EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32024R1468

Verordening (EU) 2024/1468 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie, regelingen voor klimaat, milieu en dierenwelzijn, wijzigingen van de strategische GLB-plannen, herziening van de strategische GLB-plannen en vrijstellingen van controles en sancties

PE/75/2024/REV/1

PB L, 2024/1468, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1468/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1468/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/1468

24.5.2024

VERORDENING (EU) 2024/1468 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 mei 2024

tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 wat betreft de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie, regelingen voor klimaat, milieu en dierenwelzijn, wijzigingen van de strategische GLB-plannen, herziening van de strategische GLB-plannen en vrijstellingen van controles en sancties

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (3) bevat voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (“strategische GLB-plannen”) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd. Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (4) bevat voorschriften inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

(2)

Ondanks het feit dat de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 de lidstaten aanzienlijke flexibiliteit bieden en de administratieve lasten voor landbouwers kunnen verminderen, is in het eerste jaar van de concrete toepassing van die verordeningen door middel van strategische GLB-plannen duidelijk geworden dat bepaalde beperkte aanpassingen van het rechtskader van de Unie voor het GLB noodzakelijk zijn om een doeltreffende uitvoering van de strategische GLB-plannen te waarborgen en de administratieve lasten in verband met de uitvoering van de strategische GLB-plannen en met de controle op bepaalde vereisten te verminderen.

(3)

Bovendien worden de landbouwers geconfronteerd met een uitzonderlijke reeks moeilijkheden en onzekerheden. De afgelopen jaren werden met name gekenmerkt door een aanzienlijk aantal extreme weergebeurtenissen, waaronder droogten en overstromingen in verschillende delen van de Unie. Die omstandigheden treffen de productie en de inkomsten, en hebben tevens aanzienlijke gevolgen voor de uitvoering en de kalender van de normale agronomische praktijken. De hoge energie- en inputprijzen en de onzekerheden als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de kosten van levensonderhoud, de inflatie, de daling van de graanproductiewaarde in 2023 en de veranderingen in de internationale handelsstromen hebben nog meer onzekerheden en druk op landbouwers met zich meegebracht. Die samenloop van omstandigheden zet de landbouwers, als beheerders van natuurlijke hulpbronnen en als economische actoren, zwaar onder druk om het beheer van hun bedrijf en de uitvoering van agronomische prakijken aan te passen.

(4)

Bijgevolg moeten sommige bepalingen van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 worden herzien en vereenvoudigd om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun strategische GLB-plannen beter kunnen aanpassen aan de behoeften van landbouwers en om de landbouwers meer flexibiliteit te bieden om bij de uitvoering van hun landbouwactiviteiten rekening te houden met de toenemende uitdagingen, de onvoorspelbaarheid van het weer en de economische onzekerheden.

(5)

Krachtens artikel 13 van Verordening (EU) 2021/2115 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle landbouwarealen, met inbegrip van land dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt, in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden. De lidstaten moeten op nationaal of regionaal niveau met betrekking tot elke in bijlage III bij die verordening vermelde norm voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (GLMC-norm) minimumnormen vaststellen voor landbouwers en andere begunstigen, overeenkomstig de in die bijlage bedoelde hoofddoelstelling van elk van die normen. De algemene doelstellingen van bodembescherming en bodemkwaliteit die met de GLMC-normen 5, 6 en 7 worden nagestreefd, worden beïnvloed door tal van factoren, waaronder bodemtype, gewaskeuze, klimaat- en weersomstandigheden, en grondgebruik in het verleden en heden, en landbouwsystemen, zoals biologische landbouw die een andere benadering van bepaalde activiteiten vereist. De ervaring leert dat het opleggen van bepaalde vereisten, zonder terdege rekening te houden met die factoren, zoals beperkingen op grondbewerking of verplichtingen om gedurende een specifieke periode te zaaien, in bepaalde situaties een negatieve invloed kan hebben op bepaalde bodems of bepaalde gewassen, en zelfs afbreuk kan doen aan de doelstelling van bodembescherming. GLMC-norm 9 verbiedt het omzetten en ploegen van blijvend grasland dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in Natura 2000-gebieden. De ervaring heeft echter geleerd dat er uitzonderlijke situaties kunnen zijn waarin dergelijk ecologisch kwetsbaar blijvend grasland wordt beschadigd, bijvoorbeeld door wilde dieren of invasieve soorten, en passende maatregelen ten aanzien van die situaties, met inbegrip van uitzonderingen op het verbod op het ploegen van de betrokken arealen met het oog op het herstel van dergelijk blijvend grasland, nodig kunnen zijn om ervoor te zorgen dat de vereisten van GLMC-norm 9 bijdragen tot de bescherming van habitats en soorten.

