Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document L:2014:359:FULL

Publicatieblad van de Europese Unie, L 359, 16 december 2014


Display all documents published in this Official Journal
 

ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 359

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
16 december 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

30

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1330/2014 van de Commissie van 15 december 2014 tot goedkeuring van de werkzame stof meptyldinocap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

85

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1331/2014 van de Commissie van 15 december 2014 tot onderwerping van koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China of Taiwan aan registratie

90

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1332/2014 van de Commissie van 15 december 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

95

 

*

Verordening (EU) nr. 1333/2014 van de Europese Centrale Bank 26 november 2014 houdende geldmarktstatistieken (ECB/2014/48)

97

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/108/EU van de Commissie van 12 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van defensiegerelateerde producten ( 1 )

117

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2014/906/GBVB van de Raad van 15 december 2014 tot wijziging van Besluit 2013/726/GBVB ter ondersteuning van UNSCR 2118 (2013) en van EC-M-33/Dec 1 van de uitvoerende raad van de OPCW, in het kader van de tenuitvoerlegging van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

151

 

 

2014/907/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 december 2014 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van Clostridium butyricum (CBM 588) als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9345)

153

 

 

2014/908/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 12 december 2014 betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en grondgebieden ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

155

 

 

2014/909/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 12 december 2014 betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van bevestigde gevallen van de kleine bijenkastkever in Italië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9415)  ( 1 )

161

 

 

2014/910/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 12 december 2014 betreffende een financiële bijdrage van de Unie voor 2014 ter dekking van de door Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland en Oostenrijk gedane uitgaven ter bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9478)

164

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/1


RICHTLIJN 2014/107/EU VAN DE RAAD

van 9 december 2014

tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een steeds groter probleem geworden, dat inmiddels zowel in de Unie als op mondiaal niveau hoog op de agenda staat. Niet-aangegeven en onbelaste inkomsten leiden tot een aanzienlijke derving van nationale belastingopbrengsten, en daarom moet de belastinginning dringend efficiënter en doelmatiger worden georganiseerd. Het automatisch uitwisselen van inlichtingen kan hierin een belangrijke rol spelen, en de Commissie heeft in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, dan ook beklemtoond dat de automatische uitwisseling van gegevens sterk moet worden bevorderd als de toekomstige Europese en internationale standaard voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken.

(2)

Ook op internationaal niveau (G20 en G8) is onlangs erkend dat het automatisch uitwisselen van inlichtingen een belangrijk instrument in de strijd tegen grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking is. De Verenigde Staten van Amerika hebben met verschillende andere landen, waaronder alle lidstaten, bilaterale overeenkomsten onderhandeld over de bilaterale automatische uitwisseling van inlichtingen, ter uitvoering van de United States' Foreign Account Tax Compliance Act (algemeen bekend als „FATCA”); aansluitend hierop heeft de G20 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opdracht gegeven om, uitgaande van deze overeenkomsten, één mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen te ontwikkelen.

(3)

De Europese Raad heeft op 22 mei 2013 verzocht het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unieniveau en op mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning, en tevens zijn waardering uitgesproken voor de inspanningen die in de G20, de G8 en de OESO worden geleverd om een mondiale standaard te ontwikkelen voor automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden.

(4)

In februari 2014 heeft de OESO de belangrijkste elementen van een mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden gepresenteerd, met name een model voor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en een gezamenlijke rapportagestandaard, die vervolgens door de ministers van Financiën van de G20 en de presidenten van de centrale banken zijn bekrachtigd. In juli 2014 heeft de Raad van de OESO de volledige mondiale standaard gepresenteerd, met inbegrip van de resterende elementen, met name de opmerkingen over het model voor een overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard en de informatietechnologische modaliteiten voor de implementatie van de mondiale standaard. Het volledige pakket betreffende de mondiale standaard is in september 2014 door de ministers van Financiën van de G20 en de presidenten van de centrale banken onderschreven.

(5)

Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (2) voorziet al in de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten voor bepaalde categorieën van inkomsten en vermogen, vooral van niet-financiële aard, die belastingplichtigen hebben in andere lidstaten dan hun staat van verblijf. Zij omvat ook een stapsgewijze aanpak voor de versterking van de automatische uitwisseling van inlichtingen door de geleidelijke uitbreiding tot nieuwe inkomsten- en vermogenscategorieën en het schrappen van de voorwaarde dat de inlichtingen slechts hoeven te worden uitgewisseld als zij beschikbaar zijn. Vandaag de dag boeten de bestaande Unie- en internationale instrumenten voor administratieve samenwerking op het gebied van belastingen, gezien de toegenomen mogelijkheden om in het buitenland te investeren in een breed scala van financiële producten, in aan doeltreffendheid bij het bestrijden van grensoverschrijdende belastingfraude en belastingontduiking.

(6)

Zoals door het verzoek van de Europese Raad wordt benadrukt, behoort sneller werk te worden gemaakt van de uitbreiding van de automatische inlichtingenuitwisseling waarin artikel 8, lid 5, van Richtlijn 2011/16/EU reeds voorziet voor ingezetenen van andere lidstaten. Een initiatief van de Unie garandeert een coherente, consistente en alomvattende Uniebrede aanpak van de automatische inlichtingenuitwisseling op de interne markt, die bij zowel belastingdiensten als marktdeelnemers tot kostenbesparingen zou leiden.

(7)

Het feit dat de lidstaten met de Verenigde Staten van Amerika een overeenkomst in verband met Fatca hebben gesloten of weldra zullen sluiten, betekent dat die lidstaten in een verdergaande samenwerking in de zin van artikel 19 van Richtlijn 2011/16/EU voorzien of zullen voorzien, en de verplichting hebben of zullen hebben om die verdergaande samenwerking ook aan andere lidstaten te verlenen.

(8)

Het sluiten van parallelle en niet op elkaar afgestemde overeenkomsten door de lidstaten op basis van artikel 19 van Richtlijn 2011/16/EU zou kunnen leiden tot verstoringen die de goede werking van de interne markt zouden schaden. Met een nieuw systeem van uitgebreide automatische inlichtingenuitwisseling op basis van een Uniebreed rechtsinstrument zou het niet meer nodig zijn dat lidstaten op basis van dit artikel bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten die, als er geen Uniewetgeving ter zake is, geschikt kunnen worden geacht.

(9)

Om de kosten te drukken en de administratieve lasten voor zowel de belastingdiensten als de marktdeelnemers te beperken, is het dan ook van cruciaal belang de uitbreiding van het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen binnen de Unie af te stemmen op internationale ontwikkelingen. Met het oog daarop moeten de lidstaten hun financiële instellingen regels inzake rapportage en due diligence opleggen die geheel consistent zijn met de regels van de door de OESO ontwikkelde gezamenlijke rapportagestandaard. Voorts moet het toepassingsgebied van artikel 8 van Richtlijn 2011/16/EU zo worden uitgebreid dat het dezelfde inlichtingencategorieën omvat als het model voor de overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard van de OESO. Verwacht wordt dat elke lidstaat slechts één lijst van op nationaal niveau gedefinieerde niet-rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen zal hebben, en deze zowel bij de uitvoering van deze richtlijn als bij de toepassing van andere overeenkomsten ter uitvoering van de mondiale standaard zal gebruiken.

(10)

De categorieën rapporterende financiële instellingen en te rapporteren rekeningen die door deze richtlijn worden bestreken, zijn bedoeld om de belastingplichtigen minder gelegenheid te geven om rapportage te vermijden door hun activa te verplaatsen naar financiële instellingen, of te investeren in financiële producten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Bepaalde financiële instellingen en rekeningen met een laag risico om voor belastingontduiking te worden gebruikt, zijn evenwel van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Over het algemeen dienen er geen drempels te worden opgenomen in deze richtlijn, aangezien deze gemakkelijk kunnen worden omzeild door rekeningen over verschillende financiële instellingen te splitsen. De financiële inlichtingen die moeten worden gerapporteerd en uitgewisseld dienen niet alleen betrekking te hebben op alle relevante inkomsten (interesten, dividenden en vergelijkbare soorten inkomsten), maar ook op het saldo van de rekeningen en de opbrengsten van de verkoop van financiële activa, zodat situaties kunnen worden aangepakt waarin een belastingplichtige tracht vermogen te verbergen dat inkomsten of activa vertegenwoordigt waarover belasting is ontdoken. Daarom is de verwerking van inlichtingen uit hoofde van deze richtlijn noodzakelijk en toereikend om de belastingdiensten van de lidstaten in staat te stellen correct en ondubbelzinnig te bepalen om welke belastingplichtigen het gaat, hun belastingwetgeving in grensoverschrijdende situaties toe te passen en te handhaven, te beoordelen hoe waarschijnlijk belastingontduiking is en onnodig verder onderzoek te vermijden.

(11)

Rapporterende financiële instellingen kunnen hun verplichtingen inzake het verstrekken van inlichtingen aan individuele te rapporteren personen nakomen door de nadere regelingen inzake verstrekking, met inbegrip van de frequentie daarvan, te volgen waarin op grond van hun interne procedures overeenkomstig hun nationale recht is voorzien.

(12)

Rapporterende financiële instellingen, verzendende lidstaten en ontvangende lidstaten mogen, in hun hoedanigheid van verantwoordelijke voor de verwerking, de overeenkomstig deze richtlijn verwerkte inlichtingen niet langer bewaren dan nodig is voor de toepassing van deze richtlijn. Gezien de verschillen in de wetgevingen van de lidstaten moet de maximale bewaartermijn worden vastgesteld op basis van de voorschriften inzake verjaring waarin is voorzien in de nationale belastingwetgeving van elke verantwoordelijke voor de verwerking.

(13)

Teneinde te garanderen dat deze richtlijn in heel de Unie consequent wordt toegepast moeten de lidstaten bij het implementeren uitgaan van het door de OESO ontwikkelde commentaar over het model voor de overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten en de gezamenlijke rapportagestandaard, die zij ter illustratie of interpretatie kunnen gebruiken. De Unie dient in haar optreden in dit verband met name rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen op OESO-niveau.

(14)

De in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU vastgestelde voorwaarde dat de automatische uitwisseling afhankelijk kan zijn van de beschikbaarheid van de gevraagde inlichtingen dient niet te gelden voor de nieuwe bestanddelen die door deze richtlijn in Richtlijn 2011/16/EU zijn ingevoerd.

(15)

De verwijzing naar een minimumbedrag in artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2011/16/EU dient te worden geschrapt, aangezien een dergelijk minimumbedrag in de praktijk niet werkbaar lijkt.

(16)

De evaluatie van de beschikbaarheidsvoorwaarde die in 2017 moet worden uitgevoerd, dient te worden uitgebreid tot alle vijf in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU vermelde categorieën, zodat kan worden onderzocht of uitwisseling van inlichtingen door alle lidstaten voor al deze categorieën zinvol is.

(17)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met inbegrip van het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(18)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(19)

Gezien de bestaande structurele verschillen moet het aan Oostenrijk worden toegestaan om voor het eerst op 30 september 2018 in plaats van op 30 september 2017 automatisch krachtens deze richtlijn inlichtingen uit te wisselen.

(20)

Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2011/16/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3 wordt punt 9 vervangen door:

„9.

„automatische uitwisseling”, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen over ingezetenen van andere lidstaten aan de betrokken lidstaat van verblijf, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen. In de context van artikel 8 betekent „beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich in de belastingdossiers van de inlichtingen verstrekkende lidstaat bevinden en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat. In de context van artikel 8, lid 3 bis, artikel 8, lid 7 bis, artikel 21, lid 2, en artikel 25, leden 2 en 3, hebben termen met een hoofdletter de betekenis die ze hebben in het kader van de overeenkomstige definities in bijlage I.”

.

2)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan aan de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat meedelen dat zij geen inlichtingen inzake een of meer van de in lid 1 vermelde inkomsten- en vermogenscategorieën wenst te ontvangen. Zij stelt ook de Commissie hiervan in kennis.

Een lidstaat die de Commissie niet in kennis stelt van enige categorie ten aanzien waarvan hij over inlichtingen beschikt, kan worden geacht geen inlichtingen overeenkomstig lid 1 te willen ontvangen.”

;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rapporterende financiële instellingen ertoe te verplichten de in de bijlagen I en II vervatte regels inzake rapportage en due diligence toe te passen en deze, overeenkomstig deel IX van bijlage I, effectief te implementeren en na te leven.

Overeenkomstig de in de bijlagen I en II vervatte toepasselijke regels inzake rapportage en due diligence verstrekt de bevoegde autoriteit van elke lidstaat binnen de in lid 6, onder b), vastgestelde termijn aan de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat automatisch de volgende inlichtingen met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2016 betreffende een te rapporteren rekening:

a)

de naam, het adres, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en, in het geval van een natuurlijke persoon, de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon die een rekeninghouder van de rekening is en, in het geval van een entiteit die een rekeninghouder is en waarvan met behulp van de regels inzake due diligence welke met de bijlagen sporen, wordt vastgesteld dat zij één of meer uiteindelijk belanghebbenden heeft die een te rapporteren persoon is, de naam, het adres en het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers van de entiteit en de naam, het adres, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon;

b)

het rekeningnummer (of het functionele equivalent daarvan bij het ontbreken van een rekeningnummer);

c)

de naam en (eventueel) het identificatienummer van de rapporterende financiële instelling;

d)

het saldo van de rekening of de waarde (in het geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering met inbegrip van de geldswaarde of waarde bij afkoop) aan het eind van het desbetreffende kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, of indien de rekening tijdens dat jaar of die periode werd opgeheven, de opheffing;

e)

ter zake van een bewaarrekening:

i)

het op de rekening (of ter zake van de rekening) gestorte of bijgeschreven totale brutobedrag aan rente, totale brutobedrag aan dividenden en totale brutobedrag aan overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

ii)

de totale bruto-opbrengsten van de verkoop, terugbetaling of afkoop van financiële activa gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling voor de rekeninghouder optrad als bewaarder, makelaar, vertegenwoordiger of anderszins als gevolmachtigde;

f)

ter zake van een depositorekening, het totale brutobedrag aan rente gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

g)

ter zake van een niet in lid 2, onder e) of onder f) omschreven rekening, het totale brutobedrag betaald of bijgeschreven op de rekening van de rekeninghouder met betrekking tot de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling een betalingsverplichting heeft of debiteur is, met inbegrip van het totaalbedrag aan afbetalingen aan de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

Ten behoeve van de uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van dit lid worden, het bedrag en de aard van betalingen verricht ter zake van een te rapporteren rekening vastgesteld in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, tenzij in dit lid of in de bijlagen anderszins is bepaald.

De eerste en de tweede alinea van dit lid hebben voorrang op lid 1, onder c), en andere rechtsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2003/48/EG (3) van de Raad, voor zover de betreffende uitwisseling van inlichtingen onder het toepassingsgebied van lid 1, onder c), of van enig ander rechtsinstrument van de Unie, met inbegrip van Richtlijn 2003/48/EG, zou vallen.

(3)  Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38).”"

;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Vóór 1 juli 2017 presenteert de Commissie een verslag met een overzicht en een beoordeling van de ontvangen statistieken en gegevens betreffende, onder meer, de administratieve en andere relevante kosten en de baten van automatische uitwisseling van inlichtingen, alsook de daarmee samenhangende praktische aspecten. Indien passend, dient de Commissie bij de Raad een voorstel in betreffende de categorieën van lid 1 en de in dat lid gestelde voorwaarden, met inbegrip van de voorwaarde dat inlichtingen betreffende ingezetenen van andere lidstaten beschikbaar moeten zijn, of de in lid 3 bis vermelde bestanddelen, of beide.

Bij de behandeling van een door de Commissie ingediend voorstel beoordeelt de Raad of de doeltreffendheid en de werking van de automatische uitwisseling van inlichtingen verder moeten worden verbeterd en of deze aan een strengere standaard moeten gaan beantwoorden, teneinde erin te voorzien dat:

a)

de bevoegde autoriteit van elke lidstaat de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2017 automatisch inlichtingen verstrekt ten aanzien van ingezetenen van die andere lidstaat, inzake alle in lid 1 vermelde inkomsten- en vermogenscategorieën, op te vatten in de zin van de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, en

b)

de lijsten van de in de leden 1 en 3 bis vermelde categorieën en bestanddelen worden uitgebreid met andere categorieën en bestanddelen, waaronder royalty's.”

;

d)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De inlichtingen worden als volgt verstrekt:

a)

voor de in lid 1 vermelde categorieën ten minste eenmaal per jaar, binnen zes maanden na het verstrijken van het belastingjaar van de lidstaat in de loop waarvan de inlichtingen beschikbaar zijn geworden;

b)

voor de in lid 3 bis vermelde informatie jaarlijks, binnen negen maanden na het einde van het kalenderjaar of een andere geschikte periode waarover gerapporteerd dient te worden, waarop de inlichtingen betrekking hebben.”

;

e)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„7 bis.   Voor de toepassing van bijlage I, deel VIII, onderdeel B, punt 1, onder c), en deel VIII, onderdeel C, punt 17, onder g), stelt iedere lidstaat de Commissie uiterlijk 31 juli 2015 de lijst van entiteiten en rekeningen ter beschikking die moeten worden behandeld als, respectievelijk, niet-rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen. Elke lidstaat stelt de Commissie ook in kennis van eventuele wijzigingen dienaangaande. De Commissie publiceert de ontvangen informatie in lijstvorm in het Publicatieblad van de Europese Unie en werkt de lijst zo nodig bij.

De lidstaten zorgen ervoor dat deze categorieën van niet-rapporterende financiële instellingen en van uitgezonderde rekeningen aan alle voorschriften van bijlage I, deel VIII, onderdeel B, punt 1, onder c), en deel VIII, onderdeel C, punt 17, onder g), voldoen en in het bijzonder dat het toekennen van de status van niet-rapporterende financiële instelling aan een financiële instelling en van de status van uitgezonderde rekening aan een rekening het verwezenlijken van de doelstellingen van deze richtlijn niet in de weg staat.”

.

3)

In artikel 20, wordt lid 4 vervangen door:

„4.   Bij de automatische inlichtingenuitwisseling in de zin van artikel 8 wordt gebruikgemaakt van het door de Commissie volgens de procedure van artikel 26, lid 2, vastgestelde geautomatiseerde standaardformaat, dat dergelijke automatische uitwisseling moet vergemakkelijken, en gebaseerd is op het bestaande geautomatiseerde formaat in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2003/48/EG dat bij elke vorm van automatische inlichtingenuitwisseling moet worden gebruikt.”

.

4)

Artikel 21, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De Commissie heeft tot taak het CCN-netwerk in die zin aan te passen dat die inlichtingen tussen de lidstaten kunnen worden uitgewisseld en voor de beveiliging van het CCN-netwerk te zorgen.

De lidstaten hebben tot taak hun systemen zodanig aan te passen dat die inlichtingen met behulp van het CCN-netwerk kunnen worden uitgewisseld en voor de beveiliging van hun systemen te zorgen.

De lidstaten zorgen ervoor dat elke individuele te rapporteren persoon in kennis wordt gesteld van een schending van de beveiliging van zijn gegevens wanneer die schending afbreuk kan doen aan de bescherming van zijn persoonsgegevens of persoonlijke levenssfeer.

De lidstaten zien af van iedere eis tot terugbetaling van de uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeiende kosten, behalve, in voorkomend geval, de kosten van aan deskundigen betaalde vergoedingen.”

.

5)

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de bestaande tekst van artikel 25 wordt lid 1;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„2.   Rapporterende financiële instellingen en de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat worden voor de toepassing van Richtlijn 95/46/EG als verantwoordelijke voor de verwerking beschouwd.

3.   Niettegenstaande lid 1 ziet elke lidstaat erop toe dat elke onder zijn jurisdictie vallende rapporterende financiële instelling elke betrokken individuele te rapporteren persoon in kennis stelt van het feit dat de hem betreffende inlichtingen als bedoeld in artikel 8, lid 3 bis, overeenkomstig deze richtlijn zullen worden verzameld en doorgegeven, en dat de rapporterende financiële instelling die persoon tijdig alle inlichtingen verstrekt waarop hij krachtens zijn nationale wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 95/46/EG recht heeft, zodat de persoon zijn rechten inzake gegevensbescherming kan uitoefenen en, in elk geval, voordat de betrokken rapporterende financiële instelling de in artikel 8, lid 3 bis, bedoelde inlichtingen rapporteert aan de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat van verblijf.

4.   Overeenkomstig deze richtlijn verwerkte inlichtingen worden niet langer bewaard dan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijk is, en in elk geval overeenkomstig de nationale voorschriften inzake verjaring van iedere verantwoordelijke voor de verwerking.”

.

6)

De bijlagen I en II, waarvan de tekst is opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn, worden ingevoegd.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die maatregelen toe vanaf 1 januari 2016.

Wanneer de lidstaten die maatregelen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   Niettegenstaande lid 1, punt 2, onder b), van artikel 1 en lid 1 van dit artikel, past Oostenrijk de bepalingen van deze richtlijn toe vanaf 1 januari 2017, met betrekking tot de belastingtijdvakken vanaf die datum.

3.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 december 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 68.

(2)  Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).


BIJLAGE

BIJLAGE I

RAPPORTAGE- EN DUE DILIGENCE-REGELS VOOR INLICHTINGEN OVER FINANCIËLE REKENINGEN

Deze bijlage bevat de regels inzake rapportage en due diligence die rapporterende financiële instellingen moeten toepassen teneinde de lidstaten in staat te stellen de in artikel 8, lid 3 bis, van deze richtlijn bedoelde inlichtingen automatisch te verstrekken. Voorts worden in deze bijlage de regels en administratieve procedures omschreven die de lidstaten met het oog op de doeltreffende implementatie en naleving van de onderstaande rapportage- en due diligence-procedures moeten invoeren.

DEEL I

ALGEMENE RAPPORTAGEVOORSCHRIFTEN

A.

Onverminderd de onderdelen C tot en met E moet iedere rapporterende financiële instelling aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat de volgende inlichtingen verstrekken met betrekking tot elke van haar te rapporteren rekeningen:

1.

de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en, voor natuurlijke personen, de geboortedatum en de geboorteplaats van elke te rapporteren persoon die een rekeninghouder van de rekening is en, in het geval van een entiteit die een rekeninghouder is en waarvan met behulp van de due diligence-procedures welke met delen V, VI en VII sporen, wordt vastgesteld dat zij één of meer uiteindelijk belanghebbenden heeft die een te rapporteren persoon is, de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten en eventuele andere rechtsgebieden waarvan de entiteit een ingezetene is en het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers van de entiteit en de naam, het adres, de lidstaat/lidstaten waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum en geboorteplaats van elke te rapporteren persoon;

2.

het rekeningnummer (of het functionele equivalent daarvan bij het ontbreken van een rekeningnummer);

3.

de naam en het eventuele identificatienummer van de rapporterende financiële instelling;

4.

het saldo van de rekening of de waarde (in het geval van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering met inbegrip van de geldswaarde of waarde bij afkoop) aan het eind van het desbetreffende kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, of indien de rekening tijdens dat jaar of die periode werd opgeheven, de opheffing;

5.

ter zake van een bewaarrekening:

a)

het op de rekening (of ter zake van de rekening) gestorte of bijgeschreven totale brutobedrag aan rente, totale brutobedrag aan dividenden en totale brutobedrag aan overige inkomsten gegenereerd met betrekking tot de activa op de rekening, gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

b)

de totale bruto-opbrengsten van de verkoop, terugbetaling of afkoop van financiële activa gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling voor de rekeninghouder optrad als bewaarder, makelaar, vertegenwoordiger of anderszins als gevolmachtigde;

6.

ter zake van een depositorekening, het totale brutobedrag aan rente gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, en

7.

ter zake van een rekening niet omschreven in onderdeel A, punt 5 of punt 6, het totale brutobedrag betaald of gecrediteerd op de rekening van de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden ter zake waarvan de rapporterende financiële instelling een betalingsverplichting heeft of debiteur is, met inbegrip van het totaalbedrag aan afbetalingen aan de rekeninghouder gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

B.

In de gerapporteerde inlichtingen wordt vermeld in welke valuta elk bedrag is uitgedrukt.

C.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeven het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers of de geboortedatum ter zake van bestaande rekeningen die te rapporteren rekeningen zijn, niet te worden gemeld indien dit fiscaal identificatienummer/deze fiscale identificatienummers en deze geboortedatum niet in het dossier van de rapporterende financiële instelling voorhanden zijn, en de rapporterende financiële instelling niet anderszins uit hoofde van nationale wetgeving of enig rechtsinstrument van de Unie verplicht is deze gegevens te verzamelen. Rapporterende financiële instellingen zijn echter wel verplicht redelijke inspanningen te doen om ter zake van bestaande rekeningen aan het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin bestaande rekeningen als te rapporteren rekeningen worden aangemerkt, het fiscaal identificatienummer/de fiscale identificatienummers en de geboortedatum te verkrijgen.

D.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeft het fiscaal identificatienummer niet te worden gerapporteerd indien de betrokken lidstaat of ander(e) rechtsgebied(en) waarvan de te rapporteren persoon een ingezetene is geen fiscale identificatienummers afgeeft.

E.

Niettegenstaande onderdeel A, punt 1, hoeft de geboorteplaats niet te worden gerapporteerd tenzij:

1.

de rapporterende financiële instelling anderszins, krachtens de nationale wetgeving, verplicht is de geboorteplaats te verkrijgen en te rapporteren of de rapporterende financiële instelling anderszins verplicht is of was de geboorteplaats te verkrijgen en te rapporteren uit hoofde van een rechtsinstrument van de Unie dat van kracht is of op 5 januari 2015 van kracht was, en

2.

deze beschikbaar is in de elektronisch doorzoekbare gegevens die door de rapporterende financiële instelling worden beheerd.

DEEL II

ALGEMENE DUE DILIGENCE-VOORSCHRIFTEN

A.

Een rekening wordt behandeld als een te rapporteren rekening met ingang van de datum waarop zij als zodanig krachtens de due diligence-procedures van deel II tot en met VII wordt aangemerkt; behoudens andersluidende bepalingen, moeten inlichtingen met betrekking tot een te rapporteren rekening jaarlijks worden gerapporteerd in het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de inlichtingen betrekking hebben.

B.

Het saldo of de waarde van een rekening wordt bepaald per de laatste dag van het kalenderjaar of van een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden.

C.

Indien een saldo- of waardegrens dient te worden bepaald per de laatste dag van het kalenderjaar, moet het betreffende saldo of de betreffende waarde worden bepaald per de laatste dag van de periode waarover gerapporteerd dient te worden die eindigt met of in dat kalenderjaar.

D.

Elke lidstaat kan rapporterende financiële instellingen toestaan gebruik te maken van dienstverleners teneinde te voldoen aan de aan deze instellingen volgens het nationale recht opgelegde verplichtingen inzake rapportage en due diligence, maar de verantwoordelijkheid voor deze verplichtingen rust onverminderd bij de rapporterende financiële instellingen.

