Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32026R0667

Verordening (EU) 2026/667 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2026 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1119 wat betreft het vaststellen van een tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040

PE/5/2026/REV/1

PB L, 2026/667, 18.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/667/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/667/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/667

18.3.2026

VERORDENING (EU) 2026/667 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2026

tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1119 wat betreft het vaststellen van een tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit het resultaat van de eind 2023 op de klimaatconferentie van de Verenigde Naties afgeronde eerste algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs (3) is gebleken dat de partijen steeds doeltreffender klimaatbeleid voeren, maar dat er dringend aanvullende maatregelen nodig zijn om de wereld volledig op koers te brengen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken.

(2)

Met de vaststelling van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4) heeft de Unie een bindende doelstelling om de hele economie tegen 2050 klimaatneutraal te maken en zo de netto-uitstoot van broeikasgassen tegen die datum tot nul terug te brengen, alsook de doelstelling om daarna tot negatieve emissies te komen, in wetgeving vastgelegd. Die verordening bevatte ook een bindende tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en de eis dat er een Uniebrede tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 zou worden vastgelegd.

(3)

Rekening houdend met het wetenschappelijk advies van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering (de “adviesraad”) en op basis van een gedetailleerde effectbeoordeling heeft de Commissie in haar mededeling van 6 februari 2024 getiteld “Onze toekomst veiligstellen. De klimaatdoelstelling van Europa voor 2040 en de weg naar klimaatneutraliteit tegen 2050 met het oog op de totstandbrenging van een duurzame, rechtvaardige en welvarende samenleving” voor 2040 een nettoreductie van broeikasgasemissies van 90 % ten opzichte van de niveaus van 1990 voorgesteld.

(4)

Bij het voorstel van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 heeft de Commissie rekening gehouden met de volgende elementen: de beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke gegevens, waaronder de meest recente verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change — IPCC) en de adviesraad; de sociale, economische en milieueffecten, met inbegrip van de kosten van het uitblijven van maatregelen; de noodzaak van een billijke en sociaal rechtvaardige transitie voor iedereen; kosteneffectiviteit en economische efficiëntie; het concurrentievermogen van de economie van de Unie, in het bijzonder dat van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en van sectoren die het sterkst zijn blootgesteld aan koolstoflekkage; de beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën; energie-efficiëntie, met inbegrip van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”; betaalbaarheid van energie en voorzieningszekerheid voor alle lidstaten; rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten; de noodzaak om de doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen; de noodzaak om natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren en de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, ook in het mariene milieu; investeringsbehoeften en -kansen; de internationale ontwikkelingen en inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering; en bestaande informatie over de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050.

(5)

Om de klimaatdoelstelling voor 2040 te halen is het essentieel om onder meer het overeengekomen beleidskader voor 2030 volledig uit te voeren; het concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese industrie te waarborgen en ondersteuning te bieden om ze te versterken en te stutten; te zorgen voor duurzame voedselsystemen en voor veerkrachtige plattelandsgemeenschappen en voedselzekerheid door middel van een duurzame en robuuste Europese landbouwsector; te voorzien in transitietrajecten op basis van de beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën; en meer aandacht te hebben voor een rechtvaardige transitie voor de getroffen regio’s, sectoren en kwetsbare huishoudens, waarbij niemand aan zijn lot wordt overgelaten, bijvoorbeeld door middel van steun uit het Sociaal Klimaatfonds (5) bij de transitie naar klimaatneutraliteit. Voorts is het van essentieel belang te zorgen voor eerlijke concurrentie met internationale partners en alle economische instrumenten van de Unie doelgericht in te zetten om oneerlijke handelspraktijken te ontmoedigen en tegen te gaan, het energiesysteem koolstofvrij te maken met een technologieneutrale aanpak die alle koolstofvrije en koolstofarme energieoplossingen omvat (waaronder hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, energie-efficiëntie, opslag, koolstofafvang en -opslag (carbon capture and storage — CCS), koolstofafvang en -gebruik (carbon capture and utilisation — CCU), koolstofverwijdering, geothermische en hydro-energie, duurzame bio-energie en alle andere huidige en toekomstige nettonulenergietechnologieën), de invoerafhankelijkheid te verminderen en de bronnen waar de Unie kritieke grondstoffen vandaan haalt, te diversifiëren, en een strategische dialoog met alle betrokken sectoren te organiseren over het kader voor de periode na 2030, waaronder de industrie en de vervoerssector.