(6)

Door het toenemende aantal extreme weergebeurtenissen en gevallen van schade aan blijvend grasland dat als ecologisch kwetsbaar is aangemerkt, als gevolg van factoren zoals wilde dieren of invasieve soorten, komen bij landbouwers steeds vaker specifieke problemen bij de toepassing van de GLMC-normen 5, 6, 7 en 9 voor, die de lidstaten moeten aanpakken. Bovendien bestaat het risico dat dergelijke vereisten onevenredig zijn, gelet op hun daadwerkelijke bijdrage aan het bereiken van de doelstelling van bodembescherming voor de GLMC-normen 5, 6 en 7 en de doelstelling van bescherming van habitats en soorten voor GLMC-norm 9. Om dergelijke situaties te voorkomen, moet het de lidstaten worden toegestaan specifieke vrijstellingen van de vereisten van de GLMC-normen 5, 6, 7 en 9 vast te stellen om specifieke problemen bij de toepassing van die GLMC-normen aan te pakken op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals bodemtypen, gewassen of landbouwsystemen, of schade aan blijvend grasland, door onder andere wilde dieren of invasieve soorten. Die vrijstellingen moeten worden beperkt wat hun oppervlaktedekking betreft en mogen geen belemmering vormen voor de bijdrage van die normen aan het bereiken van hun in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115 vermelde hoofddoelstellingen.

(7)

De weersomstandigheden en de gevolgen daarvan voor de toestand van landbouwarealen kunnen landbouwers en andere begunstigden beletten om in een bepaald jaar te voldoen aan de vereisten van de GLMC-normen, zoals termijnen en perioden voor concrete acties. Om een situatie te voorkomen waarin landbouwers die met dergelijke vereisten worden geconfronteerd bijvoorbeeld verplicht zijn gewassen tegen een bepaalde datum in te zaaien wanneer de weersomstandigheden het in een bepaald jaar niet mogelijk maken de nodige handelingen uit te voeren, of alleen met ernstige negatieve gevolgen voor de bodem, zoals bodemverdichting, moeten de lidstaten bij de toepassing van op grond van Verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde minimumnormen voor een goede landbouw- en milieuconditie tijdelijk van die voorschriften kunnen afwijken. Dergelijke tijdelijke afwijkingen moeten, wat betreft hun toepassingsgebied, beperkt zijn tot landbouwers en andere begunstigden of tot arealen die door de betreffende weersomstandigheden zijn getroffen en mogen door de lidstaten slechts worden toegepast zolang ze strikt noodzakelijk zijn.

(8)