E.

Elke lidstaat kan rapporterende financiële instellingen toestaan de due diligence-procedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen toe te passen, en de due diligence-procedures voor hogewaarderekeningen op lagewaarderekeningen toe te passen. Indien een lidstaat toestaat dat due diligence-procedures voor nieuwe rekeningen op bestaande rekeningen worden toegepast, blijven de anderszins voor bestaande rekeningen geldende regels van toepassing.

DEEL III

DUE DILIGENCE VOOR BESTAANDE REKENINGEN VAN NATUURLIJKE PERSONEN

A.

Inleiding. De volgende procedures gelden om na te gaan welke bestaande rekeningen van natuurlijke personen als te rapporteren rekeningen moeten worden beschouwd.

B.

Lagewaarderekeningen. De volgende procedures zijn van toepassing met betrekking tot lagewaarderekeningen.

1.

Woonadres. Indien de rapporterende financiële instelling in haar dossier het uit bewijsstukken afgeleide actuele woonadres van de natuurlijke persoon rekeninghouder heeft, kan zij de natuurlijke persoon rekeninghouder behandelen als een natuurlijke persoon die een fiscale ingezetene is van de lidstaat of het andere rechtsgebied waar het adres gelegen is, om te bepalen of deze natuurlijke persoon rekeninghouder een te rapporteren persoon is.

2.

Onderzoek van elektronische dossiers. Indien de rapporterende financiële instelling niet beschikt over het uit bewijsstukken afgeleide actuele woonadres van de natuurlijke persoon rekeninghouder, zoals vermeld in onderdeel B, punt 1, moet de rapporterende financiële instelling de elektronisch doorzoekbare gegevens die zij beheert, controleren op de onderstaande indicatoren en onderdeel B, punten 3 tot en met 6, toepassen:

a)

aanmerking van de rekeninghouder als een ingezetene van een lidstaat;

b)

de actuele post- of woonadressen (met inbegrip van postbussen) in een lidstaat;

c)

een of meer telefoonnummers in een lidstaat en geen telefoonnummer in de lidstaat van de rapporterende financiële instelling;

d)

vaste instructies (andere dan ten aanzien van een depositorekening) om gelden over te maken naar een rekening aangehouden in een lidstaat;

e)

geldige volmacht of tekenbevoegdheid verleend aan een persoon met een adres in een lidstaat, of

f)

een poste-restanteadres of een „per adres” in een lidstaat indien de rapporterende financiële instelling geen ander adres van de rekeninghouder geregistreerd heeft staan.

3.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers geen van de in onderdeel B, punt 2, genoemde indicatoren wordt aangetroffen, is geen verdere actie vereist totdat er sprake is van een verandering van omstandigheden die ertoe leidt dat een of meer indicatoren in verband worden gebracht met de rekening of totdat de rekening een hogewaarderekening wordt.

4.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers een van de in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, of indien er een verandering van omstandigheden is opgetreden die ertoe leidt dat een of meer van de indicatoren in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekeninghouder behandelen als een fiscaal inwoner van elke lidstaat waarvoor een indicator wordt aangetroffen, tenzij zij besluit onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen op die rekening van toepassing is.

5.

Indien bij het onderzoek van elektronische dossiers een poste-restanteadres of een „per adres” voor de rekeninghouder wordt gevonden en geen ander adres, noch een van de andere in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, moet de rapporterende financiële instelling, in de naar omstandigheden meest geschikte volgorde, het in onderdeel C, punt 2, omschreven onderzoek van papieren dossiers uitvoeren, of tracht zij van de rekeninghouder een eigen verklaring of bewijsstukken te verkrijgen teneinde diens fiscale woonplaats(en) vast te stellen. Indien het onderzoek van de papieren dossiers geen indicatoren oplevert, en geen eigen verklaring of bewijsstukken van de rekeninghouder worden verkregen, moet de rapporterende financiële instelling de rekening aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat rapporteren als ongedocumenteerde rekening.

6.

Indien indicatoren bedoeld in onderdeel B, punt 2, worden aangetroffen, is een rapporterende financiële instelling evenwel niet verplicht de rekeninghouder als een ingezetene van een lidstaat te behandelen indien de rapporterende financiële instelling:

a)

ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een actueel post- of woonadres in die lidstaat bevat, een of meer telefoonnummers in die lidstaat (en geen telefoonnummer in de lidstaat van de rapporterende financiële instelling) of vaste instructies (met betrekking tot andere financiële rekeningen dan depositorekeningen) voor de overmaking van gelden naar een rekening die in een lidstaat wordt aangehouden, het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

i)

een eigen verklaring van de rekeninghouder van de lidstaat/lidstaten of ander rechtsgebied/andere rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan de genoemde lidstaat, en

ii)

bewijsstukken waaruit de niet-te-rapporteren status van de rekeninghouder blijkt;

b)

ingeval de inlichtingen over de rekeninghouder een geldige volmacht of tekenbevoegdheid bevat die is verleend aan een persoon met een adres in die lidstaat, het volgende verkrijgt, of eerder een dossier heeft gecontroleerd en dit bijhoudt met daarin het volgende:

i)

een eigen verklaring van de rekeninghouder van de lidstaat/lidstaten of ander rechtsgebied/andere rechtsgebieden waarvan die rekeninghouder een ingezetene is anders dan de genoemde lidstaat, of

ii)

bewijsstukken waaruit de niet-te- rapporteren status van de rekeninghouder blijkt;

C.

Uitgebreide controleprocedures voor hogewaarderekeningen. De onderstaande uitgebreide controleprocedures zijn van toepassing op hogewaarderekeningen.

1.

Onderzoek van elektronische dossiers. Met betrekking tot hogewaarderekeningen moet de rapporterende financiële instelling de door haar beheerde elektronisch doorzoekbare gegevens controleren op de in onderdeel B, punt 2, omschreven indicatoren.

2.

Onderzoek van papieren dossiers. Indien de elektronisch doorzoekbare databases van de rapporterende financiële instelling velden bevatten waarin alle in onderdeel C, punt 3, omschreven inlichtingen zijn opgenomen, is geen onderzoek van de papieren dossiers vereist. Indien niet al deze inlichtingen in de elektronische databases zijn opgenomen, moet de rapporterende financiële instelling ter zake van hogewaarderekeningen ook de actuele gegevens in het stamdossier van de desbetreffende klanten controleren, en indien daarin niet alle gegevens zijn opgenomen, tevens de volgende documenten controleren die verband houden met de rekening en die de rapporterende financiële instelling tijdens de daaraan voorafgaande vijf jaar heeft verkregen, op de in onderdeel B, punt 2, omschreven indicatoren:

a)

de meest recente bewijsstukken verzameld met betrekking tot de rekening;

b)

de meest recente overeenkomst of documenten omtrent de opening van de rekening;

c)

de meest recente documenten verkregen door de rapporterende financiële instelling in het kader van AML/KYC-procedures of andere regelgeving;

d)

geldige formulieren voor volmachten of tekenbevoegdheid, en

e)

geldende vaste instructies (andere dan ter zake van een depositorekening) omtrent het overmaken van gelden.

3.

Uitzondering indien de databases voldoende inlichtingen bevatten. Een rapporterende financiële instelling is niet verplicht de in onderdeel C, punt 2, omschreven papieren dossiers te onderzoeken indien haar elektronisch doorzoekbare inlichtingen het volgende bevatten:

a)

de woonplaats van de rekeninghouder;

b)

het woonadres en het postadres van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

c)

het (de) eventuele telefoonnummer(s) van de rekeninghouder zoals vastgelegd in de huidige dossiers van de rapporterende financiële instelling;

d)

in geval van andere financiële rekeningen dan depositorekeningen: of er vaste instructies zijn voor de overmaking van gelden op de rekening naar een andere rekening (met inbegrip van rekeningen bij filialen van de rapporterende financiële instelling of een andere financiële instelling);

e)

of er een actueel poste-restanteadres of „per adres” is van de rekeninghouder, en

f)

of er een volmacht of tekenbevoegdheid voor de rekening is.

4.

Opvragen van feitelijke kennis bij de relatiemanager. Naast de in onderdeel C, onder punten 1 en 2, omschreven onderzoeken van de elektronische en papieren dossiers moet de rapporterende financiële instelling een hogewaarderekening (met inbegrip van de eventueel daarmee geaggregeerde financiële rekeningen) die is toegewezen aan een relatiemanager, behandelen als een te rapporteren rekening indien de relatiemanager beschikt over feitelijke kennis dat de houder van de rekening een te rapporteren persoon is.

5.

Gevolgen van het aantreffen van indicatoren.

a)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen geen van de in onderdeel B, punt 2, genoemde indicatoren wordt aangetroffen en de houder van een rekening niet is geïdentificeerd als een te rapporteren persoon als bedoeld in onderdeel C, punt 4, zijn geen nadere maatregelen vereist, totdat een verandering van omstandigheden ertoe leidt dat een of meer indicatoren in verband worden gebracht met de rekening.

b)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen een van de in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen of indien er naderhand een verandering van omstandigheden is opgetreden die ertoe leidt dat een of meer van de indicatoren in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening voor elke lidstaat waarvoor een indicator wordt aangetroffen, tenzij zij besluit onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is op die rekening.

c)

Indien bij de in onderdeel C omschreven uitgebreide controle van hogewaarderekeningen een poste-restanteadres of „per adres” voor de rekeninghouder wordt gevonden, en geen ander adres noch een van de andere in onderdeel B, punt 2, onder a) tot en met e), genoemde indicatoren wordt aangetroffen, moet de rapporterende financiële instelling van de rekeninghouder een eigen verklaring of bewijsstukken verkrijgen teneinde diens fiscale woonplaats(en) vast te stellen. Indien de rapporterende financiële instelling geen eigen verklaring of bewijsstuk van de rekeninghouder kan verkrijgen, moet zij de rekening aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat rapporteren als ongedocumenteerde rekening.

6.

Indien een bestaande rekening van een natuurlijke persoon niet vanaf 31 december 2015 een hogewaarderekening is, maar er één wordt op de laatste dag van een volgend kalenderjaar, moet de rapporterende financiële instelling de uitgebreide controleprocedures omschreven in onderdeel C met betrekking tot die rekening voltooien binnen het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de rekening een hogewaarderekening wordt. Als, op basis van deze controle, de rekening wordt aangemerkt als een te rapporteren rekening, moet de rapporterende financiële instelling de verlangde informatie over de rekening verstrekken met betrekking tot het jaar waarin de rekening wordt aangemerkt als een te rapporteren rekening en de daaropvolgende jaren jaarlijks, tenzij de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn.

7.

Wanneer een rapporterende financiële instelling de in onderdeel C omschreven uitgebreide controleprocedures toepast op een hogewaarderekening, hoeft de rapporterende financiële instelling deze procedures niet opnieuw toe te passen, met uitzondering van het onderzoek bij de relatiemanager omschreven in onderdeel C, punt 4, op dezelfde hogewaarderekening in elk daaropvolgend jaar, tenzij de rekening niet gedocumenteerd is, in welk geval de rapporterende financiële instelling ze jaarlijks opnieuw dient toe te passen totdat de rekening niet meer ongedocumenteerd is.

8.

Indien zich een verandering voordoet in de omstandigheden met betrekking tot een hogewaarderekening die ertoe leidt dat een of meer indicatoren omschreven in onderdeel B, punt 2, in verband worden gebracht met de rekening, moet de rapporterende financiële instelling de rekening beschouwen als een te rapporteren rekening met betrekking tot elke lidstaat waarvoor een indicator is geïdentificeerd, tenzij de instelling ervoor kiest onderdeel B, punt 6, toe te passen en een van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is op die rekening.

9.

Een rapporterende financiële instelling moet procedures toepassen om ervoor te zorgen dat een relatiemanager elke wijziging in de omstandigheden van een rekening vaststelt. Als bijvoorbeeld aan een relatiemanager is meegedeeld dat de rekeninghouder een nieuw postadres in een lidstaat heeft, moet de rapporterende financiële instelling het nieuwe adres behandelen als een wijziging in de omstandigheden en, indien zij kiest voor toepassing van onderdeel B, punt 6, moet zij van de rekeninghouder de passende documentatie verkrijgen.

D.

De controle van bestaande hogewaarderekeningen van natuurlijke personen moet uiterlijk op 31 december 2016 worden voltooid. De controle van bestaande lagewaarderekeningen van natuurlijke personen moet uiterlijk op 31 december 2017 worden voltooid.

E.

Elke bestaande rekening van een natuurlijk persoon die is aangemerkt als een te rapporteren rekening overeenkomstig dit deel, moet alle daaropvolgende jaren worden behandeld als een te rapporteren rekening, tenzij de rekeninghouder ophoudt een te rapporteren persoon te zijn.

DEEL IV

DUE DILIGENCE VOOR NIEUWE REKENINGEN VAN NATUURLIJKE PERSONEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke nieuwe rekeningen van natuurlijke personen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

A.

Met betrekking tot nieuwe rekeningen van natuurlijke personen moet de rapporterende financiële instelling, bij het openen van een rekening, een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen die deel kan uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening, waarmee de rapporterende financiële instelling de fiscale verblijfplaats(en) van de rekeninghouder kan nagaan en de redelijkheid kan bevestigen van de verklaring op basis van de informatie die de rapporterende financiële instelling heeft verkregen in verband met de opening van de rekening, met inbegrip van alle stukken die zijn verzameld op grond van de AML/KYC-procedures.

B.

Indien uit de eigen verklaring van de rekeninghouder blijkt dat deze fiscaal een ingezetene is van een lidstaat, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening en moet de verklaring tevens het fiscaal identificatienummer van de rekeninghouder met betrekking tot deze lidstaat bevatten (onder voorbehoud van onderdeel D van deel I en zijn geboortedatum.

C.

Indien zich een verandering van omstandigheden met betrekking tot een nieuwe rekening van een natuurlijke persoon voordoet op basis waarvan de rapporterende financiële instelling weet, of redenen heeft om te weten, dat de oorspronkelijke eigen verklaring van de rekeninghouder onjuist of onbetrouwbaar is, kan de rapporterende financiële instelling zich niet beroepen op de oorspronkelijke verklaring en moet zij een geldige verklaring verkrijgen waarin de fiscale verblijfplaats(en) van de rekeninghouder staat/staan.

DEEL V

DUE DILIGENCE VOOR BESTAANDE ENTITEITSREKENINGEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke bestaande entiteitsrekeningen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

A.

Entiteitsrekeningen die niet hoeven te worden gecontroleerd, geïdentificeerd of gerapporteerd. Tenzij de rapporterende financiële instelling anders besluit, hetzij voor alle bestaande entiteitsrekeningen tezamen hetzij voor elke duidelijk omschreven groep van dat soort rekeningen afzonderlijk, hoeft een bestaande entiteitsrekening met een geaggregeerd saldo of een geaggregeerde waarde van, per 31 december 2015, niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, niet te worden onderzocht, geïdentificeerd of gerapporteerd als een te rapporteren rekening totdat het geaggregeerde saldo of de geaggregeerde waarde hoger is dan dat bedrag op de laatste dag van een volgend kalenderjaar.

B.

Entiteitsrekeningen die moeten worden gecontroleerd. Een bestaande entiteitsrekening met een geaggregeerd saldo of een geaggregeerde waarde van, per 31 december 2015, meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, en een bestaande entiteitsrekening die dat bedrag per 31 december 2015 niet overschrijdt maar waarvan het totale saldo of de totale waarde op de laatste dag van een volgend kalenderjaar hoger is dan dat bedrag, moet worden gecontroleerd overeenkomstig de procedures omschreven in onderdeel D.

C.

Entiteitsrekeningen die gerapporteerd moeten worden. Met betrekking tot bestaande entiteitsrekeningen omschreven in onderdeel B worden alleen rekeningen die worden aangehouden door een of meer entiteiten die te rapporteren personen zijn, of door passieve NFE's met één of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn, behandeld als te rapporteren rekeningen.

D.

Controleprocedures voor het identificeren van entiteitsrekeningen die gerapporteerd dienen te worden. Voor bestaande entiteitsrekeningen omschreven in onderdeel B moet een rapporterende financiële instelling de volgende controleprocedures toepassen teneinde vast te stellen of de rekening wordt aangehouden door een of meer te rapporteren personen of door passieve NFE's met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn:

1.

Vaststellen of de entiteit een te rapporteren persoon is.

a)

Informatie controleren die wordt bijgehouden ten behoeve van het toezicht of de klantrelatie (met inbegrip van informatie verzameld uit hoofde van de AML/KYC-procedures) teneinde vast te stellen of dit erop wijst dat de rekeninghouder een ingezetene is van een lidstaat. Voor dit doel omvat informatie waaruit blijkt dat de rekeninghouder een ingezetene is van een lidstaat ook een plaats van oprichting of organisatie, of een adres in een lidstaat.

b)

Indien de informatie erop wijst dat de rekeninghouder ingezetene is van een lidstaat, moet de rapporterende financiële instelling de rekening behandelen als een te rapporteren rekening, tenzij zij van de rekeninghouder een eigen verklaring ontvangt, of redelijkerwijs kan vaststellen op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is, dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is.

2.

Vaststellen of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Ten aanzien van een houder van een bestaande entiteitsrekening (met inbegrip van een entiteit die een te rapporteren persoon is), moet de rapporterende financiële instelling vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Indien een van de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, moet de rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening. Bij deze vaststellingen moet de rapporterende financiële instelling de leidraden volgen in onderdeel D, punt 2, onder a) tot en met c), in de onder de gegeven omstandigheden meest geschikte volgorde.

a)

Vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is. Om te bepalen of de rekeninghouder een passieve NFE is moet de rapporterende financiële instelling van de rekeninghouder een eigen verklaring verkrijgen om diens status vast te stellen, tenzij de instelling informatie in haar bezit heeft of er publiekelijk beschikbare informatie is op basis waarvan zij redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een financiële instelling anders dan een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), van deel VIII die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

b)

Vaststellen van de uiteindelijk belanghebbenden bij een rekeninghouder. Bij de vaststelling van de uiteindelijk belanghebbenden bij een rekeninghouder kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures.

c)

Vaststellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is. Om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is, kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op:

i)

informatie verzameld en bijgehouden overeenkomstig AML/KYC-procedures in het geval van een bestaande entiteitsrekening aangehouden door een of meer NFE's met een totaal saldo of een totale waarde van niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD, of

ii)

een eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende van de lidstaat/de lidstaten of het andere rechtsgebied/de andere rechtsgebieden waarvan de uiteindelijk belanghebbende een ingezetene is.

E.

Tijdstippen voor controles en aanvullende procedures die van toepassing zijn op bestaande entiteitsrekeningen

1.

De controle van bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde van, per 31 december 2015, meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, moet uiterlijk op 31 december 2017 worden voltooid.

2.

De controle van reeds bestaande entiteitsrekeningen met een totaal saldo of een totale waarde van, per 31 december 2015, niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 250 000 USD, maar, per 31 december van een daaropvolgend jaar, dat bedrag overschrijdt, moet worden voltooid binnen het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het geaggregeerde saldo of de geaggregeerde waarde dat bedrag overschreed.

3.

Indien een verandering optreedt in de omstandigheden van een bestaande entiteitsrekening die ertoe leidt dat de rapporterende financiële instelling weet, of redenen heeft om te weten, dat de eigen verklaring van de rekeninghouder of andere documentatie die verband houdt met een rekening onjuist of onbetrouwbaar is, moet de rapporterende financiële instelling de status van de rekening opnieuw vaststellen in overeenstemming met de procedures omschreven in onderdeel D.

DEEL VI

DUE DILIGENCE VOOR NIEUWE ENTITEITSREKENINGEN

De volgende procedures gelden om na te gaan welke nieuwe entiteitsrekeningen moeten worden beschouwd als te rapporteren rekeningen.

Controleprocedures voor het identificeren van entiteitsrekeningen die gerapporteerd dienen te worden. Voor nieuwe entiteitsrekeningen dient een rapporterende financiële instelling de volgende controleprocedures toe te passen teneinde vast te stellen of de rekening wordt aangehouden door een of meer te rapporteren personen of door passieve NFE's met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn:

1.

Vaststellen of de entiteit een te rapporteren persoon is.

a)

Een eigen verklaring van de rekeninghouder verkrijgen die deel kan uitmaken van de documentatie betreffende de opening van de rekening, waarmee de rapporterende financiële instelling de fiscale vestigingsplaats(en) van de rekeninghouder kan nagaan en de redelijkheid kan bevestigen van de verklaring op basis van de informatie die de rapporterende financiële instelling heeft verkregen in verband met de opening van de rekening, met inbegrip van alle documenten die zijn verzameld op grond van de AML/KYC-procedures. Indien de entiteit verklaart dat zij geen fiscale verblijfplaats heeft, kan de rapporterende financiële instelling zich voor het bepalen van de verblijfplaats van de rekeninghouder baseren op het adres van het hoofdkantoor van de entiteit.

b)

Indien de eigen verklaring van de rekeninghouder aangeeft dat deze in een lidstaat verblijft, dient de rapporterende financiële instelling de rekening te behandelen als een te rapporteren rekening, tenzij zij op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is met betrekking tot die lidstaat.

2.

Vaststellen of de entiteit een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Ten aanzien van een houder van een nieuwe entiteitsrekening (met inbegrip van een entiteit die een te rapporteren persoon is), moet de rapporterende financiële instelling vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn. Indien een van de uiteindelijk belanghebbenden van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, moet de rekening worden behandeld als een te rapporteren rekening. Bij deze vaststellingen moet de rapporterende financiële instelling de leidraden volgen in onderdeel A, punt 2, onder a) tot en met c), in de onder de gegeven omstandigheden meest geschikte volgorde.

a)

Vaststellen of de rekeninghouder een passieve NFE is. Om te bepalen of de rekeninghouder een passieve NFE is moet de rapporterende financiële instelling zich baseren op een eigen verklaring van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de instelling informatie in haar bezit heeft of er publiekelijk beschikbare informatie is op basis waarvan zij redelijkerwijs kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een financiële instelling anders dan een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), van deel VIII die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

b)

Vaststellen van de uiteindelijk belanghebbenden van een rekeninghouder. Bij de bepaling van de uiteindelijk belanghebbenden van een rekeninghouder kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de informatie die is verzameld en bijgehouden op grond van de AML/KYC-procedures.

c)

Vaststellen of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE een te rapporteren persoon is. Om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende van een passieve NFE een te rapporteren persoon is, kan een rapporterende financiële instelling zich baseren op de eigen verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende.

DEEL VII

BIJZONDERE REGELS INZAKE DUE DILIGENCE

De volgende aanvullende regels zijn van toepassing bij de uitvoering van de eerder omschreven due diligence-procedures:

A.

Vertrouwen op eigen verklaringen van rekeninghouders en bewijsstukken. Een rapporterende financiële instelling mag niet vertrouwen op een eigen verklaring van een rekeninghouder of bewijsstukken indien zij weet of redenen heeft om te weten dat de verklaring of bewijsstukken onjuist of onbetrouwbaar zijn.

B.

Alternatieve procedures voor financiële rekeningen van individuele begunstigden van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering en voor groepskapitaalverzekeringen of groepslijfrenteverzekeringen. Een rapporterende financiële instelling mag veronderstellen dat een individuele begunstigde (niet zijnde de eigenaar) van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering die een uitkering bij overlijden ontvangt geen te rapporteren persoon is en mag een dergelijke financiële rekening behandelen als een andere dan een te rapporteren rekening tenzij de financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is. Een rapporterende financiële instelling heeft redenen om te weten dat een begunstigde van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering een te rapporteren persoon is als de door de rapporterende financiële instelling verzamelde informatie over de begunstigde indicatoren bevat zoals omschreven in onderdeel B van deel III. Indien een rapporterende financiële instelling daadwerkelijk weet of redenen heeft om te weten dat de begunstigde een te rapporteren persoon is, moet de rapporterende financiële instelling de procedures van onderdeel B van deel III volgen.

Een rapporterende financiële instelling kan een financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering behandelen als een financiële rekening die geen te rapporteren rekening is, tot de datum waarop een bedrag betaalbaar wordt aan de werknemer/certificaathouder of begunstigde, als de financiële rekening die een belang is van een lid in een groepskapitaalverzekering of een groepslijfrenteverzekering, voldoet aan de volgende eisen:

i)

de groepskapitaalverzekering of de groepslijfrenteverzekering wordt afgegeven aan een werkgever en heeft betrekking op 25 of meer werknemers/certificaathouders;

ii)

de werknemer/certificaathouders hebben recht op een contractwaarde gerelateerd aan hun belangen en mogen begunstigden noemen voor de uitkering die betaalbaar is bij overlijden van de werknemer, en

iii)

het totale bedrag te betalen aan elke werknemer/certificaathouder of begunstigde bedraagt niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

Een „groepskapitaalverzekering” is een kapitaalverzekering die: i) dekking biedt aan natuurlijke personen die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of andere vereniging of groep, en ii) voor ieder lid van de groep (of lid van een categorie in de groep) een premie in rekening brengt die wordt bepaald onafhankelijk van andere individuele gezondheidskenmerken dan leeftijd, geslacht en rookgedrag van het lid (of categorie leden) van de groep.

Een „groepslijfrenteverzekering” is een lijfrenteverzekering waarvan de rechthebbenden personen zijn die zijn aangesloten via een werkgever, beroepsvereniging, vakbond of een andere vereniging of groep.

C.

Voorschriften voor de aggregatie van saldi en valuta

1.

Aggregatie van rekeningen van natuurlijke personen. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door natuurlijke personen is de rapporterende financiële instelling verplicht alle door haar of door een gelieerde entiteit aangehouden financiële rekeningen te aggregeren, maar uitsluitend voor zover de computersystemen van de rapporterende financiële instelling de financiële rekeningen koppelen op grond van een data-element, zoals een cliëntnummer of fiscaal identificatienummer, en in staat zijn de saldi of waarden te aggregeren. Aan elke houder van een gezamenlijke financiële rekening wordt het volledige saldo of de volledige waarde van de gezamenlijke financiële rekening toegeschreven ten behoeve van de vereiste aggregatie omschreven in deze alinea.

2.

Aggregatie van entiteitsrekeningen. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door een entiteit is de rapporterende financiële instelling verplicht rekening te houden met alle door haar of door een gelieerde entiteit aangehouden financiële rekeningen, maar uitsluitend voor zover de computersystemen van de rapporterende financiële instelling de financiële rekeningen koppelen op grond van een data-element, zoals een cliëntnummer of fiscaal identificatienummer, en in staat zijn de saldi of waarden te aggregeren. Aan elke houder van een gezamenlijke financiële rekening wordt het volledige saldo of de volledige waarde van de gezamenlijke financiële rekening toegeschreven ten behoeve van de vereiste aggregatie omschreven in deze alinea.