(6)

In zijn conclusies van 23 oktober 2025 stelde de Europese Raad dat het concurrentievermogen van de Unie versterken, haar veerkracht vergroten en de groene transitie bevorderen doelstellingen zijn die elkaar versterken en samen moeten worden nagestreefd, en riep hij ertoe op dringend meer inspanningen te leveren om de levering van betaalbare en schone energie te verzekeren en vóór 2030 een echte energie-unie tot stand te brengen, onder meer door gebruik te maken van de nieuwe Taskforce energie-unie, alsook vaart te zetten achter de werkzaamheden die erop gericht zijn de energieprijzen te verlagen en duurzame energieproductie binnen de Unie te ondersteunen. Met het oog op een kosteneffectieve, billijke en rechtvaardige, pragmatische en sociaal evenwichtige transitie naar klimaatneutraliteit, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende nationale omstandigheden, zullen zowel particuliere als publieke investeringen, onder meer via financiering door de Unie, een belangrijke katalysator zijn voor de transitie naar schone energie, bijvoorbeeld door de uitrol en commercialisering van innovatieve technologieën in alle lidstaten te ondersteunen en te versnellen, door de toegang tot industriële vernieuwing en decarbonisatie, de productie van schone technologieën en de modernisering van energiesystemen te ondersteunen, en door in alle economische sectoren en voor burgers in de hele Unie betaalbare oplossingen te bieden. De Clean Industrial Deal, die werd gelanceerd in de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025 getiteld “De Clean Industrial Deal: Een gezamenlijke routekaart voor concurrentievermogen en decarbonisatie”, schept de voorwaarden voor een succesvolle transitie, waarbij de nadruk ligt op zowel decarbonisatie als industriële vernieuwing, wat een bijdrage zal leveren aan het stimuleren van de vraag naar “made in Europe”, en op steunmechanismen voor de Europese industrie, waaronder een bank voor decarbonisatie van de industrie en het nieuwe vereenvoudigde kader voor staatssteun.

(7)

De Europese Raad herinnerde in zijn conclusies van 23 oktober 2025 aan de dringende behoefte om de collectieve inspanningen op te voeren teneinde de industriële vernieuwing, modernisering en decarbonisatie van Europa op technologieneutrale wijze te waarborgen. Hij onderstreepte in dat verband dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan traditionele industrieën, met name de automobielindustrie, de scheepvaart en de luchtvaart, alsook aan energie-intensieve industrieën, zoals de staal- en de metaalindustrie, de chemische industrie, de cement-, glas- en keramiekindustrie en de papier- en pulpindustrie, zodat zij veerkrachtig en concurrerend blijven op de wereldmarkt, in een uitdagend geopolitiek klimaat. De Europese Raad was in dat verband dan ook ingenomen met het voorstel van de Commissie om de Europese staalsector te beschermen tegen de oneerlijke gevolgen van wereldwijde overcapaciteit. Ook was hij ingenomen met het voornemen van de Commissie om verder te werken aan de in Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (6) genoemde evaluatie, en drong hij aan op een snelle indiening van dat voorstel, rekening houdend met technologieneutraliteit en Europese inhoud. De Europese Raad was in dat verband ingenomen met de brief van de voorzitter van de Commissie over klimaat en concurrentievermogen van 20 oktober 2025.