Verordening (EU) 2021/2115 voorziet in een aantal elementen en instrumenten voor de lidstaten voor de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, punt f), van die verordening bedoelde specifieke doelstelling om bij te dragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en tot de instandhouding van de habitats en landschappen. Een van deze elementen is het conditionaliteitssysteem. Met name omvat GLMC-norm 8, zoals opgenomen in bijlage III bij die verordening, verschillende vereisten, waaronder de verplichting om een bepaald deel van het bouwland te bestemmen voor niet-productieve arealen en elementen. De hoofddoelstelling van GLMC-norm 8 is de instandhouding van niet-productieve elementen en oppervlakte ter verbetering van de biodiversiteit op het landbouwbedrijf. De lidstaten kunnen ook interventies ontwikkelen ter ondersteuning van die doelstelling, zoals ecoregelingen om acties te bestrijken op grond van van Verordening (EU) 2021/2115. In de context van de uitdagingen en onzekerheden die voortvloeien uit de samenloop van ongunstige omstandigheden en economische onzekerheden, is gebleken dat het noodzakelijk is het evenwicht tussen de verschillende beleidsinstrumenten die bijdragen tot de bescherming en de verbetering van de biodiversiteit aan te passen om landbouwers meer flexibiliteit te bieden bij het bijdragen aan het bereiken van die doelstelling, afhankelijk van de specifieke situatie van hun bedrijven, en een betere financiële compensatie voor die bijdrage te bieden.

(9)

Aangezien de verplichting om een deel van het bouwland te bestemmen voor niet-productieve arealen en elementen momenteel is vastgelegd in het eerste vereiste van GLMC-norm 8, zoals vermeld in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, moeten landbouwers die rechtstreekse betalingen en interventies als bedoeld in de artikelen 70, 71 en 72 van die verordening aanvragen, aan dat vereiste voldoen zonder compensatie van de gemaakte kosten of de gederfde inkomsten. Dit kan in bepaalde gevallen een aanzienlijke financiële last voor de betrokken landbouwers en begunstigden met zich meebrengen, met name gezien het feit dat geen gewasteelt of dierlijke productie mogelijk is op bouwland dat bestemd is voor niet-productieve arealen of elementen in het kader van GLMC-norm 8. Gezien de lasten en gevolgen voor bepaalde landbouwers en de uitzonderlijke moeilijkheden en onzekerheden waarmee zij worden geconfronteerd, zou de behoefte aan niet-productieve arealen en elementen op bouwland beter worden aangepakt met een instrument dat meer flexibiliteit biedt en, belangrijker nog, een stimulans biedt door ten minste een deel van de gemaakte kosten en gederfde inkomsten in verband met dergelijke niet-productieve arealen en elementen te compenseren. Dienovereenkomstig moet artikel 31 van Verordening (EU) 2021/2115 worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de lidstaten voorzien in steun voor ecoregelingen inzake praktijken, op bouwland, voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land, en voor de aanleg van nieuwe landschapselementen.

(10)

Tegelijkertijd moet het bij Verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde conditionaliteitssysteem worden aangepast door de verplichting om een deel van het bouwland te bestemmen voor niet-productieve arealen en elementen van GLMC-norm 8, zoals opgenomen in bijlage III bij die verordening, te schrappen. De verplichting om landschapselementen te behouden en het verbod op het snoeien van heggen en bomen in de vogelbroedperiode, die momenteel deel uitmaken van de vereisten van GLMC-norm 8, moeten worden gehandhaafd als onderdeel van het conditionaliteitssysteem om ervoor te zorgen dat bestaande landschapselementen van landbouwarealen worden beschermd.

(11)

De lidstaten moeten extra flexibiliteit krijgen om hun strategische GLB-plannen te wijzigen, waarbij hun stabiliteit en beheersbaarheid, alsook de administratieve efficiëntie van het wijzigingsproces worden gewaarborgd. De ervaring heeft geleerd dat het moeilijk kan zijn om de specifieke vereisten van zowel het ELGF als het Elfpo te combineren in één wijzigingsverzoek. Tegelijkertijd moet het aantal wijzigingen per kalenderjaar worden beperkt om ervoor te zorgen dat landbouwers en andere begunstigden voldoende tijd hebben om rekening te houden met die wijzigingen en om de administratieve lasten voor de lidstaten te beperken en de Commissie in staat te stellen binnen de termijnen die zijn bepaald in het rechtskader van de Unie dat is vastgelegd in de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116, te beoordelen of die wijzigingen verenigbaar zijn met dat rechtskader. Om die redenen moet het maximumaantal verzoeken tot wijziging van strategische GLB-plannen worden verhoogd tot twee wijzigingsverzoeken per kalenderjaar, in aanvulling op de drie extra verzoeken tot wijziging van het strategisch GLB-plan die overeenkomstig artikel 119, lid 7, van Verordening (EU) 2021/2115 kunnen worden ingediend.