3.

Bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers. Voor het vaststellen van het totale saldo of de totale waarde van financiële rekeningen aangehouden door een persoon teneinde te bepalen of een financiële rekening een hogewaarderekening is, is een rapporterende financiële instelling voorts verplicht de saldi van financiële rekeningen te aggregeren indien de relatiemanager weet of redenen heeft om te weten dat die rekeningen direct of indirect in het bezit zijn van, onder zeggenschap staan of zijn geopend door dezelfde persoon (anders dan als gevolmachtigde).

4.

Bij bedragen wordt het equivalent in andere valuta vermeld. Alle in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukte bedragen worden geacht het equivalent van bedragen in andere valuta's te bevatten, zoals bepaald door het nationale recht.

DEEL VIII

BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

De volgende definities zijn van toepassing:

A.   Rapporterende financiële instelling

1.

Onder „rapporterende financiële instelling” wordt verstaan elke financiële instelling van een lidstaat die geen niet-rapporterende financiële instelling is. Onder „financiële instelling van een lidstaat” wordt verstaan: i) elke financiële instelling die een ingezetene is van een lidstaat, maar uitgezonderd een filiaal van een dergelijke financiële instelling dat zich buiten die lidstaat bevindt, en ii) elk filiaal van een financiële instelling die geen ingezetene is van een lidstaat, indien dat filiaal zich in die lidstaat bevindt.

2.

Onder „financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied” wordt verstaan: i) elke financiële instelling die een ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied, maar uitgezonderd een filiaal van die financiële instelling dat zich buiten dat deelnemend rechtsgebied bevindt, en ii) elk filiaal van een financiële instelling die geen ingezetene is van een deelnemend rechtsgebied, indien dat filiaal zich in dat deelnemend rechtsgebied bevindt.

3.

Onder „financiële instelling” wordt verstaan een bewaarinstelling, een instelling die deposito's neemt, een beleggingsentiteit of een omschreven verzekeringsmaatschappij.

4.

Onder „bewaarinstelling” wordt verstaan een entiteit die voor rekening van derden financiële activa in bewaring houdt als een wezenlijk deel van haar bedrijfsactiviteiten. Een instelling houdt financiële activa voor rekening van derden als wezenlijk deel van haar bedrijfsactiviteiten, wanneer haar bruto-inkomsten die verband houden met het houden van financiële activa en het verlenen van de bijbehorende financiële diensten gelijk is aan of groter is dan 20 % van de bruto-inkomsten van de entiteit gedurende: i) de periode van drie jaar die eindigt op 31 december (of de laatste dag van het boekjaar indien dat niet gelijk loopt met het kalenderjaar) voorafgaand aan het jaar waarin de vaststelling geschiedt, of ii) de bestaansperiode van de entiteit, indien deze korter is.

5.

Onder „een instelling die deposito's neemt” wordt verstaan een entiteit die opvorderbare gelden verkrijgt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf.

6.

Onder „beleggingsentiteit” wordt verstaan een entiteit

a)

met als voornaamste bedrijfsactiviteit het voor of namens een klant uitvoeren van een of meer van de volgende activiteiten of transacties:

i)

handel in geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositobewijzen, derivaten, etc.), vreemde valuta's, wisselkoersen, rentepercentage- en indexinstrumenten, overdraagbare effecten, of goederentermijnhandel;

ii)

beheren van een individueel vermogen en collectief portefeuillebeheer, of

iii)

andere vormen van het beleggen, administreren of beheren van financiële activa of geld ten behoeve van derden,

of

b)

met een bruto-inkomen dat hoofdzakelijk is toe te rekenen aan beleggen, herbeleggen of handel in financiële activa, indien de entiteit wordt beheerd door een andere entiteit die een instelling is die deposito's neemt, een bewaarinstelling, een omschreven verzekeringsmaatschappij of een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder a).

Een entiteit wordt gezien als een entiteit met als bedrijfsactiviteit voornamelijk het uitvoeren van een of meer van de in onderdeel A, onder punt 6, onder a), omschreven activiteiten, of haar bruto-inkomen is hoofdzakelijk toe te rekenen aan beleggen, herbeleggen of handel in financiële activa voor de in onderdeel A, punt 6, onder b), bedoelde doelen, als de bruto-inkomsten van de entiteit die verband houden met deze activiteiten gelijk zijn aan of groter zijn dan 50 % van de bruto-inkomsten van de entiteit gedurende: i) de periode van drie jaar die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de vaststelling geschiedt, of ii) de bestaansperiode van de entiteit, indien deze korter is. De term „beleggingsentiteit” heeft niet betrekking op een entiteit die een actieve NFE is omdat die entiteit voldoet aan een van de criteria vermeld in onderdeel D, punt 8, onder d) tot en met g).

Deze paragraaf wordt uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de gelijkwaardige bewoordingen vervat in de definitie van „financiële instelling” in de aanbevelingen van de Financial Action Task Force.

7.

De term „financiële activa” omvat effecten (bijvoorbeeld een aandeel in een vennootschap; partnerschap of uiteindelijk belang in een breed opgezet of een beursgenoteerd samenwerkingsverband of een trust; waardepapier, obligatie, schuldbewijs of andere bewijzen van schuldenlast), partnerschapsbelang, commodity, swap (bijvoorbeeld renteswaps, valutaswaps, basisswaps, interest rate caps, interest rate floors, commodity swaps, equity swaps, equity index swaps en soortgelijke overeenkomsten), verzekeringscontract of lijfrenteverzekering of enig belang (inclusief een termijncontract of optie) in een zekerheid, partnerschapsbelang, commodity, swap, verzekeringscontract of lijfrenteverzekering. De term „financiële activa” omvat niet een direct belang, buiten de vreemd vermogenssfeer, in een onroerend goed.

8.

Onder „omschreven verzekeringsmaatschappij” wordt verstaan een entiteit die een verzekeringsmaatschappij is (of de houdstermaatschappij van een verzekeringsmaatschappij) die een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering aanbiedt of verplicht is tot het betalen van uitkeringen uit hoofde van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering.

B.   Niet-rapporterende financiële instelling

1.

Onder „niet-rapporterende financiële instelling” wordt verstaan een financiële instelling die:

a)

een overheidsinstantie is, een internationale organisatie of een centrale bank, anders dan met betrekking tot een betaling die is afgeleid van een verplichting in het kader van een commerciële financiële activiteit van een soort die wordt uitgeoefend door een omschreven verzekeringsmaatschappij, een bewaarinstelling of een instelling die deposito's neemt;

b)

een pensioenfonds met brede deelname, een pensioenfonds met beperkte deelname, een pensioenfonds van een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank of een gekwalificeerde uitgever van een creditcard;

c)

een andere entiteit met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking, die in wezen gelijkaardige kenmerken heeft als een van de entiteiten omschreven in onderdeel B, punt 1, onder a) en b), en die is opgenomen in de lijst van niet-rapporterende financiële instellingen als bedoeld in artikel 8, lid 7 bis) van deze richtlijn, op voorwaarde dat de status van deze entiteit als niet-rapporterende financiële instelling geen afbreuk doet aan het doel van deze richtlijn;

d)

een vrijgesteld collectief beleggingsvehikel, of

e)

een trust voor zover de trustee van de trust een rapporterende financiële instelling is en alle informatie rapporteert overeenkomstig het vereiste in deel I met betrekking tot alle te rapporteren rekeningen van de trust.

2.

Onder „overheidsinstantie” wordt verstaan de regering van een lidstaat of ander rechtsgebied, een staatkundig onderdeel van een lidstaat of ander rechtsgebied (voor alle duidelijkheid, met inbegrip van een staat, provincie, district of gemeente), of een agentschap of instantie van een lidstaat of ander rechtsgebied of van een of meer van de voorgaande overheidsinstanties dat/die volledig daartoe behoort/behoren. Deze categorie bestaat uit de integrale delen, entiteiten waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, en de staatkundige onderdelen van een lidstaat of ander rechtsgebied.

a)

Een „integraal deel” van een lidstaat of een ander rechtsgebied is elke persoon, organisatie, agentschap, bureau, fonds, instantie of een ander lichaam, ongeacht de benaming, die/dat een bestuursautoriteit van een lidstaat of ander rechtsgebied vormt. De netto inkomsten van de bestuursautoriteit moeten worden gecrediteerd naar de eigen rekening of naar andere rekeningen van de lidstaat of het andere rechtsgebied, zonder dat er een deel ten goede komt van een particulier. Een integraal deel omvat niet een persoon die een staatshoofd, ambtenaar of bestuurder is handelend als privé-persoon of op persoonlijke titel.

b)

Een entiteit waarover zeggenschap wordt uitgeoefend is een entiteit die formeel apart staat van de lidstaat of het andere rechtsgebied, of die anderszins een afzonderlijke juridische entiteit vormt, op voorwaarde dat:

i)

de entiteit volledig behoort tot en volledig onder de zeggenschap staat van een of meer overheidsinstanties, rechtstreeks of via één of meer entiteiten waarover zeggenschap wordt uitgeoefend;

ii)

de netto inkomsten van de entiteit worden gecrediteerd naar de eigen rekening of de rekeningen van een of meer overheidsinstanties, zonder dat een deel ervan ten goede komt aan een particulier, en

iii)

de activa van de entiteit bij ontbinding toekomen aan een of meer overheidsinstanties.

c)

Inkomsten komen niet ten goede van particulieren als deze personen de beoogde begunstigden zijn van een overheidsprogramma, en de programma-activiteiten voor het grote publiek worden uitgevoerd met betrekking tot het gemeenschappelijke welzijn of betrekking hebben op de administratie van een fase van de overheid. Niettegenstaande het voorgaande, worden inkomsten evenwel geacht ten goede te komen van particulieren als de inkomsten voortkomen uit het gebruik van een Overheidsinstantie voor het voeren van een commercieel bedrijf, zoals commerciële bankactiviteiten, dat financiële diensten verleent aan particulieren.

3.

Onder „internationale organisatie” wordt verstaan iedere internationale organisatie of een agentschap of instantie daarvan dat/die daar volledig toe behoort. Tot deze categorie behoort iedere intergouvernementele organisatie (en ook een supranationale organisatie): i) die voornamelijk bestaat uit regeringen, ii) die daadwerkelijk een hoofdzetelovereenkomst of soortgelijke overeenkomst heeft met de lidstaat, en iii) waarvan de inkomsten niet ten goede komen van particulieren.

4.

Onder „centrale bank” wordt verstaan een instelling die bij wet of bij goedkeuring van de overheid de belangrijkste autoriteit is, naast de regering van de lidstaat zelf, die middelen uitgeeft die bedoeld zijn om te circuleren als geld. Een dergelijke instelling kan ook een instantie omvatten die los staat van de regering van de lidstaat en al dan niet geheel of gedeeltelijk tot de lidstaat behoort.

5.

Onder „uittredingsfonds met brede deelname” wordt verstaan een fonds opgericht ten behoeve van pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen, of een combinatie daarvan, aan begunstigden die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen) van een of meer werkgevers, als tegenprestatie voor de geleverde diensten, op voorwaarde dat het fonds:

a)

geen enkele begunstigde heeft met een recht van meer dan 5 % van de activa van het fonds;

b)

onderworpen is aan overheidsregelgeving en informatie verstrekt aan de belastingautoriteiten, en

c)

voldoet aan ten minste één van onderstaande eisen:

i)

het fonds is algemeen vrijgesteld van belasting op inkomsten uit beleggingen, ofwel voor die inkomsten wordt uitstel van belastingheffing verleend of zij worden tegen een verlaagd tarief belast, vanwege de status die het fonds heeft als uittredings- of pensioenregeling;

ii)

het fonds ontvangt ten minste 50 % van zijn totale bijdragen van de aangesloten werkgevers (met uitzondering van overdrachten van activa van andere regelingen omschreven in onderdeel B, onder punten 5 tot en met 7, of van uittredings- en pensioenrekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a);

iii)

uitkeringen of onttrekkingen van het fonds zijn uitsluitend toegestaan wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen die verband houden met pensioen, invaliditeit, of overlijden (met uitzondering van overgedragen uitkeringen aan andere uittredingsfondsen omschreven in onderdeel B, onder de punten 5 tot en met 7 of uittredings- en pensioenrekeningen vermeld in onderdeel C, punt 17, onder a), of er zijn sancties van toepassing op dergelijke uitkeringen of onttrekkingen voordat zich dergelijke gebeurtenissen voordoen, of

iv)

bijdragen (met uitzondering van bepaalde toegestane aanvullende bijdragen) aan het fonds door werknemers worden beperkt op grond van de verworven inkomsten van de werknemer of mogen jaarlijks niet hoger zijn dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD, onder toepassing van de regels die zijn omschreven in onderdeel C van deel VII voor rekening-aggregatie en valuta-omrekening.

6.

Onder „pensioenfonds met beperkte deelname” wordt verstaan een fonds opgericht ten behoeve van pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen aan begunstigden die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen) van een of meer werkgevers, als tegenprestatie voor geleverde diensten, op voorwaarde dat:

a)

het fonds minder dan 50 deelnemers heeft;

b)

het fonds wordt gefinancierd door een of meer werkgevers die geen beleggingsentiteiten of passieve NFE's zijn;

c)

de bijdragen van de werknemer respectievelijk de werkgever aan het fonds (anders dan overdrachten van activa van uittredings- en pensioenrekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a) beperkt zijn op grond van de verworven inkomsten respectievelijk de beloning van de werknemer;

d)

de deelnemers die geen ingezetenen zijn van de lidstaat waar het fonds is gevestigd geen recht hebben op meer dan 20 % van de activa van het fonds, en

e)

het fonds onderworpen is aan overheidsreglementering en informatie verstrekt aan de belastingautoriteiten.

7.

Onder „pensioenfonds van een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank” wordt verstaan een fonds dat is opgericht door een overheidsinstantie, een internationale organisatie of een centrale bank en pensioen-, invaliditeits- of overlijdensuitkeringen uitkeert aan begunstigden of deelnemers die huidige of voormalige werknemers zijn (of personen die door de werknemers zijn aangewezen), of die geen huidige of voormalige werknemers zijn, indien de uitkeringen aan die begunstigden of deelnemers gebaseerd zijn op persoonlijke diensten verricht ten behoeve van de overheidsinstantie, internationale organisatie of centrale bank.

8.

Onder „gekwalificeerde uitgever van een creditcard” wordt verstaan een financiële instelling die voldoet aan de volgende eisen:

a)

de financiële instelling is alleen een financiële instelling omdat zij uitgever is van creditcards die alleen deposito's aanvaardt wanneer een klant een betaling verricht hoger dan een verschuldigd bedrag ten opzichte van de kaart en het te veel betaalde bedrag niet onverwijld aan de klant wordt geretourneerd, en

b)

met ingang van of nog vóór 1 januari 2016 voert de financiële instelling beleidsmaatregelen en procedures in om te voorkomen dat een klant meer betaalt dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD, of om ervoor te zorgen dat de klant dat te veel betaald bedrag binnen 60 dagen terugbetaald krijgt, en in elk van die gevallen worden de regels van onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valuta-omrekening toegepast. In dit verband heeft een door een klant te veel betaald bedrag geen betrekking op creditsaldi in verband met betwiste afboekingen van de rekening, maar wel op creditsaldi die ontstaan door teruggestorte goederen.

9.

Onder „vrijgesteld collectief beleggingsvehikel” wordt verstaan een beleggingsentiteit die wordt gereguleerd als een vehikel voor collectieve beleggingen, op voorwaarde dat alle belangen in het collectief beleggingsvehikel worden gehouden door of via personen of entiteiten die geen te rapporteren personen zijn, behalve een passieve NFE met uiteindelijk belanghebbenden die te rapporteren personen zijn.

Een beleggingsentiteit die wordt gereguleerd als een vehikel voor collectieve beleggingen, schiet niet krachtens onderdeel B, punt 9, tekort als vrijgesteld collectief beleggingsvehikel alleen omdat het vehikel fysieke aandelen aan toonder heeft uitgegeven, op voorwaarde dat:

a)

het collectieve beleggingsvehikel na 31 december 2015 geen fysieke aandelen aan toonder heeft uitgegeven of uitgeeft;

b)

het collectieve beleggingsvehikel al deze aandelen intrekt bij afkoop;

c)

het collectieve beleggingsvehikel de due diligence-procedures in de delen II tot en met VII uitvoert en alle informatie meldt die over dergelijke aandelen moet worden verstrekt wanneer ze worden aangeboden voor terugkoop of andere betaling, en

d)

het collectieve beleggingsvehikel over beleid en procedures beschikt om te garanderen dat dergelijke aandelen zo spoedig mogelijk worden teruggekocht of ingetrokken, in elk geval vóór 1 januari 2018.

C.   Financiële rekening

1.

Onder „financiële rekening” wordt verstaan een rekening aangehouden door een financiële instelling en omvat de depositorekening, de bewaarrekening, en:

a)

in het geval van een beleggingsentiteit, alle aandelenbelangen of schuldvorderingen in de financiële instelling. Niettegenstaande het voorgaande, omvat de term „financiële rekening” geen aandelenbelangen of schuldvorderingen in een entiteit die een beleggingsentiteit is louter omdat zij: i) beleggingsadvies geeft aan, en handelt namens, of ii) portefeuilles beheert van, en optreedt namens, een klant met het oog op het beleggen in of beheren of administreren van financiële activa die op naam van de klant bij een andere financiële instelling dan een dergelijke entiteit zijn gedeponeerd;

b)

in het geval van een financiële instelling die niet wordt omschreven in onderdeel C, punt 1, onder a), aandelenbelangen of schuldvorderingen in de financiële instelling, indien de categorie belangen is gecreëerd met het doel om de rapportage overeenkomstig deel I te vermijden, en

c)

een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering, aangeboden of aangehouden door een financiële instelling, anders dan niet aan beleggingen gekoppelde, niet-overdraagbare, direct ingaande lijfrenten, verstrekt aan natuurlijke personen en die dienen voor het te gelde maken van een pensioen- of arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van een rekening die een uitgezonderde rekening is.

De term „Financiële rekening” omvat geen uitgezonderde rekeningen.

2.

De term „depositorekening” omvat elke bedrijfsrekening, betaalrekening, spaarrekening, termijnrekening of spaarrekening bij een spaar- of nutsbank of een rekening waarvoor een depositobewijs, een stortingsbewijs, een beleggingscertificaat of een schuldbewijs is overgelegd of een ander daarmee vergelijkbaar instrument aangehouden door een financiële instelling in het kader van de uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. Onder een depositorekening wordt voorts verstaan een bedrag aangehouden door een verzekeringsmaatschappij uit hoofde van een contract dat terugbetaling van de hoofdsom garandeert of een vergelijkbare overeenkomst voor het betalen of ontvangen van interest over dat bedrag.

3.

Onder „bewaarrekening” wordt verstaan een rekening (anders dan een verzekeringsovereenkomst of lijfrenteverzekering) die één of meer financiële activa houdt ten gunste van een derde.

4.

Onder „aandelenbelang” wordt verstaan, in het geval van een samenwerkingsverband dat een financiële instelling is, een kapitaalbelang of een winstaandeel in het samenwerkingsverband. In het geval van een trust die een financiële instelling is, wordt een aandelenbelang geacht te worden aangehouden door degene die optreedt als insteller of begunstigde van de volledige trust of een deel ervan of door een derde natuurlijke persoon die uiteindelijk de feitelijke zeggenschap uitoefent over de trust. Een te rapporteren persoon wordt behandeld als begunstigde van een trust indien de te rapporteren persoon gerechtigd is rechtstreeks of middellijk (bijvoorbeeld via een vertegenwoordiger) een verplichte uitkering te ontvangen of rechtstreeks of middellijk een discretionaire uitkering kan ontvangen uit de trust.

5.

Onder „verzekeringsovereenkomst” wordt verstaan een overeenkomst (anders dan een lijfrenteverzekering) uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht een bedrag uit te keren indien zich een omschreven gebeurtenis voordoet aangaande overlijden, ziekte, ongeval, aansprakelijkheid of vermogensrisico's.

6.

Onder „lijfrenteverzekering” wordt verstaan een overeenkomst uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht uitkeringen te verstrekken gedurende een tijdvak dat geheel of gedeeltelijk wordt vastgesteld op basis van de levensverwachting van een of meer natuurlijke personen. De term omvat voorts een overeenkomst die in overeenstemming met de wet- of regelgeving of in de praktijk in de lidstaat of ander rechtsgebied waar de overeenkomst werd gesloten wordt aangemerkt als lijfrenteverzekering en uit hoofde waarvan de uitgevende instantie zich verplicht gedurende een aantal jaren uitkeringen te verstrekken.

7.

Onder „kapitaalverzekering” wordt verstaan een verzekeringsovereenkomst (anders dan een herverzekeringsovereenkomst gericht op schadeloosstelling tussen twee verzekeringsmaatschappijen) met een geldswaarde.

8.

Onder „geldswaarde” wordt verstaan: i) het bedrag waarop de houder van de polis aanspraak kan maken bij afkoop of beëindiging van de overeenkomst (vastgesteld zonder aftrek van een annuleringsvergoeding of polisbelening), of ii) het bedrag dat de polishouder kan lenen uit hoofde van of ter zake van de overeenkomst, indien dat groter is dan het eerste bedrag. Niettegenstaande het voorgaande is „geldswaarde” niet een bedrag dat verschuldigd is uit hoofde van een verzekeringspolis:

a)

uitsluitend wegens het overlijden van een persoon, verzekerd in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst;

b)

als een invaliditeits-, ongevals- of ziekte-uitkering of een andere uitkering wegens economische verliezen door het optreden van de verzekerde gebeurtenis;

c)

als een teruggave aan de polishouder van een eerder betaalde premie (minus de kosten van verzekeringsheffingen al dan niet daadwerkelijk opgelegd) uit hoofde van een verzekeringspolis (anders dan een aan beleggingen gekoppelde levensverzekering of lijfrenteverzekering) vanwege opzegging of beëindiging van de polis, afname van het risico gedurende de looptijd van de polis, of voortvloeiend uit de correctie na de publicatie van onjuiste premies of soortgelijke fouten;

d)

als resultaatdeling voor polishouders (niet bij beëindiging) mits de resultaatdeling verband houdt met een verzekeringsovereenkomst volgens welke de enige betaalbare uitkeringen worden omschreven in onderdeel C, punt 8, onder b), of

e)

als een teruggave van een voorschotpremie of een vooruitbetaalde premie voor een verzekeringsovereenkomst waarvoor de premie op zijn minst jaarlijks betaalbaar is als het bedrag van het voorschot of de vooruitbetaling niet hoger is dan de volgende jaarlijkse premie die volgens de overeenkomst betaalbaar wordt.

9.

Onder „bestaande rekening” wordt verstaan:

a)

een financiële rekening per 31 december 2015 aangehouden door een rapporterende financiële instelling;

b)

een financiële rekening van een rekeninghouder, ongeacht de datum waarop de financiële rekening is geopend, indien:

i)

de rekeninghouder tevens bij de rapporterende financiële instelling (of met een gelieerde entiteit in dezelfde lidstaat als de rapporterende financiële instelling) houder is van een financiële rekening die een bestaande rekening is krachtens onderdeel C, punt 9, onder a);

ii)

de rapporterende financiële instelling (en, voor zover van toepassing, de gelieerde entiteit in dezelfde lidstaat als de rapporterende financiële instelling) beide eerder genoemde financiële rekeningen, en andere financiële rekeningen van de rekeninghouder die worden behandeld als bestaande rekeningen uit hoofde van punt b), behandelt als één enkele financiële rekening om te voldoen aan de normen van kennisvereisten in onderdeel A van deel VII, en met het oog op de bepaling van het saldo of de waarde van elk van de financiële rekeningen bij de toepassing van een van de rekeningdrempels;

iii)

met betrekking tot een financiële rekening die onderworpen is aan de AML/KYC procedures, de rapporterende financiële instelling aan dergelijke AML/KYC-procedures voor de financiële rekening kan voldoen door te vertrouwen op de AML/KYC-procedures die zijn gevolgd voor de bestaande rekening, omschreven in onderdeel C, punt 9, onder a), en

iv)

de rekeninghouder voor het openen van de financiële rekening geen nieuwe, aanvullende of gewijzigde klantinformatie hoeft te verstrekken, naast de voor de toepassing van deze richtlijn vereiste informatie.

10.

Onder „nieuwe rekening” wordt verstaan een financiële rekening, aangehouden door een rapporterende financiële instelling, geopend op of na 1 januari 2016 tenzij de rekening wordt behandeld als een bestaande rekening krachtens onderdeel C, punt 9, onder b).

11.

Onder „bestaande rekening van een natuurlijke persoon” wordt verstaan een bestaande rekening die door één of meer natuurlijke personen wordt aangehouden.

12.

Onder „nieuwe rekening van een natuurlijke persoon” wordt verstaan een nieuwe rekening die door één of meer natuurlijke personen wordt aangehouden.

13.

Onder „bestaande entiteitsrekening” wordt verstaan een bestaande rekening die door één of meer entiteiten wordt aangehouden.

14.

Onder „lagewaarderekening” wordt verstaan een bestaande rekening van een natuurlijke persoon met een totaal saldo of een totale waarde per 31 december 2015 van niet meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

15.

Onder „hogewaarderekening” wordt verstaans een bestaande rekening van een natuurlijke persoon met een totaal saldo of een totale waarde, per 31 december 2015 of 31 december van daaropvolgende jaren, van meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD.

16.

Onder „nieuwe entiteitsrekening” wordt verstaan een nieuwe rekening die door één of meer entiteiten wordt aangehouden.

17.

Onder „uitgezonderde rekening” wordt verstaan een van onderstaande rekeningen:

a)

een uittredings- of pensioenrekening die voldoet aan onderstaande voorwaarden:

i)

de rekening is aan regels gebonden als een persoonlijke uittredingsrekening of maakt deel uit van een geregistreerde of gereguleerde uittredings- of pensioenregeling voor de verstrekking van uittredings- of pensioenuitkeringen (met inbegrip van invaliditeits- of overlijdensuitkeringen);

ii)

de rekening is fiscaal gefaciliteerd (d.w.z. bijdragen aan de rekening die anders zouden worden onderworpen aan belasting kunnen worden afgetrokken of uitgesloten van de bruto-inkomsten van de Rekeninghouder of belast tegen een verlaagd tarief, of de belastingheffing op beleggingsinkomsten van de rekening wordt uitgesteld of gebeurt tegen een verlaagd tarief);

iii)

er wordt aan de belastingautoriteiten met betrekking tot de rekening informatie verstrekt;

iv)

opnames zijn afhankelijk gesteld van het bereiken van een bepaalde uittredingsleeftijd, invaliditeit of overlijden, of er gelden sancties op opnames die worden gedaan voordat een van deze gebeurtenissen zich voordoet, en

v)

i) de jaarlijkse bijdragen blijven beperkt tot een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD of minder, of ii) er is een maximale levenslange beperking van de bijdrage aan de rekening van een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 1 000 000 USD of minder, en in beide gevallen gelden de regels van onderdeel C van deel VII inzake rekeningaggregatie en valuta-omrekening.