(8)

De Clean Industrial Deal is ook gericht op een betere toegang tot publieke en particuliere financiering, een geïntegreerde en onderling verbonden energiemarkt van de Unie die de energiezekerheid waarborgt, de bevordering van een circulaire economie, een wereldwijd gelijk speelveld, onder meer door de doeltreffende uitvoering van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (7) en de uitbreiding ervan tot downstreamgoederen, de invoering van maatregelen ter voorkoming van omzeiling en maatregelen om koolstoflekkage bij uitvoer aan te pakken, en duidelijke randvoorwaarden, zoals gestroomlijnde vergunningverlening en de invoering en schaalvergroting van schone technologieën, teneinde het concurrentievoordeel en het industriële concurrentievermogen van de Unie en de innovatie in de Unie te versterken, rekening houdend met het uitdagende geopolitieke klimaat.

(9)

In het licht van de doelstelling om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, moeten de broeikasgasemissies tegen 2040 zodanig zijn verminderd en de broeikasgasverwijderingen zodanig zijn verbeterd, dat de netto-broeikasgasemissies, dat wil zeggen emissies na aftrek van verwijderingen, in de hele economie tegen 2040 met 90 % zijn afgenomen ten opzichte van de niveaus van 1990.

(10)

Er moet prioriteit worden gegeven aan broeikasgasemissiereducties binnen de Unie, die worden aangevuld met meer verwijderingen, onder meer via zowel natuurlijke als technologische oplossingen. Bij de ontwikkeling van het beleidspakket voor de periode na 2030 moet de nodige aandacht worden besteed aan de bijdrage van bruto-emissiereducties ten opzichte van natuurlijke en technologische verwijderingen. Natuurlijke verwijderingen hebben kenmerken waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de leeftijdsstructuur van bossen, het aandeel organische bodems, de natuurlijke variabiliteit en onzekerheden in verband met de gevolgen van klimaatverandering, met natuurlijke verstoringen en met wijzigingen in methoden. Natuurlijke en industriële verwijderingen zullen in de komende decennia een steeds grotere rol in de economie van de Unie spelen, gezien de noodzaak om uiterlijk in 2050 broeikasgasemissies en -verwijderingen met elkaar in evenwicht te brengen en daarna negatieve emissies te verwezenlijken. Er zullen stimulansen worden ontwikkeld in het kader van de herziening van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) in 2026, waarbij de Commissie zich voorneemt permanente koolstofverwijderingen in de Unie op te nemen in het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (het “EU-ETS”) ter compensatie van resterende moeilijk te beperken emissies. De sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw speelt een centrale rol in een duurzame en circulaire bio-economie en kan op lange termijn klimaat- en milieuvoordelen opleveren, die bijdragen tot de transitie van de economie van de Unie naar schone energie en die een alternatief bieden voor fossiele materialen, wat voor minder afhankelijkheid zorgt.

(11)

Hoewel sommige faciliterende beleidsmaatregelen al zijn uitgevoerd en de impact ervan al zichtbaar is, is dit nog niet voor al die maatregelen het geval. De Commissie moet de initiatieven met betrekking tot het faciliterend kader blijven versterken en ernaar streven ze sneller vast te stellen, zodat de voorwaarden worden gecreëerd om de Europese industrie en burgers gedurende de gehele transitie te ondersteunen, met volledige inachtneming van het recht van de Unie.

(12)