(12)

Overeenkomstig artikel 120 van Verordening (EU) 2021/2115 moeten de lidstaten in geval van wijziging van in bijlage XIII bij die verordening vermelde wetgevingshandelingen beoordelen of hun strategische GLB-plannen moeten worden gewijzigd, en de Commissie binnen een bepaalde termijn in kennis stellen van het resultaat van die beoordelingen. Aangezien die verplichting belastend is gebleken voor de lidstaten en de inspanningen die de lidstaten anders moeten investeren in de beoordeling voor het resterende deel van de programmeringsperiode van de huidige strategische GLB-plannen, moeten worden beperkt, mag die verplichting niet gelden voor wijzigingen die na 31 december 2025 in werking treden, van in bijlage XIII vermelde wetgevingshandelingen.

(13)

De ervaring leert dat de samenloop van talrijke ongunstige omstandigheden voor landbouwers uitdagingen met zich meebrengt die meer flexibiliteit en een vereenvoudiging van de uitvoering van de strategische GLB-plannen vereisen, met betrekking tot bepaalde GLMC-normen die zijn opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115.

(14)

GLMC-norm 6, zoals opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, heeft als hoofddoelstelling de bescherming van bodems in de meest kwetsbare perioden door middel van een verplichting tot minimale bodembedekking om kale grond in dergelijke kwetsbare perioden te voorkomen. Meer dan bij andere GLMC-normen het geval is, worden het ontwerp en de uitvoering van de vereisten in het kader van GLMC-norm 6 beïnvloed door een breed scala aan factoren. De minimale bodembedekking kan met name worden gewaarborgd op verschillende manieren, die niet alleen afhangen van bodem- en klimaatomstandigheden, maar ook van factoren zoals de keuze van de gewassen en de duur van het groeiseizoen in een bepaald jaar. Daarnaast kunnen er verschillende kwetsbare perioden zijn, naargelang van met name de specifieke bodem- en klimaatomstandigheden. Bovendien moeten landbouwers en andere begunstigden bij het maken van productiekeuzen en met name bij het nemen van beslissingen over inzaaien, de vereisten van GLMC-norm 6 kunnen verzoenen met onvoorspelbare weersomstandigheden. In het licht van die factoren moeten de lidstaten de vereisten van GLMC-norm 6 flexibeler kunnen beheren dan die van andere GLMC-normen, en op zodanige wijze dat de bijdrage van die vereisten aan het bereiken van de hoofddoelstelling van die norm wordt gewaarborgd en rekening wordt gehouden met een reeks factoren, zoals bodem- en klimaatomstandigheden.

(15)

Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan de belangrijkste elementen van GLMC-norm 6 vast te stellen en om ze samen te vatten in hun strategische GLB-plannen, overeenkomstig artikel 109, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2021/2115. De Commissie moet om die reden, overeenkomstig artikel 13, lid 1, artikel 109, lid 2, en de artikelen 118 en 119 van die verordening, waarborgen dat de belangrijkste elementen van GLMC-norm 6, zoals vastgesteld door de lidstaten, over het geheel genomen, stroken met de hoofddoelstelling van die GLMC-norm.

(16)

De hoofddoelstelling van GLMC-norm 7, zoals opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, is het behoud van bodempotentieel. Aangezien gewasdiversificatie ook kan bijdragen tot het behoud van bodempotentieel en bovendien voor bepaalde landbouwers eenvoudiger uit te voeren is in de context van de veelvuldige moeilijkheden en uitdagingen waarmee ze momenteel worden geconfronteerd, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn om landbouwers toe te staan ook door middel van gewasdiversificatie aan GLMC-norm 7 te voldoen. Daarom moeten minimumvereisten inzake gewasdiversificatie worden vastgesteld.