Een financiële rekening die activa of middelen kan ontvangen die zijn overgedragen uit één of meer financiële rekeningen die voldoen aan de eisen van onderdeel C, punt 17, onder a) of b) of van een of meer uittredings- of pensioenfondsen die voldoen aan de vereisten van onderdeel B, onder punten 5 tot en met 7, maar voor het overige voldoet aan het vereiste in onderdeel C, punt 17, onder a), v), wordt niettemin geacht te voldoen aan dit laatste vereiste.

b)

een rekening die voldoet aan onderstaande voorwaarden:

i)

de rekening is onderworpen aan regelgeving als beleggingsvehikel voor andere doeleinden dan uittreding en wordt regelmatig verhandeld op erkende effectenbeurzen of de rekening is onderworpen aan regelgeving als spaarvehikel voor andere doeleinden dan uittreding;

ii)

de rekening is fiscaal gefaciliteerd (d.w.z. bijdragen aan de rekening die anders zouden worden onderworpen aan belasting kunnen worden afgetrokken of uitgesloten van de bruto-inkomsten van de Rekeninghouder of belast tegen een verlaagd tarief, of de belastingheffing op beleggingsinkomsten van de rekening wordt uitgesteld of gebeurt tegen een verlaagd tarief);

iii)

opnames zijn alleen mogelijk als wordt voldaan aan specifieke criteria die te maken hebben met het doel van de beleggings- of spaarrekening (bijvoorbeeld het opleveren van voordelen op onderwijs- of medisch gebied), of er gelden sancties op opnames die worden gedaan voordat aan deze criteria wordt voldaan, en

iv)

jaarlijkse bijdragen zijn beperkt tot een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD of minder, met toepassing van de regels die zijn vastgesteld in onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valutaomrekening.

Een financiële rekening die activa of middelen kan ontvangen die zijn overgedragen uit één of meer financiële rekeningen die voldoen aan de eisen van onderdeel C, punt 17, onder a) of b), of van een of meer uittredings- of pensioenfondsen die voldoen aan de eisen van onderdeel B, punt 5, 6 of 7, maar voor het overige voldoet aan het vereiste in onderdeel C, punt 17, onder b), iv), wordt niettemin geacht te voldoen aan dit laatste vereiste.

c)

een levensverzekeringsovereenkomst met een dekkingstermijn die verstrijkt voordat de verzekerde de leeftijd van 90 jaar heeft bereikt, mits de overeenkomst voldoet aan de volgende eisen:

i)

periodieke premies, die niet in de loop van de tijd afnemen, zijn ten minste jaarlijks verschuldigd tijdens de periode dat de overeenkomst bestaat of tot de verzekerde de leeftijd van 90 jaar bereikt, indien dat eerder gebeurt;

ii)

het contract heeft geen contractwaarde waartoe eenieder toegang kan krijgen (door opname, lening of anderszins) zonder beëindiging van de overeenkomst;

iii)

het bedrag (niet zijnde een uitkering bij overlijden) te betalen bij annulering of beëindiging van het contract mag niet hoger zijn dan de geaggregeerde voor het contract betaalde premies, minus de som van mortaliteits-, morbiditeits- en kostentoeslagen (al dan niet daadwerkelijk opgelegd) voor de periode of perioden van het bestaan van het contract en de bedragen die zijn betaald vóór de annulering of beëindiging van het contract, en

iv)

het contract is niet in het bezit van iemand die het onder bezwarende titel verkregen heeft;

d)

een rekening die alleen wordt aangehouden door een nalatenschap indien de documentatie voor deze rekening een kopie bevat van het testament van de overledene of van de overlijdensakte;

e)

een rekening die is geopend in verband met onderstaande:

i)

een rechterlijke beslissing of een vonnis;

ii)

verkoop, ruil of leasen van roerend of onroerend goed, op voorwaarde dat de rekening aan de volgende eisen voldoet:

de rekening wordt louter gefinancierd met een aanbetaling, waarborgsom, deposito van een bedrag nodig om een verplichting zeker te stellen die rechtstreeks verband houdt met de transactie, of een soortgelijke betaling, of wordt gefinancierd met financiële activa, gestort op de rekening in verband met de verkoop, ruil, of leasing van het goed,

de rekening wordt geopend en uitsluitend gebruikt om ervoor te zorgen dat de koper zijn verplichting om de koopprijs van het goed te betalen, nakomt, dat de verkoper een eventuele voorwaardelijke verplichting betaalt, of dat de verhuurder of de huurder schade vergoedt met betrekking tot het geleasede goed, zoals overeengekomen in het huurcontract,

de activa van de rekening, inclusief de opbrengst daarvan, zullen worden betaald of anderszins worden uitgekeerd ten behoeve van de koper, de verkoper, de verhuurder of huurder (onder meer om te voldoen aan diens verplichting), wanneer het goed wordt verkocht, geruild, of overgedragen of bij beëindiging van de huur,

de rekening is geen marge- of soortgelijke rekening in verband met een verkoop of ruil van financiële activa, en

de rekening is niet verbonden aan een rekening als omschreven in onderdeel C, punt 17, onder f);

iii)

een verplichting van een financiële instelling die een lening verstrekt, gedekt door onroerend goed, om een deel van een betaling uit te stellen, uitsluitend ter vergemakkelijking van de betaling van belastingen of verzekeringen in verband met het onroerend goed op een later tijdstip;

iv)

een verplichting van een financiële instelling uitsluitend ter vergemakkelijking van de betaling van belastingen op een later tijdstip;

f)

een depositorekening die voldoet aan de volgende eisen:

i)

de rekening bestaat alleen omdat een klant een betaling verricht, hoger dan een saldo ten opzichte van een creditcard of andere kredietfaciliteit en het te veel betaalde bedrag wordt niet onverwijld aan de klant geretourneerd, en

ii)

met ingang van of nog vóór 1 januari 2016 voert de financiële instelling beleidsmaatregelen en procedures in om te voorkomen dat een klant meer dan een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt bedrag dat overeenstemt met 50 000 USD te veel betaalt, of om ervoor te zorgen dat de klant dat te veel betaald bedrag binnen 60 dagen terugbetaald krijgt, en in beide gevallen worden de regels toegepast van onderdeel C van deel VII voor rekeningaggregatie en valuta-omrekening. In dit verband heeft een door een klant te veel betaald bedrag geen betrekking op creditsaldi in verband met betwiste afboekingen van de rekening, maar wel op creditsaldi die ontstaan door teruggestuurde goederen;

g)

een andere rekening met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking, die in wezen soortgelijke kenmerken heeft als een van de rekeningen omschreven in onderdeel C, punt 17, onder a) tot en met f), en die is opgenomen in de lijst van uitgezonderde rekeningen als bedoeld in artikel 8, lid 7 bis, van deze richtlijn op voorwaarde dat de status van deze rekening als uitgezonderde rekening geen afbreuk doet aan het doel van deze richtlijn.

D.   Te rapporteren rekening

1.

Onder „te rapporteren rekening” wordt verstaan een financiële rekening die wordt aangehouden door een rapporterende financiële instelling van een lidstaat en wordt aangehouden door één of meer te rapporteren personen of een passieve NFE met een of meer uiteindelijk belanghebbenden die een te rapporteren persoon is, mits de rekening als zodanig is aangemerkt op grond van de due diligence-procedures omschreven in de delen II tot en met VII.

2.

Onder „te rapporteren persoon” wordt verstaan een persoon van een lidstaat, niet zijnde: i) een onderneming waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op één of meer erkende effectenbeurzen, ii) een onderneming die een gelieerde entiteit is van een onderneming omschreven onder i), iii) een overheidsinstantie, iv) een internationale organisatie, v) een centrale bank, of vi) een financiële instelling.

3.

Onder „persoon van een lidstaat” wordt verstaan met betrekking tot elke lidstaat een natuurlijke persoon of een entiteit die een ingezetene is van een andere lidstaat onder de fiscale wetgeving van die andere lidstaat, of een nalatenschap van een erflater die een ingezetene was van een andere lidstaat. Voor dit doel wordt een entiteit zoals een samenwerkingsverband, een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid of een soortgelijke juridische constructie zonder fiscale woonplaats, behandeld als een ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen.

4.

Onder „deelnemend rechtsgebied” wordt verstaan met betrekking tot elke lidstaat:

a)

een andere lidstaat;

b)

een ander rechtsgebied: i) waarmee de betrokken lidstaat een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied de informatie, bedoeld in deel I, zal verstrekken, en ii) dat voorkomt op een door die lidstaat gepubliceerde en aan de Europese Commissie toegezonden lijst;

c)

enig ander rechtsgebied: i) waarmee de Unie een overeenkomst heeft op grond waarvan dat rechtsgebied de informatie, bedoeld in deel I, zal verstrekken, en ii) dat voorkomt op een door de Europese Commissie gepubliceerde lijst.

5.

Onder „uiteindelijk belanghebbenden” worden verstaan de natuurlijke personen die zeggenschap uitoefenen over een entiteit. In het geval van trusts worden hieronder verstaan de insteller(s) van een trust, de trustees, de eventuele protector(en), de begunstigde(n) of categorie(ën) begunstigden en eventuele andere natuurlijke personen die de uiteindelijke feitelijke zeggenschap uitoefenen over de trust en in het geval van andere juridische overeenkomsten dan een trust worden hieronder verstaan personen in dezelfde of een vergelijkbare positie. De uitdrukking „uiteindelijk belanghebbenden” wordt uitgelegd op een wijze die verenigbaar is met de aanbevelingen van de Financial Action Task Force.

6.

Onder „NFE” wordt verstaan een entiteit die geen financiële instelling is.

7.

Onder „passieve NFE” wordt verstaan: i) een NFE die geen actieve NFE is, of ii) een beleggingsentiteit omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), die geen financiële instelling in een deelnemend rechtsgebied is.

8.

Onder „actieve NFE” wordt verstaan een NFE die voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

minder dan 50 % van de bruto-inkomsten van de NFE in het voorgaande kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, bestaat uit passieve inkomsten en minder dan 50 % van de activa van de NFE gedurende het voorgaande kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden, bestaat uit activa die passieve inkomsten genereren of die worden aangehouden voor het genereren van passieve inkomsten;

b)

de aandelen van de NFE worden regelmatig verhandeld op een erkende effectenbeurs of de NFE is een gelieerde entiteit van een entiteit waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een erkende effectenbeurs;

c)

de NFE is een overheidsinstantie, een internationale organisatie, een centrale bank of een entiteit die volledig in het bezit is van een of meer van de voorgaande instanties;

d)

Een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het (geheel of gedeeltelijk) aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling, met dien verstande dat een entiteit niet in aanmerking komt voor de status van NFE, indien de entiteit fungeert als een beleggingsfonds (of zich als zodanig presenteert), zoals een private equity fonds, durfkapitaalfonds, een overnamefonds dat met schulden wordt gefinancierd of een beleggingsvehikel met het doel ondernemingen te verwerven of te financieren en bij wijze van belegging daarin vervolgens belangen aan te houden als vermogensbestanddelen;

e)

de NFE oefent nog geen bedrijfsactiviteiten uit en heeft dat ook in het verleden niet gedaan, maar investeert vermogen in activa teneinde bedrijfsactiviteiten uit te oefenen anders dan die van een financiële instelling, op voorwaarde dat de NFE 24 maanden na de datum van haar oprichting niet in aanmerking komt voor deze uitzondering;

f)

de NFE was gedurende de voorgaande vijf jaar geen financiële instelling en is bezig met de liquidatie van haar activa of met een reorganisatie teneinde de activiteiten voort te zetten of te hervatten, niet zijnde die van een financiële instelling;

g)

de NFE is voornamelijk betrokken bij financierings- en hedgingtransacties met of voor gelieerde entiteiten die geen financiële instellingen zijn en verschaft geen financiering of hedgingdiensten aan een entiteit die geen gelieerde entiteit is, mits de groep van dergelijke gelieerde entiteiten voornamelijk betrokken is bij bedrijfsactiveiten anders dan die van een financiële instelling, of

h)

de NFE voldoet aan alle volgende vereisten:

i)

zij is opgericht in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is, en wordt aldaar uitsluitend geëxploiteerd voor religieuze, charitatieve, wetenschappelijke, artistieke, culturele, sportieve of educatieve doeleinden, of zij is opgericht in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is en wordt aldaar geëxploiteerd als een professionele organisatie, bedrijfsvereniging, kamer van koophandel, arbeidsorganisatie, land- of tuinbouworganisatie, burgerorganisatie of als een organisatie uitsluitend ter bevordering van het sociale welzijn;

ii)

zij is in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij een ingezetene is vrijgesteld van inkomstenbelasting;

iii)

zij heeft geen aandeelhouders of leden die als eigenaar of rechthebbende aanspraak kunnen maken op haar inkomsten of activa;

iv)

de van toepassing zijnde wetgeving van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of haar oprichtingsakten staan niet toe dat inkomsten of activa van de NFE worden uitgedeeld aan of aangewend ten behoeve van een particulier of een niet-charitatieve entiteit anders dan in het kader van de charitatieve activiteiten van de NFE of ter betaling van een redelijke vergoeding voor verleende diensten of als betaling die een waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt voor activa die de NFE heeft verworven, en

v)

de van toepassing zijnde wetgeving van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of haar oprichtingsakten vereisen dat bij liquidatie of opheffing van de NFE al haar activa worden overgedragen aan een overheidsinstantie of een andere non-profit organisatie of vervallen aan de overheid van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de NFE een ingezetene is of een staatkundig onderdeel daarvan.

E.   Diversen

1.

Onder „rekeninghouder” wordt verstaan de persoon die door de financiële instelling die de rekening beheert is geregistreerd of wordt geïdentificeerd als de houder van een financiële rekening. Een persoon, niet zijnde een financiële instelling die als gevolmachtigde, bewaarder, vertegenwoordiger, ondertekenaar, beleggingsadviseur of tussenpersoon een financiële rekening houdt namens of voor rekening van een derde, wordt voor de toepassing van deze richtlijn niet aangemerkt als de houder van de rekening, maar die derde wordt aangemerkt als de houder van de rekening. In het geval van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering wordt als rekeninghouder aangemerkt de persoon die gerechtigd is tot de geldswaarde of tot wijziging van de begunstigde van de polis. Indien niemand gerechtigd is tot de geldswaarde of de begunstigde kan wijzigen, is de houder van de polis een ieder die in de polis genoemd wordt als eigenaar alsmede eenieder met een verworven recht op uitkering krachtens de polisvoorwaarden. Aan het eind van de looptijd van een kapitaalverzekering of lijfrenteverzekering wordt elke persoon die recht heeft op een uitkering volgens de polis aangemerkt als rekeninghouder.

2.

Onder „AML/KYC-procedures” worden verstaan de due diligence-procedures voor klanten van een rapporterende financiële instelling uit hoofde van vereisten ter bestrijding van het witwassen van geld of daarmee vergelijkbare vereisten die van toepassing zijn op de rapporterende financiële instelling.

3.

Onder „entiteit” wordt verstaan een rechtspersoon of een juridische overeenkomst, zoals een vennootschap, samenwerkingsverband, trust of stichting.

4.

Een entiteit is een „gelieerde entiteit” van een andere entiteit indien: i) een van de entiteiten de andere beheerst, of ii) indien beide entiteiten onder een gemeenschappelijk zeggenschap vallen, of iii) de twee entiteiten beleggingsentiteiten zijn, omschreven in onderdeel A, punt 6, onder b), onder een gemeenschappelijk beheer staan, en een dergelijk beheer voldoet aan de due diligence-verplichtingen van de beleggingsentiteiten. Daartoe wordt onder zeggenschap mede verstaan de directe of indirecte eigendom van meer dan 50 % van het aantal stemmen en het vermogen in een entiteit.

5.

Onder „TIN” wordt verstaan het fiscaal identificatienummer (of een functioneel equivalent bij gebreke van een fiscaal identificatienummer).

6.

Onder „Bewijsstukken” worden verstaan:

a)

een verklaring omtrent de woonplaats afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of agentschap daarvan, of een gemeente) van de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de rechthebbende verklaart een ingezetene te zijn;

b)

in het geval van natuurlijke personen, een geldig identiteitsbewijs afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of een agentschap daarvan, of een gemeente) met daarop de naam van de natuurlijke persoon, en dat gewoonlijk wordt gebruikt als legitimatiebewijs;

c)

in het geval van een entiteit, een officieel document afgegeven door een bevoegd overheidsorgaan (bijvoorbeeld een regering, of een agentschap daarvan, of een gemeente) met daarin de naam van de entiteit en het adres van haar hoofdkantoor in hetzij de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan de entiteit verklaart een ingezetene te zijn, hetzij de lidstaat of ander rechtsgebied waar de entiteit is opgericht of gevestigd;

d)

een gecontroleerd financieel overzicht, een verklaring van derden omtrent kredietwaardigheid, een faillissementsaanvraag of een rapport van de effectentoezichthouder.

Met betrekking tot een bestaande entiteitsrekening, mogen rapporterende financiële instellingen als bewijsstuk gebruiken iedere indeling in de dossiers van de rapporterende financiële instelling met betrekking tot de rekeninghouder, vastgesteld op basis van een gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem, dat werd vastgesteld door de rapporterende financiële instelling in overeenstemming met haar normale handelspraktijken voor de toepassing van AML/KYC-procedures of andere regelgevende doeleinden (andere dan voor fiscale doeleinden) en dat werd uitgevoerd door de rapporterende financiële instelling vóór de datum van indeling van de financiële rekening als een bestaande rekening, op voorwaarde dat de rapporterende financiële instelling niet weet of geen redenen heeft om te weten dat deze indeling onjuist of onbetrouwbaar is. Een „gestandaardiseerd bedrijfscoderingssysteem” is een codering voor het indelen van bedrijven per bedrijfssoort voor andere doeleinden dan fiscale doeleinden.

DEEL IX

DOELTREFFENDE UITVOERING

Overeenkomstig artikel 8, lid 3 bis, van deze richtlijn, moeten de lidstaten regels en de administratieve procedures hebben om te zorgen voor doeltreffende uitvoering en naleving van de rapportage- en due diligence-procedures zoals hierboven omschreven, met inbegrip van:

1.

voorschriften om te voorkomen dat financiële instellingen, personen of tussenpersonen praktijken instellen gericht op het omzeilen van de rapportage- en due diligence-procedures;

2.

regels voor de rapporterende financiële instellingen om registers bij te houden van de stappen die zijn gezet en eventuele bewijzen die zijn aangevoerd voor de uitvoering van voornoemde procedures en adequate maatregelen om die registers te verkrijgen;

3.

administratieve procedures om na te gaan of de rapporterende financiële instellingen zich houden aan de rapportage- en due diligence-procedures, en administratieve procedures die met een rapporterende financiële instelling worden gevolgd als er ongedocumenteerde rekeningen worden gerapporteerd;

4.

administratieve procedures om voor de entiteiten en rekeningen die in de nationale wetgeving worden gedefinieerd als niet rapporterende financiële instellingen en uitgezonderde rekeningen, te garanderen dat een laag risico blijft bestaan dat zij worden gebruikt voor belastingontduiking, en

5.

doeltreffende handhavingsbepalingen om niet-naleving aan te pakken.

DEEL X

UITVOERINGSDATA MET BETREKKING TOT RAPPORTERENDE FINANCIËLE INSTELLINGEN DIE ZICH IN OOSTENRIJK BEVINDEN

Voor rapporterende financiële instellingen die zich in Oostenrijk bevinden moeten alle verwijzingen naar 2016 en 2017 in deze bijlage worden gelezen als verwijzingen naar respectievelijk 2017 en 2018.

Voor bestaande rekeningen gehouden door rapporterende financiële instellingen die zich in Oostenrijk bevinden moeten alle verwijzingen naar 31 december 2015 in deze bijlage worden gelezen als verwijzingen naar 31 december 2016.

BIJLAGE II

AANVULLENDE RAPPORTAGE- EN DUE DILIGENCE-REGELS VOOR INFORMATIE OVER FINANCIËLE REKENINGEN

1.   Wijziging in de omstandigheden

Een „wijziging in de omstandigheden” is onder meer een wijziging die leidt tot de toevoeging van relevante informatie over de status van een persoon of die op enige andere wijze in strijd is met de status van die persoon. Bovendien omvat een wijziging in de omstandigheden elke wijziging van, of toevoeging van informatie aan, de rekening van de Rekeninghouder (met inbegrip van de toevoeging, vervanging of andere wijziging van een Rekeninghouder) of elke wijziging van, of toevoeging van informatie aan, een rekening die gelieerd is met de rekening (met toepassing van de aggregatieregels omschreven in onderdeel C, onder punten 1 tot en met 3, van deel VII van bijlage I als de verandering of toevoeging van informatie van invloed is op de status van de Rekeninghouder.

Indien een rapporterende financiële instelling zich heeft gebaseerd op de toets inzake het woonadres omschreven in onderdeel B, punt 1 van deel III van bijlage I en er is sprake van een verandering in de omstandigheden waardoor de rapporterende financiële instelling weet of redenen heeft om te weten dat de oorspronkelijke bewijsstukken (of andere gelijkwaardige documentatie) onjuist of onbetrouwbaar zijn, moet de rapporterende financiële instelling uiterlijk op de laatste dag van het desbetreffende kalenderjaar of een andere geschikte rapportageperiode, of 90 dagen na de bekendmaking of de ontdekking van een dergelijke wijziging in de omstandigheden, indien dit later is, een verklaring en nieuwe bewijsstukken verkrijgen voor het bepalen van de fiscale woonplaats(en) van de rekeninghouder. Indien de rapporterende financiële instelling de verklaring en de nieuwe bewijsstukken niet uiterlijk op die datum kan verkrijgen, moet de rapporterende financiële instelling de elektronische zoekprocedure gebruiken zoals omschreven in onderdeel B, onder punten 2 tot en met 6 van deel III van bijlage I.

2.   Verklaring voor nieuwe entiteitsrekeningen

Met betrekking tot nieuwe entiteitsrekeningen kan een rapporterende financiële instelling, om vast te stellen of een uiteindelijk belanghebbende bij een passieve NFE een te rapporteren persoon is, zich uitsluitend baseren op een verklaring van de rekeninghouder of de uiteindelijk belanghebbende.

3.   Vestigingsplaats van een financiële instelling

Een financiële instelling is een „ingezetene” van een lidstaat, indien zij is onderworpen aan de jurisdictie van die lidstaat (d.w.z. dat de lidstaat rapportage door de financiële instelling kan afdwingen). In het algemeen geldt dat, wanneer een financiële instelling voor fiscale doeleinden een ingezetene is van een lidstaat, zij onderworpen is aan de jurisdictie van die lidstaat, en dus een financiële instelling van de lidstaat is. In het geval van een trust die een financiële instelling is (ongeacht of zij voor fiscale doeleinden een ingezetene is van een lidstaat) wordt de trust geacht onder de jurisdictie van een lidstaat te vallen indien een of meer van de trustees ingezetenen zijn van deze lidstaat, tenzij de trust alle informatie die krachtens deze richtlijn met betrekking tot te rapporteren rekeningen van de trust moet worden vermeld, aan een andere lidstaat verstrekt omdat zij voor fiscale doeleinden een ingezetene is van die andere lidstaat. Wanneer een financiële instelling (anders dan een trust) echter geen fiscale vestigingsplaats heeft (bv. omdat zij wordt behandeld als fiscaal transparant, of gevestigd is in een rechtsgebied dat geen inkomstenbelasting kent), wordt zij geacht onder de jurisdictie van een lidstaat te vallen en is zij dus een financiële instelling van een lidstaat indien:

a)

zij is opgericht in overeenstemming met de wetten van de lidstaat;

b)

haar leiding (inclusief de werkelijke leiding) zich in de lidstaat bevindt, of

c)

zij valt onder het financieel toezicht in de lidstaat.

Wanneer een financiële instelling (anders dan een trust) een ingezetene is van twee of meer lidstaten, is die financiële instelling onderworpen aan de rapportage- en due diligence-verplichtingen van de lidstaat waar zij de financiële rekening/rekeningen aanhoudt.

4.   Aangehouden rekening

In het algemeen wordt een rekening geacht te worden aangehouden door de volgende financiële instelling:

a)

in het geval van een bewaarrekening, door de financiële instelling die het beheer heeft over de activa op de rekening (met inbegrip van een financiële instelling die activa aanhoudt namens een rekeninghouder in die instelling);

b)

in het geval van een depositorekening, door de financiële instelling die verplicht is tot het doen van betalingen met betrekking tot de rekening (met uitzondering van een gevolmachtigde van een financiële instelling, ongeacht of die gevolmachtigde een financiële instelling is);

c)

in het geval van aandelen in of schuldvorderingen op een financiële instelling die een financiële rekening vormen, door die financiële instelling;

d)

in het geval van een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering, door de financiële instelling die verplicht is tot het doen van betalingen met betrekking tot de verzekering.

5.   Trusts die passieve NFE's zijn

Een entiteit zoals een samenwerkingsverband, een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid of een soortgelijke juridische constructie zonder fiscale vestigingsplaats, overeenkomstig onderdeel D, punt 3, van deel VIII van bijlage I, wordt behandeld als een ingezetene van het rechtsgebied waar de plaats van de werkelijke leiding ervan is gelegen. In dit verband wordt een rechtspersoon of juridische constructie gezien als „soortgelijk” aan een samenwerkingsverband en een samenwerkingsverband met beperkte aansprakelijkheid, wanneer deze in een lidstaat niet worden behandeld als een fiscale eenheid volgens de belastingwetgeving van die lidstaat. Om dubbele rapportage te vermijden (gelet op de ruime reikwijdte van de term „uiteindelijk belanghebbende” in het geval van trusts), kan een trust die een passieve NFE is, echter niet worden gezien als een soortgelijke juridische constructie.