De Unie beschikt over een regelgevingskader om de klimaatdoelstelling voor 2030 te halen. Dat kader bestaat onder meer uit Richtlijn 2003/87/EG, waarbij het EU-ETS is ingesteld, Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (9), waarbij nationale broeikasgasemissiereductiedoelen voor 2030 zijn ingevoerd, en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (10), waarbij streefcijfers voor nettokoolstofverwijdering voor de sector van het landgebruik zijn vastgesteld. Met het oog op een soepele overgang naar het emissiehandelssysteem voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren dat is vastgesteld in hoofdstuk IV bis van Richtlijn 2003/87/EG (de “ETS2”), moet de werking van de emissiehandel voor die sectoren met één jaar worden uitgesteld en moeten de regels van artikel 30 duodecies, lid 2, punten a) tot en met e), van Richtlijn 2003/87/EG van toepassing zijn. De Commissie moet beoordelen hoe de desbetreffende Uniewetgeving moet worden gewijzigd om de klimaatdoelstelling voor 2040 te halen, waarbij ze ook rekening moet houden met de afnemende capaciteit van natuurlijke koolstofputten. Bij het ontwerpen van het kader voor de periode na 2030 moet de Commissie gedetailleerde effectbeoordelingen opstellen, rekening houdend met haar analyse van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, het geopolitieke klimaat, inclusief de noodzaak ervoor te zorgen dat de Unie en haar lidstaten hun defensiecapaciteit snel kunnen vergroten en versterken door mogelijke lasten weg te nemen, en tegelijkertijd stimulansen voor industriële decarbonisatie te blijven bieden, de gevolgen voor het concurrentievermogen, voor kmo’s en voor energie-intensieve industrieën, en de gevolgen voor de energiekosten en investeringsbehoeften in de lidstaten, en moet ze overwegen de nodige maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van wetgevingsvoorstellen, te nemen.

(13)

In die wetgevingsvoorstellen moet op passende wijze een aantal elementen worden weerspiegeld om de verwezenlijking van de klimaatdoelstelling voor 2040 te vergemakkelijken, waaronder: een adequate bijdrage aan de klimaatdoelstelling voor 2040 van hoogwaardige internationale kredieten uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, van 2036 tot en met 2040, op een wijze die zowel ambitieus als kosteneffectief is, overeenkomstig de boekhoudregels van de Overeenkomst van Parijs, met inbegrip van een proefperiode om een hoogwaardige internationale markt met hoge integriteit voor kredieten op te zetten van 2031 tot en met 2035; de rol van permanente verwijderingen binnen de Unie (zoals koolstofafvang en -opslag van biogene emissies (biogenic emissions capture with carbon storage — BioCCS) en directe afvang uit de lucht met koolstofopslag (direct air capture with carbon storage — DACCS)) in het EU-ETS, waarbij de milieu-integriteit van het EU-ETS wordt gewaarborgd, met inbegrip van de mogelijkheid om in voorkomend geval CO2 buiten de Unie op te slaan, mits er daartoe internationale overeenkomsten bestaan en er wordt gezorgd voor voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de in het recht van de Unie vastgelegde voorwaarden; en betere en toegankelijke flexibiliteit tussen en binnen sectoren en instrumenten ter ondersteuning van een kosteneffectieve aanpak waarbij bijvoorbeeld de verwezenlijkingen van de lidstaten in de ene sector op kostenefficiënte wijze de tekortkomingen in andere sectoren kunnen compenseren, en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat elke sector bijdraagt aan de inspanningen en dat de eventuele tekorten in de ene sector niet ten koste gaan van andere economische sectoren, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid van elke lidstaat om gebruik te maken van die flexibiliteit. Bij het operationaliseren van het gebruik van internationale kredieten moet de Commissie rekening houden met de noodzaak om een gelijk speelveld tussen de lidstaten te waarborgen en met de mogelijkheid om overeenkomstig de belangen van de Unie strategische partnerschappen van de Unie te ondersteunen. Het huidige EU-ETS-traject moet bij de komende evaluatie van Richtlijn 2003/87/EG worden herzien om rekening te houden met de overeengekomen doelstelling voor 2040 op een manier die ruimte laat voor een beperkte hoeveelheid emissies na 2039. De Commissie moet tijdig een langzamer uitfaseringstraject overwegen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten vanaf 2028 ter ondersteuning van decarbonisatie, investeringen en werkgelegenheid in de Unie, onder meer middels een bank voor decarbonisatie van de industrie en een herziening van de marktstabiliteitsreserve (11), waarbij het risico op koolstoflekkage tot een minimum wordt beperkt. Om de sociale, economische en milieueffecten te meten, moet het kader voor de periode na 2030 gebaseerd zijn op robuuste effectbeoordelingen. Het kader voor de periode na 2030 moet ook convergentie bevorderen, rekening houdend met billijkheid en de nationale omstandigheden en specifieke kenmerken van de lidstaten, met inbegrip van die van eilanden, eilandlidstaten en ultraperifere gebieden.