(17)

Het is belangrijk dat het GLB via conditionaliteitsvereisten blijft bijdragen aan de in artikel 6, lid 1, punten d), e) en f), van Verordening (EU) 2021/2115 vastgestelde milieudoelstellingen. Het is ook belangrijk dat de stabiliteit van die vereisten als de gemeenschappelijk basis voor de lidstaten en landbouwers wordt gewaarborgd. Daarom moeten de conditionaliteitsvereisten van Verordening (EU) 2021/2115 blijven gelden voor alle landbouwers. De administratieve lasten in verband met de controles van die conditionaliteitsvereisten waarin Verordening (EU) 2021/2116 voorziet, kunnen echter onevenredig zwaar zijn voor kleine landbouwers en nationale overheden. Daarom moeten, in aanvulling op de flexibiliteit met betrekking tot GLMC-normen 6, 7 en 8, de lasten voor kleine landbouwers en nationale overheden in verband met de controles waarin Verordening (EU) 2021/2116 voorziet worden verlicht. Landbouwers met een bedrijf met een maximale omvang van tien ha landbouwareaal moeten bijgevolg worden vrijgesteld van conditionaliteitscontroles wat betreft uit het Unierecht voortvloeiende beheerseisen en goede landbouw- en milieucondities. Aangezien dergelijke kleine landbouwers 65 % van de begunstigden van het GLB uitmaken, maar slechts ongeveer 10 % van het totale landbouwareaal vertegenwoordigen, zou die vrijstelling het werk van veel landbouwers en nationale overheden vereenvoudigen zonder de bijdrage van de conditionaliteitsvereisten aan het bereiken van hun doelstellingen significant te belemmeren.

(18)

Aangezien het door kleine landbouwers beheerde landbouwareaal klein is en de sancties over het algemeen laag zijn voor kleine landbouwers, kan de toepassing van sancties tot onevenredige lasten voor de overheden van de lidstaten leiden. Kleine landbouwers die van de conditionaliteitscontroles zijn vrijgesteld moeten derhalve ook worden vrijgesteld van de toepassing van administratieve sancties wegens niet-naleving van conditionaliteitsvereisten.

(19)

Om buitensporige administratieve kosten en lasten in verband met controles betreffende conditionaliteit en randvoorwaarden te voorkomen, moeten begunstigden die areaalgebonden betalingen ontvangen in het kader van zowel een strategisch GLB-plan op grond van Verordening (EU) 2021/2115 als een plattelandsontwikkelingsprogramma dat tot en met 31 december 2025 in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) wordt uitgevoerd, en daarom onderworpen zijn aan conditionaliteitscontroles op grond van Verordening (EU) 2021/2116, worden vrijgesteld van randvoorwaardencontroles en de toepassing van sancties op grond van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(20)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk om de uitzonderlijke reeks moeilijkheden en onzekerheden waarmee landbouwers worden geconfronteerd aan te pakken door sommige bepalingen van de Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 te herzien en te vereenvoudigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(21)

Verordeningen (EU) 2021/2115 en (EU) 2021/2116 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(22)

Met het oog op een vlotte uitvoering van de in deze verordening neergelegde maatregelen met betrekking tot de GLMC-normen 6, 7 en 8, zoals opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot wijzigingen van strategische GLB-plannen die door de lidstaten op grond van artikel 119 van Verordening (EU) 2021/2115 ter goedkeuring door de Commissie zijn ingediend in 2024 en met betrekking tot de gevolgen van die wijzigingen in 2024 vóór de goedkeuring van die wijzigingen door de Commissie.