6.   Adres van het hoofdkantoor van de Entiteit

Een van de vereisten bedoeld in onderdeel E, punt 6, onder c), van deel VIII van bijlage I is dat, met betrekking tot een entiteit, de officiële documentatie het adres bevat van het hoofdkantoor van de entiteit in de lidstaat of ander rechtsgebied waarvan zij stelt een ingezetene te zijn of in de lidstaat of andere rechtsgebied waar de entiteit is opgericht of georganiseerd. Het adres van het hoofdkantoor van de entiteit is in het algemeen de plaats waar zich de werkelijke leiding ervan bevindt. Het adres van een financiële instelling waar de entiteit een rekening heeft, een postbusadres, of een adres dat uitsluitend wordt gebruikt als postadres is niet het adres van het hoofdkantoor van de entiteit, tenzij dit adres het enige adres is dat door de entiteit wordt gebruikt en dat in de statutaire documenten van de entiteit staat vermeld als haar geregistreerde adres. Verder is een adres dat wordt opgegeven als poste-restanteadres niet het adres van het hoofdkantoor van de entiteit.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1329/2014 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2014

tot vaststelling van de formulieren bedoeld in Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (1), en met name artikel 46, lid 3, onder b), artikel 59, lid 1, artikel 60, lid 2, artikel 61, lid 2, artikel 65, lid 2, en artikel 67, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de juiste toepassing van Verordening (EU) nr. 650/2012 moeten meerdere formulieren worden vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, namen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van Verordening (EU) nr. 650/2012. Derhalve nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming van deze verordening.

(3)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Erfopvolgingscomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de verklaring betreffende een beslissing inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 650/2012, wordt het in bijlage 1 vastgestelde formulier I gebruikt.

2.   Voor de verklaring betreffende een authentieke akte inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 59, lid 1, en artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 650/2012, wordt het in bijlage 2 vastgestelde formulier II gebruikt.

3.   Voor de verklaring betreffende een gerechtelijke schikking inzake erfopvolging, zoals bedoeld in artikel 61, lid 2, van Verordening (EU) nr. 650/2012, wordt het in bijlage 3 vastgestelde formulier III gebruikt.

4.   Voor de aanvraag van een Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 650/2012, wordt het in bijlage 4 vastgestelde formulier IV gebruikt.

5.   Voor de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 650/2012, wordt het in bijlage 5 vastgestelde formulier V gebruikt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 17 augustus 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 9 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 107.


BIJLAGE 1

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE 2

Image

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE 3

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE 4

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE 5

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image


16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/85


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1330/2014 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2014

tot goedkeuring van de werkzame stof meptyldinocap overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn een besluit is vastgesteld voor 14 juni 2011. Voor meptyldinocap is bij Beschikking 2006/589/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 12 augustus 2005 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Dow AgroSciences een aanvraag ontvangen om de werkzame stof meptyldinocap op te nemen in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2006/589/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur (het Verenigd Koninkrijk) heeft op 25 oktober 2006 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie (4) is de aanvrager op 17 mei 2011 om aanvullende informatie verzocht. Op 10 augustus 2012 heeft het Verenigd Koninkrijk de evaluatie van de aanvullende informatie ingediend in de vorm van een bijgewerkt ontwerpbeoordelingsverslag.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie (5) over de risicobeoordeling van de werkzame stof meptyldinocap als bestrijdingsmiddel op 26 november 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders onderzocht en op 10 oktober 2014 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor meptyldinocap.

(5)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die meptyldinocap bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet meptyldinocap worden goedgekeurd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 6 daarvan, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden verzocht.

(7)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die meptyldinocap bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen.

(9)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (7) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof meptyldinocap wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die meptyldinocap als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 30 september 2015 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij voornoemde richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat meptyldinocap bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 maart 2015 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als meptyldinocap de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 september 2016 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast meptyldinocap nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 30 september 2016 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2006/589/EG van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende principiële erkenning dat de dossiers die zijn ingediend voor grondig onderzoek met het oog op eventuele opneming van aviglycine HCl, mandipropamid en meptyldinocap in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig zijn (PB L 240 van 2.9.2006, blz. 9).

(4)  Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 51).

(5)  EFSA Journal (2014) 12(1):3473. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Meptyldinocap

CAS-nr.: 6119-92-2

CIPAC-nr.: 811

Mengsel van 75-100 % (RS)-2-(1-methylheptyl)-4,6-dinitrofenylcrotonaat en 25-0 % (RS)-2-(1-methylheptyl)-4,6-dinitrofenylisocrotonaat

≥ 900 g/kg (mengsel van trans- en cis-isomeren met een gedefinieerde reeks mogelijke verhoudingen van 25:1 tot 20:1)

Relevante onzuiverheid:

2,6-dinitro-4-[(4RS)-octaan-4- yl]fenyl (2E/Z)-but-2-enoaat

maximumgehalte: 0,4 g/kg

1 april 2015

31 maart 2025

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over meptyldinocap dat op 16 mei 2014 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond, en met name met de aanhangsels I en II van dat verslag.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan:

a)

het risico voor de toedieners,

b)

het risico voor ongewervelde waterdieren.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

a)

de beoordeling van de blootstelling van grondwater voor metabolieten (3RS)-3-(2-hydroxy-3,5-dinitro-fenyl)-butaanzuur (X103317) en (2RS)-2-(2-hydroxy-3,5-dinitro-fenyl)-propionzuur (X12335709);

b)

het mogelijke effect van de preferentiële afbraak en/of omzetting van het mengsel van isomeren op de beoordeling van de risico's voor de werknemers, de beoordeling van de risico's voor de consumenten en het milieu.

De aanvrager moet de informatie, vastgesteld onder a) uiterlijk op 31 maart 2017 en de informatie, vastgesteld onder b) twee jaar na de goedkeuring van specifieke richtsnoeren indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„80

Meptyldinocap

CAS-nr.: 6119-92-2

CIPAC-nr.: 811

Mengsel van 75-100 % (RS)-2-(1-methylheptyl)-4,6-dinitrofenylcrotonaat en 25 – 0 % (RS)-2-(1-methylheptyl)-4,6-dinitrofenylisocrotonaat

≥ 900 g/kg (mengsel van trans- en cis-isomeren met een gedefinieerde reeks mogelijke verhoudingen van 25:1 tot 20:1)

Relevante onzuiverheid:

2,6-dinitro-4-[(4RS)-octaan-4- yl]fenyl (2E/Z)-but-2-enoaat

maximumgehalte: 0,4 g/kg

1 april 2015

31 maart 2015

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over meptyldinocap dat op 16 mei 2014 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond, en met name met de aanhangsels I en II van dat verslag.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht schenken aan:

a)

het risico voor de toedieners,

b)

het risico voor ongewervelde waterdieren.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

a)

de beoordeling van de blootstelling van grondwater voor metabolieten (3RS)-3-(2-hydroxy-3,5-dinitro-fenyl)-butaanzuur (X103317) en (2RS)-2-(2-hydroxy-3,5-dinitro-fenyl)-propionzuur (X12335709);

b)

het mogelijke effect van de preferentiële afbraak en/of omzetting van het mengsel van isomeren op de beoordeling van de risico's voor de werknemers, de beoordeling van de risico's voor de consumenten en het milieu.

De aanvrager moet de informatie, vastgesteld onder a) uiterlijk op 31 maart 2017 en de informatie, vastgesteld onder b) twee jaar na de goedkeuring van specifieke richtsnoeren indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/90


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1331/2014 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2014

tot onderwerping van koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China of Taiwan aan registratie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisantidumpingverordening”), en met name artikel 14, lid 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („de basisantisubsidieverordening”), en met name artikel 24, lid 5,

Na kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 juni 2014 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3) de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China („China”) of Taiwan; zij deed dit naar aanleiding van een klacht die op 13 mei 2014 door EUROFER („de klager”) was ingediend namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van koudgewalste platte producten van roestvrij staal in de Unie vertegenwoordigen.

(2)

Op 14 augustus 2014 heeft de Commissie in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4) de inleiding bekendgemaakt van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van koudgewalste platte producten van roestvrij staal van oorsprong uit China; zij deed dit naar aanleiding van een klacht die op 1 juli 2014 door EUROFER was ingediend namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van koudgewalste platte producten van roestvrij staal in de Unie vertegenwoordigen.

A.   BETROKKEN PRODUCT

(3)

De registratieplicht heeft betrekking op gewalste platte producten van roestvrij staal, enkel koud gewalst, momenteel met GN-codes 7219 31 00, 7219 32 10, 7219 32 90, 7219 33 10, 7219 33 90, 7219 34 10, 7219 34 90, 7219 35 10, 7219 35 90, 7220 20 21, 7220 20 29, 7220 20 41, 7220 20 49, 7220 20 81 en 7220 20 89, en van oorsprong uit China en Taiwan („het betrokken product”).

B.   VERZOEK

(4)

De registratieverzoeken werden overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 5, van de basisantisubsidieverordening door de klager respectievelijk op 25 en 29 september 2014 ingediend. De klager verzocht om registratie van de invoer van het betrokken product, zodat met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen.

C.   MOTIVERING VAN DE REGISTRATIE

(5)

Volgens artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 5, van de basisantisubsidieverordening kan de Commissie de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen.

(6)

De klager voerde aan dat registratie gerechtvaardigd is aangezien het betrokken product met dumping en subsidiëring werd verkocht. Door de laaggeprijsde invoer werd moeilijk goed te maken schade veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Unie.

(7)

Wat dumping betreft, beschikt de Commissie over voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat het betrokken product met dumping wordt ingevoerd. Voor China heeft de klager bewijsmateriaal verstrekt over de normale waarde, die werd berekend op basis van de totale productiekosten, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en voor winst, gebaseerd op de keuze van de VS als referentieland. Voor Taiwan heeft de klager bewijsmateriaal verstrekt over de normale waarde op basis van een door berekening vastgestelde normale waarde (productiekosten, verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten — VA&A — en winst).

(8)

Het bewijsmateriaal in verband met de dumping is gebaseerd op de vergelijking van de aldus vastgestelde normale waarde met de prijs bij uitvoer (af fabriek) van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht. Algemeen genomen en gezien de hoogte van de vermeende dumpingmarge wijst het bewijsmateriaal er in dit stadium in voldoende mate op dat de exporteurs in China en Taiwan zich schuldig maken aan dumping.

(9)

Wat subsidiëring betreft, beschikt de Commissie over voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat het betrokken product van oorsprong uit China met subsidiëring wordt ingevoerd. Bij deze subsidies zou het onder meer gaan om:

rechtstreekse overdracht van middelen en mogelijke rechtstreekse overdracht van middelen of passiva, bijvoorbeeld programmaleningen aan de bedrijfstak die koudgewalste platte producten van roestvrij staal vervaardigt;

programma's met betrekking tot aandelenkapitaal: bijvoorbeeld schuld-voor-aandelenswaps, kapitaalinjecties, niet uitgekeerde dividenden voor overheidsbedrijven;

subsidieprogramma's: bijvoorbeeld China World Top Brand Programme, Famous Brands Programmes/programma's van subcentrale overheden ter bevordering van bekende uitvoermerken (bijvoorbeeld Chongqing, Hubei, Ma'anshan: Wuhan Famous Brands en Top Brands-programma van de provincie Shandong), programma's voor de vergoeding van juridische kosten in verband met antidumping, het overheidsfonds voor projecten voor belangrijke technologieën, subsidies voor assistentie bij uitvoer;

regionale programma's: bijvoorbeeld het programma voor de vernieuwing van het noordoosten, gesubsidieerde exportrente, exportleningen, subsidies in het kader van het programma voor wetenschap en technologie van de provincie Jiangsu, subsidies van de provincie Liaoning het „Five Point One Line”-programma, subsidies die worden verstrekt in de Tianjin Binhai New Area en in de Tianjin Economic and Technological Development Area: fonds voor wetenschap en technologie;

inkomsten die de overheid normaal toekomen en waarvan zij afstand doet of die zij niet int, bijvoorbeeld de kwijtschelding van leningen en rente voor overheidsbedrijven;

programma's met betrekking tot vennootschaps- en andere directe belastingen, bijvoorbeeld:

korting op vennootschapsbelasting bij de aankoop van in het binnenland vervaardigde productieapparatuur;

preferentiële fiscale behandelingen voor ondernemingen die zijn erkend als hightechondernemingen of in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen;

fiscale beleidsmaatregelen voor de aftrek van onderzoeks- en ontwikkelingskosten;

vennootschapsbelastingvoordelen voor ondernemingen die gebruikmaken van een breed scala aan hulpbronnen (comprehensive resource utilisation, „bijzondere grondstoffen”);

belastingteruggave in verband met de aanschaf van speciale apparatuur;

preferentiële vennootschapsbelastingregeling voor ondernemingen in de noordoostelijke regio;

diverse kortingen op plaatselijke belastingen, zoals die van de provincie Shandong, de stad Chongqing en de regio Guangxi Zhuang, en de belastingvoordelen voor de ontwikkeling van centrale en westelijke regio's;

vrijstelling van dividend tussen gekwalificeerde ingezeten ondernemingen;

programma's voor de vrijstelling van indirecte belastingen en douanerechten, bijvoorbeeld vrijstellingen van invoerrechten en btw voor met buitenlands kapitaal gefinancierde ondernemingen (FIE's — Foreign Invested Enterprises) en bepaalde binnenlandse ondernemingen die in bevorderde sectoren ingevoerde apparatuur gebruiken;

restitutie van btw voor FIE's die in het binnenland vervaardigde apparatuur kopen;

fiscale voordelen voor centrale en westelijke regio's;

btw-aftrek op vaste activa in de centrale regio;

regionale programma's: bijvoorbeeld subsidies die worden verstrekt in de Binhai New Area in Tianjin en in de Tianjin Economic and Technological Development Area;

levering van goederen of diensten tegen een ontoereikende prijs (bijvoorbeeld de levering van grondstoffen voor koudgewalste platte producten van roestvrij staal (zoals ferrochroom, nikkel en nikkelruwijzer, molybdeen en roestvrijstaalschroot) tegen een ontoereikende prijs;

levering van input tegen een ontoereikende prijs: bijvoorbeeld warmgewalst roestvrij staal en plakken, grondgebruiksrechten, water en elektriciteit, levering van elektriciteit en water in de provincie Jiangsu.

(10)

Er wordt aangevoerd dat bovengenoemde regelingen subsidieregelingen zijn, daar zij een financiële bijdrage zijn van de Chinese overheid of van regionale overheden (waaronder overheidsinstanties) en een voordeel inhouden voor de ontvangers. De subsidies zouden afhankelijk zijn van exportprestaties en/of het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en/of beperkt zijn tot bepaalde sectoren en/of soorten ondernemingen en/of locaties, en derhalve specifiek zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding geven.

(11)

Gezien het bovenstaande wijst het bewijsmateriaal er in dit stadium in voldoende mate op dat het betrokken product met tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring wordt uitgevoerd.

(12)

Wat de schade betreft, bevat het verzoek voldoende bewijsmateriaal van kritieke omstandigheden waar voor het betrokken product door massale invoer met tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring in een relatief korte periode moeilijk goed te maken schade wordt veroorzaakt. Dat blijkt onder andere uit de snelle toename van de invoer over een korte periode (januari — juli 2014) tot ongeveer 90 % voor beide landen samen.

(13)

Wat de schade betreft, beschikt de Commissie over voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat de dumping- en subsidiepraktijken van de exporteurs aanmerkelijke, schade aan de bedrijfstak van de Unie berokkenen. In de klachten en de met de verzoeken om registratie verbonden latere opmerkingen blijkt uit het bewijsmateriaal met betrekking tot de prijs en hoeveelheid van de ingevoerde producten een enorme stijging van de invoer in de periode tussen 2010 en 2013, zowel in absolute cijfers als wat het marktaandeel betreft, en een verdere stijging met ongeveer 115 % voor China en 66 % voor Taiwan in 2014. De hoeveelheden en de prijzen van het betrokken product hebben een negatief effect gehad op de verkochte hoeveelheden en het prijspeil op de markt van de Unie en op het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, wat leidde tot aanzienlijke nadelen voor de algemene prestaties en de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. Het bewijsmateriaal betreffende de schadefactoren, als bepaald in artikel 3, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 8, lid 4, van de basisantisubsidieverordening, bestaat uit gegevens uit de klachten en de latere opmerkingen met betrekking tot de registratie, en wordt bevestigd door informatie uit openbare bronnen van Eurostat.

(14)

De Commissie beschikt eveneens over voldoende voorlopig bewijsmateriaal uit de antidumpingklacht en de latere correspondentie waaruit blijkt dat de importeurs ervan op de hoogte waren of hadden moeten zijn dat de dumpingpraktijken van de exporteurs schade veroorzaken of waarschijnlijk schade veroorzaken voor de bedrijfstak van de Unie. In 2008 en 2009 werd al een antidumpingonderzoek in de Unie gevoerd naar China en Taiwan. In het besluit van de Commissie tot beëindiging van de antidumpingprocedure (5) werd vastgesteld dat de Chinese en Taiwanese prijzen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden en dat schade veroorzakende dumping niet viel uit te sluiten. De invoer in de Unie van het product werd aan controle onderworpen, onder meer met de bedoeling een nieuwe procedure in te leiden. Bovendien hebben Brazilië, Taiwan, Thailand en Vietnam vervolgens antidumpingrechten geheven op de Chinese uitvoer van het betrokken product. Gezien de omvang van de vermeende dumping kan tot slot redelijkerwijs worden aangenomen dat de importeurs van de situatie op de hoogte waren of hadden moeten zijn.

(15)

Wat dumping betreft, beschikt de Commissie over voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat deze schade wordt veroorzaakt of zou worden veroorzaakt door een verdere aanzienlijke toename van deze invoer, die door het tijdstip van de invoer, de hoeveelheden die met dumping worden ingevoerd en andere omstandigheden (zoals het oplopende voorraadniveau of de lagere bezettingsgraad) het compenserende effect van definitieve rechten waarschijnlijk aanzienlijk zou ondermijnen, tenzij deze rechten met terugwerkende kracht worden geheven. Met het oog op de inleiding van de huidige procedures kan bovendien redelijkerwijs worden aangenomen dat de invoer van het betrokken product nog kan toenemen vóór de goedkeuring van eventuele voorlopige maatregelen en dat de importeurs snel voorraden kunnen aanleggen.

D.   PROCEDURE

(16)

Gezien bovenstaande overwegingen heeft de Commissie geconcludeerd dat de klager voldoende voorlopig bewijsmateriaal heeft verstrekt om registratie van de invoer van het betrokken product overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 5, van de basisantisubsidieverordening te rechtvaardigen.

(17)

Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en bewijsmateriaal te verstrekken. Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom schriftelijk verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

E.   REGISTRATIE

(18)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisantidumpingverordening en artikel 24, lid 5, van de basisantisubsidieverordening moet de invoer van het betrokken product worden geregistreerd zodat, indien het onderzoek leidt tot de instelling van een antidumpingrecht en/of compenserend recht, deze rechten overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen met terugwerkende kracht op de geregistreerde invoer kunnen worden geheven indien aan de nodige voorwaarden is voldaan, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisantidumpingverordening en artikel 16, lid 4, van de basisantisubsidieverordening.

(19)

Het bedrag van een eventueel toekomstig recht zal uit de gezamenlijke bevindingen van respectievelijk het antidumpingonderzoek en het antisubsidieonderzoek voortvloeien.

(20)

De klager die verzoekt om de opening van een antidumpingonderzoek, raamt de gemiddelde dumpingmarge voor het betrokken product op ongeveer 10 tot 25 % voor China en Taiwan, en de prijsonderbiedingsmarge op 40 tot 50 % voor China en 20 tot 40 % voor Taiwan. Het bedrag van de mogelijke toekomstige rechten wordt geraamd op het op basis van de antidumpingklacht geschatte dumpingniveau, d.w.z. op 10 tot 25 % ad valorem op de cif-waarde bij invoer van het betrokken product.

(21)

De klager die verzoekt om de opening van een antisubsidieonderzoek, raamt het subsidieniveau significant, zonder een precieze kwantificering van de subsidiemarge te geven. De prijsonderbiedingsmarge voor het betrokken product wordt voor China op 40 tot 50 % geraamd. Het bedrag van de mogelijke toekomstige rechten wordt geraamd op het op basis van de antisubsidieklacht geschatte subsidieniveau, d.w.z. op 40 tot 50 % ad valorem op de cif-waarde bij invoer van het betrokken product.

F.   VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

(22)

Persoonsgegevens die in het kader van deze registratie worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en artikel 24, lid 5, van Verordening (EG) nr. 597/2009 wordt de douaneautoriteiten opgedragen de nodige maatregelen te nemen om de invoer in de Unie te registreren van gewalste platte producten van roestvrij staal, enkel koud gewalst, momenteel met GN-codes 7219 31 00, 7219 32 10, 7219 32 90, 7219 33 10, 7219 33 90, 7219 34 10, 7219 34 90, 7219 35 10, 7219 35 90, 7220 20 21, 7220 20 29, 7220 20 41, 7220 20 49, 7220 20 81 en 7220 20 89, en van oorsprong uit China en Taiwan.

De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.

2.   Alle belanghebbenden wordt verzocht uiterlijk 20 dagen na de bekendmaking van deze verordening hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken, bewijsmateriaal te verstrekken of te verzoeken te worden gehoord.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.

(3)  PB C 196 van 26.6.2014, blz. 9.

(4)  PB C 267 van 14.8.2014, blz. 17.

(5)  PB L 98 van 17.4.2009, blz. 42, overweging 18.

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/95


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1332/2014 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

60,4

IL

97,8

MA

77,7

TN

139,2

TR

97,9

ZZ

94,6

0707 00 05

AL

63,5

EG

191,6

TR

147,2

ZZ

134,1

0709 93 10

MA

63,4

TR

128,9

ZZ

96,2

0805 10 20

AR

35,3

MA

68,6

TR

61,9

UY

32,9

ZA

31,0

ZW

33,9

ZZ

43,9

0805 20 10

MA

67,5

ZZ

67,5

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

88,5

TR

79,4

ZZ

84,0

0805 50 10

TR

83,3

ZZ

83,3

0808 10 80

BR

51,7

CL

79,9

NZ

90,6

US

93,8

ZA

143,5

ZZ

91,9

0808 30 90

CN

82,7

TR

174,9

US

173,2

ZZ

143,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/97


VERORDENING (EU) Nr. 1333/2014 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

26 november 2014

houdende geldmarktstatistieken

(ECB/2014/48)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) vereist voor de vervulling van zijn taken de productie van statistieken betreffende geldmarkttransacties, namelijk gedekte, ongedekte en bepaalde derivatengeldmarkttransacties, zoals bedoeld in deze verordening, welke worden afgesloten door monetaire-financiële instellingen (MFI's), met uitzondering van centrale banken en geldmarktfondsen, met andere MFI's, en tussen MFI's en overige financiële instellingen, overheid of niet-financiële vennootschappen, met uitzondering van intra-groeptransacties.

(2)

Het verzamelen van die statistieken beoogt voornamelijk te ECB te voorzien van alomvattende, gedetailleerde en geharmoniseerde statistische informatie betreffende geldmarkten in het eurogebied. De verzamelde uit de transacties afgeleide gegevens met betrekking tot de bovengenoemde marktsegmenten omvatten informatie betreffende de doorwerking van monetairebeleidsbeslissingen. Zij zijn derhalve een noodzakelijke reeks statistieken voor monetairebeleidsdoeleinden in het eurogebied.

(3)

Het verzamelen van statistische gegevens is tevens noodzakelijk opdat de ECB analytische en statistische ondersteuning kan verlenen aan het Gemeenschappelijke Toezichtmechanisme (GTM), zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (3). Binnen dit kader is het verzamelen van statistische gegevens tevens noodzakelijk ter ondersteuning van de ECB-taken op het gebied van financiële stabiliteit.

(4)

Een nationale centrale bank (NCB) moet de ECB ervan in kennis stellen dat zij besluit de uit hoofde van deze verordening te verzamelen gegevens niet zal verzamelen, in welk geval de ECB de gegevensverzameling direct bij de informatieplichtigen zal overnemen.

(5)

Overeenkomstig de Verdragen en onder de in de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-statuten” neergelegde voorwaarden, stelt de ECB verordeningen op, voor zover deze nodig zijn voor de uitvoering van de ESCB-taken overeenkomstig de ESCB-statuten en in sommige gevallen zoals vastgelegd in de door de Raad aangenomen bepalingen op grond van artikel 129, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(6)

Om de rapportagelast voor MFI's zo gering mogelijk te houden, en tegelijkertijd de beschikbaarheid van tijdige en hogekwaliteitsstatistieken te waarborgen, zal de ECB aanvankelijk van de grootste eurogebied-MFI's gegevensrapportage verlangen, zulks gebaseerd op de omvang van het totaal aan activa op de hoofdbalans vergeleken met het totaal aan activa op de hoofdbalans voor alle eurogebied-MFI's. Met ingang van 1 januari 2017 kan de Raad van bestuur van de ECB het aantal rapporterende MFI's uitbreiden door ook andere criteria in aanmerking te nemen, zoals de significantie van de werkzaamheden van de MFI in de geldmarkten en haar betekenis voor de stabiliteit en werking van het financiële stelsel. De ECB wil verzekeren dat minstens drie MFI's per lidstaat die de euro als munt heeft (hierna: „eurogebiedlidstaat”) rapporteren, zulks om een minimumniveau van geografische representatie te waarborgen. NCB's kunnen ook gegevens verzamelen van MFI's die geen deel uitmaken van de feitelijke populatie van informatieplichtigen, uitgaande van hun nationale statistische rapportagevoorschriften, in welk geval die gegevens overeenkomstig deze verordening gerapporteerd en geverifieerd zullen worden.

(7)

Om de rapportagelast voor MFI's verder zo gering mogelijk te houden door te vermijden dat zij onderworpen worden aan overlappende rapportagevoorschriften, terwijl tegelijkertijd de beschikbaarheid van tijdige en hogekwaliteitsstatistieken gewaarborgd wordt, kan de ECB MFI's vrijstellen van gegevensrapportage inzake effectenfinancieringstransacties of derivatencontracten, indien die gegevens reeds aan een handelsplatform gerapporteerd werden, op voorwaarde dat de ECB daadwerkelijk toegang heeft tot tijdige en gestandaardiseerde gegevens, zulks overeenkomstig de vereisten van deze verordening.

(8)

Artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB verordeningen kan aannemen voor de vaststelling en het opleggen van haar statistische rapportagevereisten aan de feitelijke populatie van informatieplichtigen van de eurogebiedlidstaten. Artikel 6, lid 4, bepaalt dat de ECB verordeningen mag vaststellen tot nadere bepaling van de voorwaarden volgens welke het recht tot verificatie of de gedwongen verzameling van statistische gegevens mag worden uitgeoefend.

(9)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de lidstaten op het gebied van statistische informatie hun eigen organisatie dienen in te richten en volledig met het ESCB dienen samen te werken ter verzekering van de vervulling van de uit artikel 5 van de ESCB-statuten voortvloeiende verplichtingen.

(10)

Voor zover uit hoofde van deze verordening verzamelde gegevens vertrouwelijke statistische informatie bevatten, zijn artikel 8 en artikel 8 ter van Verordening (EG) nr. 2533/98 de toepasselijke normen voor de bescherming en het gebruik van die gegevens.

(11)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen.

