Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C(2018)3568

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wat betreft de voorwaarden voor een vermindering van het bedrag van de doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

C/2018/3568 final

TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

In samenhang met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bij Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (het wetboek) aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om een aantal niet-essentiële onderdelen van het wetboek overeenkomstig artikel 290 VWEU aan te vullen. De Commissie heeft deze bevoegdheid uitgeoefend en op 28 juli 2015 haar goedkeuring gehecht aan Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie. Bij deze gedelegeerde verordening van de Commissie zijn bepalingen van algemene strekking vastgesteld die tot doel hebben het wetboek aan te vullen om voor een duidelijke en correcte toepassing ervan te zorgen.

Na het eerste jaar van toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 is bij de praktische uitvoering gebleken dat de bepalingen van artikel 84 moeten worden aangepast om de basisregels van het wetboek efficiënter en effectiever te kunnen toepassen en douaneverrichtingen beter af te stemmen op de hedendaagse praktijk.

Verschillende lidstaten en de vertegenwoordigers van brancheorganisaties hebben de Commissie bij herhaling geattendeerd op een aantal problemen in verband met de praktische toepassing van de specifieke voorwaarde van artikel 84 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie dat de zekerheidsteller over voldoende financiële middelen moet beschikken, en zij hebben er bij de Commissie op aangedrongen om deze situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten. In dit verband zijn onderstaande argumenten en relevante elementen naar voren geschoven.

Er is aangevoerd dat de financiële middelen van de marktdeelnemer, die thans als een afzonderlijke voorwaarde in artikel 84 zijn vermeld, niet kunnen worden geacht een volledige indicatie te geven van de mate waarin die marktdeelnemer in staat is om de douaneschuld en andere heffingen die niet door de zekerheid zijn gedekt, te betalen. De voorwaarde van voldoende financiële middelen ziet uitsluitend op liquide middelen en wordt als te restrictief beschouwd. Daarom is voorgesteld dat in de toekomst ook rekening zou worden gehouden met andere - gemakkelijk om te zetten - activa om de financiële draagkracht van een marktdeelnemer te bepalen wanneer over de vermindering van het bedrag van de zekerheid of over ontheffing van zekerheidstelling wordt beslist.

In de praktijk is ook vastgesteld dat het referentiebedrag dat overeenkomstig artikel 90 van het wetboek wordt bepaald voor mogelijke douaneschulden en andere heffingen die kunnen ontstaan, in specifieke gevallen zeer hoog kan zijn en dat dit niet kan worden gerechtvaardigd als wordt gekeken naar de kans dat de douaneschuld ook werkelijk zou ontstaan (bv. een douaneschuld die kan ontstaan voor de reparatie van een schip dat tijdelijk is ingevoerd). Er is gebleken dat het ontbreken van de mogelijkheid om deze risicofactor mee te nemen, een te strakke aanpak was.

Wat ten slotte de aanvragen van een geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) voor een vermindering of een ontheffing van zekerheidstelling betreft, lijken de huidige vereisten van artikel 84 strenger te zijn dan de beoordelingscriteria van artikel 95 van het wetboek en voor te schrijven dat een dubbele beoordeling moet worden verricht in tegenstelling tot wat bij niet-AEO's het geval is, hetgeen niet logisch en enigszins inconsistent lijkt.

2.RAADPLEGINGEN VOORAFGAAND AAN DE VASTSTELLING VAN DE HANDELING

De Commissie heeft deze gedelegeerde handeling opgesteld overeenkomstig het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie en de consensus inzake gedelegeerde handelingen tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie. De lidstaten en alle andere relevante stakeholders zijn op passende wijze bij de voorbereidende werkzaamheden betrokken en voortdurend erover geraadpleegd.

De Commissie heeft de lidstaten tijdens bijeenkomsten van de bevoegde deskundigengroep (Groep douanedeskundigen) over de ontwerptekst van het voorstel geraadpleegd. Het bedrijfsleven werd geraadpleegd via het desbetreffende raadgevende orgaan (Trade Contact Group (TCG)) in gezamenlijke bijeenkomsten met de deskundigen van de lidstaten.

De Commissie heeft alle opmerkingen die zij tijdens dit raadplegingsproces heeft ontvangen, actief in overweging genomen en, in de mate van het mogelijke, meegenomen in onderhavig voorstel, met als doel dat er wordt voorzien in voldoende gronden om een aanvraag voor een vermindering van het bedrag van de zekerheid of voor ontheffing van zekerheidstelling in geval van een mogelijke douaneschuld zowel te kunnen inwilligen als te weigeren.