(23)

Gezien de nodzaak om landbouwers meer flexibilteit te geven om hun landbouwactiviteiten uit te voeren, rekening houdend met de toenemende uitdagingen, de onvoorspelbaarheid van het weer en economische onzekerheden waarmee zij worden geconfronteerd en de hoogdringendheid om de gevolgen van die uitzonderlijke reeks moeilijkheden en onzekerheden aan te pakken, wordt het passend geacht gebruik te maken van de uitzondering op de periode van acht weken waarin is voorzien bij artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(24)

Met het oog op een vlotte uitvoering van de beoogde maatregelen en gezien de urgentie vanwege de dringende noodzaak om de uitzonderlijke reeks moeilijkheden en onzekerheden waarmee landbouwers worden geconfronteerd aan te pakken, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(25)

Om onevenredige administratieve lasten voor kleine landbouwers en voor nationale autoriteiten te voorkomen, moet de vrijstelling van sancties in verband met niet-naleving van conditionaliteitsvereisten en de vrijstelling van sancties in verband met niet-naleving van de randvoorwaarden met terugwerkende kracht van toepassing zijn voor claimjaar 2024.

(26)

Aangezien claimjaar 2024 op 1 januari 2024 is ingegaan, moeten de maatregelen van deze verordening met betrekking tot de GLMC-normen 6, 7 en 8, zoals opgenomen in bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115, reeds voor claimjaar 2024 van toepassing zijn om de lidstaten de mogelijkheid te geven die maatregelen vanaf dat claimjaar toe te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/2115

Verordening (EU) 2021/2115 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

“a)

“bouwland”: land dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is maar braak ligt, alsmede, voor de looptijd van de verbintenis, land dat voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is maar braak ligt, dat is braakgelegd overeenkomstig artikel 31 of artikel 70 van deze verordening, of overeenkomstig artikel 22, 23 of 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (*1), of artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (*2), of artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*3);

(*1)  Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen ( PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1999/1257/oj)."

(*2)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) ( PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/1698/oj)."

(*3)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad ( PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj).”;"

b)

in lid 4, eerste alinea, wordt punt b) vervangen door:

“b)

areaal van het bedrijf:

i)

met landschapselementen die onder de behoudsverplichting van GLMC-norm 8 vallen als vermeld in bijlage III, of

ii)

dat, voor de duur van de betrokken verbintenis van de landbouwer, wordt ingesteld of gehandhaafd uit hoofde van een in artikel 31 bedoelde ecoregeling.

Indien een lidstaat daartoe besluit, mag een “subsidiabele hectare” andere landschapselementen bevatten, mits deze niet overheersen en de uitoefening van de landbouwactiviteit niet significant belemmeren door het ingenomen areaal op het landbouwperceel. Bij het toepassen van dat beginsel kan een lidstaat het deel landbouwperceel met die andere landschapselementen, begrenzen.

Voor blijvend grasland met geïsoleerde niet-subsidiabele elementen kunnen de lidstaten besluiten om voor het bepalen van de subsidiabele oppervlakte vaste verlagingscoëfficiënten toe te passen;”.

2)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Bij het vaststellen van de in bijlage III vermelde GLMC-norm 5, 6, 7 of 9 kunnen de lidstaten specifieke vrijstellingen van de vereisten van die normen vaststellen. Die vrijstellingen worden gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals gewassen, bodemtypen en landbouwsystemen of schade aan blijvend graslanddoor onder andere wilde dieren of invasieve soorten, en zijn beperkt in termen van oppervlaktedekking. Specifieke vrijstellingen worden alleen vastgesteld in het geval dat, en voor zover, ze noodzakelijk zijn om specifieke problemen bij de toepassing van die normen aan te pakken en ze de bijdrage van elk van die normen aan de in bijlage III vermelde hoofddoelstellingen niet significantbelemmeren.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“2 bis.   Bij het implementeren van de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde minimumnormen kunnen de lidstaten tijdelijke afwijkingen toestaan van vereisten zoals de in die normen vastgestelde termijnen en perioden wanneer weersomstandigheden landbouwers en andere begunstigden beletten in een bepaald jaar aan die vereisten te voldoen. Dergelijke tijdelijke afwijkingen zijn beperkt tot landbouwers en andere begunstigden of gebieden die door dergelijke weersomstandigheden zijn getroffen en worden slechts toegepast zolang ze strikt noodzakelijk zijn.”.