(12)

Door de ECB uit hoofde van artikel 34.1 van de ESCB-statuten vastgestelde verordeningen kennen weliswaar rechten toe noch leggen zij verplichtingen op aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna: „niet-eurogebiedlidstaten”), maar artikel 5 van de ESCB-statuten is op eurogebiedlidstaten en niet-eurogebiedlidstaten van toepassing. Verordening (EG) nr. 2533/98 herinnert eraan dat artikel 5 van de ESCB-statuten, samen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag voor de niet-eurogebiedlidstaten de verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te ontwerpen en toe te passen die zij dienstig achten voor de verzameling van de statistische gegevens die nodig zijn om te voldoen aan de door de ECB opgelegde statistische rapportagevereisten, evenals voor het tijdig treffen van voorbereidingen op het gebied van statistieken, zodat zij eurogebiedlidstaten kunnen worden.

(13)

De rapportagevereisten uit hoofde van deze verordening laten de rapportagevereisten in andere ECB-rechtshandelingen en -instrumenten onverlet die, ten minste gedeeltelijk, tevens transactiegewijze of geaggregeerde rapportage van statistische informatie betreffende geldmarkten kunnen afdekken,

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening wordt bedoeld met:

1.

„informatieplichtigen”, ingezetene en „ingezeten” hebben dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

2.

„monetaire-financiële instelling” (MFI): heeft dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/33) (4) en omvat alle in de Unie en de EVA gevestigde MFI-bijkantoren, tenzij enige bepaling in deze verordening anders bepaalt;

3.

„OFI”: overige financiële intermediairs met uitzondering van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, zoals bepaald in het herziene Europese systeem van rekeningen (hierna: „ESR-2010”) zoals neergelegd in Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5);

4.

„verzekeringsinstellingen”: alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van risicopooling, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering, zoals bepaald in ESR-2010;

5.

„pensioenfondsen”: alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico's en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering), zoals bepaald in ESR-2010;

6.

„niet-financiële vennootschappen”: de sector van niet-financiële vennootschappen, zoals bepaald in ESR-2010;

7.

„overheid”: institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen, zoals bepaald in ESR-2010;

8.

„totaal aan activa op de hoofdbalans”: totaal aan activa minus overige activa aangezien deze termen zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33);

9.

„geldmarktstatistieken”: statistieken in verband met statistieken gedekte, ongedekte en derivatentransacties in geldmarktinstrumenten welke worden afgesloten tussen MFI's, en tussen MFI's en OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, centrale banken, overheid en niet-financiële vennootschappen, met uitzondering van intra-groeptransacties in de betrokken rapportageperiode;

10.

„geldmarktinstrument”: enige van de in bijlage I, II en III opgesomde instrumenten;

11.

„geldmarktfonds”: onderneming voor collectieve belegging die een vergunning benodigt als onderneming voor collectieve belegging in verhandelbare effecten, zulks uit hoofde van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en Raad (6) of is een alternatieve beleggingsinstelling uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (7), belegt in kortetermijnactiva en heeft uiteenlopende of cumulatieve doelstellingen die rendementen genereren in lijn met geldmarkttarieven of houdt de waarde van een belegging in stand;

12.

„centrale bank”: een centrale bank ongeacht haar plaats van vestiging;

13.

„nationale centrale bank(en)” of NCB('s): de nationale centrale banken van de lidstaten van de Unie;

14.

„referentiepopulatie van informatieplichtigen”: in het eurogebied ingezeten MFI's, met uitzondering van centrale banken en geldmarktfondsen die in euro luidende deposito's aanvaarden, en/of enig ander schuldinstrument uitgeven en/of in euro luidende leningen verstrekken zoals bedoeld in bijlage I, II of III, van/aan overige MFI's en/of van/aan OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid, centrale banken voor beleggingsdoeleinden of niet-financiële vennootschappen;

15.

„groep”: een groep van ondernemingen, waaronder een bankgroep maar niet daartoe beperkt, welke groep van ondernemingen bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen waarvan de financiële rekeningen geconsolideerd worden zoals bedoeld in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (8);

16.

„bijkantoor”: een bedrijfszetel die een onderdeel zonder juridische zelfstandigheid is van een instelling en die rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van de instelling;

17.

„Unie- en EVA-bijkantoor”: een in een lidstaat van de Unie of in een EVA-land gevestigd en geregistreerd bijkantoor;

18.

„Europese Vrijhandelsassociatie”: de intergouvernementele organisatie die is opgericht om vrijhandel en de economische integratie ten behoeve van haar lidstaten te bevorderen;

19.

„intra-groeptransactie”: een transactie in geldmarktinstrumenten die een informatieplichtige heeft afgesloten met een andere onderneming die is opgenomen in dezelfde volledig geconsolideerde financiële rekening. De ondernemingen die partij zij bij de transactie worden geacht te zijn opgenomen in dezelfde volledig geconsolideerde financiële rekening, indien zij beide:

a)

zijn opgenomen in een consolidatie overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU of internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS), vastgesteld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (9) of, in verband met een groep waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft, overeenkomstig algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van dat derde land die gelden als zijnde equivalent aan IFRS, zulks overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1569/2007 van de Commissie (10) (dan wel boekhoudkundige standaarden van een derde land die overeenkomstig artikel 4 van die verordening toegepast mogen worden); of

b)

gedekt worden door hetzelfde geconsolideerde toezicht overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (11) dan wel, in verband met een groep waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor in een derde land heeft, hetzelfde geconsolideerde toezicht door een bevoegde autoriteit van een derde land geverifieerd als zijnde equivalent aan het geconsolideerde toezicht dat is onderworpen aan de beginselen van artikel 127 van Richtlijn 2013/36/EU;

20.

„werkdag”: ten aanzien van een in een overeenkomst of in een bevestiging vastgelegde datum voor een transactie in een geldmarktinstrument, de dag waarop commerciële banken en deviezenmarkten geopend zijn voor werkzaamheden (waaronder transacties in het betrokken geldmarktinstrument) en betalingen verevenen in dezelfde valuta als de betalingsverplichting die verschuldigd is op of berekend is onder verwijzing naar die datum. Indien het een transactie betreft in een geldmarktinstrument dat is onderworpen aan een standaardkaderovereenkomst opgesteld door de Europese Bankfederatie (EBF), de Loan Market Association (LMA), de International Swaps and Derivatives Association, Inc. (ISDA) of andere leidende Europese of internationale marktverenigingen, wordt daarin opgenomen of bij wijze referentie verwerkte definitie. In verband met de afwikkeling van transacties in een geldmarktinstrument dat wordt afgewikkeld via een aangewezen afwikkelingssysteem betekent werkdag een dag waarop dat afwikkelingssysteem geopend is voor de afwikkeling van een dergelijke transactie;

21.

„Target2-afwikkelingsdag”: elke dag waarop Target2 (the trans-European Automated Real-time Gross settlement Express Transfer system) is geopend;

22.

„repo-overeenkomst”: een overeenkomst krachtens welke de partijen overeenkomsten kunnen afsluiten waarbij een partij („verkoper”) verklaart de andere partij („koper”) specifieke „activa” („effecten”, „grondstoffen” of „overige financiële activa”) binnenkort te verkopen waarbij de koper aan de verkoper de aankoopprijs betaalt, en waarbij tegelijkertijd wordt overeengekomen dat de koper aan de verkoper op een vaste toekomstige datum de activa zal weder verkopen, dan wel op verzoek de verkoper de wederverkoopprijs aan de koper betaalt. Dergelijke transacties kunnen een repotransactie zijn of een koop- en wederkooptransactie. „Repo-overeenkomst”: kan tevens een overeenkomst zijn voor het in onderpand geven van activa en het toekennen van een algemeen recht van hergebruik in ruil voor een binnenkort te verstrekken lening van contant geld en rente op langere termijn in ruil voor teruggave van de activa. Repotransacties kunnen uitgevoerd worden met een vooraf bepaalde vervaldatum („termijnrepotransacties”), dan wel zonder een vooraf bepaalde vervaldatum waarbij de partijen elke dag hetzij de overeenkomst kunnen continueren of beëindigen („openbasisrepotransacties”);

23.

„driepartijenrepo”: een repotransactie waarbij een derde gedurende de looptijd van de transactie verantwoordelijk is voor de selectie en het beheer van het onderpand;

24.

„deviezenswap”: een swaptransactie waarbij een partij aan de andere partij een bepaald bedrag van een specifieke valuta verkoopt tegen betaling van een overeengekomen bedrag van een andere valuta op basis van een overeengekomen wisselkoers (ook wel contantewisselkoers) met een overeenkomst om de verkochte valuta op een bepaalde datum (ook wel de vervaldatum) terug te kopen waar tegenover de verkoop staat van de aanvankelijk aangekochte valuta tegen een andere wisselkoers (ook wel de termijnwisselkoers);

25.

„overnight index swap” (OIS): de renteswap waarvan de periodieke variabele rentevoet gedurende een specifieke periode gelijk is aan het geometrische gemiddelde van een daggeldrente (of een daggeldindexrente). De finale betaling wordt berekend als het verschil tussen de vaste rentevoet en de opgebouwde gedurende de looptijd van de OIS geregistreerde daggeldrente toegepast op het nominale transactiebedrag. Aangezien deze verordening slechts in euro luidende OIS betreft, is de daggeldrente gelijk aan de EONIA;

26.

„Bazel III LCR-kader”(„Basel III LCR Framework”): liquiditeitsdekkingsratio (LCR), voorgesteld door het Bazels Comité en goedgekeurd op 7 januari 2013 door de Groep van gouverneurs en de Hoofden van toezicht, het oversightlichaam van het Bazelse Comité voor bankentoezicht, als minimale wereldwijde reguleringsnorm voor kortetermijnliquiditeitsmaatregelen in de bancaire sector.

Artikel 2

Feitelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De feitelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit in het eurogebied ingezeten MFI's uit de referentiepopulatie van informatieplichtigen, die de Raad van bestuur heeft aangewezen als informatieplichtigen krachtens lid 2 of 3, al naargelang het geval, dan wel uit MFI's aangewezen als informatieplichtigen krachtens lid 4 op basis van de daarin opgenomen criteria, en die in kennis zijn gesteld van hun rapportageverplichtingen krachtens lid 5 (hierna, „informatieplichtigen”).

2.   Op de inwerkingtredingsdatum van deze verordening kan de Raad van bestuur besluiten dat een MFI een informatieplichtige is, indien de MFI een totaal aan activa op de hoofdbalans heeft dat groter is dan 0,35 % van het totaal aan activa op de hoofdbalans van alle eurogebied-MFI's op basis van de meest recente voor de ECB beschikbare gegevens, d.w.z:

a)

gegevens die betrekking hebben op eind december van het aan de kennisgeving krachtens lid 5 voorafgaande kalenderjaar; of

b)

indien de gegevens onder a) niet beschikbaar zijn, gegevens die betrekking hebben op eind december van het jaar ervoor.

Binnen het kader van deze besluit omvat de berekening van het totaal van balansactiva van de betrokken MFI niet de bijkantoren buiten het gastland van de betrokken MFI.

3.   Met ingang van 1 januari 2017 kan de Raad van bestuur besluiten enige andere MFI in te delen als informatieplichtige op basis van de omvang van haar totaal aan activa op de hoofdbalans in vergelijking met het totaal aan activa op de hoofdbalans van alle eurogebied-MFI's, de significantie van de MFI-transacties in het verhandelen van geldmarktinstrumenten en haar betekenis voor de stabiliteit en werking van het financiële stelsel in het eurogebied en/of individuele lidstaten.

4.   Met ingang van 1 januari 2017 kan de Raad van bestuur tevens besluiten dat minstens drie MFI's per eurogebiedlidstaat worden aangewezen als informatieplichtige. Dienovereenkomstig, indien op basis van de door de Raad van bestuur uit hoofde van lid 2 of 3 genomen beslissingen in een bepaalde eurogebiedlidstaat minder dan drie MFI's geselecteerd, omvat de feitelijke populatie van informatieplichtigen tevens andere MFI's uit die eurogebiedlidstaat die de betrokken NCB representatief acht (hierna „representatieve informatieplichtigen”), zodat voor die eurogebiedlidstaat minstens drie informatieplichtigen als informatieplichtigen worden aangewezen.

De representatieve informatieplichtigen worden geselecteerd uit de grootste kredietinstellingen die in de betrokken eurogebiedlidstaat ingezeten zijn, zulks op basis van het totaal aan activa op de hoofdbalans van de instellingen, tenzij de NCB's alternatieve criteria voorstellen, die met de ECB schriftelijk overeengekomen zijn.

5.   De ECB of de betrokken NCB stelt de betrokken MFI's in kennis van de door de Raad van bestuur uit hoofde van lid 2, 3 of 4 genomen besluiten en van hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening. De inkennisstelling wordt minstens vier maanden voor het begin van de eerste rapportage schriftelijk verstuurd.

6.   Niettegenstaande uit hoofde van lid 2, 3 of 4 door de Raad van bestuur genomen besluiten, kunnen NCB's ook bij in hun lidstaat ingezeten MFI's die geen informatieplichtigen zijn zoals bedoeld in lid 2, 3 of 4 tevens geldmarktstatistieken verzamelen, zulks gebaseerd op hun nationale statistische rapportagevoorschriften (hierna „aanvullende informatieplichtigen”). Indien een NCB aldus aanvullende informatieplichtigen vaststelt, stelt zij deze daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3

Statistische rapportageverplichtingen

1.   Ten behoeve van de regelmatige productie van geldmarkstatistieken rapporteren informatieplichtigen aan de NCB van de lidstaat waarin zij ingezeten zijn op een geconsolideerde basis, waaronder voor al hun in de Unie en de EVA gevestigde bijkantoren, dagelijkse statistische gegevens in verband met geldmarktinstrumenten. De vereiste statistische informatie is gespecificeerd in bijlage I, II en III bij deze verordening. De NCB stuurt de van de informatieplichtigen ontvangen statistische gegevens naar de ECB, zulks overeenkomstig artikel 4, lid 2, van deze verordening.

2.   De NCB's definiëren de in verband met geldmarktinstrumenten door de informatieplichtigen te volgen rapportageregelingen, en voeren deze uit. Deze rapportageregelingen verzekeren dat de vereiste statistische gegevens verstrekt worden en maken een nauwkeurige controle mogelijk van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage IV.

3.   Niettegenstaande het in lid 1 vastgelegde rapportagevoorschrift kan een NCB besluiten dat de in de lidstaat van de NCB ingezeten en uit hoofde van artikel 2, lid 2, 3 en 4, geselecteerde informatieplichtigen de in bijlage I, II, III bedoelde gegevens aan de ECB rapporteren. De NCB stelt de ECB en de informatieplichtigen dienovereenkomstig in kennis, waarna de ECB de door de informatieplichtigen te volgen rapportageregelingen definiëren, en deze toepassen en de gegevensverzameling direct bij de informatieplichtigen ter hand neemt.

4.   Indien een NCB aanvullende informatieplichtigen heeft geselecteerd en hen zoals bedoeld in artikel 2, lid 6, in kennis heeft gesteld, rapporteren deze informatieplichtigen dagelijkse met geldmarktinstrumenten verband houdende gegevens aan de NCB. De NCB stuurt de van de aanvullende informatieplichtigen ontvangen statistische gegevens op verzoek van de ECB naar de ECB, zulks overeenkomstig artikel 4, lid 2, van deze verordening.

5.   De NCB's definiëren overeenkomstig hun nationale statistische rapportagevoorschriften de door de aanvullende informatieplichtigen te volgen rapportageregelingen, en passen deze toe. De NCB's waarborgen dat de nationale rapportageregelingen vergen dat aanvullende informatieplichtigen voldoen aan voorschriften die equivalent zijn aan de artikelen 6 tot en met 8, artikel 10, lid 3, artikelen 11 en 12, van deze verordening. De NCB's verzekeren dat deze rapportageprocedures de vereiste statistische gegevens opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage IV.

Artikel 4

Tijdigheid

1.   Indien een NCB overeenkomstig artikel 3, lid 3, besluit dat informatieplichtigen de in bijlage I, II en III bedoelde gegevens direct aan de ECB rapporteren, sturen die informatieplichtigen die gegevens als volgt naar de ECB.

a)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, worden bij informatieplichtigen verzamelde gegevens eenmaal per dag naar de ECB gestuurd tussen 6 p.m. op de transactiedatum en 7 a.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na de transactiedatum.

b)

Overeenkomstig artikel 2, lid 3 en 4, worden bij informatieplichtigen verzamelde gegevens eenmaal per dag naar de ECB gestuurd tussen 6 p.m. op de transactiedatum en 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na de transactiedatum.

c)

Gegevens waarvoor de NCB uit hoofde van artikel 5 een vrijstelling heeft, worden eenmaal per week aan de ECB gestuurd tussen 6 p.m. op de transactiedatum en 1 pm CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na afloop van de week waarop de gegevens betrekking hebben.

2.   In andere gevallen dan in lid 1, sturen de NCB's de ECB als volgt de van de informatieplichtigen ontvangen in bijlage I, II en III bedoelde dagelijkse statistische geldmarktgegevens.

a)

Voor 7 a.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na de transactiedatum worden overeenkomstig artikel 2, lid 2, bij informatieplichtigen verzamelde gegevens eenmaal per dag naar de ECB gestuurd.

b)

Voor 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na de transactiedatum worden overeenkomstig artikel 2, lid 3 en 4, bij informatieplichtigen verzamelde gegevens eenmaal per dag naar de ECB gestuurd.

c)

Gegevens die bij overeenkomstig artikel 2, lid 6, geselecteerde aanvullende informatieplichtigen zijn verzameld, worden eenmaal per dag naar de ECB gestuurd voor 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na de transactiedatum, eenmaal per week voor 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na afloop van de week waarop de gegevens betrekking hebben, of eenmaal per maand voor 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na afloop van de maand waarop de gegevens betrekking hebben. De NCB's stellen de rapportagefrequentie vast en stellen de ECB daar onverwijld van in kennis. De NCB's kunnen de rapportagefrequentie jaarlijks herzien.

d)

Gegevens waarvoor de NCB uit hoofde van artikel 5 een vrijstelling heeft worden eenmaal per week aan de ECB gestuurd voor 1 pm CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na afloop van de week waarop de gegevens betrekking hebben.

3.   De NCB's besluiten wanneer zij de gegevens van de informatieplichtigen moeten ontvangen om te kunnen voldoen aan de uiterste rapportagetermijnen van lid 2 en stellen de informatieplichtigen daarvan overeenkomstig in kennis.

4.   Indien een in lid 2 bedoelde uiterste termijn op een dag valt dat Target2 gesloten is, wordt de uiterste termijn verlengd tot de volgende Target2-werkdag, zoals vermeld op de ECB-website.

Artikel 5

Vrijstelling

Indien informatieplichtigen overeenkomstig artikel 2, lid 3 of 4, geselecteerd zijn, kan een NCB besluiten dat de informatieplichtigen eenmaal per week de NCB dagelijkse geldmarktstatistieken kunnen sturen, zulks voor 1 p.m. CET op de eerste Target2-afwikkelingsdag na het einde van de week waarop de gegevens betrekking hebben, indien zij om operationele redenen niet kunnen voldoen aan het vereiste van dagelijkse rapportage. De ECB kan voorwaarden verbinden aan de toepassing van de vrijstelling door NCB's.

Artikel 6

Fusies, splitsingen, reorganisaties en faillissementen

1.   In geval van een fusie, een splitsing, een verzelfstandiging of een andere reorganisatie die van invloed kan zijn op de naleving van statistische verplichtingen, stelt de betreffende informatieplichtige, zodra het voornemen tot het uitvoeren van een dergelijke operatie openbaar geworden is en tijdig voor de effectuering ervan, de betreffende NCB in kennis van de voorgenomen procedures ter nakoming van de in deze verordening neergelegde statistische rapportageverplichtingen. De informatieplichtige stelt de ECB en de betrokken NCB van een dergelijke operatie in kennis, en wel 14 dagen na de voltooiing ervan.

2.   Indien een informatieplichtige door middel van overname fuseert met een andere entiteit, zoals bedoeld in de Richtlijn 2011/35/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) en een van de fuserende entiteiten een informatieplichtige was, rapporteert de gefuseerde entiteit uit hoofde van deze verordening verder.

3.   Indien een informatieplichtige fuseert met een andere entiteit door middel van oprichting van een nieuwe onderneming, zoals bedoeld in Richtlijn 2011/35/EU en een van de fuserende entiteiten een informatieplichtige was, rapporteert de resulterende entiteit uit hoofde van deze verordening verder, indien zij voldoet aan de definitie van informatieplichtige.

4.   Indien een informatieplichtige wordt opgesplitst in twee of meer entiteiten, zulks door middel van overname of door oprichting van nieuwe ondernemingen zoals bedoeld in de Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad (13) en een van de nieuwe entiteiten een informatieplichtige is, rapporteert de nieuwe entiteit uit hoofde van deze verordening. Splitsing omvat tevens een verzelfstandigingsoperatie die inhoudt dat een informatieplichtige alle activa en passiva, of een deel daarvan, overdraagt aan een nieuwe onderneming in ruil voor aandelen in de nieuwe onderneming.

5.   Indien een informatieplichtige in staat van insolventie raakt, haar bankvergunning verliest of anderszins haar bankactiviteiten staakt, zoals de bevoegde toezichthouder bevestigt, is zij niet langer gehouden uit hoofde van deze verordening te rapporteren.

6.   Binnen het kader van lid 5 wordt een informatieplichtige insolvent geacht indien zich een of meer van de volgende situaties voordoen:

a)

indien de informatieplichtige ten behoeve van schuldeisers een algemeen pandrecht vestigt, dan wel zulks doet met het oog op een sanering, regeling of een gerechtelijk akkoord met schuldeisers;

b)

de informatieplichtige schriftelijk te kennen geeft dat zij op de vervaldag niet in staat is haar schulden te betalen;

c)

de informatieplichtige een verzoek indient voor de aanstelling van een trustee bewindvoerder, curator, vereffenaar of een vergelijkbare functionaris, dan wel daarmee instemt of stilzwijgend goedkeurt, ten aanzien van zichzelf of al haar eigendommen of een aanzienlijk deel daarvan;

d)

de aangifte tot faillietverklaring bij een rechtbank of de indiening van een verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van de informatieplichtige (niet door een wederpartij ten aanzien van verplichtingen van de informatieplichtige aan die wederpartij) bij een ander bevoegd lichaam of een andere bevoegde instantie;

e)

een informatieplichtige wordt geliquideerd of wordt insolvent (dan wel zijn andere analoge procedures op de informatieplichtige van toepassing), de informatieplichtige of enige overheidsinstantie, entiteit of persoon dient een verzoek in voor sanering, regeling, gerechtelijk akkoord, vrijwillig akkoord, bewindvoering, liquidatie, ontbinding of vergelijkbare maatregel uit hoofde van een vigerende of toekomstige wet, wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, welke aanvraag niet binnen 30 dagen na indiening ervan geschorst noch afgewezen werd (behalve in geval van een aanvraag tot liquidatie of een analoge procedure, waarvoor geen 30-dagen termijn geldt);

f)

de aanstelling van een trustee, bewindvoerder, curator, vereffenaar of een vergelijkbare functionaris ten aanzien van zichzelf of al haar eigendommen of een aanzienlijk deel daarvan; dan wel

g)

het bijeenroepen van een vergadering van schuldeisers van de informatieplichtige ter bespreking van een vrijwillig akkoord (of analoge procedure).

Artikel 7

Vertrouwelijksheidsbepalingen

1.   Op de ontvangst en verwerking van gegevens met vertrouwelijke informatie uit hoofde van deze verordening, waaronder het delen van die informatie met andere eurogebied-NCB's, passen de ECB en NCB's de normen toe voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie, zoals bepaald in artikel 8 en 8 ter van Verordening (EG) nr. 2533/98.

2.   Behoudens lid 1 wordt vertrouwelijke informatie in door de ECB of een NCB uit hoofde van deze verordening verzamelde statistische gegevens niet verstuurd naar of anderszins gedeeld met enige autoriteit of derde, met uitzondering van de ECB en de eurogebied-NCB's, tenzij de betrokken informatieplichtige de ECB of de betrokken NCB vooraf uitdrukkelijke toestemming heeft verleend en de ECB, of de betrokken NCB, indien toepasselijk, met die informatieplichtige een passende vertrouwelijkheidsovereenkomst heeft ondertekend.

Artikel 8

Verificatie en gedwongen verzameling

De ECB en de NCB's, al naar gelang het geval, hebben het recht tot verificatie en, indien noodzakelijk, gedwongen verzameling van de gegevens die door informatieplichtigen verstrekken overeenkomstig de statistische rapportageverplichtingen van artikel 3 van en de bijlagen I, II en III bij deze verordening. Dit recht kan met name uitgeoefend worden wanneer een informatieplichtige niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals omschreven in bijlage IV. Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2533/98 is eveneens van toepassing.

Artikel 9

Vereenvoudigde wijzigingsprocedure

De directie van de ECB kan, met inachtneming van de standpunten van het Comité statistieken van het ESCB, technische wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening doorvoeren, mits dergelijke wijzigingen het onderliggende conceptuele kader niet veranderen en geen effect hebben op de rapportagelast van de informatieplichtigen. De directie stelt de Raad van bestuur onverwijld in kennis van dergelijke wijzigingen.

Artikel 10

Eerste rapportage

1.   In geval van uit hoofde van artikel 2, lid 2, geselecteerde informatieplichtigen, begint de eerste rapportage uit hoofde van deze verordening met gegevens voor 1 april 2016, zulks behoudens de overgangsbepalingen van artikel 12.

2.   In geval van uit hoofde van artikel 2, lid 3 en 4, geselecteerde informatieplichtigen, begint de eerste rapportage uit hoofde van deze verordening op de aan de informatieplichtige overeenkomstig artikel 2, lid 5, door de ECB of de betrokken NCB gecommuniceerde datum, en in geen geval vroeger dan twaalf maanden na de vaststelling van het besluit van de Raad van bestuur krachtens artikel 2, lid 3 of 4.

3.   Voorts, indien representatieve informatieplichtigen overeenkomstig artikel 2, lid 4 geselecteerd worden, kan een representatieve informatieplichtige bij de ECB of de betrokken NCB een schriftelijk verzoek indienen voor een tijdelijk uitstel van de eerste rapportagedatum, met vermelding van de redenen voor dat uitstel. Het verzochte uitstel kan voor maximaal zes maanden verleend worden, verlengbaar met nog eens maximaal zes maanden. De ECB of de betrokken NCB kan instemmen met het verlenen van uitstel van de eerste rapportagedatum aan de verzoekende representatieve informatieplichtige, indien de ECB of de betrokken NCB dat uitstel gerechtvaardigd achten. Voorts, indien de representatieve informatieplichtige op de eerste rapportagedatum niet over te rapporteren gegevens beschikt of slechts over gegevens beschikt die de ECB en de NCB niet representatief achten, kan de NCB ermee instemmen de eerste rapportagedatum niet op die informatieplichtigen toe te passen. Die vrijstellingen kan de NCB alleen toekennen in overleg met de ECB, indien zowel de ECB alsook de NCB het verzoek gerechtvaardigd achten en het verzoek de representativiteit van de rapportagesteekproef niet schaadt.