(14)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van een tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(15)

Verordening (EU) 2021/1119 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1119

Verordening (EU) 2021/1119 wordt als volgt gewijzigd:

1)

aan artikel 1, tweede alinea, wordt de volgende zin toegevoegd:

“Deze verordening bevat ook een bindende klimaatdoelstelling op Unieniveau voor 2040.”

;

2)

in artikel 4 worden de leden 3, 4 en 5 vervangen door:

“3.   Om de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, is de bindende klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 een reductie van netto-broeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) van 90 % tegen 2040 ten opzichte van de niveaus van 1990.

4.   Met het oog op de periode na 2030 evalueert de Commissie relevante Uniewetgeving om de verwezenlijking van de in lid 3 van dit artikel vastgestelde doelstelling en de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken en neemt zij, indien passend, de nodige maatregelen op basis van gedetailleerde effectbeoordelingen, overeenkomstig de Verdragen.

De Commissie blijft de initiatieven met betrekking tot het faciliterend kader versterken en streeft ernaar de vaststelling en de uitvoering ervan te versnellen om ervoor te zorgen dat de voorwaarden vervuld zijn om getroffen rechtspersonen en natuurlijke personen, zoals de Europese industrie en burgers, gedurende de gehele transitie te helpen om de in de leden 1 en 3 van dit artikel genoemde doelstellingen, de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit en een klimaatneutrale economie te bereiken.

5.   In het kader van de in lid 4, eerste alinea, bedoelde evaluatie zorgt de Commissie, om de verwezenlijking van de in lid 3 vastgestelde doelstelling te vergemakkelijken, ervoor dat de volgende elementen op passende wijze in de wetgevingsvoorstellen worden weerspiegeld:

a)

vanaf 2036 een adequate bijdrage aan de klimaatdoelstelling voor 2040 van hoogwaardige internationale kredieten uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs tot 5 % van de netto-emissies in de Unie van 1990, hetgeen overeenkomt met een reductie binnen de Unie van netto-broeikasgasemissies van 85 % tegen 2040 ten opzichte van de niveaus van 1990, op een wijze die zowel ambitieus als kosteneffectief is, ter ondersteuning van de Unie en derde landen bij het verwezenlijken van trajecten voor netto-broeikasgasreductie die verenigbaar zijn met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 oC te houden en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 oC boven de pre-industriële niveaus, waarbij de milieu-integriteit van die kredieten wordt gewaarborgd en tegelijkertijd het technologische leiderschap van de Unie wordt bevorderd; een proefperiode van 2031 tot en met 2035 om een hoogwaardige internationale markt met hoge integriteit voor kredieten op te zetten, kan worden overwogen; de oorsprong, kwaliteitscriteria en andere voorwaarden voor de verwerving en het gebruik van dergelijke kredieten worden gereguleerd in het Unierecht om ervoor te zorgen dat zij, met het oog op de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen en -beleidsmaatregelen die verenigbaar zijn met de temperatuurdoelstelling op lange termijn zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs, gebaseerd zijn op geloofwaardige en transformatieve activiteiten in partnerlanden, dat zij onderworpen zijn aan solide waarborgen, waaronder die van integriteit, vermijding van dubbeltelling, additionaliteit, continuïteit, transparante governance, sterke monitoring-, rapportage- en verificatiemethoden, dat zij economische, sociale en milieu-nevenvoordelen en waarborgen op het gebied van de mensenrechten garanderen, en dat zij gepaard gaan met een hoog ambitieniveau wat betreft het aandeel van de opbrengsten dat wordt gebruikt voor aanpassing, en het delen van de mitigatievoordelen met de betrokken landen; bij de vaststelling van de kwaliteitscriteria onderzoekt de Commissie in voorkomend geval of het dienstig is de uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde criteria aan te vullen om ervoor te zorgen dat die waarborgen en de hoogste kwaliteit van internationale kredieten in acht worden genomen, met name op het punt van continuïteit en mensenrechten;