3)

In artikel 31 wordt het volgende lid ingevoegd:

“1 bis.   In het kader van de in lid 1 bedoelde ecoregelingen stellen de lidstaten, voor bouwland, een of meer regelingen vast inzake praktijken voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land, en voor de aanleg van nieuwe landschapselementen, en verstrekken zij steun voor die regelingen. Die regelingen zijn vrijwillig voor actieve landbouwers en groepen actieve landbouwers.”.

4)

In artikel 119, lid 7, wordt de eerste alinea, vervangen door:

“Per kalenderjaar kan twee keer een verzoek tot wijziging van een strategisch GLB-plan worden ingediend, onder voorbehoud van eventuele in deze verordening voorziene of door de Commissie overeenkomstig artikel 122 bepaalde uitzonderingen. Daarnaast kunnen tijdens de door het strategisch GLB-plan bestreken periode drie extra verzoeken tot wijziging van het strategisch GLB-plan worden ingediend. Dit lid is niet van toepassing op verzoeken tot wijziging met het oog op het indienen van ontbrekende elementen overeenkomstig artikel 118, lid 5.”.

5)

Aan artikel 120 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De eerste alinea van dit artikel is niet van toepassing op wijzigingen die na 31 december 2025 in werking treden, van in bijlage XIII vermelde wetgevingshandelingen.”.

6)

Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/2116

Verordening (EU) 2021/2116 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Landbouwers met een bedrijf met een maximale omvang van tien ha landbouwareaal dat is aangegeven overeenkomstig artikel 69, lid 1, zijn vrijgesteld van controles in het kader van een overeenkomstig lid 1 van dit artikel opgezet systeem.”;

b)

in lid 6 wordt punt f) geschrapt.

2)

Aan artikel 84 wordt het volgende lid toegevoegd:

“4.   Landbouwers met een bedrijf met een maximale omvang van tien ha landbouwareaal dat is aangegeven overeenkomstig artikel 69, lid 1, zijn vrijgesteld van de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel en in artikel 85 bedoelde sancties.”.

3)

In artikel 104, lid 1, tweede alinea, wordt punt a), iv), vervangen door:

“iv)

wat het Elfpo betreft, op de uitgaven die zijn gedaan door de begunstigden en de betalingen die zijn gedaan door het betaalorgaan in het kader van de uitvoering van plattelandsontwikkelingsprogramma’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013, met uitzondering van de artikelen 96 en 97 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft begunstigden die zijn onderworpen aan het in artikel 83 van deze verordening bedoelde controlesysteem;”.

Artikel 3

Overgangsbepalingen

1.   In afwijking van artikel 119, lid 8, derde alinea, van Verordening (EU) 2021/2115 hoeft de datum van vankrachtwording van wijzigingen van strategische GLB-plannen met betrekking tot wijzigingen van in de bijlage bij deze verordening vastgelegde GLMC-norm 6, 7 of 8, die door de lidstaten op grond van artikel 119, lid 2, van die verordening bij de Commissie ter goedkeuring zijn ingediend voor claimjaar 2024, niet door de Commissie te worden goedgekeurd.

2.   In afwijking van artikel 119, lid 11, van Verordening (EU) 2021/2115 kunnen de lidstaten voor claimjaar 2024 besluiten dat wijzigingen van strategische GLB-plannen met betrekking tot de wijzigingen van in de bijlage bij deze verordening vastgelegde GLMC-norm 6, 7 of 8 rechtsgevolgen hebben voordat zij door de Commissie zijn goedgekeurd. Met betrekking tot GLMC-norm 8 kunnen de lidstaten dat besluit enkel nemen indien zij voor het claimjaar 2024 een regeling toepassen inzake praktijken, op bouwland, voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land, of voor de aanleg van nieuwe landschapselementen, als bedoeld in artikel 31 van Verordening (EU) 2021/2115.