4.   In geval van overeenkomstig artikel 2, lid 6, als aanvullende informatieplichtige geselecteerde MFI's begint de eerste rapportage uit hoofde van deze verordening op de overeenkomstig artikel 2, lid 6, door de NCB aan de aanvullende informatieplichtige gecommuniceerde datum.

Artikel 11

Clausule periodieke toetsing

De ECB toetst de werking van deze verordening twaalf maanden na de eerste rapportage en brengt daarover verslag uit. Overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport kan de ECB het aantal informatieplichtigen en/of statistische rapportageverplichtingen verhogen of verlagen. Na deze initiële toetsing zullen regelmatige updates van de feitelijke populatie van informatieplichtigen om het jaar plaatsvinden.

Artikel 12

Overgangsbepalingen

In de periode 1 april 2016 tot 1 juli 2016 mogen informatieplichtigen aan de ECB of de betrokken NCB geldmarktstatistieken rapporteren voor bepaalde, maar niet alle relevante dagen. De ECB of de betrokken NCB kan de voor rapportage vereiste dagen expliciteren.

Artikel 13

Slotbepalingen

Deze verordening treedt op 1 januari 2015 in werking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 26 november 2014.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)  Advies van 14 november 2014 (PB C 407 van 15.11.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(4)  Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(7)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(9)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1569/2007 van de Commissie van 21 december 2007 waarbij ter uitvoering van de Richtlijnen 2003/71/EG en 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad een mechanisme wordt opgezet voor het nemen van een besluit over de gelijkwaardigheid van standaarden voor jaarrekeningen die door effectenuitgevende instellingen van derde landen worden toegepast (PB L 340 van 22.12.2007, blz. 66).

(11)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(12)  Richtlijn 2011/35/EU van de Raad van 5 april 2011 betreffende fusies van naamloze vennootschappen (PB L 110 van 29.4.2011, blz. 1).

(13)  Derde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 47).


BIJLAGE I

Rapportageschema voor met gedekte transacties verband houdende geldmarktstatistieken

DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB) alle repo-overeenkomsten en transacties uit hoofde van repo-overeenkomsten, waaronder driepartijenrepo's die luiden in euro met een looptijd tot en met één jaar (zijnde transacties met een looptijd van hoogstens 397 dagen na de transactiedatum) tussen de informatieplichtige en andere monetaire-financiële instellingen (MFI's), overige financiële intermediairs (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken voor beleggingsdoelstellingen, alsook met niet-financiële vennootschappen die zijn ingedeeld als „wholesale” overeenkomstig het Bazel III LCR-kader.

DEEL 2

SOORT GEGEVENS

1.

Soort van op transacties gebaseerde gegevens (1) die voor iedere transactie gerapporteerd moeten worden:

Veld

Gegevensbeschrijving

Alternatieve rapportageoptie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode is uniek voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

 

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) wordt uitgevoerd, moet de identificatiecode van juridische entiteiten (legal entity identifier (LEI)) verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet onder alle omstandigheden gebruikt worden. Een individuele wederpartijcode wordt verstrekt.

Vestigingsplaats wederpartij

International Organisation for Standardisation (ISO) landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Nominaal transactiebedrag

Het initieel opgenomen of verstrekte bedrag.

 

Nominaal onderpandbedrag

Het nominale als onderpand verstrekte zekerhedenbedrag.

Met uitzondering van driepartijenrepo's en enige andere transactie waarin de verstrekte zekerheid niet middels een internationaal identificatienummer voor waardepapieren (international securities identification number) (ISIN) wordt geïdentificeerd.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de financiële transactie aangaan.

 

Afwikkelingsdatum

De aankoopdatum, d.w.z. de datum waarop de geldgever het contante bedrag verschuldigd is aan de geldnemer en het waardepapier door de geldnemer aan de geldgever moet worden overgedragen.

In geval van openbasisrepotransacties is dat de datum waarop de rollover afgewikkeld wordt (zelfs als geen contant geld wordt uitgewisseld).

Vervaldatum

De repodatum, d.w.z. op datum waarop de geldnemer de geldgever het verschuldigde contante bedrag moet terugbetalen.

In geval van openbasisrepotransacties is dat de datum waarop de verschuldigde hoofdsom en interest terugbetaald moeten worden indien de transactie niet langer gecontinueerd wordt.

Transactiesymbool

Opnemen van contant geld in het geval van repo's of verstrekken van contant geld in het geval van repo's met wederverkoopverplichting.

 

Onderpand-ISIN

Het ISIN dat is toegewezen aan in financiële markten uitgegeven effecten, dat bestaat uit twaalf alfanumerieke tekens die unieke identificatie vormen voor effecten (zoals bedoeld onder ISO 6166).

Rapportage is verplicht behalve voor driepartijenrepo's en alle overige repo's waarin de verstrekte zekerheid niet middels een uniek ISIN geïdentificeerd wordt.

Type zekerheid

Ter identificering van de als onderpand verstrekte activaklasse, indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Moet steeds verstrekt worden indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Markering specifiek onderpand

Ter identificering van alle repotransacties die uitgevoerd worden tegen verstrekking van algemeen onderpand en repo's die uitgevoerd worden tegen verstrekking van specifiek onderpand. Optioneel veld dat alleen ingevuld moet worden indien zulks voor de informatieplichtige haalbaar is.

Rapportage van dit veld is optioneel.

Rentepercentage van overeenkomst

Het rentetarief uitgedrukt overeenkomstig de ACT/360-geldmarktconventie waartegen de repo werd afgesloten en welk rentetarief wordt toegepast op het verstrekte contante geld.

 

Onderpandsurpluspercentage

Een risicobeheersingsmaatregel die wordt toegepast op het onderliggende onderpand, waarvan de waarde wordt berekend als de marktwaarde van de activa verminderd met een bepaald percentage (surpluspercentage (haircut)). Voor rapportagedoeleinden wordt het onderpandsurpluspercentage berekend als 100 minus de ratio tussen opgenomen/verstrekt contant geld en de marktwaarde met inbegrip van de opgebouwde rente van het als zekerheid aangeboden onderpand.

Rapportage in dit veld is slechts vereist voor individuele onderpandtransacties.

Wederpartijcode van de driepartijenagent

Wederpartij-identificatiecode van de driepartijenagent.

Moet voor driepartijenrepo's gerapporteerd worden.

Driepartijenagentidentificatiecode ID

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele driepartijen-agentidentificatiecode aangeeft.

Moet steeds toegepast worden waar een individuele driepartijenagentidentificatiecode verstrekt zal worden.

Begunstigde van via CCP's uitgevoerde transacties

 

 

2.   Materialiteitsdrempel

Met niet-financiële vennootschappen uitgevoerde transacties moet alleen gerapporteerd worden indien uitgevoerd met op basis van het Bazel III LCR-kader als wholesale geclassificeerde niet-financiële vennootschappen (2).

3.   Uitzonderingen

Intra-groeptransacties moeten niet gerapporteerd worden.


(1)  De elektronische rapportagestandaards en de technische specificaties voor de gegevens worden afzonderlijk vermeld. Zij zijn beschikbaar op www.ecb.int

(2)  Zie „Bazel III: The liquidity coverage ratio and liquidity risk monitoring tools”, blz. 23 tot en met 27, beschikbaar op de website van de Bank voor Internationale Betalingen: www.bis.org


BIJLAGE II

Rapportageschema voor met ongedekte transacties verband houdende geldmarktstatistieken

DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

1.

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB):

a)

alle leenactiviteiten die de in de volgende tabel opgesomde instrumenten gebruiken, die luiden in euro met een looptijd van hoogstens één jaar (zijnde transacties met een looptijd van hoogstens 397 dagen na de transactiedatum) tussen de informatieplichtige en overige monetaire-financiële instellingen (MFI's), overige financiële intermediairs (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken voor beleggingsdoelstellingen, alsook met niet-financiële vennootschappen die zijn ingedeeld als „wholesale” in het Bazel III LCR-kader;

b)

alle leenactiviteiten aan andere kredietinstellingen met een looptijd van hoogstens één jaar (zijnde transacties met een looptijd van ten hoogste 397 dagen na de transactiedatum) middels ongedekte deposito's of middels de aankoop van de uitgevende instellingen van commercial papier, depositocertificaten, floating rate notes en overige schuldbewijzen met een looptijd van ten hoogste één jaar.

2.

De hiernavolgende tabel bevat een gedetailleerde standaardbeschrijving van de instrumentcategorieën, voor transacties die informatieplichtigen aan de ECB moeten rapporteren. Indien de informatieplichtigen aan hun betrokken NCB de transacties moeten rapporteren, moet de betrokken NCB deze beschrijvingen van de instrumentcategorieën op nationaal niveau overeenkomstig deze verordening omzetten.

Type instrument

Beschrijving

Deposito's

Ongedekte rentedragende deposito's met hetzij een opzegtermijn of die een looptijd van hoogstens één jaar hebben, die de informatieplichtige hetzij opneemt (opgenomen lening) of plaatst.

Depositocertificaten

Een door een MFI uitgegeven schuldbewijs met een vaste looptijd die de houder recht geeft op een bepaalde vaste rentevoet gedurende een vaste termijn van hoogstens één jaar.

Commercieel papier

Een schuldbewijs dat hetzij ongedekt is of gedekt wordt door de emittent verstrekt onderpand dat een looptijd heeft van hoogstens één jaar en hetzij rentedragend is of met disagio is uitgegeven.

Obligaties met een variabel tarief („Floating rate note”)

Een schuldbewijs waarvoor de periodieke interestbetalingen zijn berekend op basis van de waarde, d.w.z. door het vastleggen van een onderliggend rentetarief zoals Euribor op vooraf bepaalde data die ook wel vaststellingsdata genoemd worden, met een looptijd van ten hoogste één jaar.

Instrumenten met terugneemverplichting („puttable instruments”)

Een schuldbewijs waarin de houder een putoptie heeft, d.w.z. een optie om van de emittent vervroegde terugbetaling te verlangen, met een eerste uitoefendatum of opzegtermijn van niet meer dan een jaar te rekenen van de uitgiftedatum.

Opeisbare instrumenten

Een schuldbewijs waarin de houder een calloptie heeft, d.w.z. een optie om het instrument vervroegd af te lossen, met een uiterste terugbetalingsdatum van niet meer dan één jaar te rekenen van de uitgiftedatum.

Overige kortlopende schuldbewijzen

Door informatieplichtigen uitgegeven niet-achtergestelde effecten, niet zijnde aandelen met een looptijd van ten hoogste één jaar, welke instrumenten doorgaans verhandelbaar zijn en op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling. Hiertoe behoren:

a)

effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of vast bedrag op een bepaalde datum (of op bepaalde data), dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum;

b)

niet-verhandelbare door informatieplichtigen uitgegeven instrumenten die nadien verhandelbaar worden en als „schuldbewijzen” geherclassificeerd worden.

DEEL 2

SOORT GEGEVENS

1.

Soort van op transacties gebaseerde gegevens (1) die voor iedere transactie gerapporteerd moeten worden:

Gegevensbeschrijving

Definitie

Alternatieve rapportageoptie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode is uniek voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

 

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) wordt uitgevoerd, moet de identificatiecode van juridische entiteiten (legal entity identifier (LEI)) verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet steeds toegepast worden. Een individuele wederpartijcode zal verstrekt worden.

Vestigingsplaats wederpartij

International Organisation for Standardisation (ISO) landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de gerapporteerde financiële transactie aangaan.

 

Afwikkelingsdatum

De datum waarop de geldgever contant geld verstrekt aan de geldnemer dan wel waarop de aankoop van een schuldinstrument afgewikkeld wordt.

In geval van zichtrekeningen en ander ongedekte opgenomen en verstrekte leningen met opzegtermijn, de datum waarop het deposito wordt gecontinueerd (d.w.z. op de datum waarop het deposito terugbetaald zou zijn indien het opgeëist/gediscontinueerd zou zijn).

Vervaldatum

De datum waarop de geldnemer het verschuldigde contante bedrag aan de geldgever terug moet betalen of waarop een schuldinstrument vervalt en terugbetaald moet worden.

Voor opeisbare instrumenten moet de finale vervaldatum verstrekt worden. Voor instrumenten met terugneemverplichting moet de eerste datum waarop de putoptie uitgeoefend kan worden, verstrekt worden. Voor zichtrekeningen en overige ongedekte opgenomen en verstrekte leningen met een opzegtermijn, de eerste datum waarop het instrument afgelost kan worden.

Eerste call-/putdatum

De datum waarop de call-/putoptie uitgeoefend kan worden.

Moet slechts gerapporteerd worden voor opeisbare instrumenten of instrumenten met een terugneemverplichting met een eerste call-/put optiedatum.

Call-/putopzegtermijn

Voor opeisbare instrumenten of instrumenten met een terugneemverplichting, het aantal aan de houder/emittent van het instrument door de houder van de optie aan de houder/emittent te notificeren kalenderdagen, zulks voorafgaande aan de datum waarop de optie uitgeoefend kan worden. Voor opeisbare deposito's, het aantal door depositohouder aan de geldgever te notificeren kalenderdagen, zulks voorafgaande aan de datum waarop het deposito afgelost kan worden.

Moet alleen voor opeisbare instrumenten en instrumenten met terugneemverplichting met een opzegtermijn en voor deposito's met een vooraf overeengekomen opzegtermijn gerapporteerd worden.

Call/put

Aanduiding om aan te geven of het instrument een call- of putoptie heeft.

 

Transactiesymbool

Het transactiesymbool indiceert of het uit hoofde van het nominale transactiebedrag gerapporteerde contante geld is opgenomen of verstrekt.

 

Nominaal transactiebedrag

Het op deposito's opgenomen of verstrekte contante geld. In geval van schuldbewijzen is dit het nominale bedrag van het uitgegeven/aangekochte schuldbewijs.

 

Transactiekoers

De uitgiftekoers van het effect, d.w.z. de ratio uitgedrukt in percentage tussen de initiële cashinkomsten en het nominale bedrag.

Moet voor ongedekte deposito's als 100 gerapporteerd worden.

Type instrument

Te gebruiken voor het instrument middels welke kredietopname/-verstrekking geschiedt, bijvoorbeeld middels ongedekte deposito's, overige ongedekte kortetermijnschuldinstrumenten met een vast rentepercentage, overige ongedekte kortetermijnschuldinstrumenten met een variabel rentepercentage, commercieel papier op onderpand van activa, enz.

 

Soort tarief

Aanduiding om aan te geven of het instrument een vast of een variabel rentepercentage heeft.

 

Rentepercentage van overeenkomst

Het rentetarief (uitgedrukt overeenkomstig de ACT/360-dagen geldmarktconventie) waartegen het deposito werd afgesloten en welk rentetarief wordt toegepast op het verstrekte contante geld. Voor schuldinstrumenten, het effectieve rentepercentage (uitgedrukt overeenkomstig de ACT/360-dagen geldmarktconventie) tegen welk percentage het instrument werd uitgegeven/aangekocht.

Moet alleen voor vastrentende instrumenten gerapporteerd worden.

Referentietarief

Het onderliggende referentietarief op basis waarvan de periodieke rentebetalingen berekend worden.

Moet alleen voor instrumenten met variabele tarieven gerapporteerd worden.

Marge

Het aantal aan het onderliggende tarief toegevoegde (indien positief) of daarvan afgetrokken basispunten (indien negatief) ter berekening van het voor een bepaalde periode werkelijke toepasselijke rentevoet.

Moet alleen voor instrumenten met variabele tarieven gerapporteerd worden.

2.   Materialiteitsdrempel

Met niet-financiële vennootschappen uitgevoerde transacties moet alleen gerapporteerd worden indien uitgevoerd met op basis van het Bazel III LCR-kader als wholesale geclassificeerde niet-financiële vennootschappen.

3.   Uitzonderingen

Intra-groeptransacties moeten niet gerapporteerd worden.


(1)  De elektronische rapportagestandaards en de technische specificaties voor de gegevens worden afzonderlijk vermeld. Zij zijn beschikbaar op www.ecb.int


BIJLAGE III

Rapportageschema voor met derivaten verband houdende geldmarktstatistieken

DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB):

a)

alle deviezenswaps waarbij euro contant worden aangekocht tegen betaling van een vreemde valuta en die euro op een toekomstige datum worden herverkocht of heraangekocht tussen de informatieplichtige en overige monetaire-financiële instellingen (MFI's), overige financiële instellingen (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid, of centrale banken voor beleggingsdoeleinden, alsook met overeenkomstig het Bazel III LCR-kader als „wholesale” ingedeelde niet-financiële vennootschappen;

b)

oversight index swaps (OIS) transacties, luidend in euro, tussen de informatieplichtige en andere monetaire-financiële instellingen (MFI's), OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid, of centrale banken voor beleggingsdoeleinden, alsook met overeenkomstig het Bazel III LCR-kader als „wholesale” ingedeelde niet-financiële vennootschappen.

DEEL 2

SOORT GEGEVENS

1.

Soort van op transacties gebaseerde gegevens (1) voor deviezenswaps die voor iedere transactie gerapporteerd moeten worden:

Veld

Gegevensbeschrijving

Alternatieve rapportageoptie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode is uniek voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

 

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) worden uitgevoerd, moet de identificatiecode van juridische entiteiten (legal entity identifier (LEI)) verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet onder alle omstandigheden gebruikt worden. Een individuele wederpartijcode wordt verstrekt.

Vestigingsplaats wederpartij

International Organisation for Standardisation (ISO) landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de gerapporteerde financiële transactie aangaan.

 

Contante valutadatum

De datum waarop een partij aan de andere partij een specifiek bedrag van een specifieke valuta verkoopt tegen betaling van een overeengekomen bedrag van een specifieke andere valuta gebaseerd op een overeengekomen wisselkoers, ook wel de contante koers van de vreemde valuta genoemd.

 

Vervaldatum

De datum waarop de swaptransactie van de vreemde valuta afloopt en de verkochte valuta op de contante valutadatum weer wordt aangekocht.

 

Transactiesymbool

Moet gebruikt worden om vast te stellen of het eurobedrag dat uit hoofde van het nominale transactiebedrag werd gerapporteerd op de contante valutadatum wordt aangekocht of verkocht.

Dit moet verwijzen naar de contante euro (euro spot), d.w.z. of euro wordt aangekocht of verkocht op de contante valutadatum.

Nominaal transactiebedrag

Het op de contante valutadatum aangekochte of verkochte bedrag in euro.

 

Deviezencode

De internationale driecijfer ISO-code van in ruil voor euro aangekochte/verkochte valuta.

 

Contante koers van de deviezen

De wisselkoers tussen de euro en de op het contante deel toepasselijke vreemde valuta van de deviezenswaptransactie.

 

Deviezentermijntransacties

Het verschil tussen de contante wisselkoers en de deviezentermijnkoers, uitgedrukt in basispunten genoteerd volgens de heersende marktconventies voor het deviezenpaar.

 

Begunstigde van via CCP's uitgevoerde transacties

 

 

2.

Soort van op transacties gebaseerde gegevens voor OIS-transacties die voor iedere transactie gerapporteerd moeten worden:

Veld

Gegevensbeschrijving

Alternatieve rapportageoptie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode moet uniek zijn voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

Facultatief

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) wordt uitgevoerd, moet de CCP-LEI verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet onder alle omstandigheden gebruikt worden. Een individuele wederpartijcode wordt verstrekt.

Vestigingsplaats wederpartij

ISO-landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de financiële transactie aangaan.

 

Startdatum

De datum waarop het overnighttarief van de periodieke variabele rentevoet berekend wordt.

 

Vervaldatum

De laatste datum van de periode waarover het samengestelde overnighttarief berekend wordt.

 

Vaste rentevoet

De bij de berekening van de OIS-uitbetaling gehanteerde vaste rentevoet.

 

Transactiesymbool

Een aanduiding die aangeeft of het vaste rentetarief door de informatieplichtige wordt betaald of ontvangen.

 

Nominaal transactiebedrag

Het nominale IOS-bedrag.

 

3.   Materialiteitsdrempel

Met niet-financiële vennootschappen uitgevoerde transacties moet alleen gerapporteerd worden indien uitgevoerd met op basis van het Bazel III LCR-kader als wholesale geclassificeerde niet-financiële vennootschappen.

4.   Uitzonderingen

Intra-groeptransacties moeten niet gerapporteerd worden.


(1)  De elektronische rapportagestandaards en de technische specificaties voor de gegevens worden afzonderlijk vermeld. Zij zijn beschikbaar op www.ecb.int


BIJLAGE IV

Door de werkelijke populatie van informatieplichtigen toe te passen minimumnormen

Informatieplichtigen moeten de volgende minimumnormen in acht nemen, om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Minimumnormen voor transmissie:

i)

de rapportage gebeurt tijdig en binnen de termijn die door de ECB en betreffende de nationale centrale bank (NCB) is vastgesteld;

ii)

vorm en formaat van de statistische rapporten moeten voldoen aan de technische rapportagevereisten die die door de ECB en betreffende NCB zijn vastgesteld;

iii)

de informatieplichtige moet de ECB en de betrokken NCB details verstrekken inzake één of meerdere contactpersonen;

iv)

de datatransmissie aan de ECB en desbetreffende NCB moet gebeuren met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

i)

statistische informatie moet juist zijn;

ii)

informatieplichtigen zijn in staat informatie te verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

iii)

statistische gegevens moeten volledig zijn en mogen geen voortdurende en structurele leemten bevatten; er moet gewezen worden op eventuele leemten, waarvoor aan de ECB en de betrokken NCB een verklaring moet worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk moeten worden verholpen;

iv)

informatieplichtigen moeten voor de technische gegevenstransmisse de door de ECB en de betrokken NCB vastgestelde afmetingen, afrondingsbeleid en decimalen in acht nemen.

3.

Minimumnormen voor conceptuele naleving:

i)

statistische gegevens voldoen aan de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

ii)

in geval van afwijkingen van deze definities en classificaties moeten de informatieplichtigen op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf in deze verordening;

iii)

informatieplichtigen moeten een verklaring kunnen geven voor een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen:

De informatieplichtigen moeten het door de ECB en de betrokken NCB vastgestelde herzieningenbeleid en -procedures volgen. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


RICHTLIJNEN

16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/117


RICHTLIJN 2014/108/EU VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2014

tot wijziging van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van defensiegerelateerde producten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (1), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2009/43/EG heeft betrekking op alle defensiegerelateerde producten die zijn opgenomen in de op 19 maart 2007 door de Raad vastgestelde gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

(2)

Op 17 maart 2014 heeft de Raad een bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen vastgesteld (2).

(3)

Richtlijn 2009/43/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité EU-overdracht defensiegerelateerde producten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 16 maart 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 24 maart 2015.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.

(2)  PB C 107 van 9.4.2014, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van defensiegerelateerde producten

Noot 1:

Termen tussen aanhalingstekens ( ””) zijn gedefinieerde termen. Zie de ”Definities van de in deze lijst gebruikte termen” in bijlage dezes.

Noot 2:

In sommige gevallen zijn stoffen vermeld met naam en CAS-nummer. Onder de lijst vallen stoffen met dezelfde structuurformule (inclusief hydraten), ongeacht naam of CAS-nummer. De CAS-nummers zijn vermeld om een bepaalde stof of een bepaald mengsel gemakkelijker te kunnen identificeren, ongeacht de nomenclatuur. CAS-nummers kunnen niet als eenduidige identificatienummers gebruikt worden, omdat sommige vormen van de op de lijst vermelde stoffen andere CAS-nummers hebben, en ook mengsels die een op de lijst voorkomende stof bevatten, andere CAS-nummers kunnen hebben.

ML1
Wapens met gladde loop met een kaliber van minder dan 20 mm, andere wapens en machinegeweren met een kaliber van 12,7 mm (kaliber 0,50 inch) of minder en toebehoren, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

Noot:

onder ML1 vallen niet:

a)

vuurwapens speciaal ontworpen voor exercitiemunitie, die geen projectiel kunnen afschieten;

b)

vuurwapens speciaal ontworpen voor het werpen van verankerde projectielen zonder springstoflading of communicatieverbinding, met een draagwijdte van ten hoogste 500 m;

c)

wapens waarbij gebruik wordt gemaakt van randvuurmunitie en die niet volautomatisch zijn.

a)

geweren en combinatievuurwapens, vuistvuurwapens, machinegeweren, machinepistolen en salvowapens;

Noot:

onder ML1.a) vallen niet:

a)

geweren en combinatievuurwapens die van vóór het jaar 1938 dateren;

b)

replica's van geweren en combinatievuurwapens waarvan de originelen van vóór het jaar 1890 dateren;

c)

vuistvuurwapens, salvowapens en machinegeweren die van vóór het jaar 1890 dateren en replica's daarvan.

d)

Geweren en vuistvuurwapens, speciaal ontworpen om middels perslucht of CO2 een inert projectiel af te vuren

b)

wapens met gladde loop, als hieronder:

1.

speciaal voor militair gebruik ontworpen wapens met gladde loop;

2.

andere wapens met gladde loop, als hieronder:

a)

van het volautomatische type;

b)

van het halfautomatische of pomptype;

Noot:

onder ML1.b)2 vallen niet: geweren en vuistvuurwapens, speciaal ontworpen om middels perslucht of CO2 een inert projectiel af te vuren.

Noot:

onder ML1.b) vallen niet:

a)

wapens met gladde loop die van voor het jaar 1938 dateren;

b)

replica's van wapens met gladde loop waarvan de originelen van vóór het jaar 1890 dateren;

c)

wapens met gladde loop die worden gebruikt voor jacht- of sportdoeleinden; Dergelijke wapens mogen niet speciaal zijn ontworpen voor militair gebruik en ook niet volautomatisch zijn;

d)

wapens met gladde loop die speciaal zijn ontworpen voor:

1.

het slachten van huisdieren;

2.

het kalmeren van dieren;

3.

seismische proeven;

4.

het afvuren van industriële projectielen, of

5.

het onderbreken van geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices, afgekort IED).

NB:

voor disruptoren, zie ML4 en 1A006 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik

c)

wapens waarbij gebruik wordt gemaakt van munitie zonder huls;

d)

afneembare patroonmagazijnen, geluidsonderbrekers of -dempers, speciale statieven, optische wapenvizieren en vlamonderdrukkers voor wapens als genoemd in ML1.a), ML1.b) of ML1.c);

Noot:

onder ML1.d) vallen niet: optische vizieren voor wapens zonder elektronische beeldverwerking, met een vergroting van 9 of minder, voor zover zij niet speciaal ontworpen of aangepast zijn voor militair gebruik of dradenkruizen bevatten die speciaal ontworpen zijn voor dergelijk gebruik.