Alle betrokken partijen zijn het erover eens dat deze wijziging:

1) een oplossing moet bieden voor de voorwaarde dat de zekerheidsteller aantoont dat hij over voldoende financiële middelen beschikt, uitsluitend wordt uitgelegd als dat hij over de nodige liquide middelen moet beschikken, en dat deze voorwaarde dus te restrictief is;

2) duidelijkheid moet scheppen over de beoordeling van de voorwaarde van voldoende financiële draagkracht;

3) een risicoweging moet introduceren met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat een douaneschuld ontstaat, zowel rekening houdende met de omvang en het soort douanegerelateerde bedrijfsactiviteiten van de marktdeelnemer als met het soort goederen waarvoor zekerheid moet worden gesteld;

4) de zekerheid moet bieden met betrekking tot de in artikel 38, lid 5, van het wetboek neergelegde wettelijke bepaling dat de AEO-voorwaarden niet opnieuw zullen worden onderzocht wanneer deze reeds zijn beoordeeld bij de verlening van de AEO-status, en dat de mate waarin de zekerheidsteller de douaneschuld of andere heffingen die niet door de zekerheid zijn gedekt, kan betalen, wordt beoordeeld wanneer wordt nagegaan of hij over voldoende financiële draagkracht beschikt in het kader van de verlening van een vergunning voor een vermindering van het bedrag van de doorlopende zekerheid of voor ontheffing van zekerheidstelling.

3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

De rechtsgrondslag voor deze verordening is vervat in de bevoegdheidsdelegatie van artikel 99, onder c), van het wetboek.

Subsidiariteitsbeginsel

Aangezien het wetboek noch de gedelegeerde verordening die door deze verordening wordt gewijzigd, aan een subsidiariteitstoets werd onderworpen, hoeft een dergelijke toets ook niet op deze verordening te worden verricht. Er zij op gewezen dat de douane-unie een ruimte zonder binnengrenzen is die gebaseerd is op een geharmoniseerd en geautomatiseerd kader op het niveau van de Unie en een onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten. De goede werking ervan vereist bijgevolg dat alle latere wettelijke handelingen op dit gebied, met name met betrekking tot grensoverschrijdende systemen, op het niveau van de Unie worden aangenomen.

Evenredigheidsbeginsel

Wat evenredigheid betreft, eerbiedigt deze verordening de grenzen van de door de medewetgevers verleende bevoegdheden en ziet zij slechts op elementen die de bestaande wettelijke bepalingen beter aanpassen aan de vereisten van de dagelijkse praktijk van de douaneautoriteiten, de marktdeelnemers en andere personen dan marktdeelnemers.

Inhoud van het voorstel

Na een grondige beoordeling van de situatie is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de voorwaarde van "voldoende financiële middelen" uit de tekst moet worden geschrapt en dat het concept van de beoordeling van de financiële draagkracht in de wettekst verder moet worden verduidelijkt. Deze beoordeling moet ook rekening houden met alle elementen die relevant zijn voor de situatie, maar tegelijkertijd flexibel zijn en afgestemd op de bijzondere situatie. Het is zaak dat de douaneautoriteiten rekening kunnen houden met mogelijke risico's die samenhangen met het ontstaan van douaneschulden afhankelijk van de kenmerken van de bedrijfsactiviteiten, het specifieke karakter van de transactie en het soort goederen die onder de zekerheid moeten vallen. Het werd ook belangrijk geacht te verduidelijken hoe de beoordeling van een aanvraag van de AEO in dit verband moet worden uitgelegd in het licht van de overlappende criteria. In overeenstemming met artikel 38, lid 5, van het wetboek mogen AEO's niet tweemaal aan een beoordelingsprocedure worden onderworpen. Er moet evenwel worden verduidelijkt dat de specifieke vereenvoudigingen waarvoor een AEO in aanmerking wil komen, vereisen dat de douaneautoriteiten hun toestemming verlenen en dat aan de specifieke voorwaarden voor de gevraagde vereenvoudiging is voldaan.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Aangezien deze verordening er alleen toe strekt om de huidige wettelijke voorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 beter af te stemmen op de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, en zij geen ingrijpende wijzigingen bevat, heeft deze verordening geen rechtstreekse gevolgen voor de begroting.

De voorwaarden voor de verlening van ontheffing van zekerheidstelling of voor andere verlagingen van de zekerheid op grond van dit artikel behelzen dat wordt aangetoond dat de schuldenaar zelf een grote mate van zekerheid biedt dat de douaneschuld zal worden betaald. Deze wijziging zal de situatie in dit verband niet veranderen.

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE

van 7.6.2018

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wat betreft de voorwaarden voor een vermindering van het bedrag van de doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie 1 , en met name artikel 99, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)In artikel 95, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn de voorwaarden vastgelegd waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een doorlopende zekerheid te mogen stellen om de betaling van een douaneschuld en andere heffingen te garanderen. In artikel 95, lid 2, van Verordening (EU) nr. 952/2013 zijn verdere criteria vastgelegd waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een dergelijke doorlopende zekerheid te mogen stellen voor een verminderd bedrag dan wel van zekerheidstelling te worden ontheven voor mogelijke douaneschulden en andere heffingen. Een van deze criteria is dat van de financiële solvabiliteit 2 . Dit criterium wordt geacht aangetoond te zijn als de aanvrager een goede financiële positie heeft die hem in staat stelt aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij naar behoren wordt gelet op de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie.

(2)In het kader van een aanvraag voor een vermindering van de doorlopende zekerheid of voor ontheffing van zekerheidstelling moeten de douaneautoriteiten beoordelen of de aanvrager in staat is het bedrag van de douaneschuld en andere heffingen in voorkomend geval te betalen.