Bij het nemen van het in de eerste alinea bedoelde besluit waarborgen de lidstaten dat de algemene beginselen van het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van rechtszekerheid, van non-discriminatie en van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van landbouwers en andere begunstigden, in acht worden genomen en dat rekening wordt gehouden met de behoefte van landbouwers en andere begunstigden om over voldoende tijd te beschikken om aan de wijzigingen te voldoen.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2, punten 2) en 3), en de bijlage zijn van toepassing vanaf claimjaar 2024.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2024.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

H. LAHBIB


(1)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 mei 2024.

(3)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).

(4)  Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj).

(6)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1306/oj).


BIJLAGE

Bijlage III bij Verordening (EU) 2021/2115 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De vermelding voor “GLMC 6” wordt vervangen door:

“GLMC 6

Minimale bodembedekking om in de meest kwetsbare perioden kale grond te voorkomen, zoals vastgesteld door de lidstaten (*1).

Bescherming van bodems in de meest kwetsbare perioden

2)

De vermelding voor GLMC 7 wordt vervangen door:

“GLMC 7

Vruchtwisseling op bouwland, met uitzondering van gewassen die onder water groeien. De lidstaten kunnen daarnaast besluiten om landbouwers en andere begunstigden toe te staan aan deze norm te voldoen met gewasdiversificatie (*2).

Behoud van het bodempotentieel

3)

De vermelding voor “GLMC 8” wordt vervangen door:

“GLMC 8

Behoud van landschapselementen

Verbod op het snoeien van heggen en bomen in de vogelbroedperiode

Facultatief, maatregelen om invasieve plantensoorten te voorkomen

Instandhouding van niet-productieve kenmerken ter verbetering van de biodiversiteit op boerderijen”


(*1)  De lidstaten kunnen met name rekening houden met de korte vegetatieperiode die voortvloeit uit de duur en de strengheid van de winterperiode in de betrokken gebieden.”.

(*2)  Vruchtwisseling houdt in dat op perceelniveau van gewas wordt gewisseld (meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen, en braakliggend land uitgezonderd), de naar behoren beheerde secundaire teelten daarbij inbegrepen.

Ingeval de landbouwmethoden en agroklimatologische omstandigheden in een gebied divers zijn, kunnen de lidstaten andere soorten verbeterde vruchtwisseling met peulgewassen of gewasdiversificatie toestaan, gericht op verbetering en behoud van het bodempotentieel overeenkomstig de doelstellingen van deze GLMC-norm.

Bij het vaststellen van vereisten inzake gewasdiversificatie nemen de lidstaten de volgende minimumvereisten in acht:

a)

ingeval de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf tussen 10 en 30 ha bedraagt, houdt gewasdiversificatie in dat op het bouwland van dat bedrijf ten minste twee verschillende gewassen worden geteeld; het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van dat bouwland;

b)

ingeval de oppervlakte van het bouwland van een bedrijf meer dan 30 ha bedraagt, houdt gewasdiversificatie in dat op het bouwland van dat bedrijf ten minste drie verschillende gewassen worden geteeld; het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75 % van dat bouwland en de twee hoofdgewassen bestrijken samen niet meer dan 95 % van dat bouwland.

De lidstaten kunnen de volgende bedrijven vrijstellen van de verplichtingen krachtens deze norm:

a)

ingeval meer dan 75 % van het bouwland gebruikt wordt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, gebruikt wordt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, of voor een combinatie daarvan;

b)

ingeval meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, gebruikt wordt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beplant met gewassen die onder water staan, of gebruikt wordt voor een combinatie daarvan, of

c)

met een oppervlakte bouwland van maximaal 10 ha.

De lidstaten kunnen om grote monoculturen te voorkomen een maximum instellen voor oppervlakten met één gewas.

Landbouwers die gecertificeerd zijn overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848, worden verondersteld aan deze GLMC-norm te voldoen.”.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1468/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top