ML2
Wapens met gladde loop met een kaliber van 20 mm of meer, andere wapens met een kaliber groter dan 12,7 mm (kaliber 0,50 inch), werpers en toebehoren daarvoor, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

kanonnen, houwitsers, vuurmonden, mortieren, antitankwapens, projectielwerpers en raketlanceerinrichtingen, militaire vlammenwerpers, geweren, terugstootloze vuurmonden, wapens met gladde loop en signatuurreductietoestellen daarvoor;

Noot 1:

ML2.a) omvat mede injectoren, meetapparaten, opslagtanks en andere speciaal ontworpen onderdelen voor gebruik met vloeibare stuwstoffen voor in ML2.a) genoemde apparatuur.

Noot 2:

de volgende wapens vallen niet onder ML2.a):

a)

geweren, wapens met gladde loop en combinatievuurwapens die van vóór het jaar 1938 dateren;

b)

replica's van geweren, wapens met gladde loop en combinatievuurwapens waarvan de originelen van vóór het jaar 1890 dateren;

c)

kanonnen, houwitsers, vuurmonden en mortieren die vóór 1890 zijn vervaardigd;

d)

wapens met gladde loop die worden gebruikt voor jacht- of sportdoeleinden; Dergelijke wapens mogen niet speciaal zijn ontworpen voor militair gebruik en ook niet volautomatisch zijn;

e)

wapens met gladde loop die speciaal zijn ontworpen voor:

1.

het slachten van huisdieren;

2.

het kalmeren van dieren;

3.

seismische proeven;

4.

het afvuren van industriële projectielen, of

5.

het onderbreken van geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices, afgekort IED).

NB:

voor disruptoren, zie ML4 en 1A006 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik

f)

in de hand gehouden projectielwerpers, speciaal ontworpen voor het werpen van verankerde projectielen zonder springstoflading of communicatieverbinding, met een draagwijdte van ten hoogste 500 m;

b)

toestellen voor het gericht verspreiden of voortbrengen van rook, gas en pyrotechnische stoffen, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

Noot:

ML2.b) is niet van toepassing op signaalpistolen.

c)

wapenvizieren en bevestigingspunten voor wapenvizieren, met alle volgende kenmerken:

1.

speciaal ontworpen voor militair gebruik, en

2.

speciaal ontworpen voor de in ML2.a) vermelde wapens;

d)

bevestigingspunten en afneembare patroonmagazijnen, speciaal ontworpen voor de in ML2.a) vermelde wapens.

ML3
Munitie en ontstekingsinstellingsinrichtingen, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a)

munitie voor wapens als genoemd in ML1, ML2 of ML12;

b)

ontstekingsinstellingsinrichtingen die speciaal zijn ontworpen voor munitie genoemd in ML3.a).

Noot 1:

onder de in ML3 bedoelde speciaal ontworpen onderdelen worden mede begrepen:

a)

van metaal of plastic gefabriceerde onderdelen zoals slaghoedjes, kogelmantels, schakels, geleibanden en metalen munitiedelen;

b)

wapeningsmechanismen, ontstekers, sensoren en detonatorenapparatuur

c)

stroombronnen met een hoge eenmalige stootkracht;

d)

brandbare hulzen voor ladingen;

e)

submunitie waaronder kleine bommen en kleine mijnen en tot aan het doel geleide projectielen.

Noot 2:

onder ML3.a) vallen niet:

a)

losse flodders (blank star);

b)

oefenmunitie met geperforeerde huls;

c)

overige losse flodders en oefenmunitie, zonder onderdelen die bedoeld zijn voor scherpe munitie, of

d)

Onderdelen ontworpen voor losse flodders of oefenmunitie, vermeld in deze noot 2.a), b) of c)

Noot 3:

onder ML3.a) vallen niet: patronen die speciaal zijn ontworpen voor de volgende doeleinden:

a)

het geven van signalen;

b)

het afschrikken van vogels, of

c)

het ontsteken van affakkelvlammen bij oliebronnen.

ML4
Bommen, torpedo's, raketten, geleide projectielen, andere ontploffingsmechanismen en ladingen en toebehoren, als hieronder en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

NB1:

voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11.

NB2:

voor raketafweersystemen voor vliegtuigen, zie ML4.c

a)

bommen, torpedo's, granaten, rookbussen, raketten, mijnen, geleide projectielen, dieptebommen, vernielingsladingen, -toestellen en -sets, ”pyrotechnische” middelen, patronen en simulatoren (dat wil zeggen uitrusting die de kenmerken van een van deze goederen simuleert), speciaal ontworpen voor militair gebruik;

Noot:

in ML4.a) worden ook bedoeld:

a)

rookgranaten, brandbommen en ontploffingsmechanismen;

b)

raketstraalpijpen en neuskegels voor terugkeermodules (re-entry vehicles).

c)

uitrusting die aan elk van de volgende criteria voldoet:

1.

speciaal ontworpen voor militair gebruik, en

2.

speciaal ontworpen voor ’activiteiten’ in verband met een of meer van de volgende goederen:

a)

in ML4.a) genoemde goederen, of

b)

geïmproviseerde explosieven (Improvised Explosive Devices, afgekort IED).

Technische noot:

Voor de toepassing van ML4.b)2): wordt met ’activiteiten’ bedoeld het hanteren, lanceren, leggen, besturen, ontsteken, detoneren, in werking stellen, éénmalig toedienen van energie, misleiden, storen, vegen, opsporen, onderbreken of verwijderen.

Noot 1:

in ML4.b) worden ook bedoeld:

a)

mobiele uitrusting voor het vloeibaar maken van gas, geschikt voor het produceren van 1 000 kg of meer vloeibaar gas per dag;

b)

drijvende elektrische stroomkabel geschikt voor het vegen van magnetische mijnen.

Noot 2:

onder ML4.b) valt niet: handapparatuur die qua ontwerp alleen geschikt is voor het detecteren van metalen voorwerpen en geen onderscheid kan maken tussen mijnen en andere metalen voorwerpen.

c)

raketafweersystemen voor vliegtuigen (AMPS)

Noot:

onder ML4.c) vallen niet: AMPS die alle volgende kenmerken vertonen:

a)

een of meer van de volgende raketdetectiesensoren:

1.

passieve sensoren met een maximale reactie tussen 100 en 400 nm, of

2.

op Dopplereffect gebaseerde raketdetectiesensoren met actieve signaalpuls;

b)

voorzieningen voor tegenmaatregelen;

c)

fakkels, zowel kenbaar in het zichtbare als in het infraroodgebied, om grond-luchtraketten te misleiden, en

d)

aangebracht op ”burgervliegtuigen” en met alle volgende kenmerken:

1.

het AMPS is alleen bruikbaar op een specifiek ”burgervliegtuig” waarop het betrokken AMPS is geïnstalleerd en waarvoor een van de volgende documenten is afgegeven:

a)

een civiel typecertificaat, of

b)

een gelijkwaardig document dat door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) wordt erkend;

2.

het AMPS beschikt over bescherming die een niet-gemachtigde toegang tot ”programmatuur” verhindert, en

3.

in het AMPS is een actief mechanisme ingebouwd dat de werking van het systeem blokkeert indien dit wordt verwijderd van het ”burgervliegtuig” waarin het was aangebracht.

ML5
Vuurgeleidingssystemen en aanverwante alarm- en waarschuwingssystemen, en aanverwante systemen, test- en uitlijningsapparatuur en apparatuur voor tegenmaatregelen, als hieronder, speciaal ontworpen voor militair gebruik en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

a)

wapenvizieren, computers die worden gebruikt bij bombardementen, geschutrichtapparaten en boordbesturingssystemen voor wapens;

b)

systemen voor het detecteren, identificeren, verkennen of volgen van het doelwit en voor het bepalen van de schootsafstand; toestellen voor opsporing, het samenvoegen van gegevens, herkenning en identificatie, en toestellen voor sensorintegratie;

c)

apparatuur voor tegenmaatregelen tegen goederen als bedoeld onder ML5.a) en ML5.b);

Noot:

in ML5.c) omvat apparatuur voor tegenmaatregelen opsporingsapparatuur.

d)

veldtest- en uitlijnapparatuur, speciaal ontworpen voor goederen als bedoeld onder ML5.a), ML5.b) of ML5.c).

ML6
Voertuigen en onderdelen daarvoor, als hieronder:

NB:

voor geleidings- en navigatieapparatuur, zie ML11.

a)

voertuigen en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

Technische noot:

in ML6.a) omvat de term voertuigen tevens aanhangwagens.

b)

andere voertuigen en onderdelen daarvoor, als hieronder:

1.

voertuigen die aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)

vervaardigd zijn uit of uitgerust zijn met materialen of componenten die ballistische bescherming bieden tot niveau III (NIJ-norm 0108.01 van september 1985, of een vergelijkbare nationale norm) of beter;

b)

beschikkend over een overbrenging die zowel de voor- als de achterwielen gelijktijdig aandrijft, met inbegrip van voertuigen met al dan niet aangedreven bijkomende wielen voor belasting;

c)

toegestaan maximaal totaalgewicht (GVWR) van meer dan 4 500 kg, en

d)

ontworpen of geschikt gemaakt voor gebruik buiten de wegen;

2.

onderdelen met alle volgende kenmerken:

a)

speciaal ontworpen voor de in ML6.b)1. vermelde voertuigen, en

b)

ballistische bescherming biedend tot niveau III (NIJ-norm 0108.01 van september 1985, of een vergelijkbare nationale norm) of beter.

NB:

zie ook ML13.a)

Noot 1:

in ML6.a) worden ook bedoeld:

a)

tanks en andere militaire bewapende voertuigen en militaire voertuigen met voorzieningen voor het daarop monteren van vuurwapens of apparatuur voor het leggen van mijnen of voor het lanceren van munitie als genoemd in ML4;

b)

gepantserde voertuigen;

c)

amfibievoertuigen en voertuigen voor het doorwaden van diep water;

d)

bergingsvoertuigen en voertuigen voor het trekken of vervoeren van munitie of wapensystemen en aanverwante apparatuur voor ladingoverslag)

Noot 2:

onder aanpassing aan een in ML6.a) bedoeld voertuig voor militair gebruik wordt verstaan een structurele, elektrische of mechanische wijziging naar aanleiding van één of meerdere speciaal met het oog op militair gebruik ontworpen component. Deze componenten zijn onder meer:

a)

kogelbestendige luchtbanden;

b)

bepantsering van vitale delen (zoals brandstoftanks of de cabine van het voertuig);

c)

speciale versterkingsplaten of bevestigingspunten voor wapens;

d)

verduisteringslichten.

Noot 3:

onder ML6 vallen niet: civiele voertuigen, ontworpen of geschikt gemaakt voor geld- of waardetransporten.

Noot 4:

onder ML6 vallen niet de voertuigen die alle volgende kenmerken vertonen:

a)

gemaakt vóór 1946;

b)

niet voorzien van onderdelen, genoemd in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen en gemaakt na 1945, met uitzondering van replica's van originele onderdelen of toebehoren voor het voertuig, en

c)

niet voorzien van wapens genoemd in ML1., ML2. of ML4, tenzij deze wapens onklaar zijn en geen projectiel kunnen afschieten.

ML7
Chemisch of biologisch toxisch materiaal, ”stoffen voor oproerbeheersing”, radioactief materiaal, aanverwante apparatuur, onderdelen en materialen, als hieronder:

a)

biologische of radioactieve stoffen, ”aangepast voor gebruik in oorlogssituaties” teneinde slachtoffers te veroorzaken onder mensen en dieren, schade toe te brengen aan de werking van apparatuur, aan gewassen of aan het milieu;

b)

stoffen voor chemische oorlogvoering, waaronder:

1.

zenuwgassen:

a)

O-alkyl (gelijk aan of kleiner dan C10, met inbegrip van cycloalkyl) alkyl (methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl) -fosfonofluoridaten, zoals:

 

O-isopropylmethylfosfonofluoridaat (CAS 107-44-8), en

 

soman (GD): O-pinacolylmethylfosfonofluoridaat (CAS 96-64-0);

b)

O-alkyl (gelijk aan of kleiner dan C10, met inbegrip van cycloalkyl) N,N-dialkyl(methyl-, ehtyl-, n-propyl- of isopropyl) fosforamidocyanidaten, zoals:

tabun (GA): O-ethyl N,N-dimethylfosforamidocyanidaat (CAS 77-81-6);

c)

O-alkyl (H of gelijk aan of kleiner dan C10, inclusief cycloalkyl) S-2-dialkyl(methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)ami noethylalkyl (methyl-, ethyl-, n-propyl-, of isopropyl) fosfonothiolaten en overeenkomstige gealkyleerde en geprotoneerde zouten zoals:

VX: O-ethyl S-2-diisopropylaminoethylmethylfosfonothiolaat (CAS 50782-69-9);

2.

blaarvormende gassen:

a)

zwavelmosterdgassen, zoals:

1.

2-chloorethylchloormethylsulfide (CAS2625-75-5);

2.

bis (2-chloorethyl)sulfide (CAS 505-60-2);

3.

bis (2-chloorethylthio)methaan (CAS 63869-13-6);

4.

1,2-bis(2-chloorethylthio)ethaan (CAS 3563-36-8);

5.

1,3-bis(2-chloorethylthio)-n-propaan (CAS 6390 5-10-2);

6.

1,4-bis(2-chloorethylthio)-n-butaan (CAS 142868-93-7);

7.

1,5-bis(2-chloorethylthio)-n-pentaan (CAS 142868-94-8);

8.

bis(2-chloorethylthiomethyl)ether (CAS 63918-90-1);

9.

bis(2-chloorethylthioethyl)ether (CAS 63918-89-8);

b)

lewisieten, zoals:

1.

2-chloorvinyldichloorarsine (CAS 541-25-3);

2.

tris(2-chloorvinyl)arsine (CAS 40334-70-1);

3. Bis

(2-chlorovinyl) chloroarsine (CAS 40334-69-8);

c)

stikstofmosterdgassen, zoals:

1.

HN 1: bis(2-chloorethyl)ethylamine (CAS 538-07-8);

2.

HN 2: bis(2-chloorethyl)methylamine (CAS 51-75-2);

3.

HN 3: tris(2-chloorethyl)amine (CAS 555-77-1);

3.

verdovende gassen, zoals:

a)

3-chinuclidinylbenzilaat (BZ) (CAS 6581-06-2);

4.

ontbladeringsmiddelen, zoals:

a)

Butyl 2-chloor-4-fluorofenoxyacetaat (LNF);

b)

2,4,5-trichloorfenoxyazijnzuur (CAS 93-76-5) gemengd met 2,4-dichloorfenoxyazijnzuur (CAS 94-75-7) (Agent Orange (CAS 39277-47-9));

c)

voorlopers van binaire stoffen en sleutelvoorlopers van chemische oorlogvoering, als hieronder:

1.

alkyl(methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosfonofluoridaten, zoals:

DF: methylfosfonyldifluoride (CAS 676-99-3);

2.

O-alkyl (H of gelijk aan of kleiner dan C10, inclusief cycloalkyl) 0-2-dialkyl- (methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-) aminoethylalkyl(methyl-, ethyl-, n-propyl- of isopropyl-)fosfonieten en overeenkomstige gealkyleerde en geprotoneerde zouten zoals:

QL: O-ethyl O-2-diisopropylaminoethylmethylfosfoniet (CAS 57856-11-8);

3.

chloorsarin: O-isopropylmethylfosfonochloridaat (CAS 1445-76-7);

4.

chloorsoman: O-pinacolylmethylfosfonochloridaat (CAS 7040-57-5);

d)

”stoffen voor oproerbeheersing”, chemische stoffen met werkzame bestanddelen en combinaties daarvan, waaronder:

1.

α-broombenzeenacetonitril (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

2.

[(2-chloorfenyl)methyleen]propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril (CS) (CAS 2698-41-1);

3.

2-chloor-1-phenylethanon, fenylacylchloride (ω-hlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

4.

dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

5.

10-chloor-5,10-dihydrophenarsazine, (phenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS 578-94-9);

6.

N-nonanoylmorfoline (MPA) (CAS 5299-64-9);

Noot 1:

onder ML7.d) vallen niet: ”stoffen voor oproerbeheersing” in individuele verpakkingen die zijn bedoeld voor zelfverdediging)

Noot 2:

onder ML7.d) vallen niet: chemische stoffen met werkzame bestanddelen en combinaties daarvan die zijn bestemd en verpakt voor de productie van levensmiddelen of voor medische doeleinden.

e)

apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, speciaal ontworpen of aangepast voor verspreiding van de volgende stoffen of middelen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1.

stoffen of middelen als genoemd in ML7.a), ML7.b) of ML7.d), of

2.

stoffen voor chemische oorlogvoering gemaakt uit voorlopers als genoemd in ML7.c);

f)

veiligheids- en decontaminatieapparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, onderdelen en chemische mengsels, als hieronder:

1.

apparatuur, ontworpen of aangepast voor bescherming tegen de in ML7.a), ML7.b) of ML7.d) bedoelde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

2.

apparatuur, ontworpen of aangepast voor de decontaminatie van voorwerpen besmet met de in ML7.a) of ML7.b) bedoelde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

3.

chemische mengsels, speciaal ontwikkeld/samengesteld voor de decontaminatie van voorwerpen besmet met de in ML7.a) of ML7.b) bedoelde stoffen;

Noot:

onder ML7.f)1 vallen ook:

a)

luchtbehandelingseenheden, speciaal ontworpen of aangepast voor nucleaire, biologische of chemische filtratie;

b)

beschermende kleding)

NB:

voor civiele gasmaskers, veiligheids- en decontaminatieapparatuur, zie ook 1A004 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik.

g)

apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, ontworpen of aangepast voor opsporing en identificatie van de in ML7.a), ML7.b) of ML7.d) genoemde stoffen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

Noot:

in ML7.g) worden niet bedoeld individuele dosismeters voor stralingscontrole)

NB:

zie ook 1A004 op de EU-lijst van goederen voor tweeërlei gebruik.

h.

”biopolymeren”, speciaal ontworpen of bewerkt voor het opsporen en determineren van stoffen voor chemische oorlogvoering als genoemd in ML7.b) en de specifieke celkweken die worden gebruikt voor de vervaardiging daarvan;

i.

”biokatalysatoren” voor het decontamineren en afbreken van stoffen voor chemische oorlogvoering, en biologische systemen daarvoor, als hieronder:

1.

”biokatalysatoren”, speciaal ontworpen voor de decontaminatie en het afbreken van de in ML7.b) bedoelde stoffen voor chemische oorlogvoering, en welke het resultaat zijn van gerichte laboratoriumselectie of van genetische manipulatie van biologische systemen;

2.

biologische systemen die de genetische informatie bevatten die specifiek is voor de productie van ”biokatalysatoren” als genoemd in ML7.i).1., als hieronder:

a)

”expressievectoren”;

b)

virussen;

c)

celkweken.

Noot 1:

onder ML7.b) en ML7.d) vallen niet:

a)

cyanogeenchloride(chloorcyaan) (CAS 506-77-4). Zie 1C450.a)5 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik;

b)

hydrogeencyanide (blauwzuur) (CAS 74-90-8);

c)

chloor (CAS 7782-50-5);

d)

carbonylchloride (fosgeen) (CAS 75-44-5). Zie 1C450.a)5 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik;

e)

difosgeen (trichloormethylchloorformiaat) (CAS 503-38-8);

f)

niet meer in gebruik sinds 2004;

g)

xylylbromide, ortho-: (CAS 89-92-9), meta: (CAS 620-13-3), para: (CAS 104-81-4);

h)

benzylbromide (CAS 100-39-0);

i)

benzyljodide (CAS 620-05-3);

j)

broomaceton (CAS 598-31-2);

k)

cyanogeenbromide (CAS 506-68-3);

l)

broommethylethylketon (CAS 816-40-0);

m)

chlooraceton (CAS 78-95-5);

n)

ethyljoodacetaat (CAS 623-48-3);

o)

joodaceton (CAS 3019-04-3);

p)

chloorpicrine (CAS 76-06-2). Zie 1C450.a)7 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik;

Noot 2:

de in ML7.h) en ML7.i)2 bedoelde celkweken en biologische systemen vormen een limitatieve opsomming en in deze rubrieken worden niet bedoeld cellen of biologische systemen voor civiele doeleinden, zoals toepassingen in de landbouw, farmaceutische industrie, op medisch, veterinair en milieuhygiënisch gebied, in het afvalbeheer en in de voedingsindustrie)

ML8
”Energetische materialen”, en aanverwante substanties, als hieronder:

N.B)1:

zie ook 1C011 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik.

N.B)2:

voor ladingen en mechanismen, zie ML4 en 1A008 op de EU-lijst van producten voor tweeërlei gebruik.

Technische noten

1.

in ML8 betekent de term mengsel een samenstelling van twee of meer stoffen waarvan er ten minste één voorkomt in de rubrieken van ML8.

2.

onder deze lijst vallen alle stoffen die voorkomen in de ML8-rubrieken, ook wanneer deze gebruikt worden in een andere toepassing dan vermeld) (Zo wordt TAGN voornamelijk als springstof gebruikt, maar kan deze stof ook als brandstof of oxidatiemiddel dienen.)

3.

In ML8 betekent deeltjesgrootte de gemiddelde doorsnee van een deeltje op gewichts- of volumebasis. Internationale of gelijkwaardige nationale normen worden gebruikt voor bemonstering en het vaststellen van de deeltjesgrootte)

a)

”springstoffen”, als hieronder, en mengsels daarvan:

1.

ADNBF (aminodinitrobenzofuroxan of 7-amino-4-6-dinitrobenzofurazan-1-oxide (CAS 97096-78-1);

2.

BNCP (cis-bis(5-nitrotetrazolato) tetraaminekobalt (III) perchloraat) (CAS 117412-28-9);

3.

CL-14 (diaminodinitrobenzofuroxan of 5,7-diamino-4,6-dinitrobenzofurazaan-1-oxide (CAS 117907-74-1);

4.

CL-20 (HNIW of hexanitrohexaazaisowurtzitaan) (CAS 135285-90-4); chlatraten van CL-20 (zie ook ML8.g)3 en g)4 voor de ”voorlopers”);

5.

CP (2(5-cyaantetrazolato) pentaaminekobalt ( III) perchloraat) (CAS 70247-32-4);

6.

DADE (1,1-diamino-2,2-dinitroethyleen, FOX7) (CAS 145250-81-3);

7.

DATB (diaminotrinitrobenzeen) (CAS 1630-08-6);

8.

DDFP (1,4-dinitrodifurazanpiperazine);

9.

DDPO (2,6-diamino-3,5-dinitropyrazine-1-oxide, PZO) (CAS 194486-77-6);

10.

DIPAM (3,3′-diamino-2,2′,4,4′,6,6′-hexanitrobifenyl of dipicramide) (CAS 17215-44-0);

11.

DNGU (DINGU of dinitroglycoluril) (CAS 55510-04-8);

12.

furazanen, als hieronder:

a)

DAAOF (DAAF, DAAFox, of diaminoazoxyfurazan);

b)

DAAzF (diaminoazofurazan) (CAS 78644-90-3);

13.

HMX en derivaten (zie ook ML8.g)5 voor de ”voorlopers”), als hieronder:

a)

HMX (cyclotetramethyleentetranitramine, octahydro-1,3,5,7-tetranitro-1,3,5,7-tetrazine, 1,3,5,7-tetranitro-1,3,5,7-tetraza-cyclooctaan, octogen of octogeen) (CAS 2691-41-0);

b)

difluorgeamineerde analoga van HMX;

c)

K-55 (2,4,6,8-tetranitro-2,4,6,8-tetraazabicyclo[3,3,0]-octanon-3, tetranitrosemiglycouril of keto-bicylisch HMX) (CAS 130256-72-3);

14.

HNAD (hexanitroadamantaan) (CAS 143850-71-9);

15.

HNS (hexanitrostilbeen) (CAS 20062-22-0);

16.

imidazolen, als hieronder:

a)

BNNII (Octahydro-2,5-bis(nitroimino)imidazo [4,5-d]imidazool);

b)

DNI (2,4-dinitroimidazool) (CAS 5213-49-0);

c)

FDIA (1-fluoro-2,4-dinitroimidazole);

d)

NTDNIA (N-(2-nitrotriazolo)-2,4-dinitroimidazool);

e)

PTIA (1-picryl-2,4,5-trinitroimidazool);

17.

NTNMH (1-(2-nitrotriazolo)-2-dinitromethyleenhydrazine);

18.

NTO (ONTA of 3-nitro-1,2,4-triazool-5-on) (CAS 932-64-9);

19.

polynitrocubanen met meer dan vier nitrogroepen;

20.

PYX (2,6-bis(picrylamino)-3,5-dinitropyridine) (CAS 38082-89-2);

21.

RDX en derivaten, als hieronder:

a)

RDX (cyclotrimethyleentrinitramine, cycloniet, T4, hexahydro-1,3,5-trinitro-1,3,5-triazine, 1,3,5-trinitro-1,3,5-triazacyclohexaan, hexogen of hexogeen) (CAS 121-82-4); b)

b)

Keto-RDX (K-6 of 2,4,6-trinitro-2,4,6-triazacyclohexanon) (CAS 115029-35-1);

22.

TAGN (triaminoguanidinenitraat) (CAS 4000-16-2);

23.

TATB (triaminotrinitrobenzeen) (CAS 3058-38-6) (zie ook ML8.g)7 voor de ”voorlopers”);

24.

TEDDZ (3,3,7,7-tetrabis(difluoramine)octahydro-1,5-dinitro-1,5-diazocine);

25.

tetrazolen, als hieronder:

a)

NTAT (nitrotriazoolaminotetrazool);

b)

NTNT (1-N-(2-nitrotriazolo)-4-nitrotetrazool);

26.

tetryl (trinitrofenylmethylnitramine) (CAS 479-45-8);

27.

TNAD (1,4,5,8-tetranitro-1,4,5,8-tetraazadecaline) (CAS 135877-16-6) (zie ook ML8.g)6 voor de ”voorlopers”);

28.

TNAZ (1,3,3-trinitroazetidine) (CAS 97645-24-4) (zie ook ML8.g)2 voor de ”voorlopers”);

29.

TNGU (SORGUYL of tetranitroglycoluril) (CAS 55510-03-7);

30.

TNP (1,4,5,8-tetranitro-pyridazino[4,5-d]pyridazine) (CAS 229176-04-9);

31.

triazinen, als hieronder:

a)

DNAM (2-oxy-4,6-dinitroamino-s-triazine) (CAS 19899-80-0);

b)

NNHT (2-nitroimino-5-nitro-hexahydro-1,3,5-triazine) (CAS 130400-13-4);

32.

triazolen, als hieronder:

a)

5-azido-2-nitrotriazool;