(3)In artikel 84 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 zijn de voorwaarden vastgelegd waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag te mogen stellen of van zekerheidstelling te worden ontheven. Naast de andere voorwaarden die op het criterium van financiële solvabiliteit zijn gebaseerd, bevat dit artikel de voorwaarde dat de aanvrager aantoont dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen wat betreft het bedrag van de douaneschuld en andere heffingen die kunnen ontstaan, en die niet door de zekerheid zijn gedekt. Uit de praktische ervaring met de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 952/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 is evenwel gebleken dat deze voorwaarde te restrictief is omdat zij uitsluitend wordt uitgelegd als dat de nodige liquide middelen voorhanden moeten zijn. Liquide middelen vormen evenwel niet altijd de enige middelen waarmee een marktdeelnemer in staat is om de douaneschuld of andere heffingen die niet door de zekerheid zijn gedekt, te betalen. Andere elementen zoals gemakkelijk om te zetten activa zouden ook in aanmerking kunnen worden genomen. Daarom dient het liquiditeitsaspect als afzonderlijke voorwaarde te worden verwijderd en te worden verduidelijkt dat de beoordeling van de mate waarin een marktdeelnemer aan zijn verplichtingen kan voldoen om de douaneschuld en andere heffingen die niet door de zekerheid zijn gedekt, te betalen, een onderdeel vormt van de beoordeling van de financiële draagkracht van de aanvrager.

(4)Tegelijkertijd en met het oog op een eenvormige toepassing van deze regels dient te worden verduidelijkt dat de beoordeling van de voorwaarde van "voldoende financiële draagkracht" met betrekking tot de mate waarin de marktdeelnemer in staat is de douaneschuld en andere heffingen die kunnen ontstaan en die niet door de zekerheid zijn gedekt, specifiek betrekking heeft op de beoordeling van de aanvragen voor een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of ontheffing van zekerheidstelling (vereenvoudiging). Dit is nodig om de grenzen af te bakenen van deze beoordeling in het kader van de doorlopende zekerheid in alle gevallen waarin het bedrag wordt verminderd.

(5)In situaties waarin het overeenkomstig artikel 155 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 3 van de Commissie vastgestelde referentiebedrag niet in verhouding staat tot het bedrag van de douaneschulden die zouden kunnen ontstaan, dient te worden voorzien in de mogelijkheid dat de douaneautoriteiten, naar eigen oordeel, rekening houden met het risico dat een douaneschuld ontstaat wanneer zij over de hoogte van de vermindering beslissen.

(6)Tot slot dient te worden verduidelijkt dat AEO's overeenkomstig artikel 38, lid 5, van Verordening (EU) nr. 952/2013 niet tweemaal aan een beoordelingsprocedure mogen worden onderworpen maar ook dat de douaneautoriteiten, voordat zij vergunning verlenen voor specifieke vereenvoudigingen waarvoor AEO's in aanmerking willen komen, kunnen nagaan of de specifieke vereisten voor die vereenvoudiging worden nageleefd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 84 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wordt als volgt gewijzigd:

(1)in lid 1 wordt punt f) geschrapt;

(2)in lid 2 wordt punt g) geschrapt;

(3)in lid 3 wordt punt l) geschrapt;

(4)de volgende leden 3 bis en 3 ter worden ingevoegd:

"3 bis. Wanneer zij nagaan of de aanvrager over voldoende financiële draagkracht beschikt om vergunning te krijgen voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of ontheffing van zekerheidstelling krachtens lid 1, onder e), lid 2, onder f, en lid 3, onder k), houden de douaneautoriteiten rekening met de mate waarin de aanvrager in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen met betrekking tot de betaling van zijn douaneschulden en andere heffingen die kunnen ontstaan en die niet door die zekerheid zijn gedekt.

Indien zulks gerechtvaardigd is, kunnen de douaneautoriteiten rekening houden met het risico dat die douaneschulden en andere heffingen zullen ontstaan afhankelijk van het soort en de omvang van de douanegerelateerde bedrijfsactiviteiten van de aanvrager en het soort goederen die onder de zekerheid moeten vallen.

3 ter. Wanneer de voorwaarde van voldoende financiële draagkracht al is onderzocht in het kader van de toepassing van het in artikel 39, onder c), van het wetboek bedoelde criterium, gaan de douaneautoriteiten alleen na of de financiële draagkracht van de aanvrager de verlening van een vergunning voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een verminderd bedrag of ontheffing van zekerheidstelling rechtvaardigt.";

5)    lid 4 wordt vervangen door:

"4. Wanneer de aanvrager minder dan drie jaar gevestigd is, wordt aan de hand van de beschikbare administratie en gegevens gecontroleerd of aan de in lid 1, onder d) en e), lid 2, onder e) en f), en lid 3, onder j) en k), vastgelegde voorwaarden is voldaan.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7.6.2018

   Voor de Commissie

   De Voorzitter
   Jean-Claude JUNCKER

(1)    PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2)    Artikel 39, onder c), van Verordening (EU) nr. 952/2013.
(3)    PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558.
Top