b)

de rol van permanente verwijderingen in de Unie in het kader van het bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1) vastgestelde systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (het “EU-ETS”) ter compensatie van resterende moeilijk te beperken emissies;

c)

meer flexibiliteit binnen en tussen sectoren en instrumenten om de verwezenlijking van de doelstellingen op eenvoudige en kosteneffectieve wijze te ondersteunen;

d)

het realistische aandeel van koolstofverwijderingen in de totale emissiereductie-inspanning, waarbij rekening wordt gehouden met de onzekerheden die gepaard gaan met natuurlijke verwijderingen en ervoor wordt gezorgd dat eventuele tekorten niet door andere economische sectoren moeten worden opgevangen, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om overschotten aan natuurlijke verwijderingen in te zetten om hun emissies in andere sectoren te compenseren;

e)

de noodzaak om, indien van toepassing, natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren, de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, een duurzame en circulaire bio-economie te bevorderen en rekening te houden met de effecten van verschillen in de leeftijdsstructuur van bossen, natuurlijke variabiliteit en onzekerheden, met name in verband met de gevolgen van de klimaatverandering en natuurlijke verstoringen in de sectoren landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw;

f)

de doelstellingen en inspanningen van de lidstaten voor de periode na 2030 moeten in het teken staan van kostenefficiëntie en solidariteit, rekening houdend met de verschillende nationale omstandigheden en specifieke kenmerken, met inbegrip van die van eilanden en ultraperifere gebieden;

g)

het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC en de adviesraad;

h)

de sociale, economische en milieueffecten in alle lidstaten, onder meer met betrekking tot de doelstellingen van decarbonisatie en concurrentievermogen voor de Europese industrie;

i)

de kosten van het uitblijven van maatregelen en de voordelen van maatregelen op middellange tot lange termijn;

j)

de noodzaak om een billijke en rechtvaardige, pragmatische, kosteneffectieve en sociaal evenwichtige transitie voor iedereen te waarborgen en te ondersteunen, rekening houdend met de verschillende nationale omstandigheden en met bijzondere aandacht voor het effect op de consumentenprijzen, energiearmoede en vervoersarmoede, en voor regio’s en sectoren, met inbegrip van hun investeringscapaciteit, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), landbouwers en kwetsbare huishoudens die worden getroffen door de transitie naar klimaatneutraliteit;

k)

vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten, technologieneutraliteit, kosteneffectiviteit, economische efficiëntie en economische veiligheid;

l)

klimaatactie als aanjager van investeringen, innovatie en een groter concurrentievermogen;

m)

de noodzaak om de veerkracht en het mondiale concurrentievermogen van de economie van de Unie te versterken en het risico op koolstoflekkage te verminderen, met name voor kmo’s en industriële sectoren die het meest aan het risico op koolstoflekkage, onder meer met betrekking tot de uitvoer, zijn blootgesteld, teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen;

n)

beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën;

o)

beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie, voorzieningszekerheid, energiezekerheid en energie-efficiëntie, met inbegrip van het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, en het versterken van elektriciteitsnetten en interconnecties, teneinde een echte energie-unie tot stand te brengen en binnen de Unie geproduceerde energie te bevorderen;

p)

de rol van koolstofvrije, koolstofarme en hernieuwbare brandstoffen bij de decarbonisatie van het vervoer, met inbegrip van het wegvervoer na 2030, en concrete maatregelen om fabrikanten van zware bedrijfsvoertuigen te helpen hun streefcijfers te halen, rekening houdend met Europese inhoud;

q)

rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten;

r)

de noodzaak om de doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen en tegelijkertijd borg te staan voor sociale cohesie, voedselzekerheid en een rechtvaardige transitie;

s)

investeringsbehoeften en -kansen, met inbegrip van toegang tot publieke en particuliere financiering, en steun voor innovatie en toegang tot innovatieve technologieën in alle lidstaten, rekening houdend met het geografische evenwicht;

t)

internationale ontwikkelingen en inspanningen om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change — UNFCCC) te verwezenlijken, alsook de steun van de Unie aan haar partners bij het aanpakken van klimaatverandering en de gevolgen ervan.

