door:

„1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( *4 ). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( *5 ).

Artikel 52

Wijziging van Richtlijn 2009/128/EG

Artikel 22 van Richtlijn 2009/128/EG wordt geschrapt.

Artikel 53

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt geschrapt.

Artikel 54

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 30 juni 2014.

Artikel 18, lid 1, onder d), en artikel 47, punt 2), zijn evenwel met ingang van 1 januari 2017 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.




BIJLAGE I

Dierziekten en zoönoses als bedoeld in artikel 7

— 
Runderpest
— 
Pest bij kleine herkauwers
— 
Vesiculaire varkensziekte
— 
Blauwtong
— 
Teschener-ziekte
— 
Schapenpokken en geitenpokken
— 
Riftvalleykoorts
— 
Nodulaire dermatose
— 
Afrikaanse paardenpest
— 
Vesiculaire stomatitis
— 
Venezolaanse virale paarde-encefalomyelitis
— 
Enzoötische hemorragische ziekte bij herten
— 
Klassieke varkenspest
— 
Afrikaanse varkenspest
— 
Besmettelijke bovine pleuropneumonie
— 
Aviaire influenza (vogelgriep)
— 
Ziekte van Newcastle
— 
Mond- en klauwzeer
— 
Epizoötische hematopoïetische necrose bij vissen (EHN)
— 
Epizoötisch ulceratief syndroom bij vissen (EUS)
— 
Besmetting met Bonamia exitiosa
— 
Besmetting met Perkinsus marinus
— 
Besmetting met Microcytos mackini
— 
Taura-syndroom bij schaaldieren
— 
Yellowhead-ziekte bij schaaldieren.




BIJLAGE II

Dierziekten en zoönoses als bedoeld in artikel 10

— 
Rundertuberculose
— 
Runderbrucellose
— 
Schapen- en geitenbrucellose (B. melitensis)
— 
Blauwtong in gebieden waar de ziekte enzoötisch is of hoogrisicogebieden
— 
Afrikaanse varkenspest
— 
Vesiculaire varkensziekte
— 
Klassieke varkenspest
— 
Miltvuur
— 
Besmettelijke bovine pleuropneumonie
— 
Aviaire influenza (vogelgriep)
— 
Hondsdolheid
— 
Echinococcose
— 
Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE)
— 
Campylobacteriose
— 
Listeriose
— 
Salmonellose (zoönotische salmonella)
— 
Trichinellose
— 
Verotoxische E. coli
— 
Virale hemorragische septicaemie (VHS)
— 
Infectieuze hematopoëtische necrose (IHN)
— 
Koi-herpesvirus (KHV)
— 
Infectieuze anemie bij zalm (ISA)
— 
Besmetting met Marteilia refringens
— 
Besmetting met Bonamia ostreae
— 
Ichthyophthiriasis bij schaaldieren.

▼M3

— 
Pest bij kleine herkauwers
— 
Schapen- en geitenpokken
— 
Nodulaire dermatose.

▼B




BIJLAGE III

Prioriteiten voor de werkprogramma’s van de Commissie, bedoeld in Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 2, en Titel II, Hoofdstuk II, Afdelingen 2 en 3

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van dierziekten en zoönosen:

— 
ziekten met gevolgen voor de gezondheid van de mens,
— 
ziekten met gevolgen voor de gezondheid van dieren, waarbij het verspreidingspotentieel en de ziekte- en sterftecijfers in de dierpopulatie in aanmerking worden genomen,
— 
ziekten en zoönosen die uit derde landen naar het grondgebied van de Unie dreigen te worden ingevoerd of opnieuw te worden ingevoerd,
— 
ziekten die potentieel een crisissituatie kunnen opleveren, met ernstige economische gevolgen,
— 
ziekten die gevolgen voor de handel met derde landen en het handelsverkeer binnen de Unie hebben.

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor onderzoek naar plaagorganismen ter bescherming van het grondgebied van de Unie:

— 
plaagorganismen die vermeld zijn in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, of van bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG als voor zover bekend niet voorkomende binnen het grondgebied van de Unie,
— 
plaagorganismen vallende onder maatregelen van de Unie die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG,
— 
plaagorganismen die niet zijn vermeld in Richtlijn 2000/29/EG en direct gevaar opleveren voor het grondgebied van de Unie,
— 
plaagorganismen die potentieel een crisissituatie kunnen opleveren, met ernstige economische en ecologische gevolgen,
— 
plaagorganismen die gevolgen voor de handel met derde landen en het handelsverkeer binnen de Unie hebben.

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor ultraperifere gebieden:

— 
maatregelen tegen plaagorganismen die samenhangen met invoer naar en het klimaat in die gebieden,
— 
methoden voor bestrijding van die plaagorganismen,
— 
maatregelen tegen plaagorganismen die zijn vermeld ingevolge de in die gebieden van kracht zijnde regelgeving inzake plaagorganismen van planten.



( 1 ) Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijzigingen van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).

( 2 ) Verordening ►C2  (EU) 2017/625 ◄ van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/… van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) ( ►C2  PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1 ◄ ).

( 3 ) Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij („fokkerijverordening”) (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 66).

( 4 ) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292, 15.11.1996, blz. 2).

( *1 ) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

( *2 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.

( *3 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.

( *4 ) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

( *5 ) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.

Top