(*1)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).”;"

3)

aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd:

“8.   Vanaf 6 maart 2027 en vervolgens om de twee jaar, beoordeelt de Commissie de uitvoering van de tussentijdse doelstellingen en decarbonisatietrajecten van deze verordening en brengt zij daarover verslag uit, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke gegevens, de technologische vooruitgang en de veranderende uitdagingen en kansen voor het mondiale concurrentievermogen van de Unie. Die beoordeling kan, indien nodig, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.”

;

4)

in artikel 11 worden aan de eerste alinea de volgende punten toegevoegd:

“c)

de veranderende uitdagingen en kansen voor het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie in alle lidstaten, in het bijzonder dat van energie-intensieve industrieën en van kmo’s;

d)

de ontwikkeling van de energieprijzen en de gevolgen daarvan voor Europese industrieën en huishoudens;

e)

de sociaal-economische gevolgen, met inbegrip van de gevolgen voor de werkgelegenheid;

f)

de technologische vooruitgang en de toepassing van innovatieve technologieën in alle lidstaten en sectoren;

g)

het geraamde niveau van nettoverwijderingen op Unieniveau ten opzichte van de doelstellingen van deze verordening; indien de Commissie vaststelt dat het geraamde niveau van natuurlijke nettoverwijderingen voor 2040 aanzienlijk afwijkt van wat nodig zou zijn om de tussentijdse doelstelling voor 2040 te halen, ook indien die afwijking het gevolg is van natuurlijke verstoringen, stelt de Commissie, in voorkomend geval, maatregelen op Unieniveau voor, waaronder indien nodig een aanpassing van de tussentijdse doelstelling voor 2040 in overeenstemming met en binnen de grenzen van de eventuele tekorten, en zorgt zij ervoor dat eventuele tekorten niet ten koste gaan van andere economische sectoren;

h)

de vooruitgang in de richting van de in deze verordening vastgestelde tussentijdse doelstellingen;

i)

de flexibiliteit voor de lidstaten om hoogwaardige internationale kredieten te gebruiken om maximaal 5 % van hun doelstellingen en inspanningen voor de periode na 2030 te halen.”

;

5)

in artikel 11 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het verslag van de Commissie gaat in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen tot herziening van deze verordening, waaronder de tussentijdse doelstelling voor 2040, en van aanvullende maatregelen ter versterking van initiatieven met betrekking tot het faciliterend kader waarmee de verdere doeltreffende uitvoering van deze verordening wordt ondersteund, overeenkomstig artikel 4, lid 5, en ter waarborging van het concurrentievermogen, de welvaart en de sociale cohesie van de Unie.”.

Artikel 2

Uitstel van de inwerkingstelling van de emissiehandel voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren

De inwerkingstelling van de emissiehandel voor de gebouwensector, de wegvervoerssector en aanvullende sectoren zoals vastgesteld in hoofdstuk IV bis van Richtlijn 2003/87/EG wordt uitgesteld tot 2028. De regels van artikel 30 duodecies, lid 2, punten a) tot en met e), van Richtlijn 2003/87/EG zijn van toepassing. De bepalingen van artikel 10 bis, lid 8 ter, van Richtlijn 2003/87/EG zijn ook van toepassing in 2026.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2026.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. RAOUNA


(1)   PB C, C/2026/37, 16.1.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/37/oj.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 10 februari 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 5 maart 2026.

(3)   PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(4)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1119/oj).

(5)  Verordening (EU) 2023/955 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot oprichting van een sociaal klimaatfonds en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1060 (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/955/oj).

(6)  Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/631/oj).

(7)  Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj).

(8)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).

(9)  Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/842/oj).

(10)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).

(11)  Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2015/1814/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/667/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top